CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord_vastgesteld_1_klein.pdf

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 28 september 2023, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel, Leidsche Rijn Centrum Noord44.009 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Artikel 16 16.1

Ondersteunende horeca in een winkel of verkoop in horeca

Voorwaarden voor ondersteunende horeca in een winkel

Ondersteunende horeca is als ondergeschikte activiteit toegestaan in een winkel, onder de volgende voorwaarden: 1.

verkoop van artikelen in de winkel is de hoofdactiviteit;

2 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

Utrecht

2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

de horeca-activiteit vindt plaats in één deel van de winkel; vanaf de straat is niet zichtbaar dat er een horecadeel in de winkel is; bij een winkel met een bruto vloeroppervlak van maximaal 350 m2 is het horecadeel niet groter dan 40% van het bruto vloeroppervlak, tot een maximum van 100 m2; bij een winkel met een bruto vloeroppervlak van 350 tot 1.500 m2 is het horecadeel niet groter dan 30% van het bruto vloeroppervlak, tot een maximum van 300 m2; bij een winkel met een bruto vloeroppervlak boven 1.500 m2 is het horecadeel niet groter dan 20% van het bruto vloeroppervlak; de horecaruimte is alleen bereikbaar via de ingang van de winkel; de winkel heeft een toilet voor bezoekers.

16.2

Voorwaarden voor ondersteunende verkoop in een horecabedrijf

In een horecabedrijf is winkelverkoop als ondergeschikte activiteit toegestaan, onder de volgende voorwaarden: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

de horeca-activiteit is de hoofdactiviteit; de winkel-activiteit vindt plaats in één deel van het horecabedrijf; vanaf de straat is niet zichtbaar dat er een winkeldeel in het horecabedrijf is; bij een horecabedrijf met een bruto vloeroppervlak van maximaal 350 m2 is het winkeldeel niet groter dan 40% van het bruto vloeroppervlak, tot een maximum van 100 m2; bij een horecabedrijf met een bruto vloeroppervlak boven 350 m2 is het winkeldeel niet groter dan 30% van het bruto vloeroppervlak; het winkeldeel is alleen bereikbaar via de ingang van het horecabedrijf.

16.3

Gevelbankjes bij ondersteunende horeca of bij horeca met ondersteunende verkoop

Een winkel met ondersteunende horeca of een horecabedrijf met ondersteunende verkoop mag een of meer gevelbankjes plaatsen, als die aan de volgende regels voldoen: 1. 2. 3.

4. 5. 6.

een gevelbankje staat op een locatie met de functie Verkeer, Verkeer - Verblijfsgebied of met een functie die een winkel toestaat; gevelbankjes worden niet gebruikt als horecaterras; op een locatie met de functie Verkeer of Verkeer - Verblijfsgebied ontstaat er geen hinder voor verkeer, waarbij in ieder geval minimaal 1,5 meter voor passerende voetgangers beschikbaar blijft, gerekend van een gevelbankje; de totale breedte van de gevelbankjes bij een winkel of een horecabedrijf bedraagt maximaal 4 meter; het gevelbankje steekt maximaal 0,6 meter uit, gerekend vanaf de gevel van de winkel; gevelbankjes worden weggehaald of opgeklapt als de winkel gesloten is, in ieder geval uiterlijk om 22.00 uur.

Artikel 17 17.1

Kruisingen, tunnels, bruggen en viaducten

Werking van dit artikel

Dit artikel is alleen van toepassing op kruisingen van verkeersinfrastructuur of water met andere verkeersinfrastructuur of met water, waarbij de toegewezen functie, een andere functie doorkruist, wat onder meer blijkt uit het feit dat ter plaatse van de kruising aan weerszijden diezelfde andere functie is toegewezen. 17.2

Activiteitenregeling bij kruisingen

Op de locatie van de kruising zijn naast de activiteiten die bij de toegewezen functie horen ook de activiteiten toegestaan die bij de functie horen die gekruist wordt.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

23

Hoofdstuk 5 Artikel 18 18.1

Grondwerk

Vergunning in verband met de bescherming van een functie

Grondwerk dat niet is toegestaan

Het volgende grondwerk is niet toegestaan op een locatie die in verband met een functie beschermd is met een verbod om grondwerk te verrichten: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

het wijzigen van het maaiveldniveau door afgraven of ophogen; het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het verrichten van graafwerkzaamheden (zoals ten behoeve van rioleringen, kabels, leidingen en drainage); het planten of rooien van bomen of van andere diep wortelende planten; het aanleggen van oppervlaktewater, het verbreden of het dempen van bestaand oppervlaktewater.

18.2 1.

2.

Vergunning voor afwijken

Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van de regel in lid 18.1 een vergunning voor het verrichten van grondwerk verlenen, als het grondwerk, gezien het belang van de beschermde functie, geen onevenredige schade of gevaar kan veroorzaken. Burgemeester en wethouders betrekken het advies van de beheerder van de beschermde functie bij het besluit over de vergunning.

18.3

Vergunningvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen, om onevenredige schade uit te sluiten of om onveilige situaties te voorkomen, voorschriften aan de vergunning verbinden.

Artikel 19 19.1

Bescherming van archeologische waarden

Grondwerk waarvoor geen vergunning in verband met archeologische waarden nodig is

Met inachtneming van artikel 18 is het volgende grondwerk toegestaan: 1. 2.

3. 4.

grondwerk dat wordt verricht op een locatie die niet is aangeduid als een archeologische verwachtingszone en die niet is aangewezen als archeologisch monument; in gevallen waarin het grondwerk in omvang en diepte binnen een bestaande bodemverstoring plaatsvindt: a. grondwerk dat normaal onderhoud en beheer betreft, zoals onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; b. grondwerk dat samenhangt met vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; grondwerk dat nodig is voor archeologisch onderzoek; grondwerk dat in overeenstemming met de wettelijke voorschriften al in uitvoering is op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.

19.2

Grondwerk zonder vergunning in verband met de zone archeologische verwachtingswaarde

Met inachtneming van artikel 18 en lid 19.3 mag het volgende grondwerk op een locatie binnen een zone met een archeologische verwachtingswaarde zonder vergunning uitgevoerd worden, voor zover de activiteit aan de op de locatie geldende voorwaarden voldoet: 1.

2.

3.

op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 2' onder de voorwaarde dat het grondwerk geen verstoring veroorzaakt dieper dan 30 cm onder het maaiveld; op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 3' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 30 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt dieper dan 30 cm onder het maaiveld; op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 4' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 100 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt dieper dan 30 cm onder het maaiveld;

2 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

Utrecht

4.

5.

op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 5' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 500 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt dieper dan 30 cm onder het maaiveld; op een locatie met de aanduiding 'overige zone - archeologische verwachting - 6' onder de voorwaarde dat het grondwerk een oppervlakte van maximaal 5000 m2 verstoort en geen verstoring veroorzaakt dieper dan 50 cm onder het maaiveld.

19.3 1. 2.

Als de verstoring in meer dan één zone valt, geldt voor de toepassing van lid 19.2 de zone die de minste verstoring toestaat. Bij een gefaseerde uitvoering van een project waarvoor grondwerk nodig is, is voor het bepalen van de verstoring de totale verstoring (oppervlak en/of diepte) van het gehele project bepalend.

19.4 1.

2.

3. 4.

5.

Regels over het bepalen van de omvang van het grondwerk en van de zone

Vergunning in verband met de archeologische waarde

Op een locatie met een van de in lid 19.2 genoemde aanduidingen is het verboden om zonder vergunning grondwerk te verrichten, behalve als de activiteit op grond van lid 19.1 of lid 19.2 is toegestaan. De vergunning wordt verleend, als is gebleken dat het grondwerk geen directe of indirecte gevolgen heeft voor het archeologische erfgoed of als er maatregelen zijn getroffen waardoor de archeologische resten in de bodem worden behouden. De vergunning wordt geweigerd als op voorhand zeker is dat de vergunning die op grond van artikel 18 voor het grondwerk nodig is niet verleend kan worden. Bij de aanvraag voor een vergunning als bedoeld onder 1 wordt een deskundigenrapport overlegd dat goedgekeurd is door of namens het bevoegd gezag, als zo'n rapport over de gevolgen van het grondwerk op de archeologische waarde nodig is voor een goede beoordeling van de aanvraag. Aan de vergunning als bedoeld onder 1 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologische onderzoek; c. de verplichting om het grondwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

25

Hoofdstuk 6 Beheer van natuur, flora en fauna Artikel 20 20.1 1. 2.

3.

Aantasten van bomen of andere houtopstanden

Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning een houtopstand te vellen, zoals het kappen van een of meer bomen. Het verbod geldt niet in de volgende gevallen: a. het kappen van een boom met een diameter kleiner dan 15 centimeter, gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld; b. het kappen van een boom jonger dan 50 jaar: op een kadastraal perceel van 300 m2 of kleiner; of die in een tuin staat op een huurperceel die inclusief tuin kleiner is dan 300 m2; c. het periodiek vellen van hakhout voor het uitvoeren van regulier onderhoud; d. het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten; e. bomen die moeten worden gekapt op grond van de Plantgezondheidswet of vanwege een aanschrijving op grond van artikel 4:12 van de Algemene Plaatselijke Verordening; f. bomen die moeten worden gekapt vanwege een aanschrijving van het college. Voor tijdelijke natuur, botanische tuinen en bosplantsoenen kan het college een vergunning met de strekking van een jaarvergunning verlenen, waardoor het verbod onder lid 1 niet geldt voor het afzonderlijk vellen van houtopstanden.

20.2

Beoordeling van de aanvraag

Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning weigeren: 1. 2.

als de Utrechtse hoofdbomenstructuur onevenredig wordt geschaad; als een van de volgende waarden onevenredig worden geschaad: a. de ecologische waarde van een houtopstand, b. de cultuurhistorische waarde van een houtopstand, c. de ruimtelijke waarde van een houtopstand, d. de milieuwaarde of e. de boomwaarde.

20.3

Vergunningvoorschriften algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 20.2 voorschriften aan de vergunning verbinden. 20.4 1.

2.

3. 4. 5.

Vergunningvoorschriften over vervanging ("herplantplicht")

Bij vergunningvoorschrift wordt in ieder geval bepaald dat herplant: a. binnen 14 maanden vanaf het moment dat de kapvergunning is verleend voor bomen die op de gemeentelijke vellijst staan, of in het geval van langlopende of complexe projecten, of bij andere bomen die niet op de gemeentelijke vellijst staan, binnen een door burgemeester en wethouders op te leggen termijn; b. volgens de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen plaatsvindt; c. op of zeer nabij de kaplocatie plaatsvindt; d. en binnen twee weken na voltooiing gereed wordt gemeld door vergunninghouder bij burgemeester en wethouders met een melding die een dagtekening en locatie van de herplant bevat. Bij het bepalen van een locatie voor herplant wordt de volgende volgorde aangehouden: a. herplant op locatie; b. herplant dichtbij locatie; en c. herplant elders. Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan, in afwijking van onderdeel 1, worden bepaald dat de gevelde houtopstand financieel wordt gecompenseerd. Bij vergunningvoorschrift, bedoeld in het eerste lid, kan de locatie en wijze van herplant, vervanging bij niet-geslaagde herplant, worden bepaald. De regels onder 1 tot en met 3 gelden niet in geval van tijdelijke natuur, botanische tuinen,

2 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

Utrecht

bosplantsoenen en er een door burgemeester en wethouders goedgekeurd beheerplan is van de aanvrager. 20.5

Indieningseisen voor een vergunning

De aanvrager levert bij de aanvraag de volgende gegevens aan: 1. 2. 3. 4. 5.

6.

een identificatie met een nummer en de locatie van iedere te vellen houtopstand op een kaart, foto of tekening; de soort houtopstand; de locatie van de houtopstand op het voor-, zij- dan wel achtererf; de diameter in centimeters van de te vellen bomen of struiken, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; een overzicht van de houtopstanden die als vervanging worden herplant en de locatie waar deze worden herplant en, als de locatie niet op of dichtbij de locatie ligt, een motivering waarom een andere locatie elders nodig is; in plaats van de gegevens onder 5, als vervanging niet mogelijk is, een motivering waarom vervanging alleen in de vorm van een financiële compensatie kan plaatsvinden.

20.6

Bebouwingscontour

De geometrische begrenzing van de bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen de regels over houtopstanden van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn, is aangeduid met 'overige zone - bebouwingscontour houtkap'. 20.7 1.

2.

3.

4.

Herplantplicht zonder vergunning

Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in lid 20.1 van toepassing is, zonder vergunning is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond danwel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen zo snel mogelijk maar in ieder geval binnen 14 maanden te herbeplanten. Wordt een verplichting als bedoeld onder 1 opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. Indien een houtopstand waarop het verbod tot het vellen als bedoeld in lid 20.1 van toepassing is, door uitvoering van werkzaamheden, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. Degene aan wie een verplichting als bedoeld onder 1, 2 of 3 is opgelegd, alsmede aan diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

20.8

Overgangsrecht

De bepalingen van afdeling 4.3 van de Algemene plaatselijke verordening, zoals deze luidden voorafgaand aan de inwerkingtreding dit bestemmingsplan, zijn van toepassing op: 1. 2.

besluiten en de daaraan verbonden voorschriften die zijn verleend voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; aanvragen om vergunning die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, maar die na inwerkingtreding worden afgehandeld.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

27

Hoofdstuk 7 slotregels Artikel 21 21.1 1.

2. 3.

2.

3.

4.

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, of dat gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een vergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van vaststelling van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

21.2 1.

Overgangs- en

Overgangsrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van vaststelling van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Artikel 22

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: regels van het bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord.

2 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

Utrecht

Bijlagen regels

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

29

Bijlage 1

Leisure-activiteitenlijst voor functiemenging

3 0 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

Inpasbaarheid Leisure-functies datum vestiging uw kenmerk ons kenmerk 2e lezer/secr.

5 augustus 2021 Arnhem B.2018.0399.058.N002

project betreft versie auteur contactpersoon e-mail/telefoon

Stadswaarde / nieuwbouw hoogbouwkavel Leidsche Rijn Noord Inpasbaarheid Leisure-functies 001

Inpasbaarheid Leisure-functies 1. Inleiding Het is in Nederland gangbaar dat woongebouwen in (binnen)stedelijke omgevingen op de begane grond (de zogenaamde plint) ruimte bieden aan niet-woon functies. Een plint kan overigens ook uit meerdere bouwlagen bestaan. Denk hierbij aan een breed scala aan functies als horecagelegenheden (zoals eetcafés, lunchrooms, ijssalons, snackbars, restaurants, cafés en bars, maar exclusief discotheken en clubs), buurtgebonden detailhandel, dienstverlenende bedrijven (zoals kapsalons, reisbureaus, bankfilialen, wasserettes, uitzendbureaus, etc.), zorgvoorzieningen (zoals huisarts-, tandarts- en fysiotherapiepraktijken), sport- en wellness-voorzieningen (zoals sportscholen, fitnessclubs, massagesalons en zonnebankstudio’s) en culturele voorzieningen (zoals bibliotheken, kunstateliers, expositieruimten, dansscholen, muziekscholen en filmhuizen). De sport- en wellness en de culturele voorzieningen zijn activiteiten die onder de noemer “Leisure” worden geschaard.

De gemeente Utrecht heeft voor het bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord de volgende begripsbepaling van Leisure gemaakt: Leisure is een publieksgerichte commerciële voorziening op het terrein van vermaak, cultuur en sport, waaronder in ieder geval wordt verstaan: bowling, lasergame centrum, snooker centrum, amusementscentrum, kinderattractie, klimcentrum, skateskeelercentrum, sauna-/beautycentrum of zonnebankcentrum. De ruimtelijke ordening beoogt een goede kwaliteit van de leefomgeving te behouden en te bevorderen. Voor het beantwoorden van de vraag of bij functiemenging met leisure-functies voor de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat geldt de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering als hulpmiddel en startpunt.

2. Het plangebied en de omgeving De omgeving van het plangebied bestaat uit een diversiteit aan functies, waaronder kantoren, winkels, woon-/zorgfuncties en wonen. Ten zuiden van het plangebied ligt de spoorlijn UtrechtDen Haag en ten oosten de rijksweg A2. Voor dit plangebied en de directe omgeving is zodoende sprake van een 'gemengd gebied'. In deze notitie is een eerste aanzet gemaakt voor de inpasbaarheid van leisure-functies in combinatie met wonen in het plangebied Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord.

Inpasbaarheid Leisure-functies

Het uitgangspunt is dat alleen leisure-functies, die naar aard en omvang geschikt zijn voor ligging in een gebied met functiemenging inclusief wonen, een directe toelating krijgen. In woongebieden kunnen naast wonen ook andere bedrijfsmatige activiteiten en maatschappelijke voorzieningen voorkomen, evenals verspreid liggende aan het woongebied gekoppelde functies. Het bestemmingsplan laat de volgende functies toe: • detailhandel; • dienstverlening, creatieve bedrijven; bedrijven, zoals opgenomen in de categorieën A of B1 van de bij de regels behorende Lijst van Bedrijven functiemenging; • leisure, met uitzondering van een sauna-/beautycentrum; • horeca, in de categorie B, C, D1, D2 of D3 zoals vermeld in de bij de regels behorende Lijst van Horeca-activiteiten; • maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend in de vorm gezondheidszorg, openbare dienstverlening, praktijkruimte, verenigingsleven, wijkcentrum, welzijnsinstelling of zorginstelling; • bij dienstverlening, creatieve bedrijven, leisure, bedrijven in categorie A of B1 van de bij de regels behorende Lijst van Bedrijven functiemenging en maatschappelijke voorzieningen is additionele horeca toegestaan.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat de combinatie van bedrijfsmatige activiteiten in de directe nabijheid van de milieugevoelige woonfunctie ter plaatse van deze gevoelige functies niet leidt tot een verstoring van een goed woon- en leefklimaat.

3. Bedrijven en milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) is een algemeen geaccepteerd hulpmiddel hiervoor. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijfsmatige activiteiten) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën. Voor de indeling in de categorieën zijn de volgende ruimtelijk relevante milieuaspecten van belang: • geluid; • geur; • stof; • gevaar (met name brand- en explosiegevaar). Daarnaast kan de verkeers- en publieksaantrekkende werking van een bedrijfsactiviteit/functie relevant zijn.

4. Functiemengingsgebieden In de genoemde VNG-publicatie is onder andere de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging' opgenomen. Deze bedrijvenlijst is bedoeld voor gebieden waar bedrijven of andere milieubelastende functies verspreid zijn gesitueerd tussen woningen en/of andere gevoelige functies. Het gaat in dergelijke gebieden in het algemeen om relatief kleinschalige bedrijvigheid die op korte afstand van woningen kan worden toegestaan. De toelaatbaarheid van activiteiten wordt voor dergelijke gebieden in de VNG-publicatie bepaald met behulp van op deze situaties toegesneden toelatingscriteria.

2

Inpasbaarheid Leisure-functies

In bestaande gebieden waar in enige mate sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), wordt deze bedrijvenlijst toegepast. Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kun je bij functiemengingsgebieden denken aan: • stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; • horecaconcentratiegebieden; • zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; • (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Daarnaast kan ook in (delen van) woongebieden waar enige vorm van bedrijvigheid aanwezig of gewenst is deze bedrijvenlijst worden gebruikt. De activiteiten in dergelijke gebieden verschillen in het algemeen qua aard en schaal sterk van de activiteiten op een bedrijventerrein. Behalve in historisch gegroeide situaties gaat het in hoofdzaak om: • kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; • bedrijven waarbij de productie en/of laad- en loswerkzaamheden alleen in de dagperiode plaatsvindt; • activiteiten die hoofdzakelijk inpandig geschieden.

5. De toegepaste ‘bedrijvenlijst voor functiemenging' De bovenvermelde criteria liggen mede ten grondslag aan de selectie van bedrijfsactiviteiten die zijn opgenomen in de Lijst van Bedrijven functiemenging, als bijlage bij de planregels voor het Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord. In deze bedrijvenlijst zijn de aspecten geluid, geur, stof en gevaar en de index voor de publieks- en verkeersaantrekkende werking in de categorisering meegewogen. Deze Lijst is samengesteld volgens dezelfde methodiek als de betreffende Voorbeeldstaat uit de VNG-publicatie. Op twee punten is een andere werkwijze toegepast: • In dit plan koppelt de gemeente de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten aan de Lijst van Bedrijven functiemening. In deze lijst zijn alleen die activiteiten opgenomen die passen binnen de definitie van bedrijf volgens de begripsbepalingen in de regels van dit bestemmingsplan. De toelaatbaarheid van andere functies wordt in dit plan indien nodig op een andere wijze in de regels en op de plankaart van dit bestemmingsplan geregeld (bijvoorbeeld horecabedrijven via een afzonderlijke Lijst van Horeca-activiteiten). Toegevoegd zijn enkele regelmatig voorkomende bedrijfsactiviteiten die in de lijst van de VNG-publicatie niet specifiek zijn opgenomen, maar wel aan de vermelde criteria voldoen.

• In de ‘bedrijvenlijst voor functiemenging' is in de categorie-indeling een nader onderscheid gemaakt tussen categorie B1 en B2. Voor de toepassing in dit plangebied lijkt het onderscheid tussen categorie A en categorie B zoals beschreven in de VNG-publicatie te groot om de toelaatbaarheid van activiteiten voldoende te kunnen afstemmen op de kenmerken van de functiemengingsgebieden en het daarin te volgen beleid. Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven, kan vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. De ‘bedrijvenlijst voor functiemenging' hanteert vier categorieën A, B1, B2 en C met specifieke criteria voor de toelaatbaarheid.

3

Inpasbaarheid Leisure-functies

Datzelfde geldt voor Leisure-activiteiten. In de regels kan daarom worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders een dergelijke Leisure-activiteit toch kan toestaan, als deze Leisure-activiteit niet binnen de algemene toelaatbaarheid past. Bij de ‘Leisure-activiteitenlijst voor functiemenging' is deze mogelijkheid beperkt tot maximaal 1 categorie (dus bijvoorbeeld categorie B1 in plaats van A of categorie B2 in plaats van B1). Om te kunnen afwijken, moet onderzocht en aangetoond worden dat de betreffende Leisure-activiteit naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) vergelijkbaar is met andere Leisure-activiteiten uit de desbetreffende lagere categorie. Daarnaast is het mogelijk dat bepaalde Leisure-activiteiten zich aandienen, waarvan de activiteiten niet in de ‘Leisure-activiteitenlijst voor functiemenging' zijn vermeld, maar die qua aard en invloed overeenkomen met Leisure-activiteiten die wel zijn toegestaan. Met het oog hierop is in de regels bepaald dat het college van burgemeester en wethouders kan afwijken en vestiging van een dergelijk activiteit kan toestaan. Om te kunnen afwijken moet op basis van milieutechnisch onderzoek worden aangetoond dat de betreffende Leisure-activiteit naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met direct toegelaten Leisure-activiteiten.

Hieronder staat de voorgestelde ‘Leisure-activiteitenlijst voor functiemenging':

5

2008

Nummer Omschrijving

15

10,11

1

92

59

Cultuur, sport en recreatie

9234.1

85521

M uziek- en balletscholen

926

931

Muziek- en balletschool

B2

x

B2

x

O

B1

x

x

Musea/presentatieruimte/bijeenkomstruimte/ontmoetingsruimte

B1

x

x

x

x

Zwembaden Binnenzwembad

B2

Kleinschalige wellness, badhuizen, zonnebankcentrum

A/B1

926

931

B

Bowlingcentra

926

931

F

Sportscholen, gymnastiekzalen

x

Sporthallen Grootschalig sport/health/adventure Bowlen, kegelen e.d. sport- en revalidatie-activiteiten (geen inpandig muziekgeluid) Sportscholen/fitness (bij inpandig muziekgeluidsniveau (LAeq, muziek) van maximaal 70 dB(A)) Sportscholen/fitness (bij inpandig muziekgeluidsniveau (LAeq, muziek) hoger dan 70 dB(A))

96

x

Openbare bibliotheken

A

93

x

Bibliotheken, musea, ateliers e.d.

931

92009

B1

Dansscholen

926

9272.1

M ARK

Vervaardiging van voedingsmiddelen Microbrouwerij met bar/microkoffiebrander met koffietent

9251, 9252 9101, 9102

plangebied

in de torens

SBI-code

in de plint

SBI-code

bouwkundig gescheiden

Inpasbaarheid Leisure-functies

C

x

B2

x

A

x

x

B1

x

x

B2

x

Klimcentrum

B1

x

x

Kleinschalige recreatie (zoals o.a. schommels in Amsterdam-toren)

A/B1

x

x

Amusementshallen Amusementscentrum, amusementshal

B2

x

Indoor speeltuin

B2

x

Snooker-centrum

B1

x

x

Lasergame centrum

B1

x

x

Skate-skeelercentrum

B2

x

x

x

Overige dienstverlening Skybar, Uitkijkpunt, restaurant op hoogte (incl uitkijkpunt), Schommelterras zoals Amsterdam-toren

A

bron: Bedrijven en milieuzonering, editie 2009

DGMR Bouw B.V.

6

Utrecht

Bijlage 2

Lijst van Horeca-activiteiten

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

37

Lijst van Horeca-activiteiten De horeca categorieën en de hinderprofielen naar hun invloed op het woon- en leefklimaat.

Type

Globale beschrijving activiteiten

Hinderprofiel

Lichte horeca

Daghoreca waarbij de bedrijfsactiviteit is gericht op het al dan niet ter plaatse

(Categorie D2)

Weinig hinder verwacht

verstrekken van etenswaren en dranken en is gebonden aan de openingstijden

Horeca die zich richt op verstrekken van eten

zoals die gelden voor detailhandel, conform de winkeltijdenwet en de

en drinken gedurende de dag en/of avond en

gemeentelijke regelgeving aangaande winkeltijden.

daarmee weinig overlast veroorzaakt.

Lichte horeca

Dag- en avondhoreca voor consumptie ter plaatse, waarbij de sluitingstijd om

plus

Weinig hinder verwacht

23.00 uur is.

Horeca die zich richt op verstrekken van eten

(Categorie D3)

en drinken gedurende de dag en/of avond en daarmee weinig overlast veroorzaakt. Doordat deze een uur later sluit dan de normale lichte horeca (D2) is de overlast groter dan normale lichte horeca.

Middelzware

Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden, en

horeca

Enige hinder verwacht

serveren van dranken en kleine consumpties voor consumptie ter plaatse.

(Categorie D1)

Enige hinder door piek van komende bezoekers

Geen activiteiten na restauranttijden.

aan het begin van de avond. Gaande bezoekers vertrekken in het algemeen gespreid aan het eind van de avond.

Snelle horeca

Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van (al dan niet voor

(Categorie C)

Hinder verwacht

consumptie ter plaatse) bereide kleine etenswaren, met als nevenactiviteit het

Hinder door hoge frequentie van komende en

verstrekken van alcoholvrije dranken. Geen actieve bediening aan tafel, het eten

gaande gasten en klanten (afhaal) inclusief

kan snel bereid worden en de gast verblijft gemiddeld 30 minuten in deze

verkeers- en parkeerbewegingen.

horecagelegenheid.

Buiten het centrum en doorgaande wegen neemt overlast in de nacht af door lagere frequentie van bezoekers.

Zware horeca

Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor

(Categorie B)

Hinder verwacht

consumptie ter plaatse, al dan niet met als nevenactiviteit het verstrekken van

Hinder door hogere frequentie van komende en

maaltijden. Mogelijkheid tot dansen in het weekend.

gaande bezoekers, ook 's nachts. Door consumptie van alcohol kan overlast hoger zijn dan snelle horeca.

Grootschalige

Een horecabedrijf dat voorziet in zaalverhuur voor grootschalige, besloten

zware horeca

Veel hinder verwacht

feesten, zoals bruiloften. Al dan niet met muziek, verstrekking van dranken en

(Categorie A2)

Grote aantallen van bezoekers, inclusief

etenswaren.

verkeersbewegingen en (fiets)parkeren met veel dynamiek, ook de nachtelijke uren.

Grootschalige

Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het bedrijfsmatig ten gehore brengen

Veel hinder verwacht

zware horeca

van muziek en het geven van gelegenheid tot dansbeoefening, al dan niet met

Grote aantallen van bezoekers, inclusief

(Categorie A1)

levende muziek en al dan niet met de verstrekking van dranken en kleine

(fiets)parkeren met veel dynamiek, vooral in de

etenswaren, alsmede de verstrekking van dranken ter plaatse, al dan niet met

nachtelijke uren.

levende muziek en al dan niet met kleine etenswaren. Het accent ligt op het ten gehore brengen van muziek en het gelegenheid geven tot dansen.

Utrecht

Bijlage 3

Lijst van bedrijfsactiviteiten in de woonomgeving

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

39

Lijst van bedrijfsactiviteiten in de woonomgeving Inhoud A. Lijst van bedrijfsactiviteiten in de woonomgeving .................................................................1 B. Verklaring van de afkortingen en tekens ..............................................................................2

A. Lijst van bedrijfsactiviteiten in de woonomgeving SBI-CODE 2008

OMSCHRIJVING

SBI-CODE

CATEGORIE

nr 1993

Ambachtelijke voedselbereiding Consumptie-ijsfabrieken, p.o. < 200 m² Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen, v.c. < 7.500 kg meel/week Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk: − cacao- en chocoladefabrieken, vervaardigen van chocoladewerken met p.o. < 200 m² − suikerwerkfabrieken zonder suiker branden, p.o. < 200 m² Vervaardiging van wijn, cider en dergelijke Ambachtelijke bierbrouwerij Ambachtelijke koffiebranderij

1052

2

1552

B1

1071

1

1581

B1

10821

0

1584

10821

3

1584

B1

10821

6

1584

B1

1102 t/m 1104

Ateliers en werkplaatsen 139 Vervaardiging van textielwaren Vervaardiging van gebreide en gehaakte stoffen 139, 143 en artikelen 141 Vervaardiging kleding van leer, schoenmaker Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige 162 artikelen van hout, p.o. < 200 m² 162902 Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken 231 Glasbewerkingsbedrijven Aardewerkfabrieken met vermogen elektrische 232, 234 ovens totaal < 40 kW 237 Natuursteenbewerkingsbedrijven: - zonder breken, zeven en drogen indien p.o. < 237 2.000 m² 2391 Slijp- en polijstmiddelen fabrieken Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen en 255, 331 dergelijke, p.o. < 200 m² Kleinschalige metaalbewerkende industrie, 2562, 3311 inpandig, p.o. < 200 m² Kantoormachines- en computerfabrieken, inclusief 26, 28, 33 reparaties Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten en dergelijke, inclusief reparaties 26, 32, 33 9524 Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m² 321 Fabricage van munten, sieraden en dergelijke 322 Muziekinstrumentenfabrieken 32991 Sociale werkvoorziening Aannemersbedrijf met werkplaats, b.o. < 41, 42, 43 1.000 m² 45204 Autobeklederijen

1

1

1593 t/m 1595

B1 B2 B2

174, 175

B2

176, 177

B2

181

B2

203, 204, 205

B2

205 2615

B1 B2

1

262, 263

B1

0

267

2

267

B2

2681

B2

B1

284

B2

1a

2852

B2

A

30

B1

A

33

B1

2

361

3663.1

A B1 B1 B1

3

45

B1

B

5020.4

A

362 363

Reparatie ten behoeve van particulieren (exclusief 952 auto's en motorfietsen) Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en 451, 452, 454 servicebedrijven Grafische bedrijven Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen Grafische afwerking Binderijen Grafische reproductie en zetten Overige grafische activiteiten Reproductiebedrijven opgenomen media

18129

Nutsvoorzieningen en -bedrijven Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen < 10 MVA Gasdistributiebedrijven: reduceer-, compressor-, meet- en regelinstallaties categorie A gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), categorie B en C Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt blokverwarming Waterdistributiebedrijven met pompvermogen < 1 MW Vervoer en leveringen over land Taxibedrijven Post- bezorg- en koeriersdiensten Catering Overige bedrijven Computerservice- en informatietechnologiebureaus en dergelijke Plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven, b.o. < 500 m²

527

A

501, 502, 504

B1

2222.6

1813

2224

1814

2225

182

223

B1 A B1 B1 B1 A

B1

1814

A

2223

1814

B

2223

35

C1

40

35

D3

40

35

D4

40

B1

35

E2

40

B1

36

B1

41

B1

493

6022

531, 532

641

B1 C C

62

A

72

A

016

4

014

B1

B. Verklaring van de afkortingen en tekens < > = cat. e.d. kl. n.e.g.

niet van toepassing of niet relevant kleiner dan groter gelijk aan categorie en dergelijke klasse niet elders vermeld

o.c. p.c. p.o. b.o. v.c. u d w j

2

A

opslagcapaciteit productiecapaciteit productieoppervlak bedrijfsoppervlak verwerkingscapaciteit uur dag week jaar

4 2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

Utrecht

Toelichting

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

43

4 4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doelstelling

Voor het plangebied is de gemeente al sinds 2006 bezig om een plan te maken voor hoogbouw. Toen was het plan om een toren, de Belle van Zuylen, van 262 meter hoog te realiseren. In de toren zou ruimte zijn voor kantoren, woningen, winkels, een hotel en publieke ruimtes. In januari 2010 maakte de gemeente bekend dat de bouw van de toren niet doorging vanwege de economische crisis. Nadat de ontwikkeling van de Belle van Zuylen werd beëindigd heeft de gemeente een studie naar de mogelijkheden van het gebied uit laten voeren. Daarbij hebben belangstellenden en bewoners uit de omgeving mee kunnen denken over een alternatieve invulling van het gebied. De ruimtelijke randvoorwaarden en input vanuit de omgeving zijn vervolgens vertaald in de hoogbouwvisie voor Leidsche Rijn Centrum Noord. Deze is vanwege de economische crisis toen niet bestuurlijk vastgesteld. Op basis van de participatiebijeenkomsten uit 2010 had een maximale bouwhoogte van 140 meter en de ontwikkeling van meerdere torens in plaats van één hele hoge de voorkeur. Op 13 maart 2018 besloten burgemeester en wethouders een openbare tender procedure te starten voor het selecteren van een marktpartij die de hoogbouw in Leidsche Rijn Centrum Noord zou ontwikkelen. Om geen partijen uit te sluiten is er gebruik gemaakt van een voorselectie, zodat iedereen die ideeën had een plan kon indienen.

Tijdens de voorselectie hebben tien consortia een plan ingediend. Uit de ingediende plannen selecteerde de gemeente Utrecht vijf consortia die door zijn gegaan naar de tweede ronde van deze selectieprocedure. De gemeente heeft uiteindelijk drie geldige inschrijvingen ontvangen en beoordeeld. Een brede (gemeentelijke) beoordelingscommissie beoordeelde samen met een vertegenwoordiging uit de omgeving de plannen. Hierbij is de keuze gevallen op het plan dat het beste aansluit op de gemeentelijke ambities: plan MARK van het consortium KEES (Koopmans Bouwgroep B.V., J.P. van Eesteren en Stadswaarde). Op 17 juni 2021 heeft de gemeenteraad het Stedenbouwkundig plan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord vastgesteld. Hierin zijn de randvoorwaarden voor de ontwikkeling van de hoogbouw vastgesteld. Het plan MARK bestaat uit 3 torens variërend in hoogte, waarvan de hoogste ongeveer 140 meter hoog is. De torens rijzen op uit verschillende bouwblokken. Het programma bestaat uit appartementen voor verschillende doelgroepen, maatschappelijke voorzieningen, leisure, horeca, commerciële voorzieningen en detailhandel. De hoofddoelstelling van het bestemmingsplan is de ontwikkeling van het plan MARK planologisch-juridisch mogelijk te maken. Er komt een nieuwe wet, de Omgevingswet, die de Wet ruimtelijke ordening gaat vervangen.

Als voorbereiding op de Omgevingswet brengt de gemeente eenheid in de algemene regels van bestemmingsplannen. Dat zijn regels die niet speciaal voor één functie (bestemming) gelden. Ze zijn meestal in de hoofdstukken 3 en 4 van bestemmingsplannen te vinden. In het bestemmingsplan Algemene regels Utrecht dat voor vrijwel de hele gemeente gaat gelden, staan nieuwe algemene regels die in de plaats komen van algemene regels die per bestemmingsplan gelden. De regels van het Bestemmingsplan Algemene regels Utrecht zijn ook aan dit bestemmingsplan toegevoegd. De toelichting van die regels is te vinden in hoofdstuk 8.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in de wijk Leidsche Rijn en is onderdeel van Leidsche Rijn Centrum Noord. Het plangebied is begrensd door de Reykjavikstraat en de rijksweg A2 in het noorden en oosten, de Stockholmstraat en de spoorlijn tussen Utrecht-Woerden/Rotterdam/Den Haag in het zuiden en de Terwijdesingel in het westen. De plangrenzen van het bestemmingsplan sluiten aan op die van recente juridisch-planologische regelingen.

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

45

Afbeel

ding 1 Begrenzing plangebied

1.3

Geldende plannen

Dit bestemmingsplan vervangt voor de locatie van het plangebied de volgende bestemmingsplannen. Bestemmingsplan Chw Algemene regels over bouwen en gebruik Leidsche Rijn Utrecht 1999 Leidsche Rijn Utrecht 1999, 2e Herziening Geluidzone industrie

1.4

Vastgesteld door Raad 30 november 2017

Onherroepelijk 18 december 2018

28 oktober 1999 20 november 2008

27 februari 2002 23 april 2009

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat de beschrijving van de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande situatie. Onder andere de ruimtelijke structuur, de historische ontwikkeling van het gebied en de beschrijving van de aanwezige functies worden hier beschreven. In hoofdstuk 4, de planbeschrijving, worden de mogelijkheden die het plan biedt aan de toekomstige ontwikkelingen beschreven. De diverse noodzakelijke onderzoeken ten aanzien van bijvoorbeeld milieuaspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 komt de juridische toelichting op de planregels aan bod.

4 6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 2 Relevante beleidskaders 2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie (2020)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. De gemeente Utrecht kan vooral aan de volgende nationale belangen een bijdrage leveren: 1.

bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 4. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 5. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 6. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 7. beperken van klimaatverandering; 8. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 9. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 10. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 11. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 12. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 13. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. De NOVI benoemt vier prioriteiten De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel bevorderen; zorgen voor sterke en gezonde steden en regio's; stimuleren van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Omgevingsinclusieve benadering Centraal in de te maken belangenafwegingen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Hierbij wordt aangesloten bij de integrale opvatting van het begrip fysieke leefomgeving uit de Omgevingswet en wordt de noodzaak van een integrale afweging benadrukt. Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is het spanningsveld tussen beschermen en ontwikkelen. Een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving houdt in, dat ontwikkeling van de leefomgeving samen gaat met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. Afwegingsprincipes Beschermen en ontwikkelen gaan niet altijd en overal samen (en zijn soms onverenigbaar), maar ze kunnen elkaar ook versterken. Om dit afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

47

2.

3.

van onze ruimte. Kenmerken & identiteit van een gebied staan centraal. De optimale balans tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Plangebied De ontwikkeling van de hoogbouw past binnen de nationale belangen en prioriteiten van het Rijk. Er worden maximaal 1.015 woningen mogelijk gemaakt waar veel vraag naar is. In hoofdstuk 5 is beschreven op welke manier het plan voldoet aan een goede leefomgevingskwaliteit. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2012) en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) (2012) In de Wet ruimtelijke ordening zijn de besluitmogelijkheden van gemeenten begrensd om nationale belangen te borgen of te beschermen. Wanneer namelijk nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kan een algemene maatregel van bestuur (AMvB) regels stellen over de inhoud van een bestemmingsplan. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, oftewel de AMvB Ruimte) zijn nationale belangen beschreven die om bescherming van het Rijk vragen, zoals bijvoorbeeld de 'erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'. Voor deze belangen is het Rijk namelijk verantwoordelijk. Verder zijn in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) nadere regels opgenomen voor onder andere militaire terreinen, radarverstoringsgebieden, reserveringen voor spoor en wegen en buisleidingen. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden, zoals de gemeente Utrecht, beleidsruimte.

Plangebied Het plangebied is in het Barro aangewezen als gebied voor erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde in verband met de Romeinse Limes. Het plangebied heeft op de archeologische waardenkaart van de gemeente Utrecht geen archeologische verwachting, zie ook paragraaf 5.14. Een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is niet nodig. In het Barro zijn regels opgenomen voor radars die in beheer zijn van defensie. De bijbehorende regelgeving is vastgelegd in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Voor het plan is een radarhinderonderzoek uitgevoerd, zie paragraaf 5.17. De MASS verkeersleidingsradar in Soesterberg en de TAR West verkeersleidingsradar bij Schiphol ondersteunen elkaar volledig in de sectoren waar, door de schaduwwerking van het bouwplan, een verlies van bereik optreedt. Daardoor vertoont het totale verkeersleidingsradarnetwerk geen verlies aan bereik op 1000 voet door het voorgenomen bouwplan in de worst-case situatie. De ontwikkeling past binnen het Barro. 2.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (2017)

De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is in 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat overheden een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting van het bestemmingsplan moeten motiveren. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Het doel van de motivering op grond van de Ladder is een zorgvuldige afweging bij ruimtelijke besluiten die zorgt voor zuinig ruimtegebruik en tegengaan van overprogrammering en leegstand. Het besluit voldoet hiermee aan een goede ruimtelijke ordening. De toetsing aan de Ladder kan bij het opnemen van uitwerkingsplichten en wijzigingsbevoegdheden in het bestemmingsplan, doorschuiven naar de fase van de vaststelling van het uitwerkings- of wijzigingsplan. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet een motivering bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Wanneer het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet het bestemmingsplan een motivering bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Ladder is kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke besluiten van de decentrale overheden, waaronder de bestemmingsplannen van de gemeente Utrecht.

Beschrijving behoefte De behoefte is kort gezegd het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd. De Ladder bepaalt niet voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. De uitkomst van de beoordeling van de behoefte moet in de plantoelichting worden vermeld. Naast een 4 8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

Utrecht

kwantitatieve beoordeling vindt ook een kwalitatieve beoordeling plaats. Beschrijving behoefte buiten het bestaand stedelijk gebied Wanneer de beoogde ontwikkeling niet kan plaatsvinden binnen het stedelijk gebied door bijvoorbeeld het toepassen van een andere bestemming van een gebied, herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden moet een motivering worden opgenomen waarom dit niet mogelijk is. Het bestaande stedelijk gebied kan worden gedefinieerd als het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De provincie Utrecht heeft in de Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening de afbakening van het bestaand stedelijk gebied vastgelegd. Plangebied Het programma van het plan bestaat uit maximaal 1.015 appartementen, waarvan minimaal 25% van het aantal woningen in de sociale huur en minimaal 25% van het aantal woningen in de categorie middenhuur.

Verder 48 units voor zorg, gemeenschappelijke ruimtes voor toekomstige bewoners, maximaal 250 m2 brutovloeroppervlakte leisure, maximaal 1.000 m2 horeca (categorieën B, C, D1, D2 en D3), maximaal 1.050 m2 brutovloeroppervlakte commerciële voorzieningen, maximaal 300 m2 brutovloeroppervlakte detailhandel (opgedeeld in kleine unitgroottes van maximaal 100 m2 brutovloeroppervlakte) en maximaal 3.200 m2 brutovloeroppervlakte maatschappelijke voorzieningen. De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is van toepassing op deze ontwikkeling. Er is een ladderonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8. Het ladderonderzoek is worst case uitgevoerd. Het programma is aangepast en het aantal woningen is naar beneden bijgesteld. Uit het onderzoek blijkt dat dat de woningvraag in Utrecht de harde plancapaciteit overstijgt. In de periode 2022-2032 is er behoefte aan ongeveer 18.200 woningen. De ontwikkeling van de hoogbouw met maximaal 1.015 woningen draagt hier goed aan bij. De horeca in MARK wordt beoogd op een unieke locatie. De horeca is onder andere voorzien op de bovenste etage van de hoogste toren van het complex. De bovenste verdieping is openbaar toegankelijk voor publiek. In het conceptontwerp wordt gedacht aan een bar/restaurant gekoppeld aan een openbaar toegankelijk uitzichtpunt. Het geheel vormt een bijzonder en uniek concept in de gemeente Utrecht.

Gezien het unieke concept en de bijzondere locatie concurreert deze horeca daarom niet of in beperkte mate met het bestaande restaurantaanbod in de marktregio. Enkele bedrijfsunits voor (zakelijke) dienstverlening of andere kleinschalige bedrijvigheid passen goed in het totaalconcept van de MARK. In het plan worden commerciële voorzieningen gemaximeerd tot 1.050 m2 brutovloeroppervlakte in totaal. Naar verwachting leidt deze beperkte toevoeging van de functie commerciële voorzieningen niet tot onaanvaardbare effecten elders. Het combineren van wonen en werken voorziet bovendien in een vraag vanuit wonen (levendigheid) als vraag vanuit werken (werken op informele locaties in de wijk). De ontwikkeling van MARK is een totaalontwikkeling van wonen, horeca, commerciële voorzieningen en enkele kleinschalige centrumfuncties. De maximale 550 m2 aan ondersteunende kleinschalige centrumfuncties, te weten detailhandel en leisure, en 3.200 m2 aan maatschappelijke functies die in het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt is een voor de hand liggende mix aan functies op deze locatie. Beoogde functies passen goed bij de aard en schaal van het totaalconcept. Aannemelijk is dat het mogelijk maken van een aantal ondersteunende centrumfuncties en maatschappelijke functies gezamenlijk in een behoefte - van respectievelijk maximaal 550 m2 en 3.200 m2 bvo - zal voorzien.

Mogelijke ruimtelijke effecten zullen naar verwachting dan ook beperkt zijn. De ontwikkeling voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 2.1.4

Structuurvisie Ondergrond

In 2018 hebben de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en van Economische Zaken en Klimaat de Structuurvisie Ondergrond opgesteld. De Structuurvisie Ondergrond gaat over de nationale belangen van de drinkwatervoorziening en de energievoorziening, en de weging van beide belangen ten opzichte van elkaar. Het gaat bijvoorbeeld over grondwaterwinning, gaswinning, geothermie en het opslaan van CO2. Deze Structuurvisie beoogt duidelijkheid te verschaffen over de mogelijke combinatie van grondwaterwinning en mijnbouwactiviteiten en tegelijkertijd beide belangen in voldoende mate te dienen. Dat betekent dat er steeds gezocht is naar de balans tussen enerzijds het beschermen van het grondwater voor de toekomstige drinkwatervoorziening en anderzijds het benutten van de ondergrond voor de - transitie naar een duurzame - energievoorziening. In de structuurvisie wordt aangegeven waar activiteiten in de ondergrond ruimtelijk uitgesloten of gecombineerd kunnen bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Hoogbouwkavel Leidsche Rijn Centrum Noord" (vastgesteld)

49

worden, nog voorafgaand aan een concreet initiatief. Plangebied In de gebieden waar nu grondwater wordt onttrokken voor de openbare drinkwatervoorziening is het risico op verontreiniging door mijnbouwactiviteiten, hoe klein ook, niet acceptabel. Een eventueel optredende verontreiniging heeft namelijk grote consequenties voor de huidige drinkwatervoorziening. De provincies sluiten daarom mijnbouwactiviteiten uit in de waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones rondom bestaande winputten. Het Rijk zal voor deze activiteiten dan ook geen omgevingsvergunning afgegeven. Het plangebied ligt in een boringsvrije zone. Daarom is in het bestemmingsplan de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - boringsvrije zone' opgenomen. De ontwikkeling van de hoogbouw past binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie Ondergrond. Mijnbouwactiviteiten zijn activiteiten die betrekking hebben op het opsporen en winnen van delfstoffen (olie, gas, steenzout) en het opslaan van stoffen (waaronder C O2, gas, perslucht, vast afval) in de ondergrond, op een diepte van meer dan 100 meter beneden maaiveld, en het winnen van aardwarmte (geothermie) op een diepte van meer dan 500 meter beneden maaiveld. Hiervan is geen sprake in het plangebied. De ontwikkeling past binnen de Structuurvisie Ondergrond.

2.2

Provinciaal beleid

2.2.1

Provinciale Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening

Op 10 maart 2021 stelden Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening vast. Beiden zijn in werking getreden op 1 april 2021. De Interim Omgevingsverordening is nodig omdat de Omgevingsverordening alleen onder de Omgevingswet in werking kan treden. Met de Interim Omgevingsverordening kunnen plannen en ambities eerder vormgegeven worden. De Omgevingsverordening is in maart 2022 vastgesteld. De Omgevingsverordening treedt tegelijk met de Omgevingswet in werking. In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie er in 2050 uitziet. De Omgevingsvisie geeft richting aan de toekomstige en fysieke leefomgeving. Dit is alles op, boven en onder de grond en inclusief de sociale aspecten zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. In de Interim Omgevingsverordening staan de regels en instructieregels die daarvoor nodig zijn. Provincie Utrecht geeft bij de onderstaande 7 thema's de provinciale belangen aan die verplichtingen met zich mee brengen. Dat geeft al een doorkijk naar deze instructieregels. Om voor te sorteren op de toekomst richt de Omgevingsvisie zich op een aantal ontwikkelingen: extra woningen die gebouwd moeten worden; toename van werkgelegenheid; toename van verkeer; energietransitie; klimaatverandering; verandering in de landbouw; versterking van natuur en recreatief groen.

Provincie Utrecht vindt het daarbij belangrijk om de bestaande kwaliteiten te behouden, te versterken en in balans te laten zijn met deze ontwikkelingen. De ruimte voor ontwikkelingen is beperkt, terwijl de vraag naar ruimte groot is. Uitwerking beleid in 7 thema's De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving en voor het mogelijk maken van lokale afwegingen als een veilige en gezonde leefomgeving daarbij gebaat is. Het beleid voor de gezonde en veilige leefomgeving is beschreven in 7 thema's. 1.

2.

3.

Stad en land gezond Dit thema gaat over milieu, gezondheid, recreatie en toerisme. Provincie Utrecht wil graag voor de woon-, werk-, en leefgebieden bereiken dat deze gezond zijn en uitnodigen tot bewegen. In en rondom steden en dorpen moeten voldoende groene gebieden zijn om te recreëren. Klimaatbestendig en waterrobuust Dit thema gaat over een duurzaam en robuust bodem- en watersysteem, een klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving en een perspectief voor bodemdalingsgebieden. Provincie Utrecht wil graag bereiken dat er bescherming is tegen overstromingen, een tekort aan zoetwater of de gevolgen van extreem weer (wateroverlast en hitte). Duurzame energie Dit thema gaat over het stimuleren van energiebesparing en het opwekken van duurzame energie uit wind, zon, bodem en water.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=ddaca80e-81d2-4521-8ddb-9d86cf6cb2f3