CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Eindrapport AEF Herstel van historie

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Uitgangspunten voor de samenwerking met keldereigenaren bij het herstel kelders in het wervengebied17.585 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

En 100% wanneer het gaat om schades die wél “eenduidig en zonder uitgebreid technisch onderzoek” zijn toe te schrijven aan de gemeente. 27

21

Op papier is dit een soepele systematiek die vaak in het voordeel van de eigenaar zou kunnen uitpakken. Toch brengt ieder criterium het risico met zich mee dat het in de praktijk anders zal worden uitgelegd dan bedoeld. Hoe wordt “eenduidig” geïnterpreteerd, en wanneer is technisch onderzoek al dan niet “uitgebreid”? De eerste ervaringen hiermee moeten nog worden opgedaan. Veel zal afhangen van de uitleg die de door de gemeente ingestelde adviescommissie zal geven aan deze criteria.

Tussenconclusie De inrichting van het juridisch kader in Utrecht is gericht op het vermijden van discussies over aansprakelijkheid, heeft een toekomstgericht karakter en kent een pragmatische benadering voor kostenverdeling. Daarmee trekt hij lessen uit de knelpunten in andere hersteloperaties.

2) Verantwoordelijkheden voor de keldereigenaar We beschreven dat een kernprobleem bij schadeherstel in Limburg en Groningen was dat er teveel werd verwacht van (de capaciteiten van) burgers, en de complexiteit van het schadeherstel teveel bij hen werd belegd. Mede daardoor raakten zij verstrikt in een wirwar van (veranderende) procedures, voorwaarden en eisen. Dit was voor hen erg belastend. Voor de Utrechtse aanpak is daarom de vraag: hoe zit het hier met de verdeling van verantwoordelijkheden tussen eigenaar en de overheid? Ligt er ook hier (te) veel bij de burger? De inrichting van de Utrechtse aanpak lijkt in zijn ontwerp goed op dit knelpunt in te spelen. Het valt op dat er in de aanpak veel aandacht is voor het ontzorgen van eigenaren, en het door het proces voor herstel van de kelder heen loodsen van hen. De gemeente heeft verschillende voorzieningen getroffen om eigenaren hierin te begeleiden.

Voorbeelden hiervan zijn:  Omgevingsmanagers begeleiden eigenaren in het hele proces van het opstellen van een herstelplan tot de daadwerkelijke uitvoering van het herstel;  De gemeente betaalt voor en faciliteert het (laten) opstellen van herstelplannen door gespecialiseerde bureaus;  De gemeente ondersteunt bij het aanvragen van de verschillende benodigde vergunningen;  De gemeente kan helpen bij het aanvragen van een subsidie voor herstel van monumenten bij de Rijksoverheid;  De gemeente heeft sinds recent een bouwmeester aangesteld, die zorgt voor kennisopbouw over het herstellen van de werven, en kan adviseren bij uitvoering van herstelwerkzaamheden;  Voor eigenaren die daar behoefte aan hebben, faciliteert de gemeente via het nationaal restauratiefonds een lening voor financiering van het herstel tegen gunstige voorwaarden.28 AEF herkent hierin dat de gemeente zich bewust is van de noodzaak om keldereigenaren te ondersteunen in het proces van herstel van hun werfkelder. Op die manier wil de gemeente recht doen aan haar bijzondere verantwoordelijkheid in relatie tot het wervengebied en de ‘vergeten burenplicht’ van de gemeente daarbinnen. De gemeente lijkt daarbij lering te hebben getrokken van ervaringen in andere hersteloperaties.

Het koppelen van ‘omgevingsmanagers’ als procesbegeleider en aanspreekpunt aan eigenaren lijkt bijvoorbeeld op de werkwijze met persoonlijke zaakbegeleiders in het Groningse schadedossier die op veel waardering van gedupeerden kan rekenen.

28

Zie Utrechts Wervenfonds | Restauratiefonds

22

Hoewel er dus het nodige is ingeregeld door de gemeente, is een vervolgvraag of de gemeente er in de praktijk ook in slaagt om keldereigenaren te ‘ontzorgen’ bij het doorlopen van dit proces, en of eigenaren de inzet van de gemeente als zodanig ervaren. De gesprekken met eigenaren geven hier een indicatie van. Eerste ervaringen van keldereigenaren De eerste ervaringen van keldereigenaren met het doorlopen van het proces van herstel van hun kelder bieden veel inzicht in hoe zij de verdeling van verantwoordelijkheden tussen gemeente en eigenaren ervaren, en in hoeverre zij zich ontzorgd voelen in dit proces. Daarbij is het goed om te benoemen dat de door ons geïnterviewde eigenaren de eersten zijn die dit (pilot)proces doorlopen. Van sommige van de door eigenaren genoemde knelpunten geeft de gemeente aan dat die inmiddels zijn ondervangen. Waar daar sprake van is, hebben we dat in onderstaande tekst vermeld. Sommige geïnterviewden tonen zich in het gesprek bewust van het feit dat zij onderdeel zijn van een pilot in het kader van een tijdelijke regeling, waarin gemeente en eigenaren gezamenlijk, wederzijds, ontdekken en leren wat er werkt en wat niet. Het onderstaande kader beschrijft de visie van de gemeente op deze lerende aanpak in het programma.

De benadering van het programma wervengebied: al werkend leren en verbeteren Uit gesprekken met de gemeente blijkt dat een belangrijk uitgangspunt bij het vormgeven van de herstelaanpak voor het wervengebied is om ‘al werkend’ de aanpak te verbeteren. De gemeente stelt er bewust voor te hebben gekozen om niet, alvorens van start te gaan, een aantal jaar te studeren op een perfecte aanpak, maar snel te starten. Belangrijke redenen daarvoor waren dat er sprake was van een hoge urgentie omdat ongeveer 100 kelders te maken hadden met forse schade en lekkage, maar ook de overtuiging dat een goede aanpak voor kelderherstel niet vanaf de tekentafel kan worden gemaakt, maar pas in de uitvoering blijkt hoe deze eruit ziet. De herstelaanpak is volgens de gemeente dan ook gericht op voortdurend reflecteren, leren en verbeteren. Daarbij wil zij zo veel mogelijk ‘al doende’ leren. Het is dan onvermijdelijk dat er fouten worden gemaakt, omdat er in de uitvoering onvoorziene zaken opkomen waarvan niet op voorhand duidelijk is hoe zij het best kunnen worden opgelost. De gemeente stuurt er dan ook op om als dingen mis gaan daar open over te zijn, ze zo snel mogelijk te herstellen en ervan te leren.

Voorbeelden van verbeteringen die zijn doorgevoerd zijn dat er sinds 1 december 2024 een bouwmeester is, als inhoudelijk (gevraagd en ongevraagd) adviseur voor keldereigenaren, aannemers, adviesbureaus en gemeente. Ook heeft de gemeente de afstemming met nutsbedrijven naar zich toe getrokken toen bleek dat het contact tussen individuele eigenaren en nutsbedrijven de nodige knelpunten met zich meebracht.

Dit gezegd hebbende is het punt van de verdeling van verantwoordelijkheden tussen gemeente en eigenaren het onderdeel van de herstelaanpak waarop eigenaren het meest kritisch zijn. Een aantal geïnterviewde eigenaren ervaart het proces als intensief en veeleisend, en de ondersteuning door de gemeente nog als ontoereikend. Dat valt uiteen in een aantal aspecten. De eigenaar als opdrachtgever? Het Utrechtse model voor herstel van de werfkelders gaat uit van een verdeling van verantwoordelijkheden tussen gemeente en eigenaren waarbij eigenaren uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor het initiëren, coördineren en laten uitvoeren van het herstel van hun eigendom (de werfkelder). Daarbij hoort ook het opdrachtgeverschap richting een uitvoerder van herstelwerkzaamheden (opdracht-

23

nemer). De gemeente biedt hierbij ondersteuning in financiële en procesmatige en faciliterende zin, maar neemt de integrale (eind)verantwoordelijkheid voor het herstel aan (particulier) eigendom niet op zich.29 Niet alle geïnterviewde eigenaren kunnen zich vinden in dit uitgangspunt. Sommigen geven aan dat zij het er niet mee eens zijn dat zij uiteindelijk opdrachtgever zijn voor de herstelwerkzaamheden. Zij vinden dat de gemeente die rol zou moeten vervullen. Hiervoor worden grofweg twee redenen genoemd. Als eerste zijn er eigenaren die vinden dat de gemeente, gezien de historie van het kelderdossier, (moreel) aan zet is om verantwoordelijkheid te nemen voor herstel van de kelders. Zij vinden het niet passend dat zij zelf (eind)verantwoordelijk worden voor het coördineren en realiseren van het herstel. Soms wordt hierbij ook genoemd dat met het herstel van de werfkelder tegelijkertijd ook gemeentelijke eigendommen worden aangepakt, zoals de werfmuur. Dat zou volgens eigenaren op zijn minst vragen om gezamenlijk (gedeeld) opdrachtgeverschap tussen gemeente en eigenaar. De tweede reden die eigenaren noemen is minder principieel, maar meer pragmatisch van aard. Meerdere eigenaren geven aan dat zij het een ingewikkelde taak vinden om verantwoordelijk te zijn voor het (uitvoerend) opdrachtgeverschap van een specialistische en onvoorspelbare hersteloperatie.

Zij hebben het gevoel dat ze niet geëquipeerd zijn om beslissingen te nemen over verrassingen of problemen die tijdens de uitvoering van het herstel naar boven komen, waarin bijvoorbeeld constructieve aspecten afgewogen moeten worden tegen erfgoedbelangen, en waarin verkeerde keuzes in theorie kunnen zorgen voor toekomstige schades, niet alleen aan de kelder, maar ook met impact op de publieke ruimte (bijvoorbeeld: de staat van het wegdek). Dat vinden zij een (te) zware verantwoordelijkheid. Dit geluid is ook te horen bij geïnterviewde professionals van buiten de gemeente. De ervaring die zij hebben opgedaan met het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan kelders in de afgelopen jaren, leert hen dat het herstellen van kelders een onvoorspelbare en ingewikkelde klus is, waarbij zich regelmatig verrassingen voordoen die vragen om bijsturing. Dat vraagt om specifieke kennis en ervaring, en is bovendien tijdsintensief. Meerdere van deze gesprekspartners geven dan ook aan dat zij het niet realistisch vinden dat particuliere eigenaren, die geen ervaring hebben op dit terrein, deze verantwoordelijkheid krijgen.

Op dit punt stelt de gemeente dat het mogelijk is om in een herstelplan voor een kelder kosten op te nemen voor een directievoerder/projectleider, wanneer een eigenaar zich niet in staat acht om op te treden als dagelijks opdrachtgever tijdens de uitvoering van herstelwerkzaamheden. Die kosten zijn subsidiabel op grond van de regeling. Weinig eigenaren hebben hier tot nu toe echter voor gekozen.

Vergelijking: herstel in natura in andere casussen Ook bij andere schadehersteloperaties is het mogelijk om, in plaats van een financiële vergoeding, te kiezen voor ‘herstel in natura’ van de beschadigde objecten (zoals huizen). De systematiek die daarvoor wordt gevolgd, verschilt. In Groningen selecteert het IMG namens gedupeerden een aannemer die het meest geschikt is om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Het IMG heeft met deze aannemers een raamovereen-

Hierbij moet worden opgemerkt dat er in enkele gevallen van dit uitgangspunt wordt afgeweken, zoals bij het herstel van werfkelders aan de Kromme Nieuwegracht dat begin 2024 wordt uitgevoerd. De reden daarvoor is dat de gemeente op deze plek met prioriteit herstel van de kluismuren wil uitvoeren, en dit een goede gelegenheid biedt om de werfkelders in dit rak direct mee te nemen bij deze herstelwerkzaamheden. Omdat de werfkelders hier ‘meeliften’ op het project van de gemeente, ligt het opdrachtgeverschap voor herstel van deze kelders bij de gemeente. Voor het overige wordt daarbij wel de systematiek van de tijdelijke subsidieregeling aangehouden: keldereigenaren vragen subsidie aan en dragen zelf ook conform de voorwaarden (en verdeelsleutel) van de regeling financieel bij aan het herstel van hun kelder. 29

24

komst. Het IMG fungeert vervolgens als opdrachtgever richting deze aannemer. Met de gedupeerde sluit het IMG een uitvoeringsovereenkomst. IMG en gedupeerde voeren gezamenlijk een oplevercontrole uit, zodat de kwaliteit van de geleverde werkzaamheden geborgd is. Het IMG betaalt de aannemer vervolgens. In de Zuid-Limburgse voormalige Mijnstreek is de Stichting Calamiteitenfonds Mijn(water)schade actief voor het herstellen van de schrijnende schadegevallen als gevolg van de steenkoolwinning in deze regio. Deze stichting hanteert een andere systematiek. Hier is het de woningeigenaar die als opdrachtgever fungeert richting de aannemer. Deze aannemer is geselecteerd door de Stichting, die met verschillende aannemers raamovereenkomsten heeft, waarin onder meer afspraken zijn gemaakt over garantie en kwaliteitseisen. Na een oplevercontrole betaalt de Stichting de factuur van de aannemer.

Verdeling van risico’s, rollen en verantwoordelijkheden tussen gemeente en eigenaren Een volgend punt dat aansluit bij de bovenstaande aspecten is dat een aantal van de eigenaren de verdeling van risico’s tussen eigenaren en de gemeente niet in evenwicht vindt. Dit geluid komt vooral naar voren bij eigenaren die al begonnen zijn met de uitvoering van herstelwerkzaamheden. Zij hebben de ervaring dat er bij de uitvoering van de herstelwerkzaamheden onverwachte situaties naar boven komen, waarbij de eigenaar het risico loopt op bijvoorbeeld meerkosten door uitloop of andere complicaties. Zij vinden dat deze risico’s in de huidige systematiek te veel bij eigenaren liggen. Eigenaren noemen dat de systematiek financiële onzekerheid voor hen met zich meebrengt. Uit veel gesprekken met zowel eigenaren als deskundigen blijkt dat pas als de herstelwerkzaamheden aan een kelder zijn gestart er een definitief beeld van de schade en de benodigde ingrepen gevormd kan worden. Het is dus goed mogelijk dat pas zodra de kelder ‘open ligt’ blijkt dat de kosten (fors) hoger worden dan begroot. Dit kan voor eigenaren een tegenvaller opleveren, en kan ook een reden zijn om af te zien van herstel, vanwege de onzekerheid die dat oplevert.

Wel merken we op dat in de meeste gevallen deze meerkosten voor het overgrote deel voor rekening van de gemeente zullen komen, omdat deze bijna altijd in het spectrum boven de € 50.000 zullen liggen, waarin kosten voor 90% voor rekening van de gemeente komen.

De gemeente geeft in een reactie aan het gevoel onder eigenaren op dit punt te herkennen, maar in de praktijk niet terug te zien dat meerkosten een (substantieel) financieel risico vormen voor de keldereigenaar. De gemeente licht toe dat subsidie wordt verhoogd voor alle kosten die voldoen aan de subsidievoorwaarden, óók als pas tijdens de uitvoering blijkt dat sprake is van meerkosten. Als dat zich voordoet, toetst de gemeente “binnen een paar dagen” of er sprake is van dermate hoge meerkosten dat een aanpassing van het herstelplan nodig is (waarna het opnieuw moet worden getoetst door de gemeente en een nieuw subsidiebesluit volgt), of dat de werkzaamheden ook zonder nieuw besluit doorgang kunnen vinden. In dat geval ontvangen eigenaren een schriftelijke bevestiging van de gemeente dat kosten achteraf verrekend zullen worden. De gemeente stelt dat bij de tot nu toe herstelde kelders voor vrijwel alle gevallen van meerwerk geen nieuw subsidiebesluit nodig was, en de gemeente (conform de verdeelsleutel voor kelderherstel) 90% van de meerkosten droeg. Dat betekent dus dat er weliswaar sprake is van een financieel risico voor keldereigenaren, maar dat dit in de meeste gevallen beperkt is. Wel stelt de gemeente dat deze procedure voor de omgang met meerwerk nog niet goed ingeregeld was toen de eerste meldingen van meerwerk kwamen.

Daarom verliep dit proces bij deze kelders nog niet goed, en duurde het langer dan beoogd. Deze werkwijze is volgens de gemeente inmiddels wel op orde.

25

Een ander voorbeeld van risico’s en verantwoordelijkheden die in de pilotfase bij eigenaren terecht kwamen, is de afstemming met nutsbedrijven. De leidingen van deze bedrijven liggen onder de straat, en dus vaak bovenop de keldergewelven. Soms is er zelfs een goot in een keldergewelf gefreesd waarin een leiding ligt (met het risico op lekkages in de kelder). Bij één van de kelders bleken leidingen van een nutsbedrijf dan ook te moeten worden verlegd om het herstel goed te kunnen uitvoeren. De keldereigenaar had daarom een afspraak met het nutsbedrijf dat dit zijn leiding zou verleggen. Het nutsbedrijf ontdekte echter dat, om dit te kunnen doen, de leiding een tijd zou moeten worden afgesloten, waardoor een grote groep huishoudens zonder gas zou komen te zitten. Daarom gaf het nutsbedrijf aan de leiding toch niet te willen verleggen. Ook stelde het nutsbedrijf dat het geen zaken (meer) wilde doen met individuele eigenaren, maar alleen met de gemeente wilde praten. Als gevolg van deze situatie lag het werk aan deze kelder enkele weken stil. Uiteindelijk werd er in deze casus met dank aan een interventie van de gemeente een oplossing gevonden en konden de werkzaamheden worden hervat na een periode waarin het kelderherstel stil lag.

De gemeente geeft aan dat zij inmiddels de afstemming met nutsbedrijven naar zich toe heeft getrokken, waardoor deze rol niet meer bij eigenaren ligt. In de samenwerkingsovereenkomst tussen gemeente en keldereigenaar over de uitvoering van het herstel, die wordt opgesteld voorafgaand aan de uitvoering van kelderherstel, is opgenomen dat de gemeente een inspanningsverplichting heeft ten aanzien van kabels en leidingen. De gemeente geeft aan in dit kader een “coördinator kabels en leidingen” aan te gaan stellen als onderdeel van het programma.

Behalve de verdeling van risico’s, geeft een aantal eigenaren ook aan dat zij de verdeling van verantwoordelijkheden in het herstelproces nog niet altijd als helder ervaren. Zo vertelt een eigenaar dat voor haar niet helder is wie nu verantwoordelijk is voor het aansturen van het proces van het opstellen van het herstelplan tot aan de start van de herstelwerkzaamheden. Deze eigenaar geeft aan te begrijpen dat in principe de keldereigenaar ‘aan zet’ is in dit proces, ook omdat deze uiteindelijk als opdrachtgever fungeert richting de partij die herstel uitvoert. Zij geeft echter ook aan dat eigenaren dit proces en alle stakeholders daarbinnen maar heel beperkt kunnen overzien, ook omdat er met name aan de kant van de gemeente veel verschillende spelers moeten worden betrokken. Zij heeft de ervaring dat het proces rondom het herstelplan hapert omdat zowel de gemeente als de eigenaar zich niet 100% verantwoordelijk voelt voor het sturen op de voortgang, en er sprake is van te weinig regelmaat of structuur in de processtappen. Zij beschrijft de manier waarop het proces nu verloopt als ‘ad hoc’, en zegt bijvoorbeeld: “We hebben na ons vorige overleg geen nieuwe datum voor een volgend overleg afgesproken. Nu is het de vraag: wie neemt daar het initiatief voor: de gemeente of ik?”

Op dit punt stelt de gemeente dat er in de beginfase van de aanpak voor circa twintig kelders aan de Kromme Nieuwegracht sprake was van een specifieke situatie waarin de gemeente al opdracht had gegeven aan een bureau om een herstelplan op te stellen. Dat zou kunnen leiden tot onduidelijkheid over bij wie het opdrachtgeverschap voor het opstellen van het herstelplan ligt (eigenaar of gemeente). Vanaf november 2022 zou deze onduidelijkheid volgens de gemeente echter moeten zijn weggenomen, doordat de subsidieregeling regelt dat de keldereigenaar subsidie kan aanvragen voor het opstellen van een herstelplan, en daarmee fungeert als opdrachtgever voor het opstellen van dit plan door een deskundige.

Complexiteit en doorlooptijd Uit de gesprekken komt naar voren dat eigenaren het proces als complex ervaren. Dat gaat vooral over het proces van het opstellen van het herstelplan en het toewerken naar een definitieve subsidieaanvraag voor herstel van de kelder. Mede omdat er in iedere kelder wel specifieke, unieke,

26

omstandigheden spelen komen er volgens meerdere eigenaren in het proces de nodige zaken om de hoek die niet netjes in het 10-stappen-proces van de tijdelijke regeling passen. Meerdere eigenaren vertellen dat het doorlopen van het hele herstelproces langer duurt dan verwacht. Sommigen geven aan dat de gemeente geregeld (veel) langer doet dan verwacht over bijvoorbeeld het reageren op het concept-herstelplan, of op onvoorziene omstandigheden tijdens de uitvoering van herstelwerkzaamheden. Zo vertelt een eigenaar: “We hadden alweer twee maanden geleden technisch overleg met de gemeente over het herstelplan. Dat leverde een hele lijst met actiepunten op. De omgevingsmanager zei toen: binnen een week heb ik de antwoorden. Maar dat is dus echt niet gelukt.”

In reactie op dit signaal geeft de gemeente aan dat in zijn beleving in andere stappen in het proces richting herstel (vooral) veel sprake is van vertraging. Het belangrijkste punt waarop de gemeente vertraging ziet optreden is de afstemming tussen adviesbureau en keldereigenaar voor het aanpassen van het herstelplan en het aan de gemeente insturen van het concept plan en de subsidieaanvraag. De gemeente ziet dat in een aantal gevallen er (opnieuw) overleg is geweest tussen gemeente, bureau en eigenaar omdat het conceptplan niet voldeed aan de leidraad, informatie onduidelijk was of ontbrak, of het overzicht van kosten en kostenverdeling nog niet volledig en/of juist was ingevuld. De gemeente geeft aan te hebben geprobeerd daarbij zo goed mogelijk te helpen, maar kan zich voorstellen dat dit kan hebben geleid tot onduidelijkheid over de redenen voor vertraging en de verdeling van verantwoordelijkheid in het proces.

Veel eigenaren zoeken de verklaring voor vertraging in het doorlopen van de stappen richting de uitvoering van herstel in het feit dat de gemeente intern veel disciplines moet betrekken over alle aspecten die met het herstel van de kelders gepaard gaan, zoals erfgoed, verkeer en bouwkundige expertise.

In reactie hierop erkent de gemeente dat er binnen haar organisatie veel disciplines zijn betrokken en betrokken moeten worden: zowel om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, maar ook om te kunnen starten met de daadwerkelijke uitvoering van herstel en de vergunningverlening in dat kader. Om ervoor te zorgen dat alle relevante disciplines betrokken worden, heeft de gemeente bij de start van de subsidieregeling een integraal team ingesteld, met daarin afgevaardigden van de disciplines Erfgoed, constructies, vergunningen, financiën, en gemeentelijk vastgoed. Dit team beoordeelt concept-herstelplannen aan de hand van de subsidieregeling en de leidraad en geeft daaropvolgend een advies aan de keldereigenaar en bureaus over de aanpassingen die nodig zijn in het plan om de subsidieverstrekking soepel te laten lopen. Na de indiening van de subsidieaanvraag toetst dit team het definitieve herstelplan. De gemeente stelt dat hij de termijnen haalt die in de subsidieregeling en in het 10 stappenplan zijn opgenomen voor het geven van advies en nemen van besluiten door de gemeente. Wel erkent de gemeente dat dit bij de allereerste ingediende plannen nog niet altijd het geval was.

Ook geven meerdere eigenaren aan dat het de gemeente in hun beleving nog niet goed lukt om richting eigenaar met één mond te praten en alle verschillende aspecten die van belang zijn voor herstel bij elkaar te brengen. Ook hebben zij de indruk dat het betrekken van alle interne stakeholders bij de gemeente zorgt voor vertraging van het proces. Het lukt de omgevingsmanager volgens deze geïnterviewden, ondanks zijn/haar grote inzet en betrokkenheid, niet genoeg om dit interne samenwerkingsproces te managen.

27

De gemeente geeft aan dit beeld te herkennen. Zij stelt dat het de bedoeling is dat de omgevingsmanager (als procesregisseur) het eerste aanspreekpunt is voor situaties waarin keldereigenaar problemen ervaart of ondersteuning wenst binnen een van die 10 stappen. Volgens de gemeente zou een verklaring voor het hierboven geuite signaal kunnen zijn dat zij in 2022 (nog voor de start van de tijdelijke subsidieregeling) is gestart met een ‘begeleidingsteam’ richting keldereigenaren. Dit zorgde ervoor dat ook anderen dan de omgevingsmanager ‘in beeld kwamen’ bij keldereigenaren. Ook hebben sommige eigenaren zelf de technisch manager, wervenmeester en programmadirecteur benaderd. De gemeente herkent dat dit voor verwarring kan zorgen over de (communicatie)lijnen tussen eigenaar en gemeente. Zij is dan ook van plan om rollen “strakker in te gaan vullen” en het contact tussen eigenaar en gemeente altijd via de omgevingsmanager te laten verlopen. Met het begeleidingsteam in deze vorm wordt gestopt. Ook geeft de gemeente aan dat op 1 december 2023 de Bouwmeester is gestart, die gevraagd en ongevraagd advies over kelderherstel geeft aan zowel keldereigenaar, gemeente als aannemers. Die kan door de keldereigenaar voor technische vragen worden benaderd.

Coördinatie en regie vanuit de gemeente Ten slotte geven eigenaren aan behoefte te hebben aan regie en coördinatie op de bredere herstelopgave door de gemeente. Heel concreet betekent dit bijvoorbeeld dat zij aangeven dat ze pas met het herstel van hun kelder aan de slag willen gaan als daarin samen kan worden opgetrokken met bredere herstelwerkzaamheden door de gemeente. Dit speelt met name bij eigenaren van kelders die grenzen aan bijvoorbeeld kluismuren die door de gemeente moeten worden hersteld, of rakken (deel van een gracht tussen twee bruggen) waarvan de gemeente heeft aangegeven dat de damwanden en kademuren er zullen worden hersteld. Een eigenaar zegt hierover: “Ik ga het mijn kelder zeker niet herstellen voordat de gemeente de kademuren gaat herstellen. Dat herstel van de muren en kelders moet integraal. Coördinatie van die herstelwerkzaamheden is cruciaal: je geeft dit geld maar één keer uit. Je wil niet hebben dat het hier in korte tijd twee keer open gaat. Zo lang ik niet weet wanneer de gemeente dit gaat doen, wacht ik af.”

In reactie op deze wens geeft de gemeente aan dat artikel 21 van de subsidieregeling al in deze behoefte voorziet. Daarin is geregeld dat de keldereigenaar opdrachtgever is van herstel, maar dat hierop “een uitzondering mogelijk [is] wanneer er gelijktijdig met het herstel van een kelder ingrijpend herstel van kluismuren of muren van bruggen in eigendom van de gemeente (…).”

Tussenconclusie De gemeente streeft naar ontzorging van eigenaren bij het doorlopen van het proces richting kelderherstel. De gemeente heeft daarvoor de nodige voorzieningen getroffen. Toch ervaren eigenaren het proces nog als complex, en hebben zij niet altijd goed overzicht over het verloop van het proces en de risico’s daarbinnen. Ook zijn sommige eigenaren niet tevreden over de verdeling van rollen en verantwoordelijkheden tussen eigenaren en gemeente: zij vinden het niet altijd terecht dat niet de gemeente, maar de eigenaar opdrachtgever is voor herstel. Ook de dagelijkse aansturing van herstelwerkzaamheden lijkt een taak die voor veel eigenaren te veeleisend is. Daarmee is dit aspect, van de verdeling van risico’s, rollen en verantwoordelijkheden, en de ontzorging vanuit de gemeente richting eigenaren bij de uitvoering van herstel, het grootste aandachtspunt voor de gemeente in het doorontwikkelen van de herstelaanpak.

28

3) Verwachtingsmanagement door de gemeente We constateerden dat één van de knelpunten in de hersteloperaties in Groningen en Limburg was dat het verwachtingsmanagement door de overheid tekort schoot. Vooral in Limburg was dit heel direct zichtbaar: daar werden (hooggespannen) verwachtingen gewekt die de overheid vervolgens niet kon waarmaken. Onze analyse van de Utrechtse aanpak geeft vooralsnog geen reden om de conclusie te trekken dat dit ook in Utrecht speelt. Daarvoor zijn de twee belangrijkste redenen:  We zien dat de gemeente zorgvuldig communiceert over de herstelaanpak en het bijzondere karakter daarvan. De gemeente wekt daarbij niet de verwachting dat zij alle problemen van eigenaren op zal lossen, maar benadrukt dat eigenaren ook een eigen verantwoordelijkheid hebben in het realiseren van herstel van hun eigendom.  De gemeente benadrukt in haar communicatie daarnaast ook dat deze eerste periode waarin kelders worden hersteld bedoeld is om ervaringen op te doen, daarvan te leren, en op basis daarvan de aanpak gaandeweg bij te sturen. Daarbij gaan er onvermijdelijk dingen mis, maar het alternatief is evenmin aantrekkelijk: dan zou er eerst nog een aantal jaar onderzoek moeten worden gedaan naar allerlei aspecten van de herstelaanpak, terwijl er in de tussentijd nog geen kelder wordt hersteld.

Eerste ervaringen van keldereigenaren Uit de gesprekken met keldereigenaren blijkt dat verwachtingsmanagement vanuit de gemeente voor hen maar heel beperkt een rol speelt. Het belangrijkste dat naar voren komt, is dat de meeste eigenaren begrip hebben voor de keuze van de gemeente om een periode van uitproberen en leren in te bouwen. Eén eigenaar zegt bijvoorbeeld: “Ik ben het ermee eens dat het goed is om gewoon aan de slag te gaan in het gebied, en gaandeweg te leren, in plaats van juristen eerst jaren te laten studeren en ondertussen niets voor elkaar krijgen.” Wel noemt een aantal geïnterviewden dat ze benieuwd zijn hoe de animo voor de aanpak van de gemeente zich gaat ontwikkelen in de komende jaren. In de afgelopen periode konden vooral urgente gevallen zich aanmelden bij de gemeente. De komende periode zullen ook meer ‘reguliere’ kelders mee gaan lopen in de herstelaanpak. Pas dan zal ook blijken of er voldoende animo bij het gros van de keldereigenaren is om mee te doen aan de herstelaanpak, of dat de verwachtingen van eigenaren niet aansluiten op de inhoud van de aanpak en regeling. Een laatste opmerking met betrekking tot verwachtingsmanagement wordt gemaakt door een eigenaar die signaleert dat het proces van het opstellen van een herstelplan en het aanvragen van subsidie (veel) langer in beslag neemt dan verwacht (zie ook hierboven).

Zij zegt dat deadlines veelal niet worden gehaald, en vraagt zich af: “Moet je als gemeente die deadlines zo scherp stellen? Het probleem is dat je daarmee verwachtingen schept. Dat zou je eigenlijk niet zo moeten doen. ”

Tussenconclusie De gemeente is naar onze waarneming goed op weg met het verwachtingsmanagement richting keldereigenaren. We hebben geen signalen dat de gemeente beloften doet die hij niet waar kan maken. De gemeente is consistent in zijn communicatie over de lerende werkwijze die is gekozen voor kelderherstel. Over het algemeen herkennen keldereigenaren dit.

29

4) Overheid naast of tegenover de burger? We beschreven dat in Groningen en Limburg overheid en burger tegenover elkaar kwamen te staan. Dat was het gevolg van een systeem voor schade-afhandeling dat niet zo werkte als bedoeld, en soms van specifieke keuzes voor instrumenten of voorwaarden daarbinnen. Zeker ook beperkingen in het wettelijke kader speelden hierin een belangrijke rol. Eerste ervaringen van keldereigenaren De eerste ervaringen van keldereigenaren geven het meeste inzicht in de mate waarin de gemeente Utrecht op de goede weg is met het herstellen van vertrouwen. In bijna alle gesprekken met eigenaren klinkt waardering door voor de welwillendheid en de intentie van de gemeente om de relatie met keldereigenaren te verbeteren. Eigenaren zien dat de gemeente bereid is om zaken te verbeteren en fouten uit het verleden te herstellen. Ze waarderen de houding van de gemeente, en zien dat de gemeente open staat voor feedback en signalen uit het gebied ter harte neemt. Een aantal citaten uit de gesprekken met eigenaren illustreert dit:  “Ik zie een totaal andere houding bij de gemeente dan jaren geleden”  “Het helpt heel erg dat de wervenmeester er nu is.

Die kent iedereen en zorgt ervoor dat signalen bij de juiste persoon terecht komen.”  “De gemeente denkt echt met ons mee”  “Alleen maar lof voor de intenties van de gemeente, ze proberen je echt te helpen”  “Complimenten aan iedereen van de gemeente die bij het herstel van de werven betrokken is; ik ervaar een ongelofelijk positieve vibe. Ik heb totaal niet het klassieke gevoel van een gemeente die onbereikbaar en onwelwillend is.” Het algemene gevoel van eigenaren over de door de gemeente ingeslagen weg is dus positief te noemen. Niet alleen de herstelaanpak van de gemeente speelt daarbij een rol, maar ook de bredere opstelling van de gemeente als ‘buur’ in het wervengebied, en het zich ontwikkelende gesprek tussen de gemeente en het collectief van keldereigenaren. Dat laat onverlet dat er nog steeds wel keldereigenaren zijn die voornamelijk kritisch zijn op de gemeente. In de gesprekken is een duidelijk verschil merkbaar tussen eigenaren die nog minder lang in het gebied wonen en eigenaren die meer van de historie weten. Bij de laatste groep is er doorgaans minder vertrouwen in de gemeente. Bij veel eigenaren gaat de waardering voor de opstelling van de gemeente wel gepaard met de kanttekening dat de effectiviteit van de gemeente in de uitvoering nog beter kan.

Eigenaren wijzen er dan vooral op dat de communicatie soms nog stroef verloopt, dat de gemeente zijn kennisbasis niet geheel op orde lijkt te hebben en moeite heeft om alle intern betrokkenen op één lijn te krijgen.

Tussenconclusie In de Utrechtse herstelaanpak zien wij op dit moment geen groot risico dat de herstelaanpak ervoor zorgt dat keldereigenaren en gemeente verder tegenover elkaar komen te staan. De door de gemeente ingeslagen weg kan er, als ook in de komende periode goed samen met eigenaren wordt opgetrokken, juist voor zorgen dat de relatie tussen gemeente en eigenaren (verder) verbetert. Wel is het op basis van de eerste ervaringen met de Utrechtse aanpak nog te vroeg om al een sluitend antwoord te geven op de vraag of de aanpak er op lange termijn toe leidt dat de overheid daadwerkelijk ‘naast’ de keldereigenaar komt te staan, en het beschadigde vertrouwen van keldereigenaren in de gemeente (blijvend) wordt hersteld.

30

/ 5 Conclusies en aanbevelingen In dit rapport hebben we lessen uit recente hersteloperaties op een rij gezet en deze gebruikt om de (tijdelijke) aanpak van de gemeente Utrecht voor herstel van de werfkelders tegen het licht te houden. Die analyse levert een aantal conclusies op. Ook doen we aanbevelingen voor de toekomst. De Utrechtse aanpak verschilt qua vorm duidelijk van die van recente hersteloperaties De herstelaanpak voor de werfkelders is duidelijk anders vormgegeven dan recente vergelijkbare hersteloperaties, zoals die in Groningen en Limburg. Vooral opvallend is dat de inrichting van de systematiek in Utrecht inzet op het vermijden van discussies over aansprakelijkheid, een toekomstgericht karakter heeft en een pragmatische benadering voor kostenverdeling kent. Die ingrediënten samen tellen op tot een aanpak die het bereiken van het doel (herstel van erfgoed) centraal stelt, in een productieve samenwerking tussen gemeente en keldereigenaren. Daarbij is het doel dat publieke middelen zo veel mogelijk ten goede komen aan herstelwerkzaamheden in plaats van aan schade-experts en juridische strijd. Wij zijn positief over deze inrichtingskeuzes. We achten op dit moment de kans beperkt dat Utrecht tegen bekende knelpunten aanloopt Het bieden van herstel door de overheid is een lastige opgave, waarin sprake is van flinke dilemma’s (zie ook 2.3).

Soms is herstel bieden dan ook kiezen tussen kwaden, bijvoorbeeld tussen onder- en overcompensatie, of tussen maatwerk en gelijkheid. Een hersteloperatie kan tegen deze achtergrond bijna nooit een onverdeeld succes worden. Toch hebben we op dit moment geen reden om aan te nemen dat de gemeente Utrecht in dezelfde valkuilen dreigt te stappen als is gebeurd bij de hersteloperaties in bijvoorbeeld Groningen en Limburg. De gemeente heeft een aantal weloverwogen inrichtingskeuzes gemaakt, die lessen lijken te trekken uit andere hersteldossiers. Eigenaren zijn overwegend positief over de inrichting van de herstelaanpak Deze positieve houding zien we ook terug bij een groot deel van de eigenaren die we hebben geïnterviewd. Zij zijn overwegend positief over het streven naar dejuridisering, het toekomstgerichte karakter van de regeling en de pragmatische benadering van de kostenverdeling tussen gemeente en eigenaren. Ook eigenaren willen graag in een positief getoonzette samenwerking zij aan zij met de gemeente herstel van erfgoed realiseren. Ook zij kijken liever vooruit naar wat er nodig is om kelders te herstellen in plaats van terug om voor elke schade vast te stellen wie daarvoor verantwoordelijk is en wie de kosten daarvan moet dragen. Niemand zit te wachten op slepende juridische strijd over de aansprakelijkheid voor schades, met alle kosten van dien.

Eigenaren plaatsen op basis van eerste ervaringen echter ook kritische kanttekeningen Geïnterviewden kunnen zich echter niet op alle vlakken vinden in de vormgeving van de herstelaanpak. Op basis van de eerste ervaringen van eigenaren en professionals zijn er vooral zorgen over de verdeling van verantwoordelijkheden en risico’s tussen eigenaren en de gemeente. Er zijn eigenaren die het principieel niet juist vinden dat zij opdrachtgever moeten zijn van het herstel van hun kelder, omdat dit volgens hen geen recht doet aan de bijzondere verantwoordelijkheid van de gemeente in dit dossier. Anderen noemen dat de opdrachtgeversrol ervoor zorgt dat risico’s onevenredig bij de eigenaar komen te liggen. Die is uiteindelijk verantwoordelijk voor het goed laten uitvoeren van herstel en zal moeten inspelen op verrassingen die zich voordoen tijdens het herstelproces, waarbij op voorhand niet duidelijk is wat er van de gemeente verwacht kan worden. Meer praktisch noemen veel geïnterviewden ook dat het opdrachtgeverschap voor kelderherstel te veeleisend is voor individuele eigenaren, omdat het intensieve betrokkenheid vraagt bij het herstel-

31

proces, er overzicht over een complex geheel van belangen en afhankelijkheden nodig is, en er bij verrassingen lastige afwegingen moeten worden gemaakt die om specifieke kennis vragen. De ontzorging van eigenaren in het doorlopen van het proces kan nog verder worden versterkt De gemeente zet in zijn aanpak stevig in op ontzorging van eigenaren. Zo betaalt de gemeente het opstellen van een herstelplan door een gespecialiseerd bureau en ondersteunt de gemeente bij het aanvragen van subsidies. Uit de gesprekken komt echter naar voren dat sommige eigenaren het (doorlopen van het) hertelproces nog als complex ervaren. Zij ervaren dat de gemeente er nog niet voldoende in slaagt eigenaren hierin te ondersteunen. Dan gaat het bijvoorbeeld om lange doorlooptijden en een gebrek aan interne afstemming tussen alle betrokken partijen aan de kant van de gemeente. Ook hebben eigenaren behoefte aan meer structuur en overzicht in het proces. Voor een deel zien we dat het hier gaat om ‘kinderziektes’, waarop de gemeente verbeterstappen wil zetten. We zien dat er op termijn een sterker gecoördineerde aanpak voor de herstelaanpak nodig is Uit onze analyse komen daarnaast drie belangrijke andere uitdagingen voor (het succes van) de herstelaanpak naar voren. Een eerste is dat de huidige inrichting van de aanpak een relatief lichte vorm van coördinatie kent.

Veel hangt af van welke eigenaren zich aanmelden voor herstel van hun kelder. Daarbij probeert de gemeente om, zodra een eigenaar zich meldt, buren mee te laten doen, zodat er meerdere kelders tegelijk kunnen worden hersteld. Toch is de aanpak dus vooral ‘bottom-up’ van karakter: welke kelders hersteld worden wordt vooral bepaald door individuele aanmeldingen. Wij schatten in dat deze werkwijze op termijn niet houdbaar is, omdat die zorgt voor teveel fragmentatie in de uitvoering van het herstel. Alleen al verkeerstechnisch levert dit enorme uitdagingen op, omdat de openbare weg in het wervengebied de komende jaren voortdurend opgebroken zal zijn. Daarbij zijn er grote onderlinge afhankelijkheden: zolang de ene kelder nog open ligt, kan het herstel van een volgende kelder een paar straten verderop vaak nog niet beginnen omdat de omleidingsroute voor het herstel van de tweede kelder is gepland over de weg die nu nog openligt. Dit vraagt op termijn om een andere werkwijze (zie ook de aanbevelingen hieronder). Het is aan de politiek om een uitspraak te doen over de hoogte van kosten voor herstel Een tweede uitdaging gaat over de kosten van de herstelaanpak. Het is aan de gemeente om de hoogte van publieke investeringen in dit programma uitlegbaar en eerlijk te houden, en de uitvoeringskosten te beheersen.

We hebben geen onderzoek gedaan naar de kostenstructuur van het huidige programma, maar weten uit andere hersteloperaties wel dat uitvoeringskosten (na verloop van tijd) flink kunnen oplopen. Het is zaak die dynamiek buiten de deur te houden. Ook is er een politiek besluit nodig over de hoogte van de gemeentelijke subsidies aan keldereigenaren die door de gemeente aanvaardbaar wordt geacht, ook in verhouding tot andere grote opgaven waarvoor de gemeente zich gesteld ziet die vragen om publieke investeringen. Ook blijft het risico op juridisering in de uitvoering van de regeling op de achtergrond aanwezig Een laatste risico dat uit andere hersteloperaties bekend is, is dat op (sluimerende) juridisering. Dit ligt altijd op de loer. Tot dusver lijkt dit zich niet voor te doen in de Utrechtse aanpak, maar het risico blijft desondanks reëel. De gemeente heeft gekozen voor een pragmatische benadering, waarbij de kostenverdeling voor een belangrijk deel wordt gebaseerd op de formulering “kosten die eenduidig en zonder uitgebreid technisch onderzoek” aan een partij (eigenaar dan wel gemeente) zijn toe te schrijven. Iedere meetlat loopt het risico om onderwerp van (hoogoplopende) discussie te worden.

Tot op heden is die uitgebleven rond deze formulering (in welke gevallen voldoen kosten precies aan deze criteria?), maar het is niet gezegd dat deze niet, net zoals bijvoorbeeld de uitleg van het bewijsvermoeden in Groningen, onderwerp van juridische strijd zal worden. Hierin is ook een belangrijke rol weggelegd voor de onafhankelijke commissie die de gemeente Utrecht heeft ingesteld.

32

Aanbevelingen We doen hieronder aanbevelingen voor de versterking van de herstelaanpak. Dat doen we in drie categorieën: aanbevelingen over de definitieve subsidieregeling en de kostenverdeling daarbinnen (1 en 2), aanbevelingen over verdere ontzorging van keldereigenaren (3 en 4), en aanbevelingen over de inrichting en aansturing van de herstelaanpak in het algemeen (5 en 6). 1.

Hou in de definitieve regeling vast aan de herstelgerichte en pragmatische systematiek

We zijn positief over een aantal van de grondbeginselen van de herstelaanpak. We adviseren dan ook om hieraan vast te houden in de keuze voor de definitieve regeling. Het College heeft aan de Raad laten weten dat voor de kostenverdeling in de definitieve regeling ook de opties “bewijsvermoeden” en “technisch expert-oordeel” worden onderzocht. Wij verwachten dat beide opties het risico op verdere juridisering en verslechterende verhoudingen met zich mee kunnen brengen:  Bij de variant ‘technisch expert-oordeel’ merken we op dat het eenduidig toewijzen van schades aan een verantwoordelijke partij in veel gevallen een zeer ingewikkelde opgave is, die veel voer voor discussie zal opleveren, en daarmee kan leiden tot een battle of the experts. De achtergrond daarvan is dat er bij de schades aan kelders in het wervengebied bijna altijd sprake is van een complexe samenloop van uiteenlopende schadeoorzaken.  De variant ‘bewijsvermoeden’ is op het eerste gezicht in het voordeel van eigenaren. Toch signaleren we een (groot) risico op de toename van conflicten tussen eigenaren en gemeente. Hiervoor baseren we ons op de ervaringen met het bewijsvermoeden in Groningen. Hoewel de introductie van dat bewijsvermoeden aan de ene kant de positie van gedupeerden heeft versterkt, heeft het er ook toe geleid dat overheid en burgers steeds meer tegenover elkaar zijn komen te staan.

Dat komt omdat het bewijsvermoeden met zich meebrengt dat de overheid, als die ervan overtuigd is dat bepaalde schades niet (geheel) aan haar zijn toe te rekenen, zal moeten bewijzen dat dat het geval is. De burger treft dan niet langer een overheid aan zijn zijde die gezamenlijk op zoek gaat naar een goede oplossing van een kelder, maar een overheid die (vaak door de inhuur van experts en advocaten) zich inspant om te bewijzen dat zij niet verantwoordelijk is voor het veroorzaken van schade. Dat doet verhoudingen verstarren én draagt in het geheel niet bij aan het herstel van vertrouwen in de gemeente. Daarom adviseren wij om in de definitieve regeling vast te houden aan de systematiek voor kostenverdeling zoals die in de tijdelijke subsidieregeling in elkaar zit. De details daarvan kunnen uiteraard nog worden verfijnd (zoals de precieze percentages in de kostenverdeling), binnen het bestaande kader. Onze inschatting is dat deze systematiek het meest ondersteunend is aan de belangrijkste doelen van het programma: behoud van erfgoed en herstel van vertrouwen. 2.

Kies voor een regeling waarbinnen publiek geld zoveel mogelijk ten goede komt aan herstel

In het verlengde hiervan willen we erop wijzen dat bij het inrichten van een definitieve regeling voor herstel een van de belangrijke richtsnoeren altijd zou moeten zijn dat publiek geld maximaal ten goede komt aan het daadwerkelijk herstellen van schade. Dat betekent dat uitvoeringskosten zo laag mogelijk moeten worden gehouden (wat in andere hersteloperaties vaak niet goed lukte). We raden aan om deze overweging uitdrukkelijk te betrekken bij een keuze voor een variant voor de kostenverdeling in de definitieve subsidieregeling. We verwachten dat beide hierboven genoemde varianten (bewijsvermoeden en expertoordeel) leiden tot verhoogde uitvoeringskosten, omdat ze beide naar verwachting vragen om meer inzet van schade-experts en juristen. De reden daarvoor is dat ze minder toekomstgericht zijn en meer aandacht hebben voor (het aantonen van aansprakelijkheid voor) schade-oorzaken. Hogere uitvoeringskosten betekenen uiteindelijk dat er minder publieke middelen kunnen worden besteed aan kelderherstel: iedere euro kan immers maar één keer worden

33

uitgegeven. Ook adviseren we de gemeente in dit kader om uitvoeringskosten van de aanpak nauwlettend te monitoren, en hierop bij te sturen als deze zich in de verkeerde richting ontwikkeling. 3.

Werk in de uitvoering van herstelprojecten met vaste directievoerders die verantwoordelijk zijn voor de aansturing van herstelwerkzaamheden aan kelders

Uit de door ons gevoerde gesprekken komt naar voren dat bijna alle geïnterviewden het erover eens zijn dat van individuele keldereigenaren niet verwacht kan worden dat zij de uitvoering van kelderherstel praktisch aansturen. Dit is een taak die om specifieke kennis en ervaring vraagt, waarin regelmatig lastige keuzes moeten worden gemaakt, zeker omdat de ervaring leert dat veel problemen zich pas openbaren als een kelder ‘open ligt’ en dus niet zijn voorzien in het herstelplan. Daarbij komt dat deze rol volgens betrokkenen veel tijd vraagt, en er regelmatig beslissingen moeten worden gemaakt die bijvoorbeeld impact hebben op gemeentelijke eigendommen (bv: werfmuren) of de openbare weg (bijvoorbeeld de impact van vertraging in herstelwerkzaamheden op de bereikbaarheid van de binnenstad, doordat de straat langer open blijft). Daarom adviseren we om in principe (tenzij eigenaren hier expliciet geen voorstander van zijn) de dagelijkse aansturing van herstelwerkzaamheden te laten plaatsvinden door ervaren en kundige directievoerders. Zij zijn in staat om eigenaren terzijde te staan bij het doorhakken van knopen die zich voordoen bij het herstel van kelders en te fungeren als schakel naar de uitvoerende partijen.

Het uitgangspunt zou moeten zijn dat de gemeente zorgt voor een vaste ‘pool’ van gekwalificeerde directievoerders waarop eigenaren een beroep kunnen doen, en de inzet van deze directievoerders vergoedt. Zo kan de gemeente keldereigenaren verder ontzorgen en nog beter invulling geven aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid van eigenaren én gemeente voor het herstel van de kelders. Een nóg verder gaande invulling op dit punt zou zijn dat de gemeente het opdrachtgeverschap voor herstelwerkzaamheden overneemt van eigenaren. In theorie is dit mogelijk – het Instituut Mijnbouwschade Groningen biedt deze mogelijkheid bijvoorbeeld. Wij adviseren dit op dit moment echter niet omdat we denken dat het voorbijgaat aan de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de kelder die in beginsel bij de keldereigenaar ligt. Van de gemeente mag ook zeker een bijdrage worden verwacht aan het waarmaken van deze verantwoordelijkheid, maar die zou in de eerste plaats de vorm moeten krijgen van het goed ondersteunen en faciliteren van de eigenaar in financiële en praktische zin.

Wel denken we dat het mogelijk moet zijn om in bijzondere omstandigheden de stap te zetten richting opdrachtgeverschap bij de gemeente, zoals bijvoorbeeld al is gebeurd aan de Kromme Nieuwegracht, waar de gemeente opdrachtgever is voor het herstel van kades en werfmuren, en daarbij die rol ook vervult voor kelders die tegelijkertijd worden hersteld. 4.

Maak het herstelproces voor eigenaren voorspelbaarder en gestructureerder en zorg voor

betere ondersteuning van eigenaren hierbinnen Een aantal geïnterviewde eigenaren ervaren het herstelproces nog als ingewikkeld en moeilijk te overzien. Zij weten niet altijd op welk punt in het proces zij zich bevinden, welke stappen er nog te zetten zijn, en vooral wie er aan de lat staat om die stap(pen) te zetten: zij zelf of de gemeente? Daarbij geven sommige eigenaren aan dat het hen zou helpen om meer helderheid te krijgen over de taakverdeling tussen hen en de gemeente. We bevelen dan ook aan om eigenaren nog beter te ondersteunen in het doorlopen van het stappenplan, en aan de start van een hersteltraject heldere afspraken te maken met eigenaren over de onderlinge rol- en taakverdeling tussen hen en de gemeente. Daarbij ligt het initiatief uiteindelijk bij de eigenaar als opdrachtgever voor het herstel, maar zou het volgens ons passend zijn als de gemeente iedere eigenaar een procesbegeleider toewijst die het proces om te komen tot herstel structureert en regisseert. Deze professional zou er ook voor moeten zorgen dat de praktische coördinatielast bij eigenaren zoveel mogelijk wordt weggenomen, zeker daar waar het gaat om het

34

onderhouden van contact met diverse gemeentelijke onderdelen. 5.

Versterk de regie van de gemeente op het herstel van de kelders. Streef op termijn naar integratie van de huidige bottom-up werkwijze met een meer gecoördineerde aanpak per rak of straat, met een centrale programmering in overleg met nutsbedrijven

We achten het logisch en passend dat de gemeente de pilotfase van de regeling ‘bottom up’ heeft vormgegeven – in principe kon elke individuele eigenaar meedoen de regeling. Toch is deze benadering op termijn volgens ons niet houdbaar, gezien de enorme opgave die er voor het wervengebied ligt (o.a.: 1000 te herstellen kelders). Dit vraagt in de komende jaren om een meer gecoördineerde werkwijze, met een centrale programmering die aangeeft in welke jaren er welke straten/rakken ‘aan de beurt zijn’ voor herstel. Dit heeft een aantal voordelen. Ten eerste kan er op die manier meer verbinding worden gezocht met andere grote opgaven die er liggen in het wervengebied, zoals het vervangen van leidingen door nutsbedrijven. De gemeente kan zijn regie op de uitvoering hiervan versterken en voorkomen dat de afstemming met nutsbedrijven bij individuele eigenaren terecht komt (wat onwenselijk is). Ten tweede wordt de aanpak er uitvoerbaarder en beheersbaarder van. Zo kan de bereikbaarheid van de binnenstad veel beter worden gegarandeerd als het uitvoeren van herstel niet is versnipperd over allerlei kleinere projecten in het wervengebied. Deze benadering zou in diverse gradaties vorm kunnen krijgen. Een vergaand model zou zijn dat eigenaren alleen aanspraak kunnen maken op subsidie als hun kelder op grond van de centrale planning aan de beurt is.

Ook zijn er minder vergaande varianten mogelijk. Ook als voor een meer vergaande variant wordt gekozen, willen we meegeven dat voor urgente gevallen altijd de mogelijkheid zal moeten blijven om, ook als zij niet op korte termijn aan de beurt zijn, subsidie aan te vragen. Zo kunnen evident onredelijke of onwenselijke situaties worden voorkomen. 6. Ga na of verdere versimpeling van de herstelaanpak mogelijk is Sommige eigenaren deinzen er nog voor terug om deel te nemen aan de tijdelijke subsidieregeling, omdat zij de onzekerheden die gepaard gaan met het uitvoeren van herstel te groot vinden. Ook ervaren sommige eigenaren het herstelproces nog als ingewikkeld en moeilijk te overzien. Tegen die achtergrond adviseren we de gemeente om na te gaan of verdere versimpeling van de werkwijze mogelijk is. Zo zou in een pilot kunnen worden verkend of een meer gestandaardiseerde vergoeding mogelijk is, voor bijvoorbeeld drie categorieën van kelders (‘eenvoudig’, ‘gemiddeld’ en ‘complex’). Aan de voorkant zou dan (per categorie) met eigenaren een plafond voor de eigen bijdrage kunnen worden overeengekomen (met ongeveer dezelfde hoogte als in de tijdelijke regeling), waarbij de gemeente het surplus aan kosten voor zijn rekening neemt. Zo weten eigenaren bij de start van herstel beter waar zij financieel aan toe zijn.

Deze werkwijze kan aan drie aandachtspunten tegemoet komen: ten eerste neemt hij (een deel van de) onzekerheid bij eigenaren weg, geeft hij hen extra duidelijkheid bij de start van herstel en verkleint hij daarmee drempels voor deelname. Daarnaast versimpelt en versnelt deze werkwijze het proces, omdat er niet langer altijd een op maat gemaakt herstelplan gemaakt moet worden. Ook is deze variant in lijn met de vorige aanbeveling, omdat hij kosten voor expertadvies bespaart: het is immers niet langer nodig om voor iedere kelder een individueel herstelplan op te laten stellen. Een randvoorwaarde is wel dat het, op basis van de tot nu toe opgedane ervaringen, mogelijk is om kelders ook zonder herstelplan te herstellen. Of gemeente en andere betrokken partijen al genoeg hebben geleerd op dit vlak om deze stap te kunnen zetten, kunnen wij niet beoordelen.

35

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=81d7c78c-ddcf-4bc1-8b43-fc2904f88a48