Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop
Tekst van het document
79
De Utrechtse wijken krijgen meer een mix van woonsegmenten waar sociale huur tot duurdere koopwoningen zijn te vinden. Doorstroming; Gemengde projecten, verhuisketens en toename van kwalitatief goede woningen in de middencategorie zorgen voor een betere doorstroming. Een (t)huis voor iedereen; We streven naar een passend woningaanbod binnen een redelijke termijn voor alles (toekomstige) inwoners van Utrecht, ook voor de mensen die daar (tijdelijk) zelf niet in kunnen voorzien. Duurzaamheid en toekomstbestendigheid; We bouwen aan een duurzamere woningvoorraad en richten ons op thema's als energieneutraliteit en terugdringing gasaansluitingen. Plangebied Uit de Woonvisie Utrecht volgen geen relevante kaders voor het plangebied. Daarnaast wordt het bestemmingsplan dusdanig opgesteld dat de (eventuele) woningbouwontwikkeling in lijn met scenario Klein Rijnenburg doorgang kan vinden. 2.3.2.2.2 Natuur GroenstructuurplanUtrecht 'Stad en land verbonden' en 'Actualisatie van Groenstructuurplan Utrecht' De gemeente Utrecht wil het groen in de stad voor iedereen bereikbaar houden en de kwaliteit verbeteren. Grote groengebieden en belangrijke groene verbindingen wil de gemeente verder ontwikkelen, verbeteren en beschermen. Groen maakt een stad leefbaar, mooi en het is goed voor het milieu.
Woont u in Utrecht? Dan willen we bijvoorbeeld dat u een mooie fietstocht kunt maken langs een groene route. Of dat u kunt ontspannen in een mooi park. Veel groen is ook aantrekkelijk voor bezoekers van de stad. In het groenstructuurplan Utrecht Stad en land verbonden is dit verwoord in 3 ambities: meer groen om de stad sneller naar buiten beter groen in de stad Het groenstructuurplan van 2007 is bijgewerkt in de actualisatie groenstructuurplan Utrecht 2017–2030. Naast de 3 ambities ligt de nadruk meer op hoe we groen inzetten voor de gezonde stad. En hoe groen ons helpt om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Dit plan is op 8 maart 2018 door de gemeenteraad vastgesteld. De groei van de stad vraagt om het vastleggen van de plekken die we groen willen houden in en om de stad, zodat bij ontwikkelingen daar rekening mee gehouden kan worden en het groen zoveel mogelijk beschermd kan worden. Daarnaast vraagt de groei van het aantal inwoners in de stad om ontwikkeling van nieuw groen, goede recreatieve en groene verbindingen en het verbeteren van bestaand groen. De groengebieden die we extra beschermen zijn geselecteerd op basis van ecologische, landschappelijke, recreatieve of cultuurhistorische kwaliteiten. Deze gebieden staan aangegeven op de kaart in het groenstructuurplan.
Als in die gebieden plannen zijn waardoor groen verdwijnt, moet de gemeenteraad daar eerst over beslissen. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning toetst de gemeente concreet of deze in de groenstructuur ligt. Plangebied In de visie op de stedelijke groenstructuur Utrecht 2030 is het plangebied niet specifiek aangewezen. Een beperkt deel van het plangebied (een toegangsweg) is voorzien op de groenstructuur 'Uitbreiding op de groenstructuur van 2007'. Hiervoor dient gecompenseerd te worden (hiervoor is een planregel opgenomen, zie artikel 4.3.5). De wijze waarop is niet in regels of instructies gevat, maar betreft maatwerk welk in een groencompensatieplan is vastgelegd (bijlage 1 bij de planregels). Om een evenredige compensatie te realiseren is gezocht naar een locatie nabij de groenstructuur van voldoende grootte en met potentie om natuurwaarden te versterken. Het beoogde perceel waarop de compensatieopgave is voorzien, betreft het perceel waarop windturbinepositie 3 is voorzien. Het noordelijke gedeelte van het compensatiegebied grenst aan de primaire watergang Middelwetering en wordt ingericht als natuurvriendelijke oever met een flauw talud. Langs de tertiaire watergangen (noord-zuid) worden gebiedseigen bosschages/bosjes geplaatst. De rest van het gebied wordt ingezaaid met kruidenrijk grasland.
Dit alles ter bevordering van de kwaliteit van het leefgebied van de heikikker en de rugstreeppad. 8 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
Utrecht
Figuur 3 Uitsnede Visie Groenstructuur 2030. Toelichting op actualisatiekaart Visie Groenstructuurplan 2030
Bomenbeleid Utrecht (2009) aangevuld september 2018 De nota Bomenbeleid Utrecht is in 2009 vastgesteld. Hierop is een aanvulling gedaan op 27 september 2018 voor een herplantplicht. Een van de belangrijkste doelen van het Utrechtse bomenbeleid is een samenhangende bomenstructuur voor de stad te verbeteren en te ontwikkelen, gebaseerd op cultuurhistorische, ruimtelijke en ecologische uitgangspunten en milieu. Voor 2030 zet de gemeente in op het behoud en de ontwikkeling van de bomenstructuur. Dit zal gebeuren door twee beleidsdoelstellingen: Waar mogelijk ontbrekende bomen in de bomenstructuur aanvullen om zo een samenhangende structuur te creëren. Dat betekent bij de ruimtelijke plannen in de komende jaren bezien waar bomen kunnen worden toegevoegd om zo de bomenlanen en pleinen te completeren. De bomenstructuur verder verbeteren door extra zorg aan beheer en onderhoud te besteden. Dit kan resulteren in extra zorg bij aanplanting van bomen, bij groeiplaatsen van oudere bomen, bij de verzorging van de bomen in de jeugdfase en bij bomenziekten. Sinds 1 januari 2007 kennen alle gemeentelijke ruimtelijke plannen in de stad een bomenparagraaf. De bomenparagraaf biedt vanaf het begin en in alle fasen van een planproces de mogelijkheid een belangenafweging te maken over de gevolgen van een ruimtelijk plan voor bomen.
Plangebied Rondom het plangebied zijn bijzondere boomstructuren aanwezig, namelijk in de categorieën dijk, kade en ecologisch overig. Deze boomstructuren worden niet aangetast door het plan. Het bestemmingsplan is daarmee in lijn met dit bomenbeleid. In paragraaf 5.13 wordt nader ingegaan op de bomen binnen het plangebied. Figuur 4 Uitsnede bomenstructuurkaart Utrecht
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
81
Nota Utrechtse soortenlijst (2018) Op 7 juni 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Utrechtse soortenlijst vastgesteld, ter bescherming en stimulering van de voor Utrecht belangrijke plant- en diersoorten en daarmee ter bevordering van de biodiversiteit in de stad. Onder de bescherming vallen 5 vogelsoorten, 3 vissoorten, 6 soorten wilde bijen, 40 plantensoorten en 10 paddenstoelsoorten. De Utrechtse soortenlijst wordt meegewogen bij de voorbereiding van gemeentelijke ruimtelijke plannen. Bij een gebiedsontwikkeling waarbij de gemeente Utrecht initiatiefnemer is moet naar de aanwezigheid van deze Utrechtse soorten onderzoek worden gedaan. Bij gebiedsontwikkelingen van derden wordt dringend geadviseerd om de Utrechtse soortenlijst bij de onderzoeken te betrekken. Plangebied Binnen het plangebied komt voor de volgende soorten van de Nota Utrechtse soortenlijst (potentieel) leefgebied voor: bittervoorn, kleine modderkruiper en dotterbloem. Van de vogelsoorten opgenomen in de Nota Utrechtse soortenlijst kunnen de kleine karekiet, merel en tjiftjaf het plangebied passeren tijdens de seizoenstrek, maar deze soorten hebben geen binding met (de omgeving van) het plangebied. In paragraaf 5.7 wordt nader ingegaan op aanwezige soorten.
2.3.2.2.3 Bouwen Hoogbouwvisie 'Waar wel en waar niet hoog bouwen in Utrecht' (2005) De doelstelling van de hoogbouwvisie is het leveren van een toetsingskader voor hoogbouwplannen, door ten eerste na te gaan wat de mogelijke bijdrage is die hoogbouw kan leveren aan de ontwikkeling van Utrecht, en ten tweede door het geven van een visie op de meest (on)wenselijke locaties voor hoogbouw. Voor de hoogbouwvisie is gewerkt met de volgende vaststaande uitgangspunten: 8 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
Utrecht
hoogbouw wordt altijd in verhouding gezien met de omgeving; behoud van het kleinschalige karakter van stadswijken; de zichtlijnen op de Dom moeten behouden blijven; hoogbouw als middel om de stad beter zichtbaar en herkenbaar te maken. Utrecht wordt één stad met twee centra: het huidige centrum met stationsgebied en het toekomstige Centrum Leidsche Rijn. De kloof tussen de twee stadsdelen wordt in de toekomst gedicht door de zogeheten Centrale Zone, die ruwweg parallel loopt aan de A2 en het Amsterdam-Rijnkanaal. In het Wensbeeld 2030 is de stad opgedeeld in een drietal categorieën: a.
b.
c.
De Binnentuinen: deze categorie bevat een subcategorie “laag” met een basis van 9 meter en een subcategorie “hoog” met een basis van 15 meter, beiden met de mogelijkheid tot incidentele accenten tot (in principe) het dubbele van de omliggende bebouwingshoogte; De Centrale Zone: de basismaat bedraagt in dit gebied 15 of 30 meter. Er zijn accenten tot in het dubbele van de omliggende bebouwingshoogte mogelijk. In een beperkt zoekgebied, kunnen incidentele accenten van 60 tot 80 meter worden geplaatst; De Brandpunten: de maximale bouwhoogte bedraagt 90 meter, respectievelijk een niet gemaximaliseerde hoogte (Stationsgebied respectievelijk centrum Leidsche Rijn).
Plangebied In het Wensbeeld 2030 is het plangebied gelegen in de categorie Binnentuinen. Voor het plangebied is in het Wensbeeld 2030 daarmee een maximale hoogte van 15 meter opgenomen, met de mogelijkheid tot incidentele accenten tot (in principe) het dubbele van de omliggende bebouwingshoogte Een windturbine valt volgens de Hoogbouwvisie echter niet onder de definitie van 'hoogbouw'. Derhalve geldt de maximale hoogte uit het Wensbeeld 2030 niet voor het plan. Welstandsnota Utrecht 'De schoonheid van Utrecht' (2004) In de Welstandsnota Utrecht "De schoonheid van Utrecht", welke in juli 2004 is vastgesteld, is geformuleerd op welke wijze het welstandsbeleid van de gemeente Utrecht uitgevoerd zal worden. Dit betreft vanzelfsprekend de welstandstoetsing van vergunningplichtige bouwwerken en toetsing op basis van de loketcriteria. De nota, die verplicht is om welstandsbeleid te kunnen voeren, kent de volgende doelen: het plaatsen van de welstandsbeoordeling binnen een inhoudelijk, objectief kader waarmee de rechtszekerheid voor de initiatiefnemer wordt gediend; het verhogen van de kwaliteit van de welstandsadvisering; het vastleggen van efficiënte en transparante procedures voor de welstandszorg; het bieden van meer samenhang in het beleid dat zich richt op het uiterlijk van de stad.
Voor vergunningplichtige bouwwerken geldt het volgende: op basis van een gebiedsgerichte analyse per buurt of wijk worden in hoofdlijnen een ruimtelijke karakteristiek gegeven; ambities worden vertaald in beleidsniveaus per gebied; deze beleidsniveaus zijn: behoud, respect en open; de drie niveaus onderscheiden zich onderling in mate van vrijheid in omgaan met de bestaande structuur en architectuur; algemeen geldende beoordelingscriteria verschillen alleen per beleidsniveau en niet per gebied. Plangebied Het plangebied is aangeduid met het beleidsniveau 'respect': Essentiële eigenschappen van de aanwezige bebouwings- en omgevingskarakteristieken worden gerespecteerd. Dit betekent: samenhang en structuur van het stedelijke (en landelijke) beeld staat voorop; respect voor het kenmerkende bebouwingsbeeld met zijn architectonische verschijningsvorm; nieuwe interpretaties, veranderingen en transformaties zijn mogelijk. Ten zuiden van de Leidsche Rijn en de A12 ligt het buitengebied behorende bij Vleuten - De Meern: Rijnenburg. Het landschap wordt voornamelijk gekenmerkt door langgerekte verkaveling haaks op de snelweg (en daarmee ook haaks op de loop van de Leidsche Rijn) en de bebouwingslinten in overwegend oost-west richting.
De bebouwing in het buitengebied bestaat met name uit typische lintbebouwing waarbij de woningen of de hoofdgebouwen op het voorerf staan en de opstallen op het achtererf, uit het zicht vanaf het lint. Aan het (historische) dorpslint is een groot aantal monumenten gelegen waarvoor - vanzelfsprekend - een behoudend ambitieniveau geldt in het kader van welstand. Voor Rijnenburg-zuid zijn in het verleden plannen gemaakt voor een woonwijk met bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
83
een lage dichtheid, maar deze zijn voorlopig op de lange baan geschoven. In het kader van welstand wordt voor de monumenten, de historische (beeldbepalende) bebouwing en de archeologische monumenten behoud van de bestaande of oorspronkelijke situatie nagestreefd. Voor de historische dorpslinten geldt het beleidsniveau respect. Het plan doet geen afbreuk aan de aanwezige monumenten, de historische (beeldbepalende) bebouwing en de archeologische monumenten. Daarnaast merken wij op dat tijdelijke bouwwerken op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet aan de redelijke eisen van welstand worden getoetst. 2.3.2.2.4 Erfgoed en cultuurhistorie Archeologie De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een gebiedsaanduiding voor archeologie op te nemen in het bestemmingsplan Chw Algemene regels Utrecht en in de daarop volgende Chw bestemmingsplannen. In deze gebiedsaanduiding is opgenomen dat de voor archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Hiermee wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met regels in het bestemmingsplan.
Met de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Plangebied In paragraaf 5.9 van dit plan wordt verder ingegaan op de archeologie in het plangebied. 2.3.2.2.5 Gezond stedelijk leven Nota Gezondheid voor iedereen – VolksgezondheidsbeleidUtrecht 2019-2023 De ambitie van de nota is dat mensen op een prettige, gezonde manier in de groeiende stad Utrecht kunnen wonen, werken en leven. Met de nota worden kansen benut door gezondheid te koppelen aan gebiedsontwikkeling, duurzaamheid, mobiliteit en sociale- en economische ontwikkelingen. In de nota is gezonde leefomgeving één van de 7 speerpunten. De ambitie is een gezonde leefomgeving voor elke Utrechter die zo is ingericht dat gezond leven gemakkelijk is, de druk op gezondheid zo laag mogelijk is en dat mensen zich prettig voelen. Gezond leven is gemakkelijk De openbare ruimte wordt zo ontworpen dat deze voor iedereen bespeelbaar is en uitnodigt om te bewegen, te sporten, te verblijven en te ontmoeten. De voetganger en de fietser krijgen vaker voorrang dan de auto en krijgen meer ruimte. Het openbaar vervoer wordt een aantrekkelijk alternatief door betere bus-, tram- en treinverbindingen.
Nieuwe woonwijken worden zo ontworpen dat de auto minder nodig is. Door voorzieningen dichtbij en door ontmoetingsplekken wordt ontmoeting gefaciliteerd. Dit draagt bij aan de sociale cohesie in de buurt. Er wordt toegewerkt naar een omgeving waar Utrechters gemakkelijk voedselkeuzes kunnen maken die gezond zijn voor mens, dier en milieu. De druk op de gezondheid is zo laag mogelijk Er wordt gekozen om idealiter geen nieuwe woningen binnen 100 meter van een autosnelweg te realiseren. Ook wordt de markt uitgedaagd om bij nieuwe gebiedsontwikkelingen aan drukke binnenstedelijke wegen (> 10.000 motorvoertuigen per etmaal), met (innovatieve) maatregelen te komen die de gezondheidseffecten door luchtverontreiniging en geluidbelasting minimaliseren met behoud van een goed binnenmilieu en een prettige woon-en verblijfskwaliteit. Voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor luchtverontreiniging (ouderen, mensen met een zwakke gezondheid en kinderen van 0-18 jaar) wordt bij het bestemmen van nieuwbouw van voorzieningen (scholen, kinderopvang en woon(zorg)voorzieningen) bij drukke binnenstedelijke wegen (>10.000 motorvoertuigen per etmaal) een minimale afstand van 50 meter en bij autosnelwegen een minimale afstand van 300 meter aangehouden.
Voor bestaande voorzieningen die renovatie, aanbouw of vervangende nieuwbouw nodig hebben, wordt onderzocht of een alternatieve locatie ruimtelijk en binnen de financiële kaders mogelijk is. Bij tijdelijke schoolgebouwen en noodlokalen wordt er ook naar gestreefd om aan het afstandscriterium te voldoen. Er worden hogere lokale ambitiewaarden voor geluid gehanteerd dan de wettelijke grenswaarden namelijk 63 dB voor nieuwe situaties langs wegen en spoorwegen (dit is 5 dB lager dan de wettelijke grenswaarde). Ook worden stille plekken beschermd. In dit licht worden geen horecavoorzieningen toegestaan in stille hofjes en rustige woonstraten. Bij bouwplannen moeten alle soorten woningen (sociale huur, midden huur, koopwoningen etc.) in het plan een vergelijkbare lucht- en geluidskwaliteit hebben. Nieuwe wegen, woningen en kantoren leiden niet tot een hogere druk op gezondheid door bijvoorbeeld een slechtere lucht- of 8 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
Utrecht
geluidskwaliteit. Als dat toch zo is, dan compenseren we de extra druk door aanvullende maatregelen zoals een geluidsluwe zijde en extra groen. Mensen voelen zich prettig Een evenwichtige balans tussen wonen, werken en recreëren is belangrijk voor een gezonde leefomgeving. Zo is er ruimte voor groen, water en is er ruimte om te spelen, te ontmoeten en te bewegen. Dit betekent ook dat er voldoende ruimte is om te recreëren in de buurt. Er zijn voldoende (maatschappelijke) voorzieningen en er is aandacht voor diversiteit in functies van de openbare ruimte. De aanwezigheid van groen is goed voor de gezondheid van mensen, en voor de biodiversiteit in de stad. Groene ruimtes nodigen uit tot bewegen, zorgen voor verkoeling, zijn belangrijk als recreatieve (ontmoetings-) ruimte en absorberen geluid. Straten, pleinen, binnenterreinen, daken en gevels worden zo groen mogelijk ingericht volgens het 'groen tenzij' principe. Elke Utrechter heeft de mogelijkheid om vanuit zijn woning een prettig ommetje te maken, want dat nodigt mensen uit tot meer bewegen en draagt bij aan ontmoeten. Plangebied In paragraaf 5.5 is op het gezond stedelijk leven ingegaan. In paragraaf 5.3 is ingegaan op de geluidssituatie en in paragraaf 5.16 is ingegaan op de luchtkwaliteit in het plangebied.
2.3.2.2.6 Bodem, ondergrond en water Nota Bodembeheerplan 2017-2027 'Grondig Werken 4' (2017) en Aanvulling Nota Bodembeheerplan 2017-2027 beleid PFAS (2020) In 2017 is de Nota Bodembeheer 2017-2027 'Grondig Werken 4' vastgesteld. De Nota bodembeheer 2012–2022 is met de voorliggende Nota bodembeheer 2017-2027 geactualiseerd. Utrecht groeit en er wordt zowel in de stad als aan de randen veel gebouwd. Door deze bouwinitiatieven kan de vraag naar bouwgrond periodiek groot zijn. We willen voorkomen dat deze bouwgrond van elders (vaak over lange afstand) wordt aangevoerd. De aanpak in de Nota Bodembeheer 2017 – 2027 zorgt ervoor dat de benodigde grond duurzaam uit de eigen en uit omliggende gemeenten in de regio kan komen, wat bijdraagt aan een gezonde verstedelijking en een circulaire economie. In 2020 is de Nota uitgebreid met een aanvullende nota over PFAS-stoffen. Daarbij is de ambitie om maximaal voordeel te behalen voor mens en milieu, efficiënter te werken (goedkoper, kortere doorlooptijden) en werk met werk te maken. In de Nota bodembeheer staat hoe beschikbare vrijgekomen grond en baggerspecie op en in de landbodem van de gemeente Utrecht mag worden opgeslagen, hergebruikt of toegepast en welke regels en procedures hierbij gelden. De nota is bedoeld voor professionele partijen.
De gemeente Utrecht volgt zoveel mogelijk het algemene landelijke beleid zoals dat is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Dit landelijke beleid past echter niet in elke lokale situatie. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om lokaal beleid toe te staan. In Utrecht speelt, naast de grote vraag naar bouwgrond, mee dat gebiedseigen grond niet altijd kan worden hergebruikt en dat er te weinig hergebruiksmogelijkheden zijn. De lokale gebiedsgerichte invulling sluit aan bij de functie, kwaliteit en ontwikkelingen van een gebied. De nota is hierdoor ingedeeld in: gebiedsspecifiek beleid, ander gemeentelijk beleid en landelijk beleid. Het gebiedsspecifieke beleid bestaat uit: een uitbreiding van het beheergebied en acceptatie van bodemkwaliteitskaarten uit omringende gemeenten; lokale maximale waarden op gebiedsniveau om zo gebruik te maken van de toegestane kwaliteit die past bij de bodemfunctie. Het betreft enkele wijken van Leidsche Rijn en de gemeentelijke hoofdwegen aan de oostzijde van de stad. Met deze lokale maximale waarden sluiten we aan bij de (toekomstige) woonfunctie van de wijken of industriefunctie van de hoofdwegen; lokale maximale waarden voor de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB's) en organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB's) binnen bepaalde gebieden.
Bij beide stofgroepen is met de lokale maximale waarden aangesloten bij de gebiedseigen kwaliteit; lokale maximale waarden voor het Noorderpark. Aangesloten is bij de gebiedseigen kwaliteit; een strengere eis met betrekking tot het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond; lokale maximale waarden voor de stofgroep PFAS, waarbij de gehele gemeente als één zone wordt beschouwd. Deze waarden gelden voor de bovenste meter. Ander gemeentelijk beleid bestaat uit: strengere onderzoekseisen bij bodemonderzoek en hergebruik van arseenhoudende veenlagen afkomstig van bodemlagen dieper dan 2 meter; een strengere eis met betrekking tot het volumepercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond; regels voor het toepassen van grond met zichtbare asbestdeeltjes (dit is geen verplichting, maar bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
85
een advies. De gemeente heeft hierin een voorbeeldfunctie en verplicht zichzelf wel) ; regels voor het toepassen van grond vanuit diepere bodemlagen; tijdelijke uitname van grond bij kabels- en leidingen cunetten (uitgravingen). Verminderde onderzoeksinspanning voor gebieden met een verhoogde kans op bestrijdingsmiddelen. Landelijk beleid geldt voor alle andere gebieden en stoffen die niet onder het gebiedsspecifiek beleid of ander gemeentelijk beleid vallen. Plangebied In paragraaf 5.12 wordt nader ingegaan op de bodem van het plangebied. Visie Water en Riolering en visie Klimaatadaptatie (2022) De gemeenteraad heeft in februari 2022 de Visie Water en Riolering en de Visie Klimaatadaptatie vastgesteld. De visie Water en Riolering bevat het gemeentelijke beleidskader voor de invulling van de wettelijke zorgplicht op het gebied van water en riolering en is onderdeel van de gemeentelijke omgevingsvisie. De visie vormt samen met het programma water en riolering het nu nog wettelijk verplichte Gemeentelijk Rioleringsplan en is daarmee de opvolger van het Plan Gemeentelijke Watertaken Utrecht 2016-2019. Deze wettelijk verplichting verdwijnt met de invoering van de Omgevingswet. De Visie Klimaatadaptatie sluit aan op de visie Water en Riolering en geeft aan wat nodig is om Utrecht voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering.
Utrecht zal in de toekomst steeds vaker te maken krijgen met de gevolgen van het veranderende klimaat en is gevoelig voor het vaker voorkomen van extreme regenbuien, wateroverlast en langere perioden van hitte en droogte. Het is dan ook van belang om hier bij nieuwe bouwontwikkelingen rekening mee te houden en de bebouwde omgeving zo goed mogelijk aan te passen aan het veranderende klimaat. Als Utrecht klimaatrobuust wil zijn zal de sponswerking van de stad vergroot moeten worden. We willen hemelwater niet langer afvoeren via het riool naar de rioolwaterzuivering, maar het regenwater zoveel mogelijk vasthouden op de plek waar het valt. Zowel op eigen terrein, in de openbare ruimte, in de bodem of in het oppervlaktewater. Hiervoor moet zo veel mogelijk oppervlak onverhard blijven en vergroend worden, zodat het riolerings- en afwateringssysteem wordt ontlast en zodat er water beschikbaar is in perioden van droogte. Een voorwaarde voor deze vergroening en voor het toevoegen van meer bomen, is dat de bovengrond en ondergrond op elkaar worden afgestemd en dat er ruimte wordt gemaakt voor het planten van groen en bomen. Met de Visie Klimaatadaptatie worden beleidsdoelen vastgesteld voor het omgaan met wateroverlast door extreme neerslag, het omgaan met droogte en het omgaan met hittestress. Hiervoor zijn geen landelijke beleidsdoelen, maar de gemeente stelt lokale doelen vast.
De doelen zijn dat lopen en fietsen in schaduw in elke straat mogelijk is door 30-40 % schaduw te creëren, iedereen binnen 200 meter van een gebouw/woning een koele groene verblijfsplek heeft in de openbare ruimte van minimaal 200 m2, een minimale hoeveelheid groen in buurten van 40% in het horizontale vlak. Hiermee beperken we het hitte-eiland effect in de stad. Om gevolgen van extreme droogte en wateroverlast te voorkomen buien zorgen we dat buien tot aan 80 mm per uur richten een schade aan richten in panden en niet voor onbegaanbare wegen zorgen, we gebruiken de bodem als spons en houden minimaal 90% neerslag vast op de plek waar het valt. We vangen zoveel mogelijk water op in de bodem (bufferen), zodat er in droge periodes nog water beschikbaar is. Bij grootschalige nieuwbouw is de ambitie om hogere doelen te hanteren. De vastgestelde doelen geven de mogelijkheid zowel de gevolgen als de te nemen maatregelen in beeld te kunnen brengen. Hiermee voldoet Utrecht aan de doelstelling uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie en de afspraken in het Bestuursakkoord Ruimtelijke Adaptatie om uiterlijk in 2021 een strategie en uitvoeringsagenda bestuurlijk te hebben vastgelegd. De doelen zijn ook overeenkomstig de gestelde doelen in de RSU 2040.
Het beleid voor klimaatadaptatie is ook vastgelegd in de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie, waarin voorstellen zijn opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel dat de bebouwde omgeving in 2050 nog steeds aantrekkelijk is om te leven en dat ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig zijn opgebouwd en getoetst. Gemeente Utrecht heeft samen met andere overheden deze deltabeslissing onderschreven en werkt samen in de Coalitie Regio Utrecht aan de opgaven. Plangebied Het aspect water is in dit bestemmingsplan verder uitgewerkt in paragraaf 5.11. 8 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
Utrecht
2.3.2.2.7 Energie Utrecht: energiek middelpunt van het land, Energieplan Utrecht en duiding van het college bij het Energieplan (2016) en de Utrechtse Energieagenda's 2016 - 2019 De gemeenteraad heeft op 14 januari 2016 het Energieplan besproken en het document Duiding van het College bij het Energieplan vastgesteld. Deze documenten geven samen richting aan het energiebeleid in Utrecht voor de komende jaren. Het Energieplan is door 165 Utrechters opgesteld en bevat voor de onderwerpen wonen, werken, vervoer en centrale energievoorziening maatregelen om een klimaatneutraal Utrecht te bereiken. Bewustwording via het verbeteren van informatievoorziening is hierbij belangrijk. De gemeente heeft een grote en proactieve rol bij de overgang naar duurzame energie. Het Energieplan en het document Duiding van het college bij het Energieplan zijn in 2015 uitgewerkt in de Utrechtse Energieagenda's. Hierin staan de concrete gemeentelijke werkzaamheden en de inzet van middelen om te komen tot een klimaatvriendelijke stad. in 2025 ligt op 20% van de Utrechtse daken zonnepanelen; in 2030 is het Utrechtse systeem van stadsverwarming verduurzaamd; in 2030 zijn minimaal 40.000 bestaande woningen van het gas af; het gemeentelijke vastgoed is in 2040 volledig verduurzaamd.
Plangebied Uit het Energieplan Utrecht, duiding van het college bij het Energieplan en de Utrechtse Energieagenda's volgen geen relevante kaders voor het plangebied. Het bestemmingsplan levert een bijdrage aan de doelstelling om duurzame energie op te wekken. RES 1.0 In het Klimaatakkoord, de Nederlandse uitwerking van de internationale klimaatafspraken van Parijs (2015), is afgesproken dat we met elkaar de C O2-uitstoot sterk verminderen. Eén van de afspraken uit het Klimaatakkoord is dat 30 energieregio's in Nederland onderzoeken waar en hoe het best duurzame elektriciteit op land (wind en zon) opgewekt kan worden. In een Regionale Energie Strategie (RES) beschrijft elke energieregio zijn eigen keuzes. Gemeente Utrecht is onderdeel van de RES regio U-16. In de RES 1.0 staat dat de regio in 2030 in totaal 1,8 TWh duurzame elektriciteit wil opwekken. Aan de hand van vier bouwblokken moet dit gerealiseerd worden. Het derde bouwblok dat wordt benoemd is het opwekken van windenergie en zonne-energie (vanuit zonnevelden op land). Dit bouwblok moet een bijdrage leveren aan de energietransitie van 1,164 TWh. Dit staat voor 26 turbines en circa 800 hectare zonnevelden. Plangebied In het derde bouwblok heeft de gemeente Utrecht de ambitie laten vastleggen om beleidsruimte voor Energielandschap Rijnenburg & Reijerscop (acht windturbines en 230 hectare zonneveld) te creëren.
Het bestemmingsplan geeft deels invulling hieraan. 2.3.2.3 Gebiedsbeleid Visie Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop Op 9 juli 2020 heeft de gemeenteraad Utrecht de visie op het Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop vastgesteld. In de visie is opgenomen dat er tot 2030 geen woningbouw plaatsvindt, maar dat woningbouw na 2030 gefaseerd mogelijk blijft, mocht hier binnen het kader van het regionale en lokale ruimtelijk-economische beleid voor gekozen worden. In de Visie Energielandschap zijn zoekgebieden aangewezen (deze zoekgebieden zijn o.a. bepaald o.b.v. wettelijke vastgestelde veiligheidszones en aanvullende afstandsnormen ter beperking van geluidsbelasting en slagschaduw omliggende woonwijken) waarin initiatieven ontwikkeld kunnen worden voor zonne- en windenergie. In de visie van de gemeente Utrecht schat de gemeente in dat de aangewezen zoekgebieden ruimte bieden voor: Maximaal 8 grote windturbines (36 MW) en; Maximaal 163 MW zonneveld (circa 230 ha). In een op de visie volgend uitnodigingskader zijn de spelregels voor toekomstige initiatiefnemers voor duurzame energieprojecten opgenomen. Zowel de visie als het uitnodigingskader gaan uit van een tijdelijk energielandschap. Plangebied Het bestemmingsplan geeft hier (deels) invulling aan.
Uitnodigingskader Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop Het uitnodigingskader (vastgesteld in de gemeenteraad op 9 juli 2020) is een concrete uitwerking van de genoemde visie. Hierin zijn kaders opgenomen waarbinnen voorstellen van initiatiefnemers bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
87
voor grootschalige energieprojecten in het gebied moeten passen. Kaders zijn gegeven voor: Initiatiefnemers; Inrichting natuur, landschap en recreatie; Geluid en slagschaduw; Participatie. Plangebied Het bestemmingsplan voldoet o.a. op de volgende manier aan de kaders van het Uitnodigingskader: De initiatiefnemer betreft een consortium. Initiatiefnemers handelen naar de gedragscode acceptatie & participatie windenergie op land. De opruimplicht wordt gerespecteerd (hierover is een planregel opgenomen, zie artikel 4.3.1 van de regels). Ruimtelijke- en milieukaders voor windturbines worden ingevuld, waaronder dat de opstelling een samenhangend en logisch geheel vormt in het landschap, ter bescherming van vogels en vleermuizen maatregelen worden getroffen om te voldoen aan wettelijke eisen, geluidarme windturbines worden nagestreefd, maatregelen tot beperking van hinderlijke slagschaduw worden getroffen en jaarlijks een openbare rapportage wordt gepubliceerd waarin wordt aangeven op welke wijze voldaan is aan de wettelijke normen voor geluid en slagschaduw. Uitgebreide procesparticipatie waaronder verschillende inloopavonden en bijeenkomsten. Financiële participatie waaronder sociale grondvergoeding, omwonenden regeling, omgevingsfonds en rendement voor de deelnemers van de energiecoöperatie.
Aan bepaalde kaders voldoet het bestemmingsplan (nog) niet, dit zijn het openbaar toegankelijk maken van de permanente toegangswegen voor de bereikbaarheid van windturbines als recreatieve routes en de landschapsontwikkeling. De uitwerking van recreatieve routes en landschapsontwikkeling is (financieel) uitdagend vanwege de beperkte omvang van het windpark. De gemeente Utrecht blijft in gesprek met de initiatiefnemer over nadere concretisering van deze aspecten (waar mogelijk). Dit hoeft echter geen beperking te vormen voor het bestemmingsplan, omdat in het Uitnodigingskader bij deze kaders ook een of meerdere voorbehouden zijn geplaatst. 2.3.3
Overig gemeentelijk beleid
Geluidnota Utrecht 2014-2018 (2014) De Geluidnota Utrecht 2014-2018 is op 11 februari 2014 vastgesteld. Dit beleid gaat over het beperken en minimaliseren van geluidhinder bij ruimtelijke ontwikkelingen in Utrecht. De Geluidnota heeft betrekking op weg-, rail- en industrielawaai. Hiervoor is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. Daarbinnen is echter ook ruimte voor gemeentelijke beleidsvrijheden. In de Geluidnota wordt aangegeven hoe hier mee wordt omgegaan. De belangrijkste regels uit de Geluidnota zijn: nieuw te bestemmen woningen beschikken over een geluidsluwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch goede woningindeling; behoud van goed akoestisch woon- en leefklimaat in rustige woonwijken bij bestemmen van nieuwe woningen en bedrijven in elkaars nabijheid. Ook onderwerpen, die meer algemeen onder het begrip "een goede ruimtelijke ordening" vallen, worden in de Geluidnota beschreven. Plangebied De gemeente Utrecht heeft haar geluidbeleid vastgelegd in de Geluidnota Utrecht. Voor het geluid van bedrijfsmatige activiteiten wordt gekeken naar het reeds heersende geluidsniveau in een gebied waarmee het aansluit bij de systematiek van de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening. Deze Handreiking ziet echter niet op het geluid van windturbines.
Voordat de geluidnormen waren opgenomen in het Activiteitenbesluit (in 2010), was een aparte regeling van kracht, de Circulaire beoordeling geluidhinder windturbines. Daarin wordt uitdrukkelijk aangegeven dat de Handreiking niet moet worden toegepast maar deze vervangt (en dat wordt aanbevolen om bij vergunningverlening niet boven een waarde van 47 dB Lden uit te gaan). Aangezien er derhalve geen gemeentelijk vigerend beleid van toepassing is, zal de motivering van de geluidnormen per geval worden gemaakt zodat er ook maatwerk kan worden toegepast. Voor dit plan is daarbij ook gekeken naar de bestaande lokale omstandigheden. In het akoestisch onderzoek is bezien welke gevolgen het windturbinepark heeft in relatie tot de reeds aanwezige geluidsbronnen in en nabij het gebied zoals de rijkswegen. In paragraaf 5.3 is ingegaan op de geluidsituatie. 8 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
Utrecht
Nota externe veiligheid (2007) De Nota externe veiligheid, die in 2007 is vastgesteld, gaat in op het beleid van de gemeente Utrecht voor de beheersing van risico's als gevolg van het werken met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijf, productielocatie of kantoor) en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De genoemde risico's zijn veiligheidsrisico's voor mensen die zich in de buurt van de inrichting of het transport bevinden. De beleidskeuzes hebben betrekking op nieuwe situaties, waarin een risicobron zich vestigt of uitbreidt of een risico-ontvanger, zoals een woning, planologisch mogelijk wordt gemaakt. De randvoorwaarden en regels zijn vertaald in afstandseisen tussen risicobronnen (bedrijven, transportroutes (weg, spoorweg, vaarweg) of buisleidingen) en omgevingsobjecten. De gemeente Utrecht kiest ervoor om geen zwaardere veiligheidseisen op te leggen dan die vermeld staan in de risiconormering van de rijksoverheid. In sommige gevallen biedt de rijksregelgeving ruimte tot afwijken van de normering. In de Nota spreekt de gemeente zich uit om terughoudend om te gaan met de mogelijkheid tot afwijken. Plangebied De gemeente Utrecht kiest er in de Nota externe veiligheid (2007) voor om geen zwaardere veiligheidseisen op te leggen dan die vermeld staan in de risiconormering van de rijksoverheid.
Voor het plan wordt er een lokale norm voor externe veiligheidsaspecten gehanteerd en worden de relevante beleidsregels en handreikingen beschouwd. In paragraaf 5.6 is ingegaan op de externe veiligheidssituatie in het plangebied.
2.4
Conclusie
De conclusie van de beschouwing van relevante beleidskaders is dat het bestemmingsplan in lijn is met de beleidskaders op rijks- provinciaal- en gemeentelijk niveau.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
89
9 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 3 3.1
Bestaande situatie
Inleiding
Het plangebied van Windpark Rijnenburg en Reijerscop bevindt zich in de polders Rijnenburg en Reijerscop ten zuidwesten van het knooppunt Oudenrijn. Het ligt ten zuiden van de A12 en de Meern, ten westen van de A2 en Nieuwegein en wordt aan de zuidzijde begrensd door de Ringkade. Het plangebied bestaat voornamelijk uit weilanden en is daardoor grotendeels open en groen. De polders Rijnenburg en Reijerscop zijn grotendeels in agrarisch gebruik. De polders zijn als een van de weinige locaties in de stad Utrecht geschikt voor de grootschalige opwekking van zonneen/of windenergie. Daarnaast is de polder Rijnenburg aangewezen als (mogelijke) uitleglocatie voor woningbouw.
3.2
Beschrijving van het plangebied
3.2.1
Grotere gebied
Ten noorden van de rijksweg A12 bevindt zich stedelijk gebied. Hier ligt het industrieterrein Oudenrijn en een woonwijk van De Meern. Strijkviertel, het gebied ten noordwesten van knooppunt Oudenrijn, is in de plannen opgenomen als bedrijventerrein. Rijnvliet, ten noorden van het Strijkviertel is één van de gebieden in Leidsche Rijn waar woningen zijn en worden ontwikkeld. Ten zuidoosten van het knooppunt Oudenrijn ligt de woonwijk Galecop in de gemeente Nieuwegein. Galecopperzoom, het gebied tussen de woonwijk Galecop en de A12, maakt onderdeel uit van de A12 zone. Deze zone is een van de laatste potentiële grote transformatie- en verdichtingslocaties in de provincie na 2030. Het gebied kan zich op de langere termijn ontwikkelen tot een multifunctioneel woonwerkgebied in het hart van een aaneengesloten metropolitane regio.
Figuur 5 Luchtfoto polders Rijnenburg en Reijerscop met relevante toponiemen
Circa 1,5 km ten zuiden van de Ringkade loopt de Nedereindseweg waaraan zich bebouwing bevindt bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
91
en op circa 3 km ten zuiden van de Ringkade bevindt zich de eerste woonbebouwing van IJsselstein. Er bevinden zich enkele buurtschappen (kleine bewoonde plaatsen met een eigen naam) in het dunbevolkte poldergebied tussen De Meern, IJsselstein en Montfoort, waaronder Achthoven-Oost, Achthoven-West en Reijerscop. 3.2.2
Historische ontwikkeling
In het landschap is nog een duidelijk verkavelingspatroon aanwezig met smalle lange kavels en daartussen kavelsloten. In dit landschap is de oorspronkelijke ontginning uit de 11e eeuw, met bewoningslinten aan de kop van de kavels, nog goed herkenbaar. Het gebied kenmerkt zich door openheid. Op enkele plekken is opgaande beplanting aanwezig, waaronder een historische eendenkooi. Het gebied wordt doorsneden door een aantal wegen met daarlangs sloten en beplanting. Hieronder bevinden zich enkele historische watergangen en weteringen die in de afgelopen 900 jaar van grote betekenis zijn geweest voor de waterhuishouding van het gebied. Het plangebied is (deels) onderdeel van het Landschap het Groene Hart. Figuur 6 Luchtfoto polders Rijnenburg en Reijerscop (Bron: DGMR Utrecht kiest voor energielandschap in polders Rijnenburg en Reijerscop)
De wegen hebben overwegend een kleinschalig en agrarisch karakter. Ze komen voort uit de ontginningsstructuur. De bebouwing is vrijwel alleen aan de wegen-structuur gelegen en is daar ook op gericht. De doorgaande wegen naar Montfoort en Nieuwegein, respectievelijk de Meerndijk en de Nedereindseweg, zijn de belangrijkste wegenstructuren in het gebied. Daar is ook de meeste bebouwing te vinden.
Figuur 7 Impressies plangebied en omgeving (Bron: PosadMaxwan en Goudappel, 2022)
Figuur 8 Wegenstructuur polders Rijnenburg en Reijerscop en omgeving 9 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
Utrecht
In de afgelopen dertig jaar heeft de agrarische functie zich in het gebied steeds verder teruggetrokken. Van bouwontwikkelingen ten behoeve van deze functie is niet tot nauwelijks sprake geweest. Agrarische bedrijfsvoering is in veel gevallen feitelijk beëindigd en getransformeerd naar wonen of heeft een meer ondergeschikt karakter gekregen. Deze trend zal zich naar verwachting de komende jaren verder doorzetten. Een uitzondering hierop vormt het gebied de Reijerscop (ten zuiden van de Reijerscop en ten westen van de Meerndijk). De polders Rijnenburg en Reijerscop zijn gelegen in een zogenaamd veenweidegebied. Hier is bodemdaling t.g.v. ontwatering van het gebied voor landbouw een aandachtspunt. Immers, als gevolg van ontwatering van het gebied voor landbouw ontstaat oxidatie van de veenlaag in de bodem, komt er C O2 vrij en blijft de bodem dalen. Om dit tegen te gaan wordt een relatief hoge grondwaterstand gehanteerd. Hierdoor kenmerkt het gebied zich als een vrij 'nat' gebied. 3.2.3
Structuurbepalende en beeldbepalende elementen
Karakteristieke kenmerken van het gebied zijn de historische verkaveling met de openheid van het weidelandschap, maar ook de lintbebouwing aan bijvoorbeeld de Nedereindseweg. In de omgeving van het plangebied, waaronder aan de Ringkade en Reijerscop, bevinden zich enkele panden met monumentale waarde (o.a. langhuisboerderijen). In het gebied bevindt zich tevens een historische eendenkooi. Ook beeldbepalend voor het gebied is de aanwezige hoogspanningsverbinding van en naar het hoogspanningsstation Oudenrijn. Figuur 9 Ringkade 3; langhuisboederij (datering 1850 – 1875)
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
93
3.2.4
Autonome ontwikkelingen
Op 11 mei 2023 is Chw bestemmingsplan Hoogspanningsstation Oudenrijn vastgesteld door de raad. Dit bestemmingsplan is inmiddels onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor de bouw is aangevraagd en Stedin verwacht in 2024 met de bouw van het hoogspanningsstation te kunnen starten.
9 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 4 4.1
Planbeschrijving
Inleiding
Het bestemmingsplan is opgesteld voor een windturbinepark inclusief toebehoren zoals infrastructuur. In dit hoofdstuk wordt per onderdeel een beschrijving gegeven.
4.2
Windpark
Het windpark zal bestaan uit 4 windturbines met een ashoogte van minimaal 140 en maximaal 180 meter en een rotordiameter van minimaal 150 en maximaal 180 meter. De tiphoogte is maximaal 270 meter. Een dergelijke bandbreedte aan afmetingen wordt gehanteerd omdat het exacte windturbinetype nog niet gekozen is ten tijde van vaststelling van dit bestemmingsplan. Binnen de afmetingen wordt verwacht dat er voldoende windturbinetypes beschikbaar zijn om in de aanbestedingsfase een geschikte leverancier/producent te selecteren. De gekozen afmetingen zijn daarmee toekomst bestendig, waardoor op een zo efficiënt mogelijke manier duurzame energie wordt opgewekt doormiddel van windturbines. Figuur 10 Minimale en maximale afmetingen windturbines Windpark Rijnenburg en Reijerscop
De 4 windturbines (1 windturbine in de polder Reijerscop en 3 windturbines in de polder Rijnenburg) zijn gepositioneerd in een oostwest, gebogen lijnopstelling. Leidende principes bij de positionering van de windturbines waren; de haalbaarheid/uitvoerbaarheid van een positie (beschikbare grondposities waren hierbij in grote mate leidend), kaders uit het Visie en Uitnodigingskader Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop voor windturbines en de (milieu)effecten van de windturbines (inzichtelijk gemaakt in het CombiMER Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop). Figuur 11 Visualisatie Windpark Rijnenburg en Reijerscop (maximale afmetingen) vanaf de Blindeweg in Montfoort
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
95
4.3
Infrastructuur
Tijdens de realisatie van het windpark wordt tevens een ontsluiting aangelegd. De initiatiefnemer zorgt voor een ontsluiting van de kavels door de aanleg van onderhoudswegen, die geschikt zijn voor bouw- en onderhoudsverkeer. Voor de windturbines worden permanente kraanopstelplaatsen aangelegd voor de bouwkranen en onderhoud.
4.4
Transformatorstation inclusief inkoopruimte
Bij het windpark wordt een transformatorstation gerealiseerd waarin de opgewekte stroom vanuit de windturbines indien nodig wordt getransformeerd naar de spanning die wordt gevraagd vanuit de netbeheerder. In het transformatorstation bevindt zich tevens de meet- en schakelinstallatie van het windpark en de inkoop- en schakelinstallatie van de netbeheerder. Figuur 12 Open transformatorstation (bron: Batenburg energietechniek)
9 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
Utrecht
4.5
Netaansluiting
De door de windturbines geproduceerde elektriciteit wordt via een schakel- of transformatorstation van laagspanning naar middenspanning opgewerkt. De middenspanningskabels van de windturbines worden deels onder of naast de aan te leggen onderhoudswegen gelegd en aangesloten op een zogenaamd transformatorstation/schakeltuin inclusief inkoopruimte. In het tranformatorstation inclusief inkoopruimte wordt het windpark aangesloten op het netwerk van de netbeheerder. Het transformatorstation inclusief inkoopruimte wordt in het plan mogelijk gemaakt. De windparkbekabeling en de kabelverbinding met het elektriciteitsnetwerk zijn planologisch niet relevant en worden in het bestemmingsplan niet apart bestemd.
4.6
Te behouden functies
De bestaande agrarische en andere functies binnen het plangebied blijven grotendeels behouden, met dien verstande dat de rotorbladen (wieken) van de opgerichte windturbines over deze gronden zullen draaien.
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)
97
9 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)