Bijlage Toelichting bij Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2027
Tekst van het document
Bijlage 1 Toelichting bij Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Utrecht 2027 In deze toelichting staan sommige artikelen uit de Verordening uitgebreider beschreven. Deze toelichting is aanvullend op de Verordening en het is expliciet de bedoeling om deze toelichting samen met de Verordening te lezen.
Hoofdstuk 1 Wat staat er in de verordening en voor wie is het? Artikel 1.1 wat staat er in de verordening? De verordening bevat de regels die de gemeente heeft opgesteld om de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) uit te voeren. De Wmo 2015 is een landelijke wet, maar gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan in de praktijk. Daarbij hebben zij ruimte om zelf invulling te geven aan bepaalde onderdelen. De gemeenteraad stelt daarom een verordening vast waarin onder andere wordt vastgelegd hoe ondersteuning wordt geregeld en onder welke voorwaarden.
Artikel 1.2 Definities In dit artikel worden definities uitgelegd die in de verordening voorkomen. Zo weet iedereen wat met bepaalde termen bedoeld wordt. Sommige begrippen staan al in de landelijke Wmo. Die worden niet opnieuw uitgelegd.
Artikel 1.3 Voor wie is deze verordening? De doelgroep van deze verordening zijn mensen die in Utrecht wonen en behoefte hebben aan ondersteuning vanwege een of meerdere beperkingen en/of chronische psychische of psychosociale problemen. Mensen die in Utrecht wonen staan ingeschreven in de gemeentelijke basisregistratie personen (BRP) van Utrecht (inwoner). Ook mensen uit andere gemeenten in de regio (de zogenaamde U16-gemeenten) kunnen soms hulp krijgen via Utrecht, bijvoorbeeld voor opvang of beschermd wonen. Dit kan op basis van artikel 1.2.1, onderdeel b en c, van de Wet. Ingezetenen van gemeenten in de U16 regio die de maatwerkvoorziening Beschermd Thuis toegekend hebben gekregen kunnen ook onder de doelgroep van deze verordening vallen. De U16 zijn de gemeenten: Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vijfheerenlanden, Woerden, Wijk bij Duurstede en Zeist. Een andere doelgroep bestaat uit mantelzorgers. Zij kunnen soms ook ondersteuning krijgen vanuit deze verordening. Degene voor wie zij zorgen moet ingezetene zijn van Utrecht. Het streven naar participatie en zelfredzaamheid binnen de Wmo kan niet los worden gezien van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
Het verdrag heeft als uitgangspunt dat iedereen met of zonder beperking, volwaardig kan deelnemen aan de samenleving. Het doel van dit verdrag is dat een inclusieve en voor iedereen toegankelijke samenleving. Gemeente Utrecht geeft onder andere uitvoering aan dit verdrag door het uitvoeren van Wmo-beleid.
Hoofdstuk 2 Toegang tot maatwerkvoorziening Hoe werkt melding onderzoek en aanvraag? Deze paragraaf beschrijft hoe een inwoner toegang krijgt tot maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wet. Deze artikelen zijn omschreven als de wettelijke systematiek van de Wet. Eerst een melding, daarna een onderzoek en pas daarna, als dat nodig is, een aanvraag voor een maatwerkvoorziening.
Artikel 2.1.1 Melding Lid 1 en 2 De melding is het formele startpunt van de toegang tot maatschappelijke ondersteuning. Iedere inwoner die moeite heeft met zelfstandig wonen, zelfredzaamheid of participatie in de samenleving kan een melding doen. De melding kan op verschillende manieren worden gedaan: mondeling, digitaal, telefonisch of schriftelijk. Afhankelijk van de hulpvraag vindt de procedure plaats bij het buurtteam, het stedelijk Wmo-loket of de Regionale Toegang. De inwoner mag, bij het afhandelen van de melding, iemand meenemen naar gesprekken, bijvoorbeeld een mantelzorger, familielid of een onafhankelijke cliëntondersteuner. Het is hierbij belangrijk dat de inwoner altijd toestemming geeft voor het delen van persoonlijke informatie. De Medewerker die de melding in behandeling heeft, bespreekt samen met de inwoner wat de hulpvraag is en oordeelt of deze onder de Wmo valt. Als dit niet het geval is, bijvoorbeeld omdat een andere wet of instantie meer passend is, verwijst de Medewerker de inwoner door. Lid 3 De Medewerker bevestigt de melding. De bevestiging is het begin van het proces en is belangrijk voor de vaststelling van de termijnen van bijvoorbeeld onderzoek of ingangsdatum van de voorziening. De ingangsdatum van een voorziening kan niet eerder liggen dan de datum van de melding.
Na ontvangst van de melding heeft de Medewerker 6 weken de tijd om onderzoek te doen. Lid 4 en 5 Naar aanleiding van de melding onderzoekt de Medewerker waar de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en, indien van toepassing, de mantelzorger uit bestaat. Dit is een verkennend gesprek waarin de hulpvraag centraal staat en waarin breed wordt gekeken naar de situatie van de inwoner. Daarnaast wordt beoordeeld of de hulpvraag kan worden opgelost met een algemene voorziening. Algemene voorzieningen zijn laagdrempelig en direct toegankelijk en hebben voorrang op maatwerkvoorzieningen. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat maatwerk het sluitstuk is. Lid 6 Dit lid waarborgt dat de inwoner zich kan laten ondersteunen bij het doen of afhandelen van de melding, bijvoorbeeld door iemand uit het eigen netwerk of door een onafhankelijke cliëntondersteuner. De Medewerker wijst de inwoner actief op deze mogelijkheid. Dit geldt ook wanneer de hulpvraag mogelijk ziet op zorg vanuit de Wet langdurige zorg. Lid 7 Als de inwoner dat wil, mag hij een persoonlijk plan maken en indienen voor het onderzoek. Dit plan moet binnen 7 dagen na melding worden ingediend. In dit plan kan de client zelf beschrijven wat zijn
of haar situatie is en welke ondersteuning volgens hem/haar nodig is. Het persoonlijk plan wordt betrokken bij het onderzoek.
Artikel 2.1.2 Onderzoek Als wordt vastgesteld dat de melding onder de Wmo valt, voert de Medewerker onderzoek uit naar de situatie van de client. Dit onderzoek gebeurt zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wet. De medewerker onderzoekt in ieder geval: 1. Wat de hulpvraag is. 2. Welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. 3. Welke ondersteuning nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie, of het zich kunnen handhaven in de samenleving. 4. In hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen kunnen helpen. 5. De Medewerker die het onderzoek doet beschikt over de juiste kennis en deskundigheid. Indien nodig, kan de Medewerker deskundigheid inwinnen bij een externe partij, zoals bij een medisch adviseur. Het onderzoek is gericht op het vaststellen van de ondersteuning die nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Hierbij is het vereist dat de inwoner medewerking verleent. De Medewerker die de melding in behandeling heeft, geeft uitleg over het onderzoek, over de benodigde informatie en verzamelt deze informatie zover mogelijk.
Pas na het onderzoek of zodra deze zes weken voorbij zijn kan een maatwerkvoorziening worden aangevraagd. Als uit het onderzoek blijkt dat een algemene voorziening voldoende is, dan wordt er geen maatwerkvoorziening gegeven. Als er toch een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt gedaan, dan wordt er een afwijzingsbesluit op de maatwerkvoorziening afgegeven. Wanneer een algemene voorziening niet genoeg helpt, beoordeelt de Medewerker of de inwoner recht heeft op een maatwerkvoorziening. Het onderzoek hoeft niet opnieuw of volledig te worden uitgevoerd wanneer de situatie van de client al voldoende bekend is bij de Medewerker. Dit kan bijvoorbeeld als de client een recente melding heeft gedaan of een eerder uitgevoerd onderzoek en de situatie van de client is niet gewijzigd.
Artikel 2.1.3 Verslag Lid 1 en 2 De Medewerker legt de bevindingen van het onderzoek vast in een verslag. In het verslag worden de bevindingen van de Medewerker en de client vastgelegd. Als de Medewerker vindt dat er daadwerkelijk behoefte is aan ondersteuning, dan geeft de Medewerker dat in het verslag aan. Het verslag maakt onderdeel uit van het ondersteuningsplan. In het ondersteuningsplan staan de afspraken over de doelen, resultaten en activiteiten en de duur van de ondersteuning. Na afronding van het onderzoek ontvangt de cliënt het ondersteuningsplan. De cliënt kan dit plan voor gezien of akkoord tekenen. Hiermee wordt vastgelegd dat de cliënt kennis heeft genomen van de inhoud en bij akkoord instemt met de voorgestelde ondersteuning.
Artikel 2.1.4. Aanvraag Lid 1 Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan, nadat het onderzoek is afgerond, tenzij het onderzoek niet is afgerond binnen zes weken na melding. Een aanvraag moet altijd schriftelijk worden gedaan en moet worden ondertekend door de cliënt. Een cliënt kan de aanvraag bijvoorbeeld doen door het ondertekenen van het ondersteuningsplan (voor gezien of voor akkoord), door het invullen van een aanvraagformulier of via een ander verzoek dat schriftelijk of digitaal is ondertekend met het verzoek om een maatwerkvoorziening. Na ontvangst van de aanvraag heeft de Medewerker twee weken de tijd om een beschikking af te geven.
Artikel 2.1.5 Ingangsdatum maatwerkvoorziening Lid 1 De maatwerkvoorziening gaat in op de dag waarop het besluit wordt genomen. Dit is de datum waarop het college officieel zegt dat de inwoner de voorziening krijgt. Lid 2 Soms kan de Medewerker besluiten dat de voorziening eerder ingaat, dus met terugwerkende kracht. De terugwerkende kracht is alleen mogelijk als de Medewerker achteraf kan vaststellen dat dit nodig en passend is in de individuele situatie van de inwoner. Maar, dit mag nooit eerder zijn dan de datum waarop de inwoner de melding heeft gedaan. Dit betekent dat ondersteuning nooit wordt toegekend voor een periode vóór het moment waarop de inwoner om hulp heeft gevraagd.
Artikel 2.1.6 Beschikking Lid 1 Een beschikking is een officieel besluit waarin staat welke hulp of ondersteuning een inwoner krijgt. De voorziening kan in natura worden verstrekt, waarbij de gemeente de ondersteuning of voorziening regelt of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). In dit lid is geregeld welke informatie in de beschikking moet staan. In de beschikking staat in ieder geval welke maatwerkvoorziening wordt toegekend, in welke vorm (pgb of natura), wat het doel is van de ondersteuning en welk resultaat wordt verwacht. Ook staat erin dat de client een eigen bijdrage moet betalen. Daarnaast staat er in de beschikking een bezwaarclausule, zodat de client weet hoe bezwaar kan worden gemaakt. Lid 2 Als de maatwerkvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een pgb, moet er extra informatie in de beschikking staan. In de beschikking moet dan naast in lid 1 vermelde onderdelen ook worden vermeld aan welke kwaliteitseisen de ondersteuning moet voldoen, hoe hoog het pgb is, hoe dit is berekend en hoe dit moet worden verantwoord. Met de "hoogte van het pgb" wordt ook de omvang bedoeld. De hoogte wordt namelijk berekend door de omvang te vermenigvuldigen met het pgb-tarief. Bij niet-dienstverlenende producten wordt een eenmalig pgb verstrekt. De Medewerker kan daarnaast controleren of het budget wordt gebruikt voor de ondersteuning waarvoor het is bedoeld.
Artikel 2.2.1 Inzet voorzieningen Lid 1
Een inwoner met een hulpvraag kan hulp ontvangen door middel van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die voor meerdere inwoners toegankelijk is. Er vindt daarbij geen onderzoek plaats naar de persoonlijke behoeften van de inwoner. Bij enkele voorzieningen wordt alleen beoordeeld of iemand in de gemeente Utrecht woont en tot de doelgroep van de Wet behoort. Voor algemene voorzieningen is geen beschikking nodig, inwoners kunnen hier direct gebruik van maken als zij aan de voorwaarden voldoen. Een maatwerkvoorziening is afgestemd op iemands persoonlijke situatie. De maatwerkvoorziening wordt ingezet wanneer uit onderzoek blijkt dat algemene voorzieningen of hulp uit de eigen omgeving niet voldoende zijn. Voor de toegang tot een maatwerkvoorziening is een beschikking nodig. Lid 2 In dit lid wordt geregeld dat het college voorwaarden en verplichtingen kan verbinden aan het gebruik van voorzieningen. Dit kan bijvoorbeeld gaan over het doel van de ondersteuning, het meewerken aan een ondersteuningsplan of het nakomen van afspraken die nodig zijn om het beoogde resultaat te bereiken. Lid 3 Dit lid benadrukt dat het bieden van ondersteuning altijd plaatsvindt binnen de kaders van de Wmo en het gemeentelijke beleidsplan.
De ondersteuning is gericht op het bereiken van doelen die samen met de cliënt worden vastgesteld, zoals het vergroten van zelfredzaamheid, het verbeteren van participatie of het stabiliseren van de situatie van de cliënt.
Artikel 2.2.2 Reikwijdte van de maatschappelijke ondersteuning Dit lid beschrijft het doel van de maatschappelijke ondersteuning die het college aanbiedt. De ondersteuning moet bijdragen aan een aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid en participatie. Daarbij zijn van belang de situatie van betrokkene, voordat hij getroffen werd door zijn beperkingen, evenals de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. Aanvaardbaar wil aan de andere kant zeggen, dat de persoon zich er soms bij neer moet leggen dat er belemmeringen blijven, of dat hij zich enige beperkingen zal moeten getroosten. De ondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van zelfredzaamheid en participatie, en breidt zich niet uit tot wat de persoon zelf noodzakelijk vindt in het kader van smaak. Het betekent bijvoorbeeld niet per definitie dat hij alle hobby’s moet kunnen uitoefenen die hij voorheen uitoefende. In de beleidsnota Wmo liggen de kaders vast die de gemeenteraad stelt aan realiseren van een aanvaardbaar niveau.
Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen Artikel 3.1 Algemeen Dit artikel beschrijf het kader waarbinnen de gemeente Utrecht algemene voorzieningen aanbiedt op grond van de Wmo 2015. Lid 1 en 2 Een algemene voorziening is hulp of ondersteuning die voor alle inwoners van Utrecht kan zijn, of voor een speciale groep inwoners. Deze hulp is direct toegankelijk voor mensen die ondersteuning nodig hebben en die bij de doelgroep horen. Dit wil zeggen dat daar geen aanvraag voor hoeft te
worden ingediend. Ook ondersteuning voor mantelzorgers en vrijwilligers kan via algemene voorzieningen worden georganiseerd. Lid 3 Dit lid regelt dat bij het gebruik van een algemene voorziening een eenvoudige toets kan plaatsvinden. Deze toets heeft als doel te beoordelen of de hulpvraag van de cliënt past binnen de doelstelling van de voorziening, of de voorziening passend is voor de cliënt en of de cliënt inwoner is van de gemeente Utrecht. De toets is beperkt van aard en is bedoeld om te bepalen of de algemene voorziening geschikt is voor de betreffende situatie.
Artikel 3.2 Beschikbare algemene voorzieningen In dit artikel wordt op een globaal niveau een overzicht gegeven van algemene voorzieningen die in ieder geval beschikbaar zijn binnen de gemeente Utrecht. Het gaat onder andere om voorzieningen binnen de sociale basis, activiteiten vanuit welzijnswerk, ondersteuning in de wijk, generalistische ondersteuning door het Buurtteam en algemene voorzieningen die gericht zijn op opvang van mensen die dak- of thuisloos zijn. Deze algemene voorzieningen zijn laagdrempelig, toegankelijk en gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie. Bij deze algemene voorzieningen kunnen inwoners toegang krijgen tot de ondersteuning zonder dat er een uitgebreide aanvraag voor nodig is. De opsomming in dit artikel geeft een beeld van de belangrijkste algemene voorzieningen, maar is niet limitatief (er zijn er dus nog meer). Het college kan aanvullende voorzieningen organiseren of bestaande voorzieningen aanpassen als dat nodig is om inwoners passende ondersteuning te bieden.
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen Artikel 4.1 Algemene criteria voor het treffen van een maatwerkvoorziening In dit artikel is een algemeen afwegingskader opgenomen dat in de Wmo centraal staat en voor elke maatwerkvoorziening geldt. In de hierop volgende artikelen uit dit hoofdstuk zijn meer specifieke criteria opgenomen per maatwerkvoorziening. Een maatwerkvoorziening is ondersteuning die wordt ingezet wanneer een inwoner onvoldoende geholpen is met eigen mogelijkheden, hulp vanuit het netwerk, algemene voorzieningen of andere wettelijke regelingen. Het doel van een maatwerkvoorziening is om inwoners te ondersteunen bij het behouden of verbeteren van hun zelfredzaamheid en participatie, zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen en deelnemen aan de samenleving. Bij de beoordeling van een aanvraag wordt altijd eerst onderzocht welke oplossingen mogelijk zijn binnen de eigen mogelijkheden van de cliënt en zijn omgeving. Pas wanneer deze mogelijkheden onvoldoende zijn, kan een maatwerkvoorziening worden toegekend. Dit volgt uit het uitgangspunt van de Wmo dat eerst gekeken wordt naar eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, sociale netwerken en algemene voorzieningen. Lid 1
Dit lid bepaalt dat de Medewerker bij de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening uitgaat van het verslag van het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Dit onderzoek vindt plaats naar aanleiding van de melding en wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 2 van deze verordening en de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015. Het verslag vormt de basis voor het nemen van een besluit over het al dan niet toekennen van een maatwerkvoorziening. Lid 2 In dit lid is vastgelegd dat in het onderzoek eerst wordt gekeken naar de mogelijkheden die de cliënt zelf heeft om de problemen op te lossen of te verminderen. Daarbij wordt achtereenvolgens onderzocht of de cliënt met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of ondersteuning vanuit het sociale netwerk zijn zelfredzaamheid of participatie kan verbeteren. Ook wordt beoordeeld of gebruik kan worden gemaakt van algemene voorzieningen of andere wettelijke regelingen. Pas wanneer deze mogelijkheden onvoldoende zijn, kan een maatwerkvoorziening worden overwogen. Lid 3, onderdeel a Wanneer een cliënt een voorziening aanschaft na de melding, maar vóór de aanvraag of het besluit, wordt in beginsel geen maatwerkvoorziening verstrekt. Dit is met name het geval als sprake is van voorzienbaarheid. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als: • de medewerker vooraf toestemming heeft gegeven voor de aanschaf; of • achteraf nog kan worden vastgesteld dat de voorziening noodzakelijk en passend is en de gemaakte kosten redelijk zijn.
Lid 3, onderdeel b Dit onderdeel bepaalt dat een maatwerkvoorziening alleen kan worden verstrekt wanneer er sprake is van een aantoonbare noodzaak tot ondersteuning. Van een aantoonbare noodzaak tot ondersteuning is sprake als wanneer uit het onderzoek zoals beschreven in hoofdstuk 2, blijkt dat de cliënt door de beperkingen niet in staat is om zonder ondersteuning zelfstandig te functioneren of kan deelnemen aan de samenleving. Lid 3, onderdeel c Dit onderdeel geeft invulling aan het uitgangspunt dat de Wmo alleen ondersteuning biedt voor kosten die voortvloeien uit een beperking en die niet als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd. Onder algemeen gebruikelijke kosten worden kosten verstaan die ook door personen zonder beperking worden gemaakt, zoals: • normale huishoudelijke apparatuur (bijvoorbeeld een stofzuiger of wasmachine); • standaard inrichting van een woning; • gebruikelijke kosten voor vervoer of communicatie. Een voorziening wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd wanneer deze: • niet specifiek is bedoeld voor mensen met een beperking; • algemeen verkrijgbaar is; en • naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De financiële situatie van de individuele cliënt is in beginsel niet bepalend.
Het criterium is of de voorziening in algemene zin betaalbaar wordt geacht voor iemand met een inkomen op minimumniveau. Bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is, wordt onder meer gekeken naar: • de verkrijgbaarheid via reguliere aanbieders; • de prijs in vergelijking met vergelijkbare producten;
• •
het gebruik in de samenleving; en de vraag of de voorziening specifiek is ontwikkeld voor mensen met een beperking.
Dat een voorziening wenselijk of comfortabel is, betekent niet dat deze noodzakelijk is. Alleen wanneer een voorziening noodzakelijk is om beperkingen te compenseren en niet als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt, kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Lid 3, onderdeel d Dit onderdeel bepaalt dat geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als de noodzaak tot het maken van kosten redelijkerwijs voorzienbaar, of te wel van tevoren te verwachten, was. Bij de beoordeling van de voorzienbaarheid onderzoekt de Medewerker of de cliënt, gelet op zijn situatie, tijdig maatregelen had kunnen nemen om de noodzaak voor de voorziening te voorkomen of te beperken. Hierbij wordt gekeken naar de aard en ontwikkeling van de beperking. Het enkele feit dat iemand ouder wordt en dat daarmee een verslechtering van de situatie te verwachten is, is onvoldoende om voorzienbaarheid aan te nemen. Er moet sprake zijn van concrete en voorzienbare omstandigheden. Indien kosten zijn gemaakt vóór de melding, wordt in beginsel geen maatwerkvoorziening verstrekt. Hiermee wordt voorkomen dat kosten achteraf worden vergoed zonder dat de Medewerker de noodzaak vooraf heeft kunnen beoordelen. Wanneer sprake is van een acute noodsituatie, kan alsnog een maatwerkvoorziening worden verstrekt, ook als de kosten voorafgaand aan de melding zijn gemaakt.
Van een acute noodsituatie is sprake wanneer onmiddellijk handelen noodzakelijk is om onveilige of onhoudbare omstandigheden te voorkomen. Bijvoorbeeld wanneer een cliënt door een plotselinge verslechtering geen gebruik meer kan maken van het bad en direct maatregelen nodig zijn om valgevaar te voorkomen Lid 3, onderdeel e Dit onderdeel bepaalt dat de Medewerker, wanneer een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kiest voor de oplossing die passend is en tegelijkertijd de laagste kosten met zich meebrengt. Hiermee wordt het uitgangspunt van doelmatige besteding van publieke middelen gewaarborgd. Lid 3, onderdeel f In dit onderdeel is bepaald dat geen nieuwe voorziening wordt verstrekt wanneer een eerder verstrekte voorziening nog voldoende ondersteuning biedt en nog niet is afgeschreven. Alleen wanneer de voorziening buiten de schuld van de cliënt verloren is gegaan of niet meer bruikbaar is, kan hiervan worden afgeweken.
Lid 3, onderdeel g Dit onderdeel stelt dat een voorziening passend en veilig moet zijn en geen gezondheidsrisico’s mag veroorzaken. Met passend wordt bedoeld, volgens objectieve maatstaven toereikend. Eigenschappen van een voorziening die kostenverhogende zijn, maar niet adequaat, komen niet voor een vergoeding in aanmerking. Ook mag de voorziening het herstel of de ontwikkeling van de cliënt niet belemmeren. Lid 3, onderdeel h De cliënt is verplicht mee te werken aan het opstellen en uitvoeren van het ondersteuningsplan en alle informatie te verschaffen die voor het onderzoek naar een maatwerkvoorziening nodig zijn. De
client hoeft geen gegevens te verstrekken die al bekend zijn bij de gemeente of waar de gemeente aan kan komen. Dit komt door het principe van eenmalige gegevensuitvraag. Lid 3, onderdeel i Dit onderdeel bepaalt dat van de cliënt verwacht mag worden dat hij meewerkt aan behandelingen die in alle redelijkheid van hem gevraagd kunnen worden en die kunnen bijdragen aan het verminderen van zijn beperkingen. Hiermee wordt voorkomen dat onnodig een beroep wordt gedaan op langdurige ondersteuning vanuit de Wmo. Lid 3, onderdeel j Dit onderdeel verduidelijkt dat maatwerkvoorzieningen bedoeld zijn voor ondersteuning die primair gericht is op de individuele ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Artikel 2.3.2 lid 4 onderdeel a Wmo 2015 bepaalt namelijk dat het college de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt moet onderzoeken. Een maatwerkvoorziening moet zorgvuldig zijn afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon, zoals die in het onderzoek in kaart zijn gebracht. Hierbij zal leefsituatie of woonsituatie met anderen dus ook een rol kunnen spelen. Aanvraag gemeenschappelijke voorziening niet mogelijk. Er moet altijd één individuele aanvrager zijn die de voorziening aanvraagt. De voorziening moet voor deze aanvrager ook noodzakelijk zijn.
Lid 3, onderdeel k Dit onderdeel geeft invulling aan het uitgangspunt dat ondersteuning, waar mogelijk, doelmatig en groepsgericht wordt georganiseerd. Ondersteuning wordt in beginsel groepsgericht aangeboden, omdat dit efficiënt kan zijn en daarnaast voordelen kan bieden voor cliënten, zoals sociale interactie, herkenning en het gezamenlijk oefenen van vaardigheden. Individuele ondersteuning wordt ingezet wanneer uit het onderzoek blijkt dat groepsgerichte ondersteuning onvoldoende aansluit bij de behoeften of mogelijkheden van de cliënt, of wanneer de cliënt niet in staat is om in een groepssetting te functioneren. Lid 3, onderdeel l Dit onderdeel maakt duidelijk dat ondersteuning ook digitaal of in een combinatie van digitale en fysieke ondersteuning (blended care) kan worden aangeboden. Digitale ondersteuning kan bijvoorbeeld bestaan uit beeldbellen, online begeleiding of het gebruik van e-health toepassingen. Het toepassen van digitale ondersteuning kan bijdragen aan flexibiliteit en toegankelijkheid van ondersteuning. Voorwaarde is wel dat deze vorm van ondersteuning passend is bij de situatie, mogelijkheden en vaardigheden van de cliënt. Lid 3, onderdeel m Dit onderdeel ziet op situaties waarin een eerder verstrekte voorziening moet worden vervangen.
Een nieuwe voorziening kan worden verstrekt wanneer de noodzaak daarvoor niet aan de cliënt te wijten is, bijvoorbeeld wanneer een hulpmiddel buiten de schuld van de cliënt beschadigd raakt of verloren gaat. Wanneer de noodzaak tot vervanging het gevolg is van verwijtbaar handelen van de cliënt, kan het college besluiten de voorziening niet opnieuw te verstrekken of de kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk voor rekening van de cliënt te laten. Lid 3, onderdeel n Dit lid regelt dat maatwerkvoorzieningen die geen dienstverlening betreffen, door het college zowel in bruikleen als in eigendom aan de cliënt kunnen worden verstrekt. De keuze voor de vorm van
verstrekking hangt af van de aard van de voorziening, de verwachte gebruiksduur en de mogelijkheden voor hergebruik. Bij voorzieningen die geschikt zijn voor hergebruik, zoals bepaalde hulpmiddelen, ligt verstrekking in bruikleen vaak voor de hand. Dit maakt het mogelijk om de voorziening na beëindiging van het gebruik opnieuw in te zetten voor andere cliënten. In andere gevallen kan het praktischer zijn om de voorziening in eigendom te verstrekken, bijvoorbeeld wanneer hergebruik niet doelmatig of niet mogelijk is. Met deze bepaling wordt de ruimte geboden om per situatie te bepalen welke vorm van verstrekking het meest passend en doelmatig is. De Medewerker beoordeelt of een voorziening in bruikleen of een voorziening in eigendom aan de cliënt het meest passend is bij situatie (en hulpvraag) van de cliënt.
Artikel 4.2 Aanvullende criteria voor Hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden is een maatwerkvoorziening die wordt ingezet wanneer een cliënt door lichamelijke, psychische of psychosociale beperkingen niet in staat is om het huishouden zelf (volledig) te voeren. Het doel van deze voorziening is dat de cliënt kan blijven wonen in een schoon en leefbaar huis, zodat een aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid wordt behouden. De ondersteuning is gericht op het compenseren van beperkingen en niet op het overnemen van taken die de cliënt of zijn omgeving zelf kan uitvoeren. Uitgangspunt is dat eerst wordt gekeken naar wat de cliënt zelf kan doen en welke hulp beschikbaar is vanuit het huishouden of het sociale netwerk. Lid 1 Dit lid bepaalt dat hulp bij het huishouden alleen wordt verstrekt wanneer sprake is van aantoonbare beperkingen die het uitvoeren van huishoudelijke taken belemmeren. Het kan hierbij gaan om lichamelijke beperkingen, maar ook om psychische of psychosociale problematiek. De ondersteuning wordt alleen ingezet wanneer de cliënt deze taken niet zelf kan uitvoeren en deze ook niet kunnen worden overgenomen door huisgenoten of anderen in het sociale netwerk. Lid 2 Dit lid verduidelijkt dat hulp bij het huishouden zich beperkt tot de ruimten die noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning.
Het gaat hierbij om het schoon en leefbaar houden van de belangrijkste woonruimten, zoals de woonkamer, de in gebruik zijnde slaapvertrekken, de keuken en sanitaire ruimtes. Hiermee wordt geborgd dat de ondersteuning gericht blijft op het realiseren van een basisniveau van hygiëne en leefbaarheid, en niet op het volledig onderhouden van de gehele woning. Lid 3 Dit lid bepaalt dat factoren zoals de omvang van het huishouden, de grootte of inrichting van de woning en het houden van dieren (met uitzondering van hulphonden) geen aanleiding vormen voor extra ondersteuning. Hiermee wordt voorkomen dat extra ondersteuning wordt gevraagd door persoonlijke keuzes of omstandigheden die niet direct samenhangen met de beperkingen van de cliënt. Lid 4
De taken die leiden tot een schoon en leefbaar huis, is door experts vastgesteld en beschreven in het onafhankelijke en objectieve onderzoek 'Normering van de basisvoorziening 'Schoon Huis', uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM. Via het onafhankelijke en objectieve onderzoek is vastgesteld dat met het door dit bureau vastgestelde aantal basisuren, het resultaat 'schoon huis' behaald kan worden. In dit lid wordt daarom beschreven dat het college met een basisvoorziening werkt. Lid 5 In dit lid wordt beschreven dat cliënten in sommige gevallen naast de basisvoorziening extra ondersteuning kunnen ontvangen. Dit kan als het gezien de situatie van de cliënt noodzakelijk is. Bijvoorbeeld als er sprake is van objectiveerbare (medische) beperkingen, waardoor de basisvoorziening onvoldoende is bij het realiseren van een schoon huis. Lid 6 Dit lid geeft het college de mogelijkheid om nadere regels en beleidsregels vast te stellen over de wijze waarop de omvang en noodzaak van hulp bij het huishouden worden beoordeeld. De nadere regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op normtijden en de inhoud van de ondersteuning. De beleidsregels hebben betrekking op de wijze waarop wordt vastgesteld wat een schoon en leefbaar huis is.
Artikel 4.3.1 Aanvullende criteria voor ambulante begeleiding Ambulante begeleiding is gericht op het ondersteunen van cliënten bij het dagelijks functioneren in de eigen leefomgeving. De ondersteuning vindt plaats wanneer sprake is van complexe problematiek die niet voldoende kan worden opgevangen binnen algemene voorzieningen. Het doel is het vergroten en/of behouden van de eigen regie, zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, en waar mogelijk het voorkomen van zwaardere vormen van ondersteuning. Daarnaast wordt ambulante begeleiding zo tijdelijk en licht als mogelijk, en zo lang en intensief als noodzakelijk ingezet, binnen de grenzen van de verwijzing door de toegang en in aanvulling op en ondersteunend aan wat de algemene voorzieningen bieden. Dit geldt voor alle vormen van ambulante begeleiding, dus ook de praktische ondersteuning en de 24/7 bereik- en beschikbaarheid. Lid 1 Ambulante begeleiding wordt ingezet wanneer sprake is van meervoudige of complexe problematiek waarbij specifieke deskundigheid en expertise nodig is. Het gaat om situaties waarin ondersteuning niet alleen praktisch van aard is, maar ook gericht is op het aanleren van vaardigheden, het structureren van het dagelijks leven en het voorkomen van achteruitgang. Van belang is dat de ondersteuning aanvullend is op algemene voorzieningen.
Wanneer ondersteuning binnen de sociale basis of via algemene voorzieningen toereikend is, wordt geen maatwerkvoorziening ingezet. De begeleiding is planbaar en gericht op situaties waarin de cliënt zijn hulpvraag kan uitstellen. Dit onderscheidt ambulante begeleiding van meer intensieve of crisisgerichte vormen van ondersteuning. Wanneer de ondersteuning vooral bestaat uit praktische, uitvoerende handelingen (bijvoorbeeld ondersteuning bij het organiseren van het huishouden), wordt dit aangemerkt als praktische ondersteuning. Ook hierbij blijft het uitgangspunt dat de cliënt zoveel mogelijk zelf regie houdt.
Artikel 4.3.2 Aanvullende criteria voor ambulante begeleiding met praktische ondersteuning Praktische ondersteuning is een vorm van ambulante begeleiding gericht op praktische handelingen. Dit is bijvoorbeeld ondersteuning gericht op het voeren van huishouden. Het omvat onder meer: het op orde brengen en behouden van structuur in het dagelijks leven, ondersteuning bij
woonhygiëneproblematiek, tijdelijke verzorging van kinderen onder de 6 jaar indien ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor het voeren van een gestructureerd huishouden en de ondersteuning bij het opbouwen en onderhouden van sociale contacten. Lid 1 In dit lid wordt beschreven wat de aanvullende aandachtspunten zijn, die de Medewerker meeneemt in het onderzoek om te beoordelen of ambulante begeleiding met praktische ondersteuning noodzakelijk is. Zo wordt in het onderzoek in ieder geval beoordeeld of er sprake is van zware en/of chronische problematiek op meerdere levensgebieden. Daarnaast wordt gekeken of er sprake is van zorgmijding, of ondersteuning nodig is bij het voeren van een gestructureerd huishouden, en of de beoogde ondersteuning praktisch en haalbaar is.
Artikel 4.3.3 Aanvullende criteria voor ambulante begeleiding met 24/7 bereik – en beschikbaarheid Dit artikel ziet op een intensievere vorm van ambulante begeleiding. De doelgroep betreft mensen met een risico op ontregeling, crisissituaties of veiligheidsrisico, en is erop gericht inwoners weer thuis te laten wonen of zo lang mogelijk thuis te laten wonen. Lid 1 en 2 Deze vorm van ondersteuning is bedoeld voor cliënten die niet continu toezicht nodig hebben, maar wel afhankelijk zijn van direct beschikbare ondersteuning op afroep. Het gaat om situaties waarin de cliënt zijn hulpvraag niet kan uitstellen en waarin snelle interventie noodzakelijk kan zijn om escalatie te voorkomen. De ondersteuning kenmerkt zich door: • 24/7 bereik – en beschikbarheid van begeleiding; • snelle beschikbaarheid van ondersteuning indien nodig; • inzet gericht op stabilisatie en het voorkomen van crisis. Deze voorziening vormt een tussenvoorziening tussen reguliere ambulante begeleiding en verblijf met 24-uurs toezicht. Het doel is om cliënten zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen en zwaardere vormen van zorg te voorkomen. De voorziening is niet bedoeld voor situaties waarin acute psychiatrische behandeling of crisiszorg noodzakelijk is. In die gevallen ligt ondersteuning vanuit andere wettelijke kaders, zoals de Zorgverzekeringswet, voor de hand.
Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor dagactiviteiten Dagactiviteiten zijn groepsgerichte activiteiten voor personen in een kwetsbare situatie. Het is gericht op het bieden van dagstructuur, zinvolle daginvulling en ondersteuning bij zelfredzaamheid en (sociale) participatie. De voorziening kan bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van vaardigheden en aan het voorkomen van sociaal isolement. Lid 1, 2 en 3 Dagactiviteiten worden ingezet wanneer algemene voorzieningen onvoldoende aansluiten bij de behoeften van de cliënt, bijvoorbeeld vanwege de aard of complexiteit van de problematiek. In dat geval kan een maatwerkvoorziening worden geboden die beter aansluit bij de individuele situatie. De ondersteuning kan verschillende doelen hebben, waaronder: • het behouden of versterken van zelfredzaamheid; • het bevorderen van maatschappelijke participatie; • het bieden van dagstructuur en stabiliteit;
•
het ontlasten van mantelzorgers.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen dagactiviteiten gericht op het behouden van zelfredzaamheid en dagactiviteiten gericht op participatie. In het eerste geval ligt de nadruk op het voorkomen van achteruitgang en in het tweede geval gaat het om het (opnieuw) deelnemen aan de samenleving, bijvoorbeeld als opstap naar werk of vrijwilligersactiviteiten. Dagactiviteiten kunnen ook worden ingezet wanneer deelname aan algemene voorzieningen niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege gedragsproblematiek of de noodzaak van een aangepaste omgeving
Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor beschermd thuis, beschermd verblijf, beschermd wonen en opvang Sommige mensen hebben als gevolg van ernstige problematiek moeite om zelfstandig te wonen en hun dagelijks leven te organiseren. Het gaat bijvoorbeeld om mensen met: • verslavingsproblematiek; • psychiatrische problematiek; • psychosociale problematiek; • of een combinatie hiervan. Deze cliënten hebben behoefte aan een beschermde en veilige woonomgeving, waarin 24 uur per dag toezicht en ondersteuning beschikbaar is, dan wel ondersteuning snel oproepbaar is. Er zijn verschillende vormen van ondersteuning, afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid. Een deel van de cliënten is in staat om (met ondersteuning) zelfstandig of vrijwel zelfstandig te wonen, bijvoorbeeld in een eigen woning waarbij zij zelf de huur betalen. Andere cliënten zijn aangewezen op verblijf in een instelling waar 24-uurs toezicht en ondersteuning aanwezig zijn. In deze verordening worden vier vormen onderscheiden: 1. Beschermd thuis: de cliënt kan zelfstandig wonen, maar heeft (zeer) intensieve en gespecialiseerde ondersteuning nodig; 2. Beschermd verblijf: de cliënt kan niet zelfstandig wonen en heeft intensieve gespecialiseerde begeleiding in een 24-uursvoorziening nodig; 3.
Beschermd wonen: de cliënt kan niet zelfstandig wonen, heeft een specifieke ondersteuningsvraag, heeft gespecialiseerde begeleiding, benadering en/of setting nodig en 24-uurs toezicht noodzakelijk. Toegang vindt plaats conform de landelijke convenanten voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen; 4. Maatschappelijke opvang: voor personen zonder veilige woonplek, zoals dak- of thuislozen. Toegang vindt plaats conform de landelijke convenanten voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen; De gemeente Utrecht vervult hierbij de rol van centrumgemeente. Dit betekent dat Utrecht verantwoordelijk is voor de organisatie en uitvoering van beschermd thuis, beschermd verblijf, beschermd wonen en maatschappelijke opvang voor meerdere gemeenten in de regio. Lid 1 Dit lid beschrijft wanneer een cliënt in aanmerking komt voor beschermd thuis. Beschermd thuis is bedoeld voor cliënten die zelfstandig wonen of in staat zijn zelfstandig te wonen, maar daarbij (zeer) intensieve begeleiding en ondersteuning nodig hebben. Kenmerkend voor deze voorziening is dat ondersteuning niet voortdurend fysiek aanwezig hoeft te zijn, maar wel 24 uur per dag bereikbaar moet zijn en indien nodig binnen 30 minuten fysiek beschikbaar is. De ondersteuning is gericht op het behouden of versterken van het zelfstandig wonen en het voorkomen van zwaardere vormen van ondersteuning, zoals beschermd wonen.
Lid 2 Beschermd verblijf is bedoeld voor cliënten die niet zelfstandig kunnen wonen en intensieve ondersteuning nodig hebben in een woonvoorziening waar ondersteuning in de nabijheid beschikbaar is. In deze situatie is de cliënt niet in staat om zelf tijdig hulp te vragen of deze uit te stellen. Daarom is een gestructureerde en beschermde woonomgeving noodzakelijk, waarin continu toezicht en ondersteuning aanwezig zijn. Deze vorm van ondersteuning is gericht op het bieden van veiligheid en stabiliteit voor de cliënt en diens omgeving. Lid 3 Dit lid bevat aanvullende criteria voor beschermd wonen. Beschermd wonen is bedoeld voor cliënten die vanwege hun problematiek 24-uurs toezicht en ondersteuning nodig hebben. Het gaat hierbij om situaties waarin er sprake is van risico’s voor de veiligheid van de cliënt of diens omgeving. Bij de beoordeling wordt ook rekening gehouden met de afspraken die landelijk zijn gemaakt over de toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Hiermee wordt gewaarborgd dat cliënten toegang hebben tot ondersteuning, ongeacht de gemeente waar zij zich melden. Lid 4, 5 en 6 Deze leden regelen de toegang tot en de inrichting van maatschappelijke opvang.
Maatschappelijke opvang is bedoeld voor personen die dak- of thuisloos zijn, of dit dreigen te worden, en die tijdelijk ondersteuning nodig hebben om hun situatie te stabiliseren en toe te werken naar een duurzame woon- en leefsituatie. Bij de beoordeling van de toegang wordt rekening gehouden met landelijke afspraken over de toegankelijkheid van maatschappelijke opvang en beschermd wonen. Deze afspraken zijn vastgelegd in convenanten en hebben tot doel te voorkomen dat cliënten tussen gemeenten worden doorverwezen zonder dat passende ondersteuning wordt geboden. Daarbij wordt gekeken naar de regio waar de cliënt de grootste kans heeft op het ontvangen van duurzame en passende ondersteuning. Aan het verblijf in de opvang kunnen voorwaarden worden verbonden die gericht zijn op het behalen van de doelen van de ondersteuning. Deze voorwaarden hebben onder meer betrekking op: •
medewerking aan het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte;
•
medewerking aan de uitvoering van het ondersteuningsplan; en
•
het naleven van de huisregels binnen de opvangvoorziening.
Deze voorwaarden zijn noodzakelijk om een veilige en stabiele omgeving te waarborgen en om het traject naar herstel en participatie te ondersteunen. De maatschappelijke opvang kan zowel als algemene voorziening als maatwerkvoorziening worden aangeboden. Dit maakt het mogelijk om ondersteuning te bieden die aansluit bij de mate van kwetsbaarheid en de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Algemene voorzieningen zijn laagdrempelig en gericht op kortdurende opvang en basisvoorzieningen. Wanneer sprake is van complexere problematiek of een grotere ondersteuningsbehoefte, kan opvang worden geboden in de vorm van een maatwerkvoorziening met aanvullende begeleiding.
Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor kortdurend verblijf Dit artikel legt uit wanneer iemand kortdurend verblijf kan krijgen. Kortdurend verblijf betekent dat een cliënt een paar dagen ergens anders kan slapen en verblijven. Dit kan nodig zijn om de mantelzorger rust te geven, of omdat de cliënt tijdelijk niet thuis kan blijven. Lid 1 Dit lid beschrijft de voorwaarden waaronder kortdurend verblijf kan worden ingezet ter ontlasting van mantelzorgers. De voorziening wordt alleen ingezet wanneer dit noodzakelijk is om (verdere) overbelasting van de mantelzorger te voorkomen of te verminderen. Bij de beoordeling wordt onder meer gekeken naar de zorgzwaarte van de cliënt en de mate waarin toezicht of intensieve ondersteuning nodig is. Ook wordt beoordeeld of andere vormen van ondersteuning, zoals dagactiviteiten, ambulante begeleiding of andere algemene voorzieningen, voldoende oplossing bieden. Daarnaast geldt dat wanneer ondersteuning mogelijk is vanuit andere wettelijke regelingen, zoals de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg, eerst een beroep op deze regelingen moet worden gedaan. Kortdurend verblijf vanuit de Wmo is alleen aan de orde wanneer er geen recht bestaat op een voorliggende voorziening. De voorziening is niet bedoeld voor medische behandeling of herstel. Lid 2 Dit lid beschrijft de voorwaarden voor inzet van adempauzeplekken.
Deze voorziening is bedoeld voor cliënten die door een plotselinge of acute situatie tijdelijk niet in hun eigen woonomgeving kunnen verblijven. De voorziening is gericht op stabilisatie en het voorkomen van verdere escalatie van de situatie. Voorwaarde is dat de cliënt nog voldoende zelfstandig kan functioneren en geen continu toezicht nodig heeft. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat het tijdelijke verblijf bijdraagt aan het herstellen van stabiliteit in de situatie van de cliënt. De cliënt moet bereid zijn om mee te werken aan de noodzakelijke ondersteuning en afspraken. Lid 3 Dit lid verduidelijkt dat adempauzeplekken uitsluitend bedoeld zijn voor kortdurende opvang. De maximale duur van het verblijf bedraagt vier aaneengesloten nachten. Daarnaast wordt in dit lid aangegeven voor welke situaties deze voorziening niet bedoeld is, zoals voor crisisopnames binnen de GGZ, opvang van dak- of thuisloze personen, wachtlijstoverbrugging of situaties van relationeel geweld. Voor dergelijke situaties bestaan andere voorzieningen of wettelijke regelingen.
Artikel 4.7 Aanvullende criteria voor vervoer Dit artikel bevat aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen in het kader van de Wmo. Het doel van een vervoersvoorziening is om cliënten met een beperking in staat te stellen zich te verplaatsen in hun directe woon- en leefomgeving, zodat zij kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Uitgangspunt binnen de Wmo is dat inwoners in eerste instantie gebruik maken van algemeen beschikbare vervoersmogelijkheden, zoals het reguliere openbaar vervoer, eigen vervoer of hulp
vanuit het sociale netwerk. Wanneer dit door beperkingen niet mogelijk is, kan een cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor vervoer. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de individuele vervoersbehoefte van de cliënt, waarbij de ondersteuning erop gericht is een aanvaardbaar niveau van participatie mogelijk te maken. De nadruk ligt op noodzakelijke verplaatsingen in het dagelijkse leven, niet op bovenregionaal of incidenteel recreatief vervoer. In dit artikel wordt uitgelegd wanneer iemand een vervoersvoorziening kan krijgen en wat de voorwaarden zijn. Lid 1 Dit lid verduidelijkt dat bij de beoordeling van de vervoersbehoefte wordt gekeken naar verplaatsingen die noodzakelijk zijn voor het dagelijks functioneren in de directe woon- en leefomgeving. Het gaat bijvoorbeeld om verplaatsingen naar sociale activiteiten, winkels of voorzieningen in de buurt. De Wmo is niet bedoeld om onbeperkt vervoer mogelijk te maken, maar om cliënten in staat te stellen op een aanvaardbaar niveau te participeren in de samenleving. Het uitgangspunt van de Wmo is dat eerst wordt gekeken naar algemene voorzieningen, zoals het normale openbaar vervoer (OV) of collectieve vervoersdiensten, zoals vrijwilligersvervoer. Als een cliënt voldoende gebruik kan maken van deze vormen van vervoer en daardoor kan meedoen in de samenleving, is er geen noodzaak voor een maatwerkvoorziening.
De Medewerker beoordeelt hierbij onder meer: • • •
fysieke en cognitieve mogelijkheden van de cliënt, afstand tot openbaar vervoer, frequentie en toegankelijkheid van het OV.
Een cliënt kan in aanmerking komen voor de Regiotaxi als hij vanwege aantoonbare beperkingen onvoldoende gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als het openbaar vervoer niet voldoende bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar is. Hiermee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt van de Wmo dat eerst wordt gekeken naar algemene voorzieningen, voordat een maatwerkvoorziening wordt ingezet. Lid 2 Wanneer de Medewerker vaststelt dat een cliënt persoonlijke begeleiding nodig heeft voor veilig en verantwoord gebruik van het collectief vervoer, mag deze begeleider kosteloos meereizen. Dit zorgt ervoor dat het vervoersmiddel daadwerkelijk bruikbaar is voor de cliënt en dat ondersteuning geen extra financiële drempel vormt. Lid 3 Dit lid bevat een richtlijn voor de maximale vervoersomvang binnen het collectief vervoer. De genoemde bandbreedte biedt houvast bij het bepalen van een passende vervoersvoorziening. Deze richtlijn komt voort uit de uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2012:BV9431, voorheen LJN BV9431, Centrale Raad van Beroep, 09-6747 WIA-T (rechtspraak.nl) waaruit blijk dat 1500 – 2000 km’s per jaar voldoende is om maatschappelijk te participeren.
Maatwerk blijft mogelijk: om af te wijken van de 1500 tot 2000 km’s per jaar moet de cliënt aannemelijk maken dat er gelet op zijn omstandigheden aanleiding bestaat om van de bandbreedte af te wijken. Lid 4 Dit lid bepaalt dat een vervoersvoorziening in de vorm van een voertuig alleen wordt verstrekt wanneer de cliënt beschikt over een adequate en veilige stallingsmogelijkheid. Dit komt voor uit het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de
vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. En sinds 1 juli 2024 is het expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen
Artikel 4.8 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen Dit artikel bevat de criteria voor het verstrekken van woonvoorzieningen in het kader van de Wmo. Het doel van een woonvoorziening is om cliënten met beperkingen in staat te stellen hun woning op een normale en veilige wijze te gebruiken. Uitgangspunt is dat de cliënt zelf verantwoordelijk is voor het beschikken over een geschikte woning. De gemeente biedt ondersteuning wanneer beperkingen ertoe leiden dat de woning niet meer adequaat gebruikt kan worden en dit niet op eigen kracht of met hulp van het netwerk kan worden opgelost. De eigenaar van de woning is ervoor verantwoordelijk dat de woning bewoonbaar is. Problemen zoals lekkages, schimmelvorming of andersoortige problemen die zijn veroorzaakt door achterstallig onderhoud en/of verwaarlozing, behoren niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente. Bij de beoordeling van een aanvraag wordt steeds gekeken naar de meest passende en doelmatige oplossing. Daarbij kan ook worden onderzocht of verhuizen naar een geschikte woning een betere oplossing is dan het aanpassen van de huidige woning. Lid 1 Dit lid bepaalt dat een woonvoorziening kan worden verstrekt wanneer sprake is van aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning. Daarbij gaat het om belemmeringen die direct voortvloeien uit de fysieke of psychische situatie van de cliënt.
Van de cliënt wordt verwacht dat hij zelf alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden om een geschikte woonsituatie te realiseren of te behouden. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat de cliënt: • tijdig verhuist naar een meer geschikte woning wanneer dat mogelijk is; • gebreken in de woning zelf oplost of dit bij de verhuurder aankaart; • bij verhuizing rekening houdt met bestaande of te verwachten beperkingen. Wanneer de cliënt onvoldoende inspanningen heeft geleverd om de woonsituatie te verbeteren, kan dit een reden zijn om geen woonvoorziening te verstrekken. Ook wordt rekening gehouden met situaties waarin sprake is van gedragsproblematiek die maakt dat afzondering noodzakelijk is om tot rust te komen.
Lid 2 De woningaanpassing door middel van een maatwerkvoorziening kan alleen aangebracht worden op het adres waar de cliënt woont. De aanpassing kan daarom geen betrekking hebben op verblijfplaatsen die niet geschikt of bestemd zijn om het gehele jaar door te worden bewoond. Ook als de cliënt feitelijk grotendeels elders verblijft dan op het eigen adres, kan de conclusie zijn dat een woonvoorziening geen meerwaarde heeft. He is mogelijk om een woning bezoekbaar te maken wanneer de cliënt verblijft in een instelling. Het gaat hierbij om het kunnen bereiken van de woonkamer en het toilet, zodat sociaal contact mogelijk blijft. Lid 3 Dit lid geeft aan dat bij de beoordeling ook de mogelijkheid van verhuizen naar een geschikte woning wordt meegenomen. Verhuizen kan in sommige gevallen een doelmatiger en duurzamer alternatief zijn dan het aanpassen van de huidige woning. De verplichting opleggen voor het verhuizen is niet altijd mogelijk.
De Medewerker moet altijd toetsen of het ook een passende bijdrage levert (zie CRvB 22-8-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2602, en TK 2013–2014, 33 841, nr. 3, p. 149). De Medewerker moet steeds onderzoeken of het verhuisprimaat een compenserende voorziening is. Onderzocht moet worden of verhuizen mag worden tegengeworpen, rekening houdend met de individuele omstandigheden van cliënt (CRvB 31-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6619). Dus bij iedere casus moet de Medewerker de belangen afwegen en beoordelen of verhuizen een compenserende voorziening is. Als dat niet zo is, moet de gemeente afwijken van het verhuisprimaat en een andere compenserende woonvoorziening verstrekken. Wanneer verhuizen noodzakelijk wordt geacht, kan een vergoeding voor de verhuiskosten onderdeel zijn van de maatwerkvoorziening. Lid 4 Dit lid beschrijft de voorwaarden waaronder een tegemoetkoming in de verhuiskosten kan worden verstrekt. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de inspanningen die de cliënt heeft geleverd om de huidige woonsituatie te verbeteren en naar de haalbaarheid van het oplossen van de problemen binnen een redelijke termijn. Lid 5 Dit lid maakt duidelijk dat niet in alle gevallen een woonvoorziening wordt verstrekt voor aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten.
In wooncomplexen die specifiek bedoeld zijn voor ouderen of mensen met een beperking mag worden verwacht dat deze al passend zijn ingericht. Lid 6 en 7 Deze leden regelen dat, indien een cliënt tijdelijk niet in de woning kan verblijven vanwege aanpassingen, een vergoeding voor dubbele woonlasten kan worden verstrekt. Dit voorkomt dat de cliënt financieel wordt benadeeld tijdens de aanpassingsperiode. In lid 7 wordt ook vermeld wat onder woonlasten wordt verstaan. In lid 8 staat wanneer aan de client geen vergoeding voor dubbele woonlasten wordt verstrekt. Dit is wanneer de cliënt niet vooraf, en zonder noodzaak of zonder toestemming van de Medewerker, een vervangende woonruimte heeft gekozen. Lid 8 Dit lid bepaalt dat een woonvoorziening kan worden geweigerd wanneer de problemen het gevolg zijn van achterstallig onderhoud of wanneer de woning niet voldoet aan wettelijke eisen, waaronder het Bouwbesluit. In dat geval ligt de verantwoordelijkheid bij de eigenaar van de woning. Lid 9 Dit lid ziet op situaties waarin de cliënt bij verhuizing of aanschaf van een woning geen rekening heeft gehouden met een bekende of te verwachten beperking. In dergelijke gevallen kan de voorziening worden geweigerd, omdat de situatie als voorzienbaar (te verwachten) wordt beschouwd.
Bij een verhuizing spelen daarnaast te veel individuele factoren een rol om de kosten van een verhuizing alleen op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie algemeen gebruikelijk te noemen. Het weigeren van een woonvoorziening omdat de verhuizing door de overgang naar een volgende levensfase algemeen gebruikelijk is, is een uitsluitingsgrond die niet in de Wmo genoemd wordt. Dit leidt tot een algemene uitsluiting van de compensatieplicht die zo niet door de wetgever bedoeld is. Lid 10
Dit lid beschrijft dat een woonvoorziening wordt versterkt als de client woont in een tijdelijke huisvesting, zoals pension, vakantiewoning, hotel trekkerswoonwagens, tweede woning of intramurale opvang.
Artikel 4.9 Aanvullende criteria sportvoorziening Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de voorwaarden waaronder een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt voor sportvoorzieningen. Lid 1 Dit lid beschrijft dat de Medewerker een financiële tegemoetkoming kan verstrekken voor sportvoorzieningen, wanneer de sport helpt bij deelname van de client aan de samenleving. Sport kan een belangrijk middel zijn om sociale contacten te onderhouden, structuur te bieden en maatschappelijke deelname te bevorderen, met name voor mensen met een beperking. Lid 2 Sportkosten horen in principe bij de normale kosten van het leven. Daarom betaalt de cliënt deze kosten meestal zelf. Een financiële tegemoetkoming is alleen mogelijk als de cliënt door een beperking extra kosten heeft die anderen niet hebben. Voorbeeld: Iemand wil basketballen, maar kan geen gewone rolstoel gebruiken. Deze persoon heeft een speciale sportrolstoel nodig. Voor de kosten voor deze sportrolstoel kan een vergoeding worden verstrekt. Lid 3 Bij het beoordelen van de aanvraag kijkt de Medewerker naar een aantal aandachtspunten. Deze punten helpen bij het maken van een zorgvuldige afweging. Het zijn geen vaste regels. Iedere situatie is anders en er wordt altijd gekeken naar wat passend is voor de cliënt. Het betreffen de volgende aandachtspunten: •
•
•
Hoe de cliënt nu al meedoet in de samenleving De Medewerker kijkt naar de huidige situatie van de cliënt. Doet de cliënt al mee aan activiteiten, zoals vrijwilligerswerk, dagbesteding, werk of sociale activiteiten? Sport kan helpen om deze deelname te behouden of te vergroten, maar is niet alleen bedoeld voor mensen die al voldoende meedoen op een aanvraagdbaar niveau. Of de sport nodig is om mee te blijven doen of meer mee te doen De Medewerker beoordeelt of de sport bijdraagt aan het meedoen in de samenleving. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het opbouwen van sociale contacten, het vergroten van zelfvertrouwen om mee te doen in de maatschappij of het aanbrengen van structuur in het dagelijks leven. Of de cliënt al eerder aan sport heeft gedaan De Medewerker kijkt of de cliënt al ervaring heeft met de sport of eerder betrokken is geweest bij sportactiviteiten. Dit kan helpen om te beoordelen of de sport past bij de cliënt. Het is geen reden om een aanvraag af te wijzen als iemand een sport voor het eerst wil proberen. Ook het eerder uitproberen van een sport in een sociale of informele setting kan hierbij worden meegenomen. Het blijft altijd maatwerk.
Lid 4 Sportvoorzieningen die bedoeld zijn voor gezamenlijk of collectief gebruik komen niet in aanmerking voor een individuele financiële tegemoetkoming. De regeling is bedoeld voor individuele ondersteuning en niet voor voorzieningen die door meerdere personen worden gebruikt. Lid 5
Dit lid geeft nadere kaders aan de financiële tegemoetkoming. De gemeente hanteert de gebruiksduur van 7 jaar, omdat dit aansluit bij de landelijke norm van het ministerie van VWS. Deze norm geldt voor alle gemeenten. Daarnaast sluit een termijn van 7 jaar aan bij de gebruikelijke en passende afschrijvingstermijn die voor andere hulpmiddelen binnen de Wmo wordt toegepast.
Artikel 4.10 Activiteit voor mantelzorgers Het college moet zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar cliënten. Dit doet het college via het Stedelijk Steunpunt Mantelzorg Utrecht, waarbij de betrokken organisaties in staat worden gesteld om activiteiten voor mantelzorgers uit te voeren als waardering voor hun inzet.
Hoofdstuk 5 Een Persoonsgebonden budget Artikel 5.1 Ondersteuning inkopen met een pgb Lid 1 en lid 2 In artikel 2.3.6 van de Wet is de grondslag gelegd wat de randvoorwaarden (pgb-beheer, motivatie en kwaliteit) zijn voor het verkrijgen van een pgb. In dit artikel wordt geregeld op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven. Wanneer een cliënt naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, en hij vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, zijn er aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo stelt het college een format vast voor een pgb-plan, dat de cliënt met zijn aanvraag voor een pgb moet indienen. Als er sprake is van woonvoorzieningen of hulpmiddelen, dan dient de cliënt een offerte aan te leveren. In het tweede lid van dit artikel wordt bepaald wat er in het pgb-plan en in de offerte dient te zijn opgenomen. Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe en waarom men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura (ZiN). Van belang is onder meer dat uit de motivering blijkt dat de cliënt bewust kiest voor een pgb. Lid 3 De cliënt kan ervoor kiezen om ondersteuning of begeleiding te ontvangen van iemand uit het sociaal netwerk.