CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Duurzaamheidsverslag 2024

Gemeenteraad 10 juli 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Duurzaamheidsverslag en Voortgangsrapportage Energie van de stad 202421.896 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

DUURZAAMHEIDSVERSLAG 2024

Colofon Uitgave Onderzoek & Advies Gemeente Utrecht: 14030 onderzoek@utrecht.nl In opdracht van Ontwikkelorganisatie Ruimte Gemeente Utrecht Internet www.utrecht.nl/onderzoek Rapportage Anniek Vermeer Daphne Bollen Judith Naaktgeboren Jan-Berno van Lochem

Foto voorkant Bron: Saxifraga.nl, fotograaf: Luc Hoogestein

Informatie: Jan-Berno van Lochem 030-286 1350

Inhoud 0. Inleiding 1. Klimaat en energie 2. Voedsel 3. Klimaatadaptatie 4. Groene leefomgeving 5. Natuur - de Utrechtse 30 6. Groene leefomgeving - exoten 7. Dierenwelzijn 8. Duurzaamheid vervoer 9. Duurzame leefomgeving: Luchtkwaliteit 10. Duurzame leefomgeving: Geluidhinder 11. Gezonde openbare ruimte: Licht 12. Utrecht Circulair 13. Duurzame leefomgeving: Bodem 14. Eigen organisatie

Inleiding Duurzame en gezonde stad Onze bewoners willen we een fijne en gezonde leefomgeving bieden. We willen dat onze kinderen opgroeien in een leefbare stad, met schone lucht en bodem, minder afval en lagere geluidniveaus. In een groene en klimaatbestendige leefomgeving met een openbare ruimte die uitnodigt tot sporten, spelen en bewegen is dan essentieel. Ook voelen we ons verantwoordelijk om te helpen de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen nu u de biodiversiteitscrisis heeft uitgeroepen. We werken daarom aan een natuurinclusieve stad. Het beleven van natuur in de stad heeft positieve effecten op de gezondheid en helpt om onze jongste generaties die zorg later over te nemen. Dit alles gaat niet vanzelf. We nemen daarom nemen maatregelen in de stad, op al deze terreinen. Zo realiseren we een gezonde, leefbare, en duurzame stad. Om de klimaatcrisis te bestrijden en minder afhankelijk te zijn van anderen in onze energievoorziening, werken we aan maatregelen in de stad. Dit doen we onder andere door de stad aantrekkelijk te maken om te gaan fietsen en wandelen en schoon vervoer te stimuleren. We stimuleren een circulaire economie die bijdraagt aan de klimaatdoelen.

Aan de energietransitie willen we een maximale bijdrage leveren door 1) zoveel mogelijk energie duurzaam op te wekken met zonnepanelen, windmolens en energie uit de bodem 2) energie te besparen bij bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties en 3) buurt voor buurt over te stappen op duurzame warmte en 4) het elektriciteitsnet te versterken. Zo blijft Utrecht een prettige en gezonde stad voor iedereen, nu en in de toekomst. Reikwijdte Dit verslag geeft een overzicht van de staat van duurzaamheid binnen de Utrechtse gemeentegrenzen en in de gemeentelijke organisatie. Daar waar mogelijk en zinvol wordt aandacht besteed aan: • de (voortgang op de) beleidsdoelstellingen op de verschillende thema's; • de resultaten van geïmplementeerd beleid (met andere woorden: wat hebben we als gemeente voor de stad gedaan?); • de inspanningen binnen de eigen gemeentelijke organisatie; • de prestaties van Utrecht in vergelijking met Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en landelijk. Dit duurzaamheidsverslag beperkt zich primair tot de fysieke leefomgeving inclusief het klimaat. Het duurzaamheidsverslag is geen (financiële) verantwoordingsrapportage, hoewel de indicatoren uit deze rapportages ook in dit verslag aan de orde komen. In de programmabegroting en -verantwoording zijn de kosten en inzet van de diverse thema’s terug te vinden.

Indicatoren Dit is de elfde keer dat het duurzaamheidsverslag verschijnt. Het maakt aan de hand van 91 indicatoren de balans op voor de Utrechtse leefomgeving in de stad. Om de vergelijking mogelijk te maken is in dit duurzaamheidsverslag zoveel mogelijk aangesloten bij het Duurzaamheidsverslag van 2023. Niet voor alle relevante onderwerpen zijn jaarlijks nieuwe cijfers voorhanden. We nemen deze gegevens wel steeds op in het verslag, zodat het beeld compleet blijft. Afstemming rapportages De gegevens uit het Duurzaamheidsverslag zijn afgestemd met de voortgangsrapportage Energie van de stad en de gegevens in de programmabegroting. De Global Goals zijn internationaal vastgestelde brede duurzaamheidsdoelstellingen (Sustainable Development Goals of SDG's). De Global Goals worden vermeld bij indicatoren waar deze relevant zijn.

1. Klimaat en energie Inleiding Opgave energietransitie Om de klimaatcrisis te bestrijden en minder afhankelijk te zijn van anderen in onze energievoorziening, werken we aan maatregelen in de stad. Daaraan werken we onder andere aan door fietsen en wandelen te stimuleren en stimuleren we een circulaire economie in de stad. We werken aan een duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem voor iedereen. Dit doen we door zoveel mogelijk verschillende duurzame bronnen te benutten, inwoners en ondernemers te helpen met energie besparen en de infrastructuur klaar te maken voor duurzame energie. We werken op dit moment toe naar de grote stappen die we gaan zetten in de energietransitie. Pas als gebouweigenaren op grote schaal overstappen van aardgas naar duurzame warmte, alle geschikte gebieden voor energie opwek zijn ontwikkeld en iedereen structureel energie bespaart, zal de CO2-uitstoot in de stad flink verminderen. Tegelijkertijd merken we dat wereldwijd en nationaal de klimaatafspraken onder druk komen te staan. Dit maakt dat we meer inspanningen moeten doen om vooruit te blijven gaan met de verduurzaming van de stad.

We werken aan de uitvoering van de energietransitie via volgende programma's: - Programma energie besparen in de gebouwde omgeving en de uitvoeringsprogramma's besparen wonen en bedrijven & maatschappelijke organisaties - Beleidsnota Opwekgebieden schone energie in Utrecht - Regionale Energiestrategie 1.0 - Transitievisie Warmte deel I en II - Uitvoeringsprogramma verduurzaming bedrijventerreinen - Uitvoeringsprogramma zon op dak en netoplossingen - En het uitvoeringsprogramma elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie Voor energie besparen is er in 2024 gewerkt aan de uitvoering van de lokale isolatieaanpak. Voor bewoners, bedrijven en maatschappelijke instellingen is er een pakket maatregelen beschikbaar van informatie, advies, begeleiding en financiën beschikbaar om hen te helpen maatregelen te nemen. We richten ons daarbij op verschillende doelgroepen zoals lage inkomens, Verenigingen van Eigenaren (VvE's), huurders, specifieke branches zoals zorg en sport en het midden- en kleinbedrijf. Op bedrijventerreinen werken we samen met bedrijven aan de mogelijkheden om zowel energie te besparen als slimme oplossingen te zoeken voor netcongestie. In 2024 is de Beleidsnota opwekgebieden schone energie door de gemeenteraad vastgesteld, waarbij een aantal focusgebieden en zoekgebieden voor opwek van zon op land en wind zijn aangewezen.

We gaan in 2025 aan de slag in deze focusgebieden, waaronder Lage Weide. Voor Windpark Rijnenburg is de vergunning in 2024 verleend. In 2024 is de grootste warmtepomp van Nederland op het terrein van de rioolwaterzuivering in Utrecht in gebruik genomen. Daarmee kan de warmte van het gezuiverde afvalwater door warmtebedrijf Eneco worden ingezet als duurzame warmtebron voor het bestaande warmtenet. Met water uit het Merwedekanaal gaan we in de toekomst circa 6000 nieuwe woningen verwarmen in de wijk Merwede. Rijkswaterstaat en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden hebben daar in 2024 vergunningen voor verleend.

Doordat de benodigde wet- en regelgeving vanuit het Rijk op zich laat wachten, is er onzekerheid bij het warmtebedrijf Eneco om te investeren in het uitbreiden van het bestaande warmtenet. We maken daarom een pas op de plaats bij het aardgasvrij maken van buurten waar het huidige warmtenet ligt. We zetten in die buurten nu volop in op energie besparen richting aardgas-ready en onderzoeken samen met een aantal buurtwarmte-initiatieven de mogelijkheden voor nieuwe collectieve warmtevoorzieningen. In 2024 zijn we volop aan de slag gegaan met het nemen van maatregelen tegen netcongestie. We werkten aan het uitbreiden van de hoog- en middenspanningsstations en hebben het proces voor de inpassing van de trafohuisjes in 2024 gestart. In dit hoofdstuk is een aantal stedelijke effecten van de energietransitie opgenomen. In de Voortgangsrapportage Energie in de stad zijn meer gedetailleerde resultaten ook over de activiteiten die zijn uitgevoerd opgenomen.

1.1 CO2 uitstoot Figuur 1.1.1 CO2 uitstoot (footprint)

In 2023 is de CO2-uitstoot in de stad verder gedaald. Dit komt doordat met name doordat de landelijke elektriciteitsmix verder is vergroend door onder andere meer zon en wind op zee. Ook is het energieverbruik in de stad gedaald. De CO2-uitstoot in de gemeente Utrecht bedraagt in 2023 circa 1,3 miljoen ton CO2*. Tussen 2022 en 2023 daalde de CO2 uitstoot met 8%. In de periode van 2015-2023 daalde de CO2-uitstoot in totaal met 31%. De CO2-uitstoot per inwoner daalde in de periode 2015-2022 harder (-38%) dan de totale uitstoot (-31%), omdat in dezelfde periode het aantal inwoners groeide (10%). Een belangrijke factor in deze daling is de afname van de landelijke CO2-uitstootfactor voor elektriciteit met 58% als gevolg van de vergroening van de opgewekte elektriciteit. Dit maakt dat de stedelijke CO2-uitstoot ten gevolge van het elektriciteitsgebruik daalt. De uitstootfactor van warmte was iets minder gunstig dan het jaar ervoor. Deze kan per jaar wisselen bijvoorbeeld doordat de hulpwarmtecentrales meer als back-up moeten worden ingeschakeld. * Betreft directe CO2 uitstoot van gas en brandstoffen (via vervoerskilometers over de weg, inclusief autosnelwegen) en indirect als het om elektriciteit en stadswarmte levering gaat. Ook is de uitstoot van overige broeikasgassen, die omgerekend zijn naar CO2 equivalenten, in beeld gebracht.

Figuur 1.1.2 emissies per sector, 2022

De emissies van de gebouwde omgeving maken de helft uit van alle emissies. Dit betreft woningen en gebouwen van bedrijven en organisaties die onder de dienstensector vallen. En hiervan de emissies die horen bij het elektriciteitsverbruik, het gasverbruik en de warmtenetten. Verkeer en vervoer maakt 39% uit. Het gaat om het verkeer dat op de Utrechtse wegen rijdt. De uitstoot van de Industrie in Utrecht is 9%. Figuur 1.1.3 onderverdeling van emissies per sector

50%

39%

9%

1%

Gebouwde omgeving

Mobiliteit

Industrie

Landbouw

Woningen

25%

Utrechtse wegen

15%

Industrie

Commerciële dienstverlening

14%

Snelwegen

18%

Energievoorziening 1%

Publieke dienstverlening

11%

Mobiele werktuigen

5%

Bouw, water en afvalbeheer

Binnenvaart

2%

5%

3%

In deze tabel zien we dat het verbruik van woningen voor een kwart van alle emissies zorgt. En binnen Mobiliteit zijn de snelwegen de grootste uitstoter van emissies.

1.2 Energiegebruik Figuur 1.2.1 energiegebruik

Het totale energiegebruik daalde in de periode 2015-2023 met 12%, waarvan 7% punt tussen 2022 en 2023. De grootste daling tussen 2022 en 2023 zien we bij het gasgebruik van woningen (-554 TJ) en bij de voorlopige cijfers van zakelijk gas (-125 TJ). Ook het particuliere elektriciteitsgebruik (-62 TJ) en het warmtegebruik nam af (-68 TJ). Een belangrijke oorzaak hiervan waren de hoge prijzen die aangepast gedrag (thermostaat lager) én energiebesparende maatregelen hebben gestimuleerd. Het gas- en warmtegebruik is gecorrigeerd voor graaddagen, wat betekent dat de stijging van het warmtegebruik niet kan worden verklaard door verschillen in warme en koude winters. Ook het zakelijk elektriciteit (-40 TJ) en zakelijk warmte (-40 TJ) dalen. Het “Programma energie besparen gebouwde omgeving” heeft als doel dat er 35% energiebesparing is in de gebouwde omgeving in 2050 ten opzichte van 2020. In 2023 is er 11,3% besparing gerealiseerd ten opzichte van 2020.

1.3 Zonnestroom vermogen Figuur 1.3.1 zonnestroom vermogen - cumulatief - in Utrecht (de vlakken - linker as) en Nederland (de lijnen - rechter as)

Het zonnestroomvermogen van opgestelde panelen groeide in 2023 ten opzichte van 2022 met ruim een kwart (26%) en bereikte een omvang van 211 kWpiek. De groei was de vorige twee jaren ook ongeveer een kwart. De elektriciteitsproductie van deze panelen is gelijk aan het stroomverbruik van zo'n 88.000* Utrechtse woningen. Het groeitempo is door de jaren heen vergelijkbaar met het gemiddelde in Nederland zonder zonnevelden. In 2023 is het eerste zonneveld in Utrecht opgeleverd: Meijewetering. Zodra deze het hele jaar in bedrijf is geweest komt de productie van dit zonneveld terug in de statistieken. * Het gemiddeld elektriciteitsverbruik van een Utrechtse woning is 2.120 kWh per jaar. Dit is substantieel onder het landelijk gemiddelde van 2.500 kWh per jaar. De aanname is dat gemiddelde elektriciteitsproductie per zonnepaneel 888 kWh/kWpiek/jaar is (875 tot 2020, 900 erna).

1.4. Aantal bestaande woningen afgesloten van aardgas Figuur 1.4.1 het aantal bestaande woningen afgesloten van aardgas - per jaar én cumulatief

In bovenstaande grafiek zijn data uit het landelijke centrale aansluitingen register opgenomen. Het zijn woningen waar de gasaansluiting verwijderd is én er nog wel een elektriciteitsaansluiting is. Dit zijn huiseigenaren die waarschijnlijk zijn overgestapt op elektrisch koken en/of verwarmen in de woning. De grote aantallen van woningen die van het aardgas afgaan zijn pas te verwachten als de plannen voor het aardgasvrij maken van buurten in uitvoering kunnen gaan.

1.5 Zonnestroomvermogen per woning Figuur 1.5.1 het geregistreerde vermogen zonnestroom per woning

Het geregistreerde vermogen zonnestroom per woning bereikte in 2023 in Utrecht een omvang van 804 kWpiek per woning. Dit is een factor 2 tot 3 hoger dan in de drie andere grote steden. In de groep van 23 zeer sterk stedelijke gemeenten staat Utrecht op de 8e plaats van het gemiddelde aantal zonnepanelen per woning.

1.6 Woningen: energielabels Figuur 1.6.1 het aantal woningen per label

Einde 2024 zijn 103.765 woningen in Utrecht voorzien van een geregistreerd label, Relatief even veel woningen als in 2023: 62%. Het is niet waarschijnlijk dat de geregistreerde woningen representatief zijn voor alle woningen in Utrecht. Na tien jaar vervalt een geregistreerd label en is het niet meer geldig. Vanaf 1-1-2021 is het duurder geworden om een label aan te vragen. Wel is een label bij verkoop van de woning verplicht. De groei van de labels zit voor meer dan 80% in de groep woningen met een label A - A++++, dus waarschijnlijk de nieuwbouwwoningen. Een van de doelstellingen binnen de Global Sustainable Development Goals is adequate, veilige en betaalbare woningen voor iedereen. Woningen met een energielabel E, F en G verdienen extra aandacht voor verbetering. Het gaat om 14% van het aantal geregistreerde woningen in de stad.

1.7. Woningcorporatie woningen: E,F en G labels Figuur 1.7.1 het aantal woningen met label E, F of G

De corporaties leggen zich in de huidige fase van de energietransitie vooral toe op isoleren (en dus niet op het aardgasvrij maken van hun bezit). En dan met name op het wegwerken van de EFG-labels. Het streven is om dat uiterlijk in 2028 voor elkaar te hebben. Ze hebben daar hun planning op ingericht. De stijging bij Portaal heeft te maken met de veranderende systematiek voor het vaststellen van labels.

1.8 Utiliteitsgebouwen: energielabels Figuur 1.8.1 het aantal utiliteiten per label, voor zover bekend

Bij oplevering, verkoop of verhuur van utiliteitsgebouwen, zoals kantoren, scholen, horeca, sporthallen en ziekenhuizen is sinds 2009 een energielabel verplicht. Eind 2024 hadden 4.375 utiliteitsgebouwen in Utrecht een geregistreerd energielabel, 75 meer dan het jaar ervoor. Die toename zit voor 70% in het aantal utiliteitsgebouwen met energielabel A. Het is niet waarschijnlijk dat deze labels representatief zijn voor alle utiliteitsgebouwen in Utrecht, omdat het totaal aantal gebouwen veel groter is. Als meer utiliteitsgebouwen een energielabel krijgen, zal de gemiddelde waarde representatiever zijn. Vanaf 2023 moeten kantoren van meer dan 100 m2 minimaal energielabel C hebben. Kantoren met een slechter energielabel (D t/m G) mogen dan niet meer worden gebruikt. Eind 2024 voldeden alle kantoren die minimaal energielabel C moesten hebben daaraan.

1.9 Duurzame nieuwbouw (G.P.R.) Figuur 1.9.1 score van vergunningen nieuwbouwwoningen op de gemeentelijke prestatie richtlijn

Via de GPR (Gemeentelijke Prestatie Richtlijn) wordt de duurzaamheidsscore van projecten bepaald. In 2024 was - van de projecten met een GPR score - het gemiddelde een 8,2 op een schaal van 10. Dat is even hoog als in 2023. De GPR bestaat uit vijf onderdelen die onderling tegen elkaar worden afgewogen tot een gemiddelde. Duurzaamheid wordt vanuit de gemeente zo integraal mogelijk benaderd. Daardoor kan het zo zijn dat bij projecten iets minder aandacht is voor het thema energie ten gunste van andere thema’s zoals groene daken, verblijfskwaliteit, etc. Bij aanbestedingen van woningbouwprojecten werden punten toegekend aan het plan met de hoogste GPR-score. In 2021 is dit systeem verlaten en sindsdien richten we ons wat betreft duurzaamheid meer op innovatieve thema's zoals circulair bouwen of natuurinclusief bouwen. Circulair bouwen meten we met de indicator MPG (zie hoofdstuk circulair) en met de indicator Herkomst Materialen uit Het Nieuwe Normaal.

2. Voedsel 2.1 Inleiding Voedsel op de stedelijke agenda In Utrecht vinden we dat iedereen een eerlijke kans moet krijgen op een gezonde en duurzame voedselomgeving. Daarom werken we o.a. samen met een groot aantal partijen (o.a. andere gemeenten, de ministeries van VWS, BZK en LVVN en het Voedingscentrum), in de City Deal Gezonde en Duurzame Voedselomgeving (2021-2027). Het doel van deze City Deal is om de versnelling te realiseren naar een gezond en duurzaam voedselsysteem. Waar de bevolking in 2030 meer plantaardig voedsel eet. De doelen richten zich op: 1. Ontwikkelen en implementeren van instrumenten om de voedselomgeving gezonder en duurzamer in te richten; 2. Gezonde en toekomstbestendige voedselcultuur en -routines creëren; 3. Vergroten van het aandeel lokaal voedsel in het dagelijks menu. In Utrecht richten we ons vooral op het eerste spoor. We ontwikkelen samen met de City Deal een juridisch instrumentarium zodat gemeenten kunnen sturen in het voedselaanbod. Dit doen we door voedselscores te meten in de stad. Hiermee kunnen we de mate van (on)gezond aanbod in een bepaald gebied vaststellen. Daarnaast hebben we aandacht voor de gezonde gebiedsontwikkeling in Cartesius. Hier komen verschillende voorzieningen waar eten verkocht wordt (bijvoorbeeld een foodhallsupermarkt en horecagelegenheden).

Door gezondheid direct bij de ruimtelijke ontwikkelingen mee te nemen kunnen we sturen op een gezonde voedselomgeving in deze ontwikkelingen. De ervaringen in Utrecht en andere steden zijn relevant voor nieuwe wetgeving waarmee aanbieders van ongezond voedsel geweerd kunnen worden, bijvoorbeeld in de directe omgeving van scholen. De gemeente ondersteunt het initiatief voor de ontwikkeling van de eetbare wijk Rijnvliet met een voedselbos. Samen met bewoners is groen aangeplant dat bewoners kunnen eten en verwerken tot producten. Met het Europese project Cultivate leren we samen met andere Europese steden hoe we voedseldeelinitiatieven in de stad kunnen versterken. Het doel is het stimuleren van meer eetbaar groen in alle wijken. Foto 2.1.1 voedselbos Rijnvliet Fotograaf: Iris Wijnwaarde

2.2 Gezond Gewicht op School & tegengaan van voedselverspilling Figuur 2.2.1 aantal Utrechtse kinderen dat een gezonde schoollunch ontvangt via gemeentelijke middelen

Scholen zijn belangrijke plekken om verschil te kunnen maken in de levensstijl en het voedingspatroon van kinderen. Daarom biedt de gemeente kinderen gezonde schoollunches aan op scholen (zowel speciale als reguliere primair onderwijsscholen) waar kinderen zitten die dat het hardst nodig hebben. In 2022 werd dit aan ongeveer 500 kinderen aangeboden. Op sommige scholen in combinatie met voedseleducatie. Het ging in 2023 om ongeveer 850 kinderen op zes scholen (binnen het programma Gezond Gewicht op School). In 2024 is dit aantal verder gestegen naar ongeveer 2.200 kinderen op 10 scholen. De aantallen voor 2025 zijn al bekend omdat de subsidie om in 2025 aan de slag te gaan eind 2024 is toegekend aan scholen. In 2025 stijgt het aantal leerlingen nog verder: dit jaar krijgen 2.348 leerlingen (t.o.v. 2.200 leerlingen in 2024) een schoollunch via gemeentelijke middelen. Alle 12 participerende scholen zetten naast een gezonde schoollunch in op meer bewegen gedurende de dag, voedseleducatie en ouderbetrokkenheid. Scholen maken ook gebruik van andere financiële bronnen zoals het landelijke programma Schoolmaaltijden en private partijen. Door het combineren van deze middelen ontvangen nog meer leerlingen in 2025 een gezonde schoollunch.

Voedselverspilling In de Visie Utrecht Circulair 2050 en de beleidsnota Utrecht Circulair 2030 is voedsel benoemd als belangrijke sector. Als streefbeeld wordt geschetst dat voedselproductie in 2050 biodiversiteit versterkt en behoudt, waarbij voedsel kortere afstanden aflegt met minder tussenschakels, met duurzame en gezonde voedselproducten en intensieve samenwerking tussen boeren, inwoners, voedselverwerkers, supermarkten en horecagelegenheden als resultaat. Om de ambities voor een circulaire stad te realiseren werken we aan het tegengaan van voedselverspilling en het stimuleren van hergebruik van voedselreststromen. Hiervoor werken we onder andere samen met de Provincie Utrecht en lokale ondernemers. In de SDG-agenda (Sustainable Development Goals) wordt in SDG 2 toegewerkt naar een halvering van de voedselverspilling in 2030 ten opzichte van 2015. Dat sluit ook aan bij de Nederlandse ambitie om in 2030 voedselverspilling ten minste te halveren (ten opzichte van 2020). In 2024 heeft de gemeente Utrecht het Convenant Lokale en Duurzame Voedselketens ondertekend. Samen met de cateraar van de gemeente Utrecht en met regionale partners wordt er gewerkt aan de doelstellingen hiervan. Daarnaast is er meegedacht met ondernemers die voedselverspilling tegengaan.

Hierbij zijn ook de mogelijkheden voor synergie op het voedselvraagstuk binnen de gemeente Utrecht onderzocht zodat ondernemers in de toekomst beter geholpen kunnen worden. Denk aan Utrechtse ondernemers zoals VoedselSurplus, MaGieCreations, Buurtbuik, restaurant The Green House, Greendish, Funghi Factory en de Clique die werken aan het hergebruik van voedselrestanten en verwerking van reststromen tot nieuwe producten. Daarnaast zijn er diverse Utrechtse ondernemers aangesloten bij het initiatief Too Good To Go dat voedsel dat niet meer verkocht kan worden, aanbiedt tegen een lage prijs.

2.3 Biologisch, fairtrade en stadslandbouw

75% van de Utrechters koopt wel eens fairtrade of biologische producten om milieu en energie te sparen. In 2021 was dit 80% en in 2019 76%. Vier op de tien inwoners kopen wel eens groente of fruit van stadslandbouw of verbouwen dit in eigen (moes)tuin om deze reden. In 2021 was dit aandeel 42% en in 2019 38%. Ruim acht op de tien (81%) Utrechters geven aan dat zij geen of minder vlees eten om milieu en energie te sparen. In 2021 was dit 84% en in 2019 82%. In 2014 ging het nog om 67% van de Utrechters. We kijken in 2025 of de trend wat betreft het minder of geen vlees eten doorzet.

3. Klimaatadaptatie 3.1 Water en riolering We streven ernaar het water- en rioleringssysteem in Utrecht gezond, robuust en toekomstbestendig te houden. Daarbij willen we dat iedereen hiervan profiteert en hieraan bijdraagt. Het actuele beleid is vastgelegd in de Visie Water en Riolering Utrecht en de Visie Klimaatadaptatie Utrecht, die op 3 februari 2022 zijn vastgesteld door de Utrechtse gemeenteraad. Het opwarmende klimaat stelt ons voor twee belangrijke opgaven. Enerzijds willen we het verder opwarmen van het klimaat zoveel mogelijk voorkomen. Dit doen we door de kringlopen voor water, materiaal en energie zoveel mogelijk te sluiten. Anderzijds moeten we ons water- en rioleringssysteem aanpassen aan het opwarmende klimaat, met vaker extreem weer zoals hevige neerslag en langdurige droogte. Dit doen we in een snelgroeiende stad, wat vraagt dat we zoveel mogelijk functies combineren en de beschikbare ruimte zo goed mogelijk benutten. En omdat de toekomst nog onzeker is, moeten onze systemen flexibel zijn om ze aan te kunnen passen aan de eisen en wensen van morgen. De doelen die we voor het water- en rioleringssysteem willen realiseren zijn: •

•

•

Een openbare ruimte die zo hemelwaterbestendig is ingericht dat onze wegen begaanbaar blijven en we geen schade in panden hebben, tot aan een bui met een kans van voorkomen van eenmaal per honderd jaar (buien t/m 80mm per uur). We houden minimaal 90% en bij voorkeur 100% van onze jaarlijkse neerslag vast op de plek waar deze gevallen is. Hiermee verminderen we de gevolgen van langdurige droogte. Hiervoor hanteren we de voorkeursvolgorde vasthouden en nuttig gebruiken, infiltreren op maaiveld, ondergronds infiltreren, verwerken in het oppervlaktewater en afvoeren naar de rioolwaterzuivering. Ons water- en rioleringssysteem is circulair door vuile en schone waterstromen volledig te ontvlechten en kringlopen te sluiten. Deze maatregel leent zich goed om te combineren met de ambitie om minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag te verwerken daar waar die valt.

3.2 Afgekoppelde oppervlakte Figuur 3.2.1 Aantal hectare afgekoppelde oppervlakte

Bij rioolvervangingen en herinrichtingen koppelen we zoveel mogelijk hemelwater los dat eerder naar de rioolwaterzuivering ging. We gebruiken dit hemelwater en later het infiltreren in de bodem d (afkoppelen). Dit jaar is 10,6 hectare afgekoppeld. Hiervan is 8,1 hectare openbare ruimte. De andere 2,5 hectare is particulier terrein. Het afkoppelen is gerealiseerd tijdens rioolvervangingsprojecten, maar ook via de bijdrageregeling niet-rioleringsprojecten, acties vanuit Waterproof030 (tegeltaxi, geveltuinenburendagen, de subsidieregeling groenblauwe daken en de subsidieregeling watervriendelijk maatschappelijk vastgoed) en de bouwplantoetsing. Van deze 10,6 hectare is minstens 2,5 hectare vergroend, waarvan 0,6 hectare dakoppervlak door particulieren met ondersteuning van de subsidieregeling groenblauwe daken. Om ervoor zorgen dat ons water- en rioleringssysteem goed blijft functioneren vervangen we riolering wanneer het niet meer in goede staat is. Hierbij scheiden we afvalwater en hemelwater (afkoppelen) en richten we de openbare ruimte klimaatbestendiger en groener in. Doordat we de afgelopen jaren minder riool hebben vervangen dan beoogd koppelen we ook minder oppervlak af dan beoogd. Daarnaast is er minder gebruik gemaakt van de subsidieregeling groenblauwe daken dan beoogd, met als gevolg minder afgekoppeld oppervlak binnen de subsidieregeling.

Zie onderwerp 24 Groene daken voor een toelichting op de resultaten daarvan. Met onze bijdrageregeling niet-rioleringsprojecten hebben we een bijdrage geleverd aan 14 projecten, waaronder de vergroening van Het Groene Lint Overvecht en het Drakenplein in Rivierenwijk. Met de subsidieregeling watervriendelijk maatschappelijk vastgoed zijn er vier schoolpleinen vergroend, waarbij in totaal 0,4 ha is afgekoppeld. We zijn 10e geworden in de categorie van grote gemeenten tijdens het NK tegelwippen. In 2024 hebben we maar liefst 193.249 tegels vervangen door planten, bloemen en bomen. Dat is een halve tegel per inwoner minder. Om in de top 5 te eindigen moeten we dit verhogen naar minimaal 1 tegel per inwoner. Tijdens de geveltuinenburendagen zijn maar liefst 612 geveltuinen aangelegd en zijn er 38.116 tegels (30x30cm) opgehaald met de tegeltaxi. De tegels die tijdens de geveltuinenburendagen worden opgehaald door de tegeltaxi, worden door de aannemer zo veel mogelijk hergebruikt. Bij voorkeur opnieuw in straatwerk en anders als funderingsmateriaal. Zodra de gemeente haar eigen grondstoffendepot in gebruik heeft, wordende tegels uit de openbare ruimte daar opgeslagen voor hergebruik.

3.3 Grondwateroverlast Figuur 3.3.1 Aantal meldingen als gevolg van te hoge grondwaterstanden in de openbare ruimte

Door de aanhoudende extreem natte periode in de eerste maanden van dit jaar waren de grondwaterstanden bijzonder hoog, met een piek in januari. De grote hoeveelheid neerslag is terug te zien in het aantal grondwateroverlast meldingen, waarvan het overgrote deel binnenkwam in de periode januari tot maart. We ontvingen totaal 54 meldingen over grondwateroverlast, waarvan 29 meldingen werden veroorzaakt door het onvoldoende functioneren van de ontwatering in de openbare ruimte op het moment van de melding. Dit is met name het geval in Hoograven en aan de Cremerstraat. Bij de overige 25 meldingen was de oorzaak onvoldoende ontwatering van particulier terrein, waarvoor de particuliere eigenaar zelf verantwoordelijk is. Locaties van grondwateroverlastmeldingen waar we ten tijde van de melding aan het ontwateringscriterium voldeden waren verspreid over de hele stad. Het grootste deel van alle meldingen (43 meldingen) betrof water in de kruipruimte. In andere gevallen betrof het bouwkundige gebreken zoals een kelder of souterrain die niet waterdicht was. Op overlastlocaties in de Cremerstraat en Majellaparkbuurt is het beheer en onderhoud van het drainagesysteem geïntensiveerd en wordt het onderzoek naar de oorzaak van de grondwateroverlast voortgezet.

Omdat de klimaatscenario’s van het KNMI aangeven dat de winters natter worden nemen we dit thema als speerpunt voor de komende jaren en evalueren we ons grondwaterbeleid in 2025. Voor zover bekend is er geen droogteschade aan panden ontstaan, maar het is ook geen droog jaar geweest.

3.4 Hemelwateroverlast Figuur 3.4.1 Aantal meldingen over hinder en wateroverlast in de openbare ruimte

We ontvingen 2656 meldingen over het gemeentelijke water- en rioleringssysteem. Daarvan gingen 1187 meldingen over hinder en wateroverlast in de openbare ruimte door verstopte straatkolken, door een kapotte drinkwaterleiding of verzakkingen in de weg. Bij 443 meldingen werd op locatie geen probleem aangetroffen, doordat het water al was weggelopen of wanneer hetzelfde probleem meerdere malen gemeld is. De overige 1469 betroffen informatieverzoeken, nagezakte verharding, verstoppingen van perceelaansluitingen, ontbrekende putdeksels, etc. We ontvingen dit jaar 14 meldingen van wateroverlast in panden, waarvan nul door hemelwater afkomstig uit de openbare ruimte of uit de riolering omdat het harder regende dan het rioolstelsel aankon. Twee keer werd er geen probleem aangetroffen of was het probleem al verdwenen bij aankomst van onze aannemer. In de overige gevallen was de wateroverlast het gevolg van inpandige problemen zoals lekkage en verstoppingen van inpandige leidingen. Er is voor zo ver bekend geen sprake geweest van gevaarlijke situaties of stremming van de weg door extreme neerslag.

3.5 Waterkwaliteit Figuur 3.5.1 urgente waterkwaliteitsproblemen

Met het waterschap streven we naar minimaal een oppervlaktewaterkwaliteit, waarbij we urgente waterkwaliteitsproblemen zoals overmatig kroos, blauwalg, vissterfte, stank en botulisme voorkomen. We rapporteren de problemen die zo urgent zijn dat er direct maatregelen genomen moeten worden, door het waterschap of door ons. In 2024 waren dat er 10, waarvan tweemaal blauwalg, 6 locaties waar dode vissen zijn verwijderd (drie of meer), eenmaal olie op het water en eenmaal overmatig kroos. De eerste helft van de zomer was nat en relatief koud, de 2e helft droog en zonnig. Deze sterke wisseling in weer heeft voor meldingen gezorgd. Bij warm weer en daardoor een hogere watertemperatuur wordt de kans op aanwezigheid van blauwalg vergroot. Ook kan er in droge periodes minder doorstroming plaatsvinden waardoor de kans op bloei van algen en kroos toeneemt. Door het warmer wordende klimaat neemt de kans op de aanwezigheid van blauwalg en overmatig kroos ook in de toekomst toe.

3.6 Ecologische waterkwaliteit Figuur 3.6.1 kaart conceptresultaten Ecoscan 2024

Bron: Regionaal Netwerk Water & Klimaat, werkgroep stedelijk water. De Ecoscan brengt de ecologische waterkwaliteit op ruim honderd locaties in de gemeente Utrecht in beeld. De metingen vinden driejaarlijks plaats op initiatief van gemeente en het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (hierna HDSR). Beide partijen maken ook onderdeel uit van een regionaal netwerk op het gebied van water en klimaatadaptatie. Tijdens een Ecoscan onderzoekt een ecoloog: de plantengroei in het water en op de oever, de hoeveelheid zwerfvuil, de helderheid van het water en de bedekking van het wateroppervlak met algen en/of kroos. Het eindresultaat is een beoordeling die ‘laag’, ‘zichtbaar’, ‘levendig’ of ‘natuurlijk’ is. De Ecoscan is leidend voor de maatregelen die we samen met HDSR uitvoeren in het kader van het Programma Gezond Water. In 2024 is de Ecoscan voor de vierde maal uitgevoerd en de conceptresultaten zijn weergegeven in Figuur 3.6.1. Bij de Ecoscan meten we niet de zwemwaterkwaliteit, die meten we alleen bij 11 locaties waarvan we weten dat er veel mensen zwemmen. De Ecoscan-resultaten van 2024 betreffen nog conceptresultaten en naar verwachting volgen er nog kleine wijzigingen. Voor de Ecoscan zijn in 2024 107 locaties bezocht, waarvan 103 gelijk aan 2021. De locaties zijn samen representatief voor al het oppervlaktewater in de gemeente.

Daarmee geeft de Ecoscan een beeld van de ecologische waterkwaliteit van het oppervlaktewater in de gemeente voor het betreffende moment dat de Ecoscan is uitgevoerd.

Figuur 3.6.2 geeft de ontwikkeling van de Ecoscans over de periode 2015-2024. Hieruit blijkt dat het percentage van de meetpunten dat tenminste zichtbaar scoort over deze periode varieert tussen de 50 en 75%. De reden dat de scores kunnen fluctueren is dat de ecologische waterkwaliteit van het oppervlaktewater mede afhankelijk is van jaarlijks fluctuerende factoren. Zo kan het ene jaar bijvoorbeeld sprake zijn van een relatief koud jaar, terwijl bij de volgende Ecoscan er sprake is van een relatief warme droge periode. Dit heeft onder andere weer effect op de plantengroei en plantendiversiteit en daarmee ook op het eindbeeld. Desalniettemin is de ecoscan wel bruikbaar om langjarige trends in de waterkwaliteit in beeld te brengen. Het gemiddelde eindbeeld in 2024 is iets lager dan in 2021, maar hoger dan 2018. Evenals bij de vorige Ecoscans zijn de beperkte waterplantenbedekking en de beperkte plantendiversiteit een belangrijk belemmerend criterium, daarnaast was het doorzicht iets lager ten opzichte van 2021. Verder hebben veel wateren in Utrecht steile oevers en daardoor een minder goed ontwikkelde oevervegetatie. De komende periode volgt een nadere duiding van de Ecoscan-resultaten. In 2025 zijn we ook met HDSR vanuit het Programma Gezond Water gestart met de uitvoering van maatregelen om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren.

Uitvoering van dit Programma is voorzien in de periode 2025-2028. Figuur 3.6.2 Vergelijking eindoordeel Ecoscans periode 2015-2024

Eindoordelen in % 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0

Tenminste zichtbaar Laag Zichtbaar Levendig Natuurlijk

2015

2018

2021

2024

Figuur 3.6.2: Vergelijking eindoordeel Ecoscans 2015-2024, de resultaten uit 2024 betreffen nog conceptresultaten en naar verwachting volgen er nog kleine wijzigen.

3.7 Zwemwaterkwaliteit Figuur 3.7.1 bacteriologische waterkwaliteit van de niet-officiële zwemlocaties

Figuur locaties waar de bacteriologische waterkwaliteit wordt gemeten

Utrecht kent drie officiële zwemlocaties, de Haarrijnseplas, plas Strijkviertel en de Voorveldsepolder. De zwemwaterkwaliteit op de officiële zwemlocaties wordt gemeten door het waterschap en door de provincie gepubliceerd op de website zwemwater.nl. In de stad wordt echter ook volop gezwommen op niet-officiële zwemlocaties. Wij zijn als gemeente de locatiehouder en meten om die reden tijdens het zwemseizoen eens in de twee weken de zwemwaterkwaliteit. Het aantal locaties waar we meten is momenteel groter dan de locaties die we hebben onderzocht op de haalbaarheid van officieel zwemwater (Munt, Veilinghaven, Amelisweerd, Ruigenhoek en Werkspoorhaven). Dit komt omdat we voor de haalbaarheid van officieel zwemwater

conform de zwemwaterrichtlijn alleen de locaties hebben onderzocht waar sprake is van een structureel groot aantal zwemmers. We meten momenteel op wat meer locaties om alvast een beeld te hebben van de waterkwaliteit als het aantal zwemmers mocht toenemen. Voor de indeling van de zwemwaterkwaliteit hanteren we net als bij officieel zwemwater de methode uit de Europese Zwemwaterrichtlijn. De waterkwaliteit wordt bepaald op basis van de aanwezigheid van de bacteriën Escherichia coli (E. coli) en Intestinale enterococcen. Op basis van tweewekelijkse bacteriologische metingen over een periode van vier opeenvolgende zwemseizoenen wordt een kwaliteitsklasse toegekend: uitstekend, goed, aanvaardbaar en slecht. Omdat er nog niet op elke locatie vier jaar gemeten wordt, is de bacteriologische waterkwaliteit maar op 11 van de 13 nietofficiële zwemplekken bekend. Op basis van de metingen scoren drie locaties, Plas Veldhuizen, Vikingrijn en de Steiger Ariënslaan, uitstekend. Bij vijf locaties is de kwaliteitsklasse goed op een locatie aanvaardbaar en op twee locaties slecht. Een belangrijke bron van een bacteriologische slechte waterkwaliteit zijn uitwerpselen van mensen, honden en watervogels. Uitwerpselen van mensen kunnen in het water komen via de rioolwaterzuivering of via riooloverstorten.

Bij hevige neerslag zuivert de rioolwaterzuivering minder goed en loopt het rioolstelsel over via de riooloverstorten. Dit effect is terug te zien bij de Kromme Rijn in Amelisweerd en de Vecht, watergangen waar beiden rioolwaterzuiveringen op lozen. De slechte zwemwaterkwaliteit wil niet zeggen dat deze altijd slecht is, maar wel dat bij hevige neerslag regelmatig de norm wordt overschreden. Het advies is dan ook altijd om kort na hevige neerslag niet te zwemmen in water waar rioolwaterzuiveringen of riooloverstorten op lozen, ook als uit onderstaand overzicht blijkt dat de kwaliteit goed of uitstekend is. Bij hevige neerslag zien we ook dat via afspoeling vanaf de oever uitwerpselen van honden en andere dieren in het water terecht kunnen komen.

3.8 Groene daken Figuur 3.8.1 groene daken

De druk op openbare ruimte in stedelijk gebied is groot. Met groene daken is het op beperkte oppervlakte mogelijk de leefbaarheid te vergroten. Groene daken leveren op de onderstaande manieren een positieve bijdrage aan de omgeving: •

vermindering en vertraging van hemelwaterafvoer;

• • •

reductie van de hittestress; kwaliteitsverhoging van de leefomgeving door vergroening; Biodiversiteit

Sinds 2009 heeft de gemeente Utrecht een subsidie om de aanleg van groene daken te stimuleren. De subsidieregeling groene daken is op 1 juli 2024 overgegaan in de subsidieregeling groenblauwe daken waarover de Raad per brief is geïnformeerd. De subsidie groenblauwe daken geldt voor de aanleg van groene daken op bestaande gebouwen, woningen, woonboten, maatschappelijke vastgoed, schuren en bijgebouwen. In 2024 zijn er 236 subsidieaanvragen voor een groen dak positief beoordeeld. Van de 236 subsidie aanvragen waren er 94 een verzamelaanvraag. Verzamelaanvragen zijn aanvragen met 2 of meer adressen in één subsidieaanvraag. Met de subsidie zijn er in 2024 350 gebouwen voorzien van één of meerdere groene daken (bijvoorbeeld de schuur en de aanbouw). In totaal is er meer dan één voetbalveld (6.031 m2) aan groene daken aangelegd met de subsidie. Het totale aantal aanvragen is vergelijkbaar met 2023. We zien wel dat het aantal aanvragen na de aanpassing van de subsidieregeling is toegenomen. Momenteel werken we aan een verbreding van de subsidieregeling zodat er meer groenblauwe maatregelen genomen kunnen worden met deze subsidie, op het hele perceel. De aanvragen in 2024 betroffen vooral extensieve (sedum) – en biodiverse (kruiden en bloemen) groene daken. Er waren minder aanvragen voor intensieve groene daken.

Dit zijn daken die worden ingericht als een volwaardige daktuin die bestaat uit planten, grassen, stuiken en eventueel bomen. Er is in 2024 voor 4940 vierkante meter aan extensieve groene daken, 1080 vierkante meter aan biodiverse groene daken en 11 vierkante meter aan intensief groen dak gerealiseerd. Op al deze daken kon gemiddeld 32 liter water per m2 worden vastgehouden.

4. Groene leefomgeving 4.1 Inleiding Een groene en klimaatbestendige leefomgeving, met een openbare ruimte die uitnodigt tot sporten, spelen en bewegen, is essentieel voor een gezond stedelijk leven in Utrecht. De gemeente neemt zelf het voortouw in de noodzakelijke vergroening van de openbare ruimte en monitort de voortgang hiervan. Tegelijkertijd heeft de gemeente minder invloed op de keuzes die bewoners en eigenaren maken voor hun tuinen, terreinen, gebouwen en daken, zoals het gebruik van tegels, verharding, bomen of groen. De beschikbare informatie hierover is beperkt en niet altijd openbaar toegankelijk. Daarom zet de gemeente in op bewustwording door bewoners en eigenaren te informeren, het verwijderen van verharding te vergemakkelijken en subsidies voor groene daken aan te bieden. Waar mogelijk werken gemeente en bewoners samen aan initiatieven. Om een betere balans te creëren tussen stedelijke verdichting en groene ruimtes, zet de gemeente in op een ‘Schaalsprong Groen’. Dit houdt in: meer groen in buurten, extra parken en groenblauwe verbindingen, versterking van de groene structuren vanuit het buitengebied en uitbreiding van het groen rondom de stad. Buurten en wijken verschillen in hun stedenbouwkundige opzet, met variërende groottes van tuinen, mate van verharding en bebouwing, en verschillen in de hoeveelheid openbaar en privaat groen.

De focus van vergroening en klimaatadaptatie ligt vooral op groenarme buurten en wijken die kampen met hittestress en gezondheidsachterstanden. We maken werk met werk bij het vergroenen van de openbare ruimte om zo efficiënt mogelijk met de gemeentelijke middelen om te gaan. Op langere termijn zal deze vergroening de verdeling van de openbare ruimte per wijk (figuur 4.2) beïnvloeden en moet een toename van het totale groene oppervlak en het bomenbestand zichtbaar worden. Door samen te werken met particuliere eigenaren kan de gemeente een aanzienlijke bijdrage leveren aan een groene en biodiverse leefomgeving, waarin kwalitatief hoogwaardig groen altijd binnen handbereik is.

4.2 Openbare ruimte per wijk 2024

De totale oppervlakte van het grondgebied van Utrecht binnen de gemeentegrenzen is ruim 9.900 hectare. Hiervan is 3.394 hectare openbare ruimte (exclusief landgoederen) in gemeentelijk beheer; 43% verharding (1.445 hectare); 36% groen* (1.234 hectare) en 21% water (715 hectare). In dit overzicht is ook het water dat niet in beheer is van de gemeente meegenomen, met uitzondering van het Amsterdam-Rijnkanaal. In 2024 zijn circa 1.025 nieuwe park- en straatbomen toegevoegd aan het gemeentelijk beheersysteem. Dit betreft bomen die zijn geplant op plekken waar geen bomen stonden. Daarnaast is er 3,7 hectare nieuw openbaar groen opgenomen in het gemeentelijk beheersysteem in 2024. Deze

manier van rapporteren betekent dat het kan zijn dat de nieuwe bomen en m2 groen al eerder zijn aangeplant, bijvoorbeeld in 2022 of 2023, maar pas in 2024 aan het beheersysteem zijn toegevoegd Van het openbaar groen in gemeentelijk beheer (exclusief landgoederen) is 47 % natuurlijk beheerd groen**. Groen op de landgoederen Het groen dat we beheren op de landgoederen beslaat een oppervlakte van 97 hectare. Hiervan ligt 17 hectare op het grondgebied van Utrecht. Het grootste deel 80 hectare ligt op het grondgebied van de gemeente Bunnik, terwijl de gemeente Utrecht eigenaar is van de landgoederen. Ten opzichte van vorig jaar is het areaal openbaar groen in gemeentelijk beheer (exclusief de landgoederen) met 4 hectare afgenomen van 1238 naar 1234 hectare. Een belangrijke oorzaak is dat in 2024 het areaal hagen is omgezet van vierkante meters (oppervlakte) naar strekkende meters (lengte) in het beheersysteem. Zonder deze wijziging zou het areaal openbaar groen met 2 hectare zijn toegenomen (1240 hectare). Het aantal hectare groen in gemeentelijk beheer in de wijk varieert sterk tussen de verschillende Utrechtse wijken. De binnenstad, met de dichte bebouwing, heeft het minste groen (16 hectare) en Vleuten de Meern met 364 hectare het meest.

Areaal openbare ruimte verandert voortdurend in omvang en samenstelling Het areaal openbare ruimte varieert door de tijd in omvang en in samenstelling (verharding, groen, water). Soms blijft een deel van het areaal openbare ruimte onveranderd; wanneer een bedrijfspand wordt gesloopt en vervangen wordt door een appartementencomplex. Ook kan het voorkomen dat de openbare ruimte toeneemt doordat de gemeente eigenaar wordt van een terrein dat bijvoorbeeld in eigendom was van Rijkswaterstaat. Daarnaast kan de omvang van de openbare ruimte toenemen wanneer een weiland aan de rand van de stad wordt ontwikkeld tot een nieuwe woonwijk. Ook binnen het areaal openbare ruimte treden veranderingen op: zo kan een brede stoep worden versmald waardoor er ruimte ontstaat voor nieuw groen. Anderzijds kan er groen verloren gaan door het verbreden van een fietspad. Het openbaar groen in gemeentelijk beheer gerelateerd aan het aantal huishoudens, is de Binnenstad de minst groene wijk van Utrecht met 11 m2 openbaar groen per huishouden. Vleuten-De Meern is de meest groene wijk met 186 m2 groen per huishouden. Het gemiddelde in Utrecht is 63 m2 groen per huishouden. Dit is een lichte daling (één m2 groen /huishouden) ten opzichte van 2023. Het totale oppervlak aan water binnen de gemeentegrens van Utrecht is, exclusief het AmsterdamRijnkanaal, 715 hectare.

In Utrecht is gemiddeld 36 m2 water per huishouden. In Vleuten-De Meern hebben huishoudens de meeste vierkante meters water tot hun beschikking (187 m2). In de wijken Noordwest (5 m2), Binnenstad (10 m2) en Zuidwest (11 m2) is dit het minste. Het totaal van openbaar groen en water per huishouden is in 2024, 99 m2 per huishouden. Het aantal huishoudens in Utrecht is toegenomen (861 huishoudens). Dit is een afname van 1 m2 ten opzichte van 2023. De trend in de afgelopen jaren is: 107 m2 (2019), 106 m2 (2020 en 2021), 103 m2 in 2022 en 100 m2 in 2023. -----------* Het gaat om openbaar groen in beheer bij de gemeente. Particuliere tuinen en landbouwgrond zijn hier dus niet in opgenomen. Ook groen dat in beheer is van scholen, sportverenigingen, recreatieschap, Rijkswaterstaat, NS, waterschappen, volkstuinen, etcetera zijn hier niet in opgenomen.

** Het gaat om openbaar groen met hoge natuurwaarden zoals hooilanden, ruigten, stinzeplanten, gras met stinzenbollen en bosplantsoenen. *** Er zit altijd een zekere vertraging tussen de aanplant, de overdracht naar de beheerorganisatie en de uiteindelijke registratie in het beheersysteem. We kunnen pas rapporteren over nieuw groen en nieuwe bomen, in beheer bij de gemeente, als deze zijn verwerkt in het systeem. Voor monitoringsdata sluiten we zoveel mogelijk aan bij de bestaande datasystemen van de gemeente.

4.3 Bos en bomen Figuur 4.3.1 hectare bos en bosplantsoenen in beheer van de gemeente Utrecht

De gemeente Utrecht beheert circa 190 hectare bos en bosplantsoen. De landgoederen Amelisweerd en Rhijnauwen zijn gearceerd weergegeven. De landgoederen zijn van de gemeente Utrecht maar liggen deels op het grond gebied van de gemeente Bunnik. In 2024 is de gemeente Utrecht verantwoordelijk voor het onderhoud van circa 135.000 gemeentelijke park-, laan- en straatbomen. Dit is een toename van circa 1.000 bomen ten opzichte van 2023. Daarnaast beheert de gemeente ruim 190 hectare bos en bosplantsoen. Hiervan is bijna 65 hectare bos op de landgoederen waarvan een groot deel, bijna 54 hectare bos buiten de gemeentegrens ligt op het grondgebied van de gemeente Bunnik; (zie ook toelichting bij: 21. Openbare ruimte per wijk) Naast de park- en straatbomen heeft de gemeente bos en bosplantsoen in beheer. Op deze locaties worden alleen de grotere bomen geregistreerd vooral met oog op de boomveiligheid. Jonge bomen en bomen die verder van de paden af staan worden dus niet geregistreerd. Er zijn daar dus nog veel meer bomen en daarom tellen we daar de oppervlakte van bos en bosplantsoen en geen individuele bomen. Er zit tijd tussen het aanplanten van een boom en het opnemen van de boom in het groenbeheersysteem. Dat geldt ook voor een gekapte boom. Als bijlage bij dit rapport vindt u een gedetailleerd verslag van de ontwikkeling van het gemeentelijk bomenbestand per subwijk.

Op deze online kaart Bomenbelans 2024 zijn alle park- en straatbomen (inclusief laanbomen op de landgoederen) te zien die door ons worden beheerd. Ook worden de bos en bosplantsoenen op deze kaart getoond.

4.4 Tevredenheid groen

Figuur 4.4.1 Tevredenheid groen en parken (weergave tussen 60% en 80%)

In 2023 is 72% van de Utrechters (zeer) tevreden over het park in de wijk of de buurt. In 2021* was dit 75% wat aangeeft dat de waardering voor het groen in de stad relatief stabiel is. In Vleuten-De Meern (84%) en Oost (84%) zijn inwoners hier het meest tevreden over. Zuidwest heeft het laagste aandeel (58%) tevreden bewoners. In alle wijken is het aandeel (zeer) tevreden bewoners hoger dan in Zuidwest. De tevredenheid over parken schommelt vanaf 2007 tussen de 71% en 74%. Daarnaast is ongeveer twee derde (68%) van de Utrechters (zeer) tevreden over het groen (zoals grasveldjes en bomen) in de buurt. In 2021* was dit ook 68%. Vanaf 2007 schommelt het aandeel (zeer) tevreden Utrechters tussen de 64% en 69%. In Vleuten-De Meern (79%) Overvecht (78%), Zuid (77%), en Oost (77%) zijn bewoners in 2023 het meest tevreden over het groen in hun buurt. In Zuidwest (53%), Binnenstad (56%) en Noordwest (58%) is dit aandeel het laagst. In deze wijken is het aandeel ook gedaald ten opzichte van 2021. ------------* Er zijn geen gegevens over 2020, 2022 en 2024 omdat de enquête tweejaarlijks is.

5. Natuur – de Utrechtse 30 5.1 Inleiding Indicatoren Utrechtse biodiversiteit ‘Utrechtse 30’ De gemeente volgt de Utrechtse biodiversiteit aan de hand van 30 soorten (raadsbrief 5 oktober 2021). Het zijn soorten waarvan de trend deels de effecten van onze beheerinspanningen en ruimtelijke strategie op biodiversiteit zichtbaar maakt en die gezamenlijk het brede spectrum van biotopen (bos, water, grasland, steen etc.) omvatten. De huismus, gierzwaluw en gewone dwergvleermuis zijn de soorten waar wij voorgaande jaren ook over rapporteerden. De extra soorten voor 2024 zijn de paddenstoel, eekhoorn, das, rugstreeppad, konijn, otter en weidebeekjuffer Niet alle 30 soorten komen jaarlijks terug in het duurzaamheidsverslag vanwege de tijdinspanning die dit kost en de kosten die ermee gemoeid zijn.

.

5.2 Huismus Figuur 5.2.1 trend huismus in Utrecht en landelijk sinds 2007

De huismus is een vogelsoort die hoort bij de stad. De vogel heeft struiken nodig voor het vinden van voedsel en het verstoppen voor roofdieren. Het verstenen van tuinen en het verdwijnen van groene plekken is een reden voor afname van het aantal huismussen. De huismus maakt zijn nest onder dakpannen of in kieren en gaten in gebouwen. Deze nestplekken kunnen verdwijnen met renovaties of isolatie-werkzaamheden. Vrijwilligers tellen voor het Meetnet Urbane Soorten (MUS) alle stadsvogels. De huismus vertoont een matige afname ten opzichte van 2007. Dit komt overeen met de landelijke trend. Ogenschijnlijk is er vanaf 2017 weer een stijgende lijn te zien. Mogelijk duidt dit op een herstel van de populatie. De komende jaren moet blijken of dat een lange termijn trend is.

Bron: Saxifraga.nl, fotograaf: Luc Hoogestein

5.3 Gierzwaluw Figuur 5.3.1 trend gierzwaluw in Utrecht en landelijk sinds 2007

De gierzwaluw is voor zijn voortbestaan afhankelijk van nestplekken in gebouwen. Deze vogel brengt zijn hele leven door in de lucht. Alleen voor het broeden verlaat deze vogel het luchtruim. Gierzwaluwen zijn redelijk trouw aan de nestplekken waar zij voorgaande jaren hebben gebroed. De trend voor de gierzwaluw in Utrecht is een matige afname volgens Sovon. De landelijke trend is ook een matige afname. De oorzaak van de uitschieter naar beneden van 2024 in niet bekend. Het kan een waarnemerseffect zijn. Bijvoorbeeld dat er minder tellingen zijn gedaan of door minder ervaren vrijwilligers. De komende jaren moet duidelijk maken of we echt met een daling van de populatie te maken hebben of dat dit een meetkundige afwijking is. Er zijn geen signalen gekomen van de vrijwilligers dat er minder bezette nesten zijn.

5.4 Gewone dwergvleermuis Figuur 5.4.1 gemiddelde bezetting van vleermuissoorten in de onderzochte VleerMUS-routes

De gewone dwergvleermuis is een vleermuis die overal voorkomt in Nederland en ook het vaakst gezien wordt in Utrecht. Overwinteren doen ze in winterslaap in de Inktpot en enkele andere hoge gebouwen in de stad. Als ze hun jongen grootbrengen vinden we de zogenaamde kraamgroepen vooral in de buurt van grote parken en wateren waar veel voedsel (insecten) aanwezig is. Sloop, verbouwings- en isolatiemaatregelen kunnen ervoor zorgen dat het aantal verblijfplaatsen in de stad afneemt. Om de voor- of achteruitgang van stadsvleermuizen te volgen is het meetnet VleerMUS in 2016 opgestart. De routes van dit meetnet zijn in 2023 voor het achtste jaar gefietst. Ook in 2023 is het gelukt om het maximum aantal routes voor het meetnet te fietsen. Toch is deze reeks resultaten te kort om er een statistische analyse van te maken.

Bron: Pexels.com, fotograaf Maximilian Ruther

5.5 Ringslangen Figuur 5.5.1 trend ringslang

Dit is een overzicht van het aantal aangelegde ringslangbroeihopen (bij sommigen worden de eikapsels wel geteld en bij sommigen niet) en het aantal eikapsels per broeihoop. Het aantal eikapsels per broeihoop is de afgelopen 4 jaar redelijk stabiel gebleven. In 2024 zijn in 8 van de 14 broeihopen de eikapsels geteld. De ringslang is een kenmerkende soort van waterrijke gebieden, natuurlijke parken en landgoederen aan de oost- en noordkant van de stad. De ringslang leeft van amfibieën en vissen. In zijn leefomgeving is het dan ook belangrijk dat er kleine wateren en natuurlijke oeverbegroeiingen aanwezig zijn. Zeker zo belangrijk is de aanwezigheid van locaties waar de ringslang kan overwinteren en zijn eieren kan afzetten. De dieren overwinteren in (dieren)holen, onder boomstammen, in taluds en andere droog gelegen, vorstvrije locaties. De ringslang zet haar eieren af op locaties met (natuurlijke) broei: mesthopen, composthopen en rottend organisch afval. Dergelijke locaties zijn kwetsbaar: ze worden door mensen gebruikt en wanneer niet bekend is dat er ringslangen in voortplanten kunnen de eieren worden verstoord of vernield. Om de voortplanting van ringslangen beter te beschermen, te stimuleren en bovendien goed te kunnen monitoren worden in Utrecht broeihopen aangelegd en het aantal eikapsels jaarlijks geteld.

De ringslang komt in de gemeente Utrecht voor in de oost- en noordrand van de stad. Ten westen van het Amsterdam Rijnkanaal zijn geen populaties bekend. Voor de opbouw van de broeihopen is de gemeente afhankelijk van vrijwilligers. Daarom wisselt het aantal opgebouwde broeihopen per jaar. De broeihopen die goed gebruikt worden door de ringslangen liggen op plekken waar de omstandigheden al lange tijd stabiel zijn; waar er weinig verstoring is door mensen, honden of andere recreatie; waar weinig predatiedruk is door bijvoorbeeld ratten en waar de broeihopen al lange tijd op dezelfde plek worden opgebouwd.

Fotograaf: Floris Brekelmans

5.8 Rugstreeppad De rugstreeppad is een amfibieënsoort die vooral voorkomt in pioniermilieus. Ze legt in het voorjaar eieren in ondiep snel opwarmend water met weinig vegetatie. In Utrecht is de soort al langere tijd bekend uit de omgeving van de Haarrijnse Plas en de golfbaan Haarzuilens. Daarnaast is de soort bekend uit de omgeving van de Nedereindse Plas. In 2024 ook waarnemingen uit deze twee gebieden bekend. De verspreiding van de soort is stabiel.

5.9 Weidebeekjuffer De weidebeekjuffer is een libellensoort die schoon stromend water nodig heeft. In Utrecht komt de soort voor langs de Kromme rijn, de stadswateren in de binnen stad en de vecht. De soort vertoont zwerfgedrag en wordt daarom ook op andere plekken in de stad gevonden. De verspreiding van de soort is stabiel.

Bron: Saxifraga.nl, fotograaf: Tim Termaat

5.10 Eekhoorn Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos. Daarnaast ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Ze komen ook in bebouwd gebied voor als er voldoende voedsel beschikbaar is. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos met naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar. In Utrecht leven ze in oudere parken, volkstuinen en begraafplaatsen. Vooral in het oosten van Utrecht, waar ze leven op de grens van een groot verspreidingsgebied van Amelisweerd en de Utrechtse Heuvelrug. Ook leven eekhoorns in de bossen van Landgoed Oud-Zuilen en Haarzuilens. De populatie is het best in beeld te brengen door in de winter naar nesten te zoeken. Er zijn geen exacte aantallen bekend; naar schatting leven er 20-50 eekhoorns in Utrecht.

5.11 Konijn Het konijn leeft voornamelijk op de hogere gelegen zandgronden in de stad. Dat zijn bijvoorbeeld taluds van snelwegen en spoorwegen, forten, opgespoten terreinen en industrieterreinen. Daar maakt het konijn burchten in dichte struikvegetaties. Belangrijk is dat rond de burchten grazige vegetaties aanwezig zijn. Aanwezigheid van konijnen kan makkelijk worden vastgesteld aan de hand van de ronde keutels en kort begraasd gras. Het konijn verliest leefgebied als gevolg van woningbouw (o.a. Merwedekanaalzone, Leeuwensteyn, Haarrijn) en verdichting van de stad.

5.12 Das

Fotograaf: Arthur Hoffmann De das leeft in Utrecht in het buitengebied langs de noord- en oostzijde van de stad. Binnen de gemeentegrens is momenteel één permanent bewoonde burcht bekend in het talud van de A27. Daarnaast liggen in het door ons beheerde gebied Amelisweerd – Rijnauwen drie bewoonde burchten. Andere burchten zijn onder meer bekend uit de omgeving van Fort Ruigenhoek, de Hoogekampse Plas en Fort Vechten. Momenteel leven ongeveer 20-25 dieren in de noordelijke en oostelijke stadsrand.

5.13 Paddenstoel In 2024 is een aantal parken en andere “groene elementen” onderzocht op het voorkomen van paddenstoelen. Paddenstoelen kunnen in belangrijke mate bijdragen aan de biodiversiteit van een locatie, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan (vooral het juiste beheer). De parken die mycologisch gezien hoog scoorden waren het Julianapark, het Wilhelminapark, de Maliebaan en het eikenlaantje bij het Vechtzoompark. Deze plekken hebben vooral waarde vanwege de ectomycorrhiza vormende paddenstoelen op rivierklei. Daarnaast zijn twee terreinen van belang door het voorkomen van zeldzame schraalgraslandpaddenstoelen: de Helweide (Amelisweerd) en de Zilveren Schaats. Ook zijn op vijf locaties in de berm geplaatste boomstammen onderzocht in als groeiplaats voor aan hout verterende paddenstoelen. Dit blijkt een interessante groeiplaats te zijn. Er werd zelfs een nieuwe paddenstoelensoort voor Nederland ontdekt: de gouden gaatjeszwam.

Fotograaf: Peter-Jan Keizer

5.14 Otter De otter is nog niet in Utrecht waargenomen. Hij wordt wel steeds vaker waargenomen in de omgeving.

5.15 Natuur inclusief bouwen Voor natuurinclusief bouwen is de gemeente verplicht om te monitoren. Dit is een taak die voortvloeit uit het Omgevingsprogramma van de Provincie, specifiek het soortenmanagementplan (SMP) waarvoor de provincie een gebiedsontheffing heeft verleend aan de gemeente (zie het omgevingsprogramma Faunabeleid en monitoring). Om hieraan te voldoen monitoren we de gebouw bewonende soorten: gierzwaluw, huismus en gewone dwergvleermuis. En we houden bij waar nieuwe verblijfplaatsen worden gerealiseerd. Daarvoor schaft de gemeente in 2025 een SMPregistratiesysteem aan. Hierin kunnen alle nieuw aangelegde verblijfplaatsen bijgehouden en gemonitord worden.

6. Groene leefomgeving: Invasieve exoten 6 Invasieve exoten Invasieve exoten kunnen zowel planten als dieren zijn en zowel op het land als in het water voorkomen. Exoten komen van nature niet in Nederland voor en daarom noemen we deze soorten exoot (uitheems). Voorbeelden van invasieve exoten zijn de Aziatische duizendknoop, de Reuzenberenklauw en de Amerikaanse Rivierkreeft. Uitheemse soorten kunnen door verspreiding en vestiging in Nederland de inheemse soorten overwoekeren en daarmee de biodiversiteit aantasten. Het is niet te voorkomen dat invasieve exoten zich binnen onze gemeentegrens vestigen. Wel is het zeer onwenselijk dat ze schade aanrichten aan de biodiversiteit en onze ecosystemen. Vroegtijdig en actief ingrijpen is daarom noodzakelijk om verspreiding en eventuele schade te voorkomen en te beperken. De bestrijding van invasieve plantexoten is een vast onderdeel van de reguliere werkzaamheden in groen- en wateronderhoud van de gemeente Utrecht. De bestrijding van invasieve exoten in het water is een verantwoordelijkheid van waterschappen en gemeente afhankelijk van de beheersituatie. Ook de provincie Utrecht zet zich in om de verspreiding en vestiging van nieuwe invasieve exoten tegen te gaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=b2b8924b-44d7-40dc-982e-edc30cf960c9