Concept Notitie Reikwijdte & Detailniveau (cNRD) en Criteria voor omgevingsrapport Windpark Lage Weide
Tekst van het document
Het windpark levert een directe bijdrage aan de gemeentelijke opwekdoelstellingen en ondersteunt de bredere transitie naar een duurzame stedelijke energievoorziening. Gezamenlijk kan worden geconcludeerd dat het windpark Lage Weide een essentieel project is binnen de nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke energietransitie en een belangrijke bouwsteen vormt voor het behalen van de vastgestelde duurzaamheidsdoelen.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
20
Projectgerelateerd
3
Voorgenomen activiteit en alternatieven
In dit hoofdstuk wordt een nadere beschrijving gegeven van het voornemen, de huidige situatie en de voorgenomen activiteit. Vervolgens wordt de wijze beschreven waarop in het MER de inrichtingsalternatieven voor het windpark worden onderzocht.
3.1
Huidige situatie
Het projectgebied is gelegen op het grootschalige bedrijventerrein Lage Weide, inclusief haven, noordwestelijk in de stad Utrecht (zie Figuur 3.1). Bedrijventerrein Lage Weide wordt aan de zuidelijke kant begrenst door de A2 en aan de noordelijke kant door het Amsterdam-Rijnkanaal. Het bedrijventerrein is bedoeld voor bedrijven in met name middelzware tot zware bedrijvigheid. De toegestane milieucategorie verschilt per zone en loopt maximaal tot aan milieucategorie 5.2. De toegestane milieucategorieën in combinatie met binnenhaven en nabijheid tot de stad Utrecht maakt Lage Weide een uniek bedrijventerrein voor zowel de stad als daarbuiten. Lage Weide is tevens een geluidgezoneerd bedrijventerrein. Binnen het aangewezen focusgebied Lage Weide (zie Paragraaf 2.5.2) herkent de gemeente Utrecht drie gebieden met elk een eigen gebruik en karakteristieken. Zoals te zien in onderstaande figuur, wordt het focusgebied daarom ingedeeld in 3 deelgebieden: De plas, Isotopenweg en Energie-eiland. Hierbij heeft gebied De plas voornamelijk een natuur- en recreatieve waarde, kent de Isotopenweg voornamelijk industrie (met een hoge milieucategorie) en kent het gebied Energie-eiland momenteel een warmtekrachtcentrale waarmee huishoudens en andere afnemers van warmte worden voorzien. Figuur 3.1 Projectgebied Lage Weide
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
21
Projectgerelateerd
Het bedrijventerrein Lage Weide wordt via de Mesonhaven, Protonhaven en de Kernhaven aangesloten op het Uraniumkanaal, die op zijn beurt in directe verbinding staat met het Amsterdam-Rijnkanaal. Op deze manier is het bedrijventerrein geschikt voor watergebonden en havengerelateerde bedrijfsactiviteiten. In en rondom het projectgebied zijn verschillende infrastructuurnetwerken aanwezig (zie Figuur 3.2). Aan de noordzijde doorkruist een spoorlijn het projectgebied, die het treinverkeer vanuit Utrecht verbindt in noordwestelijke richting. Daarnaast bevindt er zich een buisleiding die parallel loopt met de Atoomweg en een hoogspanningsleiding langs de rijksweg A2. De Atoomweg en de Plutoniumweg zijn belangrijke verkeerswegen in het projectgebied. Deze twee wegen doorkruisen het projectgebied en sluiten aan op de A2. Binnen het projectgebied zijn een aantal risicovolle inrichtingen of objecten aanwezig, dit kunnen allerlei verschillende inrichtingen en objecten zijn zoals risicovolle bedrijven en propaantanks. Figuur 3.2 Infrastructuur in en rondom het gebied
3.2
Projectbeschrijving
3.2.1
Voornemen
Het MER is erop gericht om een integrale afweging te kunnen maken tussen de verschillende alternatieven. Het beoogde activiteit betreft de bouw van een windpark, inclusief de daarbij behorende voorzieningen, zoals infrastructuur, en de aansluitende exploitatie. Het voorgenomen windpark zal gerealiseerd worden in de gemeente Utrecht, op bedrijventerrein Lage Weide.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
22
Projectgerelateerd
In het MER wordt gekeken wat de (milieu)effecten van de plaatsing van windturbines zijn, wat de beste invulling is en of er optimalisatiemogelijkheden bestaan. Dat wordt onderzocht in het MER middels meerdere alternatieven (zie Paragraaf 3.3.2). De alternatieven verschillen in opstelling en aantal turbines. Voor het windpark wordt het optimum gezocht tussen enerzijds maximale duurzame energieopwekking en anderzijds de milieu-impact op de omgeving. Deze cNRD is de start van de procedure om tot een concrete invulling van het beoogde windpark te komen en vormt de startnotitie van de mer. De te plaatsen windturbines zullen gecertificeerd zijn. Er wordt een windturbinetype gekozen dat te zijner tijd op de markt goed beschikbaar is. Het windturbinetype is nu nog niet bekend. Daarom gaat het MER uit van realistische referentiewindturbines en worden de effecten op basis van de eigenschappen van deze referentiewindturbine worden bepaald (zie Paragraaf 3.3.2). De afmetingen van de referentieturbine bepaalt grotendeels de opstelling en het aantal turbines.
3.2.2
Projectdoelstelling
Het doel van het uitvoeren van het MER voor Windpark Lage Weide is het onderzoeken en beoordelen van verschillende realistische alternatieven. Het MER kan vervolgens door een initiatiefnemer worden gebruikt voor de vergunningsaanvraag voor het beoogde Windpark Lage Weide. Het uiteindelijke doel is om met het windpark bij te dragen aan het behalen van de opwekdoelstellingen.
3.2.3
Windturbines en infrastructuur
Tot het windpark behoren onder andere (geen uitputtende opsomming):
• Windturbines met fundering (met eventuele paalfundaties); • Toegangswegen tot de windturbines; • Opstelplaats voor een kraan per windturbine; • Inkoopstation ten behoeve van het leveren van de elektriciteit aan het openbare net; • Energieopslagsysteem (optioneel); • Bekabeling (inclusief kunstwerken bij kruising van watergangen en wegen) van windturbines naar inkoopstation en van het inkoopstation naar de hoogspanningsnetaansluiting.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
23
Projectgerelateerd
Figuur 3.3 Illustratie windturbineaanduidingen
3.2.4
Activiteiten (bouw en exploitatie)
Het voornemen ziet toe op zowel de bouw van het windpark, wat een periode van naar verwachting één tot twee jaar in beslag zal nemen, als op de exploitatie. Onder de bouw van het windpark worden naast de realisatie van de windturbines ook alle bijbehorende voorzieningen verstaan, zoals de eventuele aanpassing van bestaande wegen, eventuele aanleg of aanpassing van waterinfrastructuur, aanleg van nieuwe ontsluitingswegen ten behoeve van het windpark, aanvoer van bouwmaterialen, realisatie van kraanopstelplaatsen, de bouw van inkoopstations, de aanleg van kabels en eventueel de realisatie van een ondersteunend batterijopslagsysteem. Een windpark heeft na oplevering een technische levensduur van minimaal 25 jaar, die door onderhoud en vervanging is te verlengen. Gedurende de exploitatiefase zijn de activiteiten, naast de in bedrijf zijnde windturbines, beperkt tot het periodiek verrichten van inspecties en onderhoud. Het windpark wordt na de exploitatiefase verwijderd.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
24
Projectgerelateerd
3.2.5
Betrokkenheid omgeving en procesparticipatie
In het planproces voor het Windpark Lage Weide (zie ook paragraaf 1.2) wordt de directe omgeving van bedrijven en bewoners betrokken. De directe betrokkenheid kan zijn in de vorm van mede-eigenaarschap van bijvoorbeeld lokale grondeigenaren en bedrijven waar mogelijk een windturbine inpasbaar is. Directe betrokkenheid van bewoners is bijvoorbeeld ook mogelijk in de vorm van lokaal eigendom waarbij financiële participatie en zeggenschap in het windpark tot de mogelijkheden horen. In breder verband wordt de omgeving betrokken bij het planproces zoals de mer-procedure en specifiek de eerste stap van deze procedure, deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Gedurende de zienswijze-periode over de NRD organiseert gemeente Utrecht meerdere informatiebijeenkomsten om het gesprek te voeren met bewoners en bedrijven, hen te informeren over het onderzoeksplan en de mogelijkheid te bieden om zienswijzen in te dienen. In de periode daarna worden onder andere themabijeenkomsten georganiseerd, bijvoorbeeld over: geluid, slagschaduw, gezondheid etc. Hoe dit precies wordt vormgegeven laat de gemeente ook afhangen van de behoefte van de inwoners en bedrijven. Andere mogelijkheden zijn ook nog een excursie, inloopuren, ontwerpateliers etc.
3.3
Alternatieven
3.3.1
Algemeen
Een milieueffectrapportage is een onderzoek naar de milieugevolgen van een voorgenomen activiteit. Dat gebeurt met redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven. Alternatieven zijn de mogelijke manieren waarop de voorgenomen activiteit kan worden gerealiseerd. Bepalend voor de milieueffecten van windparken zijn:
• De locatie van het windpark; • De positionering van de windturbines ten opzichte van elkaar en de omgeving; • Het aantal windturbines; • De afmetingen van de windturbines. 3.3.2
Ontwikkeling alternatieven
Voor de ontwikkeling van alternatieven in het MER wordt gevarieerd met de opstellingsvariant van de windturbines en de afmetingen van de windturbines, afhankelijk van de flexibiliteit die de ruimte voor windenergie biedt op de beoogde locatie. Omdat de afmetingen van de windturbine ook bepalend zijn voor de (onderlinge) afstanden tussen windturbines kan ook het aantal windturbines per inrichtingsvariant verschillen. Ruimte voor inrichtingsalternatieven Omdat windturbines niet overal kunnen worden geplaatst, moet bij de ontwikkeling van alternatieven rekening worden gehouden met aanwezige functies in het gebied, zoals bijvoorbeeld (de afstand tot) bebouwing, aanwezige (water)wegen, buisleidingen, hoogspanningsleidingen en andere infrastructuur. Voor het MER worden alternatieven ontwikkeld om de mogelijkheden van de inrichting van het projectgebied te verkennen. Deze alternatieven moeten binnen de wet- en regelgeving uitvoerbaar zijn.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
25
Projectgerelateerd
De ruimte voor de te ontwikkelen alternatieven in het projectgebied wordt grotendeels bepaald door de beperkingen vanuit geluid, slagschaduwhinder en externe veiligheid. In deze cNRD zijn hierna voorlopige alternatieven voor het MER opgenomen. Tabel 3.1 geeft een overzicht van de verschillende uitgangspunten die zijn gehanteerd bij het creëren van de verschillende alternatieven. De voornaamste basis voor de uitgangspunten is het Ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving uit 2023 en het Handboek Risicozonering Windturbines uit 2020. De gestelde normen in het Ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving zijn nog in concept, vooruitlopend op de verwachte invoering van de normen zijn deze wel meegenomen in het bepalen van de alternatieven. Tabel 3.1 Uitgangspunten
Aspect
Criterium
Bron
Standaardwaarde op geluidgevoelige gebouwen: • 45 dB Lden • 39 dB Lnight
Ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving (2023).
Geluid Grenswaarde op geluidgevoelige gebouwen: • 47 dB Lden • 41 dB Lnight Toetsingsafstand
Tweemaal de tiphoogte (met afwijking).
Ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving (2023).
Slagschaduw
Voor slagschaduwgevoelige objecten met afstand van maximaal 12 x rotordiameter: • Maximaal 6 uur per jaar én maximaal 20 minuten per dag; en • Toetsingsafstand tot gevoelige objecten: tweemaal tiphoogte.
Ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving (2023).
Panden (zeer kwetsbare, kwetsbare, en beperkt kwetsbare gebouwen)
PR 10^-6: vuistregel 1x tiphoogte (met afwijking naar PR10-5 voor beperkt kwetsbare objecten).
Ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving (2023).
Natuur
Niet binnen en geen overdraai over Natura 2000- en NNN-gebieden.
Omgevingswet (2024).
Risicovolle inrichtingen (databron: REV, ontsloten via Atlas Leefomgeving)
Ashoogte + halve rotordiameter (generieke afstand).
Handboek Risicozonering Windturbines (2020).
Vaarwegen
Halve rotordiameter (vanaf rand van de vaargeul).
Handboek Risicozonering Windturbines (2020).
Spoorwegen
Halve rotordiameter + 7,85 m.
Handboek Risicozonering Windturbines (2020).
Hoofd- en snelwegen
Halve rotordiameter (vanaf rand van de weg).
Handboek Risicozonering Windturbines (2020).
Hoogspanning
Ashoogte + halve rotordiameter.
Handboek Risicozonering Windturbines (2020).
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
26
Projectgerelateerd
Buisleiding
Ashoogte + halve rotordiameter.
Handboek Risicozonering Windturbines (2020).
Afmetingen, positionering en aantal windturbines Windturbines zijn beschikbaar in verschillende vermogens en afmetingen (ashoogte en rotordiameter). De afmetingen van de te selecteren windturbines zijn in meer of mindere mate bepalend voor de milieueffecten. Afhankelijk van de afmetingen van de windturbines zijn verschillende posities van windturbines mogelijk. Vanwege onderlinge beïnvloeding kunnen windturbines met een kleinere rotordiameter dichter bij elkaar worden geplaatst en moeten bij grotere windturbines grotere tussenafstanden aangehouden worden. Het aantal te plaatsen windturbines is dus ook afhankelijk van de grootte van de rotordiameter. Bandbreedte windturbines Het exacte type windturbine is op dit moment nog niet bepaald om bij aanbesteding keuzevrijheid te houden bij de selectie van het windturbinetype, waaronder ook voor nieuwe types die nu nog niet op de markt zijn. In het MER wordt daarom gebruikgemaakt van een bandbreedte van afmetingen voor de windturbines en, indien nodig voor de beoordeling van een aspect, een representatieve referentieturbine binnen die bandbreedte. Werken in het MER met (representatieve) afmetingen sluit nieuwe windturbinetypes niet uit, mits ze binnen de reikwijdte van de effecten van de onderzochte bandbreedte vallen.
In de subsidieregeling voor de exploitatie van duurzame energie-installaties (de SDE++), waaronder voor windturbines, is door het Rijk een continue efficiencyverbetering ingebouwd om de kostprijs van duurzame energie te verlagen, zodat uiteindelijk geen overheidssteun nodig is. Dit vindt plaats door voor nieuwe projecten de financiële ondersteuning jaarlijks lager aan te bieden. Deze dalende trend heeft als effect dat voor een financieel uitvoerbaar project windturbines gewenst c.q. vereist zijn met een zo laag mogelijke kostprijs voor de productie van elektriciteit. Dit sluit aan bij de ontwikkeling in de windturbinetechniek om grotere rotoren en ashoogtes te realiseren. Grotere rotors bestrijken namelijk een groter oppervlak, en op een grotere hoogte waait het harder. Deze combinatie van factoren leidt tot een hogere productie van energie. Dit zorgt er ook voor dat kleinere windturbines inmiddels steeds minder financieel rendabel zijn. Naast de ingebouwde efficiencyverbetering in de SDE++-regeling hebben ook de huidige windturbineprijzen een effect op de financiële haalbaarheid van het project. Het is daardoor nodig dat de windturbines een grote rotor hebben om het windpark rendabel te houden. De initiatiefnemers willen middels de MER de mogelijkheden in beeld brengen voor een bandbreedte van zowel kleinere windturbines tot grotere turbines in kaart brengen.
Om deze reden is er gekozen om windturbines te onderzoeken met een tiphoogte vanaf 90 meter tot en met 252 meter. De uitersten voor de toepassing van windenergie op bedrijventerrein Lage Weide zijn weergegeven in Tabel 3.2. Met het in kaart brengen van deze bandbreedtes verwacht de gemeente Utrecht een weloverwogen keuze te kunnen maken met betrekking tot windenergie op Lage Weide.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
27
Projectgerelateerd
Tabel 3.2 Bandbreedte windturbines Windpark Lage Weide Onderwerp
Alternatief A
Alternatief B
Alternatief C
Alternatief D
2,3 MW
3,8 MW
4,5 MW
7,2 MW
Aantal windturbines
8
4
4
2
Maximale tiphoogte individuele windturbines
90
150
210
252
Maximale rotordiameter individuele windturbines
71
117
150
172
Maximale ashoogte individuele windturbines
54
91,5
135
166
Indicatie geschatte elektriciteitsopbrengst10
22,6 GWh/jaar
28 GWh/jaar
40,0 GWh/jaar
35,3 GWh/jaar
• Ca. 3x de rotordiameter haaks op de voorkeurswindrichting • Ca. 4x de rotordiameter parallel aan de voorkeurswindrichting11
• Ca. 3x de rotordiameter haaks op de voorkeurswindrichting • Ca. 4x de rotordiameter parallel aan de voorkeurswindrichting11
• Ca. 3x de rotordiameter haaks op de voorkeurswindrichting • Ca. 4x de rotordiameter parallel aan de voorkeurswindrichting11
• Ca. 3x de rotordiameter haaks op de voorkeurswindrichting • Ca. 4x de rotordiameter parallel aan de voorkeurswindrichting11
Rekening houdend met concept-toetsingsafstand van 2x tiphoogte
Ja
Ja
Nee
Nee
Aantal bladen per windturbine
3
3
3
3
Indicatie vermogen individuele windturbines
Onderlinge afstand tussen windturbines
Alternatieven De alternatieven verschillen waar het gaat om:
• Het aantal windturbines (bandbreedte: twee tot acht windturbines); • De afmetingen van de windturbines; • De posities van de windturbines. Uitgangspunten per alternatief:
• Turbineposities dienen te worden ingetekend binnen de focusgebieden maar indien nodig i.v.m. belemmeringen en of onderlinge afstand kan een turbinepositie hierbuiten worden gepositioneerd;
• Een maximale invulling van het gebied; • Een onderlinge afstand van 3 a 4x de rotordiameter; • Voor de panden van lokale grondeigenaren waar mee wordt samengewerkt hoeft in beginsel niet te worden voldaan aan regelgeving voor externe veiligheid12. 10
11
12
Deze getallen blijken uit een eerste opbrengstberekening, waarbij rekening is gehouden met de windsnelheid en de eigenschappen van de geselecteerde windturbines. In enkele gevallen is vanwege andere ruimtelijke belemmeringen in het projectgebied de afstand tussen de turbines kleiner dan de genoemde streefafstand. In het MER wordt onderzocht wat hiervan de effecten op de energieopbrengst van de verschillende opstellingen zal zijn. Ervan uitgaande dat deze lokale grondeigenaren uiteindelijk als mede-initiatiefnemer betrokken worden bij het project, en er flexibeler omgegeaan kan worden met initiatiefnemers binnen eigen bedrijf dan met derden.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
28
Projectgerelateerd
Bij het ontwerpen van de alternatieven is rekening gehouden met aanwezige functies en bedrijfsactiviteiten in het gebied, zoals onder andere (de afstand tot) bebouwing, natuur en infrastructuur. Voor het MER zijn vier alternatieven ontwikkeld om de mogelijkheden van de inrichting van het projectgebied te verkennen en een goede afweging te kunnen maken tussen de verschillende bandbreedtes. Deze vier alternatieven kennen allen een andere tiphoogte met bijbehorende verschillende ashoogte en rotordiameter. De alternatieven moeten binnen de wet- en regelgeving uitvoerbaar zijn. De ruimte voor de te ontwikkelen alternatieven in het projectgebied wordt grotendeels bepaald door de beperkingen vanuit geluid, slagschaduwhinder en externe veiligheid. Met name het aspect externe veiligheid kent een grote impact op de mogelijkheden voor windenergie door de aanwezigheid van panden en gebouwen die worden gebruikt voor industriële doeleinden. Door de aanwezigheid van deze panden is het voor grote delen binnen het projectgebied niet mogelijk om de standaardwaarde van PR 10-6 voor (beperkt) kwetsbare objecten te hanteren. In het Ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving wordt voor externe veiligheid de mogelijkheid geboden om af te wijken tot de grenswaarde van PR 10-5.
Het afwijken tot de grenswaarde lijkt juist voor desbetreffende situaties (waar weinig tot geen mensen verblijven) zoals op industrieterreinen goed gerechtvaardigd. Voor de verschillende alternatieven wordt uitgegaan van deze grenswaarde van PR 10-5. De vier verschillende alternatieven A, B, C en D zijn weergegeven in Figuur 3.4 tot en met Figuur 3.11). Voor alle alternatieven dient nog exact te worden nagegaan of dit past binnen de plannen en uitbreidingsmogelijkheden van de grondeigenaren. Wellicht dat dit nog kan leiden tot kleine verschuivingen of worst case het saneren van een windturbine. Alternatief A Alternatief A bestaat uit 8 turbines met een tiphoogte van 90 meter (zie Figuur 3.4). Hiervan zijn er 5 geplaatst op het bedrijverterrein aan de Isotopenweg, 2 bij De plas en 1 bij het Energie-eiland. Alternatief A is het enige alternatief met een turbine op het Energie-eiland, bij de andere alternatieven met een hogere tiphoogte vervalt de mogelijkheid voor een turbine op het Energie-eiland. De windturbineposities langs de Isotopenweg zijn grotendeels in een lijnopstelling geplaatst. Er dient echter ook rekening te worden gehouden met de aanwezige functies en processen op de terreinen, om deze reden kan er niet een rechte lijnopstelling worden aangehouden.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
29
Projectgerelateerd
Figuur 3.4 Alternatief A (tiphoogte 90 meter)
Figuur 3.5 Alternatief A (tiphoogte 90 meter) inclusief belemmeringen
13
13
GGI staat voor geluidsgezoneerd industrieterrein.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
30
Projectgerelateerd
Alternatief B Alternatief B betreft een opstelling van 4 windturbines met een tiphoogte van 150 meter (zie Figuur 3.6). Hiervan staan 3 windturbines op het bedrijventerrein langs de Isotopenweg en 1 bij De plas. De afstandscontouren die voor dit alternatief moeten worden aangehouden zijn aanzienlijk groter dan de afstandscontouren voor de windturbines van alternatief A (zie Figuur 3.5 en Figuur 3.7). Hierdoor passen er ‘slechts’ 4 windturbines in het gebied. De drie windturbines langs de Isotopenweg zijn zover mogelijk in een lijnopstelling geplaatst, de turbines staan niet op een exacte onderlinge afstand doordat rekening moet worden gehouden met objecten en processen op de terreinen. De windturbine bij De plas staat op een iets grotere onderlinge afstand en tevens buiten de lijnopstelling.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
31
Projectgerelateerd
Figuur 3.6 Alternatief B (tiphoogte 150 meter)
Figuur 3.7 Alternatief B (tiphoogte 150 meter) inclusief belemmeringen
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
32
Projectgerelateerd
Alternatief C Alternatief C bestaat uit 4 turbines met een tiphoogte van 210 meter (zie Figuur 3.8). Hiervan zijn 3 windturbines geplaatst op het bedrijventerrein aan de Isotopenweg en 1 bij De plas. De meest noordelijke windturbine staat ingetekend op een positie waar momenteel nog bedrijvigheid plaatsvindt. De initiatiefnemers van deze NRD gaan er van uit dat deze positie in de toekomst beschikbaar is voor het realiseren van een windturbine, omdat de grondeigenaar heeft aangegeven mee te willen werken aan het project. Om deze reden is deze turbinepositie opgenomen in deze NRD. Zoals te zien op Figuur 3.9 is onder de andere de overdraai over panden een aandachtspunt voor deze positie. Ook valt deze positie buiten het focusgebied. De positie wordt meegenomen in het onderzoek om de maximale mogelijkheden voor windenergie te kunnen onderzoeken. Zoals ook omschreven onder Alternatief A, dient er rekening te worden gehouden met de aanwezige functies en processen op de terreinen, om deze reden kan er niet exact een rechte lijnopstelling worden aangehouden. De windturbineposities langs de Isotopenweg zijn zo veel als mogelijk in een lijnopstelling geplaatst. Daarnaast kent dit alternatief nog het aandachtspunt dat de meest oostelijke turbine op ~425 meter van een woning staat.
Hiermee voldoet deze turbinepositie aan de mogelijke toetsingsafstand van 2 keer tiphoogte afstand tot woningen, maar deze afstand lijkt relatief dichtbij in het kader van geluidsnormen. Dit betekent dat er mogelijk meer gemitigeerd dient te worden om aan de geluidsnormen te voldoen. De mate van mitigatie en opbrengstverlies wordt onderzocht in het MER.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
33
Projectgerelateerd
Figuur 3.8 Alternatief C (tiphoogte 210 meter)
Figuur 3.9 Alternatief C (tiphoogte 210 meter) inclusief belemmeringen
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
34
Projectgerelateerd
Alternatief D Alternatief D betreft het alternatief met de grootste windturbines, namelijk met een tiphoogte van 252 meter. Het alternatief betreft 2 windturbines die beiden zijn geplaatst op gronden aan de Isotopenweg (zie Figuur 3.10). Er zijn geen andere geschikte locaties gevonden. Aandachtspunt voor dit alternatief is dat de meest oostelijke turbine binnen twee keer tiphoogte afstand van woningen valt en dus niet voldoet aan de mogelijke toetsingsafstand. Of dit alternatief aan de normen kan voldoen hangt af van welke normen landelijk worden vastgesteld.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
35
Projectgerelateerd
Figuur 3.10 Alternatief D (tiphoogte 252 meter)
Figuur 3.11 Alternatief D (tiphoogte 252 meter) inclusief belemmeringen
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
36
Projectgerelateerd
3.4
Referentiesituatie en autonome ontwikkelingen
De referentiesituatie is de huidige situatie met de autonome ontwikkeling. Onder 'autonome ontwikkeling' wordt verstaan: de toekomstige ontwikkeling van het milieu, zonder dat de voorgenomen activiteit of één van de alternatieven wordt gerealiseerd. In de autonome situatie wordt de ontwikkeling van het projectgebied beschreven volgens vastgesteld of voorgenomen beleid, maar zonder realisatie van de windturbines. Rekening wordt gehouden met plannen en projecten waarover al concrete besluitvorming heeft plaatsgevonden of wordt verwacht voorafgaand aan besluitvorming over het initiatief. Deze situatie dient als referentiekader voor de effectbeschrijving. Autonome ontwikkelingen worden betrokken bij de effectbeoordeling om het gecombineerde (cumulatieve) effect te kunnen beoordelen, bijvoorbeeld voor de effecten op de leefomgeving (geluid/slagschaduw) of op ecologische waarden. De autonome ontwikkelingen die worden meegenomen in de mer staan omschreven in Paragraaf 4.3.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
37
Projectgerelateerd
4
Onderzoek naar mogelijke milieueffecten
4.1
Inleiding
4.1.1
Beoordeling
In het MER worden de milieueffecten van de alternatieven, zowel positief als negatief, beschreven en beoordeeld. Het MER omvat verder alle inhoudelijk onderdelen die wettelijk vereist zijn, waarbij onder andere aandacht wordt besteed aan leemten in kennis. Ook wordt in het MER een aanzet gegeven voor het wettelijke verplichte evaluatieprogramma. Om de effecten van de alternatieven per aspect te kunnen vergelijken, worden deze op basis van een + / score beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Hiervoor wordt de beoordelingsschaal uit Tabel 4.1 gehanteerd. Tabel 4.1 Beoordelingsschaal Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie (nulalternatief)
--
Het voornemen leidt tot een sterk merkbare negatieve verandering
-
Het voornemen leidt tot een merkbare negatieve verandering
0
Het voornemen onderscheidt zich niet van de referentiesituatie (nulalternatief)
+
Het voornemen leidt tot een merkbare positieve verandering
++
Het voornemen leidt tot een sterk merkbare positieve verandering van het milieu
4.2
Milieueffectenbeoordeling bij de inrichtingsalternatieven
In het MER zullen de (milieu)effecten van de inrichtingsalternatieven van het windpark in beeld worden gebracht. De effecten worden per aspect beschreven aan de hand van beoordelingscriteria. Soms is dit een harde voorwaarde die door de overheid is aangewezen als een norm (getal). Vaak zijn deze voorwaarden echter niet zo duidelijk omschreven. Deze moeten dan worden herleid uit het voorgenomen beleid over de verschillende milieuaspecten. In Tabel 4.2 is per milieuaspect aangegeven welke criteria worden gebruikt en de wijze waarop de effecten worden beschreven en beoordeeld (kwantitatief en/of kwalitatief). In deze paragraaf zijn daarna de aspecten nader uitgewerkt. Het MER zal voor de betreffende thema’s ook het relevante beleidskader schetsen. De volgende milieuaspecten worden meegenomen in het MER. Hierbij speelt voor de milieuaspecten geluid, slagschaduw en externe veiligheid de uitspraak uit 2021 van de Raad van State (zie Kader 4.1).
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
38
Projectgerelateerd
Tabel 4.2 Beoordelingscriteria per milieuaspect Aspecten
Beoordelingscriteria •
Geluid • • • •
Slagschaduw
•
•
Kwantitatief
Laagfrequent geluid kwalitatief
Het aantal slagschaduwgevoelige objecten binnen een slagschaduwduurcontour (van nagenoeg 0, 6 en 16 uur zonder mitigatie): o De cumulatief verwachte slagschaduwduur (aantal uur slagschaduw dat totaal optreedt op slagschaduwgevoelige objecten, zonder mitigatie); o De benodigde stilstand om de slagschaduwbelasting te reduceren naar een tweetal niveaus: nagenoeg 015 en 6 uur per jaar. Overige relevante objecten zoals kantoren binnen een slagschaduwduurcontour (van nagenoeg 0, 6 en 16 uur zonder mitigatie): o De cumulatief verwachte slagschaduwduur (aantal uur slagschaduw dat totaal optreedt op deze objecten, zonder mitigatie). De benodigde stilstand om de slagschaduwbelasting te reduceren naar een tweetal niveaus: nagenoeg 0 en 6 uur per jaar.
Kwantitatief
•
Effect van windturbines op gezondheid.
Kwalitatief
Natuur
• • • • • •
Oprichting: effect op beschermde gebieden; Exploitatie: effect op beschermde gebieden; Oprichting: effect op beschermde soorten (inclusief Utrechtse soortenlijst); Exploitatie: effect op beschermde soorten (inclusief Utrechtse soortenlijst); Afstand en invloed op NNN-gebieden; Totaal oppervlak aan groenverlies.
Kwantitatief en kwalitatief
Cultuurhistorie en archeologie
• •
Aantasting archeologische waarden; Aantasting overige cultuurhistorische waarden.
Kwalitatief
•
Het effect op de ruimtelijke kenmerken van het stedelijk landschap en de landschappen rond het plangebied; Het effect op de maat, schaal en inrichting in het stedelijk landschap en de landschappen rond het plangebied; De visuele interferentie met een nabijgelegen windturbine of windturbines; De visuele interferentie met hoogbouw; De cultuurhistorische achtergrond en waarden van het landschap; De beleving van de windturbine of het windturbinepark in het stedelijk landschap op verschillende schaalniveaus, waaronder: o Impact op landschappelijke structuur Lage Weide; o Impact op stedelijk gebied waaronder woongebieden en relatie met (bestaande en geplande) hoogbouw; o Zichtbaarheid, onder meer vanuit cultuurhistorisch waardevolle landschappen en gebieden binnen en buiten de gemeentegrens. Obstakelverlichting.
Kwalitatief
Landschap
• • • •
•
15
Aantal geluidgevoelige objecten (zoals woningen van derden14) binnen de geluidscontour per 1 dB-klasse aflopend van 50 tot 37 dB Lden: o De benodigde mitigatie om te kunnen voldoen aan de normwaarden 43/45/47 dB Lden en 37/39/41 Lnight Het potentieel aantal (ernstig) gehinderden; Laagfrequent geluid (kwalitatief); Cumulatieve geluidbelasting met andere geluidbronnen.
Windturbines en gezondheid
•
14
Effectbeoordeling
Woningen van derden zijn woningen die niet behoren tot de inrichting van het windpark. In de praktijk is 0-uur per jaar niet mogelijk, omdat een windturbine tijd nodig heeft om af te schakelen. Dit betekent dat een maximale reductie tot 0,5 uur per jaar wordt aangehouden waar gesproken wordt over nagenoeg 0.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
39
Projectgerelateerd
Aspecten
Beoordelingscriteria
Effectbeoordeling
Waterhuishouding en bodem
• • •
Watersysteem (waterkwantiteit en waterkwaliteit); Watergangen (bereikbaarheid voor het beheer en onderhoud); Bodemkwaliteit.
Kwalitatief
Externe Veiligheid
• • • • • •
Bebouwing; Wegen, waterwegen en spoorwegen; Industrie en inrichtingen; Transportleidingen en hoogspanningsleidingen; Dijklichamen en waterkeringen; Ijsworprisico.
Kwantitatief (aantal objecten binnen de toetsingsafstand)
• • • • • •
Huidige functies; Straalpaden; Vliegverkeer en radar; Laagvliegroutes; Recreatie; Toetsingsafstand (Het aantal geluid- en slagschaduwgevoelige objecten binnen een afstand van tweemaal de tiphoogte van de windturbines).
Kwalitatief
• • • • • • •
Opbrengst; CO2-emissiereductie; SO2-emissiereductie; NOx-emissiereductie; PM10 (fijnstof); PM2,5 (indien gegevens beschikbaar); Effecten op gezondheid (vermeden emissies) .
Ruimtegebruik
Duurzame energieopbrengst en vermeden emissies
Kwantitatief, resp. in MWh, en Kton
Extra beoordelingscriteria omgevingsaspecten De gemeente Utrecht heeft kenbaar gemaakt dat het bedrijventerrein Lage Weide een groot aantal strategische belangen kent. Deze strategische belangen worden gevoed door stedelijke en sociale kenmerken van het gebied, die voortkomen uit gemeentelijke beleidsopgaven. Deze omgevingsaspecten zijn anders dan de milieuaspecten die normaliter worden onderzocht in een MER. Vanuit de MERsystematiek is het belangrijk om een onderscheid te maken in milieuaspecten die in een zelfstandig leesbaar en herkenbaar MER horen en overige aspecten die een rol kunnen spelen in de uiteindelijke afweging en besluitvorming. Het MER is immers een juridisch instrument om het milieubelang een volwaardige rol te laten spelen in de afweging tot een besluit. Om deze volwaardige rol van het milieubelang goed navolgbaar te houden, is besloten om een separaat document op te stellen waarin deze aspecten worden geïntroduceerd. Deze aspecten voor het project Lage Weide worden voor de NRD en het op te stellen MER dan ook ‘omgevingsaspecten’ genoemd. In Bijlage 1 is per extra aspect aangegeven welke criteria worden gebruikt en de wijze waarop de effecten worden beschreven en beoordeeld (kwantitatief en/of kwalitatief).
Ontwerpnormen windturbines op land Windturbines kunnen een hinderlijk effect veroorzaken op de leefomgeving in de vorm van geluidbelasting en slagschaduwduur. Voorheen golden op landelijk niveau normen op grond van het Activiteitenbesluit. Deze mogen voor een windpark van de omvang (2 tot 8 turbines) van Windpark Lage Weide (drie of meer windturbines) niet meer worden toegepast omdat het Rijk bij de totstandkoming van deze normen niet een volgens Europees recht vereiste plan-MER had doorlopen op basis van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State over Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (zie Kader 4.1).
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
40
Projectgerelateerd
De uitspraak betrof daarmee niet de hoogte of het type van de betreffende normen. De uitspraak had alleen betrekking op windparken, zijnde drie windturbines of meer. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Voor één of twee windturbines, niet zijnde een windpark, gelden vanaf 1 januari 2024 de windturbinebepalingen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en regels die via de bruidsschat in het gemeentelijk omgevingsplan terecht zijn gekomen. In oktober 2023 is het Ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving met bijbehorend planMER gepubliceerd met daarin het voorstel voor een nieuw ontwerp windturbinebepalingen. Tot op heden zijn er nog geen landelijke windturbinebepalingen vastgesteld en onduidelijk is of ze in de voorgestelde vorm worden vastgesteld.Tot vaststelling van nieuwe normen geldt dat voor drie windturbines of meer er locatiespecifieke of projectspecifieke normen gesteld kunnen worden. Voor de te toetsen normwaarden voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid wordt wel aangesloten bij wat er in de ontwerp windturbinebepalingen staat, maar ook wat er in rechtspraak over locatiespecifieke normen is gesteld. Kader 4.1 Toelichting uitspraak Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding
Op 30 juni 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ABRvS) een uitspraak gedaan in de zaak Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (DZU) over – samengevat – de vraag of voor het vastleggen van milieunormen voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer een plan-MER-plicht bestaat op grond van de Europese SMB-richtlijn (ECLI:NL:RVS:2021:1395). De Afdeling is in die uitspraak tot het oordeel gekomen dat op grond van het Europese recht inderdaad een dergelijke beoordeling moet worden gemaakt van de gevolgen voor het milieu. Die beoordeling zal in eerste instantie door het Rijk worden opgesteld. Voor nieuwe windparken betekent de uitspraak: 1
Wachten tot dat de windturbineregels zijn ‘be-MERd’ en hier op aansluiten met het project, of;
2
In te zetten op de mogelijkheid om voor een project eigen normen te stellen die voor dát specifieke project onderbouwd dienen te worden en voorzien moeten zijn van een (1) actuele, (2) deugdelijke, (3) op zichzelf staande, en (4) op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering.
4.2.1
Geluid
In het Ontwerpbesluit windturbinebepalingen wordt voor geluid een nieuwe standaardwaarde 45 dB Lden en 39 dB Lnight geïntroduceerd16. Van deze standaardwaarde mag naar boven worden afgeweken tot de grenswaarde 47 dB Lden en 41 dB Lnight en naar beneden, maar enkel op grond van cumulatie of bijzondere lokale omstandigheden. In het MER worden de geluidseffecten kwantitatief vastgesteld op basis van de voorbeeldopstellingen van windturbines per alternatief. Hiervoor wordt de ligging van de geluidscontouren per 1 dB-klasse, aflopend van 50 dB Lden tot 37 dB Lden17, bepaald (zie Figuur 4.1). Vervolgens wordt het aantal geluidgevoelige objecten (woningen van derden) binnen deze contouren in beeld gebracht. Naast het aantal geluidgevoelige objecten wordt het mogelijke aantal (ernstig) gehinderden18 per alternatief berekend.
16
17
18
De Lden (Engels: Level day-evening-night) is een maat van geluidbelasting. Hierbij vindt een weging plaats van de momenten waarop geluidbelasting optreedt; de geluidsproductie tijdens de avond en nacht wordt zwaarder meegewogen dan het geluid overdag. In Nederland werd tevens getoetst aan Lnight om verstoring van nachtrust te voorkomen. Dit betreft een range die wordt begrensd door enerzijds een maximale waarde die, bij het aanhouden van een minimale afstand van 400 meter tot een geluidgevoelig object, een windpark zonder mitigatie op de gevel van een gevoelig object 50 dB L den mogelijk kan veroorzaken en anderzijds de geluidbelasting waarbij 1% van de mensen binnenshuis nog hinder ervaart (37 dB Lden). Het aantal gehinderden door geluid wordt vastgesteld met behulp van de rapportage van TNO, Hinder door geluid van windturbines – dosis-effectrelaties (2008), waarbij op basis van het gemiddeld aantal personen per adres (CBS) en het aantal adressen kan worden bepaald hoeveel (ernstig) gehinderden mogen worden verwacht als gevolg van de realisatie van het windpark.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
41
Projectgerelateerd
Vervolgens wordt voor drie verschillende geluidbelastingniveaus op representatieve toetspunten inzichtelijk gemaakt welke mitigerende maatregelen nodig zijn om aan de betreffende geluidsniveaus te kunnen voldoen. Hierbij wordt aangesloten bij de ontwerpwindturbinebepalingen voor windturbines op land (normwaarden 47 en 45 dB Lden), maar wordt ook de normwaarde van 43 dB Lden onderzocht. De initiatiefnemers willen ook in beeld brengen wat een strengere geluidsnorm voor invloed heeft op het project en de omgeving. Figuur 4.1 Schematische weergave beoordeling geluid
Ook wordt de cumulatieve geluidbelasting in de omgeving van het projectgebied van industriële activiteiten, de (hoofd)wegen en eventuele andere relevante bronnen bepaald en geven we aan wat de akoestische kwaliteit van de omgeving is voor en na toevoeging van de windturbines in Windpark Lage Weide. De methode die we hierbij gebruiken voor de beoordeling van de akoestische kwaliteit is de zogenaamde Miedema-methode. In het onderzoek zal nader worden ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten. De geluidbelasting van specifiek laagfrequent geluid van de windturbines zal, door middel van verwijzing naar literatuur en recente rechtspraak ook aandacht krijgen in het MER. Indien gedurende het mer-traject aanpassingen in de ontwerpnormen worden gedaan (of verwacht worden) zullen deze in het MER worden meegenomen. Indien de vergunning wordt aangevraagd voordat de nieuwe normen van kracht worden zal het bevoegd gezag een gemotiveerde (zie Kader 4.1) projectspecifieke geluidnorm vaststellen, waarbij het bevoegd gezag van mening is dat sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit MER kan hiervoor als bouwsteen worden gebruikt.
4.2.2
Slagschaduw
In het MER wordt de slagschaduwduur kwantitatief vastgesteld door voor een voorbeeldopstelling per alternatief de slagschaduwduurcontouren (zonder mitigatie) te bepalen (zie Figuur 4.2). Ook hier wordt aangesloten op de ontwerpwindturbinebepalingen, waarin geldt dat niet meer dan 6 uur per jaar en 20 minuten per dag slagschaduw mag worden veroorzaakt op slagschaduwgevoelige objecten (woningen, scholen, zorginstellingen). Ten behoeve van het MER zal per opstellingsvariant de slagschaduwcontouren
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
42
Projectgerelateerd
voor nagenoeg 0, 6 en 16 uur per jaar worden bepaald. Hoewel de toegestane slagschaduwduur maximaal 6 uur per jaar bedraagt, wordt ook de in milieuonderzoeken vaak aangehouden contour van 16 uur per jaar in beeld gebracht. Hiermee wordt de gradatie in de hoeveelheid slagschaduw in het gebied duidelijk in beeld gebracht. Vervolgens wordt per opstellingsvariant de cumulatief verwachte slagschaduwduur berekend (aantal uur slagschaduw dat totaal optreedt op slagschaduwgevoelige objecten, zonder mitigatie). Figuur 4.2 Schematische weergave beoordeling slagschaduw
In het MER wordt vervolgens per alternatief de benodigde stilstand berekend om de slagschaduwbelasting te reduceren naar een tweetal normwaarden: nagenoeg 0 en 6 uur per jaar. Uiteraard wordt in het specialistisch onderzoek aandacht besteed aan de uitgangspunten van de kwantitatieve berekeningen. Ook voor slagschaduw geldt dat (te verwachten) wijzigingen in de ontwerpwindturbinebepalingen worden meegenomen en dat het bevoegd gezag bij een vergunningaanvraag voor inwerkingtreding van de nieuwe normen locatie- of projectspecifieke normen vast kan stellen. De ontwerpnormen voor slagschaduw gelden enkel voor slagschaduwgevoelige objecten (woningen, scholen, zorginstellingen). Hier worden toetspunten voor opgenomen die worden onderzocht in het MER. Mogelijk zijn er in het gebied ook andere panden of locaties aanwezig waar slagschaduw weliswaar wettelijk is toegestaan, maar waar deze wel hinder kan veroorzaken, zoals in een kantoorpand of op een recreatielocatie. In het MER zal daarom voor overige relevante locaties/objecten de slagschaduwduur in beeld worden gebracht.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
43
Projectgerelateerd
4.2.3
Windturbines en gezondheid
Verscheidene wetenschappelijke studies in de periode 2017-2020, samengevat door het RIVM19, tonen geen significante relatie tussen nadelige gezondheidseffecten, zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen en cognitieve effecten, en windturbinegeluid. Bovendien volgt uit recente wetenschappelijke bronnen dat er geen conclusies kunnen worden getrokken over de samenhang van het geluidsniveau van windturbinegeluid en slaapverstoring. Wel veroorzaken windturbines soms hinder (geluid, zicht, gevoel van onrechtvaardigheid). Het is hierbij niet zo dat het aandeel laagfrequent geluid van windturbines voor andere hinder zorgt dan ‘gewoon’ geluid. Hinder kan zich uiten in irritatie, boosheid en onbehagen. Zodoende is hinder soms dus een factor van stress die op lange termijn kan leiden tot indirecte gezondheidsklachten. De mate waarin personen hinder ervaren, verschilt echter van persoon tot persoon. Een belangrijke factor die bepaalt of personen hinder ervaren is bijvoorbeeld of personen betrokken worden bij de besluitvorming van de plannen en de gang van zaken rond plaatsing van de turbines en of zij economische voordelen genieten door de komst van de windturbine. Om mensen te beschermen tegen onaanvaardbare hinder moeten exploitanten van windparken voldoen aan wettelijke normen.
Zoals eerder besproken worden een aantal normwaarden voor geluid en slagschaduw als uitgangspunt voor de effectbeoordeling in het MER gehanteerd. Deze normen hebben onder andere het doel om mensen te beschermen tegen onaanvaardbare hinder. Het aspect gezondheid is daarmee impliciet onderdeel van het MER bij de onderwerpen geluid en slagschaduw. Daarnaast wordt in het MER ook expliciet stilgestaan bij het onderwerp ‘windturbines en gezondheid’. Hiervoor wordt een actuele wetenschappelijke beschouwing opgesteld ten aanzien van windturbines en de eventuele gevolgen van windturbines op de gezondheid. Ook wordt in het MER stilgestaan bij een rapport van het RIVM waarin de gezondheidseffecten en -risico’s van het Klimaatakkoord worden afgewogen. Het Klimaatakkoord beschrijft op welke wijze de beoogde reductie van de CO2-uitstoot kan worden bereikt. Windturbines en windenergie zijn hier een onderdeel van. Het rapport concludeert onder andere dat de impact van de meeste maatregelen uit het Klimaatakkoord beperkt zullen zijn. Overige aspecten, die ook vaak in het kader van windprojecten worden benoemd in relatie tot gezondheid – zoals trillingen, BPA, PFAS, neodynium en fijnstof – worden ook kwalitatief besproken in het hoofdstuk gezondheid.
4.2.4
Natuur
Het effect van windturbines ligt met name in de potentiële verstoring van soorten of het optreden van aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen. Deze effecten kunnen beperkt of vermeden worden door een goede locatiekeuze binnen het projectgebied, de windturbineafmetingen en de inzet van eventuele maatregelen zoals een gerichte stilstandvoorziening of eventueel een detectiesysteem. De alternatieven worden getoetst op zowel het niveau van gebieds- als soortenbescherming en zowel in de exploitatie als oprichtingsfase.
19
RIVM (2020). Health effects related to wind turbine sound: an update.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
44
Projectgerelateerd
Figuur 4.3 Natuur
4.2.4.1 Gebiedsbescherming – Natura 2000 De Omgevingswet bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn, die zijn vertaald in de Omgevingswet. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat significante effecten op de instandhoudingsdoelen voor de betreffende gebieden en het functioneren van het gebied niet mogen optreden. Van significante effecten is sprake als het behalen van een instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied in gevaar kan komen. Hierbij wordt ook gekeken naar externe werking (projecten buiten het Natura 2000-gebied die effect hebben op doelen van nabijgelegen gebieden) en cumulatie (in samenhang met de effecten van andere plannen en projecten). De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn het gebied Oostelijke Vechtplassen op 2,4 km, het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck op 12,7km en het gebied Uiterwaarden Lek op 13,8 km. Windturbines nabij Natura 2000-gebieden kunnen een effect op de instandhoudingsdoelstelling hebben.
De natuurtoets (ook natuurwaardenonderzoek genoemd) moet in dat geval uitwijzen in hoeverre een overtreding van de gebiedsbescherming optreedt zowel in de aanleg- als de gebruiksfase van de alternatieven als ook in cumulatie met andere projecten.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
45
Projectgerelateerd
Het is mogelijk dat in de natuurtoets ten behoeve van het MER wordt geconcludeerd dat belangrijke negatieve effecten van het geplande windproject op beschermde gebieden niet zijn uit te sluiten. In de vergunningenprocedure kan dan een aanvullend onderzoek (een passende beoordeling) nodig zijn ter onderbouwing van een aanvraag vergunning Natura 2000 activiteit. In een Passende Beoordeling wordt onderzocht in hoeverre de ontwikkeling van windenergie al dan niet leidt tot significant negatieve effecten op de instandhouding van soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. De passende beoordeling wordt voor het voorkeursalternatief uitgevoerd. Stikstof Tijdens de aanleg van een windpark zal sprake zijn van emissie van schadelijke stoffen naar lucht, water en bodem doordat gebruik wordt gemaakt van o.a. kraanwagens, graafmachines en vrachtwagens. Uit een AERIUS-berekening zal moeten blijken of de emissies leiden tot een bijdrage aan de depositie op voor stikstof gevoelige beschermde habitattypen in Natura 2000-gebieden. De omvang en aard van de werkzaamheden, het in te zetten materieel (wel of niet elektrisch) en de afstand tot Natura 2000-gebieden bepalen of er sprake is van een projectbijdrage aan de depositie op gevoelige habitattypen.
De verwachting is dat de tijdelijke uitstoot van stikstof als gevolg van de bouwwerkzaamheden niet onderscheidend is voor de verschillende alternatieven. Deze wordt daarom niet apart meegenomen in de beoordeling. Stikstofberekeningen voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het project wordt buiten het MER uitgevoerd.
4.2.4.2 Gebiedsbescherming – Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het Rijk en de provincies hebben afspraken gemaakt over de planologische en kwalitatieve bescherming van de NNN. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit houdt in dat ingrepen waarbij de oppervlakte of de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN significant worden aangetast, niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt geen externe werking, maar een ontwikkeling kan wel effect hebben op NNN. Binnen en direct buiten het projectgebied zijn geen locaties aangewezen als NNN. Toetsing van de alternatieven in het MER is op dit punt dus niet relevant. Wel wordt in het kader van soortenbescherming het effect van de alternatieven op individuele soorten in het gebied in beeld gebracht.
4.2.4.3 Gebiedsbescherming – Overige (beschermde) gebieden Het projectgebied is niet aangewezen als beschermd provinciaal weidevogelgebied of anderszins als een (beschermd) natuurgebied. Toetsing van de alternatieven in het MER is op dit punt dus niet relevant. Wel wordt in het kader van soortenbescherming het effect van de alternatieven op individuele soorten in het gebied in beeld gebracht.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
46
Projectgerelateerd
4.2.4.4 Soortenbescherming Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De bescherming van flora en faunasoorten is opgedeeld in twee beschermingscategorieën:
• Strikt beschermde soorten: o Soorten van de Vogelrichtlijn (paragraaf 11.2.2); o Soorten van de Habitatrichtlijn (paragraaf 11.2.3). •
Overige beschermde soorten:
o
Nationaal beschermde soorten (paragraaf 11.2.4).
Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te doden, vangen of plukken, en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is. Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijk invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het beschermingsregime van de overige (nationaal) beschermde soorten is voor elke soort gelijk. Specifiek veldwerk is veelal vereist om te kunnen beoordelen of er sprake kan zijn van een overtreding in het kader van de soortenbescherming van de Omgevingswet. In het MER zal een koppeling worden gemaakt in hoeverre de resultaten overeenkomen met soorten die staan opgenomen op de Utrechtse Soortenlijst. In de praktijk is de soortenbescherming (en met name vogels en vleermuizen) vrijwel altijd een aandachtspunt voor de verdere planvorming.
In de praktijk zijn veelal goede maatregelen te treffen om te kunnen voldoen aan de geldende wetgeving, door bijvoorbeeld de aanlegwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of om tijdens bepaalde tijden in het jaar tijdelijk stil te zetten, wanneer er hogere vleermuisactiviteit is te verwachten. Toetsing van de alternatieven met betrekking tot voorkomende soorten is relevant en zal daarom in het MER beoordeeld worden. Onderdelen waarop wordt getoetst is onder meer aanvaringsslachtoffers, barrièrewerking en effect op leefgebied, zowel in de aanlegfase als in de exploitatiefase.
4.2.5
Archeologie en overige cultuurhistorie
In het MER wordt onderzocht of er archeologische relicten in de bodem ter plaatse van de windturbines in het projectgebied aanwezig is, en welke maatregelen genomen kunnen worden om eventuele waarden te beschermen. Voor de beoordeling van het aspect archeologie wordt primair de gemeentelijke Archeologische Waarden-/Beleidskaart en provinciale Cultuurhistorische waardenkaart gebruikt. Uiteindelijk dient bepaald te worden in hoeverre windturbines in het projectgebied in conflict zijn of aansluiten bij het beleid en of archeologisch (voor)onderzoek nodig is. In het MER wordt aangegeven of maatregelen genomen dienen te worden om eventuele overige cultuurhistorische waarden (hierna: cultuurhistorische waarden) te beschermen. Voor het aspect cultuurhistorie wordt gebruikgemaakt van een kaart met cultuurhistorische waarden van de provincie Utrecht. Uiteindelijk dient bepaald te worden in hoeverre windturbines in het projectgebied in conflict zijn of aansluiten bij het beleid.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
47
Projectgerelateerd
4.2.6
Landschap
Voor het aspect landschap wordt in het MER aandacht besteed aan de landschappelijke effecten van de verschillende alternatieven. De inrichtingsalternatieven worden beoordeeld op hun landschappelijke effecten, mede op basis van een beschrijving van de bestaande situatie van die gebieden en de daar aanwezige landschappelijke karakteristieken op basis van de provinciale catalogus gebiedskenmerken. Het windpark bevindt zich binnen het stedelijk gebied van gemeente Utrecht. Om deze reden is er dan ook sprake van een stedelijk landschap. In de ontwerp Omgevingsverordening provincie Utrecht staat onder Artikel 7.11 opgenomen dat er vijf gebieden zijn te onderscheiden die als landschap geduid worden (zie Figuur 4.4), namelijk:
• het Landschap Eemland; • het Landschap Gelderse Vallei; • het Landschap Groene Hart; • het Landschap Rivierengebied Kromme Rijngebied en Schalkwijk; • het Landschap Utrechtse Heuvelrug. In de conceptverordening staat opgenomen dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen een landschap regels moet opnemen om de kernkwaliteiten te beschermen. Het projectgebied van windpark Lage Weide ligt echter binnen stedelijk gebied, en valt dus niet binnen één van deze landschappen. Figuur 4.4 Landschapstypen provincie Utrecht uit de Ontwerp Omgevingsvisie
Bron: Ontwerp wijziging Omgevingsvisie provincie Utrecht.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
48
Projectgerelateerd
Voor de inrichtingsalternatieven worden zowel de invloed van de opstellingsvarianten op het stedelijk landschap beschreven (op meerdere schaalniveaus) als de kenmerken en kwaliteiten van die opstellingsvarianten zelf. Ook wordt de invloed op de waarneming van de opstellingsvarianten beschreven. De veranderingen, die de plaatsing van windturbines met zich meebrengt, worden onder meer met visualisaties vanuit verschillende posities en standpunten in beeld gebracht. Daarnaast wordt gekeken naar de beleving van het windturbinepark in het stedelijk landschap, waaronder mogelijke toepassing obstakelverlichting.
4.2.7
Waterhuishouding en bodemkwaliteit
Voor het windpark worden enkele verhardingen aangebracht die effect op de waterhuishouding kunnen hebben, te weten bouw- en onderhoudswegen, opstelplaatsen voor bouw en onderhoud, fundering van de windturbines en schakel- en/of inkoopstations. De waterhuishouding wordt in het MER beoordeeld op grondwater, oppervlaktewater en hemelwaterafvoer. Voor het aspect bodemkwaliteit wordt bekeken of de locatie verdacht is van bodemverontreiniging. Hiervoor wordt het provinciale en gemeentelijk bodemarchief geraadpleegd.
4.2.8
Externe veiligheid
Om de veiligheid van de omgeving van het windpark te kunnen garanderen wordt onderzocht welke veiligheidseffecten het plaatsen en in werking hebben van windturbines heeft op de omgeving. Het MER beschrijft hoe de veiligheid van omwonenden, verkeersdeelnemers en van personen die in de onmiddellijke omgeving werken gewaarborgd is of kan worden. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de ligging van panden en infrastructurele netwerken. Om de veiligheid van de omgeving van het windpark te kunnen garanderen wordt onderzocht welke veiligheidseffecten het plaatsen en in werking hebben van windturbines heeft op de omgeving. In de ontwerpwindturbinebepalingen zijn voor de directe en indirecte risico’s (domino-effecten) risiconormen gesteld:
• Een normwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar voor beperkte kwetsbare en (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties.
• Een grensnormwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) van 10-5 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. In het MER het Windpark Lage Weide wordt uitgegaan van de afwijkingsmogelijkheid voor beperkt kwetsbare objecten, de uitwijkingsmogelijkheid betreft PR 10-5. Het projectgebied betreft een bedrijventerrein waar enkele panden staan voor industriële functies. Door uit te gaan van de PR 10-6 worden de mogelijkheden significant beperkt, om deze reden wordt er gebruikgemaakt van de afwijkingsmogelijkheid van PR 10-5. Er wordt vervolgens bepaald hoeveel (beperkt) kwetsbare objecten binnen deze contour komen te liggen. Onder de ontwerpwindturbinebepalingen is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de PR 10 -6-norm voor beperkt kwetsbare objecten en hierbij een waarde van PR 10-5 aan te houden. Zowel de PR10-6 als PR 10-5-contouren van de windturbines worden bepaald.
4 maart 2026
NRD LAGE WEIDE
PR9405-HK-RP-0001
49
Projectgerelateerd
4.2.9
Ruimtegebruik
In dit hoofdstuk worden eventuele effecten op straalpaden, (defensie)radarinstallaties, luchtvaart en laagvliegroutes meegenomen. Op basis van het Bkl gelden onder meer instructieregels voor (defensie) radartoetsing. Ter plaatse gelden meerdere ‘CNS-bouwhoogtebeperkingen’. Daarnaast is er aandacht voor de huidige gebruiksfuncties van het projectgebied en de omgeving, zoals industrie en recreatieve functies. Toetsingsafstand Binnen dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op de toetsingsafstand van tweemaal de tiphoogte uit de ontwerp windturbinebepalingen. In de ontwerpwindturbinebepalingen is naast een norm op het gebied van geluid en slagschaduw ook een generieke toetsingsafstand (ook bekend als ‘afstandsnorm’) voor de plaatsing van windturbines opgenomen. Volgens deze ontwerpnorm dient tweemaal de tiphoogte afstand te worden aangehouden door de windturbine tot geluid- en slagschaduwgevoelige objecten. De ontwerpnormen bieden ook ruimte hier onder specifieke voorwaarden van af te wijken. Voor het MER wordt het aantal gevoelige objecten binnen een afstand van 2 maal de tiphoogte bepaald. Waar hinder als gevolg van geluid en slagschaduw (eenvoudig) te mitigeren is (stille modus, stilstandvoorziening), is dit niet mogelijk bij een harde toetsingsafstand. Er kan niet worden gemitigeerd, maar wel van de norm worden afgeweken zoals eerder benoemd.
Om te onderzoeken of de toetsingsafstand voor één of meer gevoelige objecten overschreden wordt zullen wij daarom het aantal gevoelige objecten binnen twee keer tiphoogte-afstand in kaart brengen. Wederom geldt dat mogelijke wijzigingen in de ontwerpwindturbinebepalingen worden meegenomen en dat het bevoegd gezag bij een vergunningaanvraag voor inwerkingtreding van de nieuwe windturbinebepalingen locatie- of projectspecifieke normen vast kan stellen.
4.2.10 Duurzame elektriciteitsopbrengst en vermeden emissies De belangrijkste reden om windinitiatieven te realiseren is het opwekken van duurzame elektriciteit en daarmee het vermijden van emissies. Van de alternatieven wordt daarom in het MER berekend hoeveel elektriciteit kan worden opgewekt, uitgaande van het aantal te plaatsen windturbines dat per alternatief te plaatsen is. Ook wordt bepaald welke uitstoot van schadelijke stoffen vermeden wordt, in vergelijking met de situatie dat dezelfde hoeveelheid elektriciteit wordt opgewekt op conventionele wijze, zoals verbranding van steenkool en aardgas. Het gaat daarbij om de vermeden uitstoot van CO 2, NOx en SO2. De reductie wordt berekend aan de hand van het gemiddelde gebruik van brandstoffen bij elektriciteitscentrales (voornamelijk gas). Hierbij worden de volgende kengetallen gehanteerd: 63,5 kg CO2/GJ20, 0,06 kg NOX/GJ en 0,02 kg SO2/GJ (ECN-C--05-090). Voor het rendement van elektriciteitscentrales wordt uitgegaan van 44,9%21. Er zal ook aandacht zijn voor de gemiddelde energetische terugverdientijd van windturbines.