CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht_Toelichting.pdf

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 8 december 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht44.447 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel dat de bebouwde omgeving in 2050 nog steeds aantrekkelijk is om te leven en dat ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig zijn opgebouwd en getoetst. Gemeente Utrecht heeft samen met andere overheden deze deltabeslissing onderschreven en werkt samen in de Coalitie Regio Utrecht aan de opgaven. Wateroverlast Uitgangspunten in de Visie Water en Riolering zijn: Vuil water en schoon regenwater worden zoveel mogelijk gescheiden en bestrating en dakvlakken worden zoveel mogelijk aangesloten op een regenwatersysteem. Regenwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden op de plek waar het valt en wordt zichtbaar over het oppervlak afgevoerd i.p.v. ondergronds. Buien tot 20 mm per uur kunnen verwerkt worden zonder dat er water op straat blijft staan. Zelfs bij zeer extreme regenbuien van 80 mm in een uur mag geen schade ontstaan aan gebouwen en nutsvoorzieningen en worden veiligheidsrisico's voorkomen. Wegen, parkeerplaatsen, pleinen en groenvoorzieningen kunnen bijdragen aan tijdelijke waterberging bij extreme regenval. Aandachtspunten hierbij zijn de profilering van het terrein en hoogteliggingen. Er moet dus gezorgd worden voor voldoende hoogteverschil tussen vloer- en wegpeilen. Regenwater mag niet langer dan 3 uur op straat staan. Voorkeursvolgorde Voor het verwerken van regenwater wordt in Utrecht een voorkeursvolgorde aangehouden.

Allereerst wordt water zoveel mogelijk vastgehouden om her te gebruiken. Pas daarna stroomt regenwater oppervlakkig af naar bovengrondse bergingsvoorzieningen t.b.v. infiltratie. Als dat niet kan wordt water geborgen en geïnfiltreerd in ondergrondse voorzieningen. Pas als het regenwater ook niet afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater wordt het afgevoerd naar de rioolwaterzuivering. Droogte Om droogteschade te voorkomen moet de sponswerking van de bodem vergroot worden. Hiervoor moet zoveel mogelijk regenwater vastgehouden en geïnfiltreerd worden. Uitgangspunten daarvoor zijn: 2 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

Minimaal 90% van het regenwater wordt in het gebied opgevangen en verwerkt zonder afwenteling op het oppervlaktewater. Hiervoor moet 15 mm regenwater per m2 verharding (incl. dakvlakken) vastgehouden kunnen worden in daarvoor bestemde infiltratievoorzieningen. Deze voorzieningen moeten in minimaal 10 en maximaal 48 uur leeg kunnen lopen. Om zoveel mogelijk water vast te kunnen houden is voor het ontwerp en inrichting van de openbare ruimte “groen, tenzij” het leidende principe. Verharding voegen we alleen toe als het nodig is om het gewenste gebruik en beheer te faciliteren. Daken en gevels zijn zo groen mogelijk ingericht volgens het principe “geen dak of gevel onbenut”. Daarbij worden bij voorkeur zonnepanelen gecombineerd met groen. Met name daken waarop zicht is vanuit woningen, worden groen uitgevoerd. Hitte Hittestress wordt vooral bepaald door de gevoelstemperatuur. Dit is, naast luchttemperatuur, gebaseerd op factoren zoals luchtvochtigheid, de aanwezigheid van wind en de straling van de zon en omliggende gebouwen. In steden is het, door de aanwezigheid van verharding en gebouwen, extra warm. Hier kan het ongeveer 7 tot 10 graden warmer aanvoelen dan het landelijke gebied. Dit noemen we het 'hitte eiland effect': steden nemen overdag meer warmte op en stoten deze 's nachts langzaam af, waardoor het vooral 's nachts warm blijft in de stad.

Voor Utrecht streven we naar een stad waarin het hitte-eiland effect beperkt is tot een verschil in gevoelstemperatuur van maximaal 5 graden Celsius ten opzichte van het buitengebied (referentie KNMI de Bilt). De Gemeente Utrecht heeft in de klimaatadaptatievisie de volgende uitgangspunten opgesteld om hittestress te verminderen: Op de belangrijkste looproutes moet er op het heetst van de dag 40% schaduw aanwezig zijn en in overige loopgebieden is er op het heetst van de dag 30% schaduw. De minimale afstand tot een koelteplek is 200 meter; Er is minimaal 40 % groen per wijk. Plangebied Het aspect water is in dit bestemmingsplan verder uitgewerkt in paragraaf 5.11. 2.3.8

Geluidnota Utrecht 2014-2018 (2014)

De Geluidnota Utrecht 2014-2018 is op 11 februari 2014 vastgesteld en geldt tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit beleid gaat over het beperken en minimaliseren van geluidhinder bij ruimtelijke ontwikkelingen in Utrecht. De Geluidnota heeft betrekking op weg-, rail- en industrielawaai. Hiervoor is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. Daarbinnen is echter ook ruimte voor gemeentelijke beleidsvrijheden. In de Geluidnota wordt aangegeven hoe hier mee wordt omgegaan. De belangrijkste regels uit de Geluidnota zijn: nieuw te bestemmen woningen beschikken over een geluidsluwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch goede woningindeling; behoud van goed akoestisch woon- en leefklimaat in rustige woonwijken bij bestemmen van nieuwe woningen en bedrijven in elkaars nabijheid. Ook onderwerpen, die meer algemeen onder het begrip "een goede ruimtelijke ordening" vallen, worden in de Geluidnota beschreven. Vanwege de ligging nabij diverse wegen vraagt het aspect geluid om een nadere beschouwing voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van industrie- of railverkeerslawaai in het kader van de Wet geluidhinder. In paragraaf 5.1 wordt nader ingegaan op het onderwerp geluidhinder. 2.3.9

De Utrechtse Erfgoedagenda (2013)

De Utrechtse Erfgoedagenda is in 2013 vastgesteld. Utrecht heeft veel erfgoed. Van bewoningssporen uit de bronstijd tot naoorlogse bouwkunst in wijken als Kanaleneiland en Overvecht. Utrecht is een van de oudste steden van Nederland en dat is overal terug te vinden. Utrecht is in de afgelopen decennia zo zorgvuldig mogelijk met het erfgoed omgegaan. En zal dit blijven doen. De Utrechtse Erfgoedagenda beschrijft het beleid, de projecten en de aandachtsgebieden voor monumenten, archeologie en architectuur- en bouwhistorie en de mate waarin deze objecten toegankelijk zijn voor publiek. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

23

Binnen het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden. De beoogde ontwikkeling gaat dan ook niet gepaard met een mogelijke verstoring van cultuurhistorische waarden. 2.3.10 Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een gebiedsaanduiding voor archeologie op te nemen. In deze gebiedsaanduiding is opgenomen dat de voor archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Hiermee wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met regels in het bestemmingsplan. Met de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Plangebied Ten behoeve van het bestemmingsplan heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden. In het bestemmingsplan regels en aanduidingen op de verbeelding opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen. In paragraaf 5.12 wordt dit aspect nader toegelicht.

2.3.11 Utrecht kiest voor gezonde lucht, luchtkwaliteitsbeleid en Uitvoeringsprogramma 2020-2025 De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Bij lucht gaat het om de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. Wegverkeer is, samen met de achtergrondconcentratie in Utrecht, in belangrijke mate bepalend voor de luchtkwaliteit. Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer, zodat het project juridisch kan worden vergund. Dat houdt echter niet in dat er geen gezondheidseffecten zijn. Ook onder de EU-grenswaarden zijn er gezondheidseffecten. De Utrechtse gemeenteraad heeft daarom in 2015 via een motie (2015-78) het college de opdracht gegeven om lagere blootstellingswaarden voor fijnstof te realiseren waarbij gekeken wordt naar de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) advieswaarden. Op 10 december 2020 heeft de gemeenteraad het 'Uitvoeringsprogramma Luchtkwaliteit 2020-2025, Utrecht kiest voor gezonde lucht' vastgesteld. Deze nota bevat het luchtkwaliteitsbeleid van de gemeente Utrecht en een samenhangend pakket maatregelen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren, waarmee we versneld op weg gaan naar het behalen van de gezondheidskundige advieswaarden voor luchtkwaliteit van de Wereldgezondheidsorganisatie.

Het pakket bevat maatregelen, zoals het instellen van milieuzones voor personen-, bestel- en vrachtwagens, een sloopsubsidie voor oude dieselauto's, het verbieden van mobiele (bouw)werktuigen lager dan Fase IV, een voorlichtingscampagne en subsidieregeling op het gebied van (het terugdringen) van emissies veroorzaakt door houtstook, en het verplaatsen van snorfietsen van het fietspad naar de rijbaan op een samenhangend netwerk van wegen.

Kader De realisatie van de beoogde ontwikkeling kan invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en de nabije omgeving. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het aspect luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn, samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging. In artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening moet houden met de effecten op de luchtkwaliteit. Wet milieubeheer De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. In de Wet luchtkwaliteit en bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen.

In tabel 5.1 zijn de grenswaarden voor de luchtkwaliteit bepalende verbindingen fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) opgenomen. Tabel 3:

Grenswaarden conform de Wet milieubeheer

2 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

Stof PM2,5 PM10 NO2

Type norm Jaargemiddelde Jaargemiddelde Daggemiddelde dat 35 keer per jaar mag worden overschreden Jaargemiddelde Uurgemiddelde dat 18 keer per jaar mag worden overschreden

Concentratie in µg/m3 25 40 50 40 200

De overige in de Wet milieubeheer opgenomen verbindingen vormen geen probleem meer in Nederland. De concentraties van deze verbindingen vertonen een dalende trend en zijn dermate laag dat overschrijding van de daarvoor geldende grens- of richtwaarden redelijkerwijs uitgesloten is. Deze verbindingen worden dan ook niet nader beschouwd. WHO-advieswaarden De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze advieswaarden zijn voor fijnstof strenger dan de wettelijke (Europese) grenswaarden. De WHO stelt zelfs dat er géén veilige concentratie is aan te geven voor fijnstof; op grond van haalbaarheid heeft zij daarom een gezondheidskundige advieswaarde vastgesteld voor PM10 en PM2,5. Tabel 4:

WHO-advieswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5

Stof NO2 (stikstofdioxide) PM10 (fijnstof) PM2,5 (fijnstof)

Grenswaarde EU 40 µg /m3 40 µg /m3 25 µg /m3

WHO-advieswaarde-2005 40 µg / m3 20 µg /m3 10 µg /m3

Toetsingsperiode Jaargemiddelde Jaargemiddelde Jaargemiddelde

Op 22 september 2021 heeft de WHO nieuwe advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide opgesteld, die (beduidend) lager liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2005. Deze WHO-advieswaarden bedragen voor stikstofdioxide 10 µg/m3 en voor fijnstof 15 µg/m3 voor PM10 en 5 µg /m3 voor PM2,5. Niet in betekenende mate Titel 5.2 van de Wet milieubeheer maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten waarvan vooraf duidelijk is dat deze de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' (NIBM) verslechteren, hoeven niet meer op luchtkwaliteit te worden getoetst. Dit is opgenomen in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdrage luchtkwaliteitseisen'. Het gaat daarbij om projecten die leiden tot een maximale bijdrage van 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De grenswaarde voor het NIBM betreft een jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 onder de 1,2 µg/m3. Schone lucht in Utrecht Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Europese grenswaarden, zoals opgenomen in de Wet milieubeheer. In 2015 heeft de gemeente Utrecht een motie aangenomen waarin de gemeente zich als doel stelt om in de toekomst (2030) niet alleen aan de wettelijke grenswaarden te voldoen, maar ook aan de strengere WHO-advieswaarden uit 2005 voor fijnstof.

Deze motie is uitgewerkt in het Raadsbesluit 'Utrecht kiest voor gezonde lucht - luchtkwaliteitsbeleid en uitvoeringsprogramma' van december 2020, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2005, die expliciet zijn benoemd in de samenvatting bij het Raadsbesluit. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, met als doel een gezondheidswinst te behalen van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is, significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Beperkingen vanwege volksgezondheidsbeleid (gevoelige bestemmingen) Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

25

concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden.

Door het plan neemt de intensiteit van het wegverkeer in de omgeving van het plangebied toe. De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot knelpunten wat betreft luchtkwaliteit. In paragraaf 5.6 wordt dit nader toegelicht. 2.3.12 Nota externe veiligheid (2007) De Nota externe veiligheid, welke in 2007 is vastgesteld, gaat in op het beleid van de gemeente Utrecht voor de beheersing van risico's als gevolg van het werken met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijf, productielocatie of kantoor) en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De genoemde risico's zijn veiligheidsrisico's voor mensen die zich in de buurt van de inrichting of het transport bevinden. De beleidskeuzen hebben betrekking op nieuwe situaties, waarin een risicobron zich vestigt of uitbreidt of een risico-ontvanger, zoals een woning, planologisch mogelijk wordt gemaakt. De randvoorwaarden en regels zijn vertaald in afstandseisen tussen risicobronnen (bedrijven, transportroutes (weg, spoorweg, vaarweg) of buisleidingen) en omgevingsobjecten. De gemeente Utrecht kiest ervoor om geen zwaardere veiligheidseisen op te leggen dan die vermeld staan in de risiconormering van de rijksoverheid. In sommige gevallen biedt de rijksregelgeving ruimte tot afwijken van de normering. In de Nota speelt de gemeente zich uit om terughoudend om te gaan met de mogelijkheid tot afwijken.

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van kwetsbare objecten (te weten woningen) in het kader van externe veiligheid. Aandacht voor het aspect externe veiligheid is daarom benodigd. In paragraaf 5.5 wordt dit nader toegelicht. 2.3.13 Verkeer en mobiliteit Mobiliteitsplan 2040 (2021) Het Mobiliteitsplan Utrecht 2040 (vastgesteld op 15 juli 2021) vervangt het mobiliteitsplan Slimme Routes, Slim Regelen, Slim Bestemmen (uit 2016). Met het Mobiliteitsplan blijven we prioriteit geven aan duurzame vormen van vervoer: lopen, fietsen, openbaar vervoer en deelmobiliteit om de groei van het autoverkeer in de stad te voorkomen, en met als belangrijkste uitgangspunten: Slim bestemmen: door de uitwerking van de verstedelijkingsopgave en de mobiliteitsopgave nauw met elkaar te verbinden, zorgen we o.a.

voor meer nabijheid, minder reisbewegingen, minder verkeershinder en minder vertraging; Anders reizen: door het stimuleren van thuiswerken en het reizen buiten de spits en het gebruik van deelmobiliteit verminderen we de drukte op het wegennet, op Utrecht Centraal en in het openbaar vervoer of spreiden we deze beter over de dag; Netwerken op orde (voetganger): door bij de (her)inrichting van gebieden en de (re)constructie van infrastructuur prioriteit te geven aan de voetganger in de A-zone, rondom knopen en de belangrijke bestemmingen, zorgen we ervoor dat lopen aantrekkelijk wordt en verblijven aangenaam; Netwerken op orde (fiets): met het Fietsnetwerk bieden we fietsers de keuze om hun bestemming via verschillende routes te bereiken.

Zo zorgen we ervoor dat we de groei van het aantal fietsers faciliteren en de drukte spreiden en dat het voor iedereen aantrekkelijk is om te (blijven) fietsen; Netwerken op orde (OV): met het concept 'Wiel met Spaken' als ruggengraat van het OV-netwerk, met allereerst een tramverbinding op de Waterlinielijn, de Merwedelijn en richting Papendorp, zorgen we ervoor dat de OV-bereikbaarheid van stad en regio verbetert en Utrecht CS en de routes naar dit station worden ontlast; Netwerken op orde (auto): met enkele aanpassingen in het Autonetwerk voor 2040 zorgen we ervoor dat noodzakelijk autoverkeer overal kan komen, maar dat de auto voor zo min mogelijk overlast in de wijken zorgt.

We hanteren als principe: alle wegen 30 km/uur tenzij; voor verbindingswegen geldt een maximumsnelheid van 50 km/u; Netwerken op orde (multimodale reis): door een reeks P+R-locaties in de regio aan te bieden, zorgen we ervoor dat je gemakkelijk kunt overstappen op andere vormen van vervoer en de multimodale reis een onderdeel van het mobiliteitssysteem wordt; Slim parkeren: door bij ontwikkelingen beperkt parkeercapaciteit toe te voegen zorgen we ervoor dat de openbare ruimte minder gedomineerd wordt door geparkeerde auto's en dat minder rijdende auto's het stedelijk wegennet belasten; Slim sturen: door het toepassen van de prioritering bij de inrichting van kruisingen en de afstelling van verkeerslichten, het verkeersmanagement en waar nodig het weren van één of 2 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

meerdere vervoerwijzen op een kruising, zorgen we voor een aantrekkelijke openbare ruimte en maken we groei van schone vervoermiddelen mogelijk die zo min mogelijk ruimte innemen; Slim sturen: door het weren van doorgaand autoverkeer met maatregelen ter plekke van de Catharijnesingel, het Ledig erf en het Utrecht Science Park bieden we meer ruimte voor langzaam verkeer en verbeteren we de kwaliteit om te verblijven. Daarnaast verleiden we automobilisten om zo lang mogelijk over de Ring te rijden, in plaats van binnendoor. Parkeervisie Fiets- en autoparkeren in een groeiend Utrecht (november 2021) De gemeenteraad heeft op 25 november 2021 de Parkeervisie Fiets- en autoparkeren in een groeiend Utrecht vastgesteld. Met de beleidsregels parkeernormen fiets en parkeernormen auto, die 1 februari 2022 in werking zijn getreden, bepaalt de gemeente de benodigde capaciteit van het (fiets)parkeren. In de parkeervisie wordt een viertal doelen gesteld, ten behoeve van een gezonde, leefbare en bereikbare stad, die daarnaast ook verkeersveilig is en waar een goede luchtkwaliteit is. Deze doelen zijn: 1. 2. 3. 4.

Bereikbaarheid van en binnen de stad; Kwaliteitsslag openbare ruimte; Stimuleren duurzame(re) vormen van mobiliteit; Rechtvaardige verdeling van schaarse parkeerruimte.

De gemeente zet in op groei binnen de bestaande stad. Daardoor groeit ook de mobiliteit in de stad. Om leefbaarheid en bereikbaarheid te waarborgen, wil de gemeente het fietsgebruik stimuleren en het autogebruik niet verder laten toenemen. Om dit te kunnen bereiken is een gebiedsoverstijgende aanpak en een stadsbrede sturing nodig en moet gekeken worden naar een (her)verdeling en verspreiding van de bestaande parkeercapaciteit over de gehele stad. Dit is nieuw in de gemeentelijke aanpak, omdat tot nu toe met name buurtgericht, wijkgericht of ontwikkelingsgericht werd gekeken. De nieuwe parkeervisie gaat in op de maatregelen die nodig zijn in de verschillende buurten in Utrecht en geeft aan wat nodig is om de stad bereikbaar te houden, fietsen te stimuleren en het autoverkeer, ondanks de groei van de stad, niet verder te laten toenemen. In het beleid wordt gestuurd op het aanwenden van andere mobiliteit (anders dan de auto), onder andere door het beperken van de mogelijkheid tot aanleg van reguliere particuliere parkeerplaatsen in betaald parkeergebied. In zes modules, behorende bij de parkeervisie, werkt de gemeente de uitvoering van de parkeervisie verder uit. Op dit moment zijn twee van de zes modules vastgesteld: 'Parkeernormen' en 'Aanpak betaald parkeren'.

De modules 'Parkeerhubs', 'Fietsparkeren', 'Aanpak parkeren openbare ruimte' en 'Parkeren en toegankelijkheid' worden op dit moment uitgewerkt. De beleidsregel parkeernormen fiets en beleidsregel parkeernormen auto zijn een uitwerking van de module 'parkeernormen' Utrecht wordt in de parkeervisie opgedeeld in verschillende parkeerzones A,B of C (zie afbeelding 3 hieronder). De parkeerzones verschillen van elkaar in bijvoorbeeld de hoogte van parkeernormen voor fiets en auto, de gehanteerde tarieven bij betaald parkeren of voorwaarden voor de uitgifte van parkeervergunningen. In de module 'parkeernormen' wordt aangegeven hoe omgegaan moet worden met fiets- en autoparkeerplaatsen bij bouwontwikkelingen. Hierbij wordt ingegaan op: de aantallen parkeervoorzieningen die nodig zijn bij ontwikkelingen, de eisen voor de plek en kwaliteit, de mogelijke alternatieven voor parkeren bij ontwikkelingen e n het meebetalen aan alternatieve vervoersmiddelen via een nieuw bereikbaarheidsfonds. Daarnaast wordt aangegeven hoe ervoor gezorgd wordt dat de parkeervoorzieningen worden gebruikt zoals ze zijn bedoeld.

Plangebied Het plangebied is gelegen in zone B. Dit zijn gebieden met een hoge stedelijke dichtheid waar zich veel verschillende functies bevinden op loop- of fietsafstand. Daarnaast zijn hier goede OV-voorzieningen aanwezig. In deze zone is de openbare ruimte bovendien schaars. De focus ligt daarom op lopen en fietsen, en de mogelijkheden voor autoparkeren zijn beperkt. Door hoge fietsparkeernormen, lage autoparkeernormen (en betaald parkeren voor auto’s, maar dat is hier niet van toepassing) wordt het fietsgebruik gestimuleerd en het autogebruik juist beperkt.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

27

Afbeelding 3:

Ligging plangebied op zonekaart parkeerbeleid

De CROW-kencijfers vormen de basis voor de Utrechtse normen voor fiets- en autoparkeren. Voor het centrum (A-gebied) en de schil rond het centrum (B-gebied) zijn deze normen in 2013 al verlaagd met respectievelijk 25% en 15% ten opzichte van de CROW-kencijfers. Een lagere parkeernorm biedt daarbij een stimulans voor een aantrekkelijke en bereikbare stad, en voor binnenstedelijke ontwikkelingen. In deze gebieden is het autobezit veel lager dan het landelijk gemiddelde, de gebieden zijn bovendien uitstekend tot goed bereikbaar met openbaar vervoer en fiets, en betaald parkeren voorkomt dat eventuele nadelige gevolgen worden afgewenteld op de omgeving. In paragraaf 4.2 wordt nader toegelicht op welke wijze bij de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in voldoende parkeerruimte. 2.3.14 Woonvisie Utrecht beter in balans (2019) Op 18 juli 2019 is de woonvisie 'Utrecht beter in balans' vastgesteld door de gemeenteraad. De woonvisie is richtinggevend en normstellend voor de ontwikkeling van de Utrechtse woningvoorraad en nieuwbouw van woningen. Gestreefd wordt naar goede betaalbare duurzame woningen in gemengde wijken. Wijken waar het prettig is om te wonen, en waar plek is voor alle (inkomens)groepen. Voor iedereen moet ruimte zijn om in Utrecht te kunnen wonen. Gewerkt wordt aan kwalitatief goede en betaalbare woningen voor alle Utrechters.

Daarnaast zal vraag en aanbod in balans gebracht moeten worden. In dat kader zal nieuwbouw gerealiseerd moeten worden zodat ook de doorstroming weer op gang kan komen. De horizon voor de visie op de Utrechtse woningmarkt is 2040. Vanuit die visie en aanpak zijn voor de korte termijn vijf speerpunten en bijbehorende activiteiten benoemd en uitgewerkt die worden gevolgd en zo nodig tussentijds bijgesteld. Voor de komende jaren zijn dat: Versnellen en (langdurig) verhogen bouwproductie We benutten de groei van onze stad om onze partners te stimuleren de bouwproductie hoog te houden om aan te sluiten op de gezamenlijke ambities. Daarmee werken we naar streefpercentages voor de lange termijn. 2 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

Meer gemengde wijken De Utrechtse wijken krijgen meer een mix van woonsegmenten waar sociale huur tot duurdere koopwoningen zijn te vinden. Doorstroming Gemengde projecten, verhuisketens en toename van kwalitatief goede woningen in de middencategorie zorgen voor een betere doorstroming. Een (t)huis voor iedereen We streven naar een passend woningaanbod binnen een redelijke termijn voor alles (toekomstige) inwoners van Utrecht, ook voor de mensen die daar (tijdelijk) zelf niet in kunnen voorzien. Duurzaamheid en toekomstbestendigheid We bouwen aan een duurzamere woningvoorraad en richten ons op thema's als energieneutraliteit en terugdringing gasaansluitingen. In de Woonvisie wordt daarnaast de gewenste ontwikkelingsrichting voor de woningvoorraad per wijk geschetst. De gewenste ontwikkeling voor de wijk Overvecht is een lichte toename van het aandeel middenhuur- en koopwoningen, en een lichte afname van het aandeel sociale huurwoningen. De wijk Overvecht heeft namelijk een groot aandeel sociale huurwoningen (65%). Plangebied De beoogde ontwikkeling sluit goed aan op de gemeentelijke woonvisie omdat de woningvoorraad hiermee door verdichting met circa 140 woningen toeneemt en er een gemengde woonbuurt wordt gerealiseerd met een passend woningaanbod.

Ten opzichte van de huidige situatie, te weten flatbebouwing met 174 sociale huurwoningen, is sprake van een lichte afname aan sociale huurwoningen. Daarnaast worden middenhuur- en koopwoningen toegevoegd aan de woonvoorraad. Dit betreft woningen van hoogwaardige kwaliteit die voorzien in een prettig woonen leefklimaat. 2.3.15 Huisvestingsbeleid, woningvorming en omzetting Het beleid voor het omzetten, onttrekken, samenvoegen, woningvormen en kadastraal splitsen van woningen is per 1 juli 2019 gewijzigd met de inwerkingtreding van de nieuwe Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019, gemeente Utrecht en de uitwerking hiervan in de beleidsregels Wijziging samenstelling van de woningvoorraad (woningsplitsen en omzetten). Omdat er in Utrecht schaarste is in alle segmenten van de woningvoorraad en daarnaast de leefbaarheid in alle wijken onder druk staat, heeft de gemeenteraad met de nieuwe Huisvestingsverordening de gehele woningvoorraad als vergunningplichtig aangewezen. Omdat is gebleken dat ongereguleerde omzetting en vorming van woningen kan leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat, wordt daarnaast in lijn van het bestemmingsplan 'Chw Algemene regels voor bouwen en gebruik' in alle bestemmingsplannen een regeling opgenomen voor omzetting en woningvorming.

In verband met een goede ruimtelijke ordening worden regels gesteld die zien op een goede kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Deze regels werken aanvullend op het Bouwbesluit, waarin veiligheid en gezondheid geregeld zijn en op de Huisvestingsverordening 2019 die gericht is op het beheer van een goede woningvoorraad. De beleidsregels 'Wijziging samenstelling van de woningvoorraad (woningsplitsen en omzetten)' zien onder meer toe op het beoordelen van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat, enerzijds door de eisen met betrekking tot de minimale omvang van woningen en anderzijds door het in beeld brengen van de gevolgen van extra woningen binnen de context van de bestaande situatie. De bestemmingsregeling kan daarom nauw aansluiten bij de wijze waarop het beleid over omzetting en woningvorming is neergelegd in die beleidsregels. Beleidskader Particuliere Vakantieverhuur (2018) Op 8 maart 2018 heeft de gemeenteraad voor het tijdelijk verhuren van een woning aan toeristen het beleidskader Particuliere Vakantieverhuur vastgesteld. Het faciliteren van de groeiende behoefte aan tijdelijk verblijf van toeristen en andere doelgroepen in Utrecht is goed voor de Utrechtse economie en werkgelegenheid en past binnen de visie die we in de Ruimtelijke Strategie Utrecht hebben vastgelegd.

Wel is het belangrijk dat hier grenzen aan worden gesteld om te voorkomen dat door de toename van de vraag naar en het aanbod van tijdelijk verblijf in Utrecht andere belangen onder druk komen te staan. Ten behoeve van de kleinschaligheid, veiligheid, gelijk speelveld en het voorkomen van klachten wordt de verhuur van een woning aan toeristen alleen onder voorwaarden toegestaan. Deze staan in de beleidsregels Particuliere Vakantieverhuur. Beleid tijdelijk verblijf (short stay) (2019) Op 19 december 2019 is het beleid tijdelijk verblijf (short stay) door de gemeenteraad vastgesteld. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

29

Het aantal short stay-accommodaties in Utrecht is de laatste jaren gegroeid. Een toenemende mobiliteit van werknemers en internationale studenten zorgt voor een stijgende vraag naar deze accommodaties. De huisvesting van tijdelijke (internationale) werknemers of studenten mag echter niet ten koste gaan van de leefbaarheid en van de beschikbaarheid van voldoende permanente woonruimte voor verschillende doelgroepen in de stad. Om deze belangen op een goede manier te kunnen wegen zijn uitgangspunten opgesteld. Onder tijdelijk verblijf of short stay wordt verstaan: het bedrijfsmatig (met het oogmerk om winst te behalen) verstrekken van logies met een minimumperiode van twee weken tot 6 maanden met uitloop tot maximaal 12 maanden. Dit gebruik valt onder de bestemming hotel met aanduiding logies voor tijdelijk verblijf. Dit gebruik is niet toegestaan onder een woonbestemming. De regels voor het verlenen van vergunningen voor tijdelijk verblijf zijn vastgelegd in de Beleidsregels tijdelijk verblijf (short stay). Plangebied Het initiatief voorziet in de realisatie van nieuwe woningen. Er worden in eerste instantie geen regelingen mogelijk gemaakt die woningvorming of woningsplitsing binnen bestaande bebouwing mogelijk maken. Het initiatief is niet strijdig met dit beleid.

2.3.16 Hoogbouwvisie (2005) De doelstelling van de hoogbouwvisie is het leveren van een toetsingskader voor hoogbouwplannen, door ten eerste na te gaan wat de mogelijke bijdrage is die hoogbouw kan leveren aan de ontwikkeling van Utrecht en ten tweede door het geven van een visie op de meest (on)wenselijke locaties voor hoogbouw. Onder hoofdbouw wordt in ieder geval bebouwing van 30 meter of hoger verstaan. Daarnaast worden gebouwen lager dan 30 meter, maar 1,5 maal hoger dan de bebouwing in de omgeving, ook als hoogbouw beschouwd. De visie wordt vooral gebruikt om de discussie over hoogbouw bij bouwinitiatieven te structureren. In de hoogbouwvisie wordt onderscheid gemaakt naar drie gebieden, waarin meer of minder hoogbouw mogelijk is. 1. De binnentuinen. Deze categorie bevat een subcategorie ‘laag’ met een basis van 9 meter en een subcategorie ‘hoog’ met een basis van 15 meter, beiden met de mogelijkheid tot incidentele accenten tot (in principe) het dubbele van de omliggende bebouwingshoogte. 2. De centrale zone. De basismaat bedraagt in dit gebied 15 of 30 meter. Er zijn accenten tot in het dubbele van de omliggende bebouwingshoogte mogelijk. In een beperkt zoekgebied, kunnen incidentele accenten van 60 tot 80 meter worden geplaatst. 3. De brandpunten.

De maximale bebouwingshoogte bedraagt 90 meter, respectievelijk een niet gemaximaliseerde hoogte (Stationsgebied respectievelijk Leidsche Rijn Centrum). De beoogde ontwikkeling voorziet niet in bebouwing hoger dan 30 meter. Daarnaast is in de omgeving van het plangebied reeds sprake van hoogbouw. De beoogde ontwikkeling voorziet in bebouwing bestaande uit maximaal negen bouwlagen. Hiermee is, mede gelet op de omgeving, geen sprake van hoogbouw. Het hoogbouwbeleid is dan ook niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Desalniettemin wordt opgemerkt dat het plangebied conform de hoogbouwvisie wordt aangewezen als binnentuin, en ondanks het feit dat de hoogbouwvisie niet van toepassing is past binnen de visie voor de binnentuinen. 2.3.17 Welstandsnota Utrecht (2004) In de Welstandsnota 'De schoonheid van Utrecht' (2004) is geformuleerd op welke wijze het welstandsbeleid van de gemeente Utrecht uitgevoerd zal worden. In mei 2015 is deze nota herzien. De nota heeft betrekking op de welstandstoetsing van vergunningplichtige bouwwerken. De welstandsnota geeft beoordelingscriteria voor het toetsen van bouwaanvragen aan de redelijke eisen van welstand in aansluiting op het bestemmingsplan. De Welstandsnota kent drie beleidsniveaus: 'Open', 'Respect' en 'Behoud'.

Het 'Open' beleidsniveau betekent dat er sprake is van een vrije en open oriëntatie op het bestaande bebouwingsbeeld, er ruimte voor vernieuwing is en bij gedeeltelijke veranderingen van de structuur wordt aangesloten op de bestaande omgeving. 'Respect' betekent dat behoud en versterking van het aanwezige bebouwingsbeeld centraal staat. Bij 'Behoud' geldt een conserverend beleid, gebaseerd op de aanwezigheid van de monumentale en waardevolle panden en structuren. Het plangebied bevindt zich binnen een gebied wat het beleidsniveau 'Open' en 'Respect' kent, zie 3 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

afbeelding 4. Hieronder volgt een toelichting op deze beleidsniveaus:

Open Verandering of handhaving van het bebouwingsbeeld is beide mogelijk, zowel naar structuur als naar architectuur maar met behoud van landschappelijke waarden. Dit betekent: een vrije en open oriëntatie op het bestaande bebouwingsbeeld; er is ruimte voor vernieuwing; bij gedeeltelijke veranderingen van de structuur wordt aangesloten op de bestaande omgeving. Respect Essentiële eigenschappen van de aanwezige bebouwings- en omgevingskarakteristiek worden gerespecteerd. Dit betekent: samenhang en structuur van het stedelijke (en landelijke) beeld staat voorop; respect voor het kenmerkende bebouwingsbeeld met zijn architectonische verschijningsvorm; nieuwe interpretaties, veranderingen en transformaties zijn mogelijk. f

Afbeelding 4:

Welstandsniveau plangebied (blauw omcirkeld), conform de welstandsnota

Met betrekking tot de beleidsniveaus 'Open' en 'Respect' zijn bouwwerken niet strijdig met de redelijke eisen van welstand wanneer: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

er ongeacht de stijl of de aan het ontwerp ten grondslag liggende architectuuropvatting sprake is van een naar vorm en schaal in zijn omgeving passend bouwwerk; het de stedenbouwkundige structuur herkenbaar maakt; het de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte versterkt; het bouwwerk het onderscheid tussen openbaar en privé-gebied duidelijk markeert; het markante karakter van belangrijk stedenbouwkundige ruimten wordt versterkt; het bouwwerk zich niet van zijn omgeving afkeert; de toegang vanaf het openbaar gebied duidelijk herkenbaar is; er ongeacht de bouwstijl of aan het ontwerp ten grondslag liggende architectuuropvatting sprake is van een naar zijn verschijningsvorm oogstrelend bouwwerk; er sprake is van een evenwichtige opzet in maatverhoudingen, die in buitenruimten, bouwvolumes en vlakverdelingen tot uitdrukking komt.

Voor het beleidsniveau 'Respect' gelden daarbij nog een drietal aanvullende criteria. Een bouwwerk is niet strijd met de redelijke eisen van welstand wanneer: bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

31

10. omvang, schaal en massaopbouw in evenwicht is met de bestaande omgeving; 11. de architectuur op de aan- en omliggende gebouwen naar vorm, kleur en materiaalgebruik is afgestemd; 12. erfafscheidingen naar vorm en materiaalgebruik afgestemd zijn op de omgeving de toegang vanaf het openbaar gebied duidelijk herkenbaar is. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van een verouderde flatbebouwing waarna hier nieuwe appartementencomplexen en grondgebonden woningen worden gerealiseerd. Daarnaast zal de openbare ruimte groen worden ingericht. Dit zal leiden tot een kwaliteitsimpuls voor de wijk Overvecht. Vanuit de Welstandsnota gelden voor de beeldkwaliteit de beleidsniveau's 'Open' voor de zijde van de Oranjerivierdreef, Kasaidreef en Klipspringerdreef en 'Respect' voor de zijde van de Einsteindreef. Bij de beoogde ontwikkeling zal aangesloten worden op het welstandsbeleid en zal zorg gedragen worden dat de ontwikkeling past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving. De nieuwe appartementencomplexen en woningen zullen qua vorm en schaal passend zijn in de omgeving, en zal de nieuwe bebouwing de kwaliteit van de omgeving versterken. 2.3.18 Nota speelruimte Utrecht 2009 'Geef jeugd de ruimte' De nota 'Geef jeugd de ruimte' vormt een stedelijk toetsingskader met inhoudelijke doelstellingen voor speelruimte in de wijken.

De uiteindelijke vormgeving zal daarbij op wijkniveau uitgewerkt moeten worden. Gemeente Utrecht streeft naar een stad waar kinderen buiten kunnen spelen en jongeren elkaar buiten kunnen ontmoeten. Om dit te faciliteren zal voldoende kwalitatieve speelruimte beschikbaar moeten zijn. Met speelruimte wordt alle speel- en verblijfsruimte voor jong tot oud bedoeld. In stedelijke gebieden is informeel spelen ook belangrijk. Dit kan bijvoorbeeld ter plaatse van brede stoepen, spelaanleidingen en autoluwe straten. De gemeente Utrecht hanteert een ruimtelijke standaard (norm) voor spelen en sporten in de openbare ruimte. Dit betreft dat minimaal 3% van het bebouwde oppervlak voor spelen en sporten is bestemd (Jantje Betonnorm). Daarnaast is dit aangevuld om te komen tot de Utrechtse norm. Er wordt daarbij niet alleen gekeken naar het oppervlakte van de speelplekken. Aanvullend wordt gekeken hoe de ruimtelijke opbouw van de buurt is (informele speelruimte) en waar en hoeveel kinderen in de verschillende leeftijdsgroepen er wonen. De beoogde ontwikkeling voorziet in speel- en verblijfsruimte voor kinderen en jongeren. Het plan voorziet in de aanleg van een speelplek op het binnenplein, een speelplek aan het eind van de Klipspringerdreef en een sportveld ter plaatse van het huidige sportveld.

Ook wordt voorzien om een spetterbadje te realiseren, en zullen de straten binnen het plangebied grotendeels autovrij zijn. Op deze wijze worden plekken gecreëerd om buiten te spelen, sporten en elkaar te ontmoeten. 2.3.19 Groenstructuurplan Utrecht, Stad en land verbonden en actualisatie groenstructuurplan Utrecht 2017-2030 De gemeente Utrecht wil het groen in de stad voor iedereen bereikbaar houden en de kwaliteit verbeteren. Grote groengebieden en belangrijke groene verbindingen wil de gemeente verder ontwikkelen, verbeteren en beschermen. Groen zorgt voor een leefbare, mooie en gezonde stad. Gemeente Utrecht geeft invulling aan het groenbeleid middels het 'Groenstructuurplan Utrecht, Stad en land verbonden' en de 'Actualisatie groenstructuurplan Utrecht 2017-2030'. Het plangebied maakt deels onderdeel uit van de groenstructuur van Utrecht. In afbeelding 5 wordt de groenstructuur (groen) weergeven. Uit de visiekaart volgt bovendien dat het plangebied langs een uitbreiding van een (wenselijke) verbinding (oranje lijn) is gelegen. Afbeelding 5:

Uitsnede Groenstructuurvisie Utrecht

3 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

In het groenbeleid worden de volgende vijf hoofdopgaven aangegeven: Vergroten van de ecologische, recreatieve en landschappelijke kwaliteit van het bestaande stedelijk groen van Utrecht voor mensen, planten en dieren. Verbeteren van de bereikbaarheid van de groengebieden rond Utrecht door recreatieve en ecologische verbindingen aan te leggen. Uitbreiden van de groene buitenruimte door grootschalige groengebieden om de stad aan te leggen. Gezonde verstedelijking. Klimaatadaptie. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een klimaatadaptieve buurt waarbij het het principe 'groen, tenzij' geldt, en sluit deze daarmee goed aan op de hoofdopgaven uit het groenbeleid. Er is enkel sprake van verharding wanneer dit noodzakelijk is. De beoogde ontwikkeling voorziet in bebouwing ter plaatse van de groenstructuur van Utrecht. Vermenging met andere stedelijke functies is in principe mogelijk, maar de voorwaarde is dat het groene karakter, de kwaliteiten en het gebruik van het groen worden behouden of verbeterd. Opgemerkt wordt dat ten opzichte van de huidige situatie hierbij wel sprake is van een afname aan groen. In de toekomstige situatie is immers meer bebouwing aanwezig ter plaatse van het plangebied waarmee de hoeveelheid in kwantitatieve zin afneemt en aan de kant van de Einsteindreef ook in kwalitatieve zin voor wat betreft klimaatadaptatie en ecologie.

Thans is sprake van circa 11.864 m2 aan groen, en in de toekomstige situatie zal circa 8.260 m2 van het plangebied groen (openbaar groen en private tuinen) zijn. De meerwaarde van de beoogde ontwikkeling rechtvaardigt echter het bouwen in de hoofdgroenstructuur op voorwaarde dat het groen dat verloren gaat wordt gecompenseerd. De huidige groenstrook langs de Einsteindreef wordt echter thans niet optimaal benut voor wat betreft gebruik en recreatie. Het huidige groen wordt niet als aantrekkelijk ervaren. Maar het huidige groen aan de Einsteindreef (in de groenstructuur), en vooral de bomen, is van grote waarde voor klimaatadaptatie en ecologie. Hier staan veel oude en grote bomen die op de toppen van hun kunnen zijn wat betreft verkoeling, biomassa, C O2 opslag, wateropvang, fijnstofafvang, geluidsdemping, etc. En ze zijn van waarde voor de ecologie en biodiversiteit als leefgebied voor een aantal (Utrechtse) soorten. Voor de beoogde ontwikkeling is een compensatieplan gemaakt waarmee invulling is gegeven hoe de waarden gecompenseerd kunnen worden. Hierbij is gekeken bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

33

naar de oppervlakte van het groen en de kwaliteit ervan. Daarnaast is gekeken naar de biodiversiteit. Ter compensatie worden onder andere groene binnenhoven, natuurdaken, groene gevels gerealiseerd. Alsmede worden er nieuwe bomen, struiken, hagen en andere beplanting geplant. Bij de beoogde ontwikkeling zal zorg worden gedragen voor het realiseren van kwalitatief groen, wat bewoners en omwonenden uitnodigt om buiten te verblijven. Daarnaast zullen ook gevels en daken groen uitgevoerd worden om meer groen toe te voegen. Zorg zal gedragen worden dat het groen ook goed bereikbaar is. 2.3.20 Bomenbeleid Utrecht (2009) aangevuld september 2018 Kader De nota Bomenbeleid Utrecht is in 2009 vastgesteld. Hierop is een aanvulling gedaan op 27 september 2018 voor een herplantplicht. Een van de belangrijkste doelen van het Utrechtse bomenbeleid is een samenhangende bomenstructuur voor de stad te verbeteren en te ontwikkelen, gebaseerd op cultuurhistorische, ruimtelijke en ecologische uitgangspunten en milieu. Voor 2030 zet de gemeente in op het behoud en de ontwikkeling van de bomenstructuur. Dit zal gebeuren door twee beleidsdoelstellingen: Waar mogelijk ontbrekende bomen in de bomenstructuur aanvullen om zo een samenhangende structuur te creëren.

Dat betekent bij de ruimtelijke plannen in de komende jaren bezien waar bomen kunnen worden toegevoegd om zo de bomenlanen en pleinen te completeren. De bomenstructuur verder verbeteren door extra zorg aan beheer en onderhoud te besteden. Dit kan resulteren in extra zorg bij aanplanting van bomen, bij groeiplaatsen van oudere bomen, bij de verzorging van de bomen in de jeugdfase en bij bomenziekten. Sinds 1 januari 2007 kennen alle gemeentelijke ruimtelijke plannen in de stad een bomenparagraaf. De bomenparagraaf biedt vanaf het begin en in alle fasen van een planproces de mogelijkheid een belangenafweging te maken over de gevolgen van een ruimtelijk plan voor bomen. In het plangebied zijn 206 bomen aanwezig. Voor de planontwikkeling zullen in totaal circa 126 van deze bomen moeten worden gekapt. 64 bomen kunnen worden behouden en 16 zullen worden verplant binnen het plangebied. Ter compensatie van de te kappen bomen worden er circa 67 bomen geplant in het plangebied. De circa 59 overige te compenseren bomen worden elders in de wijk Overvecht terug geplant zodat de 'waarden' hiervan ook in de stad blijven. In paragraaf 5.20 is de bomenparagraaf opgenomen. In deze paragraaf wordt nader toegelicht hoe met de bomen binnen het plangebied omgegaan wordt.

2.3.21 Nota Utrechtse soortenlijst (2018) Op 7 juni 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Utrechtse soortenlijst vastgesteld, ter bescherming en stimulering van de voor Utrecht belangrijke plant- en diersoorten en daarmee ter bevordering van de biodiversiteit in de stad. Onder de bescherming vallen 5 vogelsoorten, 3 vissoorten, 6 soorten wilde bijen, 40 plantensoorten en 10 paddenstoelsoorten. De Utrechtse soortenlijst wordt meegewogen bij de voorbereiding van gemeentelijke ruimtelijke plannen. Bij een gebiedsontwikkeling waarbij de gemeente Utrecht initiatiefnemer is moet naar de aanwezigheid van deze Utrechtse soorten onderzoek worden gedaan. Bij gebiedsontwikkelingen van derden wordt dringend geadviseerd om de Utrechtse soortenlijst bij de onderzoeken te betrekken. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is onderzoek uitgevoerd naar de Utrechtse soorten. In paragraaf 5.8 wordt hier nader op ingegaan. 2.3.22 Utrecht: energiek middelpunt van het land, Energieplan Utrecht De gemeenteraad heeft op 14 januari 2016 het Energieplan besproken en het document 'Duiding van het College bij het Energieplan' vastgesteld. Deze documenten geven samen richting aan het energiebeleid in Utrecht voor de komende jaren. Het Energieplan is door 165 Utrechters opgesteld en hierbij stond de volgende vraag centraal: realiseer een klimaat neutraal Utrecht.

Aan de hand van de onderwerpen wonen, werken, vervoer en centrale energievoorziening in Utrecht zijn, om dit te bereiken, te nemen maatregelen geformuleerd. Bewustwording via het verbeteren van informatievoorziening is hierbij belangrijk en de gemeente heeft een grote en pro-actieve rol bij de overgang naar duurzame energie. In het najaar van 2015 zijn de Utrechtse Energieagenda's verschenen, welke een vervolg zijn op het Energieplan en de duiding daarop van het college. Hierin worden de concrete gemeentelijke werkzaamheden gepresenteerd en de inzet van middelen welke leiden tot een klimaatneutraal 3 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

Utrecht richting 2030. Om deze ambitie te bereiken zijn de volgende ambitieuze doelstellingen voor 2020 geformuleerd: 30% CO2-reductie ten opzichte van 2010; 20% van het totale energieverbruik wordt duurzaam opgewekt; 10% van de daken zijn voorzien van zonnepanelen. Met het coalitieakkoord 'Utrecht: Ruimte voor iedereen' (2018) zijn voorgaande doelstellingen vervangen. Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn en om hiertoe te komen worden de volgende stappen genomen: de gemeentelijke energie-inkoop is in 2020 volledig verduurzaamd; in 2025 ligt op 20% van de Utrechtse daken zonnepanelen; in 2030 is het Utrechtse systeem van stadsverwarming verduurzaamd; in 2030 zijn minimaal 40.000 bestaande woningen van het gas af; het gemeentelijke vastgoed is in 2040 volledig verduurzaamd. De afspraken met de woningbouwcorporatie zijn voor deze ontwikkeling het uitgangspunt: van toepassing zijn de BENG-eisen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen) uit het Bouwbesluit. Dit is niet energie- of klimaat-neutraal. Bij de beoogde ontwikkeling zal duurzaamheid met zorg worden geïntegreerd in het plan. In paragraaf 5.15 wordt het aspect energie nader toegelicht. 2.3.23 Visie op de warmtevoorziening (2017), Transitievisie Warmte (2021) en Regionale Energiestrategie (2021) Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad de Visie op de warmtevoorziening vastgesteld.

De CO2-uitstoot in onze stad wordt voor een derde veroorzaakt door het verwarmen van huizen en gebouwen met aardgas (inclusief de stadsverwarming). Ook gebruiken gebouwen op dit moment relatief veel warmte door een lage isolatiegraad en installaties met een laag rendement. Om de doelstelling te behalen om als Utrecht zo snel mogelijk, in ieder geval in 2030, klimaatneutraal te zijn en 40.000 bestaande woningen van het gas af te halen, is een omschakeling naar een duurzame warmte- en koudevoorziening nodig. Een duurzame warmtevoorziening kan gerealiseerd worden door de vraag naar warmte te beperken, te stoppen met het gebruik van aardgas en over te stappen op duurzame warmtebronnen. Dit vraagt om ingrijpende aanpassingen in gebouwen, de energie-infrastructuur en om nog meer gebruik van duurzame warmtebronnen. Natuurlijke momenten, op zowel gebouw- als gebiedsniveau, moeten worden benut om de warmtetransitie te versnellen. Een klimaatneutrale warmtevoorziening moet aan de voorwaarden duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar voldoen. In het door het VNG ondertekende Klimaatakkoord is een nieuwe regierol voor de gemeente vastgelegd en worden gemeenten verplicht om een Transitievisie Warmte (TVW) en een Regionale Energiestrategie (RES) op te stellen. De gemeente Utrecht heeft in 2021 een tweedelige Transitievisie Warmte (TVW) en een Regionale Energiestrategie (RES) vastgesteld.

Deel 1 van de TVW bevat de strategie en visie over hoe de bestaande huizen en gebouwen in Utrecht geleidelijk, buurt-voor-buurt, over kunnen gaan naar nieuwe vormen van verwarmen en koken. Hierin is ook vastgelegd dat de schaarse capaciteit van het hoge-temperatuur stadswarmtenet niet voor nieuwbouw ingezet mag worden. Deel II van de Transitievisie Warmte geeft aan wanneer en in welke buurten we aan de slag gaan met de voorbereidingen om aardgasvrij te worden. In de RES staat hoe Utrecht en haar regiogemeenten invulling gaan geven aan de landelijke energiedoelstellingen in het Klimaatakkoord voor het verduurzamen van de energiebronnen, hoeveel en waar duurzame elektriciteit (wind en zon) in 2030 wordt opgewekt en welke duurzame warmtebronnen gebruikt kunnen worden om buurten aardgasvrij te maken. Beide documenten worden in de Omgevingsvisie verankerd. Alle woningen worden gasloos uitgevoerd. De warmtevoorziening van de woningen zal dan ook op duurzame wijze ingevuld worden.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

35

2.4

Gebiedsgericht beleid

2.4.1

Samen voor Overvecht (2019)

De gemeente heeft samen met bewoners, professionals en ondernemers in Overvecht de wijkaanpak Samen voor Overvecht ontwikkeld. In deze aanpak staat het verbeteren van de wijk centraal. Het doel is om een wijk te creëren waar bewoners prettig samenleven en die aantrekkelijk is voor nieuwe bewoners, bezoekers, investeerders en ondernemers. De wijkaanpak kent daarbij een vijftal ambities: 1. 2. 3. 4. 5.

Plezierig wonen in een meer gemengde wijk. Perspectief voor de jeugd versterken. Veilige buurten. Zorg en ondersteuning dichtbij en op maat. Meedoen & ondernemen.

Door middel van de beoogde ontwikkeling zal een meer gemengde wijk ontstaan, waar ruimte is voor verschillende (inkomens)groepen. Door de sloop van de huidige verouderde flatbebouwing en de beoogde nieuwbouw, waarbij ook de openbare ruimte een kwaliteitsimpuls verkrijgt, zal ter plaatse van het plangebied een leefbare, aantrekkelijke en gezonde leefomgeving ontstaan. Dit zal bijdragen aan de ambities van Overvecht om de wijk te verbeteren. 2.4.2

Ruimtelijke visie Overvecht 2004 – 2020 (2005)

De Ruimtelijke visie Overvecht 2004-2020 biedt het ruimtelijk kader voor ontwikkelingen in de wijk. Per gebied wordt daarbij in de ruimtelijke visie het gewenste woonmilieu aangegeven. Bij het bepalen van de wenselijke woonmilieus in Overvecht is uitgegaan van de wens de differentiatie te vergroten, zowel op het niveau van de buurt als op het niveau van de gehele woningvoorraad. De woonmilieus in Overvecht zijn hofwonen, parkwonen, suburbaan wonen, stedelijk wonen en centrumstedelijk wonen. Het gewenste woonmilieu ter plaatse van het plangebied betreft conform de ruimtelijke visie hofwonen.

Hofwonen In de Ruimtelijke visie Overvecht 2004-2020 wordt het woonmilieu hofwonen beschreven als een milieu waar laagbouw en middelhoogbouw rondom open collectieve ruimtes zijn gesitueerd. Het betref een gebied met een gevarieerde opbouw. Een ruime verkaveling met zowel grondgebonden als gestapelde woningen, met een heldere scheiding tussen openbaar en collectief. Bewoners met overeenkomstige leefstijlen wonen daarbij samen in een blok. Zij beheren zelf de collectieve ruimte. Parkeren vindt plaats in collectieve voorzieningen. Dit woonmilieu leent zich erg goed voor stadswoningen, maisonnettes, eengezinswoningen en appartementen. De beoogde ontwikkeling sluit in hoofdlijnen goed aan op dit gewenste woonmilieu. Afbeelding 6: Ruimtelijke visie Overvecht, hofwonen (blauwe cirkel geeft plangebied weer)

3 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

Thans is de wens echter om ter plaatse van het plangebied een stedelijk woonmilieu te realiseren, ondanks dat het plangebied in de ruimtelijke visie, daterend uit 2005, niet als zodanig is aangegeven. Dit woonmilieu is thans beter passend bij de gewenste ontwikkelingsrichting in de wijk. In het woonmilieu stedelijk wonen kent het gebied een mix van eengezinswoningen en appartementen met voorzieningen op loopafstand. De openbare ruimte heeft een stedelijke uitstraling en de binnenterreinen vormen een punt van rust. De begane grond heeft een levendige uitstraling. De openbare ruimte is begrensd met een duidelijke scheiding tussen de openbare ruimte en privéterrein. Dit woonmilieu sluit goed aan op de beoogde ontwikkeling. Daarnaast wordt in de visie aangegeven voor de buurt waar de beoogde ontwikkeling zich bevindt sprake zal zijn van een lichte verdichting en buurtuitbreiding waarmee het aantal woningen toe zal nemen. Bovendien wordt ingezet op de meer differentiatie binnen de openbare ruimte, deels met een collectief karakter. 2.4.3

Gebiedsplan de Gagel (2007)

Het gebiedsplan Overvecht de Gagel behelst het deel van Overvecht tussen de Carnegiedreef, Einsteindreef, Karl Marxdreef en de Klopvaart. De gemeente en de betrokken corporaties willen het deelgebied Overvecht de Gagel verbeteren en vernieuwen om de huidige en toekomstige bewoners een prettige woonomgeving te bieden. Hiertoe zijn verschillende locaties voor herontwikkeling aangewezen. Het gebied rondom de Ivoordreef is in het gebiedsplan aangewezen als gebied voor nieuwbouw van woningen en voor een nieuwe woonomgeving. De Oranjerivierdreef en Kasaidreef zijn aangeduid als hoofdwegen, de Klipspringerdreef is aangeduid als speelstraat. Het groen langs de Einsteindreef is daarnaast aangeduid als als een gebied waar het groen opnieuw ingericht zal moeten worden. Afbeelding 7: Gebiedsplan de Gagel, plangebied is aangegeven met de blauwe cirkel.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

37

De beoogde ontwikkeling sluit aan op het gebiedsplan daar ter plaatse van het plangebied nieuwbouwwoningen zijn voorzien in een nieuwe woonomgeving. Hiermee wordt een kwalitatief hoogwaardige nieuwe woonbuurt gerealiseerd waar het prettig is om te wonen en te verblijven. Daarnaast wordt de openbare ruimte, waaronder het groen langs de Einsteindreef, opnieuw ingericht.

2.5

Conclusie

De beoogde ontwikkeling past binnen de – in dit hoofdstuk beschreven – van toepassing zijnde beleidskaders.

3 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Ivoordreef, Overvecht" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 3 3.1

Bestaande situatie

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft inzicht in de huidige situatie binnen het plangebied en analyseert het plangebied in ruimtelijk en functioneel opzicht.

3.2

Beschrijving van het plangebied

3.2.1

Historische ontwikkeling

Overvecht is een naoorlogse wijk en is gerealiseerd in de jaren 60. Hiervoor was dit nog agrarisch gebied. De belangrijkste kenmerken van de wijk zijn de woonbuurten met het groene raamwerk daaromheen. In dit raamwerk zijn de netwerken voor verkeer, water en groen gebundeld. Vooral in Overvecht Noord, de woonbuurt waar het plangebied toe behoort, is daarbij sprake van relatief veel openbare ruimte. Aan de oostzijde van het plangebied is een brede groenstrook gesitueerd welke deel uitmaakt van het groene raamwerk van de wijk. Deze strook vormt een groene afscheiding tussen het huidige flatgebouw en de Einsteindreef. Voor de ontwikkeling van de wijk Overvecht was de gedachte om herkenbare buurten te bouwen, die als hechte gemeenschappen werkten. De bewoners moeten in deze buurten alle functies vinden die ze nodig hebben. De wijk werd daarom ontworpen als een volwaardig stadsdeel met een mix van wonen en voorzieningen (scholen, winkelcentra, ziekenhuis, dienstverlening), werk (kantoren, industrie) en recreatie (zwembad, sportvoorzieningen, parken, groen en begraafplaats). De buurtvoorzieningen liggen daarbij verspreid over de buurten. Het gaat veelal om kleinschalige gebouwen van één of twee lagen met buitenruimte rondom. De ligging van de voorzieningen op centrale plaatsen in de buurten maakt dat deze bebouwing zeer belangrijk is voor de bewoners van Overvecht.

In de omgeving van het plangebied bevinden zich daarbij zowel het winkelcentrum Gagelhof als het Shopping Center Overvecht. Een aspect dat ook een grote rol heeft gespeeld bij de vormgeving van Overvecht is dat er in de naoorlogse periode grote aantallen woningen gerealiseerd dienden te worden. Oude bouwmethoden waren hiervoor niet geschikt. De industrialisatie van de bouw kwam in de jaren zestig goed op gang. Sprake was van bouwsystemen met grote van te voren gefabriceerde elementen. Dit allen heeft geleid tot een grote herhaling van bebouwing, en het kenmerkend beeld van Overvecht. Daarnaast is kenmerkend voor Overvecht dat alle bebouwing in dezelfde richting staat. Dit komt voort uit de wens om de bebouwing op de zon te oriënteren. Na de bouw van Overvecht is op allerlei plekken bebouwing toegevoegd. In het groene raamwerk is in de jaren zeventig en tachtig op verschillende plekken bebouwing toegevoegd. Deze bebouwing bestaat voornamelijk uit kleinschalige woonbuurtjes in het groen. Het groene raamwerk zorgt daarbij voor een samenhangende structuur. Belangrijkste onderdelen van dit raamwerk zijn de twee centrale parken (Park de Watertoren en Park de Gagel) en de centrale as hiertussen (Carnegiedreef/Zamenhofdreef). Een groot deel van de voorzieningen, zoals scholen en kerken, is bovendien gesitueerd aan dit groene raamwerk.

Het park de Gagel bevindt zich ten noorden van het plangebied. Overvecht Noord is opgebouwd uit een drietal grote woonbuurten met een bewust doorgevoerde compositie van gebouwen, buitenruimte en groen. Het groenontwerp van de wijk is ontworpen door de toenmalige plantsoendienst onder leiding van Johan van Alff. Het groen contrasteert ten opzichte van de bebouwing, en is nadrukkelijk bedoeld voor recreatie en verblijf. De woonbuurten in Overvecht Noord zijn rondom park de Gagel gebouwd. De woonbuurt waar het plangebied deel van uitmaakt bevindt zich tussen de Einsteindreef, de Carnegiedreef, het park de Gagel en de Noordelijke Randweg. In deze woonbuurt bevinden zich zowel woningen als voorzieningen. Binnen de buurt zijn diverse woontypen te vinden. De bouwhoogte rondom het plangebied is aan de noordoostzijde vier lagen, en aan de zuidwestzijde tien bouwlagen. Ten noorden van het plangebied zijn onder andere woonblokken (deels recentelijk gerenoveerd), met een bouwhoogte van vier lagen, gesitueerd. Met name langs de rand van de buurt bevindt zich hoogbouw. Direct ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich aan de Carnegiedreef dan ook flatbebouwing. Een groot aandeel van de sociale huurwoningen in Utrecht bevindt zich in de wijk Overvecht. De menging is wat dit aspect betreft hiermee nu niet optimaal.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=a61f62a0-3776-4940-b5f2-0a8369927f8b