CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop

Gemeenteraad 6 juni 2024, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop, Coördinatiebesluit energielandschap Rijnenburg en Reijerscop en brief aan Provincie Utrecht over zoekgebieden zon en wind36.321 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Vastgesteld door Raad 5 maart 2015 30 november 2017

Onherroepelijk 20 april 2016 31 oktober 2018

2 februari 2023

Op basis van bestemmingsplan Rijnenburg, Utrecht is de realisatie van het windturbinepark niet mogelijk. Ter plaatste van de vier beoogde windturbinelocaties gelden de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch – 1'. Deze bestemmingen bieden geen planologische ruimte voor het oprichten van een windturbinepark. Dit betekent dat er voor het windturbinepark een nieuw bestemmingsplan nodig is. Het Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop vormt daarom het juridisch-planologisch kader voor de realisatie en exploitatie van Windpark Rijnenburg en Reijerscop. De parkbekabeling en netaansluitingskabel worden niet planologisch vastgelegd in het bestemmingsplan, het zijn immers geen planologisch relevante leidingen zoals bepaalde ondergrondse buisleidingen of bovengrondse hoogspanningslijnen dat wel zijn. De parkbekabeling en netaansluitingskabel worden t.z.t. mogelijk gemaakt middels een omgevingsvergunning.

1.4

Juridische aspecten

1.4.1

Wettelijke grondslag

1.4.1.1 Wet ruimtelijke ordening, besluit ruimtelijke ordening Op basis van de Wro en de Elektriciteitswet (artikel 9) beschikt de provincie (Provinciale Staten) over de bevoegdheid voor het vaststellen van een inpassingsplan voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW. In het geval toepassing wordt gegeven aan deze bevoegdheid zijn Gedeputeerde Staten (GS) bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor de realisatie van een windpark van meer dan 5 MW en niet meer dan 100 MW. Het college van burgemeester en wethouders heeft bij GS het verzoek ingediend voor overdracht van de bevoegdheid. Op 8 maart 2022 hebben GS de bevoegdheid aan de gemeente Utrecht overgedragen (zie bijlage 2). Het college van burgemeester en wethouders wordt daarmee bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning en is bevoegd een bestemmingsplan voor te bereiden. De gemeenteraad van Utrecht is bevoegd het bestemmingsplan vast te stellen. Artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bestemmingsplannen vast te stellen. Deze bevoegdheid is in hoofdstuk 3 van die wet en in het Besluit ruimtelijke ordening verder beschreven en ingekaderd. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

65

1.4.1.2 Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet Het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt met regelmaat gewijzigd. Sinds de wijziging van 28 oktober 2016 beschikt de gemeente Utrecht juridisch gezien over één bestemmingsplan voor het gehele grondgebied, verder 'het bestemmingsplan van Utrecht' genoemd. Dat bestemmingsplan kan in zijn geheel of gedeeltelijk gewijzigd worden. Als dit plan onherroepelijk wordt, gaat het op grond van artikel 7g van het Besluit uitvoering Crisisen herstelwet automatisch deel uitmaken van het bestemmingsplan van Utrecht. Op grond van artikel 7c van het hierboven genoemde Besluit kunnen onder andere regels in het bestemmingsplan worden opgenomen over het behouden of maken van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. In de vakliteratuur spreekt men van 'een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte'. Met 'verbreed' wordt dan bedoeld: niet alleen 'een goede ruimtelijke ordening' (bestemmingsplan), maar ook andere aspecten van de fysieke leefomgeving. Artikel 4 lid 4.4 van de planregels wordt op grond van artikel 7c lid 14 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet genomen. 1.4.2

Besluit m.e.r.

Europese en nationale wetgeving schrijven voor dat voor activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten de milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure) wordt doorlopen. Het doel van milieueffectrapportage is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over dergelijke activiteiten. De activiteiten waarvoor dit van toepassing is zijn gegeven in het Besluit m.e.r. De m.e.r.-procedure resulteert in een milieueffectrapport (MER). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen (plan-m.e.r.) en projecten (project-m.e.r.). In het Besluit milieueffectrapportage zijn windparken opgenomen in onderdeel D van de bijlage van het besluit. Het betreft categorie D22.2, windparken met een gezamenlijk vermogen van 15 MW of meer, of bestaande uit 10 windturbines of meer. Dit betekent dat voor het plan dat een kader is voor de realisatie (het onderhavige bestemmingsplan) een plan-MER moet worden opgesteld. Onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet van toepassing is Tabel 1: categorie 22.2 uit onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.

Omdat de voorgenomen activiteit binnen deze omschrijving past (het voorkeursalternatief omvat 4 windturbines met een gezamenlijk opgesteld vermogen van 15 MW of meer), is het oprichten ervan een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Het bestemmingsplan is het kaderstellend plan voor het m.e.r.-(beoordelings)plichtige project en is daarom plan-m.e.r.-plichtig op grond van de Wet milieubeheer. De omgevingsvergunning (waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is, afdeling 3.4 Awb) is m.e.r.-beoordelingsplichtig. Ter voorbereiding en onderbouwing van beide besluiten is een gecombineerd plan- en (vrijwillig) project-MER opgesteld, oftewel een combi-MER. Dat MER is als bijlage bij dit bestemmingsplan en de aanvraag om omgevingsvergunning gevoegd. Combinatieprocedure MER 6 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

Utrecht

De wet milieubeheer (artikel 14.4b) maakt het mogelijk dat, wanneer zoals in dit geval voor één activiteit zowel een plan- als een project-MER worden opgesteld, deze gecombineerd kunnen worden tot één combi-MER. Voor een m.e.r.-beoordelingsplichtig windturbinepark moet het bevoegd gezag beoordelen of een project-MER ten behoeve van de vergunningaanvraag nodig is. Nu er voor het plan reeds een MER opgesteld dient te worden, is er voor het project deel gekozen aan te sluiten bij het plan-MER door middel van een combi-MER. Er is daarmee door initiatiefnemer voor gekozen geen m.e.r.-beoordeling uit te laten voeren voor het projectdeel, maar direct een MER op te stellen. Dit gecombineerde MER is mogelijk nu de gemeente toepassing heeft gegeven aan coördinatieregeling op grond van artikel 3.30 van de Wro. 1.4.3

Gecoördineerde voorbereiding

Op het besluit wordt de gemeentelijke coördinatieregeling op grond van artikel 3.30 en verder Wro toegepast. Hierbij worden het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning (voor de activiteiten 'bouwen' op grond van artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo, 'uitvoeren werk of werkzaamheden' op grond van artikel 2.1 lid 1 onder b Wabo en 'milieu' op grond van artikel 2.1 lid 1 onder e Wabo en een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming gecoördineerd voorbereid, gelijktijdig bekend gemaakt en ter inzage gelegd. Het voordeel van het toepassen van een coördinatieregeling is onder andere een versnelde rechtsgang (direct beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State). De gemeenteraad is bevoegd om het coördinatiebesluit te nemen en heeft dat op 6 juli 2017 gedaan. In dit coördinatiebesluit waren de uitvoeringsbesluiten echter niet specifiek opgenomen. Dit was op het moment van het nemen van het coördinatiebesluit ook nog onduidelijk.

Op 22 juni 2023 heeft de gemeenteraad een coördinatiebesluit genomen, waarin de uitvoeringsbesluiten wel specifiek zijn opgenomen: omgevingsvergunning voor de activiteit bouw (op grond van artikel 2.1 lid 1 sub a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht); omgevingsvergunning voor de activiteit milieu (op grond van artikel 2.1 lid 1 sub e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald (op grond van artikel 2.1 lid 1 sub b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht); ontheffingen (op grond van de artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbescherming). Voor het Windpark Rijnenburg en Reijerscop is door initiatiefnemer tevens een Wet natuurbescherming (Wnb) ontheffingsaanvraag als bedoeld in artikel 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbescherming voorbereid en ingediend. Hiervoor is (Gedeputeerde State van) de provincie Utrecht het bevoegd gezag. De aanvraag voor een ontheffing Wnb is in eerste instantie op 28 juli 2022 ingediend. Vervolgens is deze aanvraag op 11 mei 2023 ingetrokken en opnieuw ingediend (met het verzoek om de aanhaakplicht op grond van de Wabo te ontkoppelen).

Dit vanwege het verzoek van de provincie Utrecht om de aanvraag om ontheffing Wnb in te dienen, nadat Gedeputeerde Staten goedkeuring hebben gegeven op het verzoek van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht om de ontheffing Wnb mee te coördineren op grond van de gemeentelijke coördinatieregeling. Op 10 mei 2023 hebben Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht met het verzoek ingestemd. Dit besluit wordt dan ook gecoördineerd voorbereid. In aanvulling op de eerdere onderzoeken is medio 2023 nader onderzoek gedaan naar de vliegbewegingen van de grutto en de territoria van de weidevogels in het plangebied (zie hiervoor de bijlagen 21 en 22). Dit nadere onderzoek heeft geleid tot een wijzigingsverzoek op de eerdere ontheffingsaanvraag op de onderdelen compensatie van het leefgebied van de grutto en velduil en de stilstandsvoorziening. Op 18 december 2023 is het onderzoek door de initiatiefnemer aan de provincie Utrecht verstrekt. De Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht beoordeelt als bevoegd gezag het wijzigingsverzoek. Mogelijk worden de voorschriften in het ontwerpbesluit op de onderdelen voor het compensatiegebied en de stilstandsvoorziening naar aanleiding van deze beoordeling gewijzigd.

Wanneer er wijzigingen zijn in het ontwerpbesluit, worden deze wijzigingen opnieuw ter inzage gelegd en is er gelegenheid tot het indienen van zienswijzen. Er is voor gekozen om de Wnb ontheffing niet af te wachten en door te gaan met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. Voor de Wnb ontheffing blijft de gemeentelijke coördinatieregeling gelden. Het is mogelijk om de Wnb ontheffing later bekend te maken dan het bestemmingsplan met bijbehorend Combi-Milieueffectrapport inclusief de omgevingsvergunning. Hierdoor kunnen het bestemmingsplan met bijbehorend Combi-Milieueffectrapport, de omgevingsvergunning en de Wnb ontheffing, in het geval van beroep, tegelijk door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State behandeld worden.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

67

1.4.4

Vooruitlopen op de Omgevingswet

1.4.4.1 Voorbereiding omgevingsplan, Crisis- en herstelwet De gemeente Utrecht is opgenomen in artikel 7g van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Daardoor mag de gemeente de experimenteerbepalingen uit artikel 7c van dat besluit gebruiken. Dit plan maakt beperkt gebruik van die mogelijkheid. Artikel 7c geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om in een bestemmingsplan een verbod op te nemen om zonder vergunning een bepaalde activiteit te verrichten. Die bevoegdheid, vergelijkbaar met die van de toekomstige Omgevingswet, is een verruiming van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. In dit plan wordt hiervan gebruik gemaakt in de gevallen die: 1. 2.

planologisch aanvaardbaar zijn, als de initiatiefnemer aan bepaalde voorwaarden voldoet, en waarbij het van belang is dat de gemeente het initiatief vooraf toetst.

Een toets vooraf is bijvoorbeeld wenselijk, als de regel een open norm bevat, zoals "het straatbeeld mag niet worden aangetast". De vergunningprocedure geeft aan burgemeester en wethouders de mogelijkheid om de norm door deskundigen te laten toetsen, zoals een stedenbouwkundige of de commissie ruimtelijke kwaliteit, of om beleidsregels vast te stellen die de norm concreet maken. 1.4.4.2 Korte schets van de Omgevingswet De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. Doordat het Chw ontwerpbestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop voor 1 januari 2024 ter inzage heeft gelegen geldt op grond van het overgangsrecht nog de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingswet vraagt, onder meer, om een integrale benadering van de leefomgeving, gericht op een doelmatig beheer en ontwikkeling van de 'fysieke leefomgeving' (in dit plan kortweg 'de leefomgeving' genoemd). De gemeente krijgt meer ruimte om zelf te besluiten wat in een gebied het belangrijkst is. Verder wil de wet het aantal regels verminderen, ervoor zorgen dat de regels makkelijker te vinden en te begrijpen zijn en dat de procedures korter zijn. Om dat te bereiken bundelt de Omgevingswet zo'n 26 wetten in één wet en 100 Algemene maatregelen van bestuur (verder: AMvB; een AMvB is een besluit van de regering dat ook wettelijke regels bevat) in 4 AMvB's. Vervolgens zijn provincies en gemeenten aan zet.

De gemeenten moeten al hun bestemmingsplannen overhevelen naar één omgevingsplan. In het omgevingsplan moeten ook de regels over de leefomgeving worden opgenomen die nu nog in verordeningen staan, zoals regels uit de APV over het kappen van een boom. De Omgevingswet gaat over de leefomgeving, dus niet alleen over de ruimtelijke ordening, maar ook over milieuthema's en archeologie en over andere onderwerpen waar activiteiten bij horen die gevolgen kunnen hebben voor de leefomgeving, zoals windenergie of het beheersen van de gevolgen van de klimaatverandering. Die verbreding, van ruimtelijke ordening naar leefomgeving, geldt ook voor het omgevingsplan. 1.4.4.3 Nieuw in dit plan Het omgevingsplan krijgt het karakter van een verordening die regels stelt over activiteiten die effect kunnen hebben op de leefomgeving. Die verandering vraagt om nieuwe, andere regels. Dit plan is een eerste stap naar het omgevingsplan. De regeling van dit plan heeft namelijk een structuur die het overzetten van de regels naar het omgevingsplan dat bij de invoering van de Omgevingswet de bestemmingsplannen zal vervangen makkelijker maakt. De algemene regels in de hoofdstukken 3, 4 en 5 kunnen vrijwel ongewijzigd worden overgezet naar het omgevingsplan.

Dit plan maakt een scherper onderscheid tussen regels die direct verband houden met een bepaalde functie (bestemming) en regels die over een activiteit gaan die ook in andere functies (bestemmingen) denkbaar is. De regels over de activiteit 'bouwen' zijn bijvoorbeeld niet meer in het artikel over de functie geregeld. Het maakt voor het bouwen zelf niet uit of de functie Wonen of Industrie is. Uit het feit dat een locatie de functie Wonen heeft volgt bijvoorbeeld niet dat je maximaal 12 meter hoog mag bouwen. Een regel met een maximum bouwhoogte kan wel nodig zijn om aan te sluiten op de hoogte van de bebouwing in de omgeving of om te voorkomen dat woonruimtes ontstaan die niet goed zijn voor de gezondheid, bijvoorbeeld omdat er boven die hoogte te veel verkeerslawaai is. Door de nieuwe opzet zijn er veel minder regels nodig. Het systeem van de Omgevingswet biedt die mogelijkheid. Als iemand een activiteit wil ondernemen die niet in strijd is met de wet, maar wel in strijd is met het omgevingsplan, dan kan hij of zij een vergunning aanvragen om toestemming voor die activiteit te vragen. Een verbod in het omgevingsplan, zoals 'het is verboden om hoofdgebouwen te bouwen', heeft dus geen absoluut karakter.

Maar het zal duidelijk zijn dat de gemeente geen vergunning zal verlenen voor het bouwen van een huis midden op de openbare weg en wel voor de 6 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

Utrecht

vervanging van een afgebrand huis. 1.4.4.4 Nieuwe termen De Omgevingswet gebruikt nieuwe termen. Een 'bestemming' wordt in die wet 'functie' genoemd en 'gebruik' is straks een 'activiteit'. Om te oefenen met de nieuwe termen en om er alvast aan te wennen, zijn deze termen al gebruikt in de algemene regels. De term 'functie' betekent in dit plan: bestemming, gebruiksdoel; de term 'locaties' betekent hetzelfde als 'gronden' in het bestemmingsplan. 'Activiteit' kan doen, maar ook laten doen of nalaten betekenen. De Omgevingswet hanteert ook de term 'fysieke leefomgeving'. In dit plan spreken we van 'leefomgeving'. De regels voor de bescherming van de archeologische waarden zijn opgenomen in dit bestemmingsplan, omdat de gemeente de bestemmingsplanregels en de regels uit de Verordening op de archeologische monumentenzorg al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft samengevoegd tot één regeling en de archeologische vergunning wil onderbrengen onder het systeem van de Wabo en de Omgevingswet. 1.4.5

Afwijken van het bestemmingsplan

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) kan met een vergunning afgeweken worden van de regels van het bestemmingsplan. De Wabo geeft in artikel 2.12 drie methodes voor het verlenen van de vergunning om te mogen afwijken: 1.

2. 3.

de reguliere procedure voor het afwijken op grond van regels die in het bestemmingsplan zelf staan (Wet ruimtelijke ordening) en voor de vergunning voor een activiteit die op grond van de regels vergunbaar is (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet); de reguliere procedure voor het afwijken voor een activiteit die valt onder een categorie van de lijst van artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; als het bovenstaande niet van toepassing is: er moet een ruimtelijke onderbouwing gemaakt worden en de uniforme, openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gevolgd.

Het is dus altijd mogelijk om een vergunning aan te vragen om van regels van het bestemmingsplan af te mogen wijken. Onder de Omgevingswet blijft deze systematiek min of meer gehandhaafd, waarbij het volgen van de reguliere vergunningprocedure, het uitgangspunt is. Er is een duidelijk verschil tussen methode 1 enerzijds en de methodes 2 en 3 anderzijds. Bij de vergunningverlening volgens methode 1 toetst het college van burgemeester en wethouders de aanvraag alleen aan de regels van het bestemmingsplan. Als de aanvraag past, wordt de vergunning verleend. Het college bekijkt dus niet of de aanvraag voldoet aan de Wet ruimtelijke ordening, omdat de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan die toets al gedaan heeft. Bij de methodes 2 en 3 is dat anders en zal het college uitgebreider onderzoeken of het afwijken wel wenselijk is. Hieronder wordt dit met een voorbeeld verduidelijkt. Bij het opstellen van de regels van dit plan is rekening gehouden met de afwijkingsmogelijkheid onder 1 en met de andere methodes van afwijking. De regels verbieden veel activiteiten die tot verandering van de leefomgeving kunnen leiden, omdat dit plan in de eerste plaats wil zorgen voor een goed beheer van het plangebied. De regels verbieden bijvoorbeeld het zonder vergunning bouwen van hoofdgebouwen op locaties met de aanduiding 'overige zone - Omgevingskwaliteit'.

Het idee hierachter is dat alle hoofdgebouwen die in die zone gebouwd mochten worden al gebouwd zijn en dat er geen plaats is voor nieuwe hoofdgebouwen. Maar het kan zijn dat een gebouw afbrandt of dat de eigenaar een gebouw wil vervangen. De regels van het plan bieden voor zo'n geval de mogelijkheid om een vergunning aan te vragen: de hierboven beschreven methode 1 wordt dan gevolgd. Dat is logisch, omdat bij vervanging van een hoofdgebouw niet hoeft te worden getoetst of het gebouw planologisch aanvaardbaar is. Het kan ook zijn dat de eigenaar van een schoolgebouw een hotel wil vestigen in die school. Het plan staat dat niet toe, maar via methode 2 kan toch een vergunning verleend worden. Of er komt een plan om een bedrijf af te breken voor het bouwen van een flat, wat vergund kan worden met de derde methode. Bij dit soort initiatieven geeft het plan geen antwoord op de vraag of de ontwikkeling past in de omgeving. Dan moet de gemeente bijvoorbeeld onderzoeken of het initiatief in het gemeentelijke beleid past, in het eerste voorbeeld in ieder geval in het hotelbeleid en het verkeersbeleid. Het belang van het initiatief wordt uiteindelijk afgewogen tegen alle andere belangen die in het geding zijn, waaronder uiteraard de belangen van omwonenden. En de gemeente toetst natuurlijk ook of zo'n initiatief voldoet aan de wet en aan de verordening van de provincie.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

69

1.4.6

Vergunningvrij bouwen

In sommige gevallen is voor het bouwen geen omgevingsvergunning nodig. Dat geldt bijvoorbeeld voor het bouwen van bijgebouwen (schuurtjes) of aanbouwen achter of naast een huis die voldoen aan de wettelijke regels. Op internet kunt u de toelichting vinden in de publicatie van de regeling voor het vergunningvrij bouwen (Staatsblad 2014, nr. 333, pdf-versie, pagina 34 en verder). Ook met de toelichting van de rijksoverheid is de regeling voor het vergunningvrij bouwen nogal ingewikkeld. Er zijn bouwwerken die volledig vergunningvrij zijn (de lijst van artikel 2 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor)) en die vergunningvrij zijn, als het bouwwerk past in de regels van het bestemmingsplan (de lijst van artikel 3 van die bijlage). In schema ziet het er als volgt uit:

Lijst artikel 2, Bijlage II, Bor Lijst artikel 3, Bijlage II, Bor Andere bouwactiviteit

bouwvergunning technische toets nee nee ja

toets aan planologie (bestemmingsplan) nee ja ja

Voor de duidelijkheid: uit de tabel blijkt dat een volledig vergunningvrije bouwactiviteit ook mag, als het bestemmingsplan die activiteit verbiedt; voorbeeld: iemand bouwt een aanbouw achter de oorspronkelijke achtergevel van zijn huis die minder dan 4 meter diep is en lager dan 3 meter - dat mag zonder vergunning op grond van artikel 2, onderdeel 3a, van Bijlage II bij het Bor, ook al is de bouwactiviteit in strijd met het bestemmingsplan; een bouwactiviteit die past in het bestemmingsplan en die past in artikel 3 van Bijlage II van het Bor is ook vergunningvrij; voorbeeld: de gemeente bouwt een schommel in een groenstrook met een hoogte van 3 meter dat mag zonder vergunning op grond van artikel 3, onderdeel 4 van Bijlage II van het Bor, omdat het past binnen de regels (artikel 10, lid 10.4, onder b) van dit plan; een bouwactiviteit die past in het bestemmingsplan moet in andere gevallen wel aan de wettelijke, technische eisen voldoen en ook aan de bouwverordening van de gemeente.

1.5

Leeswijzer

Het bestemmingsplan Windpark Rijnenburg en Reijerscop bestaat uit een toelichting, de regels en een verbeelding. De toelichting is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 bevat de beschrijving van de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande situatie en in hoofdstuk 4 wordt het plan beschreven. In hoofdstuk 5 komen de onderzoeken aan bod. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 komt de juridische toelichting op de planregels aan bod. Daarnaast bestaat de toelichting uit verschillende bijlagen.

7 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 2 Relevante beleidskaders 2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Richtlijn 2009/28/EG en Nationale Klimaatakkoord

De Raad en Europees parlement hebben richtlijn 2009/28/EG vastgesteld op grond waarvan Nederland wordt verplicht om in 2020 14% van het totale bruto eindverbruik aan energie op te wekken met behulp van hernieuwbare bronnen. Deze richtlijn vormt de basis voor het rijksbeleid ten aanzien van de opwekking van duurzame energie. Op 28 juni 2019 is ook het nationale Klimaatakkoord gepubliceerd door het kabinet. Het doel is om ten minste 35 terawattuur (TWh) aan hernieuwbare energie op land te realiseren. Ook hier zullen decentrale overheden een rol in krijgen, al zal de invulling waarschijnlijk techniekneutraal zijn. Techniekneutraal betekent dat er geen specifieke techniek is voorgeschreven om het doel aan hernieuwbare energie op land te realiseren. De uitwerking van deze doelstelling van 35 TWh zal uitgevoerd worden in de regionale energiestrategieën (RES). De RES is een instrument om te komen tot keuzes voor de opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag en energie infrastructuur. Plangebied In Nederland is windenergie één van de goedkoopste manieren om duurzame energie op te wekken. Bij windenergie door middel van windturbines behoren de kosten per opgewekte kWh tot de laagste van alle duurzame opwekkings-vormen.

Om aan de ambitieuze doelstelling voor hernieuwbare energie op land te voldoen zal windenergie de komende jaren één van de meest kosteneffectieve wijzen om hernieuwbare energie te produceren zijn. Windpark Rijnenburg en Reijerscop kan hier een belangrijke bijdrage in leveren. Het bestemmingsplan is in lijn met de Richtlijn en het nationale Klimaatakkoord. 2.1.2

Nationale Omgevingsvisie (2020)

Op nationaal niveau is het vigerend ruimtelijk beleid vastgelegd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het gaat daarbij om het uitzetten van een koers om opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, in goede banen te leiden. Het streven is daarbij de kwaliteit van de leefomgeving te behouden en zoveel mogelijk te versterken. Prioriteiten binnen de NOVI zijn: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarnaast stelt de Rijksoverheid enkele nationale belangen vast, waarvoor zij de systeemverantwoordelijkheid draagt. Eén van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 C O2-arm is, en de daarvoor benodigde hoofdinfrastructuur. In dit nationale belang worden de afspraken in zowel het Klimaatakkoord van Parijs als het nationale Klimaatakkoord herbevestigd. Dit betekent dat de transitie naar een C O2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd moet zijn, door dan 95% minder uitstoot van broeikasgassen te realiseren ten opzichte van 1990.

In de NOVI worden ook richtingen meegegeven die bij de inpassing van duurzame energie – in RES-verband – kunnen worden gebruikt. De volgende zijn relevant voor het windpark: Voorkeur voor grootschalige clustering 1.

Grootschalige clustering van de productie van duurzame energie (door windturbines, eventueel in combinatie met zonnevelden) vermindert de ruimtelijke afwenteling en draagt bij aan kostenreductie. Waar mogelijk heeft dit de voorkeur, maar dit dient wel goed afgewogen te worden ten opzichte van (landschappelijke) effecten.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

71

Plangebied Met dit bestemmingsplan wordt een bijdrage geleverd aan een duurzame energievoorziening. De vier windturbines worden in elkaars nabijheid in een geknikte lijn gepositioneerd (grootschalige clustering van productie van duurzame energie). Het bestemmingsplan is in lijn met de NOVI. 2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2012) en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) (2012) In de Wet ruimtelijke ordening zijn de besluitmogelijkheden van gemeenten begrensd om nationale belangen te borgen of te beschermen. Wanneer namelijk nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kan een algemene maatregel van bestuur (AMvB) regels stellen over de inhoud van een bestemmingsplan. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, oftewel de AMvB Ruimte) zijn nationale belangen beschreven die om bescherming van het Rijk vragen, zoals bijvoorbeeld de 'erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'. Voor deze belangen is het Rijk namelijk verantwoordelijk. Verder zijn in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) nadere regels opgenomen voor onder andere militaire terreinen, radarverstoringsgebieden, reserveringen voor spoor en wegen en buisleidingen. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden, zoals de gemeente Utrecht, beleidsruimte.

Plangebied Het plangebied is gelegen binnen radarverstoringsgebieden (gebied waar beperkingen gelden ten aanzien van bestemmingsplannen ten behoeve van een goede werking van de radar op het radarstation) zoals opgenomen in het Rarro. De mate waarin het radarbeeld wordt verstoord door windturbines die de maximale hoogte van 90 meter, bedoeld in artikel 2.4, eerste, onderscheidenlijk tweede lid Rarro, overschrijden, is neergelegd in een rapport. Dit rapport is voorgelegd aan de Minister van Defensie en aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. In een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) geeft het Rijksvastgoedbedrijf namens het Commando Luchtstrijdkrachten van het ministerie van Defensie aan dat uit de uitgevoerde toetsing (op basis van de Vestas V162 turbine van 6.2 MW) blijkt dat het bouwplan aan de normen voldoet op alle radarlocaties (zie bijlage 1). Het ministerie van Defensie kan zich vinden in de onderzoeksresultaten van TNO en ziet daarnaast ook geen andere bezwaren om zich tegen de komst van dit windpark te keren. Hiermee is de uitvoerbaarheid van een windpark met de Vestas V162 turbine van 6.2 MW aangetoond. Voor het plaatsen van eventueel een ander type windturbine is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels (zie artikel 4 lid 4.3.2), omdat het ministerie van Defensie hiervoor nog geen goedkeuring heeft gegeven.

Het bestemmingsplan is in lijn met het Barro en Rarro. 2.1.4

Ladder voor duurzame verstedelijking (2017)

De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is in 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat overheden een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting van het bestemmingsplan moeten motiveren. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Het doel van de motivering op grond van de Ladder is een zorgvuldige afweging bij ruimtelijke besluiten die zorgt voor zuinig ruimtegebruik en tegengaan van overprogrammering en leegstand. Het besluit voldoet hiermee aan een goede ruimtelijke ordening. De toetsing aan de Ladder kan bij het opnemen van uitwerkingsplichten en wijzigingsbevoegdheden in het bestemmingsplan, doorschuiven naar de fase van de vaststelling van het uitwerkings- of wijzigingsplan. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet een motivering bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Wanneer het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet het bestemmingsplan een motivering bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Ladder is kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke besluiten van de decentrale overheden, waaronder de bestemmingsplannen van de gemeente Utrecht.

Beschrijving behoefte De behoefte is kort gezegd het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd. De Ladder bepaalt niet voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. De uitkomst van de beoordeling van de behoefte moet in de plantoelichting worden vermeld. Naast een kwantitatieve beoordeling vindt ook een kwalitatieve beoordeling plaats.

7 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

Utrecht

Beschrijving behoefte buiten het bestaand stedelijk gebied Wanneer de beoogde ontwikkeling niet kan plaatsvinden binnen het stedelijk gebied door bijvoorbeeld het toepassen van een andere bestemming van een gebied, herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden moet een motivering worden opgenomen waarom dit niet mogelijk is. Het bestaande stedelijk gebied kan worden gedefinieerd als het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De provincie Utrecht heeft in de Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening de afbakening van het bestaand stedelijk gebied vastgelegd. Plangebied Gelet op de nota van toelichting bij artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening, die gericht is op het tegengaan van leegstand, is een windpark geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 in samenhang met artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Besluit ruimtelijke ordening (dit is bevestigd in uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 maart 2016, met kenmerk ECLI:NL:RVS:2016:709).

Hierdoor hoeft de behoefte aan een windpark in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking niet nader gemotiveerd te worden. Ook voor de ontwikkelingen die niet als stedelijke ontwikkeling worden beschouwd, moet het bestemmingsplan een onderbouwing bevatten van de behoefte aan de ontwikkeling. Dit vanwege een goede ruimtelijke ordening en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De Raad en het Europees parlement hebben richtlijn 2009/28/EG vastgesteld op grond waarvan Nederland wordt verplicht om in 2020 14% van het totale bruto eindverbruik aan energie op te wekken met behulp van hernieuwbare bronnen. Deze richtlijn vormt de basis voor het rijksbeleid ten aanzien van de opwekking van duurzame energie. Op 28 juni 2019 is het nationale Klimaatakkoord gepubliceerd door het kabinet. Het doel is om ten minste 35 terawattuur (TWh) aan hernieuwbare energie op land te realiseren. In Nederland is windenergie één van de goedkoopste manieren om duurzame energie op te wekken. Bij windenergie door middel van windturbines behoren de kosten per opgewekte kWh tot de laagste van alle duurzame opwekkings-vormen. Om aan de ambitieuze doelstelling voor hernieuwbare energie op land te voldoen zal windenergie de komende jaren één van de meest kosteneffectieve wijzen om hernieuwbare energie te produceren zijn.

In de provinciale omgevingsvisie wordt het plangebied daarnaast aangeduid als locatie voor een Energielandschap (locatie waar grootschalige opwek via windturbines met een groot vermogen kan plaatsvinden). In het Coalitieakkoord 'Investeren in Utrecht: kiezen voor gelijke kansen, betaalbaar wonen en klimaat' is opgenomen dat wordt gekozen voor het ontwikkelen van een combinatie van permanente energieopwekking in het noorden en woningbouw conform scenario Klein Rijnenburg. Uit voorgaande blijkt dat er op diverse niveaus (Europees, landelijk, provinciaal en gemeentelijk) behoefte bestaat voor het realiseren van een windturbinepark.

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1

Provinciale Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening

Het beleid van de Provincie Utrecht voor de opwekking van duurzame energie is vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisie en de hierbij behorende Omgevingsverordening. Op 10 maart 2021 zijn de Interim Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening door de Provinciale Staten vastgesteld. Beide zijn vanaf 1 april 2021 in werking getreden. Om de opgave van de provincie – in 2040 energieneutraal - mogelijk te maken, wordt in de Omgevingsvisie en -verordening in verhouding tot het voorgaande beleid meer ruimte gegeven voor duurzame energieopwekking. In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie er in 2050 uitziet. De Omgevingsvisie geeft richting aan de toekomstige en fysieke leefomgeving. Dit is alles op, boven en onder de grond en inclusief de sociale aspecten zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. In de Interim Omgevingsverordening staan de regels en instructieregels die daarvoor nodig zijn. Provincie Utrecht geeft bij de onderstaande 7 thema's de provinciale belangen aan die verplichtingen met zich meebrengen. Dat geeft al een doorkijk naar deze instructieregels. Om voor te sorteren op de toekomst richt de Omgevingsvisie zich op een aantal ontwikkelingen: extra woningen die gebouwd moeten worden; toename van werkgelegenheid; toename van verkeer; energietransitie; klimaatverandering; verandering in de landbouw; versterking van natuur en recreatief groen.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

73

De provincie Utrecht vindt het daarbij belangrijk om de bestaande kwaliteiten te behouden, te versterken en in balans te laten zijn met deze ontwikkelingen. De ruimte voor ontwikkelingen is beperkt, terwijl de vraag naar ruimte groot is. In de Omgevingsvisie constateert de provincie dat duurzame energie een nieuwe grote ruimtevrager is. De provincie vindt het belangrijk dat er ruimte is voor de realisatie van de duurzame energiebronnen. In de omgevingsvisie geeft de provincie aan waar duurzame energieprojecten vanuit ruimtelijk perspectief mogelijk zijn in de provincie Utrecht. Algemene uitgangspunten en kaders voor initiatieven zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Daarbij vraagt de provincie om bij ruimtelijke invulling rekening te houden met andere provinciale belangen. Een meer gedetailleerde ruimtelijke uitwerking van de opgave voor energietransitie vindt plaats in het kader van de Regionale Energiestrategieën (RES), waarin de provincie partner is. In de Omgevingsvisie is een themakaart voor energie opgenomen. Uit de themakaart blijkt dat de polders Rijnenburg en Reijerscop van de gemeente Utrecht benoemd zijn als tijdelijk Energielandschap en voor de lange termijn als een zoekgebied voor grootschalige integrale ontwikkeling wonen-werken-bereikbaarheid.

Bij de inpassing van duurzame energie in de omgeving wil de provincie zorgvuldig te werk gaan en rekening houden met de Utrechtse kwaliteiten. Er kunnen compenserende maatregelen nodig zijn om aantasting te beperken. De provincie realiseert zich dat gezocht moet worden naar een nieuw evenwicht tussen grootschalige opwek van duurzame energie en aanwezige kwaliteiten en functies. Bij de inpassing van grootschalige hernieuwbare energieopwekking wenst de provincie aansluiting te zoeken bij belangrijke structuren in het landschap, en bij voorkeur ook bij snel- en waterwegen. Daarnaast geeft de provincie de voorkeur aan concentratie van duurzame bronnen. Hiermee wordt spreiding voorkomen en wordt de energie-infrastructuur optimaal benut. De provincie accepteert dat vanwege de omvang van de opgave haar voorkeuren niet overal gevolgd kunnen worden. In de Interim Omgevingsverordening is opgenomen dat op locaties binnen 'Windenergie' op kaart 11 'Energie' de voorkeur uitgaat naar een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines met een vermogen van 3 MW of meer. Deze bepaling geldt alleen voor landelijk gebied met uitzondering van Natura 2000-gebieden en ganzenrustgebieden. Windturbines met een ashoogte tot 20 meter zijn in het landelijk gebied op of in aansluiting op een bestaand bouwperceel mogelijk.

De windturbines van 3 MW of meer dienen in een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines te worden opgesteld en tevens dient een opruimplicht na beëindiging van de activiteit van toepassing te zijn. Bij het plaatsen van de windturbines moet rekening worden gehouden met de kernkwaliteiten van de Utrechtse Landschappen. In artikel 7.3 'Kwaliteit van landschappen' van de Interim Omgevingsverordening is beschreven dat een landschap geen statisch plaatje is. Het is altijd in ontwikkeling en dynamiek hoort daarin. In het werken met landschapskwaliteit wordt uitgegaan van een samenspel tussen beeld (wat zie je), functies (wat gebeurt er) en robuuste structuren (samenhang, relaties). Elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiten bij de kernkwaliteiten. De Bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap beschrijft per landschap welke kernkwaliteiten beschermd moeten worden. Voor het landschap Groene Hart wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden: openheid; (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); landschappelijke diversiteit; rust & stilte. Een aantasting van het landschap is onevenredig als het belang van de nieuwe ontwikkeling niet opweegt tegen de aantasting van de kernkwaliteiten. Een goede locatiekeuze beperkt de schade voor het landschap.

Daarnaast is een goede landschappelijke inpassing vereist die in de regels van het plan is geborgd. Plangebied Energielandschap Het plangebied wordt in de provinciale omgevingsvisie aangeduid als locatie voor een Energielandschap (locatie waar grootschalige opwek via windturbines met een groot vermogen en zonnevelden is voorzien). Het plangebied heeft op basis van de Interim Omgevingsverordening de aanduidingen 'Energie' en 'Windenergie en Zonnevelden'. Voor een locatie met de aanduiding 'Windenergie' wordt vanuit artikel 5.4 van de Interim Omgevingsverordening meegegeven dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen 'Windenergie' bestemmingen en regels kan bevatten die de realisatie van windturbines met een vermogen van 3MW of meer toestaan, mits (voor zover relevant) voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de windturbines worden in een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines opgesteld; en 7 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

Utrecht

b. voorzien wordt in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan, een beeldkwaliteitsparagraaf en een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken. Dit bestemmingsplan voorziet in een beperkte en overzichtelijke gebogen enkele lijn opstelling van 4 windturbines met een opgesteld nominaal vermogen van circa 4-8 MW per windturbine. Het plan tast de kernkwaliteiten van het landschap Groene Hart niet onevenredig aan, omdat de openheid wordt behouden (rondom de 4 windturbines is vrij zicht en openheid geborgd), het (veen)weidekarakter wordt behouden (de strokenverkaveling en lintbebouwing worden gerespecteerd), de landschappelijke diversiteit blijft intact (landschapstypen 'de waard' en de 'oude stroomrug' blijven te onderscheiden) en rust & stilte worden gerespecteerd (het verschil in dynamiek tussen de stad en de velden wordt benut voor de opwekking van duurzame energie). Het plan kent een windturbinepositie binnen de 'recreatiezone' uit de provinciale verordening. Deze windturbinepositie hoeft in principe niet belemmerend te zijn voor het behoud en realisatie van recreatief groen. Hierbij wordt ook verwezen naar de beeldkwaliteitsparagraaf (hoofdstuk 4 en paragraaf 5.10).

Dit bestemmingsplan voorziet daarnaast in een planregel over de opruimplicht na beëindiging van de activiteit, zie artikel 4 lid 4.3.1 van de regels. Paragraaf 6.2.2 bevat een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken. Overstroombaar gebied Het plangebied is op basis van de Interim omgevingsverordening aangewezen als overstroombaar gebied. Artikel 2.10 bepaalt dat het bestemmingsplan bestemmingen en regels bevat die rekening houden met overstromingsrisico's. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten (zoals een elektriciteitscentrale) en woonwijken en bedrijventerreinen. Lid 2 bepaalt dat een bestemmingsplan een omschrijving bevat van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan. Vanwege dit mogelijke overstromingsrisico is in de planregels vastgelegd dat de windturbines, schakelkasten, transformatoren, kraanopstelplaatsen, het transformatorstation en de inkoopruimte minimaal 1,5 meter boven peil aangelegd moeten worden. Bereikbaarheid Vanwege de bereikbaarheid geeft artikel 4.1 lid 1 van de Interim Omgevingsverordening aan dat een bestemmingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien waarborgt dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen.

Lid 2 geeft aan dat de motivering op het bestemmingsplan een beschrijving bevat: van het aantal verplaatsingen die deze nieuwe ontwikkeling tot gevolg heeft; een beschrijving van de wijze waarop het plangebied wordt ontsloten voor de verschillende vervoerswijzen; een analyse of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het omliggende (regionale) verkeers- en vervoersnetwerk voor de diverse vervoerswijzen kunnen ontstaan en; een analyse of de bereikbaarheid door de beoogde ontwikkelingen wordt verslechterd en of de reistijd significant toeneemt. Wanneer uit de analyse blijkt dat er mogelijk sprake is van een verslechtering van de bereikbaarheid of toename van knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk wordt een mobiliteitstoets uitgevoerd. Alleen het onderhoud van de windturbines zal enige mobiliteit met zich meebrengen. Dit vindt echter zo weinig plaats (circa 1 keer per maand licht verkeer en 1 keer per maand middelzwaar verkeer), dat dit geen effect zal hebben op de bereikbaarheid van het gebied. Daarnaast zal het plangebied om dezelfde wijze ontsloten blijven als in de bestaande situatie. Wel voorziet het bestemmingsplan in het toevoegen van permanente toegangswegen naar elke windturbine toe, zodat de windturbines voor onderhoud bereikbaar zijn. Vanwege voorgaande is het niet nodig om een mobiliteitstoets uit te voeren.

Het bestemmingsplan is hiermee in lijn met de Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening. 2.2.2

Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021

De provincie Utrecht legt het beleid op basis van de provinciale wettelijke taken voor bodem, water en milieu vast voor de periode 2016-2021 in het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 (BWM-plan). Het BWM-plan richt zich op vier belangrijke maatschappelijke opgaven, ook wel prioriteiten genoemd. De prioriteiten zijn: waterveiligheid en wateroverlast, schoon en voldoende oppervlaktewater, bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

75

ondergrond en leefkwaliteit stedelijk gebied. Deze prioriteiten dragen rechtstreeks bij aan de kerntaken van de provincie (economische ontwikkeling, ruimtelijke ontwikkeling, natuur en landschap, bereikbaarheid en cultuurhistorisch erfgoed). Naast prioriteiten heeft de provincie basiskwaliteiten benoemd voor het bodem-, water- en milieubeleid. Deze zijn bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid (inclusief geur en licht) en externe veiligheid. Deze zes basiskwaliteiten zijn voorwaardelijk voor het uitvoeren van de provinciale kerntaken en het realiseren van de ontwikkelopgaven en vormen een stevige basis voor een veilige, gezonde en duurzame woon-, werk- en leefomgeving. Aan de basiskwaliteiten liggen wettelijke normen ten grondslag waarmee de minimumkwaliteit bepaald is. Waar de basiskwaliteiten in bestaande situaties niet voldoen aan de eisen en wensen van het gebruik, biedt het bodem-, water- en milieubeleid handvatten die het oplossen of verminderen van de problemen ondersteunen. Plangebied Het plangebied is gelegen in overstroombaar gebied. Bij het bouwen in een overstroombaar gebied dient te worden aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met overstromingsgevaar en welke maatregelen zijn genomen. Dit geldt voor nieuw te bouwen grootschalige woonwijken, grootschalige bedrijventerreinen en voor vitale en kwetsbare objecten.

Hiervoor verwijzen wij naar de tekst onder het kopje 'Overstroombaar gebied' in paragraaf 2.2.1. In het plangebied zijn enkele gebieden waar aandacht is voor het beperken van bodemdaling. Het HDSR vraagt als waterbeheerder aandacht te hebben voor het beperken van de bodemdaling en het tegengaan van versnippering. In veengebieden wil het HDSR geen vergroting van de drooglegging tenzij dit noodzakelijk is voor het duurzaam uitoefenen van de functie. Het HDSR vraagt de waterbeheerder bij nieuwe peilbesluiten er naar te streven waar mogelijk de drooglegging te beperken tot 60 cm. Het voorgenomen plan betreft geen drooglegging derhalve geldt voorgaande niet voor het plan. Uit het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 volgen geen aanvullende kaders voor het bestemmingsplan. 2.2.3

Waterkoers 2016-2021

Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Het waterschap heeft haar ambities en visies vastgelegd in de Waterkoers 2016-2021. De koers is een omslag in denken, waarbij het waterschap zich flexibel opstelt en daarbij ruimte laat voor initiatieven uit de samenleving. Andere onderwerpen die in de Waterkoers aan de orde komen zijn waterveiligheid, voldoende water, gezond water, gezuiverd afvalwater en genieten van water. Plangebied Uit de Waterkoers 2016-2021 volgen geen relevante kaders voor het bestemmingsplan.

2.3

Gemeentelijk beleid

2.3.1 Coalitieakkoord Utrecht 2022-2026 'Investeren in Utrecht: kiezen voor gelijke kansen, betaalbaar wonen en klimaat' Op 1 juni 2022 is het coalitieakkoord gepresenteerd. In het coalitieakkoord staat aan welke onderwerpen de coalitiepartijen GroenLinks, D66, PvdA, Student&Starter en ChristenUnie de komende jaren in Utrecht willen werken. In Utrecht wordt gebouwd, gewerkt en geleefd. Het gaat goed met veel inwoners. Maar er zijn ook Utrechters die moeite hebben mee te komen in de maatschappij. De coalitiepartijen willen werken aan gelijke kansen, betaalbare woningen en het klimaat: De groeiende ongelijkheid in de stad De coalitiepartijen zetten een stap extra voor Utrechters die steun in de rug nodig hebben. De aandacht gaat vooral uit naar Utrechters bij wie het niet vanzelf goed gaat. Voor de doelen en maatregelen in het coalitieakkoord geldt het principe 'ongelijk investeren voor gelijke kansen'. Sociale en ruimtelijke vraagstukken gaan hier hand in hand: een prettige en veilige leefomgeving met voldoende voorzieningen, goed onderwijs, een stage of baan en (mentale) gezondheid zijn hierbij allemaal belangrijk. De grote woningnood Met een sociaal volkshuisvestingsbeleid willen de coalitiepartijen ervoor zorgen dat mensen in onze 7 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

Utrecht

stad kunnen blijven wonen of kunnen komen wonen. De coalitiepartijen vinden het belangrijk dat Utrecht een leefbare, betaalbare, duurzame en gezonde stad is en blijft. Groei is geen doel op zich, het moet duurzaam in balans zijn. Dat betekent dat er ruimte moet zijn voor zowel rust als reuring. Het houdt ook in dat woningen duurzaam, betaalbaar en van goede kwaliteit zijn. En het betekent ook dat er genoeg voorzieningen in de wijken zijn. Het grote tekort aan betaalbare woningen vergroot de ongelijkheid tussen mensen. Daarom grijpen de coalitiepartijen in bij grote ongelijkheid op de woningmarkt. Ook hier is extra aandacht voor groepen die niet automatisch de ruimte krijgen, zoals mensen met lage inkomens, studenten, daklozen, starters en ouderen. De klimaatcrisis De coalitiepartijen kiezen voor stevige maatregelen om een bijdrage te leveren aan het aanpakken van de klimaatcrisis. De coalitiepartijen benutten alle mogelijkheden voor duurzame energieproductie binnen de Utrechtse gemeentegrenzen en gaan met bewoners en ondernemers ambitieus aan de slag met energiebesparing. Nieuwbouw is energiezuinig en klimaatadaptief en de coalitiepartijen gaan actief aan de slag met geothermie en aquathermie.

De coalitiepartijen blijven investeren in lopen, fietsen, openbaar vervoer en elektrisch rijden om de brandstofmotor uit de stad te laten verdwijnen en om een bijdrage te leveren aan de wereldwijde klimaataanpak. De coalitiepartijen geven groen in de stad een flinke impuls en maken de openbare ruimte zoveel mogelijk publiek toegankelijk. Rond de stad creëren de coalitiepartijen natuur en landschap van groter formaat met een combinatie van natuur, recreatie en energieproductie. Naast deze 3 grote opdrachten zien de coalitiepartijen ook veel kansen voor Utrecht. Utrecht is een (veer)krachtige stad. Kennisinstituten, bedrijven en maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met gezondheid voegen zich samen in onze stad en regio. Dit past heel goed bij het doel dat de gemeente Utrecht al jaren heeft: gezond stedelijk leven voor iedereen mogelijk maken. Samenwerking met (maatschappelijke) partners op het thema gezondheid is één van de manieren om de grote uitdagingen van onze tijd aan te pakken. Plangebied In het Coalitieakkoord is opgenomen dat wordt gekozen voor het ontwikkelen van een combinatie van permanente energieopwekking in het noorden en woningbouw conform scenario Klein Rijnenburg. Het College geeft aan te blijven inzetten op volle capaciteit van het energielandschap.

Ze is bereid dit te optimaliseren door als overheid een stevige rol te nemen en de middelen toe te passen die nodig zijn, zoals actief grondbeleid en onteigening. Het noorden van de polder wil ze verder gebruiken voor natuur, sport en recreatie. Het bestemmingsplan is in lijn met het Coalitieakkoord. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is rekening gehouden met de eventuele ontwikkeling van Klein Rijnenburg, zodat het windturbinepark en de eventuele ontwikkeling van Klein Rijnenburg verenigbaar zijn met elkaar. Figuur 2 Scenario Klein Rijnenburg uit Ontwerpstudie Rijnenburg (PosadMaxwan en Goudappel, 2022)

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

77

2.3.2

Omgevingsvisie Utrecht

In de omgevingsvisie staat wat het gemeentelijke beleid is voor de 'fysieke leefomgeving'. Dit is de omgeving waarin we wonen, werken en recreëren. De ondergrond, de lucht en het water maken deel uit van de leefomgeving, maar ook de gebouwen, bestrating en planten. De omgevingsvisie bevat drie niveaus: 1.

2.

3.

De koers: het beleid voor de lange termijn. Utrecht kiest voor een gezonde groei als koers voor de lange termijn. Utrecht groeit van een gemeente met 340.000 inwoners in 2016 naar ongeveer 455.000 inwoners in 2040. Daarom bouwen we de komende jaren duizenden woningen. Bij het bouwen van nieuwe woningen staan gezondheid, leefbaarheid en duurzaamheid voorop. De gemeente wil de woningen binnen het stedelijk gebied bouwen en daarbij flink investeren in de openbare ruimte en voorzieningen. Thematisch beleid: het gemeentelijke beleid over een bepaald onderwerp. Het thematisch beleid, ook wel sectoraal beleid genoemd, beziet een bepaald aspect van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld geluidhinder, verkeer of bodemkwaliteit. Deze aspecten vertegenwoordigen een belang dat door het gemeentebestuur wordt meegewogen, als het bestuur een besluit neemt over een activiteit die invloed kan hebben op de fysieke leefomgeving. Bij het bouwen van een nieuwe woonwijk, onderzoekt de gemeente of dat wel kan gezien de geluidhinder rond die woonwijk, of het verkeer wel goed afgewikkeld kan worden en of de bodemgesteldheid het bouwen van woningen toelaat. De uitkomst van dat onderzoek kan bijvoorbeeld zijn dat de gemeente het bouwen niet gaat toestaan of onder bepaalde voorwaarden. Gebiedsbeleid: beleid dat alleen in een bepaald gebied geldt.

In gebiedsbeleid staat wat de gemeente in een gebied, wijk of buurt wil. De koers en het thematische beleid worden vertaald in beleid voor dat gebied, voor zover dat mogelijk is. Uit het gebiedsbeleid kan afgeleid worden welke veranderingen de gemeente wil toestaan en welke waarden in het gebied behouden moeten blijven.

De omgevingsvisie is digitaal te raadplegen via: www.utrecht.nl/bestuur-en-organisatie/beleid/omgevingsvisie/. Niet alle gemeentelijke beleidskaders hebben betrekking op het plangebied. Hieronder worden daarom alleen de relevante beleidskaders nader toegelicht.

7 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

Utrecht

2.3.2.1 De koers De gemeente Utrecht heeft nieuwe ruimtelijke strategie uitgewerkt: 'Ruimtelijke strategie 2040: Utrecht dichtbij: de tien-minutenstad' (2021). Hierin geeft de gemeente Utrecht aan hoe zij haar stad op de lange termijn wil inrichten. Binnen deze doorontwikkeling is ruimte voor het opwekken van duurzame energie binnen de gemeente Utrecht. De volgende doelstellingen en voorwaarden zijn hierin opgenomen: De gemeente heeft als doelstelling om zo snel mogelijk klimaatneutraal te zijn. Onderdeel daarvan is het bieden van ruimte voor duurzame energie. Energielandschap Rijnenburg & Reijerscop is één van de lopende projecten waarvoor al zoekgebieden voor zon en wind zijn vastgesteld. Voor het realiseren van zonnevelden en windturbines gelden de volgende principes. Bij zonnevelden en rond windturbines wordt ernaar gestreefd om energieproductie te combineren met andere functies zoals bijvoorbeeld agrarisch gebruik, waterberging en natuur. Bij de vormgeving van zonnevelden en windturbines, inclusief bijbehorende objecten (bijvoorbeeld gebouwen en hekwerken) wordt rekening gehouden met gebiedseigen waarden en kenmerken. Bij realisatie van zonnevelden en windturbines in de cultuurhistorische hoofdstructuur wordt rekening gehouden met de waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden.

Bij realisatie van windturbines binnen een afstand van twee kilometer tot woonwijken worden regels gesteld om de effecten van geluid en slagschaduw meer te beperken dan wettelijk verplicht. Op 9 maart 2023 heeft de gemeenteraad naar aanleiding van het coalitieakkoord 2022-2026 de Oplegger RSU2040 vastgesteld. Hierin staan nieuwe afspraken als toevoeging aan de RSU2040: bouwen in Rijnenburg; groei is geen doel op zich, we groeien in balans; we kiezen voor kwaliteit en leefbaarheid voor de bestaande en groeiende stad. Over bouwen in Rijnenburg is opgenomen dat naast een definitieve plek voor een energielandschap in het noorden is gekozen voor een compacte gemengde stedelijke wijk (tussen de 22.000 en 25.000 woningen met bijbehorende (groen)voorzieningen en ruimte voor werkgelegenheid), die circulair, klimaatneutraal, en natuurinclusief is. Deze wijk, conform scenario Klein Rijnenburg, komt er na 2035. Voor 2035 is hier ruimte voor tijdelijke woningbouw en start de ontwikkeling van het energielandschap i.c.m. groen, sport en recreatie. Plangebied Voor het plangebied gelden enkele specifieke kaders uit de RSU. O.a. energieproductie combineren met andere functies, rekening houden met gebiedseigen waarden en kenmerken, rekening houden met waarden van cultuurhistorische hoofdstructuur en binnen twee kilometer van woonwijken worden regels gesteld om milieueffecten te beperken.

In het bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan deze specifieke kaders. Agrarisch gebruik van de gronden blijft mogelijk onder de windturbines, gebiedseigen waarden en kenmerken en waarden van cultuurhistorische hoofdstructuur worden overwogen (zie ook paragraaf 5.8 en 5.10) en regels om milieueffecten te beperken worden gegeven. In lijn met de Oplegger RSU2040 wordt met dit bestemmingsplan een permanent energielandschap mogelijk gemaakt in het noorden van Rijnenburg, wat gecombineerd kan worden met woningbouw conform scenario Klein Rijnenburg. Het bestemmingsplan is daarmee in lijn met de RSU. 2.3.2.2

Thematisch beleid

2.3.2.2.1 Wonen Woonvisie Utrecht beter in balans De woonvisie Utrecht beter in balans is op 18 juli 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. In de woonvisie zijn de punten van het collegeakkoord verwerkt. Daarin streven we naar goede betaalbare duurzame woningen in gemengde wijken. De horizon voor de visie op de Utrechtse woningmarkt is 2040. Onze ambities vragen meerjarige inzet en meervoudig sturen. Vanuit die visie en aanpak zijn voor de korte termijn vijf speerpunten en bijbehorende activiteiten benoemd en uitgewerkt die we volgen en zo nodig tussentijds bijstellen. Voor de komende jaren zijn dat: Versnellen en (langdurig) verhogen bouwproductie; We benutten de groei van onze stad om onze partners te stimuleren de bouwproductie hoog te houden om aan te sluiten op de gezamenlijke ambities. Daarmee werken we naar streefpercentages voor de lange termijn. Meer gemengde wijken; bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan, Windpark Rijnenburg en Reijerscop" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=7c121e37-06a0-4865-aac3-9db7af0278ef