Lombokplein, Lombok_Bijlagen toelichting.pdf
Tekst van het document
Concreet wordt geadviseerd de aanleg / vernieuwing van het riool onder archeologische begeleiding uit te laten voeren. Ter hoogte van de beoogde nieuwbouw kan na verwijdering van de huidige infrastructuur een proefsleufonderzoek worden uitgevoerd. Voor de delen waar de archeologische potentie niet kon worden vastgesteld kan na het verwijderen van de infrastructuur eerst een aanvullend booronderzoek uitgevoerd worden om de diepte van de verstoringen en de mate van intactheid van de natuurlijke bodem vast te stellen. Geadviseerd wordt om hiertoe mechanische boringen in te zetten. 7
Gezien de complexe omstandigheden voor verder onderzoek wordt geadviseerd om op basis van de concrete inrichtingsplannen een strategie voor het vervolgonderzoek op te stellen waarbij per ingreep de methode en fasering wordt vastgelegd. De methode, fasering en vraagstelling dient vastgelegd te worden in een PvE.
Afb. 1.
Locatie van het plangebied.
8
1
Inleiding en administratieve gegevens In opdracht van de gemeente Utrecht heeft ADC ArcheoProjecten in februari - maart 2022 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd naar de kans op de aanwezigheid van archeologische resten op de locatie Lombokplein e.o. te Utrecht (Afb. 1. en Afb. 2. ).
Afb. 2.
Detailkaart van het gebied waarbinnen het booronderzoek is uitgevoerd.
De gemeente Utrecht gaat het gebied van de Graadt van Roggenweg en het Westplein opnieuw inrichten. De herinrichting bestaat uit het deels omleggen van de rijbanen, fietspaden en trottoirs. De bundels van wegen op het Westplein en de Graadt van Roggenweg worden getransformeerd tot een stadsstraat. Binnen het plangebied worden verder nog drie nieuwe bouwblokken ontwikkeld. De watervoerende Leidse Rijn wordt vanaf de Damstraat richting de binnenstad verlengd en het fietspad hierlangs wordt rechtgetrokken. De ondergrondse kabels en leidingen worden aangepast en de groenvoorziening wordt onder andere met parken en nieuwe bomen uitgebreid. Voor een meer gedetailleerde omschrijving van de plannen en een afbeelding met de ingreepdieptes wordt verwezen naar het bureauonderzoek. 1 Details van de plannen met betrekking tot bodemingrepen zijn nog niet bekend. Het College heeft op 24 november 2020 het definitieve Programma van Eisen en Functioneel Ontwerp Lombokplein vastgesteld. In 2020 is voor het plangebied een bureauonderzoek uitgevoerd. 2 De resultaten van dit bureauonderzoek vormen aanleiding tot de uitvoer van het verkennende onderzoek dat in onderhavige rapportage wordt beschreven.
1
Bakker & Duurland 2020
2
Bakker & Duurland 2020
9
Voor de gemeente Utrecht geldt sinds 2009 de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. Door deze verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd. Aan de verordening is een vergunningstelsel (archeologievergunning) gekoppeld. Bij bodemingrepen die de op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte overschrijden is het gehele project vergunningplichtig.
Afb. 3.
Archeologische waardenkaart
Op de gemeentelijke archeologische waardenkaart strekt het plangebied zich uit over gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting, gebieden van archeologische verwachting en gebieden zonder verwachting (afb. 3). Voor het booronderzoek zijn deze witte zones niet meegenomen, dit betreft de gebieden ter plaatse van het Merwedekanaal en de Daalsetunnel die al diep verstoord en daarom geen archeologische verwachting hebben.
10
De volgende administratieve gegevens zijn van toepassing: opdrachtgever:
Gemeente Utrecht Telefoon 06-1819 E-mail @utrecht.nl
fase AMZ-cyclus:
Verkennend booronderzoek
aanleiding:
herinrichting
locatie:
Lombokplein e.o.
plaats:
Utrecht
gemeente:
Utrecht
provincie:
Utrecht
kaartblad:
31H
oppervlakte plangebied:
13,25 hectare
coördinaten:
135739 / 456150 (noord) 135840 / 455957 (oost) 135108 / 455106 (zuid) 135065 / 455140 (west)
bevoegde overheid met contactgegevens:
Erfgoed gemeente Utrecht
E-mail archeologie@utrecht.nl goedkeuring rapport door bevoegde overheid:
Ja, geadviseerde wijzigingen zijn doorgevoerd
Archis-zaaknummer:
5162302100
ADC-projectcode:
4231002
Gemeentelijke code
LOPO2
auteur(s): autorisatie: periode van uitvoering:
februari - maart 2022
beheer en plaats documentatie:
ADC ArcheoProjecten bv, Amersfoort
11
2
Bureauonderzoek 2.1
Algemeen
In 2020 is voor het plangebied een uitgebreid bureauonderzoek uitgevoerd. 3 In onderstaande paragrafen wordt een samenvatting van het bureauonderzoek gegeven, gevolgd door de gespecificeerde archeologische verwachting. Onderstaande paragrafen zijn volledig gebaseerd op het bureauonderzoek en betreffen voor het merendeel letterlijke citaten.
2.2
Landschappelijke situatie
Het gebied bevindt zich grotendeels op de Oude Rijnstroomgordel. Het noordelijkste deel bevindt zich in een zone waar de bodem bestaat uit oever- op komafzettingen met in de diepere ondergrond dekzand. Binnen het deel dat zich bevindt op de Oude Rijnstroomgordel kan onderscheid gemaakt worden tussen het meest zuidelijke deel dat zich bevindt binnen de postRomeinse meandergordel van de Oude Rijn en het centrale deel van het plangebied dat zich bevindt op oudere delen van deze meandergordel. In het voor het plangebied opgestelde bureauonderzoek wordt de landschappelijke ligging in detail besproken. Binnen het stroomgebied van de Oude Rijn heeft de rivier zich al meanderend steeds weer verlegd. Bij de huidige stand van kennis lijkt het erop dat de rivieractiviteit in de Romeinse tijd en daarna zich grotendeels heeft afgespeeld ten zuiden van het plangebied. Alleen aan de uiterste zuidwestkant van het plangebied (bij het Merwedekanaal) is de Oude Rijn in de Romeinse tijd en de middeleeuwen actief geweest. Binnen het plangebied zijn ten zuidwesten van de laatmiddeleeuwse Rijnloop de Romeinse en vroegmiddeleeuwse afzettingen geërodeerd bij het zich noordoostwaarts verplaatsen van de rivierbocht.
De ligging van de laatmiddeleeuwse eindfase van de Rijn was in de negentiende eeuw nog te herkennen aan het verloop van de grens van de voormalige gemeente In de veertiende eeuw was dit deel van de Oude Rijn, tussen Papendorp en Tolsteeg, nog wel bevaarbaar gehouden. Toen dit deel van de rivier steeds meer begon te verlanden is in de vijftiende eeuw een kanaaltje gegraven dat uitkwam op de Vleutenschevaart. Dit kanaaltje, op de plaats van de huidige Bilitonkade, werd omwille van de continuïteit Oude Rijn genoemd. Op 60 meter ten zuiden van het plangebied, ter plaatse van het Jaarbeursplein, is een OSLmonster uit het beddingzand van de Oude Rijn gedateerd tussen 180 voor Chr. en 200 na Chr. Hier was dus net buiten het plangebied de Oude Rijn actief in de late ijzertijd of mogelijk nog in de Romeinse tijd (tot 200 na Chr.). Bedding- en oeverafzettingen van de Oude Rijn die het grootste deel van het plangebied beslaan zullen in de loop van de bronstijd en de ijzertijd zijn afgezet.4 De kans dat binnen het plangebied ook nog oeverafzettingen uit het neolithicum aanwezig zijn is klein. Deze oudere afzettingen zullen waarschijnlijk door het meanderen van de rivier in de daaropvolgende perioden zijn opgeruimd.
Bij het proefsleuvenonderzoek in 2006 in de Kop van Lombok is tussen de Damstraat en de Kanonstraat beddingzand van de Oude Rijn aangetroffen met daarin een met klei opgevulde restgeul. 5 De onderste laag in deze ruim 3 meter diepe restgeul is volgens een C14-datering afgezet in de vroege ijzertijd of het begin van de midden ijzertijd (780-490 of 470-410 cal BC). Dit proefsleuvenonderzoek vond plaats op de grens van de stroomgordel en het komgebied ten noorden ervan. De bedding- en oeverafzettingen van de rivier lagen wat verder naar het noorden toe op de kleiige komafzettingen die daar al eerder in de prehistorie moeten zijn afgezet door de toen wat verder naar het zuiden liggende rivier. Binnen het plangebied kunnen in de stroomgordel van de Oude Rijn nog andere restgeulen uit de brons- en/of ijzertijd aanwezig zijn. In 2019 en 2020 zijn binnen het plangebied een aantal boorprojecten uitgevoerd in het kader van milieukundig onderzoek. In een boring in de Graadt van Roggenweg, ter hoogte van perceel 78/81, bevond zich klei op het diepste punt van de boring (5,0 meter –MV). Mogelijk is hier een restgeul aangeboord. 6
3
Bakker & Duurland 2020.
4
Van Dinter 2017, figuur 6.6, #379; Cohen et al 2012.
5
Van Dinter 2013.
6
deze boring is beschreven in Nelis/Van der Ven 2019.
12
Afb. 4.
Geomorfologische kaart (bron: Bakker & Duurland 2020)
Het bleek niet mogelijk om aan de hand van de gepubliceerde boorstaten een meer gedetailleerd beeld te krijgen van (prehistorische) restgeulen binnen de stroomgordel. Zoals eerder opgemerkt liep de hoofdstroom van de Oude Rijn in de Romeinse tijd en later grotendeels buiten het plangebied. Gezien de beperkte afstand tussen deze rivierlopen en het plangebied kan de Oude Rijn gedurende deze perioden toch van invloed zijn geweest op het plangebied in de vorm van oeverwaldoorbraken of overstromingen. 13
Binnen het onderzoeksgebied is een laatmiddeleeuwse restgeul te verwachten bij het Merwedekanaal. Ten noorden van deze restgeul zijn binnen het plangebied mogelijk ook oudere restgeulen bewaard gebleven, vergelijkbaar met de ijzertijd-restgeul die net buiten het plangebied, bij de Kanonstraat, is aangetroffen. 7 Verder kan de aanwezigheid van crevassegeultjes niet worden uitgesloten. De restgeulen zijn in het algemeen niet veel breder dan 10 m en ruim 2 meter diep. Ze zijn opgevuld met (humeuze) klei en veenlagen en kunnen archeologische vondsten bevatten. In de top van de opvulling kan zich een vegetatiehorizont hebben gevormd. De beddingafzettingen kunnen (verspoeld) archeologisch vondstmateriaal bevatten, terwijl in de oeverzone beschoeiingen en kadewerken kunnen worden aangetroffen.
2.3
Archeologische resten en verwachting
Binnen het plangebied heeft nauwelijks archeologisch veldwerk plaatsgevonden. Alleen ten zuiden van het NH Hotel is op een sterk verstoord terrein een archeologische begeleiding uitgevoerd waarbij geen archeologische resten zijn aangetroffen. In Archis III zijn verder ook geen vondstmeldingen uit het onderzoeksgebied bekend. Binnen het plangebied komen geen archeologische monumenten voor volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK). Volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) ligt het plangebied deels in een gebied met lage trefkans (het komgebied onder het Westplein) en deels in een gebied met hoge trefkans (de stroomgordel van de Oude Rijn). Op de gemeentelijke Archeologische Waardenkaart uit 2009 strekt het plangebied zich uit over gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting en gebieden met archeologische verwachting (afb. 3). Van gebieden van hoge archeologische waarde (rood op de waardenkaart) is bekend of zeer aannemelijk dat er een hoge dichtheid aan archeologische resten in de bodem aanwezig is. Op de gemeentelijke archeologische waardenkaart worden binnen het plangebied van noord naar zuid de volgende gebieden hiertoe gerekend: • • •
• • •
•
7
Het gebied in de omgeving Westplein en Blekerstraat omvat ruim genomen de voorstad Buiten Catharijne. Het gebied in de hoek van de Leidseweg en de Croeselaan omvat ruim genomen het landgoed Groenendaal. In gebieden van hoge archeologische verwachting (geel op de waardenkaart) wordt een middelhoge tot hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht. Op de gemeentelijke Archeologische Waardenkaart worden binnen het plangebied van noord naar zuid de volgende gebieden hiertoe gerekend: Het gebied langs de huidige Vleutenseweg met daarin de resten van de oude Vleutenscheweg, de Vleutenschevaart en mogelijke bebouwing langs beiden. Het gebied van de huidige Leidse Rijn en de zone aan weerszijden hiervan met mogelijk historische bebouwing langs de vaart. Het gebied bij het Merwedekanaal dat langs de restgeul van de middeleeuwse Oude Rijn loopt. Hierbinnen zijn afgezien van de restgeul zelf ook middeleeuwse wegen en bewoningssporen te verwachten. In gebieden van archeologische verwachting (groen op de waardenkaart) kunnen archeologische resten aangetroffen worden. Op de gemeentelijke archeologische waarden-kaart worden binnen het plangebied van noord naar zuid de volgende gebieden hiertoe gerekend: Het gebied van het Westplein in het komgebied met oeverafzettingen op komklei.
Het gebied tussen de Leidse Rijn en het Merwedekanaal op de stroomgordel van de Rijn uit de ijzertijd. Het gebied ten zuiden van het Merwedekanaal op de middeleeuwse meandergordel van de Oude Rijn.
Van Dinter 2013.
14
Afb. 5.
Historische elementen (bron: Bakker & Duurland 2020)
Het plangebied bevindt zich buiten de historische binnenstad van Utrecht. Tot in de 19e eeuw bevond het plangebied zich in het buitengebied nabij de stad. Enkele vaarten waren echter al langer in het buitengebied aanwezig. Zo bevond zich in het noorden van het plangebied de Vleutense vaart, gelegen ter hoogte van de huidige Vleutenseweg en ook de Leidsche Rijn is op de oude topografische kaarten aangegeven. De oudste bebouwing op basis van de oude topografische kaarten bevindt zich direct ten zuiden van de Vleutenseweg, ter hoogte van de huidige AH-vestiging. Hier zijn op de kaarten van Specht (1740) al boerderijen aangegeven. Vanaf de 19e eeuw is Utrecht in de richting van het plangebied uitgebreid. Afb. 4 geeft een overzicht van de historische elementen in de omgeving van het plangebied.
15
2.3.1 Gespecificeerde archeologische verwachting Historische elementen In afb. 5 zijn bij benadering de locaties weergegeven van de afzonderlijke historische elementen op basis van historische teksten, kaarten en percelering (zie hoofdstuk 3). Van noord naar zuid worden deze elementen hierna opgesomd. Omgeving Vleutenseweg, Daalsetunnel, Westplein: • de Vleutenscheweg (afb. 5, nr. 1); • de Vleutenschevaart met een aftakking naar het noorden rond 1569 (afb. 5, nr. 5); • de voorstad Buiten Catharijne met de Doofpoort (afb. 5, nr . 4a) en de Achtermolen/molen De Kat (afb. 5, nr. 8); • de blekerijen langs de zuidkant van de Vleutenschevaart (afb. 5, nr. 4b). Omgeving Leidse Rijn: • de Nieuwe Leidschevaart uit 1664 (afb. 5, nr. 6); • de molen (De Zwijger) uit 1855-1861 (afb. 5, nr. 9); • een huis langs de noordkade van de Leidschevaart weergegeven op de kadasterkaart van 1832 (afb. 5, nr. 11). De schuur en het huis ten westen hiervan zijn vergraven bij de aanleg van de zwaaikom aan het eind van de negentiende eeuw; • de noordelijk aftakking van de middeleeuwse Hereweg genaamd Schinkeldijk met mogelijk flankerende sloten (afb. 5, nr. 2a) ; • de bebouwing van het fabriekscomplex Hamburger uit1872 (afb. 5 nr. 14). Omgeving NH Hotel en Graadt van Roggenweg: • de middeleeuwse Hereweg met mogelijk flankerende sloten (afb. 5, nr.
2); • de buitenplaats Groenendaal (laat zeventiende eeuw) met pannenbakkerij (achttiende eeuw), bijgebouwen en vijver (achttiende en negentiende eeuw (afb. 5, nr. 10); • het hoofdgebouw van de Veldarteleriekazerne (1879 en vanaf 1939 Van SijpesteijnKazerne) met enkele barakken/stallen (afb. 5, nr. 12); • de noordelijke bijgebouwen van de Vestingkazerne (1888) die vanaf 1934 tot Hojelkazerne werd omgedoopt (afb. 5, nr. 13); • de sloten uit circa 1890 horend bij de Vestingkazerne (afb. 5, nr. 16); • de Blekersgracht gegraven in 1664 (afb. 5, nr. 7); • de zuidelijke aftakking van de Hereweg genaamd Lubbenessensteghe (1396) met mogelijk flankerende sloten (afb. 5, nr. 2b). Zuidelijke deel van de Graadt van Roggenweg: • de restgeul van de laatmiddeleeuwse Rijn (afb. 5, nr. 17) met langs de oostoever de mogelijke voortzetting van het Lijnpad (afb. 5, nr. 3). Verwachtingsgebieden Door de geomorfologische gegevens te combineren met de historische gegevens en bekende verstoringen kan voor verschillende delen van het plangebied een archeologische verwachting worden opgesteld (afb 6). Daarbij worden de gebieden in een van de volgende vier groepen ingedeeld: • • • •
gebieden zonder verwachting (recent verstoord tot op grote diepte); gebieden met lage verwachting; gebieden met middelhoge verwachting; gebieden met hoge verwachting.
Gebieden zonder verwachting Dit zijn de bekende recent verstoorde gebieden (tot op grote diepte). Buiten de kanalen Leidse Rijn en Merwedekanaal zijn dit: V1, de fietstunnel onder het Westplein; V2, de voormalige parkeergarage naast het NH Hotel; V3, de inrit tot de Daalsetunnel; V4, de inrit tot de Leidseveertunnel; V5, de Van Sijpesteijntunnel.
16
Gebieden met lage verwachting (lichtblauw) Gebied A het komgebied onder het Westplein (in afbeelding 6 lichtblauw gekleurd). Archeologische resten kunnen in principe aangetroffen worden op het pleistocene dekzand onder het veen. Het betreft dan de periode tussen de sedimentatie van het dekzand en de veenvorming (circa 10.000 – 6000 jaar geleden). De kans op aanwezigheid van archeologische resten is hier echter klein. Het dekzand vormde hier namelijk geen opvallende hoogte in het landschap die mensen aantrok. Er is dus geen reden om aan te nemen dat uitgerekend hier mensen actief waren in de betreffende periode. De top van het dekzand is hier aan te treffen tussen 3,8 en 4,6 meter onder maaiveld (1,8 2,4 m -NAP). Tijdens de latere veenvorming en de daaropvolgende sedimentatie van rivierklei in het komgebied onder het huidige Westplein was dit geen aantrekkelijk vestigingsgebied. De kans op aanwezigheid van archeologische resten uit de prehistorie en de Romeinse tijd in dit komgebied is daarom klein. Het nieuw te bouwen Parkbouwblok is deels gesitueerd in dit gebied. Gebieden met middelhoge verwachting (paars) Dit zijn de gebieden die liggen op de meandergordel uit de brons- en ijzertijd maar waarvan geen historische bebouwing bekend is.
De oeverafzettingen van de meandergordel waren bewoonbaar vanaf de bronstijd en er kunnen dus wel archeologische resten bewaard zijn uit de perioden waarvan geen kaartmateriaal voorhanden is, de late prehistorie, Romeinse tijd en middeleeuwen. Het loopniveau vanaf de late prehistorie kan aangetroffen worden tussen 1,0 en 2,0 m +NAP. Binnen de meandergordel kunnen zich nog onbekende restgeulen bevinden. Ook hierin kunnen archeologische resten worden verwacht. Over de bewoningsdichtheid en de mate van verstoring binnen deze gebieden is niets bekend. Na aanvullend onderzoek kunnen (delen van) deze gebieden alsnog een andere waardering krijgen. In afbeelding 6 zijn deze gebieden paars gekleurd. Gebied B aan weerszijden van de Leidse Rijn. Hoewel het gebied aan de Leidse Rijn ligt is uit historisch kaartmateriaal geen aanwijzing gevonden voor historische bebouwing. Gebied C langs de Graadt van Roggenweg. Op Historisch kaartmateriaal is geen historisch bebouwing aangetroffen voor dit gebied. Op een kaart uit 1890 is dit gebied aangegeven als militair (oefen?)terrein met enkele sloten die het plangebied doorkruizen. Gebieden met hoge verwachting (oranje) Deze gebieden hebben een verschillende geomorfologische oorsprong en hebben om verschillende redenen een hoge verwachting. In afbeelding 6 zijn deze gebieden oranje gekleurd. Gebied D in het noorden van het komgebied.
Hoewel gelegen in het komgebied is voor de middeleeuwen en nieuwe tijd de kans op het aantreffen van archeologische resten groot. Om te beginnen liepen hier de Vleutenschevaart en de Vleutenscheweg door het plangebied. Van de Vleutenschevaart kunnen nog de resten van oude beschoeiingen bewaard gebleven zijn. Ook van bruggen kunnen nog funderingsresten bewaard zijn. Archeologisch onderzoek in 2009 aan de Vleutenschevaart in het Smakkelaarsveld heeft verschillende beschoeiingen, kades en resten van een in oorsprong laatmiddeleeuwse brug aan het licht gebracht. De Vleutenschevaart bleek hier in de loop van de tijd steeds weer versmald te zijn waardoor ook steeds nieuwe beschoeiingen aangelegd moesten worden. Van de voorstad Buiten Catharijne valt het meest westelijke deel binnen dit gebied. Het betreffen hier dan onder andere de Doofpoort, de Achtermolen en verschillende gebouwen. Voor de Doofpoort lag, in ieder geval omstreeks 1569 volgens de kaart van Jacob van Deventer, een aftakking van de Vleutenschevaart. Deze aftakking kan bewaard gebleven zijn met beschoeiingen en een vulling met daarin vondstmateriaal. Om de Vleutenscheweg over dit water te leiden is vermoedelijk gebruik gemaakt van een brug of een duikerconstructie waarvan de resten mogelijk ook bewaard zijn gebleven.
Langs de zuidrand van de voormalige Vleutenschevaart kunnen de resten van de vele blekerijen, die minstens terug gaan tot het begin van de zestiende eeuw, nog in de bodem aanwezig zijn. Hier is onder andere te denken aan funderingen, beer- en waterputten, en grondsporen. Het nieuw te bouwen Parkbouwblok is deels gesitueerd in het gebied waar de resten van de blekerijen te verwachten zijn (afb. 5 nr. 4b). Gebied E tussen de noordkade van de in 2015 gedichte Leidse Rijn en het Park Plazahotel. Hier bevond zich volgens de kadastrale kaart van 1832 een huis (afb. 5 nr. 11). Het gebied van hoge waarde is wat ruimer rond dit huis genomen omdat er ook nog andere resten, die geen deel uitmaakten van het eigenlijke huis, zoals beerputten, in de bodem aanwezig kunnen zijn. 17
Afb. 6.
Verwachtingszones (bron: Bakker & Duurland 2020)
Gebied F in het midden van het plangebied. Alleen al gezien de ligging op de stroomrug van de Oude Rijn geldt voor dit gebied een middelhoge verwachting vanaf de ijzertijd. Van de vele historische elementen binnen dit gebied kunnen resten in de bodem verwacht worden waardoor de verwachting voor dit gebied moet worden opgeschaald. Het betreft daarom gebied met hoge verwachting. Afgezien van de funderingsresten van gebouwen uit de zeventiende tot en met de negentiende eeuw kunnen hier ook, zelfs bij verstoorde bovengrond, dieper ingegraven structuren aangetroffen worden. Te denken is dan bijvoorbeeld aan de bermsloten naast de oude wegen, een mogelijke ontginningssloot langs de Hereweg, de vijver horend bij huis Groenendaal, de Blekersgracht, beer- en waterputten, etc. De nieuwe bouwlokken Hotelblok en Leidseblok zijn binnen dit gebied gesitueerd.
18
Gebied G direct ten oosten van het Merwedekanaal. In dit gebied liep de middeleeuwse Oude Rijn. Hierin kunnen (resten van) middeleeuwse schepen aangetroffen worden. Maar ook andere resten kunnen aangetroffen worden zoals menselijk afval, beschoeiingen, visfuiken en brugconstructies. Langs de noordoostelijke oever van de Oude Rijn heeft binnen dit gebied mogelijk een middeleeuwse weg gelopen, de stroomafwaartse voortzetting van het Lijnpad. Verder kan hier ook in de middeleeuwen ook bewoning plaatsgevonden hebben. Ook op de zuidwestelijke oever van de restgeul is rekening te houden met bewoning, zij het dan niet ouder dan de late middeleeuwen. Oudere resten zijn als gevolg van (vroeg)middeleeuwse riviererosie verspoeld. Voor dit gebied geldt dus een lage verwachting voor oudere perioden. In het beddingzand kunnen wel verspoelde resten liggen uit deze oudere perioden. Gebied H ten zuidwesten van het Merwedekanaal. Voor dit gebied geldt hetzelfde als voor de zuidoostelijke oever van de Oude Rijn in gebied G. In dit gebied, waarin de middeleeuwse rivier zich heeft verplaatst in noordoostelijke richting, kunnen archeologische resten in de beddingafzettingen worden verwacht, bijvoorbeeld gezonken schepen, beschoeiingen en verspoeld vondstmateriaal. Op de nieuw gevormde oeverafzettingen kan middeleeuwse bewoning plaatsgevonden hebben.
19
3
Inventariserend Veldonderzoek Doel- en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting. In lijn met de conclusie naar aanleiding van de gespecificeerde verwachting en het daarop gebaseerde advies is gekozen voor een verkennend booronderzoek. Met het verkennende booronderzoek dient de bodemopbouw en de mate van intactheid daarvan bepaald te worden. Het leidt tot beantwoording van de volgende onderzoeksvragen: • • • • • • • •
Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Zijn er restgeulen aanwezig? Wat is de gedetailleerde landschappelijke situatie? Waar zijn nederzettingen, grafvelden of andere archeologische resten te verwachten gezien de landschappelijke situatie? Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen?
Zo ja:
• • •
-
Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?
Uitvoeringsplan veldwerkzaamheden Voor het beantwoorden van bovengenoemde onderzoeksvragen is de volgende onderzoeksmethode toegepast: aantal boringen:
81
boorgrid:
Verspreid over de in de verwachtingszones beschikbare locaties. De boringen zijn met name geplaatst in groenstroken en ter hoogte van trottoirs of locaties met eenvoudig te verwijderen tegels. Tabel 1 geeft een overzicht van de aantallen boringen per verwachtingszone,
Extra boringen
Maximaal 19 (ter begrenzing van eenheden)
diepte boringen:
Afhankelijk van de verwachtingszone (zie tabel 1) en maximaal 6 m -mv
boormethode:
Edelmanboor met diameter 7 cm en gutsboor met diameter 3 cm (handmatig)
bemonstering:
versnijden en/of verbrokkelen
20
De lithologische en bodemkundige kenmerken van de boringen zijn beschreven conform respectievelijk NEN 5104 8 en het Systeem voor de bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus 9 en vastgelegd middels het invoerprogramma Deborah. De X- en Y-coördinaten en hoogte zijn ingemeten met een GPS met een nauwkeurigheid van 1 cm. Tabel. 2. Boorstrategie per verwachtingszone. Verwachting
Aantal boringen
Diepte boringen (indicatief)
Opmerkingen
A1-A2
5
gemiddeld 5 m (50 cm in top dekzand)
Minimaal 2 boringen in bouwblok
B1
4
tot 50 cm in beddingzand of tot grondwater (komgebied)
B2
2
tot 50 cm in beddingzand of tot grondwater (komgebied)
B3
6
tot 50 cm in beddingzand of tot grondwater (komgebied)
C
12
tot 50 cm in beddingzand
noordzijde Graadt van Roggenweg
D1-D2
10
7 boringen tot grondwater; 3 boringen tot gemiddeld 5 m -mv (50 cm top dekzand)
Minimaal 2 boringen per bouwblok
E
2
tot 50 cm in beddingzand of tot grondwater (komgebied)
Locatie huisje kadaster 1832
F1
4
tot 50 cm in beddingzand
F2
20
tot 50 cm in beddingzand
Minimaal 3 boringen per bouwblok
F3
8
tot 50 cm in beddingzand
noordzijde Graadt van Roggenweg
G
4
tot 50 cm in beddingzand
noordzijde Graadt van Roggenweg
H
4
tot 50 cm in beddingzand boren
noordzijde weg
8
Bosch 2005; Nederlands Normalisatie-Instituut 1989.
9
De Bakker 1989.
21
Afb. 7.
Boorpuntenkaart
22
Afb. 8.
Verstoring en verstoringsdiepte
23
3.1
Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)
3.1.1 Lithologische beschrijving In totaal zijn er in het plangebied 84 verkennende boringen gezet. De locatie van de boringen is weergeven in Afb. 7. De boorgegevens worden gepresenteerd in bijlage 1. Zoals reeds verwacht op basis van het bureauonderzoek is de bodem van het plangebied in grote delen diep verstoord. Vanwege deze verstoringen zijn een groot aantal boringen gestuit op ondoordringbare puin en granulaat lagen. In totaal zijn er van de 84 boringen 41 niet tot in de natuurlijke afzettingen doorgezet als gevolg van ondoordringbare (puin)lagen. Dit betreft de boringen 5, 6, 21 - 25, 27 – 29, 31, 32, 34, 35, 37, 42, 43, 45, 46 – 48, 50, 53, 54, 61 – 63, 65 – 69, 73 – 75, 78, 79, 83 & 84 (afb. 7). De diepte waarop deze boringen gestuit zijn varieert sterk, tussen 0,3 – 2,9 m -mv. In het merendeel van de gevallen zijn de boringen gestuit op puinachtige lagen, in enkele boringen is de boring gestaakt in opgebrachte zandlagen (boring 40, 50, 53, 55, 57 & 67). Voor alle gestuite boringen is op minimaal één locaties in de omgeving van het oorspronkelijke boorpunt nog een poging gedaan. Omdat in deze boringen de maximale verstoringsdiepte niet kon worden vastgesteld, is in afb. 8 voor deze boringen de maximale boordiepte weergegeven. Boring 46, 53, 57 & 67 zijn tegen de randen van het gedempte gedeelte van de Leidsche Rijn gezet.
De in deze boringen aangetroffen diepe verstoringen zullen met deze gedempte vaart te maken hebben. Van de boringen die wel tot in de natuurlijke afzettingen konden worden doorgezet is in afb. 8 de dikte van de verstoorde bovengrond aangegeven. De dikte van het verstoorde pakket varieert tussen 0,8 - 4,0 m. Het verstoorde pakket bestaat uit zand en/of zandige klei met wisselende hoeveelheid klei- en zandbrokken en fragmenten baksteenpuin. Het verstoorde pakket betreft voor een (groot) deel zand dat is opgebracht voorafgaande aan stadsuitbreiding. De dikte van het pakket verstoorde bovengrond is daarmee geen directe maat voor de mate waarin de natuurlijke bodem verstoord is. Op basis van de boringen is het aannemelijk dat er gemiddeld sprake is van één a anderhalve meter ophoging. De overige 43 boringen bevestigen in grote lijnen het beeld van de bodemopbouw van het gebied. Hierbij is duidelijk een zonering in het gebied aanwezig. In het noordelijke deel is sprake van een zone met afgedekt dekzand in de bodem, in het overige deel van het gebied is sprake van afzettingen van de meandergordel van de Oude Rijn. De grens tussen deze twee landschappelijke zones wordt min of meer gevormd door de Kanonstraat, direct ten westen van het Westplein.
Verdronken dekzandlandschap In het uiterste noordelijke deel van het plangebied is aan de basis van zes boringen dekzand aangetroffen (58, 59, 64, 70, 71 & 77). 10 Boring 72 & 75 zijn gestuit in een zeer compacte veenlaag. Op basis van de diepte waarop deze veenlaag is aangetroffen betreft het waarschijnlijk het basisveen en zal het dekzand zich enkele decimeters dieper bevinden. De top van het dekzand bevindt zich tussen 3,9 – 4,8 m -mv (2,54 – 1,72 m -NAP). Het dekzand bestaat uit (licht)bruingrijs, matig fijn tot zeer fijn, kalkloos zand. Het aangetroffen dekzand is licht humeus, vermoedelijk betreft dit een A-horizont. Het dekzand wordt afgedekt door een laag veen. Dit zogenaamde basisveen (Formatie van Nieuwkoop, Basisveenlaag heeft een dikte variërend tussen 0,6 – 1,2 m. Het veen bestaat van onder naar boven uit (licht) zandig bosveen, overgaand naar mineraalarm bos- of rietveen. Tussen 3,3 – 3,95 m -mv gaat het veenpakket over naar een laag kalkloze, matig tot sterk siltige klei. Dit pakket is geïnterpreteerd als komklei. Het komkleipakket gaat naar boven toe geleidelijk over naar een uiterst siltig kleipakket. Dit pakket is afwisselend kalkloos en kalkrijk en is geïnterpreteerd als oeverafzettingen. Deze oeverafzettingen worden afgedekt door de eerder beschreven verstoorde c.q. opgebrachte bovengrond. In boring 77 ontbreekt de komkleilaag op het basisveen.
In deze boring wordt het veen erosief afgedekt door een laag uiterst siltige klei, met grind en houtresten. Dit betreft de basis van een geulvulling die naar boven toe overgaat in een pakket kalkrijke, sterk siltige klei met een wisselende hoeveelheid zandlagen. Deze geul vormt waarschijnlijk onderdeel van de Oude Rijnstroomgordel waarvan in het overige deel van het plangebied beddingafzettingen de basis vormden van het onderzochte deel van de bodem. Het betreft waarschijnlijk een crevassegeul. 10
Afb 9 geeft een overzicht van de boringen met dekzand inclusief de diepte (m -mv) van de top ervan.
24
Afb. 9.
Verspreiding dekzand en beddingzand met dieptes in m -mv.
Oude Rijnstroomgordel De ondergrond in het deel van het plangebied met meandergordelafzettingen van de Oude Rijn bestaat uit siltarm matig fijn tot matig grof zand. Dit zandpakket is doorgaans lichtgeelgrijs van kleur en kalkrijk. De top van het beddingzand varieert tussen 4,0 – 1,8 m -mv (-1,64 - 0,67 m NAP). Het beddingzand gat naar boven in de regel geleidelijk over naar sterk siltig zand of uiterst siltige tot zandige klei. Dit pakket is geïnterpreteerd als kronkelwaardafzettingen. De kronkelwaardafzettingen kennen een zogenaamde fining-upwards sequentie, wat inhoudt dat het sediment naar boven toe kleiiger wordt. De top van deze kronkelwaard- / oeverafzettingen is verstoord of opgenomen in de oorspronkelijk bouwvoor. In een aantal boringen zijn aanwijzingen voor restgeulen aangetroffen, boring 1, 9, 12, 13, 14, 17, 18, 20, 26, 38 & 77 (afb. 10). In deze boringen bevindt zich boven het beddingzand een pakket grijze, licht humeuze klei met hout- en/of plantenresten. Ook is het beddingzand in deze boringen grijs van kleur en er is geen sprake van ijzervlekken. De aangetroffen restgeulen zijn relatief ondiep, de basis bevindt zich maximaal 2 m dieper dan het beddingzand in de directe omgeving. Op basis van deze geringe diepte lijkt het niet om hoofdgeulen van het Oude Rijnsysteem te gaan. Mogelijk betreft het smallere kronkelwaardgeulen.
Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat het 25
met de gehanteerde boormethode, gutsboringen, lastig is om de basis van een geul goed vast te stellen. Vaak is het onderste deel van een restgeul zandig gevuld. Dit zandige geulsediment laat zich lastig opboren met een gutsboor.
Afb. 10. Profielopbouw per boring.
Op basis van de aangetroffen boringen met geulafzettingen lijkt ter hoogte van de boringen 15 – 18 sprake van een bredere restgeul. Deze restgeul bevindt zich op een locatie waar volgens de gegevens van Van Dinter geen restgeul bekend is. 11 De restgeul die in boring 1 is aangetroffen past in het bestaande beeld van het rivierenlandschap in dit deel van Utrecht. De in deze boring aangetroffen restgeul kan verband houden met de laatmiddeleeuwse Oude Rijn. Het diepste punt van deze geul zal dan ten zuidwesten van boring 1 verwacht mogen worden. De overige aangetroffen restgeulen bevinden zich op locaties waar nog geen restgeulen bekend waren. Echter doordat deze waarnemingen zich bevinden in zones met veel verstoorde / gestuite boringen kan geen uitspraak worden gedaan over de diepte en oriëntatie van de restgeulen. Mogelijk betreft het smalle en ondiepe kronkelwaardgeulen.
11
Vergelijk afb. 10 & 4
26
3.1.2 Archeologische resten In de boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van archeologische resten. Ter hoogte van de locaties waar historische bebouwing werd verwacht, ten zuiden van de Vleutenseweg en ten zuiden van de Leidsche Rijn zijn de boringen gestuit. De diepte waarop de boringen op deze locaties zijn gestuit, binnen 1,0 m -mv, doet vermoeden dat hier geen fundamenten van de voormalige bebouwing is aangeboord, aangezien in omliggende boringen sprake is van een recent ophogingspakket van meer dan 1,5 m. Op basis van de boringen kan ook niet worden uitgesloten dat er op grotere diepte dan waarop de boringen gestuit zijn sprake is van resten van de oude bebouwing. 3.1.3 Interpretatie en archeologische potentie Het booronderzoek heeft in hoofdlijnen het beeld van het landschap zoals dat bestond op basis van het bureauonderzoek bevestigd. In het uiterste noorden is sprake van een zone met een afgedekt dekzandlandschap. Het dekzand is afgedekt met veen en daarmee intact aanwezig. Tot het moment dat het dekzand overgroeid raakte met veen zal het een geschikte locatie voor kampen van jager-verzamelaar gemeenschappen zijn geweest. In het overige deel van het plangebied bevinden zich meandergordelafzettingen van de Oude Rijn. De oude Rijn heeft zich ingesneden in het dekzand.
Ter hoogte van de meandergordel is de top van het dekzand daardoor verstoord. Binnen de meandergordel is ter hoogte van boring 1, 7, 15 – 18 & 77 sprake van een restgeul. Met name ter hoogte van boring 15 – 18 lijkt sprake van een bredere restgeul, al kan niet uitgesloten worden dat het twee of meerdere kronkelwaardgeulen betreffen. Deze geul was niet op basis van de bestaande gegevens bekend. Het booronderzoek heeft geen aanwijzingen, stratigrafisch noch qua materiaal, opgeleverd om de restgeul te dateren. De geulvulling bestaat uit humeuze klei, een datering van de geulvulling met c14 lijkt daarom kansrijk. De restgeul ter hoogte van boring 1 past in het bestaande beeld van de restgeulen en ook de geul ter hoogte van boring 77 kan vanuit het bestaande beeld van de restgeulen enigszins verklaard worden. Circa 100 m westelijk van deze boring is aan de Kanonstraat een waarneming van een restgeul gedaan, die mogelijk uit de IJzertijd dateert (zie afb 4). Op basis van die waarneming is aangenomen dat deze geul naar het zuiden afbuigt. Op basis van de beperkte waarneming kan echter niet uitgesloten worden dat deze geul verband houdt met de restgeul in boring 77. Het lijkt te gaan om een smallere restgeul die is gevormd langs de rand van de meandergordel. Met het booronderzoek kan het verwachtingsmodel verder verfijnd worden.
De basis hiertoe vormt de mate van intactheid van de kansrijke niveaus voor archeologische resten, te weten de oeverafzettingen en het dekzand. In de zone waar het dekzand is aangetroffen is dit afgedekt met een pakket Basisveen. De aanwezigheid van het veenpakket maakt duidelijk dat het dekzandlandschap in het Holoceen niet verstoord is geraakt. Voor het dekzandlandschap kan de verwachting voor steentijdvindplaatsen naar middelhoog aangepast worden. Het kansrijke niveau in de afzettingen van de Oude Rijn stroomgordel betreft de oeverafzettingen. De top van de oeverafzettingen is opgenomen in de bouwvoor dan wel verstoord als gevolg van de ligging in de bebouwde kom van Utrecht met bijbehorende ondergrondse infrastructuur en (voormalige) bebouwing. Het bepalen van de mate van intactheid en daarmee de potentie van de oeverafzettingen is lastig aangezien het niet mogelijk is om eenduidig vast te stellen hoeveel van de oorspronkelijke oeverafzettingen verdwenen is. Doorgaans worden de archeologische resten, vondstlagen en sporenniveaus aangetroffen in de kleiige oeverafzettingen. Om de archeologische potentie te bepalen is daarom aangehouden dat indien er sprake is van (een restant van de) kleiige oeverafzettingen er nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn.
Indien de bodem tot in de zandige kronkelwaardafzettingen of tot in het beddingzand verstoord is dan worden er geen archeologische resten meer verwacht. Voor de boringen die niet tot in de natuurlijke afzettingen konden worden doorgezet geldt dat de potentie niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Aangenomen wordt dat indien een boring gestuit is op een diepte van meer dan 2,5 m -mv de kans op archeologische resten in de oevers klein is. In afb. 12 is op basis van het bovenstaande de archeologische potentie per boring weergegeven.
27
Afb. 11. Profiel van het zuidelijkwestelijke deel van het plangebied
28
Afb. 12. Archeologische potentie per boring.
29