CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering_Bijlagen toelichting

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 1 februari 2024, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide – De Wetering24.206 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering Vastgesteld,

Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering

Inhoudsopgave Bijlagen toelichting

3

Bijlage 1

Aanmeldingsnotitie mer-beoordeling

5

Bijlage 2

QRA

45

Bijlage 3

Bureaustudie CE

63

Bijlage 4

Historisch vooronderzoek bodem

197

Bijlage 5

Verkennend bodemonderzoek

471

Bijlage 6

Natuurtoets

1023

Bijlage 7

Memo stikstofdepositie

1125

Bijlage 8

Stikstofberekening AERIUS

1247

Bijlage 9

Stikstofberekening AERIUS - 75%

1299

Bijlage 10

Geohydrologisch rapport

1351

Bijlage 11

Archeologisch onderzoek

1965

2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

Utrecht

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

3

4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

Utrecht

Bijlage 1 Aanmeldingsnotitie mer-beoordeling

bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan gasleiding bedrijventerrein Lage Weide - De Wetering" (vastgesteld)

5

Aanmeldingsnotitie m.e.rbeoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W200+W-2017) Tracé S-328 (Hoornaar) - M&R A-107 (Reijerscop) & S-6627 (AS-Utrecht) - S-6265 (Lage Weide) - optie A

projectnummer 0455773.100 definitief revisie 04 25 mei 2022

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) Tracé S-328 (Hoornaar) - M&R A-107 (Reijerscop) & S-6627 (AS-Utrecht) - S6265 (Lage Weide) - optie A projectnummer 0455773.100 definitief revisie 04 25 mei 2022

Auteurs

Opdrachtgever N.V. Nederlandse Gasunie Concourslaan 17 9727 KC GRONINGEN

datum vrijgave 25-5-2022

beschrijving revisie 04 definitief

gecontroleerd

vrijgave

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

1

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Waarom een m.e.r-beoordeling? Criteria voor het toetsen van activiteiten in een m.e.r-beoordeling? Leeswijzer en bronnen

1 2 3 5

2

Plaats en kenmerken van de activiteit

7

2.1 2.2 2.3

Beschrijving van de activiteit Werkzaamheden Productie van afvalstoffen (lozing bemalingswater)

7 7 7

3

Kenmerken van het potentiële effect

9

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11 3.12

Water Bodem Archeologie Landschap en cultuurhistorie Lucht Licht Verkeer en transport Geluid Natuur Gezondheid Externe veiligheid Effectkenmerken

9 14 16 21 22 23 23 23 24 31 31 34

4

Conclusie

35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De N.V. Nederlandse Gasunie is voornemens twee tracés voor gastransportleidingen te realiseren. Het gaat om een tracé van 23,8 km HTL (hoofdtransportleiding) van afsluiterschema S238 Hoornaar tot M&R (Meet –en regelstation) A-107 Reijerscop en een tracé 2,6 km RTL (regionale transportleiding) van afsluiterschema S-6227 AS-Utrecht tot afsluiterschema S-6265 Lage Weide. Het plangebied loopt door zes verschillende gemeentes: Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfheerenlanden en Molenlanden. De ligging van de nieuw aan te leggen tracés is in figuur 1.1 weergegeven. In paragraaf 2.2 wordt verder ingegaan op de werkzaamheden. Bij het lange tracé van circa 23,8 km wordt circa 18,3 km aangelegd middels horizontaal gestuurde boringen (overige deel in open ontgraving). Bij het korte tracé van circa 2,6 km wordt circa 2,2 km aangelegd door middel van horizontaal gestuurde boringen (en ook hier het overige deel in open ontgraving).

Figuur 1.1: Ligging tracés Hoornaar - M&R Reijerscop (A-555-08) en Utrecht - Lage Weide (W-501-23)

Blad 1 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

1.2

Waarom een m.e.r-beoordeling? Volgens het Besluit milieueffectrapportage dient voor activiteiten van onderdeel D te worden bepaald of er ten gevolge van de voorgenomen activiteit sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Afhankelijk van waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu is een milieueffectrapportage (m.e.r., de procedure) al dan niet nodig en dient er wel of geen MER (milieueffectrapport, het document) te worden opgesteld. Dit is ter beoordeling aan het bevoegd gezag. De voorliggende aanmeldingsnotitie ten behoeve van de m.e.r.-beoordeling gaat in op de mogelijke negatieve gevolgen voor het milieu. Met deze informatie zal het bevoegd gezag bepalen of er al dan niet een MER dient te worden opgesteld. In relatie met aardgastransportleidingen is van belang categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie of CO2-stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën”. Er is hier sprake van vormvrije m.e.r.-beoordeling, omdat de drempelwaarden van deze categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage niet worden overschreden.

De voorgenomen aardgastransportleiding kruist weliswaar twee Natura 2000-gebieden (“onderdoor” met een gestuurde boring) en ook een aantal NNN-gebieden, maar de lengte totaal bedraagt ruim minder dan 5 km. Daarnaast is in relatie met de voorgenomen werkzaamheden categorie D 15.2 uit het Besluit milieueffectrapportage van belang: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater.”. Het totale waterbezwaar voor het plan betreft circa 1,7 miljoen m3. Er is hier sprake van m.e.r.beoordeling, omdat de drempelwaarde van deze categorie D 15.2 uit het Besluit milieueffectrapportage worden overschreden. De voorgenomen activiteit heeft namelijk betrekking op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar. M.e.r.-plicht is niet aan de orde (categorie C 15.1), omdat de te onttrekken hoeveelheid minder is dan 10 miljoen m3 per jaar. In dit kader is ook beschouwd of de bestemmingsplannen voor de gastransportleidingen kaderstellend zijn voor deze activiteit van het onttrekken van grondwater. In dat geval zou er een Plan-MER moeten worden opgesteld. Een bestemmingsplan (plan genoemd in kolom 3 in de desbetreffende bijlage van het Besluit milieueffectrapportage) is kaderstellend indien het de basis vormt voor het in kolom 4 genoemde besluit. Dat is in dit geval niet de situatie.

De onttrekking van grondwater is een tijdelijke eenmalige activiteit die nodig is om de aanleg van de aardgastransportleiding mogelijk te maken. De bestemmingsplannen (voor elke gemeente één) doen geen uitspraak en stellen geen regels over de aanlegmethode en zijn daarvoor ook niet bedoeld. Daarom zijn de bestemmingsplannen voor de activiteit onttrekken van grondwater niet kaderstellend. Een Plan-MER is niet aan de orde.

Blad 2 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

Voorts is van belang dat bij plannen, zoals bestemmingsplannen waarvoor een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is, een Plan-MER nodig is, tenzij wordt voldaan aan artikel 3, lid 1 van het Besluit milieueffectrapportage. Dat is hier het geval:  Het gaat om een plan waarbij een gemeente het bevoegd gezag is;  De omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente(n) is klein (voor alle zes gemeenten ruim minder dan 0,2%);  Uit de voorliggende m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke milieugevolgen zijn. Ook op basis hiervan is het derhalve niet aan de orde om een plan-MER op te stellen. Uitgangspunt is dat de voorliggende m.e.r.-beoordeling zowel zal worden gebruikt bij de besluitvorming over de ruimtelijke besluiten (bestemmingsplannen) voor de gastransportleidingen door de desbetreffende gemeenten als bij de besluitvorming over de te verlenen vergunningen in het kader van de Waterwet voor de grondwateronttrekking door de waterschappen.

1.3

Criteria voor het toetsen van activiteiten in een m.e.r-beoordeling? Wet milieubeheer en m.e.r.-beoordeling Volgens artikel 7.16 Wet milieubeheer deelt de initiatiefnemer het voornemen mee aan het bevoegd gezag. Bij deze mededeling dient in ieder geval de volgende informatie te worden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit, met in het bijzonder: 1) een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en, voor zover relevant, van sloopwerken; 2) een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn; b. een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; c. een beschrijving, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is, van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van: 1) indien van toepassing, de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; 2) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van gevolgen voor het milieu.

Voorts kan bij de mededeling een beschrijving worden verstrekt van de kenmerken van de voorgenomen activiteit en van de geplande maatregelen om waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen.

Blad 3 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

Op grond van de mededeling (het voorliggende document) neemt het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na ontvangst een beslissing omtrent de vraag of er bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt (artikel 7.17 Wet milieubeheer). Het bevoegd gezag houdt bij zijn beslissing rekening met de in bijlage III bij de EU Richtlijn MER aangegeven criteria. Criteria EU Richtlijn Op grond van de EU Richtlijn MER bijlage III (genoemd in de Wet milieubeheer, artikel 7.16) moet worden getoetst op een aantal criteria. In de voorliggende notitie vindt deze toetsing plaats. 1.

Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) de omvang en het ontwerp van het gehele project; b) de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; d) de productie van afvalstoffen; e) verontreiniging en hinder; f) het risico van zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; g) de risico's voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). 2. Plaats van de projecten De kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in aanmerking worden genomen, en met name: a) het bestaande en goedgekeurde landgebruik; b) de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan; c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: i. wetlands, oeverformaties, riviermondingen; ii. kustgebieden en het mariene milieu; iii. berg- en bosgebieden; iv. natuurreservaten en -parken; v.

gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; vi. gebieden waar de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving van de Unie vastgesteld en relevant voor het project, al niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet-nagekomen; vii. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; viii. landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

Blad 4 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

3. Soort en kenmerken van het potentiële effect De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de onder punten 1 en 2 van deze bijlage hierboven uiteengezette criteria, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor het effect van het project op de in artikel 3, lid 1, uiteengezette factoren, met inachtneming van: a) de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); b) de aard van het effect; c) het grensoverschrijdend karakter van het effect; d) de intensiteit en de complexiteit van het effect; e) de waarschijnlijkheid van het effect; f) de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; g) de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; h) de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

1.4

Leeswijzer en bronnen Het vervolg van het rapport is als volgt opgebouwd:  hoofdstuk 2: de plaats van de activiteit en de kenmerken van de activiteit (aard en omvang, de wijze van aanleg);  hoofdstuk 3: de kenmerken van het potentiële effect van de activiteit;  hoofdstuk 4: conclusie. Voor de projectinformatie zijn de onderstaande rapportages evenals de door de opdrachtgever aangeleverde stukken geraadpleegd:  Antea Group, Bureaustudie CE: Ombouw van G naar H-gas tracé Hoornaar-ReijerscopUtrecht - Historisch vooronderzoek conventionele explosieven, kenmerk: 455773-BS-CE001, d.d. 18 mei 2021, revisie 01.  Antea Group, Cultuurtechnisch rapport, kenmerk: 0455773.100-CTR-01, d.d. 18 februari 2022, revisie 0A.  Antea Group, Geohydrologisch rapport: Project Eneco Utrecht (I.013713.01) Aanleg tracés DN300 leiding Hoornaar - M&R Reijerscop en DN300 leiding Utrecht - Lage Weide, projectnummer 0455773.100, definitief revisie 00, 24 februari 2021.  Antea Group, Milieukundig rapport. Verkennend bodemonderzoek tracé project Ombouw G- naar H-gas Eneco Utrecht. projectnummer 0455773.100. documentnummer 455773-MKO-VO-001. definitief revisie 00. 2 februari 2022  Antea Group, Milieukundig rapport: Historisch vooronderzoek Ombouw G-H Eneco Utrecht (W-200+W-217), kenmerk: 455773-MKO-001, d.d. 5 mei 2021, revisie 01.

 Antea Group Archeologie 2021/75, Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen: Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht; gemeente Utrecht, kenmerk: 455773-ARC—BO+IVO-001, d.d. 17 februari 2022, revisie 0B.  Antea Group Archeologie 2021/76, Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen: Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht; gemeente Montfoort, kenmerk: 455773-ARC-BO+IVO-002, d.d. 17 februari 2022, revisie 0B.  Antea Group Archeologie 2021/77, Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen: Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht; gemeente IJsselstein, kenmerk: 455773-ARC-BO+IVO-003, d.d. 10 maart 2022, revisie 0C.

Blad 5 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

 

 

 

 

Antea Group Archeologie 2021/78, Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen: Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht; gemeente Lopik, kenmerk: 455773-ARC-BO+IVO-004, d.d. 10 maart 2022, revisie 0C. Antea Group Archeologie 2021/80, Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen: Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht; gemeente Vijfheerenlanden, kenmerk: 455773-ARC-BO+IVO-005, d.d. 10 maart 2022, revisie 0C. Antea Group Archeologie 2021/79, Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen: Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht; gemeente Molenlanden, kenmerk: 455773-ARC-BO+IVO-006, d.d. 10 maart 2022, revisie 0C. Antea Group, Passende beoordeling: Ombouw G- naar H-gas Eneco Utrecht tracé Hoornar-Reijerscop-Utrecht, kenmerk 469781-PB-001, d.d. 9 juni 2021, revisie 00. Antea Group, Natuurtoets Project Ombouw G naar H gas Eneco Utrecht, tracé HoornaarReijerscop-Utrecht, Toetsing Wet natuurbescherming en NNN, documentnummer 455773-ECO-001, revisie 00, 1 maart 2022. Antea Group, Addendum Passende beoordeling project "Ombouw G naar H gas Eneco Utrecht", documentnummer 455773-PB-ADD-001, revisie 03, 25 mei 2022. Bilfinger Tebodin Netherlands B.V., Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) Revisie aardgastransportleiding A-555-08. Documentnummer: 3413360. Revisie: G. 17 februari 2022. Arcadis, QRA leiding W-501-23.

De aanleg van een nieuwe leiding in de gemeente Utrecht, Referentie D10049625:7, 16 februari 2022. Antea Group, Toets Wet natuurbescherming -stikstofdepositie Project ombouw G naar H gas Eneco Utrecht, documentnummer 455773-NDB-001, definitief revisie 00, 25 maart 2022. WSP Nederland B.V., Ombouw G naar H gas Eneco Utrecht. Passende beoordeling stikstofdepositie, Documentnummer SOL020768.RAP01.NP, versie 2. 24 mei 2022.

Blad 6 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

2

Plaats en kenmerken van de activiteit

2.1

Beschrijving van de activiteit De tracés (zie figuur 1.1 in de inleiding) worden aangelegd in het kader van de ombouw van delen van het gastransportnet van G-gas (laag calorisch gas) naar H-gas (hoog calorisch gas). De aan te leggen leiding betreft een DN300 (diameter 300 mm) en wordt deels in open ontgraving en deels via horizontaal gestuurd boren (HDD) aangelegd. Zoals reeds genoemd in de inleiding, wordt bij het lange (zuidelijke) tracé van circa 23,8 km, circa 18,3 km aangelegd middels horizontaal gestuurde boringen (overige deel in open ontgraving). Bij het korte tracé van circa 2,6 km wordt circa 2,2 km aangelegd door middel van horizontaal gestuurde boringen (en ook hier het overige deel in open ontgraving). Het tracé wordt derhalve hoofdzakelijk in horizontaal gestuurde boringen (HDD’s) aangelegd. Op de tussenliggende korte veldstrekkingen wordt gegraven, waarbij de grondlagen gescheiden worden ontgraven en lokaal worden opgeslagen. Na de werkzaamheden wordt het plangebied zoveel mogelijk in oude staat hersteld. Hiervoor wordt de tijdelijk opgeslagen grond gebruikt. Om constructietechnische en cultuurtechnische redenen dienen de uit te voeren werkzaamheden in droge bouwputten plaats te vinden. In verband met de heersende grondwaterstanden moet daartoe bemaling worden toegepast.

2.2

Werkzaamheden Voor de werkzaamheden worden diverse mobiele werktuigen en transportmiddelen (zoals pompen, aggregaten en vrachtwagens) gebruikt. De energie daarvoor wordt geleverd door dieselolie en soms ook door elektriciteit uit het net. Het actuele gebruik van het plangebied blijft na afronding van de leidingaanleg hetzelfde en het karakter van het gebied waar de werkzaamheden worden uitgevoerd, wordt er niet blijvend door veranderd. De grondwaterbemaling, en dus het “gebruik” van de natuurlijke hulpbron “water” is tijdelijk. De effecten van de tijdelijke grondwateronttrekking komen in hoofdstuk 3 aan de orde. In het kader van de bemalings- en aanlegwerkzaamheden is geen sprake van specifieke risico’s voor zware ongevallen of rampen in en in de omgeving van de locatie. Door de aanleg- en bemalingswerkzaamheden is, conform regelgeving, sprake van emissies ten aanzien van water, geluid, licht en lucht. Bij de effectbeschrijving wordt hierop nader ingegaan.

2.3

Productie van afvalstoffen (lozing bemalingswater) Bij het lozen dient de kwaliteit van het grondwater te voldoen aan de eisen uit het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi; buiten inrichtingen) of het activiteitenbesluit (BARIM; binnen inrichtingen). Bij lozing van bemalingswater op oppervlaktewater in beheer bij Rijkswaterstaat, bijvoorbeeld de Lek, is geen melding noodzakelijk indien een lozingsdebiet van 5.000 m³/uur niet wordt overschreden.

Blad 7 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

In het kader van het onderhavige project wordt deze grens niet overschreden, zodat er geen meld- of vergunningplicht geldt. Voor de lozing op deze oppervlaktewaterlichamen in het beheer van Waterschap Rivierenland of Waterschap De Stichtse Rijnlanden is een vergunning benodigd. Ten aanzien van de grondwaterkwaliteit dient de lozing in het kader van het Blbi gemeld worden.

Blad 8 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

3

Kenmerken van het potentiële effect Met name de bemaling en de aanlegwerkzaamheden hebben mogelijk invloed op het milieu. In dit hoofdstuk zijn de mogelijke milieueffecten van de bemaling en aanlegwerkzaamheden beschreven, alsmede ook de eventuele effecten van het gebruik van de gastransportleidingen daarna. Dit laatste betreft de veiligheidsrisico’s van de toekomstige tracés.

3.1

Water Algemeen In het geohydrologische rapport (Antea Group, kenmerk: projectnummer 0455773.100, d.d. 24 februari 2022) zijn de lokale geohydrologische situatie, het te verwachten waterbezwaar en de effecten en mogelijke risico’s van de bemaling beschouwd. Om constructietechnische- en cultuurtechnische redenen dienen de uit te voeren werkzaamheden in droge werkputten en sleuven plaats te vinden. In verband met de heersende grondwaterstanden op de locatie moet daartoe bemaling worden toegepast. Langere zuidelijke tracé (tracé Hoornaar) Op het tracé Hoornaar bevindt de onderzijde van de deklaag bevindt zich overwegend tussen NAP -8,0 m à NAP -9,5 m en bestaat uit klei en veen. Zeer lokaal komen zandlagen in de holocene deklaag voor. Op het meest noordelijke deel van het tracé bevindt de onderzijde van de deklaag zich op NAP -4,0 m à NAP -6,1 m. Onder de deklaag is tot een diepte van NAP -45 m à NAP -60 m het eerste watervoerend pakket aanwezig. Dit watervoerend pakket bestaat overwegend uit grof tot zeer grof zand. Plaatselijk bestaan de bovenste meters van het watervoerend pakket uit (matig) fijn zand. De freatische grondwaterstand op het tracé Hoornaar varieert overwegend tussen 0,30 m -mv en 1,0 m -mv.

De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket loopt in een GHS vanuit het zuiden richting de Lek op van NAP -1,30 m naar NAP +0,70 m vervolgens loopt de stijghoogte noordelijk richting weer af naar NAP -1,30 m. De stijghoogte is in een GLS situatie 0,2 m à 1,2 m lager. (hoe dichter bij de Lek hoe groter de fluctuatie. Op de delen waar een zandtussenlaag aanwezig is bevindt de stijghoogte in de zandtussenlaag zich tussen de freatische grondwaterstand en de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket. Korte noordelijke tracé (tracé Utecht) Op het tracé Utrecht bevindt de onderzijde van de deklaag bevindt zich op circa NAP -4,0 m en bestaat uit klei en veen. Onder de deklaag is het eerste watervoerend pakket aanwezig. De bovenste meters van dit pakket bestaat uit fijn tot matig grof zand met daaronder grof tot zeer grof zand. De freatische grondwaterstand op het tracé Utrecht varieert overwegend tussen 1,0 m -mv en 2,0 m -mv. De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket varieert overwegend tussen NAP -0,30 m en NAP -0,60 m. Onttrekking Voor de freatische bemaling kan worden volstaan met open bemaling. Om het opbarsten van de putbodems te voorkomen worden in de lokaal aanwezige zandtussenlagen verticale filters voorgesteld.

Blad 9 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

Ten behoeve van de spanningsbemaling in het eerste watervoerend pakket wordt verticale bemaling tot een maximale diepte van 12 m-mv voorgesteld. Het maximaal berekende waterbezwaar bedraagt 1,7 miljoen m3 (worst case GHS situatie) en het maximale berekende debiet bedraagt 390 m³/uur. De onttrekking vindt plaats in de beheergebieden van waterschap Rivierenland en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Bij beide waterschappen wordt niet voldaan aan de algemene regels voor meldplicht. De grondwateronttrekking is vergunningsplichtig. Lozing Wanneer het grondwater wordt geloosd op oppervlaktewater in beheer bij Rijkswaterstaat, bijvoorbeeld de Lek, wordt de lozingshoeveelheid van 5.000 m³/uur niet overschreden. Er is geen meld- of vergunningplicht. Voor het lozen op oppervlaktewater in beheer bij waterschap Rivierenland wordt niet voldaan aan de algemene regels voor meldplicht. Er is bij lozing op deze oppervlaktewaterlichamen een vergunning benodigd. Voor het lozen op oppervlaktewater in beheer bij hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is uitsluitend de zorgplicht van toepassing. De noodzaak voor een vergunningaanvraag dient te worden overlegd met het hoogheemraadschap. Bij het lozen van het grondwater op oppervlaktewater moet worden voldaan aan het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi).

Effecten Zettingen Uit de zettingsberekeningen blijkt dat op het tracé Hoornaar binnen de 1,0 m verlagingscontour (stijghoogte watervoerend pakket) zettingen van 7 à 10 mm zijn te verwachten. Binnen de 1,0 m verlagingscontour is alleen de bebouwing op het perceel Hugo Botterweg 1 te Noordeloos gelegen. Door middel van onderzoek in het bouwarchief wordt de funderingswijze van deze panden achterhaald. Indien sprake blijkt te zijn van een zettingsgevoelige fundering, wordt een bouwkundige vooropname uitgevoerd en worden de stijghoogteverlagingen gemonitoord. Indien de stijghoogteverlaging zodanig is dat er een verhoogd risico op zettingsschade is, wordt de zakking van de panden door middel van periodieke inmeting van meetbouten gevolgd. Bij het constateren van een te grote zakking worden mitigerende maatregelen getroffen. Op het tracé Utrecht zijn bij een verlaging van 0,50 m zettingen van 9 mm berekend. Binnen de 0,50 m verlagingscontour is een aantal gebouwen gelegen, daterend van de jaren 1960 tot recent. Voor de betreffende panden wordt dezelfde werkwijze aangehouden als voor de panden aan de Hugo Botterweg 1 te Noordeloos. Verdroging landbouw Buiten de werkterreinen/werkstroken wordt geen noemenswaardig effect verwacht op de freatische grondwaterstand, hiermee worden droogteschade niet verwacht.

Verdroging natuur Ter plaatse van de natuurgebieden is sprake van een dikke holocene deklaag. Ter plaatse van de natuurgebieden in de omgeving van de bemalingen wordt alleen de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket (spanningsbemaling) verlaagd. Deze bemaling heeft, gezien de relatief korte bemalingsduur van de verschillende werkputten en sleuven, geen noemenswaardig effect op de freatische grondwaterstand. De natuurgebieden zijn juist afhankelijk van het freatische

Blad 10 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

grondwater, zodat negatieve effecten als gevolg van de kortdurende bemaling worden daarom niet verwacht. Bodemverontreinigingen Binnen het invloedsgebied van de spanningsbemaling zijn diverse verdachte locaties gelegen. In het kader van het genoemde geohydrologisch onderzoek is ingegaan op de kans op verplaatsing van verontreinigingen door de bemalingen. Voor beide tracés is geconcludeerd dat er geen noemenswaardige verplaatsing van verontreinigingen is te verwachten en dat het effect van de bemaling op bekende grondwaterverontreinigingen verwaarloosbaar is. Aardkundige waarden Binnen het invloedsgebied van de bemalingen zijn diverse gebieden met aardkundige waarden aanwezig. Uit de zettingsberekeningen is gebleken dat de zettingen ter plaatse van de aardkundige waarden gering (< 2 cm) zijn. Deze mate van zettingen heeft geen negatieve effecten op de aardkundige waarden. Zoet/zoutgrensvlak Als gevolg van het onttrekken van grondwater kunnen de grensvlakken van zoet naar brak en van brak naar zout grondwater omhoog komen. Uit de analyseresultaten (gepresenteerd in de genoemde rapportage van het geohydrologisch onderzoek) blijkt dat het grondwater uit het eerste watervoerend pakket zoet is. Tevens blijkt uit diverse peilbuizen in DINOloket dat het grondwater tot minimaal NAP -100,0 m zoet is.

In het gebied waar de tracés zich in bevinden, is rond NAP -50 m een kleilaag aanwezig die beïnvloeding van het grondwater in dieper gelegen zandlagen door de bemaling voorkomt Er kan derhalve worden geconcludeerd dat er geen beïnvloeding van het zoet/zout grensvlak plaatsvindt. Grondwaterbeschermingsgebieden Volgens de digitale kaart 'Grondwaterbeschermingsgebieden' van de provincie Utrecht en ZuidHolland blijkt dat binnen het invloedsgebied van de bemalingen diverse boringsvrije zones zijn gelegen. Op het tracé Hoornaar is ten noorden van Benschop het grondwaterwaterwingebied ‘Blokland’ binnen het invloedsgebied van de bemalingen gelegen. De stijghoogte wordt ter plaatse van dit waterwingebied in een GHS situatie met maximaal 0,20 m verlaagd. De mate en duur van de verlaging van de stijghoogte zijn beperkt, er wordt niet verwacht dat de bemalingen een noemenswaardig negatief effect hebben op de waterwinning. Op het tracé Utrecht bevindt zich op de grens van het invloedsgebied ten zuiden van het tracé grondwaterwingebied ‘Leidsche Rijn’. De stijghoogte wordt in een GHS situatie met maximaal 0,10 m verlaagd. De verlaging van de stijghoogte is dermate gering dat er geen negatieve effecten op de drinkwaterwinning worden verwacht. De ligging van de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden binnen het invloedsgebied van de bemalingen zijn in figuur 3.1 weergegeven.

Blad 11 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

Figuur 3.1: Waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden

Overige onttrekkingen De overige onttrekkingen (grondwateronttrekkingen en bodemenergiesystemen) binnen het invloedsgebied van de bemaling zijn geïnventariseerd met behulp van de WKObodemenergietool van de Rijkdienst voor Ondernemend Nederland en met de webservice (WFS) van het lgr-online.

Blad 12 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

Bij beide tracés is er sprake van bodemenergiesystemen en overige onttrekkingen in de omgeving van de bemalingen. Tracé Hoornaar (zuidelijke tracédeel) Uit de informatie in de WKO-bodemenergietool blijkt dat de bodemenergiesystemen een minimale einddiepte van 75 m -mv hebben. Dit betekent dat de onderzijde van de systemen zich in een dieper watervoerend pakket bevinden dan waaruit in het kader van de bemaling grondwater wordt onttrokken. De opslag van warmte en koude in deze systemen vindt blijkbaar plaats in diepere lagen, welke door de slecht doorlatende kleilaag van de Formatie van Waalre (rond NAP -50 m) worden gescheiden van het eerste watervoerende pakket. Als gevolg van de bemaling zijn geen effecten op de WKO-systemen te verwachten. Met behulp van de webservice van het lgr-online zijn de grondwateronttrekkingen binnen de 0,5 m verlagingscontour (GHS situatie) geïnventariseerd. Uitgangspunt is dat wanneer de stijghoogte met minder dan 0,5 m ten opzichte van de GHS wordt verlaagd het effect op de capaciteit van de onttrekking niet noemenswaardig is. Uit de inventarisatie blijkt binnen de 0,5 m verlagingscontour geen grondwateronttrekkingen aanwezig zijn. Negatieve effecten zijn daarom niet te verwachten.

Tracé Utrecht (noordelijke tracédeel) Op het tracé Utrecht zijn binnen het invloedsgebied van de bemalingen diverse grondwateronttrekkingen en bodemenergiesystemen aanwezig. Uit de informatie van de WKObodemenergietool blijkt dat de onderzijde van diverse bodemenergiesystemen is gelegen op 40 m -mv. Deze bevinden zich derhalve in het eerste watervoerend pakket. Omdat de spanningsbemaling eveneens in het eerste watervoerend pakket plaatsvindt, is verplaatsing van grondwater ter plaatse van deze bodemenergiesystemen op voorhand niet uit te sluiten. Wanneer de verplaatsing van het grondwater ter plaatse van deze systemen te groot is wordt de opgeslagen warmte/koude in de bodem verplaatst en wordt het rendement van het systeem beïnvloed. De grondwaterverplaatsing als gevolg van de bemaling is in het geohydrologische rapport berekend voor het maatgevende open bodemenergiesysteem. Ter plaatse van het betreffende bodemenergiesysteem is het verhang in de stijghoogte als gevolg van de bemalingen het grootst, de berekening geeft daarmee de worst case benadering. Uit de berekening blijkt dat bij een worst case benadering de verplaatsing van het grondwater circa 2,7 m betreft. De verplaatsing is beperkt ten opzichte van de omvang van warm en koud water volumes die met WKO-systemen worden opgeslagen.

De bemaling heeft dan ook geen significant effect op de in het eerste watervoerende pakket aanwezige bodemenergiesystemen. Met behulp van de webservice van het lgr-online en de WKO-bodemenergietool zijn de grondwateronttrekkingen binnen de 0,5 m verlagingscontour (GHS situatie) geïnventariseerd. Uitgangspunt is dat wanneer de stijghoogte met minder dan 0,5 m ten opzichte van de GHS wordt verlaagd het effect op de capaciteit van de onttrekking niet noemenswaardig is. Uit de inventarisatie blijkt dat binnen de 0,5 m verlagingscontour geen in gebruik zijnde onttrekkingen zijn geregistreerd. Effect lozing In de directe omgeving van beide tracés zijn vele watergangen en overige oppervlaktewaterlichamen aanwezig. Het meeste oppervlaktewater is in beheer bij het Waterschap Rivierenland of het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden. Voor de rivier Lek is Rijkswaterstaat de beheerder.

Blad 13 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

Bij het lozen van het grondwater op oppervlaktewater moet worden voldaan aan het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi). Aandachtspunt bij de lozing is de verkleuring van het oppervlaktewater als gevolg van relatief hoge ijzerconcentraties. Conclusie In het kader van het uitgevoerde geohydrologisch onderzoek zijn de mogelijke directe en indirecte effecten van de bemalingen met betrekking tot het milieuaspect water onderzocht. In de tekst van de voorliggende paragraaf zijn de resultaten per deelaspect samenvattend beschreven. Om zettingsschade als gevolg van de bemaling te voorkomen wordt onderzoek naar de funderingswijze van opstallen met een potentieel risico op zettingsschade onderzocht. Indien sprake blijkt te zijn van zettingsgevoelige funderingen wordt door middel van monitoring de stijghoogteverlaging en indien noodzakelijk de zakking van het pand gemonitoord. Indien de grenswaarden waarboven zettingsschade zou kunnen optreden dreigen te worden onderschreden, worden mitigerende maatregelen genomen. Hierbij kan worden gedacht aan gesloten bouwkuipen, retourbemaling of tegenbemaling. De werkzaamheden kunnen pas plaatsvinden indien uit dit verder onderzoek en de uitwerking van eventuele specifieke mitigerende maatregelen is gebleken is dat er geen belemmeringen zijn. De genoemde mitigerende maatregelen worden regelmatig in Nederland toegepast.

De uitwerking van deze maatregelen (indien nodig) dient nog plaats te vinden, maar op basis van kennis en ervaring kan worden gesteld dat het altijd mogelijk is om belangrijke nadelige milieugevolgen in dit kader voldoende te reduceren om te komen tot aanvaardbare milieueffecten en om vergunningverlening mogelijk te maken. Ten aanzien van de overige aspecten, te weten landbouw en natuur (verdroging), bodemverontreiniging, aardkundige waarde, zoet/zoutgrensvlak, grondwaterbeschermingsgebieden en overige onttrekkingen is er geen sprake van belangrijke nadelige milieueffecten.

3.2

Bodem In de periode van juli t/m december 2021 is een verkennend milieukundig onderzoek uitgevoerd ter plaatse van het geplande leidingtracé (Antea Group, Milieukundig rapport. Verkennend bodemonderzoek tracé project Ombouw G- naar H-gas Eneco Utrecht. projectnummer 0455773.100. documentnummer 455773-MKO-VO-001. revisie 00. 2 februari 2022). Dit onderzoek heeft bestaan uit een vooronderzoek, alsmede uit veldwerk en laboratoriumonderzoek.

Blad 14 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

Op basis van de resultaten van dit onderzoek is het volgende geconcludeerd: • Ter plaatse van de veldstrekkingen ter hoogte van boomgaarden zijn geen verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen aangetoond. • Ter plaatse van de veldstrekkingen in de stad Utrecht zijn lichte verontreinigingen met immobiele parameters in de grond aangetoond. Deze zijn deels te relateren aan antropogene bijmengingen in de grond en een mogelijke slootdemping. • Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een restverontreiniging van een eventueel voormalig gasfabrieksterrein op de oostelijke veldstrekking in de stad Utrecht. • Ter plaatse van afsluiterschema S-6227 zijn geen verontreinigingen met condensaatcomponenten aangetoond. • Het grondwater bevat licht verhoogde concentraties van barium, enkele andere metalen en naftaleen. Voor het barium wordt een natuurlijke herkomst verondersteld. Voor naftaleen is een natuurlijke herkomst eveneens mogelijk. Ook kunnen de licht verhoogde naftaleenconcentraties het gevolg zijn van inzijging van vervuild hemelwater dat van de naastgelegen rijwegen afkomstig is. De licht verhoogde metalenconcentraties hangen mogelijk deels samen met de lichte metalenverontreiniging in de grond. • De grond ter plaatse van de slootdempingen ter plaatse van de veldstrekking in het definitieve tracé-ontwerp is niet tot (zeer) licht verontreinigd.

Gezien de bodemopbouw ter plaatse van de betreffende dempingen zijn deze uitgevoerd met gebiedseigen grond. • De sliblaag in de watergangen ter plaatse van de slootkruisingen op de veldstrekking en werkstroken volgens het definitieve tracé-ontwerp valt in het algemeen in de klasse “altijd toepasbaar” of klasse “A”. Het slib in deze watergangen is verspreidbaar op de aangrenzende landbodem of waterbodem. Uitzondering hierop zijn slootkruisingen S19 (langs de Noordseweg ter hoogte van Meerkerk) en S35 (Eerste Wetering te Lopik). Het slib ter plaatse van deze slootkruisingen valt in klasse B en er gelden beperkingen voor het verspreiden van het slib. • Volgens een indicatieve toetsing volstaat bij grondroerende werkzaamheden op het tracé het opvolgen van de voorschriften voor basishygiëne conform CROW 400. De resultaten van het onderhavige onderzoek geven geen aanleiding voor vervolgonderzoek of voor sanerende maatregelen. De volgende aandachtspunten volgen uit de resultaten van het vooronderzoek en van het verkennende bodemonderzoek: • Kruising van voormalige stortplaatsen aan de Provincialeweg te Montfoort en de Achtersloot te IJsselstein door middel van een horizontaal gestuurde boring. De boorlijn bevindt zich hier volgens het huidige ontwerp op NAP -25 m, hetgeen naar alle waarschijnlijkheid dieper is dan de onderzijde van de stortplaats.

Mocht de HDD toch ondieper worden gelegd of indien de stortplaatsen op een andere wijze dan door middel van een HDD worden gekruist, dan dient rekening te worden gehouden met de voormalige stortplaatsen op het tracé. • Ter plaatse van S-238 bevindt zich een restverontreiniging met benzeen en minerale olie. Graafwerkzaamheden binnen de restverontreiniging betreffen een sanerende handeling en dienen volgende de daarvoor geldende regels en voorschriften te worden uitgevoerd. • Volgens het definitieve tracé-ontwerp zijn geen werkzaamheden voorzien ter plaatse van slootdemping M201 (ten zuiden van Benschop). Mochten hier in de toekomst wel grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd, dan is nader onderzoek naar de sterke verontreiniging in het dempingsmateriaal en onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in het puinhoudende dempingsmateriaal noodzakelijk. Afhankelijk van de resultaten van dergelijk onderzoek kunnen sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. In ieder geval zijn bij

Blad 15 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

dergelijke werkzaamheden strengere arbeidshygiënische maatregelen volgens de CROW 400 noodzakelijk dan elders op het tracé. • Slootkruising S39 (de sloot langs het pad achter Stuivenbergweg 13 te IJsselstein) bevindt zich niet ter plaatse van een veldstrekking of een werkstrook volgens het definitieve tracéontwerp. Mochten er ter plaatse van deze slootkruising alsnog werkzaamheden in de watergang worden uitgevoerd, dan gelden beperkingen ten aanzien van de verspreidbaarheid van de aanwezige sliblaag. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat de resultaten van het onderhavige bodemonderzoek geen aanleiding geven voor vervolgonderzoek of voor sanerende maatregelen. Wel is er sprake van een aantal (benoemde) aandachtspunten met aanbevelingen. Uitgaande van het opvolgen van deze aanbevelingen is er geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ten aanzien van bodem.

3.3

Archeologie Bemaling Wanneer eventueel aanwezige archeologische resten droog komen te liggen kunnen organische vondsten (zoals hout, bot, leer, pollen en zaden etc.) oxideren en dus vergaan. Archeologische resten die boven de GLG gelegen zijn door natuurlijke fluctuaties van de grondwaterstand reeds gedurende langere perioden aan zuurstof blootgesteld. In archeologisch materiaal waar dit voor geldt, is geen additionele oxidatie als gevolg van de bemaling te verwachten. Ter plaatse van de tracés is een holocene deklaag van klei en veen aanwezig. Het invloedsgebied van de freatische bemaling beperkt zich tot de werkstrook en het bodemvolume onder de GLG dat door de freatische bemaling aan zuurstof wordt blootgesteld is daardoor relatief gering. Door de spanningsverlaging in het eerste watervoerend pakket wordt alleen de stijghoogte verlaagd, de betreffende zandlagen blijven verzadigd met grondwater. De spanningsbemaling heeft, als gevolg van de hoge geohydrologische weerstand van de deklaag in verhouding tot de bemalingsduur, geen noemenswaardig effect op de freatische grondwaterstand. Er is daarom geen oxidatie van archeologische resten te verwachten als gevolg van de spanningsbemalingen in het eerste watervoerende pakket. De risico’s op aantasting van archeologie zijn derhalve naar verwachting verwaarloosbaar.

Aanlegwerkzaamheden Het plangebied loopt door zes verschillende gemeentes: Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfheerenlanden en Molenlanden. Voor elke gemeente is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, bestaande uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Hierna is per gemeente het belangrijkste deel van het (selectie)advies uit de conclusies overgenomen.

Blad 16 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

Gemeente Utrecht Het gedeelte van het tracé Hoornaar-Reijerscop dat in de gemeente Utrecht is gelegen, is volledig gelegen in een veenkomgebied. Er zijn geen relevante archeologische lagen of indicatoren aangetroffen. Er zijn geen onbekende crevasses1 aangetroffen die het plangebied doorsnijden. De top van de zeer sporadisch aangetroffen (mogelijke) beddingafzettingen vertoont geen rijpingskenmerken. Daarnaast suggereert de diepe ligging van het eveneens sporadisch aangetroffen dekzand dat het een landschap betreft dat al gedurende het mesolithicum is overstroomd, waarna veengroei plaatsvond. De aanleg van het tracé Utrecht Lage Weide zal voor het overgrote deel in het ophogingspakket en geroerde grond plaatsvinden, dat tijdens de industriële ontwikkeling van het gebied in de jaren 1950 is omgezet. Op grotere diepte liggen wel beddingafzettingen, maar hierbij zijn geen oeverwallen of gerijpte dekafzettingen aangetroffen, noch andere indicatoren die op de eventuele aanwezigheid van een vindplaats kunnen wijzen. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Dit advies geldt zowel voor het tracé Hoornaar Reijerscop (voor zover gelegen in de gemeente Utrecht) als voor het tracé Utrecht Lage Weide. Gemeente Montfoort Het noordelijke gedeelte van het plangebied ligt in een veenkomgebied waarvoor een lage archeologische verwachting geldt.

Het zuidelijke gedeelte bevindt zich binnen het stroomgordelsysteem van de IJsselveld-Schuurenburg stroomgordel (ID 76). In het bodemprofiel zijn afzettingen aangetroffen die waarschijnlijk zijn toe te schrijven zijn aan deze stroomgordel (oeverwalachtige trajecten, beddingzand, geulafzettingen). Het oeverwalachtige materiaal vertoont echter slechts zwakke tot matige tekenen van rijping. Daarnaast zijn er nergens duidelijke archeologische lagen of archeologische indicatoren aangetroffen. In het zuidelijk deel is op elke 25 m een boring geplaatst. Door het ontbreken van indicatoren wordt de verwachting op huisplaatsen uit de middeleeuwen of nieuwe tijd in het plangebied als laag ingeschat. Wel is bekend dat het gebied op de oeverwal vanaf de late middeleeuwen intensief benut en dat dit niet alleen de top van de oeverwal betrof, maar ook de flank. Ter hoogte van één boring, vlak naast het plangebied, lag in de nieuwe tijd een huisje. In deze en naastgelegen boringen zijn geen resten aangetroffen die wijzen dat dit erf groter was dan op historische kaarten wordt getoond. Resten van landbouwkundige activiteiten zijn wel in het plangebied te verwachten, zoals een mogelijke begraven akkerlaag in één van de boringen.

De vermoedelijke aanwezigheid van sporen van landinrichting uit middeleeuwen en nieuwe tijd wordt niet als voldoende grond beschouwd voor het verrichten van vervolgonderzoek. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Bij het uitvoeren van de werkstrook moet worden opgelet op de mogelijke aanwezigheid van vroegere bewoningsresten. Dit valt onder de wettelijke meldingsplicht. De werkstrook mag niet breder worden aangelegd dan in het hier gebruikte ontwerp van november 2021.

1

Wikipedia: Een crevasse-afzetting bestaat uit een doorbraak van een rivier die niet heeft doorgezet. Door de doorbraak is een crevassegeul ontstaan met er dichtbij afgezet sediment uit de oeverwal. Crevasse-afzettingen zijn bewaard gebleven doordat ze hoger liggen in het landschap.

Blad 17 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

Gemeente IJsselstein Aanbevolen wordt om de werkzaamheden ter plaatse van twee deelgebieden (advieszones) archeologisch te begeleiden op locaties waar ontgravingen zijn gepland. Op de aangrenzende verdachte terreindelen, waar alleen een werkstrook of werkterrein wordt ingericht, wordt ofwel op voorhand een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd of wordt (indien mogelijk) een uitvoeringsmethode gehanteerd waarbij verstoring van de bodem wordt voorkomen. Zone 3 (eendenkooi) is door planaanpassing effectief beschermd. Een archeologische begeleiding (conform BRL4000, protocol 4004) dient plaats te vinden onder een namens de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen dat is opgesteld conform BRL4000, protocol 4001. Een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, BRL4000 protocol 4003) dient plaats te vinden onder een door de bevoegde overheid goedgekeurd programma van eisen (PVE, BRL4000 protocol 4001). Het geadviseerde proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd, indien een alternatieve werkwijze zonder grondroering niet mogelijk blijkt te zijn (planning: medio 2022). Daarnaast is geadviseerd de overige locaties vrij te geven ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Gemeente Lopik Op enkele locaties zijn gerijpte oeverwalafzettingen en / of (stevige) vegetatielaagjes aangetroffen, in de meeste boringen betrof dit op zandige stroomgordel- of crevasse-afzettingen.

Hierbij zijn verschillende boringen te relateren aan de oeverwallen van de Lopik en Hollandse IJssel-stroomgordel. De overige zijn te relateren aan een crevassecomplex van de Lopikse stroomgordel. Voor deze lagen geldt een hoge archeologische verwachting. Ter plaatse van oeverwallen van de IJssel geldt voorts een gematigde verwachting voor middeleeuwen en nieuwe tijd op resten van een versterkt huis of andere bewoningsresten. Voor de desbetreffende zone geldt daarmee een hogere verwachting dan voor de zone met het crevassecomplex. Directe aanwijzingen voor een vindplaats ontbreken echter in de boringen. Daarom is geadviseerd tot het uitvoeren van vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding van geplande ontgravingen. Op de aangrenzende verdachte terreindelen, waar alleen een werkstrook of werkterrein wordt ingericht, wordt ofwel op voorhand een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd of wordt (indien mogelijk) een uitvoeringsmethode gehanteerd waarbij verstoring van de bodem wordt voorkomen. Ter plaatse van het crevassecomplex liggen de lagen over het algemeen dieper dan de woeldiepte van een eventuele werkstrook en deze worden dus vooral bedreigd door de open ontgraving. Een archeologische begeleiding (conform BRL4000 protocol 4004) vindt plaats onder een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (opgesteld conform BRL4000, protocol 4001).

Een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, BRL4000 protocol 4003) dient plaats te vinden onder een door de bevoegde overheid goedgekeurd programma van eisen (PVE, BRL4000 protocol 4001). Het geadviseerde proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd, indien een alternatieve werkwijze zonder grondroering niet mogelijk blijkt te zijn (planning: medio 2022). Daarnaast is geadviseerd om de overige locaties vrij te geven ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling.

Blad 18 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

Gemeente Vijfheerenlanden Naar aanleiding van het bureauonderzoek en de landschappelijk-archeologische veldtoets (IVOO) resteren er twee locaties met een hoge archeologische verwachting: de Schoonrewoerdse stroomrug in het zuiden van het plangebied en de oeverwal van de Lekdijk in het noorden. Het bewoningslint van Broek op de crevasse van de onbedijkte Lek betreft ook een interessante locatie, maar die locatie wordt aangelegd door middel van HDD en zonder werkstrook aan het maaiveld. Daar vinden dus geen verstoringen plaats. Schoonrewoerdse stroomrug Er zijn meerdere directe aanwijzingen uit de nabijheid van het plangebied dat afzettingen die aan deze stroomrug te relateren zijn, bewoonbaar waren in de periode neolithicum en bronstijd (en latere perioden). In het plangebied is de zone van de stroomrug (inclusief de aanhechting van de aftakking aan de noordzijde) in brede zin en ook in enge zin begrensd door verschillende boringen (daar waar de bedding hoger dan 1 m -NAP ligt). In deze boringen is geen vindplaats aangetroffen, maar doordat de laklaag hier gebroken is, is de archeologische laag deels verploegd. Van een eventuele vindplaats resteert mogelijk alleen een sporenvlak. Het planvoornemen is om in deze zone een HDD-uitlegstrook te realiseren.

Dit betekent dat het plangebied naderhand cultuurtechnisch wordt hersteld (omgespit/gewoeld), waarbij ongezien archeologische resten zouden kunnen worden geschaad. Geadviseerd is tot het uitvoeren van een karterend proefsleuvenonderzoek om te bepalen of er op deze plaats sprake is of kan zijn van een prehistorische nederzetting. Het advies is om in dat proefsleuvenonderzoek in elk geval de top van de stroomrug mee te nemen (nabij boring 1106) alsook de flank waar nog sprake is van een intacte laklaag/vegetatielaag op de uitwaaierende oeverwal of kleiwig (zoals boring 1102 of 1110). Indien dit mogelijk blijkt te zijn, kan ook worden gekozen voor een uitvoeringsmethode waarbij verstoring van de archeologisch verdachte lagen kan worden voorkomen. Een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, BRL4000 protocol 4003) dient plaats te vinden onder een door de bevoegde overheid goedgekeurd programma van eisen (PVE, BRL4000 protocol 4001). Het geadviseerde proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd, indien een alternatieve werkwijze zonder grondroering niet mogelijk blijkt te zijn (planning: medio 2022). Verder is in het veenkomgebied direct ten noorden van de stroomrug in een brede uitwaaiieringszone een ongerijpte laklaag aangetroffen, die gevormd is in een vermoedelijk periodiek natte omgeving. In één boring is deze laklaag iets beter gerijpt.

De laklaag is vermoedelijk gelijktijdig aan die boven op de afzettingen van de stroomrug, zodat verondersteld wordt dat deze zone ook het loopvlak was ten tijde van bewoning op de Schoonrewoerdse stroomrug. Voor deze zone in de veenkom met de laklaag geldt daarom een verwachting voor archeologische resten van extensieve aard betreft (agrarische landinrichting en landgebruik). Het advies is om deze zone archeologisch te begeleiden. Een archeologische begeleiding op basis van een selectiebesluit (BRL4000 protocol 4004) dient plaats te vinden onder een namens de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (BRL4000 protocol 4001). Oeverwal Lekdijk Een tweede zone met een hoge archeologische verachting betreft een zone waar een relatief hooggelegen oeverwal of oeverwalachtige lagen aanwezig zijn met tekenen van rijping, restanten van een oude bouwvoor en archeologische indicatoren. Waarschijnlijk betreft het de achtererven

Blad 19 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

en land/tuinbouwpercelen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd. Voor dit gebied wordt aanbevolen om deze archeologisch te laten begeleiden. Proefsleuven is in dit gebied niet verkiesbaar, enerzijds omdat het een verwachting op archeologische resten van extensieve aard betreft (agrarische landinrichting en landgebruik) en anderzijds vanwege de ligging in de berm van de Polderweg. De beschikbare ruimte is er beperkt en er liggen secundaire (niet op de KLIC aanwezige) kabels en leidingen. De archeologische verwachting is er bovendien gematigd door de plaatselijk aangetroffen bodemverstoringen (verbonden met de ligging in berm en bestaande ondergrondse infrastructuur). Een archeologische begeleiding op basis van een selectiebesluit (BRL4000 protocol 4004) dient plaats te vinden onder een namens de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (BRL4000 protocol 4001). Overige tracédelen Voor de overige locaties is geadviseerd over te gaan tot vrijgave ten gunste van de voorgenomen ontwikkeling. Uitdrukkelijk wordt vermeld dat de archeologische verwachting voor die locaties is bijgesteld naar laag: de verwachting is niet nihil. Mochten er tijdens uitvoering van het werk toch losse vondsten of sporen worden aangetroffen dan geldt een wettelijke meldingsplicht.

Gemeente Molenlanden Vanwege een resterende hoge verwachting op kleinschalige vindplaatsen wordt aanbevolen om de werkzaamheden ter plaatse van de aanleg van de werkput voor de HDD-boring archeologisch te laten begeleiden. Deze begeleiding dient plaats te vinden onder een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen. Bij de aanleg dient rekening te worden gehouden met een archeologisch vlak dat direct onder de bouwvoor aanwezig kan zijn. Op twee locaties waar alleen een werkterrein of een rijbaan wordt aangelegd, wordt karterende proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Ook is het wellicht mogelijk deze locaties te ontzien, door niet dieper dan de teelaarde te verstoren (bijvoorbeeld door de aanleg van een tijdelijk stabiliserend dek). Een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, BRL4000 protocol 4003) dient plaats te vinden onder een door de bevoegde overheid goedgekeurd programma van eisen (PVE, BRL4000 protocol 4001). Het geadviseerde proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd, indien een alternatieve werkwijze zonder grondroering niet mogelijk blijkt te zijn (planning: medio 2022). Conclusie Voor het onderdeel bemaling kan worden geconcludeerd dat er geen noemenswaardige negatieve effecten op archeologische waarden te verwachten zijn. Ten aanzien van bodemverstoring en (daardoor) een kans op het beïnvloeden van archeologische waarden is het volgende geadviseerd.

 Gemeente Utrecht: geadviseerd is het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen.  Gemeente Montfoort: geadviseerd is om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen.  Gemeente IJsselstein: Aanbevolen wordt om de werkzaamheden ter plaatse van twee deelgebieden (advieszones) archeologisch te begeleiden en buiten de geplande ontgravingen proefsleuvenonderzoek te doen of grondroering te voorkomen (indien

Blad 20 van 35

Aanmeldingsnotitie m.e.r-beoordeling project ombouw G-H gas Eneco Utrecht (W-200+W-2017) projectnummer 0455773.100 25 mei 2022 revisie 04 N.V. Nederlandse Gasunie

mogelijk). Daarnaast is geadviseerd de overige locaties vrij te geven ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Gemeente Lopik: Voor verschillende zones is geadviseerd tot het uitvoeren van vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding en, indien voorkoming van grondroering ter plaatse van de werkstrook niet mogelijk blijkt, door middel van proefsleuven . Geadviseerd is om de overige locaties vrij te geven ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Gemeente Vijfheerenlanden: Geadviseerd is tot het uitvoeren van een karterend proefsleuvenonderzoek ter plaatse van een geplande uitlegstrook. Voor overige zones is archeologische begeleiding geadviseerd dan wel (voor andere locaties) vrijgave ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Gemeente Molenlanden: Voor één graaflocatie wordt archeologische begeleiding geadviseerd. Voor aangrenzende terreindelen waar een werkstrook of een werkgebied is gepland kan, indien mogelijk, een uitvoeringsmethode worden gekozen waarbij de archeologie wordt gespaard. Anders dient hier proefsleuvenonderzoek uitgevoerd worden.

Op basis hiervan wordt ervan uitgegaan dat door het opvolgen van deze werkwijze belangrijke negatieve effecten op archeologische waarden kunnen en zullen worden voorkomen en dat de voor het project noodzakelijke vergunningen met de voorwaarden van archeologische begeleiding van de werkzaamheden kunnen worden verkregen.

3.4

Landschap en cultuurhistorie Bemaling Het plangebied ligt in het Rivierengebied, Laagveengebied en Verstedelijkt gebied die van cultuurhistorische waarde zijn. Er zijn binnen het invloedsgebied van de spanningsbemaling diverse aardkundig waardevolle gebieden en monumenten aanwezig. Deze gebieden zijn veelal gebaseerd op belangrijke geomorfologische kenmerken van het landschap. Door de bemalingen kunnen zettingen optreden waardoor landschappelijke kenmerken mogelijk zouden kunnen worden aangetast. In paragraaf 3.1 is reeds genoemd dat de zettingen hier geen negatieve effecten hebben op de aardkundige waarden. Zoals toegelicht in paragraaf 3.1 wordt voor een aantal gebouwen geadviseerd om de funderingswijze te verifiëren in verband met mogelijke zettingen. De desbetreffende gebouwen zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten. Aanlegwerkzaamheden In de navolgende figuur is een uitsnede van de landschappelijke en cultuurhistorische waardevolle elementen te zien. De aan te leggen leiding en wordt deels in open ontgraving en deels via horizontaal gestuurd boren (HDD) aangelegd. De delen van het tracé die aangelegd worden middels HDD zullen geen invloed hebben op het landschap aangezien het maaiveld niet verstoord wordt. De werkzaamheden in open ontgraving hebben geen blijvende invloed op het landschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=41e68553-29c9-4ad8-8939-101b762744e1