Jagerskade, Overvecht_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Er zijn steeds twee contouren in beeld: de contour voor 0,50 ou/m3 (blauwe contour) en die van 0,55 ou/m3 (rode contour). De waarde 0,5 ou/m3 is de toetswaarde voor nieuwe RWZI inrichtingen/installaties ter hoogte van woonbestemmingen, voortvloeiend uit het Activiteitenbesluit (geldend in het milieuspoor). De contour van 0,55 ou/m3 is ook opgenomen, aangezien een waarde tussen 0,50 en 0,55 afgerond wordt naar 0,5 ou/m3. Dus, als een woonbestemming zich buiten de rode contour bevindt, dan is inclusief afronding de blootstelling maximaal 0,5 ou/m3. Kader Het wettelijk toetsingskader van geur is voor zuiveringstechnische werken (RWZI') bepaald in het Activiteitenbesluit, artikel 3.5a en verder (paragraaf 3.1.4a). Voor inrichtingen die na 1 februari 1996 zijn opgericht, geldt, ingevolge artikel 3.5b lid 1, een grenswaarde aan de geurblootstelling ter hoogte van geurgevoelige objecten van 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel. Dit is op de inrichting van HDSR van toepassing. Plansituatie Scenario 1, de huidige vergunde situatie Voor de huidige situatie is uitgegaan van de geurcontouren van het geuronderzoek van de vergunde situatie van de RWZI. In onderstaande afbeelding is de geurcontour aangegeven. Het laat zien dat de geurbelasting op de toekomstige woningen onder de 0.5 ouE/m3 als 98 percentiel blijft.
4 8 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
Scanario 1
Scenario 2, Omklapscenario met de huidige capaciteiten van waterzuivering en slibverwerking ('1x RWZI') Met dit scenario is in beeld gebracht hoe de huidige vergunde activiteiten in de omgeklapte situatie passen. In onderstaande afbeelding komt naar voren dat het omklapscenario 1x RWZI, net inpasbaar is bij de al bestaande woonbestemming (NPD strook).
bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
49
Scenario 2
Senario 3, omklapscenario met 1x RWZI, maar met gespiegelde indeling Uit onderstaande afbeelding blijkt dat dit scenario overal inpasbaar is. Dus zowel ten opzichte van de bestaande woningen, als bij de voorgenomen woningen aan de Jagerskade.
5 0 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
Snenario 3
Scenario 4, omklapscenario met uitbreiding naar 1,5x RWZI Uit onderstaande afbeelding komt naar voren dat dit scenario niet niet inpasbaar is bij het plangebied, maar ook zeker niet bij de huidige woningen aan de Loevenhoutsedijk.
bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
51
Scenario 4
Scenario 5, omklapscenario met uitbreiding naar 1,5x RWZI, maar met gespiegelde indeling Uit ondertaande afbeelding blijkt dat dit scenario bijna inpasbaar is bij het plangebied, maar zeker niet bij huidige woonbestemmingen aan de Loevenhoutsedijk.
Scenario 5
Scenario 6, maximale invulling: omklapscenario met uitbreiding naar 1,2x RWZI, en gespiegelde indeling In onderstaande afbeelding komt naar voren dat dit scenario inpasbaar is voor het plangebied Jagerskade, en ook nog net inpasbaar bij huidige woonbestemmingen aan de Loevenhoutsedijk.
5 2 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
Scenario 6
Conclusie a.
In de huidige situatie blijft de vergunde geurcontour van de bestaande RWZI buitende nieuwe geplande bebouwing in het plangebied Jagerskade. Hiermee kan gesteld worden dat er in het plangebied voor het aspect geur sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu; b. In het geval dat de RWZI na 30-40 jaar zich moet verplaatsen naar het zuidoostelijk deel van het terrein, het volgende: Het 'omklappen' van de huidige vergunde RWZI naar het zuidoostelijk deel van het terrein is inpasbaar voor zowel de huidige woonbestemmingen als bij het voorgenomen plan Jagerskade. Het omklappen en uitbreiden van de RWZI naar 1,5x de huidige capaciteit is niet inpasbaar met de huidige woonbestemmingen. Deze uitbreiding is ook niet inpasbaar met het plan Jagerskade, maar de huidige woonbestemmingen worden hoger belast. De capaciteit van de RWZI kan, in combinatie met omklappen, maximaal 20% toenemen, om nog net inpasbaar te zijn met de huidige woonbestemmingen. Met andere woorden, bij een toekomstige uitbreiding en omklappen van de RWZI is het voorgenomen plan Jagerskade niet maatgevend voor de inpasbaarheid, maar zijn de huidige woonbestemmingen aan de Loevenhoutsedijk maatgevend. De voorgenomen woningbouwontwikkeling in het plangebied Jagerskade beperkt niet de maximaal planologische invulling van de naastgelegen RWZI.
Beperkingen voor de RWZI vloeien voort uit de bestaande woningen aan de Loevenhoutsedijk.'
5.6
Trillingen
Op circa 295 meter afstand van het plangebied is een intercityspoorlijn gelegen. Aangezien het plangebied zich buiten de zone van 100 meter (de onderzoekszone behorende bij spoorlijnen ten aanzien van het aspect trillingen zoals opgenomen in de handreiking nieuwbouw en spoortrillingen) ten opzichte van de intercityspoorlijn bevindt, is er geen onderzoeksplicht naar trillingshinder. Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
53
5.7
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: 3. 4.
het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten
Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plansituatie Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is gebruik gemaakt van de “Risicokaart Nederland” - www.risicokaartnederland.nl (samenwerking van het Rijk, de provincies en de gemeenten).
5 4 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
Figuur 4: uitsnede risicokaart (plangebied aangeduid met rode pijl)
Op de uitsnede van de risicokaart zijn verschillende bronnen te vinden die mogelijk potentiele risicobronnen vormen voor het plangebied. Achter het plangebied is RWZI Utrecht gesitueerd. Op de risicokaart lijkt het plangebied binnen de inrichting van de RWZI te liggen. Dit is echter onjuist. De RWZI is aangeduid als risicovolle inrichting omdat er sprake is van de opslag van gevaarlijke stoffen. Midden op het terrein staat een opslag tank met methanol. De risicocontour (10-6) bedraagt 15 meter. Het plangebied bevindt zich op circa 320 meter van de methanol tank. De RWZI levert geen belemmeringen op voor het beoogde bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
55
planvoornemen. Op circa 295 meter afstand van het plangebied is een intercityspoorlijn gelegen. In dit geval is een verantwoording t.a.v. gevaarlijke stoffen over het spoor niet van toepassing omdat er geen sprake is van een transportroute volgens het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Aan de oostzijde van het plangebied bevindt zich eveneens een spoorlijn op circa 1,28 km afstand. Van deze spoorlijn zijn de volgende gegevens bekend: Tabel 1: gegevens spoorlijn (71D.1) Stofcategorie
Hoeveelheden (ketelwagens)
maximale effectafstand (m)
A Brandbaar gas B2 Toxisch gas B3 zeer toxisch gas C3 Zeer brandbare vloeistof D3 Toxische vloeistof D4 zeer toxische vloeistof
600 200 0 2750 200 100
460 995 > 4000 35 375 > 4000
Conclusie De ontwikkelingslocatie is gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn, als gevolg van de stofcategorie D4 (zeer toxische vloeistoffen). Gezien de grote afstand tot het spoor worden aanvullende maatregelen niet noodzakelijk geacht.
5.8
Luchtkwaliteit
De luchtkwaliteit geeft aan hoeveel verontreinigende gassen en stoffen in de buitenlucht zitten. Deze luchtverontreiniging komt bijvoorbeeld van auto's, schepen, industrieën, houtkachels en veehouderijen. Hoe beter de luchtkwaliteit, hoe prettiger en gezonder de omgeving waar men woont en verblijft. In Utrecht zorgt vooral het wegverkeer (auto's, vrachtauto's, bussen, scooters) voor veel luchtverontreiniging. Wettelijk kader Als de gemeente een bestemmingsplan vaststelt, moet de gemeente volgens de Wet milieubeheer (artikel 5.16 lid 1) rekening houden met de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Binnen de gemeente Utrecht wordt aanvullend getoetst aan de motie 2015/78, waarmee gestreefd wordt naar een gezondere luchtkwaliteit. Onderdeel van deze motie is het versnellen van het moment waarop de omgeving voldoet aan de advieswaarden van de WHO (World Health Organisation)/Wereldgezondheidsorganisatie voor fijn stof. Plansituatie Wet milieubeheer Uit het luchtkwaliteitsonderzoek (NIBM-tool; NIBM is een afkorting van 'Niet In Betekenende Mate') volgt dat het plan weinig extra luchtverontreiniging veroorzaakt en dat de luchtverontreiniging niet erger wordt dan de wet toestaat. Daarbij is gekeken naar de hoeveelheid stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht. Zie onderstaand figuur.
5 6 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
Er worden geen andere plannen in de buurt (tot ongeveer 1 km) verwacht die samen met dit plan zorgen voor te veel luchtverontreiniging (anticumulatiebepaling Besluit NIBM). Het uitvoeren van het bestemmingsplan mag volgens de Wet milieubeheer (artikel 5.16, lid 1 onder a en c). Resultaten NSL-Monitoringstool Middels het planvoornemen worden 67 kleinschalige appartementen gerealiseerd. Met behulp van de NSL-monitor is vastgesteld of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde normen. De waarde van het dichtstbijzijnde rekenpunt (614250) aan Loevenhoutsedijk in Utrecht bedraagt in het jaar 2030 9,4 ìg/m3 (PM2,5), 17,0 ìg/m3 (PM10), 13,9 ìg/m3 (NO2). Daarmee is voldaan aan de norm van respectievelijk 20 en 40 ìg/m3 voor fijnstof en 40 ìg/m3 voor stikstof. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de luchtkwaliteit ter plaatse geen belemmering vormt voor het beoogde planvoornemen. Zie onderstaand figuur.
bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
57
Advieswaarden Wereldgezondheidsorganisatie De Jagerskade ontsluit op de Loevenhoutsedijk. Op die locatie zijn de concentraties PM10 en PM2.5 volgens de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) hoger dan de advieswaarde van de WHO. Als gevolg van autonome ontwikkelingen dalen de concentraties fijn stof in de komende tien jaar. In 2030 wordt voor zowel PM10 als voor PM2,5 voldaan aan de advieswaarden van de WHO. De ontwikkeling van het project aan de Jagerskade is te klein om het moment waarop de stad Utrecht voldoet aan de advieswaarden van de WHO te vertragen. Het project voldoet daarmee aan de motie 2015/78. Conclusie Gelet op bovengenoemde resultaten kan redelijkerwijs op voorhand worden uitgesloten dat er negatieve gevolgen zijn voor de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.9
Bodem
Kader Bij het bestemmingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming: Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels ná 1987 is ontstaan, is een "nieuw geval". Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen. De focus ligt hierbij op de 5 8 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
contactzone van de bodem. Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan. Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek en/of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet rekening gehouden worden met nabij gelegen grondwaterverontreinigingen. Plansituatie Bodemkwaliteit In het plangebied, dat deel uitmaakt van de Vechtoever, moet rekening worden gehouden met verdenking op bodemverontreiniging. Uit het verkennend bodemonderzoek Jagerskade 13 (Hopman en Peters, 4 december 2019, rapportnummer P1900729-V2) blijkt dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met lood. Zie hiervoor Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek en Bijlage 5 Indicatief bodemonderzoek. De sterk verhoogde loodgehaltes zijn aangetroffen in de laag van 0,8-1,8 m-mv. Verder zijn lichte verontreinigingen met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie aanwezig. Tussen de 0,5 en 2,1 m-mv zijn puin, baksteen, betongranulaat en plastic aangetroffen.
Plaatselijk is tussen de 0,1 en 0,8 m-mv een verhardingslaag met hoogovenslakken aanwezig. Deze waarnemingen worden in het rapport als niet verdacht op asbest bestempeld, er is geen analyse op asbest verricht. Inpandig zijn ook boringen verricht, waarbij lichte verontreinigingen zijn aangetroffen. De verhardingslaag behoort niet tot de bodem. Omdat de sterke verontreiniging met lood niet in de contactzone aanwezig is, is de locatie in principe geschikt voor het beoogde gebruik: wonen met tuin. Als er bij de herinrichting een maaiveldverlaging wordt toegepast moet de situatie opnieuw worden beoordeeld. Als er graafwerkzaamheden in de diepere laag met bodemverontreiniging plaatsvinden moet rekening gehouden worden met saneringsmaatregelen. Bij afvoer van grond, bijvoorbeeld voor het aanleggen van de parkeergarage, moet rekening gehouden worden met aanvullend onderzoek om de bestemming van de af te voeren grond te bepalen. In de directe omgeving van het terrein zijn eveneens verontreinigingen in de grond en ook in het grondwater bekend. Het plangebied bevindt zich ook binnen de zogenaamde dynamische zone van het Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer. Het diepere grondwater binnen deze zone, in het eerste watervoerend pakket, is diffuus licht tot sterk verontreinigd met vluchtige organische chloorkoolwaterstoffen.
Bij bouwbemalingen, onttrekken en infiltreren van grondwater kan deze verontreiniging verspreiden. De gemeente wil verdere verspreiding van verontreinigingen door doorboring van de eerste scheidende laag in de dynamische zone voorkomen, om zo het grondwater uit het tweede watervoerende pakket te beschermen. Dit betekent dat er sprake is van een dieptebeperking voor bijvoorbeeld aanleg van bodemenergiesystemen tot de scheidende laag op een diepte van circa 30-40 m-NAP. Bij bouwbemalingen, grondwateronttrekkingen en WKO kan aansluiting worden gezocht bij de gebiedsgerichte aanpak. Op basis van de Nota Bodembeheer 2017-2027 is de toepassingseis voor grond grotendeels kwaliteit wonen, met aan de noordzijde een strook met de eis landbouw/natuur (gebiedsspecifiek). Ondergrond Geadviseerd wordt om bij de herontwikkeling inzicht te krijgen in zowel bestaande als gewenste ondergrondse ruimteclaims, die nodig zijn om het gewenste bovengrondse gebruik te realiseren. Om de ondergrond duurzaam te gebruiken en beheren moet er een balans zijn tussen bescherming (gezonde, schone, levende en veilige bodem, archeologie) en benutting (bodemenergie, groen, waterberging, infrastructuur, afval). Het kan noodzakelijk zijn om ondergrondse functies te ordenen, clusteren en waar mogelijk te minimaliseren of optimaliseren.
En om effecten van ondergronds gebruik mee te nemen in de beschouwing om (toekomstige) conflicten te voorkomen. Zo gaan bijvoorbeeld ondergrondse bouw met waterglas en verticale hemelwaterinfiltratie niet goed samen met de aanwezigheid van open warmte/koude opslagsystemen in de bodem (verstopping). Zetting Het plangebied ligt in een zone, die vanwege de oorspronkelijke aanwezigheid van klei en veenlagen in de bovengrond, meer gevoelig is voor zetting. De huidige bebouwing en ophoging heeft de grond geroerd en gezet, waardoor de kans op daadwerkelijke zetting kleiner is. bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
59
Bodemenergie Een van de mogelijkheden om te voorzien in duurzame energie is bodemenergie. Vanwege de dieptebeperking voor boringen moet bekeken worden of gesloten bodemenergiesystemen rendabel zijn, of dat er beter kan worden ingezet op (collectieve) open warmte koude opslagsystemen. Mogelijk kan voor de energievoorziening in de toekomst ook gebruik gemaakt worden van het nabij gelegen stadswarmtenet of andere duurzame energiebronnen. Conclusie Het plangebied is in principe geschikt voor het beoogde gebruik. De aanwezige verhardingslaag met hoogovenslakken zal verwijderd moeten worden. De sterke loodverontreiniging bevindt zich niet in de actuele contactzone en hoeft dus niet gesaneerd te worden. Als er bij de herinrichting een maaiveldverlaging wordt toegepast moet de situatie opnieuw worden beoordeeld. Als er graafwerkzaamheden in de diepere laag met bodemverontreiniging plaatsvinden moet rekening gehouden worden met saneringsmaatregelen. Voor het afvoeren van grond is meer onderzoek nodig. Er geldt een dieptebeperking voor boringen en bodemenergiesystemen. Bij bouwbemalingen en grondwateronttrekkingen kan aansluiting worden gezocht bij de gebiedsgerichte aanpak van het grondwater volgens het Gebiedsplan. Onder deze voorwaarden vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
5.10 Natuurbescherming Kader Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van (wijzigingen in) een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht en de Provinciale Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door middel van een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Een passende beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten).
Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Nationaal Natuur Netwerk (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en Groene Contour In de Provinciale Ruimtelijke Verordening (artikelen 4.11 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Daarnaast moet er worden voldaan aan de Verordening Natuur en Landschap Provincie Utrecht 2017 (m.n. landschapselementen, art. 5.1.4 VNL). Utrechtse soortenlijst In de voormalige Flora en faunawet werden soorten beschermd die niet meer beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Hieronder vallen diverse kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn. Deze soorten zijn in de Utrechtse soortenlijst genoemd. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij de uitwerking van de bouw van de woningen, wordt in overleg met gemeentelijke ecologen gekeken naar de mogelijkheid voor extra voorzieningen ter bescherming van Utrechtse soorten. Plansituatie Beschermde dier- en plantensoorten 6 0 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
Quickscan Voor het plangebied is een ecologische quickscan opgesteld door bureau Dactylis op 26 mei 2020. Zie bijlage 26 Quickscan ecologie. De ecologische quickscan bestaat uit een beknopt literatuuronderzoek, een veldbezoek en rapportage met bevindingen en advies. De conclusie uit de quickscan is dat er vervolgonderzoek nodig is naar het voorkomen van de huismus en vleermuizen. Voor er wijzigingen plaatsvinden in het plangebied moet duidelijk zijn of de ontwikkeling in de weg zit voor flora en fauna. En of het plangebied betekenis heeft voor andere beschermde soorten dieren plantensoorten en deze zijn aangetroffen in het plangebied. In de conclusie van de quickscan worden ook de volgende voorwaarden genoemd die nodig zijn om niet in overtreding van de Wet Natuurbescherming te gaan: Werken buiten het vogelbroedseizoen (15 maart tot 15 juli); Buiten gebouwen geen gebruik maken van kunstmatig licht voor zonsopgang en na zonsondergang; Toepassing voor preventieve maatregelen voor de soortgroep amfibieën, met name de rugstreeppad; Ten alle tijden is de zorgplicht voor alle zorggroepen van toepassing. De algemene zorgplicht geldt voor alle dieren, beschermd of niet. Ten aanzien van zorgplicht en calamiteiten: Voor álle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt de 'Algemene zorgplicht'.
Met name geldt dit voor algemene soorten zoogdieren en amfibieën, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden en dat er 'met zorg voor de natuur' gewerkt dient te worden; Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. In dit werkprotocol wordt de juiste werkwijze en periode omschreven om schade aan flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen en te voldoen aan de zorgplicht; Worden er tijdens de werkzaamheden toch beschermde soorten aangetroffen, leg dan het werk tijdelijk stil en neem contact op een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige en bevoegd gezag moet in dat geval duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan. Vervolgonderzoek Het vervolgonderzoek naar de vleermuis en de huismus is opgesteld door Bureau Buitenwaard op 13 oktober 2020. Zie bijlage 25 Vervolgonderzoek vleermuis en huismus. Tijdens de onderzoeken naar huismussen zijn geen dieren binnen het plangebied aangetroffen.
Tijdens de veldbezoeken zijn in en om het plangebied drie soorten vleermuizen waargenomen: • Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) • Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) • Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten in het plangebied, kan op grond van de onderzoeksresultaten worden uitgesloten. Dit onderzoek was primair gericht op de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen in de gebouwen. Desondanks kan op grond van de gedane waarnemingen de aanwezigheid van overige voor vleermuizen belangrijke gebiedsfuncties zoals winterverblijfplaatsen, vliegroutes of essentieel foerageergebied worden uitgesloten. Effectanalyse Binnen het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus aanwezig. Bij uitvoering van het voornemen worden daarom geen verblijfplaatsen aangetast. Negatieve effecten op verblijfplaatsen of andere voor deze soort belangrijke gebiedsfuncties zijn daarom uitgesloten. Binnen het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen of andere voor vleermuizen essentiële gebiedsfuncties aangetroffen. Bij uitvoering van het voornemen worden daarom geen verblijfplaatsen of andere voor vleermuizen belangrijke functies aangetast. Negatieve effecten op vleermuizen essentiële zijn daarom uitgesloten.
Toetsing Wet natuurbescherming Uit de effectanalyse blijkt dat bij uitvoering van het voornemen geen negatieve effecten voor bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
61
huismussen of vleermuizen optreden. Overtreding van artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming is daarom niet aan de orde. De voorgenomen werkzaamheden kunnen zonder verdere ontheffing uitgevoerd worden. Om eventuele effecten van de voorgenomen ontwikkeling op incidenteel foeragerende vleermuizen te beperken, worden op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 1.11) voorzorgsmaatregelen aanbevolen. Voor het toepassen van deze maatregelen is geen ontheffing noodzakelijk. Conclusie en aanbeveling Met het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden worden geen artikelen van de Wet natuurbescherming overtreden. Er is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden en de toekomstige inrichting van het plangebied wordt geadviseerd rekening te houden met de aanwezigheid van incidenteel foeragerende vleermuizen. Dit kan door het toepassen van de volgende maatregelen: De voorgenomen werkzaamheden zo veel als mogelijk overdag uitvoeren. Bij toepassing van tijdelijke bouwplaats verlichting en permanent verlichting in de nieuwe situatie, gebruik maken van objectgerichte verlichting. Op deze wijze wordt uitstraling van licht naar de omgeving voorkomen en blijft het maximaal donker rondom het plangebied.Waar mogelijk behouden van de aanwezige groenstructuur in en om het plangebied.
Door in de toekomstige situatie te zorgen voor voldoende onverharde delen van het terrein (gazon, borders etc.) en verspreid over het terrein bomen en struiken aan te planten ontstaan aantrekkelijke omstandigheden voor foeragerende vleermuizen. Bij uitvoering van werkzaamheden is te allen tijde en voor alle soortgroepen de algemene zorgplicht van toepassing (Wnb, artikel 1.11). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen van ruimtelijk inrichting en ontwikkeling (en bestendig beheer en onderhoud) voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden algemeen beschermde soorten als bosmuis, egel of gewone pad worden aangetroffen, zij de ruimte en tijd moeten krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Als dit nodig is kunnen aangetroffen exemplaren voorzichtig verplaatst worden naar een naastgelegen locatie waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat achteruit. Om deze te beschermen zijn er Europees niveau richtlijnen opgesteld die twee componenten behelzen: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Als uitvloeisel hiervan zijn in Nederland ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen met een Europese beschermingsstatus.
Deze gebieden kennen instandhoudingsdoelstellingen, wat betekent dat de beschermde soorten op het gewenste doelniveau dienen te komen of blijven. Verstoringen van deze beschermde gebieden zijn niet toegestaan als ze de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen. Verstoring kan uit diverse aspecten bestaan (licht, geluid). Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning (Wnb-vergunning). De realisatie van de woningen kan stikstof (NOx en/of NH3) uitstoot tot gevolg hebben. Deze uitstoot kan mogelijk effect hebben op nabijgelegen Natura 2000-gebieden zoals de Oostelijke Vechtplassen. Omdat de voorgenomen ontwikkeling buiten Natura 2000-gebied plaatsvindt moet het effect van stikstofdepositie (met name verzuring) op gevoelige vegetatie (ook wel habitattypen) worden beoordeeld. De Wet Natuurbescherming beschrijft onder welke voorwaarden een project uitgevoerd mag worden als er sprake is van een toename van de stikstofdepositie. De voorgenomen ontwikkeling betreft gasloze woningen. De bouwfase van deze woningen geeft een hogere emissie per jaar dan de gebruiksfase. Er is daarom onderzoek gedaan naar het effect van de emissies van de bouwfase en van de gebruiksfase.
Uit het onderzoek blijkt dat de bouwfaseen de gebruiksfase niet leiden tot deposities groter dan 0,00 mol/ha/jr. Het aanvragen van een vergunning Wet Natuurbescherming is daarmee niet noodzakelijk. Zie hiervoor Bijlage 6 Rapport stikstofdepositie, Bijlage 7 Aeriusberekening aanlegfase 1e jaar, Bijlage 8 Aeriusberekening aanlegfase 2e jaar en gebruiksfase en Bijlage 9 Aeriusberekening aanlegfase 3e jaar en gebruiksfase Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Directe effecten op het NNN zijn uit 6 2 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
te sluiten en het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Groene Contour. Gezien de aard en het lokale karakter van de ingreep worden effecten op Natura 2000-gebieden, NNN en de Groene Contour niet verwacht. Diervriendelijk bouwen De gemeente Utrecht heeft de ambitie om stadsnatuur beter te beschermen. Om dit te faciliteren is een soortmanagementplan voor gierzwaluw, huismus en de gewone dwergvleermuis opgesteld (Gemeente Utrecht, 2016). Bij (woning)bouw initiatieven moet in het ontwerpproces verkend worden welke mogelijkheden er zijn voor diervriendelijk bouwen. Het plangebied leent zich door haar relatief groene context goed als leefgebied voor een aantal stadssoorten. Daarnaast vormt de ligging in één van de groenblauwe assen (Vecht met naastliggende parken) door de stad Utrecht een uitgelezen kans om de stad te ontsluiten voor meer mobiele soorten (zie ook: Visie stedelijke groenstructuur 2030). Met name vleermuizen maken gebruik van dergelijke natuurlijke corridors om zich te verplaatsen tussen hun verblijven in de stedelijke bebouwing en foerageergebied rondom de stad. Gierzwaluw Voor de gierzwaluw kan in de nieuwbouw nestgelegenheid gerealiseerd worden. De hoogte en vrijstaande positie van de gebouwen leent zich uitstekend voor de vestiging van een gierzwaluwkolonie van enige omvang.
Met deze voorziening kunnen bestaande broedkolonies in de wijken Zuilen en Overvecht-Zuid versterkt worden. De gierzwaluw broedt graag in kolonies. Het is daarom aan te raden meerdere inbouwstenen bij elkaar in te bouwen. De onderlinge afstand van de inbouwstenen moet dan minimaal 50 centimeter zijn. Geadviseerd wordt om acht tot tien neststenen per gebouw aan te brengen.
Huismussen Om de gebouwen aantrekkelijk te maken voor huismussen is behalve het aanbrengen van permanente nestgelegenheid het creëren van een aantrekkelijk biotoop noodzakelijk. Het creëren van nestgelegenheid kan bij nieuwbouw door middel van het aanbrengen van inmetselkasten. Net als bij de gierzwaluw geldt ook dat huismussen sociale dieren zijn. Het is daarom aan te bevelen meerdere kasten verspreid over het gebouw aan te brengen. De inbouwsteen voor huismussen is gemaakt op maatvoering van een standaard waalformaat (4 lagen hoog). De voorzijde van de inbouwsteen wordt gelijk met de voorzijde van de gevel geplaatst.
Vleermuizen In het Soortmanagementplan van Utrecht wordt de gewone dwergvleermuis met name genoemd. Behalve deze soort komen in de stedelijke context ook andere gebouw bewonende vleermuissoorten als de laatvlieger, meervleermuis en tweekleurige vleermuis voor. Voor al deze soorten biedt de nieuwbouw kansen, wanneer delen van het gebouw toegankelijk gemaakt worden. Dit kan (net als voor de gierzwaluw) op drie manieren. De meest toegepaste en bewezen effectieve bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
63
methode is het aanbrengen van inbouwverblijven. Deze zijn als standaardproduct op de markt, maar kunnen ook door middel van maatwerk in het gebouw geïntegreerd aangelegd worden. Dit laatste biedt de mogelijkheid om ruimere verblijfplaatsen voor meerdere dieren te creëren. Dergelijke verblijfplaatsen kunnen bijvoorbeeld als kraam- of winterverblijf gebruikt worden. Bij maatwerk wordt een ruimte in de spouw zo ingericht dat deze (beperkt) toegankelijk is voor vleermuizen. Als alternatief voor een vrij toegankelijk deel van de spouw, kunnen meerdere inbouwstenen aan elkaar gekoppeld worden. Wij adviseren om in ieder gebouw één ruim verblijf van bijvoorbeeld enkele vierkante meters, en meerdere kleine verblijven (inbouwsteen) te realiseren.
In het definitieve ontwerp van het bouwplan Jagerskade zijn, na nader overleg met een ecoloog, een aantal concrete maatregelen opgenomen voor de doelsoorten huismus, gierzwaluw en vleermuis. In de omgevingsvergunning is, zowel op de tekening als in de voorwaarden, opgenomen dat er op de drie nieuwe woongebouwen minimaal 51 nestkasten worden ingebouwd voor de genoemde doelsoorten. Voor de huismus worden minimaal 9 nestkasten ingebouwd, voor de gierzwaluw worden minimaal 24 nestkasten ingebouwd en voor de vleermuis worden minimaal 9 wintergevelverblijven ingebouwd en worden er ook minimaal 9 zomer/kraamkasten ingebouwd. Met het nemen van deze concrete maatregelen, onder een aantal in de vergunning opgenomen voorwaarden, kan gesteld worden dat hier sprake is van diervriendelijk bouwen. Conclusie Het aspect natuurbescherming is geen belemmering voor het vaststellen van dit bestemmingsplan.
5.11 Bomen Kader Voor de bomen in het plangebied geldt dat die het liefst behouden blijven. Als dat niet kan kunnen ze eventueel verplaatst worden binnen het plangebied. Als dat niet kan moet er een kapvergunning aangevraagd worden. Vanaf 21 november 2018 geldt een herplantplicht bij kapvergunningen. Als verplanten of behoud van een boom niet mogelijk is, dan geldt bij compensatie de volgende volgorde: 1 e keus herplant op locatie 2 e keus herplant dichtbij locatie, 3 e keus herplant elders. Hierbij geldt dat 1 grote boom ongeveer staat voor vele kleine boompjes. Dus dezelfde 'waarde' moet terug geplant worden. Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan in het uiterste geval worden overgegaan tot financiële compensatie waarbij de inkomsten worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen elders in de gemeente Utrecht. Soms mag er worden afgeweken van de herplantplicht. Dat kan als er sprake is van onder- of bovengronds ruimtegebrek, onveiligheid, klimaat- of gezondheidsredenen. Plansituatie Om inzicht te krijgen in de situatie is een bomeninventarisatie uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende: Bomen aanwezig in het plangebied In het plangebied zijn 13 bomen aanwezig.
Het gaat om 1 Ulmus hollandica (maat 60/80), 3 Fraxinus exelsior (maat 50/60), 2 Acer platanoides (maat 40/50, 3 Acer platanoides (maat 25/30), 3 Alnus glutinosa (maat 50/60) en 1 Acer campestre (maat 60/70). Bomen die gekapt worden 6 4 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
Als gevolg van de ontwikkeling moeten 8 bomen binnen het plangebied gekapt worden. De reden dat deze bomen verwijderd worden is omdat de bomen staan, waar de appartementcomplexen zijn gesitueerd. Het gaat om 1 Ulmus hollandica (maat 60/80), 3 Acer platanoides (maat 25/30), 3 Alnus glutinosa (maat 50/60) en 1 Acer campestre (maat 60/70). Deze bomen kunnen niet verplant worden. Bomen die herplant worden Er worden 15 bomen herplant. Het gaat om 1 Liquidambar styraciflua (maat 25/30), 1 Quercus palustris (maat 25/30), 1 Quercus Ilex (maat 25/30), 4 Malus Red Sentinel (maat 20/22) en 8 Pyrus Calleriana Chanticleer (maat 25/30).
In onderstaande afbeelding is zichtbaar welke bomen in het plangebied staan en welke bomen als gevolg van de ontwikkeling moeten verdwijnen.
Conclusie De te kappen bomen worden in het plangebied herplant.
5.12 Water kader Het doel van de watertoets is om waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken, waardoor het water een evenwichtige plaats krijgt in ruimtelijke plannen. Een evenwichtige plaats houdt in dat in elk plan de negatieve effecten voor de waterhuishouding ten gevolge van ruimtelijke ontwikkelingen -waar mogelijk- moeten worden voorkomen. De resultaten van de watertoets zijn weergegeven in deze paragraaf. Deze paragraaf is opgesteld in overleg met waterbeheerder, het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). Zie Bijlage 15 Watertoets voor de volledige watertoets. Plangebied Watersysteem Oppervlaktewateren zijn in eigendom van het HDSR (uitgezonderd de Vecht, deze is in eigendom van bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
65
waterschap Amstel Gooi en Vecht). Zij zijn verantwoordelijk voor het functionele kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van deze watergangen. Er liggen geen watergangen binnen het plangebied. Het plangebied zelf ligt in een peilvak met een vast peil van NAP+0,19m. Andere belangrijke watergangen, waterkeringen of kunstwerken ten behoeve van de waterhuishouding (zoals gemalen, stuwen of sluizen) zijn niet aanwezig (afbeelding 4) in het plangebied. De primaire watergang de Vecht, die in beheer is bij waterschap Amstel Gooi en Vecht ligt langs het gebied, gescheiden door de Jagerskade. De beschermingszone langs de Vecht is 5m en valt daarmee ook buiten het plangebied.
Afbeelding 4: Oppervlaktewater en peilgebieden rondom plangebied (bron: HDSR)
1e watervoerend pakket Het langjarige grondwaterregime in de diepere ondergrond wordt gereguleerd door de grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket (1e WVP). De gemeente Utrecht beschikt sinds 1962 over een peilbuizenmeetnet. Sinds 2002 worden de grondwaterstanden automatisch opgeslagen door dataloggers die tweemaal per dag het grondwaterpeil registreren. De gemiddelde, langjarige stijghoogte van het 1 e WVP zijn afgeleid uit de dichtstbijzijnde peilbuizen en vastgelegd in de 'Grondwatercontourkaart gemeente Utrecht' (juli- 2019). Op basis van deze kaart is voor het plangebied de volgende gemiddelde stijghoogten en seizoens-variatie verondersteld: 5. droge periode, gemiddelde lage grondwaterstand (GLG) = NAP -0,33 m; 6. gemiddeld periode, gemiddelde grondwaterstand (GGG) = NAP -0,15 m; 7. natte periode, gemiddelde hoge grondwaterstand (GHG) = NAP +0,05 m; De grondwaterstroming in het plangebied is van zuid naar noord en varieert in natte perioden. Afbeelding 5 toont de GHG. Freatisch pakket De momentane, freatische grondwaterstand is afhankelijk van het neerslagverloop, de bodemopbouw en de aard en omvang van afwatering- en ontwateringsvoorzieningen. Slecht doorlatende lagen als klei en veen belemmeren de interactie met het 1WVP en kunnen een lokale schijngrondwaterstand creëren.
Bodemonderzoek moet uitwijzen wat de lokale bodemgesteldheid is en wat de consequenties hiervoor zijn voor de freatische grondwaterstand en de toepasbaarheid van IT-riolen en wadi's. 6 6 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
Afbeelding 5: GHG binnen plangebied (bron: Isohypsenkaart gemeente Utrecht) Drooglegging en ontwateringsdiepte Een droge ondergrond is een belangrijke randvoorwaarde voor het faciliteren van een bestemming van een gebied. Voldoende drooglegging en ontwateringsdiepte in een plangebied is van groot belang om overstroming (inundatie) en grondwateroverlast te voorkomen, juist bij de toepassing van een kelder. Ook geldt dat het vloerpeil van panden 15 cm boven de as van de weg ligt. De drooglegging, het verschil tussen maaiveld en streefpeil, moet conform de norm van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, minimaal 1,0m te zijn. De ontwateringsdiepte, het hoogteverschil tussen maaiveld en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG), moet overeenkomstig de norm van de gemeente Utrecht, minimaal 0,7 m bedragen (ingrijpmaatstaf). Het peil van het maaiveld varieert tussen NAP+1,20m en NAP+1,90m. De ontwateringsdiepte in het plangebied varieert daarmee van 1,15m tot 1,85m. Deze ontwateringsdiepte voldoet in de huidige situatie aan de gestelde norm.
bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
67
Afbeelding 6: maaiveld hoogte (bron: ahn3) Riolering Voor de huidige situatie zijn geen gegevens beschikbaar hoe het hemel- en vuilwater worden afgevoerd vanaf de gebouwen en het terrein (afbeelding 7). Oude tekeningen tonen een situatie die niet overeenkomt met het huidig rioolstelsel in de omgeving. In de toekomstige situatie zal het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool van de gemeente. Het hemelwater wordt in de plansituatie grotendeels op eigen terrein, in het nieuw aan te leggen groen verwerkt. Omdat het verhard oppervlak afneemt ten opzichte van de huidige situatie worden alleen maatregelen genomen om zoveel mogelijk water lokaal te infiltreren. Voetpaden worden uitgevoerd in half verharding.
6 8 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
Afbeelding 7: Riolering in en rondom het plangebied (bron: RIOB gemeente Utrecht)
Afstroming hemelwater Omdat er geen toename van verhard oppervlak is, wordt vanuit de gemeente alleen geëist dat minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag over het verhard oppervlak wordt afgevangen en geïnfiltreerd ten behoeve van de klimaatadaptatie.
Grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied zoals blijkt uit afbeelding 9. Er gelden dan ook geen specifieke maatregelen voor de bescherming van drinkwater, behalve de voor iedereen geldende, bijzondere zorgplicht (artikel 4 van de PMV 2013). Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, als dat niet kan, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan worden gemaakt. De regels van de PMV gelden onafhankelijk van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
69
Afbeelding 9 – Beschermingszone drinkwateronttrekking waterwingebied (bron: stroomlijn)
Klimaatadaptatie wateroverlast HDSR en de gemeente Utrecht hebben de klimaatstresstest uitgevoerd. Afbeelding 10 toont de maximale waterdiepte bij een bui van 80mm in één uur aan. De donkerblauwe locaties, waar zich het water verzamelt zijn laagten in het terrein. Bij de herinrichting van het terrein wordt rekening gehouden dat ook een bui van 80mm, geen schade aan gebouwen en infrastructuur zal aanbrengen.
Afbeelding 10 Maximale waterdiepte bij een bui van 80mm in één uur
Ook toenemende droogte en hitte en mogelijke overstroming vanuit de Lek zijn potentiële gevolgen van klimaatverandering. De effecten zijn echter minder groot dan die op de bebouwde zones in Utrecht. Deels door het open karakter van het gebied en deels omdat het hoger ligt dan de 7 0 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
omgeving. Juist omdat de effecten van klimaatverandering hier minder zijn, zou dit gebied een deel van de oplossing kunnen zijn voor het aangelegen bebouwde gebied Conclusie De resultaten van de watertoets laten zien dat het planvoornemen geen belemmering vormt voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.13 Archeologie Wettelijk kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Deze wet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water.
Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Verordening en bestemmingsplan De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen wordt verwezen naar de verordening en een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde- archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg.
Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Gemeentelijke archeologische waardenkaart De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de verordening op de archeologische Monumentenzorg. Deze waardenkaart is geënt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) van de provincie en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting en gebieden van archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd.
Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Hoge archeologische waarde Gebieden van hoge archeologische waarde (rood) zijn gebieden waarvan bekend is dat er bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
71
archeologische waarden zijn, maar die niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een archeologievergunningsplichtbij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm. Hoge archelogische verwachting Gebieden van hoge archeologische verwachting (geel) zijn zones waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek archeologische waarden te verwachten zijn (er wordt een middelhoge tot hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplichtbij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm. Archeologische verwachting Bij gebieden met een archeologische verwachting (groen) zijn de verwachtingen lager (er wordt een middelhoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplichtbij bodemingrepen groter dan 1000 m2 en dieper dan 50 cm. Daarnaast zijn op de kaart witte gebieden aangewezen. Voor deze zones geldt geen verwachting en geen vergunningstelsel. Gearceerde gebieden Bij gebieden met een arcering worden de archeologische resten verwacht binnen 30 cm beneden ten opzichte van het maaiveld. Plansituatie Het plangebied Jagerskade 4-15 bevindt zich op de gemeentelijke archeologische waardenkaart grotendeels in een zone met een hoge archeologische verwachting.
Zie de afbeelding hieronder.
Dit betekent dat een archeologievergunning noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm beneden het huidige maaiveld. In de noordoostelijke hoek ligt een zone met een archeologische verwachting. Hiervoor geldt dat bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 50 cm –mv een archeologievergunning verplicht wordt gesteld. Indien de bodemwerkzaamheden vrijgesteld zijn van archeologisch onderzoek dan geldt ook nog de meldingsplicht bij het onverwacht aantreffen van archeologische resten. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan dient conform artikel 5.10 van 7 2 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. team Erfgoed, gemeente Utrecht, 030-2862756/archeologie@utrecht.nl te worden gedaan. Er is voor dit plan archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in het plangebied de verwachting op archeologische resten uit de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd groot is. Op een diepte van circa 300 cm -Mv bevindt zich naar verwachting dekzand. De top ervan vormt theoretisch gezien het niveau waarop resten uit de periode laat- Paleolithicum-Neolithicum aanwezig kunnen zijn. Volgend op het bureauonderzoek is veldonderzoek uitgevoerd. Hieruit bleekt echter dat delen van het terrein niet toegankelijk waren en dat onder het asfalt op de parkeerplaats achter de horecagelegenheid steenbrokken lagen, die niet handmatig te doorboren waren. Slechts één boring is door de moderne ophoging geraakt. Hier is een historische ophooglaag met baksteenresten aangetroffen, waaronder de boring gestuit is in een oude fundering. Dit is waarschijnlijk van één van de gebouwen die op historisch kaarten is te zien. Tot een goede toetsing van de archeologische verwachting is het echter tijdens het veldonderzoek niet gekomen.
De archeologische verwachting uit het bureauonderzoek blijft zodoende voor het plangebied van het bestemmingsplan Jagerskade ongewijzigd. De voorgenomen werkzaamheden op de locatie Jagerskade, waaronder de realisatie van een half verdiepte parkeergarage, kunnen de mogelijk aanwezige archeologische waarden aantasten. Voor deze ontwikkeling is daarom een archeologievergunning met meerdere voorwaarden verleend. Hiermee zijn de archeologische waarden in het plangebied voldoende beschermd.
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.14 Kabels en leidingen Voor het project is een KLIC melding uitgevoerd. Zie bijlage 23 Klic melding. Plansituatie Zoals op de klic melding is te zien liggen er op het terrein diverse kabels en leidingen: Stedin: MS station op perceel H 2293. Op dit perceel heeft Stedin recht van Erfpacht. MS station valt precies buiten bouwkavel. Gestuurde boring met laagspanningskabel naar klantstation beide op perceel H 141 Huisaansluiting voor perceel Jagerskade 17-17C loopt door plangebied. Voor deze aansluiting moet een voorziening gemaakt worden (ZRO of verleggen) Diverse huisaansluitingen perceel Jagerskade 4 en 6. De aansluitingen kunnen gehandhaafd blijven. Met de bouw (bouwverkeer) dient rekening gehouden te worden met de aanwezige kabels en leidingen in de Jagerskade en de Loevenhoutsedijk. Door de bouwlocatie ligt een verbinding (kabel in HDD boring) die geruimd gaat worden. In het plangebied liggen geen kabels en leidingen die planologisch beschermd moeten worden. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de dit bestemmingsplan.
5.15 Kwaliteit van de leefomgeving Kader In het kader van kwaliteit van de leefomgeving wordt door de gemeente in bestemmingsplannen aandacht gevraagd voor de aspecten zon en schaduw, sociale veiligheid en windhinder, omdat dit aspecten zijn die de kwaliteit van de openbare ruimte beïnvloeden. Plansituatie Sociale veiligheid Met het stedenbouwkundig plan is een ontwerp tot stand gekomen dat open en overzichtelijk is. Daarbij zijn de woningen alzijdig waardoor er voldoende zicht is op de entrees naar de woningen en op het openbaar toegankelijke park. Dit draagt bij aan een gevoel van sociale veiligheid. Daarnaast bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
73
is er een horecafunctie aanwezig die in de avond wordt gebruikt en is het mogelijk om in de avond het openbaar toegankelijke park af te sluiten van bezoekers. Op deze manier krijgt het gebied voldoende gevoel van sociale veiligheid. Bezonning In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een bezonningsonderzoek uitgevoerd. Zie bijlage 22 Bezonningsonderzoek. Uit de bezonningsstudie komt naar voren dat de 3 bouwblokken geen effect hebben op de bezonning van de bestaande woningen aan de Loevenhoutsedijk. Wel is er enig effect te verwachten op het naastgelegen bedrijfsverzamelgebouw (Jagerskade 17). Deze effecten zijn echter minimaal. De herontwikkeling heeft dan ook geen significante gevolgen op de bezonning. Conclusie Het aspect kwaliteit van de leefomgeving vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.16 Toegankelijkheid Kader Utrecht wil een stad zijn waar iedereen mee kan doen, waar we niemand buitensluiten. Een inclusieve toegankelijke stad. We willen dat alle inwoners en bezoekers, met en zonder beperking, alle openbare gebouwen, woningen, de openbare ruimte en dienstverlening kunnen gebruiken. Utrecht werkt al sinds 2007 actief aan toegankelijkheid, eerst met Agenda 22 en nu volgens het VN-verdrag handicap. De ambities van de gemeente voor het VN-verdrag handicap staan in de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk'. In de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' zijn drie kansen omschreven die we als gemeente willen pakken. Dit zijn: sneller en concreet resultaat, niet alleen fysiek maar ook sociaal toegankelijk en samenwerken met de stad. Met het uitvoeringsprogramma 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' laten we zien wat we al doen en wat we nieuw op pakken. Dit zijn acties die nodig zijn voor het benutten van de drie kansen. Plangebied Woningen Voor woningen is het Bouwbesluit van kracht. Utrecht wil graag rolstoelbezoekbare en rolstoelbewoonbare woningen. Wij willen dat iedereen, ook als hij of zij gebruik maakt van een rolstoel, alle nieuwe of verbouwde woningen kan bezoeken.
Iedereen kan vanaf de openbare weg bij de voordeur komen, een brief in de bus doen, aanbellen, binnengaan, in de woonkamer komen en bij het toilet, gebruik maken van de buitenruimte zoals een balkon of tuin. Dit houdt bijvoorbeeld in dat er geen trappetjes of opstapjes zijn, binnen of buiten de woning. Dit is een woning die bezoekbaar is. We willen dat mensen in een rolstoel in alle nieuwe of verbouwde nultredenwoningen (woningen waarbij de entree, woonkamer/eetkamer, keuken, badkamer, toilet en ten minste één slaapkamer zonder trap bereikbaar zijn) kunnen wonen. Of het is gemakkelijk om daarvoor te zorgen. De ambitie van Utrecht gaat hiermee verder dan het Bouwbesluit. Twee van de drie appartementencomplexen hebben een lift, waardoor de woningen voor iedereen toegankelijk is. Bestaande bouwwerken Het is mogelijk dat bestaande bouwwerken bijvoorbeeld van oudsher niet aan de toegankelijkheidsambities voldoen. Bestaande bouwwerken mogen door het verbouwen daarvan in ieder geval niet minder toegankelijk worden. Woningen die in privébezit zijn en door de eigenaar bewoond worden zijn hiervan uitgezonderd. In het plangebied zijn reeds bestaande bouwwerken aanwezig. Het gaat om de kolfbaan, het Vechthuis en de monumentale boerderij. Openbare ruimte De openbare ruimte moet zo zijn ingericht dat iedereen, met of zonder beperking zich goed kan verplaatsen.
In de Kadernota Kwaliteit Openbare Ruimte staan de uitgangspunten. Het Handboek Openbare Ruimte en de richtlijn Voetpaden voor iedereen kunnen helpen bij de uitwerking. Aandacht is nodig bij hoogte verschillen en het overbruggen daarvan. Conclusie Het aspect toegankelijkheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
7 4 bestemmingsplan "Jagerskade, Overvecht" (vastgesteld)
Utrecht
5.17 Gezondheid Kader Gezondheid is van grote waarde. Voor mensen persoonlijk en voor de stad als geheel. Het behalen van gezondheidswinst (het verbeteren van de gezondheid) vraagt om een gezamenlijke inspanning van iedereen in de stad. Gezond stedelijk leven voor iedereen is daarin de ambitie. Om die ambitie te halen is een gezonde leefomgeving één van de speerpunten in de Nota Volksgezondheid 2019-2022 'Gezondheid voor iedereen' (collegebesluit 04-06-2019). We werken aan een leefomgeving die zo is ingericht dat gezond leven gemakkelijk is, de druk op gezondheid zo laag mogelijk is en dat mensen zich prettig voelen. Plansituatie De herontwikkeling aan de Jagerskade wordt een plan waarbinnen het gemakkelijk is om te kiezen voor gezond gedrag, zowel in de woongebouwen als in de openbare ruimte. Het is vanzelfsprekend om de trap te nemen in plaats van de lift, buren komen elkaar tegen in het gebouw maar bijvoorbeeld ook in het verhoogde gedeelte van de buitenruimte, de openbare ruimte buiten de gebouwen en de horeca. Voorzieningen zijn makkelijk te bereiken, ook te voet. Als je de stad in wilt kun je de fiets pakken, uit een stalling die gemakkelijk toegankelijk is en zonder zware deuren. De auto is ondergeschikt. Ook geluid is van invloed op de gezondheid van mensen, overlast van de geplande horeca moet daarom worden voorkomen.
Mensen voelen zich prettig doordat de woonomgeving groen wordt ingericht en toegankelijk is voor iedereen. Van belang is om de buitenruimte zodanig in te richten dat dit bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. Hierbij kan gedacht worden aan aanplant van bomen. Bomen in het groen tussen de woningen en de Jagerskade kunnen een bijdrage leveren aan een goed leefklimaat vanwege hun bijdrage aan schaduw, koelte, CO2 en fijnstofopname. De inrichting van het groen tussen de woningen en de Jagerskade moet zodanig worden dat het voor buurtbewoners en langskomende fietsers uitnodigt om hier gebruik van te maken. Het kan hen stimuleren om vaker naar buiten te gaan en daarmee meer te bewegen. Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor het vaststellen van dit bestemmingsplan.