CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Reactienota Omgevingsvisie USP.pdf

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 14 april 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Omgevingsvisie Utrecht Science Park 204043.558 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

89 - Omgevingsvisie Utrecht Sciencepark 2040 - Reactienota

Nr.

Inspreker

Inspraakreactie

61 (vervolg)

Vrienden van Amelisweerd

Daarnaast vinden wij een keuze voor een complete mobiliteitshub pal tegen Rijnsweerd Zuid strijdig met de algemene uitgangspunten van de visie vanwege de aanzuigende werking op het autoverkeer naar een binnenstedelijke zone waar je dit verkeer zo min mogelijk zou moeten faciliteren. Opvang aan de buitenzijde verdient de voorkeur. Wellicht kan ook worden onderzocht of ruimtelijke ontwikkelingen bij omliggende NS stations zoals Lunetten/Koningsweg of Bilthoven kunnen worden benut als ‘voorpost’ van het USP: een plek waar medewerkers direct bij het station kunnen werken, afspreken of ontmoeten. Energie De Vrienden van Amelisweerd vinden het goed en belangrijk dat de energietransitie een grote aandacht krijgt. Zoals hierboven vermeld vinden wij dat daarbij wel moet worden uitgegaan van landschappelijke randvoorwaarden. Binnen die voorwaarden kan er nog veel uit de kast worden gehaald, te beginnen met een hoge inzet op energiebesparing en inzet op de mogelijkheden van geothermie en WKO. Maak optimaal gebruik van zonnenergie binnen de rode contour waarbij we een grote voorkeur hebben voor het gebruik van de daken. De totale energiebehoefte is wellicht niet binnen de contouren van het USP te dekken.

Kijk eventueel ook met partners als gemeenten, provincie en Rijne Energie naar mogelijkheden om ook buiten het USP op landschappelijk aanvaardbare locaties de vraag naar duurzame energie te voldoen, wederom bij voorkeur op daken. Tot slot Deze Omgevingsvisie verdient een compliment omdat het een veel veelzijdiger stuk is dan voorgaande visies en plannen, die soms het gevoel gaven dat het de universiteit was die de gemeentelijke pen in de hand had. Het gevaar bij deze visie is dat niet alle ambities worden verwezenlijkt en dat dan de sterkste partijen met de hardste belangen uiteindelijk de regie gaan voeren. Twee dingen zijn dan belangrijk: een systematiek van monitoring en verantwoording, en het blijven betrekken van bewoners en organisaties die ook voor de “zachte belangen” opkomen.

Antwoord

90 - Omgevingsvisie Utrecht Sciencepark 2040 - Reactienota

Nr.

Inspreker

Inspraakreactie

Antwoord

62

Omwonende (Weg naar Rhijnauwen)

Hierbij mijn zienswijze op de omgevingsvisie USP 2040.

Dank voor uw zienswijze. Voor een aantal antwoorden verwijzen we naar andere reacties in dit document.

Als bewoner van het USP heb ik onderstaande bezwaren op de omgevingsvisie USP 2040. De omgevingsvisie spreekt van een mogelijke optie tot een parkeergarage aan de westzijde van het USP (weg naar de wetenschap) om het USP zoveel mogelijk autoluw te kunnen maken. De ambitie om het USP autoluw te maken betekent dat het autoverkeer buiten de grenzen van het USP dient te worden opgevangen. Of in de woonwijken rondom USP (voornamelijk Rijnsweerd) of in een mogelijke parkeergarage aan de westzijde van het USP nabij Rijnsweerd. Dit gaat ten koste van de leefbaarheid van de kinderrijke woonwijk Rijnsweerd. De enige en betere optie is op dit moment een goede aan en afvoer van autoverkeer aan de noordzijde van het USP met voldoende parkeergelegenheid. De omgevingsvisie spreekt van een basishoogte van 35 meter voor de hoogte van gebouwen met accenten tot 105 meter hoogte. Dat is nog eens 25 meter boven de huidige hoogte. T worden daarmee de hoogste gebouwen van Utrecht. Het zichtsveld vanuit de landgoederen (parken) wordt daarmee volledig bepaald door de hoge gebouwen en beperkt de verblijfskwaliteit in de landgoederen. Beter is om de hoogte te beperken tot de hoogte van het huidige RIVM-gebouw. De intenties op het gebied van energie transities onderschrijf ik zover ze gaan over het opnemen van zonnepanelen op bestaande en nieuwe gebouwen.

Het plaatsen van windmolen binnen de grenzen van het USP en/of het plaatsen van zonnepanelen op weilanden zie ik meer als windowdressing of greenwashing. T draagt weinig bij aan de daadwerkelijk energietransitie die moet gemaakt. Het plaatsen van grote windmolen leidt tot geluidsoverlast bij omwonenden en slagschaduw en verlaagt daarmee de leefbaarheid. Het aanwijzen van grote stukken land waar windmolenparken worden geplaatst is een veel betere optie dan het plaatsen van een individuele windmolen waar veel weerstand tegen is. Bovenstaande is ook van toepassing op zonnevelden. Het plaatsen van zonnepanelen in weilanden waarbij er wordt gestreefd naar verbinding tussen recreatie, wonen en werken raakt kant nog wal en moet dan ook geen doorgang vinden.

Parkeerhub west Zie voor de zoeklocatie voor een parkeer hub west het antwoord op inspraakreactie nummer 24 en voor de effecten op woonwijk Rijnsweerd inspraakreactie nummer 33. Hoogbouw In de Omgevingsvisie wordt een hoogte tot 105 m mogelijk. Met deze maximale hoogte van 105 m is aangesloten bij de Ruimtelijke Strategie Utrecht. Dat wil niet zeggen dat ook altijd van deze bouwhoogte gebruik zal worden gemaakt. Om hoogbouw te realiseren zal voor elk bouwplan afzonderlijk onderzocht moeten worden of dat op die plek wenselijk is. Tot nu toe zijn met name torens gebouwd ten behoeve van studentenwoningen. Deze zijn vanuit financieel uitgangspunt meestal niet hoger dan ca. 70 meter. Dit heeft te maken met de kosten vanwege veiligheidseisen en bouwconstructies. Zie voor hoogbouw verder het antwoord op inspraakreactie nummer 56. Energietransitie Zie voor duurzame energie het antwoord op inspraakreacties nummer 1, 8, 27 en 28. Balans natuur en recreatie Het netwerk van paden heeft mede tot doel de landgoederen waaronder Amelisweerd beter met de omgeving te verbinden, waardoor de drukte op de landgoederen beter kan worden gespreid. Daarnaast maakt het padennetwerk het landschap beleefbaar voor het groeiend aantal inwoners en zorgt voor diverse wandelommetjes. Het type paden dient hiervoor nog nader bepaald te worden.

Als voorbeeld: een struinpad heeft andere effecten dan een brede wandellaan. Een struinpad biedt ruimte voor extensieve recreatie (zoals wandelen / hardlopen). Bij de ontwikkeling van recreatieve paden worden ook ecologische structuren aangebracht en/of uitgebreid, zoals bijvoorbeeld de coulissen.

91 - Omgevingsvisie Utrecht Sciencepark 2040 - Reactienota

Nr.

Inspreker

Inspraakreactie

Antwoord

62 (vervolg)

Omwonende (Weg naar Rhijnauwen)

De omgevingsvisie spreekt van het versterken van de recreatieve verbinding tussen het USP en Amelisweerd aan de zuidzijde van het USP middels het creeren van wandel­ paden langs bestaande dan wel aan te leggen coulissen. Deze weilanden vormen nu juist de buffer tussen de drukte van het USP en de landgoederen waaronder Amelisweerd. Het uitgebreid verbinden van het USP met de landgoederen zorgt voor meer drukte en creëert een pàrkomgeving welke de biodiversiteit niet ten goede komt. De toekomstvisie van de landgoederen is gebaseerd op een evenwicht tussen natuur en recreatie. Deze ‘balans’ staat al zwaar onder druk en komt met grootschalige verbinding nog meer onder druk te staan. Dit komt natuurlijk niet ten goede aan de al zo kwetsbare (diversiteit) van de natuur binnen de landgoederen Amelisweerd en Rhijnauwen. Het voorstel van wandel- en (fiets?) paden zie ik dan ook als bezwaarlijk. Verder spreekt de omgevingsvisie van een regionale doorfiets route via de Weg naar Rhijnauwen. Deze weg is al een drukke verbindingssweg tussen bunnik/zeist voor werkenden in Utrecht (niet zijnde USP). Daarnaast rijdt er het nodige vrachtverkeer voor theehuis rhijnauwen, zwaar landbouwmateriaal voor de landbouwbedrijven, zijn er omwonenden die er gebruik van maken, wordt er gesport (hardlopen) en veel geracefietst en last but not least zijn er mensen die er rustig willen wandelen.

De weg naar rhijnauwen is een grotendeels een laan en heeft geen fietspaden of wandelpaden. Het is al een gevaarlijke situatie. Nog meer mensen ‘afvloeien’ naar deze weg vanuit wandelpaden of vanuit het oogpunt van een doorfietsroute is niet wenselijk. Gaarne ben ik bereid mijn zienswijze persoonlijk toe te lichten.

Het klopt daarnaast dat het vergroten van de recreatieve toegankelijkheid van de weilanden en groengebieden kan leiden tot verstoring van daar aanwezige natuurwaarden. Behoud en ontwikkeling van biodiversiteit is ook een van de ambities van de omgevings­visie. Dit betekent dat we hiernaast ook voldoende ontoegankelijke rust­ gebieden voor natuur realiseren, bijvoorbeeld voor verstoringsgevoelige soorten als ree, das en boommarter. De verschillende maatregelen zullen dus op basis van ecologisch onderzoek en in relatie tot elkaar moeten worden uitgewerkt. Fietsnetwerk Om Utrecht bereikbaar en leefbaar te houden heeft de gemeente ervoor gekozen om prioriteit te geven aan duurzame, gezonde, vervoermiddelen: voetganger, fiets en OV. Zie ook de RSU 2040 en de geactualiseerde Mobiliteitsvisie van de gemeente Utrecht. Om fietsen (en OV) aantrekkelijk te houden moet de infrastructuur in orde zijn en waar nodig uitgebreid worden. Wij zien de verbinding Weg naar Rhijnauwen/Toulouselaan/ Limalaan als een geschikte oostwest route langs het USP die kan worden opgewaardeerd van de hoofdfietsroute die het nu al is tot een regionale (door)fietsroute, als alternatief voor de drukke Heidelberglaan. De Weg naar Rhijnauwen/Toulouselaan is in gemeentelijk beleid al aangewezen als hoofdfietsroute en door de provincie als potentiële doorfietsroute. Dat is als zodanig overgenomen in de omgevingsvisie.

Het betreft de Weg naar Rhijnauwen, van de Weg tot de Wetenschap tot de Boeijelaan. Op dit deel zijn beperkt voetpaden aanwezig. Vanwege beperkt gebruik door autoverkeer en beperkt beschikbare ruimte is hier menging van voetganger en fiets het uitgangspunt. Het vervolg is de Vossegatsedijk richting Bunnik. Deze heeft een vergelijkbare opzet.

92 - Omgevingsvisie Utrecht Sciencepark 2040 - Reactienota

Nr.

Inspreker

Inspraakreactie

Antwoord

63

Stichting Het Utrechts Landschap

U heeft de Omgevingsvisie en de bijbehorende MER ter inzage gelegd. Graag maken wij, mede namens Landschap Erfgoed Utrecht, van de gelegenheid gebruik om hierop te reageren. Wij zijn betrokken geweest bij een aantal participatiesessies en we willen u complimenteren met de wijze waarop die georganiseerd zijn. Wij behandelen in onze reactie afzonderlijk de visie en de MER; deels overlappen de onderwerpen.

Bedankt voor de positieve reactie op de participatiesessies.

1. Omgevingsvisie Algemeen De beoogde ontwikkelingen van het USP zijn meervoudig en ambitieus: ruimte voor groei van wonen, werken, sporten, verblijven, recreëren en versterking van het landschap. Voor onderwijs, zorg, onderzoek en innovatie wordt gekozen voor doorontwikkeling en groei, er komen 4000 woningen bij, 4000 onderzoeksbanen (met mogelijke doorgroei naar 8000), de sportcomplexen worden uitgebreid etc. Deze ontwikkelingen dienen binnen de ‘rode contour’ plaats te vinden, wat een terechte keuze is die wij omarmen. Echter, de vraag doet zich voor wat de effecten van dergelijke ontwikkelingen zijn op de (directe) omgeving. Het centrale deel van het USP wordt autovrij, maar dat is geen oplossing voor de mobiliteitsproblemen in de omgeving: de verkeersafwikkeling is juist aan de randen nu al problematisch Daarnaast richten omliggende gemeentes zich ook op aan Life Science gelieerde bedrijfs- en onderzoeksactiviteiten wat (mogelijk) juist extra mobiliteit genereert. Er wordt als ‘oplossing’ ten aanzien van mobiliteit snel geschakeld naar de aanleg van nieuwe verbindingen, waarvan de vraag is wat nut & noodzaak is en of het stimuleren van ‘nieuwe mobiliteit’ al met al wel passend en gewenst is. Vestigingsvoorwaarde dient te zijn dat er geen extra mobiliteit tussen USP en de USP-satellieten wordt gegenereerd in plaats van realisatie van nieuwe (ov)verbindingen.

Het uitgangspunt ten aanzien van recreatie dient te zijn dat natuurgebieden ontlast worden (en zeker niet extra belast door nieuwe ontsluitingen). Dat betekent dat nieuwe toevoegingen gezocht moeten worden op het terrein van het USP zelf en er vanuit Groen Groeit Mee (GGM) ook naar bijvoorbeeld realisatie van nieuw bos in de (bredere) omgeving gekeken kan worden. Kortom, de ontwikkelingen op – of in relatie met – het USP hebben grote effecten op de omgeving en op leefbaarheidsaspecten aldaar. Wij missen een goede analyse hiervan.

Hieronder gaan we op de verschillende onderdelen van de reactie in. Algemeen De (verkeerskundige) effecten van de maatregelen uit de Omgevingsvisie zijn beschreven in de MER en in het Verkeersmodelonderzoek (bijlage 2). Zie voor een antwoord op de effecten van verkeersmaatregelen op de woonwijk Rijnsweerd het antwoord op inspraakreactie nummer 33. Effecten aan de oostkant van het USP zijn zoals blijkt uit het verkeersmodel vergelijkbaar: de knips op de Leuvenlaan en Cambridgelaan zorgen niet voor een toename maar naar verwachting juist voor een afname van het sluipverkeer. Groei gaat nu eenmaal gepaard met mobiliteit. Het is een gezamenlijke opgave om deze mobilteitsbehoefte te beperken (bijv. door thuiswerken) of te laten plaatsvinden met modaliteiten die duurzaam zijn en weinig ruimte innemen. In combinatie met ondermeer een lage parkeernorm voor nieuwe ontwikkelingen, mobiliteitsmanagement gericht op minder autogebruik (‘modal shift’), het versterken van bestaande en realiseren van nieuwe (regionale) alternatieven voor fiets en OV kan het USP groeien zonder dat de druk van het autoverkeer te veel toeneemt. Recreatie Zie voor balans natuur en recreatie het antwoord op dit onderwerp bij inspraakreactie nummer 62. In het USP worden toevoegingen in de ontsluitingsstructuur gedaan door de ontwikkeling van het Coulliselandschap en groene lanen.

Nieuw bos is daar onderdeel van, bijvoorbeeld ter hoogte van Rijnsoever een de aanplant van postzegelbosjes. Oppervlak hiervan is afhankelijk van onderzoek naar minimaal areaal voor Diergeneeskunde. Het groen-blauwe netwerk draagt bij aan de stedelijke en regionale groendoelen zoals onder andere in Ruimtelijke Strategie Utrecht, Provinciale Omgevingsvisie en Utrecht Nabij gegeven.

93 - Omgevingsvisie Utrecht Sciencepark 2040 - Reactienota

Nr.

Inspreker

Inspraakreactie

Antwoord

63 (vervolg)

Stichting Het Utrechts Landschap

Pagina/onderwerp p. 7 (en verder): ‘meer ruimte voor planten & dieren (biodiversiteit)’: de aandacht die er in de visie is voor biodiversiteit, ook in samenhang met het omliggende Natuurnetwerk (NNN), is een prima ambitie. Wij werken daar graag aan mee. p.35: Toevoegingen om het USP beter bereikbaar en verkeersluw te maken hebben tot nu toe niet geleid tot een ontlasting van de omgeving en een aantrekkelijke, landelijke omgeving. Ik wijs op: de grote P&R aan de oostkant, de harde tram/busbaan met de forse kruising van de historische Hoofddijk en de bouw van het PMC met juist aan de ‘achterzijde/landschapszijde’ weinig aandacht voor passende architectuur. Het streven is om het USP zelf schoon, gezond en goed bereikbaar te maken, maar dat kan juist grote negatieve effecten hebben op de randen en de omgeving, ook in ruimtelijke kwaliteit en beleving daarvan. Beleving van het USP is er ook van ‘buiten naar binnen’ en niet alleen ‘van binnen’. Dit vraagt gerichte aandacht, juist vanuit duurzame ontwikkeling. Een mogelijk eerstvolgend concreet dossier waar dit aan de orde is, is de verplaatsing van de entree van het UMC en de aanleg van een grote parkeergarage: wat zijn daarvan bijvoorbeeld de effecten op de verkeersafwikkeling, ook richting Hoofddijk, de ruimtelijke kwaliteit en uitstraling, etc? p.43: eerste alinea, rechterkant: hier is sprake van ‘het park’.

Dat is ook elders in het rapport zo nu en dan het geval. Het is niet altijd duidelijk wat daarmee precies wordt bedoeld: gaat het letterlijk om ‘een park’ in het USP, een ‘campuspark’ of gaat het om het USP zelf? p. 45: in dit hoofdstuk worden de bebouwingsclusters besproken. Wellicht is het een goede aanvulling om hier ook de beschrijving van een ‘groen cluster’ aan toe te voegen. p. 47: er is veel (terechte) aandacht voor de uitgangspunten van bebouwing: USP heeft naam en faam vanwege de hoogwaardige architectuur, het ‘stedenbouwkundige’ concept en de aandacht voor ‘groen tot aan de gevel’. Wij willen echter aandacht vragen voor het feit dat gebouwen ook een ‘achterkant’ hebben, aan de landschapszijde. Die kant vraagt mogelijk zelfs meer zorgvuldige architectuur of minstens gelijkwaardige dan de voorgevels. Sterker: deze gebouwen zijn juist de visitekaartjes bij de entrees van het USP. Ook de wijze van verlichting is daarbij een issue.

Pagina/onderwerp - p35 de effecten van concrete ontwikkelingen zoals de verplaatsing van de entree van het UMC, dienen bij de uitwerking hiervan in beeld te worden gebracht. De Omgevingsvisie geeft slechts een globale beschrijving van de effecten van de ‘omklap’ UMC. Meer in detail worden de effecten beschreven in het onderzoek specifiek naar deze ontwikkeling. Globaal kan gesteld worden dat het verplaatsen van de parkeergarage UMC van de zuid- naar noordzijde van het USP ervoor zorgt dat er veel minder autoverkeer tot in het hart van het USP hoeft te rijden, daarbij de trambaan kruisend, waardoor afwaardering van de Universiteitsweg mogelijk wordt en er minder verstoring optreedt voor de tram. - p43: er wordt gedoeld op het campuspark. - p45: het groen-blauwe raamwerk in hoofdstuk 8 is die beschrijving - p47: een goede inpassing van gebouwen in de omgeving en zeker grenzend aan het groen-blauwe raamwerk zal uitgangspunt zijn bij de uitwerking van de Omgevingsvisie. Hierbij is in het USP over het algemeen de ambitie om geen achterkanten te maken. Bij elk nieuw gebouw en zeker als het grenst aan het groen-blauwe raamwerk is een goede inpassing rondom het uitgangspunt. Hiertoe zijn voor de plinten van gebouwen aandachtspunten meegegeven. Bij hoogbouw wordt expliciet aandacht gevraagd voor het effect op het landschap.

94 - Omgevingsvisie Utrecht Sciencepark 2040 - Reactienota

Nr.

Inspreker

Inspraakreactie

Antwoord

63 (vervolg)

Stichting Het Utrechts Landschap

p. 72: kaart Groene schaalniveaus. Het is niet geheel helder wat deze kaart aangeeft. Sommige pijlen (‘routes’ in de legenda) betreffen ecologische verbindingen (ecopassage Wildsche Hoek Oostbroek A28), sommige recreatieve routes? Beter onderscheid in legenda maakt dat duidelijker. p.73: recreatie. Het is een essentiële constatering dat er bij uitbreiding recreatieve mogelijkheden rekening wordt gehouden met beschermen van waardevolle ecologische gebieden. Dat is meer dan ooit noodzakelijk, zowel vanuit de biodiversiteitscrises als vanuit de (afgelopen periode nog sterker) toegenomen recreatiedruk. Dat betekent dat er gericht en zorgvuldig keuzes gemaakt moeten worden om natuurgebieden niet verder te ontsluiten en om ecologische passages niet te combineren met andere functies (p. 74). Dat geldt concreet bijvoorbeeld voor de wens voor een nieuwe wandelontsluiting aan de zuidkant van Oostbroek en voor de recreatieve ontsluiting van de zuidkant van landgoed Sandwijck; beide zijn niet mogelijk en raken juist de rustgebieden. Wij verzoeken u deze wensen van de kaart te verwijderen. Het is evident dat er behoefte is aan buitenrecreatie (in allerlei vormen). Door de toename van woningen, ook op het USP, stijgt deze vraag de komende jaren alleen maar; daarnaast is de noodzaak om natuurgebieden te ontlasten er dus ook.

De provincie ontwikkelt hiervoor het programma Groen Groeit Mee (GGM). Op welke wijze wordt er in deze omgevingsvisie invulling gegeven aan GGM? p.74: Groene Contour. Het provinciale geld is bedoeld voor natuurrealisatie van de Groene Contour, niet voor recreatieve beleefbaarheid of de aanleg van recreatieve voorzieningen. In het kader van GGM dienen er financiële afspraken te worden gemaakt t.b.v. recreatieve voorzieningen (bv gekoppeld aan ‘rood’). p. 79: ‘oud, gerijpt weiland’. Dat klinkt als een interessant fenomeen. Wat zijn daar de kenmerken van? En welke ecologische potenties horen daarbij, en welk specifiek beschermingsregime? p.84: Hoofddijk: ook de functie van de Hoofddijk voor (beperkt) doorgaand verkeer vraagt aandacht. Er is nog steeds geen goede passeermogelijkheid bij het stoplicht van het PMC, waardoor de berm kapot gereden wordt. De kruising met busbaan/trambaan is hier al een forse ingreep geweest in het karakter van de middeleeuwse ontginningsdijk. Bij de herinrichting van de entree van het UMC is het een belangrijke ontwerpopgave dat de Hoofddijk een zichtbare, verbindende structuur is en blijft, die als autoluwe, doorgaande fietsroute behouden blijft.

-p72: we verduidelijken de legenda. De kaart is een verbeelding van met name grote landschappelijke structuren. Die zijn veelal van ecologische, landschappelijke en recreatieve waarde -p73: de gemeente hecht aan een beleefbaar en toegankelijk landschap, net als de provincie Utrecht. -p74: hierover gaan we graag nader in gesprek. Ons inziens hoeven extensieve recreatie (wandelpaden) en beschermen van waardevolle ecologische gebieden elkaar niet uit te sluiten. Het groen-blauwe raamwerk geeft invulling aan het groen groeit mee principe. In kwantitatief opzicht wordt vooral groen gerealiseerd in de bebouwde omgeving van het USP, door efficiënter ruimtegebruik van voornamelijk de infrastructuur. De mogelijkheden om groen in kwantitatief opzicht mee te laten groeien in het buitengebied, wordt primair bepaald door de ruimte die faculteit Diergeneeskunde nodig heeft voor haar bedrijfsvoering. - p74: De financiële middelen van de provincie zijn bedoeld om natuur toe te voegen. Op welke manier dit gerealiseerd kan worden, welke natuur hier gewenst is, en óf en in welke mate medegebruik zoals recreatie, landbouw mogelijk is, is onderwerp van nader onderzoek. -p79: de schapenwei is een van de laatste restanten van het oorspronkelijke weidegebied. Het land is sindsdien in extensief gebruik en de oorspronkelijke bodem is niet wezenlijk verstoord.

De aanwezigheid van kamgras is een indicatie van de aanwezige potentie voor doorontwikkeling naar een soortenrijk grasland. -p84: de inpassing van de cultuurhistorische Hoofddijk en doorgaande fietsroute zijn beide opgaven bij de verplaatsing van de entree van het UMC. In de huidige situatie is een passeermogelijkheid (in theorie) niet nodig: het is hier door middel van stoplichten zo geregeld dat gemotoriseerd verkeer elkaar in principe niet kan tegenkomen. Voorwaarde daarbij is wel dat het verkeer zich aan de regels houdt en ook daadwerkelijk stopt voor het rode licht. Als verkeer elkaar toch tegenkomt, dan heeft tenminste een van hen zich niet aan de verkeersregels gehouden en is door het rode licht gereden. -p88: daar is bij een eventuele verdere uitwerking inderdaad nader onderzoek naar nodig.

95 - Omgevingsvisie Utrecht Sciencepark 2040 - Reactienota

Nr.

Inspreker

Inspraakreactie

Antwoord

63 (vervolg)

Stichting Het Utrechts Landschap

p.88: Waternetwerk; herstel van de Bisschopswetering (oude Rijnloop) is een interessant voorstel, wat ook bijdraagt aan de zichtbaarheid van de historie van het rivierenlandschap en van de oude verkaveling van de Johannapolder. Daar is nader onderzoek naar nodig, onder andere naar de hydrologische aspecten (invloed op grondwaterstromen, waterkwaliteit etc). p.90: Oostzijde USP kwelwater benutten: is het een optie om in het weiland achter het PMC een poel aan te leggen? Dat is in kader van de groencompensatie wel voorgesteld. p. 104: kaart Fietsnetwerk: er is hier een gestippelde gewenste uitbreiding aangegeven over landgoed Oostbroek. Waar is dit fietspad voor bedoeld: welke verbinding, welk gebruik? Aan de oostkant van Oostbroek loopt een cruciale ecologische verbinding, waarin de ecopassage A28 een belangrijke rol vervult. Deze verbinding en het rustgebied kan niet doorsneden worden door een fietspad, zeker niet zo dicht bij de ecopassage Wildsche hoek. Daarnaast is hier ook een mogelijk tramtracé aangeduid (toekomstige HOV verbinding, kaartje p. 108, zie hieronder). P. 101 H 9 Mobiliteit -Ten aanzien van mobiliteit is er in de huidige situatie al een flink vraagstuk op te lossen. Wij pleiten ervoor om daarbij geen nieuwe doorsnijdingen te creëren, maar bestaande verbindingen beter te benutten en in te richten.

Bijvoorbeeld door een knip te leggen in de Bisschopsweg en deze in te richten als fietsstraat. -Daarnaast genereren de ontwikkelingen op het USP en in de aangrenzende gemeentes (‘USP satellieten’) nieuwe mobiliteit. Dat is geen toekomstvast uitgangspunt, mede omdat het huidige mobiliteitsvraagstuk al lastig oplosbaar is. Uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen dient te zijn dat er geen extra mobiliteit tussen USP en de USP-satellieten wordt gegenereerd. Vanuit ‘het nieuwe werken’ is dat ook mogelijk. - Nut en noodzaak van nieuwe OV-verbindingen dienen te worden aangetoond. Ook mogen deze niet ten koste gaan van natuur en waardevol (cultuurhistorisch) landschap. Uitgangspunt dient te zijn dat deze aangelegd worden binnen bestaande wegprofielen: beter benutten. p. 162 (kaartje): ook de boerderij bij de kruising Hoofddijk/Bisschopsweg (kinderdagverblijf) is een waardevol historisch gebouw.

-p90: dat kan een invulling zijn. Het past in de ambitie van het biodiversiteitsplan van de UU, in dit geval specifiek ten aanzien van de kamsalamander. Of dit op deze plek dicht bij het PMC wenselijk is, weten we echter niet. -p104: deze fietsroute is voor het USP als wenselijk aangegeven. Deze maatregel is benoemd als ’No regret’ maatregel in het kader van U Ned en dient verder te worden onderzocht in combinatie met een parkeervoorziening. Dit valt buiten de scope van de Omgevingsvisie. Mocht er bijvoorbeeld voor gekozen worden de tram te verlengen naar Zeist, dan kan dat gecombineerd met een parallel fietspad, waardoor een fijnmaziger fietsnetwerk ontstaat. Wanneer dit aan de orde is, dient de inpassing in samenhang met de ecopassage onderzocht te worden. -p101: om de groei van Utrecht, het USP en de regio op te kunnen vangen is een schaalsprong fietst en OV onvermijdelijk. Dat betekent enerzijds het opwaarderen van bestaande routes, maar in sommige gevallen ook het creëren van nieuwe (regionale) routes. Een directe(re) fietsroute naar Zeist kan bijdragen aan het stimuleren van de fietsgebruik tussen USP en Zeist en verder en maakt onderdeel uit van het Uitvoeringsprogramma Fiets 2019-2023 van de provincie Utrecht.

Het betreffende fietspad valt buiten het plangebied van de omgevingsvisie, maar is een belangrijke wens om het USP vanuit de oostkant goed te ontsluiten voor fietsverkeer en daarmee een alternatief te worden voor regionaal autoverkeer. De verbinding ligt buiten de gemeente Utrecht en er zijn meerdere tracés denkbaar. Om dit te benadrukken is er nog een (gestippeld) tracé op de kaart opgenomen. Nut en noodzaak van nieuwe OV-verbindingen moeten uiteraard worden aangetoond vanuit U Ned. We zijn het er helemaal mee eens dat automobiliteit tussen de satellieten zo veel mogelijk beperkt moet worden. Vanuit het ‘nieuwe werken’ is dat ook mogelijk. Bovendien is de afstand tussen het USP en de satellietlocaties prima per fiets overbrugbaar. Een kwalitatief goed fietsnetwerk is daarbij wel randvoorwaardelijk. -p162: de boerderij bij de kruising Hoofddijk/Bisschopsweg (nu kinderdagverblijf) is inderdaad een gemeentelijk monument. We hebben de tekst en kaarten dit in de Omgevingsvisie hierop aangepast.

96 - Omgevingsvisie Utrecht Sciencepark 2040 - Reactienota

Nr.

Inspreker

Inspraakreactie

Antwoord

63 (vervolg)

Stichting Het Utrechts Landschap

2. Opmerkingen bij MER 1. Alternatieven ontbreken In het MER worden nauwelijks/geen alternatieven onderzocht. Het MER beschrijft 1 alternatief, namelijk de maximale planontwikkeling, waarbij voor de negatieve effecten mitigerende of optimaliserende maatregelen worden voorgesteld. Verder worden slechts alternatieven van de 6 nog uit te werken onderwerpen (de Uitwerkingsopgaven, waaronder Ronald McDonaldhuis en de 2e windturbine) besproken, maar die maken geen onderdeel uit van de Omgevingsvisie. Onduidelijk is nog of de MER conclusies over die 6 onderwerpen in een raadsbesluit over de Omgevingsvisie worden meegenomen. Er hadden werkelijke alternatieven beschouwd moeten worden. Nu valt er geen afweging te maken tussen verschillende alternatieven met een verschillende milieuimpact. De voorgestelde spelregels die voortkomen uit het MER zijn niets meer dan de toch al geldende wettelijke verplichtingen en/of maatregelen die verwacht mogen worden van een kenniscentrum dat ‘duurzaamheid’ en ‘groen en gezond’ als expliciete ambities benoemt voor de herontwikkeling van haar gebied. Met de gehanteerde opzet van het MER verliest het MER de waarde die een MER kan hebben, namelijk het daadwerkelijk afwegen van verschillende ontwikkelopties op basis van de milieueffecten van elk van die opties.

Het MER is nu slechts gebruikt om de randvoorwaarden in kaart brengt waaraan een ontwikkeling moet voldoen en dat is niet waarvoor een MER is bedoeld.

Antwoord op opmerkingen bij de MER

2. Effecten op biodiversiteit en natuur rondom het plangebied ontbreken Effecten op biodiversiteit en natuur zijn alleen binnen het plangebied beschouwd. Dit is opmerkelijk en een groot gemis, aangezien de effecten zich niet beperken tot het plangebied. De groene omgeving rondom het USP is expliciet benoemd in de ambitie van USP (zie bijvoorbeeld paragraaf 4.2 Omgevingsvisie USP en bladzijde 10 (1e regel tabel) van het MER). Dat betekent dan ook dat je daaraan moet toetsen. Ook wordt in paragraaf 8.1 van de Omgevingsvisie USP beschreven dat de uitbreiding van het recreatieve netwerk in samenhang gaat met het beschermen van waardevolle ecologische gebieden en dat er rekening wordt gehouden met toevluchtsoorden, rustgebieden en broedgebieden voor planten en/of dieren. Ook dit voornemen uit de Omgevingsvisie verplicht ertoe in het MER de effecten op biodiversiteit buiten het plangebied gedegen in kaart te brengen. Het is niet onlogisch dit te doen: voor mobiliteit, geluid en luchtkwaliteit zijn immers ook effecten buiten het plangebied in beeld gebracht (o.a. Rijnsweerd-Zuid).

1. Alternatieven ontbreken Zie voor de keuze voor 1 alternatief het antwoord op inspraakreactie nummer 51. 2. Effecten op biodiversiteit en natuur rondom het plangebied ontbreken, en 3. Er zijn negatieve effecten op natuur rondom het plangebied De focus van de omgevingsvisie ligt op ontwikkelingen in het plangebied. Nieuwe verbindingen van het USP naar het omringende gebied zijn dermate niet concreet dat een gedetailleerd onderzoek naar biodiversiteit en ecologie op dit moment nog niet noodzakelijk is. Om te borgen dat dit op een later moment wel gebeurt, is er een extra spelregel opgenomen. Bij de verdere uitwerking van de omgevingsvisie moet onderzocht worden op welke wijze de beoogde verbindingen met het NNN ruimtelijk kunnen worden ingepast en daarmee het NNN versterken. Deze spelregel is aanvullend op de reeds opgenomen spelregel over onderzoek naar beschermde soorten en broedvogels voordat werkzaamheden worden uitgevoerd. 4. Effecten op water rondom plangebied ontbreken Bij bouwwerkzaamheden wordt mogelijk grondwater onttrokken voor het drooghouden van de bouwput (bronbemaling). Het onttrokken grondwater kan worden teruggebracht in de bodem (retourbemaling) of worden geloosd in oppervlaktewater, een hemelwaterriool of (bij verontreinigd grondwater) een vuilwaterriool. Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen wordt dit nader onderzocht.

In het kader van het navolgende ruimtelijke besluit (bestemmingsplan/omgevingsplan of -vergunning) worden de effecten in relatie tot het watersysteem, zowel van een eventuele nieuwe watergang als van bouwwerkzaamheden, getoetst door het Hoogheemraadschap (HDSR) om te borgen dat negatieve effecten worden voorkomen. Bij bronbemalingen is een melding of vergunning Waterwet (of t.z.t. Omgevingsvergunning) noodzakelijk, waarbij het Hoogheemraadschap het bevoegde gezag is. Indien gevolgen voor de omgeving ongewenst groot zijn, zal het Hoogheemraadschap mitigerende maatregelen, zoals een retourbemaling, voorschrijven.

97 - Omgevingsvisie Utrecht Sciencepark 2040 - Reactienota

Nr.

Inspreker

Inspraakreactie

Antwoord

63 (vervolg)

Stichting Het Utrechts Landschap

3. Er zijn negatieve effecten op natuur rondom plangebied In diverse paragrafen (nummers van kaartjes vermelden) wordt beschreven dat recreatieve en ecologische (verbindings)routes, fietspaden en wandelpaden naar Oostbroek, Sandwijck en over de Lage Grond gewenst zijn. Wij juichen de realisatie van ecologische verbindingsroutes van harte toe. Echter, van de recreatieve verbindingsroutes verwachten wij negatieve effecten op de genoemde gebieden: verstoring door toename van menselijke aanwezigheid, licht, geluid, zwerfafval, etc. zal toenemen. Ook worden op bladzijde 125 van het MER en paragraaf 8.5 van de Omgevingsvisie recreatieve waterrecreatieverbindingen genoemd, hoewel onduidelijk is of wordt beoogd dat ook ongemotoriseerde waterrecreatie door de natuurgebieden mogelijk wordt gemaakt. De nieuwe (wandel/fiets/vaar)routes scoren positief op bereikbaarheid en gezondheid, maar daarbij wordt het effect alleen vanuit het perspectief van USP beschouwd. De natuurwaarden en relatieve rust op Oostbroek, Sandwijck en de Lage Grond bestaat juist mede doordat doorgaande recreatieve verbindingsroutes ontbreken. Utrechts Landschap en Landschap Erfgoed Utrecht wil dat omwille van de natuurwaarden zo houden: deze gebieden hebben niet de draagkracht voor meer bezoekers. Toenemende verstoring die het gevolg is van doorgaande verbindingen is erg ongewenst.

Daarnaast ontbreekt ook het effect van verstoring door windturbine(s) op het aangrenzende natuurgebied Sandwijck, dat in de nabijheid ligt van het zoekgebied van de windturbine(s) ligt. In de Reactienota waarin de zienswijzen op de notitie reikwijdte en detailniveau zijn beantwoord, is naar aanleiding van onze zienswijze onder 1.7 vermeld dat de effecten van de Omgevingsvisie op het functioneren van het ecoduct over de A28 (bedoeld is de ecopassage Wildsche Hoek, tussen landgoed Oostbroek en landgoed Vollenhoven, onder de A28 door, voor zowel watergebonden als terrestrische soorten) niet in beeld worden gebracht omdat dit ecoduct buiten het plan- en studiegebied van het MER ligt. Wij zijn het niet eens met deze werkwijze: de Omgevingsvisie gaat immers uit van mogelijke doorgaande verbindingen vanaf USP naar landgoed Oostbroek (zie o.a. de kaartjes 5-8 en 5-9 van het MER.

5. Locatie Ronald Mc Donaldhuis (paragraaf 17.4) is foutief beoordeeld We begrijpen uw standpunt. De complexiteit rondom het zoeken naar een alternatieve plek voor het RMDH is echter groot. De uitvoering van de motie van de raad hierover maakt dat we in dit stadium nog naar meerdere varianten onderzoeken, ook buiten de rode contour. 6. Spelregelkader De spelregels die zijn benoemd in de plan-MER zijn aanvullend op reeds verplichtende wet- en regelgeving. - Het Hoogheemraadschap bepaalt welke maatregelen moeten worden uitgevoerd. Dus ook of retourbemaling aan de orde is. Er is geen spelregel opgenomen voor verplichte retourbemaling. - Bij de verdere uitwerking van de omgevingsvisie moet onderzocht worden op welke wijze de beoogde verbindingen met het NNN ruimtelijk kunnen worden ingepast en daarmee het NNN kan versterken. Deze spelregel is aanvullend op de reeds opgenomen spelregels over onderzoek naar beschermde soorten en broedvogels voordat werkzaamheden worden uitgevoerd. - Een HIA voor plannen in UNESCO Werelderfgoedgebied is wettelijk verplicht en dus niet als spelregel opgenomen. Conclusie Zie antwoorden hierboven.

98 - Omgevingsvisie Utrecht Sciencepark 2040 - Reactienota

Nr.

Inspreker

Inspraakreactie

63 (vervolg)

Stichting Het Utrechts Landschap

Ook worden gewenste fiets- en OV-routes geprojecteerd. In paragraaf 3.4 van het MER is beschreven dat de maximale beoogde ontwikkelruimte wordt getoetst. Wij concluderen dat de maximale planmogelijkheden niet getoetst zijn, omdat de effecten van deze verbindingen op het functioneren van het ecoduct niet in beeld gebracht zijn. Op dit onderdeel had het MER negatief moeten scoren, omdat rust rondom het ecoduct essentieel is voor het functioneren van de verbinding. Dit moet expliciet worden beschreven, zodat de negatieve gevolgen van de door USP gewenste verbindingen op natuur en biodiversiteit voor een ieder duidelijk zijn. 4. Effecten op water rondom plangebied ontbreken In het MER wordt alleen de effecten voor water binnen het plangebied als gevolg van de Omgevingsvisie beschouwd. Ook dit is een omissie: Bouwwerkzaamheden en de aanleg van nieuwe watergangen kunnen ook effecten hebben buiten het plangebied. Voor bouwwerkzaamheden moet tenminste de mitigerende maatregel ‘verplichte retourbemaling’ worden opgenomen, zodat bronbemalingen tijdens bouwwerkzaamheden niet leiden tot verdroging van de omgeving. In het MER hadden wij ook onderzoek naar de hydrologische effecten van de aanleg van de Bisschopswetering op de aangrenzende natuurgebieden verwacht. Welk effect heeft dit op de (grond)watersituatie ter plaatse van Oostbroek, Amelisweerd, Rhijnauwen, Sandwijck, Lage Grond? 5.

Locatie Ronald Mc Donaldhuis (paragraaf 17.4) is foutief beoordeeld Locatie E is nog als een haalbare optie gepresenteerd. Dit is niet correct, nu immers uit een verkennende HIA is gebleken dat deze locatie een grote negatieve impact heeft op de Nieuwe Hollandse Waterlinie (zie blz 145 van de Omgevingsvisie USP 2040 – concept 11 juni 2021). Zeker nu de NHWL op 26 juli 2021 de status van UNESCO Wereld Erfgoed heeft gekregen, moet de conclusie getrokken moeten worden dat deze locatie niet reëel is.

Antwoord

99 - Omgevingsvisie Utrecht Sciencepark 2040 - Reactienota

Nr.

Inspreker

Inspraakreactie

63 (vervolg)

Stichting Het Utrechts Landschap

Daarnaast geldt voor locatie D en E dat deze locaties in tegenspraak zijn met eerdere afspraken die zijn gemaakt bij de ruimtelijke procedure van het Prinses Maxima Centrum. Overschrijding van de rode contour tbv de bouw van het PMC zou de laatste keer zijn. Dit gebied is, met name aan de oostkant, veel te kwetsbaar om verdere ontwikkelingen aan te kunnen; de rode contour is niet voor niets afgesproken. Dit betekent dat locatie D en E een rode smiley moeten krijgen in plaats van een gele (rode smiley betekent: ‘de ambitie wordt niet gehaald/er zijn knelpunten’). Als deze locaties worden ontwikkeld, betekent dat immers dat er serieuze knelpunten zijn en dat de ambities van USP niet gehaald worden. Het betreft hier de ambitie ‘Groene en blauwe, gezonde levensader voor USP’, zie bladzijde 31/32 van het MER, waarin o.a. benoemd is dat daarmee wordt bedoeld: Behoud en/of versterken van het cultureel erfgoed; Koesteren groene omgeving: ruimte behouden voor landbouw en veeteelt en het ecologisch netwerk; Realisatie van een groen-blauw raamwerk in USP ter behoud, versterking en verbinding van de groene omgeving op en rondom het USP 6. Spelregelkader Het spelregelkader is niet compleet.

Graag zien wij in ieder geval het volgende toegevoegd: - Verplichte retourbemaling in geval van bronbemaling bij bouwactiviteiten; - Verplicht onderzoek uitvoeren naar verstoring aangrenzend NNN; - Verplichte HIA uitvoeren bij plannen in UNESCO Werelderfgoedgebied.

Antwoord

100 - Omgevingsvisie Utrecht Sciencepark 2040 - Reactienota

Nr.

Inspreker

Inspraakreactie

63 (vervolg)

Stichting Het Utrechts Landschap

Conclusie Graag zien wij het MER op de volgende punten aangepast: - Er moeten werkelijke alternatieven beschouwd worden. Daarbij kan gedacht worden aan een planalternatief waarin bepaalde planonderdelen ontbreken (zoals de gewenste recreatieve voetgangersverbindingen richting Oostbroek en Sandwijck, de gewenste fietsverbindingen langs Oostbroek en Sandwijck en over de Lage Grond richting Zeist, de windturbine(s), etc.); - De effecten op natuur, biodiversiteit en het functioneren van de ecopassage Wildsche Hoek en water buiten het plangebied alsnog in het MER opgenomen; - Negatieve effecten op natuur buiten het plangebied moeten worden toegevoegd aan het MER vanwege o.a. toegenomen verstoring; - De locaties D en E van het Ronald McDonaldhuis moeten anders beoordeeld worden; - Het spelregelkader moet worden aangevuld. Pas als het MER op deze manier wordt aangepast, kunnen bij het besluit over de Omgevingsvisie alle relevante milieuaspecten volwaardig worden afgewogen en kan een keuze gemaakt worden tussen verschillende alternatieven. Advies mbt raadsbesluit Wij adviseren om in ieder geval alle spelregels uit het spelregelkader (dus geheel hoofdstuk 18 uit de MER) als voorwaarden aan de Omgevingsvisie te verbinden, zodat daar bij de verdere uitwerking invulling aan gegeven moet worden.

Dit geldt dat niet alleen voor de maatregelen door de gemeente en de algemene spelregels, maar ook voor de optimaliserende spelregels. Deze optimaliserende maatregelen zouden niet als een keuzeoptie moeten worden voorgelegd, maar als een verplicht onderdeel, omdat het realiseren van die maatregelen bijdraagt aan de ambities van het USP, maar tevens gangbare duurzame maatregelen betreffen.

Antwoord

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=0e0ca157-4630-4482-837b-46929f0aa33e