CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Toelichting bij Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2027

Commissie Samenleving 25 juni 2026, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 202715.302 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ook de kwaliteit van de hulp die via een pgb ingekocht wordt bij een persoon uit het sociaal netwerk dient te worden beoordeeld. De Medewerker onderzoekt dit.

Artikel 5.2 Weigering van een pgb Lid 1 In dit artikel zijn voor zowel de cliënt als diens vertegenwoordiger algemene weigeringsgronden opgenomen wanneer een cliënt geen pgb toegekend krijgt. Niet alle weigeringsgronden hebben een nadere toelichting nodig. Lid 1 onderdeel e Als sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning op basis van een vraagverhelderings-onderzoek. In zo’n geval is de ondersteuning voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een

maatwerkvoorziening aan de orde blijkt, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb. Lid 1 onderdeel f Medewerkers van het buurtteam, het Wmo-loket en van de Regionale Toegang zijn voldoende deskundig om aanvragen voor een maatwerkvoorziening en pgb te behandelen. Als er aanvullend specifieke expertise nodig is, dan kunnen zij deze specifieke expertise inschakelen voor oordeel of advies. Lid 1 onderdeel g Het college kan een pgb (deels of geheel) weigeren als het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland. Bij deze afweging kunnen de volgende elementen een rol spelen: - Wat is de duur? - Om welk soort ondersteuning gaat het? - Betreft het vakantie of verblijf? De cliënt heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Wanneer besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is verleend door het college (zie tweede lid van deze bepaling). Lid 1 onderdeel h Het college kan een pgb (deels of geheel) weigeren als de aanvraag tot gevolg heeft dat één en dezelfde persoon meer dan 48 uur per week moet werken. Bij het vaststellen of deze 48 uur per week overschreden wordt, kunnen alle betaalde werkzaamheden worden meegenomen. Deze bepaling is bedoeld om overbelasting te voorkomen.

Lid 1 onderdeel i Het pgb mag en moet enkel besteed worden aan het inkopen van kwalitatief goede ondersteuning en begeleiding. De cliënt mag het pgb niet gebruiken voor andere kosten zoals bemiddelingskosten, reiskosten, telefoonkosten, kosten van de vertegenwoordiger of een combinatie van deze kosten. Lid 2 en lid 3 Besteding van het pgb in het buitenland is in principe niet toegestaan, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is verleend door het college. De voorwaarden van gebruik van het pgb tijdens vakantie en de manier waarop deze aanvraag kan worden ingediend, is nader uitgewerkt in de ‘Beleidsregel Verordening maatschappelijke ondersteuning Gemeente Utrecht’.

Artikel 5.3 Pgb-vaardigheid Lid 1 Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of diens pgb vertegenwoordiger (ookwel: pgb beheerder) in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder en/of met diens pgb vertegenwoordiger voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De

bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst. Hierbij is het oordeel van het college leidend. Als het college van oordeel is dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb. Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf): 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, of zorgvraag); Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de hulpvraag wijzigt); Goed werkgeverschap; Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg; Voeren van een administratie; Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig.

Deze taken zijn als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de persoon vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document '10 punten pgbvaardigheid' (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6 van de Awb. Dit artikel geeft aan dat de er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd. Als de persoon, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een pgb vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren. Ook deze pgb vertegenwoordiger moet voldoen aan de gestelde eisen en wordt er getoetst op de genoemden aspecten. Lid 2 In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of pgb vertegenwoordiger niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. Lid 2 onderdelen a en b

Deze onderdelen zijn opgenomen om te waarborgen dat de pgb vertegenwoordiger daadwerkelijk in staat is en ook vanuit zuiver hulp gedreven motieven de cliënt ondersteunt bij het beheren van het pgb. De mogelijkheid dat er een ongewenste belangenverstrengeling tussen de vertegenwoordiger en pgb-hulpverlener(s), dan wel een ongewenste (financiële) afhankelijkheidsrelatie ontstaat, dient te worden vermeden. Lid 2 onderdeel c Ad i. Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot of aannemelijk dat de budgethouder of pgb vertegenwoordiger voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of pgb vertegenwoordiger zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, of een indicatie heeft gekregen om te werken aan het doel om de financiën (beter) op orde te hebben. Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de

situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen. Ad ii. Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of pgb vertegenwoordiger maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of pgb vertegenwoordiger bezig is de verslaving de baas te worden, maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of pgb vertegenwoordiger, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont. Ad iii. Wanneer budgethouder of pgb vertegenwoordiger eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico's bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt vooral als budgethouder of pgb vertegenwoordiger, of het bedrijf waar de pgb vertegenwoordiger werkt, of de beoogde pgb-hulpverlener, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.

Ad iv. Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Ook zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die – zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie, aandacht en een laag zelfbeeld. Soms zij er bijkomende lichamelijk problemen of een kwetsbare gezondheid. Ad v. Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of pgb vertegenwoordiger om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of pgb vertegenwoordiger en de pgb hulpverlener. Een aanbod van ZiN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt. Ad vi. Wanneer een budgethouder of pgb vertegenwoordiger een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel. Ad vii. Het beheren van een pgb is niet mogelijk als budgethouder of pgb vertegenwoordiger de Nederlandse taal onvoldoende beheerst.

Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan niet mogelijk. Hiervan afgeleid kan ook worden vereist dat men voldoende kennis moet hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale Verzekeringbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb. Ad viii. Het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of pgb vertegenwoordiger.

Artikel 5.4 Categorieën en kwaliteit pgb hulpverleners Lid 1 onderdelen a en b Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen professionele pgb hulpverleners en informele pgb hulpverleners. Voor de professionele pgb hulpverleners geldt het pgb instellingstarief of zzp-tarief. Voor de informele pgb hulpverleners geldt het informele pgb tarief. Deze tarieven zijn te vinden in de Nadere regels (inclusief financieel besluit) Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht. Lid 2

Het college stelt eisen aan de kwaliteit van de professionele en informele pgb hulpverleners. Deze eisen gaan over de kwaliteit van de te leveren hulp en over de deskundigheid van de professionele of informele pgb hulpverleners. De cliënt die een pgb wenst, moet controleren dat de beoogde pgb hulpverlener voldoet aan deze (kwaliteits)eisen. Wat deze eisen per soort pgb hulpverlener inhoudt, is uitgewerkt in artikel 5.5 Kwaliteitseisen aan professionele en informele pgb hulpverleners.

Artikel 5.5 Kwaliteitseisen aan professionele en informele pgb hulpverleners Lid 1 Om te waarborgen dat hulp in de vorm van een pgb op een verantwoorde manier wordt verleend, zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de hulp van goed niveau en kwaliteit is. Hierbij geldt dat de hulp in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. Dat er sprake is van professionele hulp, kan bijvoorbeeld aangetoond worden met BIG registratie, een relevant diploma van een erkende Nederlands onderwijsinstelling of een registratie bij het Registerplein. Niet alle kwaliteitseisen hebben een nadere toelichting nodig. Lid 1 onderdeel c De hulpverlener moet in de directe omgeving van de cliënt zorg te kunnen bieden. Dit moet tot uiting komen in het ondersteuningsplan van de hulpverlener. De fysieke standplaats van een (professionele) hulpverlener mag geen belemmering vormen voor een adequate hulpverlening aan de cliënt. Een hulpverlener is in geval van een aanvraag om een pgb voor Beschermd Thuis aantoonbaar 24 uur per dag bereikbaar en, indien nodig, aanwezig binnen 15-30 minuten op de locatie van de cliënt.

Het is voor één persoon niet mogelijk om 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar te zijn. Daarom is het bij Beschermd Thuis verplicht minstens 2 begeleiders/hulpverleners te hebben. Lid 1 onderdeel f De hulpverlener die beschikt over passende en aantoonbare kennis van lokaal beschikbare voorzieningen kan beter samenwerken met lokale instanties. Dit draagt bij aan de effectiviteit van de hulpverlening. Hierbij mag de woonplaats van de hulpverlener geen belemmering vormen om adequate hulp te verlenen aan de cliënt. Lid 1 onderdeel g Een zzp'er of instelling waarborgt in geval van dagbesteding dat de binnen- en buitenruimtes waar cliënten verblijven gedurende de verstrekking van de voorziening veilig, toegankelijk en passend zijn. Dit wil zeggen dat de binnen- en buitenruimtes in overeenstemming met de aangeboden activiteiten zijn ingericht. Lid 1 onderdeel h De hulpverlener houdt een deugdelijke administratie bij, waarbij geregistreerd wordt wanneer welke werkzaamheden zijn verricht bij het verlenen van de hulp. Ook de zzp'er of (medewerker van een) instelling houdt een deugdelijke administratie bij, waarbij in ieder geval inkomsten, uitgaven, verplichtingen, cliëntdossiers en verantwoording (waaronder registratie ondersteuning, agenda en planning betreffende medewerker) te herleiden zijn naar bron en bestemming.

Lid 1 onderdeel i Een hulpverlener verleent de ondersteuning op basis van het maatwerk-/ondersteuningsplan, of het onderzoeksverslag/zorgplan en bijbehorende pgb-plan. Deze plannen zijn door de toegang in overleg met de cliënt opgesteld. Het geeft planmatig aan welke activiteiten worden ingezet om de doelen te realiseren. Het moet aannemelijk zijn dat deze activiteiten uitgevoerd zullen worden en dat deze activiteiten adequaat zijn om de doelen te realiseren. Voor hulp bij het huishouden mag het pgb-plan met afsprakenoverzicht gebruikt worden als het ondersteuningsplan van de hulpverlener. Lid 1 onderdeel k De hulp wordt cliëntgericht verstrekt. Hierbij houdt de hulpverlener rekening met de aard van de problematiek van de cliënt. Ook moet de hulpverlener de cliënt altijd behandelen op een passende en respectvolle manier. Lid 1 onderdeel n Een hulpverlener neemt bij vermoedens van huiselijk geweld en/of kindermishandeling in het huishouden van de cliënt voor advies contact op met Veilig Thuis. Daarnaast heeft een zzp'er of instelling, conform de Wet Verplichte Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, een meldprotocol huiselijk geweld. De instelling is verplicht de kennis van de meldcode te borgen bij medewerkers en stagiaires. Lid 1 onderdeel o Een hulpverlener meldt bij een calamiteit dit, zo mogelijk, aan de cliënt en in ieder geval aan de Wmo toezichthouder.

De gemeente stelt dan een onderzoek in. Daarnaast is een zzp'er of (medewerker van een) instelling in het bezit van, en werkt volgens, een calamiteitenprotocol.

Artikel 5.6 Hoogte van het pgb In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 39) is vermeld: “De gemeente moet in de verordening opnemen op welke wijze de hoogte van het persoonsgebonden budget in de gemeente wordt vastgesteld. Zo kan de gemeente bijvoorbeeld bepalen dat het persoonsgebonden budget niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het persoonsgebonden budget. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).” Gemeente Utrecht kan dan ook verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid en onder b, van de Wet dient bij verordening de essentialia te worden vastgesteld voor het bepalen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Het betreft een berekeningswijze voor het bepalen van pgb’s die iedere keer als uitgangspunt wordt genomen.

Lid 2 en lid 3 De gemeente Utrecht maakt onderscheid tussen drie soorten tarieven: het instellingstarief, het zelfstandige zonder persoon (zzp)-tarief en het informeel tarief. Het instellingstarief: Instellingen dienen aan te tonen of en zo ja, welke (relevante) CAO zij volgen. Als zij de relevante CAO voor de betreffende beroepssector slechts gedeeltelijk volgen dienen zij aan te tonen welke onderdelen van de CAO zij toepassen en welke werkgeverslasten dit met zich

meebrengt. De medewerker weegt en motiveert vervolgens of het gedeeltelijk volgen van de CAO en de daarmee gemoeide werkgeverslasten zodanig zijn, dat dit het toekennen van het instellingstarief rechtvaardigt. Verder wordt het instellingstarief berekend aan de hand van het kostprijsmodel van de VNG. Het zzp-tarief: Personen die werkzaam zijn binnen een collectief van zelfstandig werkende professionals én zorginstellingen die de in de sector geldende CAO niet naleven, ontvangen het zzptarief. In al deze situaties is sprake van het ontbreken van of minder werkgeverslasten en overheadkosten waardoor, als gevolg van aannemelijke minderkosten, het maximale tarief wordt verlaagd met 17%. Voor de instellings- en zzp tarieven gelden wel een belangrijke uitzondering. Dit is wanneer de hulpverlener bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders), broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant, is altijd sprake van informele hulp. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in deze bepaling, dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd.

De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorggerelateerde beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.

Het infomeel tarief (tarief voor hulp uit het sociaal netwerk): Artikel 2.3.5 van de Wet bepaalt dat het college is gehouden een tarief voor een pgb vast te stellen dat redelijkerwijs noodzakelijk is te achten om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie. Een niet-professionele hulpverlener, ook wel hulpverlener uit het sociaal netwerk, heeft lagere kosten dan een professionele hulpverlener. Daarom wordt hiervoor een lager tarief als maximum gehanteerd. Het is aan de gemeente om te onderbouwen dat de hoogte van het pgb in betreffende situatie toereikend (redelijk) is voor cliënt. Daarnaast heeft de CRvB op 30 september 2025 uitspraken gedaan over het tarief voor hulp uit het sociaal netwerk (ECLI:NL:CRVB:2025:1380 en ECLI:NL:CRVB:2025:1276). In deze uitspraken is geoordeeld dat deze tarieven gebaseerd mogen worden op het minimumloon. Welke pgb-tarieven gemeente Utrecht jaarlijks hanteert, wordt vastgesteld in de ‘Nadere regel (inclusief financieel besluit) Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht’. Het vervoerstarief is gebaseerd op de vervoerstarieven uit de Wlz. De term 'gebaseerd op' betekent dat het Wlz tarief de bovengrens betreft. Met andere woorden: het tarief is gelijk aan het Wlztarief of lager dan het Wlz-tarief, maar niet hoger dan het Wlz-tarief. Lid 4 Het pgb-tarief is een brutobedrag.

Dit betekent dat alle kosten die bij het inzetten van hulp horen, zoals loon en eventuele werkgeverslasten, al inbegrepen zijn in het tarief. Het betalen van deze kosten gebeurt als er een arbeidsovereenkomst wordt afgesloten met de pgb-hulpverlener. De SVB zorgt ervoor dat deze kosten bij een arbeidsovereenkomst worden afgedragen bij de Belastingdienst. Lid 5 Als er btw van toepassing is, dan is die al meegerekend in het tarief.

Artikel 5.7 Besteding en verantwoording van het pgb Lid 1 Het pgb voor ondersteuning en begeleiding wordt uitbetaald door de SVB op basis van te overleggen

documenten, zoals een factuur en/of een zorgovereenkomst met de hulpverlener(s). Dit wordt ook wel het trekkingsrecht genoemd. Het format van de zorgovereenkomst is vastgesteld door de SVB en cliënten zijn verplicht om gebruik te maken van deze model-zorgovereenkomsten. Lid 2 Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee passende ondersteuning en begeleiding inkoopt. Als het pgb binnen zes maanden na uitbetaling of binnen de termijn waarvoor het is verstrekt nog niet is aangewend voor het doel waarvoor het pgb is toegekend, dan heeft de gemeente de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.

Hoofdstuk 6 Bijdrage voor het gebruik van voorzieningen Artikel 6.1.1 Eigen bijdrage algemene voorzieningen Lid 1 tot en met 3 In dit artikel is bepaald dat voor het gebruik van algemene voorzieningen in beginsel geen eigen bijdrage verschuldigd is. Dit uitgangspunt waarborgt de laagdrempelige toegankelijkheid van deze voorzieningen. Op dit uitgangspunt gelden uitzonderingen voor vormen van kortdurende opvang. Voor individuele volwassenen met aanzienlijke problematiek en voor verblijf op instroombedden van de gecombineerde inloopvoorziening geldt een vaste bijdrage per etmaal. Hiermee wordt een beperkte financiële bijdrage gevraagd zonder dat dit een drempel vormt voor noodzakelijke opvang. Personen zonder inkomen zijn vrijgesteld van deze bijdrage. Voor jongvolwassenen geldt eveneens een eigen bijdrage voor kortdurende opvang, waarbij wordt aangesloten bij de systematiek zoals opgenomen in artikel 6.1.5. Lid 4 Het college kan de hoogte van de eigen bijdrage voor opvang jaarlijks aanpassen. Deze aanpassing is gemaximeerd tot de procentuele stijging van de bijstandsnorm van het voorgaande jaar. Hiermee blijft de bijdrage in verhouding tot inkomensontwikkelingen

Artikel 6.1.2 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening Lid 1 en 2

In deze leden is geregeld dat cliënten een eigen bijdrage verschuldigd zijn voor maatwerkvoorzieningen, ongeacht of deze in natura, via een persoonsgebonden budget (pgb) of als financiële tegemoetkoming worden verstrekt. De bijdrage is verschuldigd zolang de cliënt gebruikmaakt van de voorziening, deze in bezit heeft of daarvan eigenaar is. De verplichting tot het betalen van een eigen bijdrage eindigt zodra de kostprijs van de voorziening is bereikt. Hiermee wordt voorkomen dat cliënten meer betalen dan de werkelijke kosten. Lid 3 Bij woningaanpassingen voor minderjarige cliënten wordt de eigen bijdrage opgelegd aan de onderhoudsplichtige ouder(s) of verzorger(s), conform de wet. Lid 4 Voor collectief (openbaar) vervoer geldt een afwijkende systematiek. In plaats van een periodieke

eigen bijdrage wordt een instaptarief en een bijdrage per kilometer gevraagd. Deze tarieven zijn afgestemd op de kosten van regulier openbaar vervoer. Lid 5 Cliënten met een inkomen tot 125% van het sociaal minimumloon worden vrijgesteld van de eigen bijdrage. Dit zorgt er voor dat ondersteuning toegankelijk blijft voor mensen met een laag inkomen. Lid 6 De eigen bijdrage kan tijdelijk worden stopgezet als er feitelijk geen ondersteuning wordt geleverd gedurende minimaal 31 opeenvolgende dagen, bij intramurale opname, dit is bijvoorbeeld een ziekenhuis, revalidatiecentrum. Ook kan de eigen bijdrage worden gepauzeerd als door de aanbieder gedurende deze periode geen enkel concreet aanbod tot gehele of gedeeltelijke levering is gedaan, terwijl de beschikking doorloopt. Dit voorkomt dat cliënten betalen voor niet-geleverde zorg. Het moet dus gaan om situaties waarin het geen gebruik kunnen maken van de ondersteuning niet door de cliënt komt. Lid 7 De inning van bijdragen voor opvang ligt in principe bij de aanbieder van de opvang. Dit sluit aan bij de uitvoeringspraktijk, tenzij het college andere afspraken maakt.

Artikel 6.1.3 Individuele vrijstelling eigen bijdrage Lid 1 Dit lid regelt dat het college in individuele gevallen de eigen bijdrage tijdelijk op nihil kan vaststellen. Deze bevoegdheid is gebaseerd op het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en biedt ruimte om maatwerk toe te passen in situaties waarin het vragen van een eigen bijdrage onwenselijk is. Lid 2, sub a In situaties waarin inwoners noodzakelijke ondersteuning mijden vanwege de eigen bijdrage, kan een tijdelijke vrijstelling worden ingezet. Het doel is om de drempel tot zorg te verlagen en toe te werken naar het (weer) accepteren van ondersteuning, waarbij het betalen van een eigen bijdrage op termijn weer mogelijk wordt. Lid 2, sub b Voor inwoners die zich in een schuldsaneringstraject bevinden (zoals WSNP of een minnelijke regeling) kan een tijdelijke vrijstelling worden verleend. Hiermee wordt voorkomen dat de eigen bijdrage de financiële situatie verder verslechtert. De vrijstelling geldt maximaal voor de duur van het schuldentraject.

Artikel 6.1.4 Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening Lid 1 en 2 Deze leden bepalen dat de eigen bijdrage nooit hoger is dan het wettelijk maximum zoals vastgesteld in de Wmo 2015 en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Daarnaast geldt dat de eigen bijdrage nooit hoger mag zijn dan de kostprijs van de voorziening. Deze bepalingen beschermen cliënten tegen een te hoge financiële belasting. Lid 3 Voor beschermd wonen en opvang gelden landelijke regels uit het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Hiermee wordt uniformiteit gewaarborgd.

Artikel 6.1.5 Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening opvang en opvang na geweld in afhankelijkheidsrelaties Lid 1 en 2 Deze leden regelen de basis van de berekening van de eigen bijdrage. De bijdrage wordt vastgesteld op basis van het verschil tussen de bijstandsnorm en de norm voor persoonlijke uitgaven. Hiermee wordt geborgd dat cliënten voldoende middelen overhouden voor noodzakelijke kosten van levensonderhoud, zoals zak- en kleedgeld, voeding en zorgkosten. Voor gehuwden wordt aangesloten bij de systematiek van de Participatiewet bij verblijf in een inrichting, zodat op een uniforme en juridisch juiste wijze met de inkomenssituatie wordt omgegaan. Lid 3 en 4

Deze leden bieden ruimte voor verlaging van de eigen bijdrage in specifieke situaties. Indien de instelling geen voeding verstrekt, wordt de bijdrage gecorrigeerd zodat cliënten zelf in hun voedingskosten kunnen voorzien. Daarnaast wordt rekening gehouden met situaties waarin cliënten nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte. In dat geval kan tijdelijk een verlaging worden toegepast om dubbele woonlasten te beperken. Lid 5, 6 en 7

Deze leden regelen hoe de eigen bijdrage in de praktijk wordt berekend. De bijdrage wordt in beginsel per maand vastgesteld en is verschuldigd voor iedere dag dat gebruik wordt gemaakt van opvang. Indien slechts een deel van een maand gebruik wordt gemaakt van de voorziening, wordt de bijdrage naar rato berekend. Deze systematiek zorgt voor een eerlijke en transparante berekening die aansluit bij het feitelijk gebruik van de voorziening. De eigen bijdrage wordt jaarlijks aangepast op basis van actuele landelijke normen, zoals de bijstandsnormen en andere relevante bedragen. Hiermee blijft de bijdrage aansluiten bij inkomensontwikkelingen en beleidswijzigingen.

Artikel 6.1.6 Kostprijs maatwerkvoorziening in pgb om de eigen bijdrage te berekenen Lid 1 en 2 De kostprijs van een voorziening waarvoor een pgb wordt verstrekt is gelijk aan de hoogte van het pgb. Bij eenmalig verstrekte pgb’s kan men denken aan pgb’s voor hulpmiddelen en woonvoorzieningen. Bij de periodiek verstrekte pgb’s kan met denken aan pgb’s voor ondersteuning en begeleiding.

Artikel 6.1.7 Kostprijs maatwerkvoorziening in natura om de eigen bijdrage te berekenen Lid 1 Dit lid regelt hoe de kostprijs wordt bepaald van eenmalig verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura, zoals hulpmiddelen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen voorzieningen die door de gemeente worden gehuurd en voorzieningen die worden ingekocht.

Bij huur wordt de kostprijs gebaseerd op de werkelijke kosten per periode, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering. Bij koop wordt aangesloten bij de contractprijs die de gemeente betaalt aan de leverancier. Hiermee wordt geborgd dat de kostprijs realistisch en transparant is. Lid 2 De kostprijs is gelijk aan de vergoeding die de gemeente aan de aanbieder betaalt. Dit sluit aan bij de praktijk waarin deze voorzieningen doorlopend worden geleverd en gefinancierd.

Artikel 6.1.8 Indexering bedragen eenmalige pgb en financiële tegemoetkoming Wmo Lid 1 tot en met 3 Dit artikel regelt dat het college jaarlijks kan besluiten om bepaalde financiële tegemoetkomingen te indexeren. Hierbij wordt aangesloten bij objectieve prijsindices, zoals: • de consumentenprijsindex (CPI) voor sportvoorzieningen; • de dienstenprijsindex (DPI) voor verhuis- en herinrichtingskosten; • de NEA-index voor vervoersgerelateerde vergoedingen. Door deze indexering blijven de bedragen aansluiten bij de actuele prijsontwikkelingen en behouden zij hun reële waarde.

Hoofdstuk 7 Kwaliteit, klachten en betrekken inwoners Artikel 7.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Lid 1 Dit lid bepaalt dat aanbieders verplicht zijn om ondersteuning van goede kwaliteit te leveren. Daarbij moeten zij voldoen aan de eisen uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), deze verordening en de binnen de branche geldende professionele standaarden. Hiermee wordt geborgd dat ondersteuning niet alleen wettelijk correct is, maar ook aansluit bij actuele vakinhoudelijke normen. Lid 2 Artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 bepaalt dat in de verordening moet worden vastgelegd welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder de deskundigheid van beroepskrachten. Daarnaast volgt uit artikel 3.1 van de Wet dat aanbieders verantwoordelijk zijn voor het leveren van goede kwaliteit. Een voorziening wordt in ieder geval: a. veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt; b. afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt; c. verstrekt in overeenstemming met de professionele standaard; d. verleend met respect voor de rechten van de cliënt. Met dit artikel worden deze wettelijke kwaliteitseisen nader uitgewerkt en aangevuld.

Tevens wordt bepaald dat de hoofdaannemer verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de door hem ingezette onderaannemers. Lid 3

Aanbieders zijn verplicht om hun kwaliteitsborging vast te leggen in een toetsbaar plan. Dit plan moet aansluiten bij de aard en omvang van de ondersteuning. Gemeenten kunnen dit plan opvragen om toezicht te houden op de naleving van de kwaliteitseisen. Lid 4 Als een hoofdaannemer gebruik maakt van onderaannemers, blijft de hoofdaannemer eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning. Hiermee wordt voorkomen dat de verantwoordelijkheid voor kwaliteit wordt doorgeschoven en wordt geborgd dat ook onderaannemers aan dezelfde eisen voldoen. Lid 5 Dit lid verplicht aanbieders om jaarlijks de cliënttevredenheid te meten. De uitkomsten moeten worden gebruikt om de kwaliteit van de ondersteuning te verbeteren. Hiermee wordt structurele feedback van cliënten verankerd in het kwaliteitsbeleid.

Lid 6 en 7 De aanbieder stelt jaarlijks een overzicht op van klachten, waarin in ieder geval de aard, het aantal en de afhandeling van de klachten worden opgenomen. Dit overzicht wordt verstrekt aan de gemeente. Hiermee krijgt de gemeente inzicht in structurele knelpunten en in de wijze waarop aanbieders omgaan met klachten, zodat waar nodig kan worden bijgestuurd. Lid 8 Cliënten en waar relevant mantelzorgers worden betrokken bij de organisatie van de ondersteuning. Daarnaast moet de aanbieder voldoen aan de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz). Dit bevordert inspraak en invloed van cliënten op het beleid. Lid 9 De gemeente (het college) houdt toezicht op de kwaliteit door periodiek en steekproefsgewijs onderzoek te doen. Dit vormt een belangrijk instrument om de naleving van de kwaliteitseisen te controleren. Lid 10 Het college wijst een toezichthouder aan die bevoegd is om toezicht te houden en handhavend op te treden. Dit betekent dat bij overtredingen maatregelen kunnen worden genomen, zoals aanwijzingen of sancties. Lid 11 Het college kan ervaringsdeskundigen betrekken bij de invulling van ondersteuning. Hiermee wordt de praktijkervaring van cliënten benut om de kwaliteit en effectiviteit van ondersteuning te verbeteren. Lid 12 Dit lid benadrukt het belang van passende en inclusieve ondersteuning.

Aanbieders houden rekening met culturele, religieuze en persoonlijke kenmerken van cliënten. Daarnaast wordt aandacht besteed aan diversiteit, waaronder seksuele oriëntatie en genderidentiteit, en aan mogelijke taalbarrières.

Hiermee wordt geborgd dat ondersteuning aansluit bij de leefwereld van de cliënt en toegankelijk is voor een brede doelgroep.

Artikel 7.2 Budget voor aanbieders van dienstverlening Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.6.6 van de Wmo 2015 en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het regelt dat gemeenten bij de inkoop van Wmo-diensten een reële prijs hanteren, die aansluit bij de gestelde kwaliteitseisen en de continuïteit van ondersteuning waarborgt. Het uitgangspunt is dat aanbieders een toereikend budget ontvangen om kwalitatief goede en duurzame ondersteuning te kunnen leveren en te voldoen aan hun verplichtingen als werkgever. Lid 1 Bevat de algemene norm dat het college een passend en toereikend budget vaststelt wanneer ondersteuning door derden wordt uitgevoerd. Hiermee wordt geborgd dat prijsstelling niet leidt tot kwaliteitsverlies. Lid 2 Concretiseert welke kostenelementen het college in ieder geval moet betrekken bij het bepalen van dit budget. Deze opsomming dient als waarborg dat het budget gebaseerd is op realistische en volledige kosten, en voorkomt dat essentiële onderdelen van de dienstverlening buiten beschouwing blijven. De genoemde kostensoorten zorgen ervoor dat aanbieders: •

voldoende gekwalificeerd personeel kunnen inzetten;

•

ruimte hebben voor scholing en ontwikkeling;

•

rekening kunnen houden met niet-productieve uren;

•

kunnen voldoen aan administratieve en wettelijke verplichtingen;

•

en kunnen werken onder voorwaarden die passen bij verantwoord opdrachtgeverschap, zoals vastgelegd in de Code Verantwoordelijk Marktgedrag.

Dit artikel draagt daarmee bij aan een evenwicht tussen prijs en kwaliteit, en voorkomt dat concurrentie uitsluitend plaatsvindt op basis van kostenreductie ten koste van de ondersteuning.

Artikel 7.3 Melding incidenten, calamiteiten en geweld. Lid 1 Dit lid is een nadere uitwerking van artikel 3.4 van de Wmo 2015 en regelt hoe aanbieders omgaan met het melden en registreren van incidenten, calamiteiten en geweld. Het doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid van cliënten en het mogelijk maken van toezicht en transparantie. Daarnaast wordt beoogd dat aanbieders niet alleen ernstige situaties melden, maar ook inzicht krijgen in minder ernstige incidenten, zodat structurele verbeteringen kunnen worden doorgevoerd. Lid 2

Met dit lid wordt gewaarborgd dat het college snel toegang heeft tot relevante informatie wanneer dat nodig is. De termijn van 48 uur maakt het mogelijk om tijdig te reageren, bijvoorbeeld in het kader van toezicht of nader onderzoek. Lid 3 Dit lid versterkt de rol van de cliëntenraad door deze periodiek te informeren over incidenten, calamiteiten en geweld. Hiermee wordt de medezeggenschap van cliënten bevorderd en wordt transparantie richting cliënten vergroot.

Artikel 7.4 Betrekken van inwoners bij de uitvoering van de Wet Dit artikel geeft invulling aan de wettelijke verplichting om inwoners en cliënten te betrekken bij de voorbereiding en uitvoering van het Wmo-beleid. Uitgangspunt is dat beleid beter aansluit bij de praktijk wanneer ervaringen en belangen van cliënten en inwoners structureel worden meegenomen. Het artikel regelt dat de gemeente cliënten, de Wmo Cliëntenraad en andere relevante cliëntenorganisaties in staat stelt om zowel gevraagd als ongevraagd advies uit te brengen. Daarbij wordt geborgd dat deze organisaties tijdig worden betrokken bij beleidsvorming en besluitvorming, zodat hun inbreng daadwerkelijk van invloed kan zijn. Daarnaast wordt vastgelegd dat cliëntenorganisaties beschikken over voldoende informatie en ondersteuning om hun rol goed te kunnen vervullen. Hiermee wordt de medezeggenschap en participatie van inwoners op een structurele wijze verankerd.

Hoofdstuk 8 Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik it hoofdstuk bevat regels die gericht zijn op het voorkomen en bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen op grond van de Wmo 2015. Op grond van artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wet is de gemeente verplicht om in de verordening regels op te nemen voor het bestrijden van het ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wet. Het uitgangspunt is dat ondersteuning terechtkomt bij inwoners die daarop zijn aangewezen en dat publieke middelen rechtmatig en doelmatig worden besteed. Tegelijkertijd wordt geborgd dat cliënten zorgvuldig worden behandeld en op de hoogte zijn van hun rechten en plichten.

Artikel 8.1 Controles Lid 1 De cliënt of diens vertegenwoordiger worden actief geïnformeerd over de rechten en plichten die verbonden zijn aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in natura of pgb. Hiermee wordt beoogd dat cliënten zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheden en van de gevolgen van misbruik of oneigenlijk gebruik. Dit draagt bij aan het voorkomen van onbedoelde fouten en misbruik. Lid 2 Dit lid regelt dat het college controles uitvoert op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de verstrekte voorzieningen en de besteding van het pgb. Het kan hierbij gaan om steekproefsgewijze controles. Hiermee wordt geborgd dat voorzieningen worden gebruikt waarvoor zij zijn verstrekt en dat publieke middelen zorgvuldig worden besteed.

Lid 3 en 4 Deze leden zien op de controle op aanbieders en de uitvoering van voorzieningen. Het college maakt afspraken met aanbieders over onder meer facturatie en controle, zodat declaraties aansluiten bij de daadwerkelijk geleverde ondersteuning. Daarnaast is het college bevoegd om materiële controles en fraudeonderzoeken uit te voeren bij aanbieders, leveranciers en cliënten. Dit is noodzakelijk om toezicht te houden op de kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van de ondersteuning. Lid 5 en 6 Dit lid regelt dat betalingen uit een pgb tijdelijk kunnen worden stopgezet bij een gegrond vermoeden van misbruik of onrechtmatig gebruik. Het college kan de Sociale verzekeringsbank verzoeken om betalingen geheel of gedeeltelijk te onderbreken voor een beperkte periode. Tegelijkertijd wordt geborgd dat de cliënt hierover wordt geïnformeerd en de gelegenheid krijgt om een zienswijze te geven. Hiermee wordt een zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming van de cliënt gewaarborgd.

Artikel 8.2 Intrekking en terugvordering De Wet bepaalt dat de gemeente een besluit geheel of deels kan herzien of intrekken. Wanneer uit onderzoek blijkt dat een voorziening ten onrechte is toegekend, dan kan de gemeente waar mogelijk de voorziening terugnemen of gelden terugvorderen. Lid 1 en 2 Het college kan een besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening of pgb kan herzien of intrekken wanneer niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer: • onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; • de cliënt niet langer is aangewezen op de voorziening; • de voorziening niet meer passend is; • of de voorziening niet wordt gebruikt waarvoor deze is verstrekt. Hiermee wordt geborgd dat voorzieningen alleen worden ingezet wanneer zij noodzakelijk en passend zijn. Terugvordering is alleen mogelijk wanneer sprake is van opzettelijk onjuiste of onvolledige informatieverstrekking. Hiermee wordt aangesloten bij het uitgangspunt van proportionaliteit en wordt voorkomen dat cliënten worden geconfronteerd met terugvordering bij niet-verwijtbare fouten. De waarde van de voorziening wordt vastgesteld op basis van de kostprijs. Lid 3 en 4

Indien van toepassing, wordt de eigen bijdrage aangepast via het CAK nadat de vordering is voldaan. Hiermee wordt voorkomen dat cliënten dubbel betalen. Lid 5 Daarnaast wordt geregeld dat voorzieningen die in eigendom of bruikleen zijn verstrekt, kunnen worden teruggevorderd indien het recht daarop is ingetrokken.

Hoofdstuk 9 Slot- en overgangsbepalingen Artikel 9.1 Intrekking oude verordening Door inwerkingtreding van de nieuwe verordening, wordt de voorafgaande verordening ingetrokken.

Artikel 9.2 Overgangsbepalingen De overgangsbepalingen hebben betrekking op de situatie waarin voor inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag voor ondersteuning is ingediend. Het uitgangspunt is dat aanvragen voor voorzieningen, welke voor 1 januari 2027 zijn ingediend en waarop nog niet is beslist, worden beoordeeld op grond van de oude verordening. Bezwaarschriften worden beoordeeld op grond van de verordening waarop het bestreden besluit is gebaseerd.

Artikel 9.3 Inwerkingtreding Deze verordening is geldig vanaf 1 januari 2027.

Artikel 9.4 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2027’ en wordt afgekort als ‘Wmo-verordening 2027’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=3014a6d9-6b6c-4c12-8e25-2dc43698c8c3