CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan 't Zand 46a e.o. Hoge Woerd.pdf

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 10 februari 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 't Zand 46a e.o. Hoge Woerd36.120 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

5.7

Bodemkwaliteit

Kader Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Een bodemonderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden gebruikt voor de gewenste ontwikkeling. Daarnaast behoort een bodemonderzoek tot een indieningsvereiste bij een aanvraag omgevingsvergunning bouwen. Als er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging moeten er saneringsmaatregelen worden getroffen. De bodemkwaliteit mag niet verslechteren door grondverzet, graafwerkzaamheden of grondwateronttrekkingen. Onderzoek Tot de jaren '60 had de locatie een agrarisch gebruik. Vervolgens is op een deel van het terrein een kassencomplex (bloementeelt) en op een ander deel van het terrein het bedrijfspand met kantoor van een Aannemers-en sloopbedrijf gevestigd. In de loop der tijd is het hele terrein in gebruik genomen door dit bedrijf. Het bedrijf heeft de locatie in de '90-er jaren verlaten waarna caravanstalling in de kassen plaatsvond en de bedrijfsgebouwen van Oskam in gebruik zijn genomen door enkele kleine bedrijven. Op de locatie waren verschillende ondergrondse opslagtanks voor diesel en benzine aanwezig. De meeste tanks zijn verwijderd en hierbij heeft ook bodemsanering plaatsgevonden. Ter plaatse van de oprit, vanaf de Groenedijk, bevinden zich nog twee ondergrondse tanks.

Deze moeten, inclusief de aanwezige verontreiniging, verwijderd worden. In het kader van de mogelijk aanwezige verontreinigingsbronnen in het plangebied is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is te vinden in Bijlage 8. Uit de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de bodem over het algemeen licht verontreinigd is met zware metalen en plaatselijk PCB, OCB en minerale olie. In de oprit aan de Groenedijk liggen twee ondergrondse tanks die verwijderd moeten worden inclusief, in verband met de zorgplicht, de omliggende, met olie verontreinigde, grond. Na uitvoering van deze sanering is de locatie in principe geschikt voor het beoogde gebruik: wonen met tuin. bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

45

Op grond van artikel 9.2 uit de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht mag het initiatief niet leiden tot extra bodemdaling. Dit zal voor dit initiatief niet aan de orde zijn, omdat uit onderstaande gegevens blijkt dat de locatie 't Zand 46A minder gevoelig is voor zettingen (groen). Zettingsgevoeligheid plangebied (Bron: Stroomlijn)

Conclusie De aanwezige tanks ter plaatse zullen gesaneerd worden voordat het initiatief wordt aangelegd. Met betrekking tot de vervuilde grond romdom de tanks dient sanering van deze grond in overleg met de RCE plaats te vinden. Na sloop van de opstallen moet ter plaatse van deze gesloopte opstallen een aanvullend bodemonderzoek worden verricht. Voor het overige vormt het aspect bodem geen verdere belemmering voor het initiatief.

5.8

Natuurbescherming

Kader Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Interim Omgevingsverordening. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1. 2. 3.

of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.

Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen. Utrechtse soortenlijst Naast de beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming, geldt binnen de gemeente de Utrechtse soortenlijst. Hierin staan kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn opgenomen. De algemene bescherming van deze soorten op grond van de voormalige Flora en 4 6 bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

Utrecht

faunawet is met het in werking treden van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 vervallen. De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. Diervriendelijk bouwen Utrecht wil dat haar gebouwen diervriendelijk zijn, want gebouwen, woningen en kantoren zijn belangrijk, bijvoorbeeld voor het kunnen maken van een nest. Onder “diervriendelijk” bouwen wordt verstaan: bouwen met relatief kleine ingrepen, die verblijfsplekken creëren voor verschillende dieren in het stedelijk landschap. Met “diervriendelijk” bouwen wordt de biodiversiteit van de stad vergroot. De stadsecologen van gemeente Utrecht bepalen per project welk aantal maatregelen toegepast dient te worden. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door middel van een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt.

Een passende beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten). Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Als er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-merplicht (art. 7.2a Wm). Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan). Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour In de Interim Omgevingsverordening (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Algemene zorgplicht Ten slotte geldt de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming: een ieder neemt voldoende zorg in acht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Als het toch noodzakelijk is om handelingen uit te voeren, dan moet zoveel als redelijkerwijs mogelijk, geprobeerd worden om negatieve effecten te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.

Daarom moet iemand die een bepaalde handeling wil verrichten zich vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige flora en fauna, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van zijn handelen. De zorgplicht dient mede als vangnet voor de bescherming van soorten, waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Leidraad werken met beschermde flora en fauna van de gemeente Utrecht van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige. Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour In de Interim Omgevingsverordening (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Plansituatie Beschermde dier- en plantensoorten en de algemene zorgplicht In 2019 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Zie hiervoor Bijlage 9. Ook is de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Uit de ecologische inventarisatie is naar voren gekomen dat een nader onderzoek naar vleermuizen nodig is om de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen in de te slopen bebouwing vast te stellen. Een ontheffing voor andere soorten is niet nodig. Wel moet bij de planning van de werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden en in het kader van het provinciaal ruimtelijk beleid beschermde natuurgebieden treden niet op. Het plan is op het punt van bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

47

gebiedenbeleid niet in strijd met de Wnb. Ook is het plan op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Interim Omgevingsverordening. Het plangebied is ambtelijk onderzocht op het voorkomen van Utrechtse soorten. Tijdens de ecologische inventarisatie is de merel waargenomen. De merel staat op de Utrechtse soortenlijst. Door de ontwikkeling worden meer bomen en lage struiken geplaatst in het plangebied. Het leefgebied van de merel neemt hierdoor toe. Het plangebied is niet geschikt voor andere soorten van de Utrechtse soortenlijst. Uit de quickscan blijkt dat er nader onderzoek nodig was naar vleermuizen, zie hiervoor Bijlage 10. Rond de onderzoekslocatie zijn enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen aangetroffen, echter zal er geen aantasting zijn van essentieel foerageergebied. Het is op basis van de uitgevoerde onderzoeksinspanning uit te sluiten dat de bebouwing op de onderzoekslocatie een functie heeft als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zal daarom niet leiden tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. Diervriendelijk bouwen Bij de planning van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van verschillende soorten vogels. In het woonzorggebouw worden minimaal 10 nestkasten voor huismussen ingebouwd en er wordt een dekking voor huismussen gerealiseerd in de vorm van wintergroene, opgaande struiken.

In de nok van het gebouw wordt een steenuilenkast ingebouwd. Ook worden er verblijfplaatsen voor vleermuizen gerealiseerd. Tijdens de bouw- en gebruiksfase worden lichtarmaturen gebruikt die naar beneden gericht zijn, zodat foeragerende vleermuizen niet verstoord worden. Ook wordt de tuin van het woonzorggebouw structuurrijk ingericht met veel variatie in beplanting. Beschermde gebieden Natura 2000-gebied In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning. Om de effecten van de ontwikkeling op beschermde natuurgebieden in beeld te brengen is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie met het programma Aerius2020. De berekening betreft een gecombineerde berekening voor de aanleg- en gebruiksfase. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 11. Het onderzoek is uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van mogelijke significante gevolgen en daarmee een eventuele vergunning- of meldingsplicht ingevolge de Wet natuurbescherming.

De meest nabije Natura 2000-gebieden zijn: Oostelijke Vechtplassen (ongeveer 6 km noordoostelijk); Uiterwaarden Lek (ongeveer 13 km zuidelijk); Zouweboezem (ongeveer 15 km zuidelijk); Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (ongeveer 18 km noordwestelijk). Uit het onderzoek blijkt dat er zowel de bouwfase als in de gebruiksfase geen stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden plaatsvindt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Een Wnb-vergunning is niet noodzakelijk in het kader van dit project. Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Groene Contour. Conclusie Het initiatief heeft geen negatieve effecten op beschermde soorten van de Wet Natuurbescherming of de Utrechtse soortenlijst. Om te voldoen aan de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving en negatieve effecten hierop te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, zal voor aanvang van de werkzaamheden een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige.

5.9

Water

Algemeen Door ruimtelijke ontwikkelingen kan het functioneren van het watersysteem onder druk komen te staan. Het doel van de 'Watertoets' is het waarborgen van water gerelateerd beleid en water gerelateerde beheeraspecten door ruimtelijke ontwikkelingen vroegtijdig en evenwichtig te toetsen aan de relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. 4 8 bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

Utrecht

Ruimtelijke plannen moeten wettelijk voorzien zijn van een 'Waterparagraaf', een ruimtelijke onderbouwing van de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie. Met de watertoets worden de waterhuishoudkundige gevolgen van plannen vroegtijdig inzichtelijk gemaakt, de afwegingen expliciet en toetsbaar vastgelegd en in het wateradvies van de waterbeheerder opgenomen. Door afstemming met de waterbeheerder wordt voorkomen dat door een ruimtelijke ontwikkeling de kansen voor de waterhuishouding niet worden benut en de bedreigingen niet worden herkend. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem tijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren.

Beleidskader In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht en het waterschap HDSR en het waterschap AGV(Waternet) gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden, bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: Europese richtlijn: Kaderrichtlijn Water (KRW); Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, WB21, NBW, Waterwet, etc.; Provinciale Omgevingsvisie (in werking getreden op 1 april 2021); Provinciale Interim Omgevingsverordening (in werking getreden op 1 april 2021) Gemeentelijk beleid: Plan Gemeentelijke Watertaken Utrecht 2016-2019, de visie Water en Riolering (ter visie voorgelegd, 2021), de visie Klimaatadaptatie (ter visie voorgelegd, 2021); Waterschapsbeleid HDSR: Waterschapsbeleid: Waterwet, Waterbeheerplan “Waterkoers 2016-2021”, Beleidsregels Keur 2019; Watervergunning – onttrekking en lozing Tijdelijke onttrekking van grondwater tijdens de bouwfase is vergunningsplichtig en onder voorwaarden toegestaan, evenals tijdelijke lozing van bemalingswater op het oppervlaktewater.

Nader onderzoek naar de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater is noodzakelijk om na te gaan of er een lozingsvergunning nodig is om overtollig water te onttrekken en af te voeren. Voor alle onderbemalingen, bronneringen en andere grondwateronttrekkingen waarbij middels bronbemaling globaal meer dan 100 m3 per uur, langer dan 6 maanden en dieper dan 9 m grondwater wordt onttrokken, moet een vergunning worden aangevraagd bij het waterschap HDSR (zie artikel 3.10 Keur 2019). Indien de grondwateronttrekking bij deze criteria onder de grenswaarden blijft, kan volstaan worden met een melding. Een (tijdelijke) lozing van grondwater op de openbare riolering is niet toegestaan, tenzij bij Algemene maatregel van bestuur (lozingsbesluiten) of bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in de Wet Milieubeheer anders is bepaald. Watervergunning - Keur Voor het dempen en graven, aanleggen van vlonders en steigers, bouwen in en langs water en uitvoeren van HDD boringen onder watergangen, kunstwerken en peilscheidingen door, is een Watervergunning van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden noodzakelijk. Alle wateraspecten (inclusief Keur-aspecten) worden in de watervergunning geregeld. Rechtstreekse afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater is vergunning- of meldingsplichtig in het kader van de Waterwet.

Om vervuiling van afstromend hemelwater en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, is het niet toegestaan om uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) zonder KOMO-keurmerk toe te passen voor dak, dakgoot en regenpijp indien het hemelwater vanaf deze oppervlakken direct afvoert naar het oppervlaktewater. In het kader van het rioleringsplan moet, als de plannen concreter worden, worden aangegeven of al het regenwater in het plangebied geborgen kan worden of dat een overloop voorziening richting oppervlaktewater of hemelwaterstelsel zal worden aangebracht waarvoor er voor dit project mogelijk een watervergunning aangevraagd moet worden. Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

49

heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Bij het infiltreren van schoon hemelwater in de bodem (afkoppelen) kan het afvalwater worden afgevoerd naar het vuilwaterriool/DWA. Situatie plangebied Het watertoetsproces voor het project bestemmingsplan 't Zand is op 27 januari 2020 digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen. Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden adviseert positief over het ruimtelijk plan. Het toetsresultaat is te vinden in Bijlage 12.

Basisprincipes omgaan met water: Klimaatbestendige leefomgeving (ruimtelijke adaptatie) Vasthouden - bergen - afvoeren (waterkwantiteit) Schoon houden - scheiden - zuiveren (waterkwaliteit) Water in relatie tot de ruimtelijke ontwikkeling Door de voorgenomen ontwikkeling neemt het totaal aan verhard oppervlak met ongeveer 8% af. Deze afname is gunstig voor het watersysteem. Het bestaande watersysteem kan tijdens een hevige regenbui al het hemelwater vanaf dit oppervlak verwerken en bergen. Het bestaande oppervlaktewater wordt niet aangepast. Water wordt niet buiten het plangebied geborgen. De haalbaarheid hiervan zal worden aangetoond via een civieltechnisch onderzoek, welke door de gemeente wordt getoetst. Omdat er in het gebied geen hemelwaterriool aanwezig is, zal het water binnen het eigen perceel verwerkt moeten worden of ter plekke moeten infiltreren in de bodem, zonder negatieve gevolgen voor het eigen perceel en naastgelegen percelen. Om dit te realiseren zal er in ieder geval aan de zuidkant en de oostkant van het perceel een wadi worden ingericht (met inheems groen). Deze wadi kan ook het eventuele water opvangen dat door het hoogteverschil naar het naastgelegen perceel zou kunnen lopen. In totaal zullen de aangelegde waterbergingen een capaciteit hebben van minimaal 150m3.

Er vindt geen lozing plaats van verontreinigingen en/of verontreinigd water naar oppervlaktewater. Het plangebied ligt niet op of nabij een waterkering of belangrijke watergang. Het plangebied ligt niet nabij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) of rioolpersleiding. Het gebied valt onder de boringsvrije zone rondom het waterwingebied De Meern. Afvoer hemelwater Hemelwater kan niet worden afgevoerd via een hemelwaterriool, aangezien deze niet aanwezig is. Al het hemelwater dient dus ter plekke te worden geïnfiltreerd in de bodem en/of te worden opgeslagen. De capaciteit van de maatregelen voor infiltratie van hemelwater dient groot genoeg te zijn om wateroverlast te voorkomen. Van de extreme bui van 80mm, moet 45mm binnen het bouwblok en het perceel worden vastgehouden en verwerkt, door middel van de geplande wadi's of vergelijkbare maatregelen. Afvalwater Afvalwater wordt via een gescheiden rioolstelsel afgevoerd. In het woonzorggebouw worden twee keukens gerealiseerd, van waaruit huishoudelijk afvalwaterof qua biologische samenstelling en afbreekbaarheid gelijkwaardig afvalwater, wordt afgevoerd. Bij het bereiden van voedingsmiddelen worden geen grootkeuken apparaten gebruikt. Hieruit volgt dat beide emmissies vallen onder de zorgplicht van de Wet milieubeheer en dat er geen aanvullende voorwaarden nodig zijn om een goed woon en leefklimaat te kunnen borgen.

Waterhuishouding Het plangebied ligt in twee peilgebieden van het peilbesluit Vleuten, de Meern en Leidsche Rijn (VLR). Het noordelijk deel van het plangebied ligt in VLR_017 met een vastpeil van +0,35 m NAP en het zuidelijke deel van het plangebied ligt in VLR_028 met een vastpeil van +0,10 m NAP. Grondwater 1e watervoerend pakket 5 0 bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

Utrecht

De gemiddelde, langjarige stijghoogte van het 1 e WVP zijn afgeleid uit de dichtstbijzijnde peilbuizen en vastgelegd in de 'Grondwatercontourkaart gemeente Utrecht' (09-10- 2012). Op basis van deze kaart wordt voor het plangebied de volgende gemiddelde stijghoogten en seizoens-variatie verondersteld: -

droge periode, gemiddelde lage grondwaterstand (GLG) = -0,30 m NAP;

-

gemiddeld periode, gemiddelde grondwaterstand (GGG) = -0,10 m NAP;

-

natte periode, gemiddelde hoge grondwaterstand (GHG) = +0,10 m NAP;

De grondwaterstroming in het plangebied is van oost naar west en varieert in natte perioden. Drooglegging en ontwateringsdiepte Een droge ondergrond is een belangrijke randvoorwaarde voor het faciliteren van een bestemming van een gebied. Voldoende drooglegging en ontwateringsdiepte in een plangebied is van groot belang om grondwateroverlast te voorkomen. Daarnaast is de verwachting dat in de toekomst grondwaterstanden in de zomer soms te ver kunnen gaan uitzakken met droogteschade tot gevolg. Het vasthouden van regenwater voor nuttig gebruik, zoals voor groen, is ook daarom van belang. De drooglegging, het verschil tussen maaiveld en streefpeil, moet volgens de norm van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden minimaal 1,0 m te zijn. De ontwateringsdiepte, het hoogteverschil tussen maaiveld en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG), moet volgens de norm van de gemeente Utrecht minimaal 0,7 m te bedragen. De gemiddelde ontwateringsdiepte in het plangebied is +2,30 m NAP – +0,10 m (GHG) = 2,20 m. Deze voldoet in de huidige situatie aan de gestelde norm. Toekomstige ontwikkelingen Indien in de toekomst ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, waarbij het verhard oppervlak uitbreidt met meer dan 500m2 in stedelijk gebied en/of 1000 m2 in landelijk gebied, heeft dit tot gevolg dat het hemelwater van dit oppervlak versneld tot afvoer komt.

Om de waterhuishouding niet te verslechteren, moet deze versnelde afvoer worden voorkomen of gecompenseerd. Toekomstige ontwikkelingen zullen klimaatbestendig worden gerealiseerd. Overstromingsgevaar Op grond van artikel 2.10 van de Interim Verordening van de Provincie Utrecht moet in de plantoelichting van een bestemmingsplan aangegeven worden hoe wordt omgegaan met overstromingsrisico's. Zeker wanneer er sprake is van kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Grote delen van de provincie Utrecht liggen in overstroombare gebieden van Neder-Rijn, Lek en het Eemmeer. Het is belangrijk dat vitale en kwetsbare objecten, zoals elektriciteitscentrales, ziekenhuizen, woonwijken en bedrijventerreinen, bestand zijn tegen overstromingen. Door een goeddoordachte locatiekeuze en inrichting kunnen de gevolgen van een overstroming flink beperkt worden. Plangebied Het plangebied ligt in een overstroombaar gebied en de ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woonzorgcentrum met kwetsbare bewoners. Door middel van een slimme ruimtelijke inrichting kunnen de effecten van een overstroming beperkt worden. In het ontwerp van de openbare ruimte zal met dit aspect rekening gehouden worden. Ook is van hierbij van belang dat het plangebied in verband met archeologische waarden iets opgehoogd zal worden.

Daarnaast zal het totaal aan verhard oppervlak door de plantonwikkeling afnemen, wat de infiltratie in de bodem bevordert. In het Regionaal Programma Gevolgbeperking Overstromingen staan (ruimtelijke) maatregelen voor een overstromingsrobuustere inrichting, vermindering van schade, letsel, overlast en tot verbetering van rampenbestrijding en crisisbeheersing. Daarnaast is in de paragraaf over klimaatadaptatie aangegeven welke maatregelen genomen worden om wateroverlast tegen te gaan. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.10 Archeologie Kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

51

structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Verordening en bestemmingsplan De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen wordt verwezen naar de verordening en een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde- archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg.

Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Gemeentelijke archeologische waardenkaart De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de verordening op de archeologische Monumentenzorg. Deze waardenkaart is geënt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) van de provincie en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting en gebieden van archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd.

Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Gebieden van hoge archeologische waarde (rood) zijn gebieden waarvan bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar die niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (geel) zijn zones waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek archeologische waarden te verwachten zijn (er wordt een middelhoge tot hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm. Bij gebieden met een archeologische verwachting (groen) zijn de verwachtingen lager (er wordt een middelhoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij 5 2 bestemmingsplan "Zand 46a e.o.

Hoge Woerd" (vastgesteld)

Utrecht

bodemingrepen groter dan 1000 m2 en dieper dan 50 cm. Daarnaast zijn op de kaart witte gebieden aangewezen. Voor deze zones geldt geen verwachting en geen vergunningstelsel.

Archeologie in het plangebied Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht weergegeven. Het plangebied is lichtblauw omcirkeld. Op de waardenkaart zijn binnen het plangebied verschillende archeologische waarden- en verwachtingszones weergeven. Het plangebied lag eerst deels in de kernzone en deels in de bufferzone van het werelderfgoed Neder-Germaanse Limes, maar is op basis van de evaluatie van het nominatiedossier door adviesorgaan ICOMOS, in zijn geheel aangewezen als kernzone en op 27 juli 2021 als Werelderfgoed ingeschreven op de Werelderfgoedlijst. Zie voor de wijzging van deze aanwijzing ook de verbeelding in paragraaf 2.2.1 Provinciale Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening. Het grootste deel van het plangebied is aangewezen als beschermd archeologisch rijksmonument op de archeologische waardenkaart. Voor dit gebied is de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed namens het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verantwoordelijk voor de bescherming van het monument. Een klein strookje van het plangebied is echter niet als Rijksmonument op de huidige archeologische waardenkaart aangewezen en geniet deze bescherming dus niet. Om dit strookje van de kernzone de juiste bescherming te kunnen bieden, is dit strookje in dit bestemmingsplan aangeduid met 'waarde Archeologie (dubbelbestemming)'.

Alleen voor die zone is de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg en de bijbehorende Archeologische Waardenkaart van toepassing. Deze zone ligt op de archeologische waardenkaart in een gebied van archeologische verwachting (groen aangeduid op de kaart), waarvoor geldt dat bodemingrepen groter dan 1000m2 en dieper dan 50 cm archeologievergunningplichtig zijn. De voorgenomen ontwikkelplannen overschrijden deze vrijstellingsgrens en de bodemingrepen in de zone aangeduid met Waarde Archeologie (dubbelbestemming) zijn dan ook archeologievergunningplichtig. Aan de vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden ten aanzien van archeologisch onderzoek.

bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

53

5 4 bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

Utrecht

Uitsnede archeologische waardenkaart Utrecht; plangebied blauw omlijnd.

Onderzoek in het plangebied In het plangebied is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling op de locatie van een Archeologisch beschermd Rijksmonument een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Dit betreft een bureau- en booronderzoek en de rapportage is toegevoegd als Bijlage 13. Uit dit onderzoek is gebleken dat onder een groot deel van het terrein (vondstrijke) archeologische cultuurlagen aanwezig zijn, die waarschijnlijk verband houden met de vicus van het castellum de Hoge Woerd. De in de ondergrond aanwezige resten maken deel uit van een grote burgerlijke nederzetting die aan de oostzijde van het Romeinse castellum heeft gelegen. In de Romeinse tijd lag er op de huidige locatie van Vleuten een fort (castellum) met een aangrenzend kampdorp (vicus). Het terrein waarin de resten van het castellum en de vicus zijn aangetoond, zijn als een wettelijk beschermd archeologisch monument bekend onder rijksmonumentnummer 46097. Binnen het plangebied zijn de archeologisch waardevolle lagen op verschillende dieptes aangetroffen. In het zuidelijk gelegen terrein ligt deze bewoningslaag vrijwel direct onder het huidige maaivelden/of bestaande bebouwing In het noordelijk deel ligt de bewoningslaag onder een verstoringspakket van ongeveer 1 tot 2 m dikte.

Aanbeveling op basis van het uitgevoerde onderzoek Het bureau- en aanvullend booronderzoek heeft aangetoond dat in het plangebied, met name op het zuidelijke deel, ter hoogte van de bouwkavels 4 – 8, sprake is van (resten van) Romeinse cultuurlagen. Deze cultuurlagen bevinden zich relatief ondiep onder het huidige oppervlak. Door deze geringe diepteligging worden ze bij vrijwel elke met de beoogde herinrichting van het gebied met woningen gepaard gaande bodemingreep bedreigd. Om de woningbouw op archeologie vriendelijke wijze te realiseren is het mogelijk om het gebied op te hogen waarmee bereikt wordt dat de benodigde bodemingrepen boven de archeologische niveaus plaatsvinden. Randvoorwaarden hierbij is dat er wordt zorggedragen voor een voldoende dikke ophoging waarmee risico's op aantasting van de archeologische niveaus bij de bouw van de woningen, aanleg van kabels en leidingen en aanleg en onderhoud van tuinen voorkomen worden. Bij het aanbrengen van een ophoging dient zorggedragen te worden voor de aanleg van afdoende drainage om stagnerend regenwater op de archeologische lagen te voorkomen. Het strekt tot voorkeur om niet te bouwen op heipalen aangezien de heipalen verstorend werken en door de aanwezigheid van de heipalen de mogelijkheden voor eventueel toekomstig onderzoek bemoeilijkt worden.

Op basis van de bovenstaande uitkomst heeft de initiatiefnemer besloten een betonplaat te gebruiken als fundament, en de archeologische waarden 'in situ' te bewaren. Alle voorgenomen ingrepen dienen te worden voorgelegd aan en geaccordeerd door het bevoegd gezag (de RCE (rijksmonument) en de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap).

Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt onder voorwaarden geen belemmering voor het bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

55

initiatief. Wel moeten de voorgenomen ontwikkelingen nauw afgestemd worden met de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Afhankelijk van de ingrepen in de bodem kan er sprake zijn van de verplichting voor aanvullend archeologisch onderzoek en/of een archeologievergunning. De wettelijke meldingsplicht bij het doen van archeologische toevalsvondsten blijft altijd van kracht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dient hiervan, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding te worden gedaan bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. archeologen van de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht.

5.11 Gezond stedelijk leven Kader In paragraaf 2.3.2.2.7 is het gemeentelijke beleid voor een gezond stedelijk leven uiteengezet. In Utrecht streven wij naar gezond stedelijk leven voor iedereen (Nota Volksgezondheid 'Gezondheid voor iedereen'). Een gezonde leefomgeving van Utrechters is zo ingericht dat gezond leven gemakkelijk is, de druk op gezondheid zo laag mogelijk is en dat mensen zich prettig voelen: De leefomgeving bevordert de gezondheid, doordat deze uitnodigt om te bewegen, te spelen, te sporten, te verblijven en te ontmoeten in de openbare ruimte. Dat kan onder meer door dagelijkse beweging in de buurt beter te faciliteren met goede wandel- en fietsroutes, fietsparkeervoorzieningen en speelmogelijkheden. Ontmoeting wordt aangemoedigd door het realiseren van voorzieningen dichtbij en door het creëren van voldoende ontmoetingsplekken in de buurt. Dit draagt bij aan de sociale cohesie. De druk op gezondheid zo laag mogelijk houden; ook wel gezondheidsbescherming genoemd. Adviezen zijn gericht op het bouwen van woningen op een redelijke afstand van de snelweg, een schonere lucht, een betere water- en bodemkwaliteit en op minder geluidhinder. Het gaat hier om meer dan alleen het naleven van de milieunormen. Geluid heeft ook invloed op gezondheid.

Daarom worden in Utrecht hogere lokale ambitiewaarden voor geluid gehanteerd dan de wettelijke grenswaarden, namelijk 63 dB voor nieuwe situaties langs wegen en spoorwegen. De leefomgeving wordt door mensen als prettig ervaren; Het gaat hierbij onder anderen om een sociale veiligheid, een goede balans tussen rust en reuring en voldoende voorzieningen in de buurt. In de leefomgeving is voldoende, goed bereikbaar en kwalitatief groen aanwezig.

Plangebied Bij de ontwikkeling van 'Zand Hoge Woerd worden vier woningen gerealiseerd en een woonzorggebouw met maximaal 30 eenheden voor ouderen met dementie (24 uurs zorg). Bij deze ontwikkeling wordt op verschillende wijzen gestreefd naar een gezonde leefomgeving. Gezondheidsbevorderende maatregelen Verschillende voorzieningen zoals sportverenigingen, scholen en openbaar vervoer zijn op loop en fietsafstand. Het plangebied ligt aan de twee linten 't Zand en Groenedijk waarbij de laatste een doorgaande fietsroute betreft waar de auto te gast is. Via deze route is het centrum van Utrecht en het Maximapark goed te bereiken met de fiets. Deze vorm van gezonde mobiliteit wordt daarmee aangemoedigd onder de toekomstige bewoners. Daarbij liggen het Maximapark en het Prinses Amaliapark op loopafstand. Nieuwe bewoners kunnen gemakkelijk een ommetje maken, wat de gezondheid bevordert. Gezondheidsbeschermende maatregelen De woningen liggen op voldoende afstand van drukke binnenstedelijke wegen (>10.000 mve/24h) en snelwegen waardoor de luchtkwaliteit door lokaal verkeer minimaal beïnvloed wordt. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat twee woningen niet voldoen aan de wettelijke eisen voor wat betreft wegverkeerslawaai. Om de realisatie van deze woning mogelijk te maken dient het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Utrecht een hogere waarde te verlenen.

Mogelijk zijn er voor het verlenen van de hogere waarde aanvullende geluidsisolerende maatregelen aan de gevels van de betreffende woningen noodzakelijk. De omgeving wordt als prettig ervaren Op verschillende plekken in het plan wordt groen toegevoegd. Groen heeft een positief effect op de gezondheid van mensen en werkt klimaatadaptief. Groen reduceert stress, bevordert herstel van ziekte, stimuleert tot bewegen, geeft de mogelijkheid om tot rust te komen/ om te ontspannen, zorgt voor schaduw, verkoelt de lucht, zorgt voor waterberging en draagt bij aan biodiversiteit. 5 6 bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

Utrecht

Rondom het woonzoggebouw wordt een grote tuin aangelegd en komt een terras met zitjes waar de bewoners elkaar kunnen ontmoeten. Ook is er in de tuin, als ook in de omgeving voldoende mogelijkheid om een wandeling te maken. Kansengelijkheid Naast vier woningen wordt er ook een woonzorggebouw voor ouderen met dementie gerealiseerd. Hierdoor worden woningen voor een kwetsbare doelgroep gerealiseerd, wat bijdraagt aan de ambitie om in te zetten op kansengelijkheid. Conclusie De ontwikkeling van 'Zand Hoge Woerd draagt bij aan de ambities van een gezonde leefomgeving zoals beschreven in de Nota Volksgezondheidsbeleid 'Gezondheid voor iedereen '2019-2023' en draagt ook bij aan ruimtelijke kansengelijkheid.

5.12 Kwaliteit van de leefomgeving In het kader van kwaliteit van de leefomgeving wordt door de gemeente in ruimtelijke plannen in belangrijke mate steeds meer aandacht gevraagd voor de aspecten zon en schaduw, sociale veiligheid, toegankelijkheid voor minder validen en windhinder omdat dit aspecten zijn die de kwaliteit van de openbare ruimte beïnvloeden. Bezonning Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. In de huidige situatie zijn er kassen en schuren aanwezig. Het nieuwe woonzorggebouw staat verder af van bestaande woningen dan de huidige bedrijfsgebouwen. Verwacht wordt dat het nieuwe woonzorggebouw nauwelijks tot geen effect op de bezonning van de bestaande woningen. Het slopen van de kas en het nieuw bouwen van het woonzorggebouw heeft wellicht positieve effecten op het naburige perceel. De kas staat dicht bij de perceelgrens en heeft schaduwwerking op de huidige boomgaard. Het nieuwe woonzorggebouw komt iets verder van de grens af te staan, waardoor er minder schaduwwerking optreedt op het naburige perceel.

Windhinder Als een bestemmingsplan bebouwing met een bouwhoogte van 30 meter of hoger mogelijk maakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de windhinder. Als lager dan 30 meter gebouwd mag worden, moet er een afweging plaatsvinden of de bebouwing kan leiden tot windhinder. De beoordeling van windhinder is nodig vanuit een goede ruimtelijke ordening. In het plangebied is de toekomstige bebouwing niet hoger dan 10 meter. Een onderzoek naar windhinder zal in deze situatie niet nodig zijn.

5.13 Toegankelijkheid Kader Utrecht wil een stad zijn waar iedereen mee kan doen, waar we niemand buitensluiten. Een inclusieve toegankelijke stad. We willen dat alle inwoners en bezoekers, met en zonder beperking, alle (openbare) gebouwen, woningen, de openbare ruimte en dienstverlening kunnen gebruiken. Utrecht werkt al sinds 2007 actief aan toegankelijkheid, eerst met Agenda 22 en nu volgens het VN-verdrag handicap. Het uitgangspunt van het VN-verdrag handicap is 'niets over ons zonder ons'. Samenwerking met de belangenorganisaties voor inwoners met een beperking in een zo vroeg mogelijk stadium van de planontwikkeling is daarmee noodzakelijk. De ambities van de gemeente voor het VN-verdrag handicap staan in de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk'. In de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' zijn drie kansen omschreven die we als gemeente willen pakken. Dit zijn: sneller en concreet resultaat, niet alleen fysiek maar ook sociaal toegankelijk en samenwerken met de stad. Met het uitvoeringsprogramma 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' laten we zien wat we al doen en wat we nieuw op pakken. Dit zijn acties die nodig zijn voor het benutten van de drie kansen. Daarnaast moeten gebouwen en woningen voldoen aan het Bouwbesluit 2012.

Met ingang van 1 juli 2021 is het Bouwbesluit 2012 op een aantal punten gewijzigd en per 1 januari 2022 treedt nog een aantal wijzigingen in werking. Er zijn dan nieuwe toegankelijkheidseisen voor bijvoorbeeld drempels bij hoofdingangen van nieuwe publiek toegankelijke gebouwen en alle toegangen bij nieuwbouwwoningen. bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

57

Plangebied Woningen en woonzorggebouw Utrecht wil graag rolstoelbezoekbare en rolstoelbewoonbare woningen. Wij willen dat iedereen, ook als hij of zij gebruik maakt van een rolstoel, alle nieuwe of verbouwde woningen kan bezoeken. Iedereen kan vanaf de openbare weg bij de voordeur komen, een brief in de bus doen, aanbellen, binnengaan, in de woonkamer komen en bij het toilet, gebruik maken van de buitenruimte zoals een balkon of tuin. Dit houdt bijvoorbeeld in dat er geen trappetjes of opstapjes zijn, binnen of buiten de woning. Dit is een woning die bezoekbaar is. We willen dat mensen in een rolstoel in alle nieuwe of verbouwde nultredenwoningen (woningen waarbij de entree, woonkamer/eetkamer, keuken, badkamer, toilet en ten minste één slaapkamer zonder trap bereikbaar zijn) kunnen wonen. Of het is gemakkelijk om daarvoor te zorgen. De ambitie van Utrecht gaat hiermee verder dan het Bouwbesluit. Openbare ruimte De openbare ruimte moet zo zijn ingericht dat iedereen, met of zonder beperking zich goed kan verplaatsen. In de Kadernota Kwaliteit Openbare Ruimte staan de uitgangspunten. Het Handboek Openbare Ruimte en de richtlijn Voetpaden voor iedereen kunnen helpen bij de uitwerking. Aandacht is nodig bij hoogte verschillen en het overbruggen daarvan. Conclusie Het aspect toegankelijkheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.14 Duurzaamheid Kader De gemeente stelt hoge duurzaamheidseisen aan de bebouwde omgeving met als doel een gezond stedelijk leven voor iedereen, nu en in de toekomst. Op het gebied van duurzaamheid heeft de gemeente Utrecht bij projectontwikkeling duurzaamheidsambities onderverdeeld op de volgende onderdelen: energie, GPR gebouw, circulair bouwen en klimaatadaptatie. Naast deze specifiek benoemde duurzaamheidsthema's moet rekening gehouden te worden met het thematische beleid zoals opgenomen op https://omgevingsvisie.utrecht.nl Energie. De gemeente Utrecht wil zo spoedig mogelijk klimaatneutraal zijn, waaraan alle partijen een relevante bijdrage moeten leveren. Voor bouwprojecten betekent dit energieneutraal of beter te bouwen. Gebruik van aardgas wordt niet toegestaan. Concrete invulling van energieneutraal bouwen wordt uitgelegd in het Utrechts Energieprotocol. Samenvattend komt het neer op het volgende: - Warmte- en koudevraag De energiebehoefte (BENG 1) wordt zo laag mogelijk gemaakt. Uitgangspunt is daarnaast dat het plan/gebied zelfvoorzienend is in de warmte- en koudevraag van de bebouwing. Dit betekent dat er zo min mogelijk aanspraak wordt gedaan op externe bronnen zoals stadsverwarming. Wanneer het mogelijk is worden warmte- of koudeoverschotten van het gebied ter beschikking gesteld aan derden door de systemen te koppelen.

Verder is het van belang dat de eindgebruiker comfort ervaart en geen hoge energielasten heeft. - Energievraag Uitgangspunt is dat de bebouwing jaarlijks evenveel hernieuwbare elektriciteit opwekt om te voorzien in de jaarlijkse energievraag. Dit is de gebouwgebonden energievraag, de gebruikersgebonden energievraag en de openbare ruimte in het gebied. Als het niet mogelijk is om binnen het plangebied voldoende hernieuwbare elektriciteit op te wekken dan mag er buiten het gebied gezocht worden naar opweklocaties om alsnog te voldoen. - Laadpunten elektrische voertuigen Vanuit de Europese richtlijn voor energieprestatie voor gebouwen is in maart 2020 een gewijzigd Bouwbesluit van kracht geworden. Wordt een gebouw ingrijpend verbouwd of wordt er nieuw gebouwd met meer dan 10 parkeerplaatsen, dan moet er minimaal één oplaadpunt gemaakt worden. Daarnaast moeten er lege mantelbuizen gelegd worden voor minimaal één op de vijf parkeerplaatsen Integrale duurzaamheid (GPR gebouw) Het middel GPR Gebouw wordt gebruikt om de duurzaamheid van een ontwerp integraal te toetsen. Dit wordt uitgedrukt via een rapportcijfer op de onderdelen Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Door van deze vijf onderdelen het gemiddelde te nemen 5 8 bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

Utrecht

wordt het eindcijfer bepaald. De gemeente Utrecht houdt hier als ambitieniveau een 8,0 aan als gemiddeld eindcijfer. Circulair bouwen In Utrecht is circulair bouwen de norm, zoals gesteld in motie 252 te 2016. Utrecht wil in 2050 een circulaire stad zijn. Het Actieprogramma Utrecht Circulair 2020-2023 (vastgesteld in november 2020) maakt onderdeel uit van de Omgevingsvisie en is een eerste stap op weg naar 2050. Het actieplan richt zich vooral op de gebouwde omgeving, waarbij de woningbouwopgave van groot belang is voor de circulaire ambitie: bestaande gebouwen worden circulair getransformeerd en nieuwe woningen zijn circulair te bouwen. De circulaire economie gaat niet alleen om het nuttig gebruik van grondstoffen, componenten en producten die hun levenseinde hebben bereikt. Een belangrijk onderdeel is ook de manier waarop deze producten worden ontworpen, vervaardigd en toegepast met het oog op makkelijk (her)gebruik aan het einde van hun leven. Dit gebeurt met aandacht voor zowel het grondstoffengebruik als de benodigde energie en de milieu impact. Binnen de gemeente Utrecht vullen we circulair bouwen daarom in door op vier fases van de bebouwing te sturen. Op alle vier onderdelen vragen we invulling: 1.

Ingaande materialenstroom in ontwerpfase

De ingaande materialenstroom wordt getoetst op milieueffecten door deze met een Milieu Prestatie Gebouw (MPG) berekening te berekenen. De MPG maakt een levenscyclusanalyse van de toegepaste materialen en installaties en drukt dat uit in een schaduwprijs per m² bruto vloeroppervlak per jaar. De schaduwprijs is een fictieve prijs die de kosten aangeeft om de milieuschade ongedaan te maken en is gestoeld op wetenschappelijk onderzoek. Hoe lager de schaduwprijs, hoe beter dus. Binnen de gemeente Utrecht willen we een schaduwprijs van ten hoogste €0,70/m²bvo.jr en hebben de ambitie deze zo snel mogelijk naar €0,50/m²bvo.jr te brengen. Dit kan o.a. bereikt worden door milieuvriendelijker materialen toe te passen, minder materialen toe te passen of hergebruikte materialen toe te passen. Binnen de circulaire bouw is het gebruik van biobased materialen een relevante ontwikkeling. Utrecht heeft op 8 februari 2021 de City Deal Circulair en Conceptueel bouwen ondertekend. Biobased materialen en producten zijn hernieuwbaar en kunnen in veel gevallen worden gefabriceerd uit afvalen reststromen. Dit leidt tot minder gebruik van primaire grondstoffen en lagere milieukosten: natuurlijk materiaal (grassen, bomen, e.a.) slaat CO2 op/houdt het vast, terwijl de productie van veel reguliere bouwmaterialen (staal, beton) juist met veel CO2-uitstoot gemoeid gaat.

Volgens het Bouwbesluit hoeft alleen datgene ingevoerd te worden om aan de Bouwbesluiteisen te voldoen (bijv. EPC 0,40). Ook is volgens het Bouwbesluit alleen bij woningen en kantoorgebouwen een MPG berekening vereist. Wij vragen echter een MPG berekening die conform het ontwerp is ingevoerd, ongeacht de gebruiksfunctie. 2.

Vermijden van afval en efficiënt grondstoffengebruik in de bouwfase

Tijdens de bouwfase is het van belang om afval zoveel mogelijk te vermijden en grondstoffen maximaal te benutten. Afval vermijden kan door maatregelen te treffen tegen overproductie, te grote voorraden en het voorkomen van defecte en afgewezen producten. De toepassing van prefab bouwen en het benutten van een bouwhub bieden hierbij veel voordelen, waaronder het spaarzaam omgaan met grondstoffen en duurzaam beheer van de bouwplaats, vermindering van de hoeveelheid afval op de bouwplaats, minder overlast op de bouwplaats, en eenvoudige (re)montage van elementen. 3.

Aanpasbaarheid in de gebruiksfase

Door zo te ontwerpen dat het gebouw makkelijk aangepast kan worden, wordt de milieubelasting van de aanpassingen verlaagd en de levensduur van het gebouw verlengd. Dit kan bijvoorbeeld door ruimtelijke indeelbaarheid te vergroten, overmaats te ontwerpen of onafhankelijke lagen te bouwen met een verschillende levensduur. Door al bij het ontwerp rekening te houden met demontage in de toekomst, kunnen de componenten of het hele gebouw aan het einde worden hergebruikt. Makkelijk bereikbare installaties zijn daarbij belangrijk. Denk ook aan hoe het gebouw in een andere gebruiksfunctie zou functioneren. Indien van toepassing, zou bijvoorbeeld een kantoor gemakkelijk getransformeerd kunnen worden naar woningen. 4.

Herbruikbaarheid na gebruiksfase

Aan het einde van de gebruiksfase wordt een gebouw normaliter gesloopt. Een circulair gebouw wordt gedemonteerd en de vrijgekomen materialen/constructies worden ter beschikking gesteld voor een nieuw bouwproject. Om dit te bewerkstelligen is het ten eerste van belang dat het gebouw zo demontabel mogelijk wordt ontworpen. Ten tweede moeten de vrijkomende materialen bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

59

herbruikbaar zijn, dus giftige of anderzijds eenmalig bruikbare materialen moeten vermeden worden. Ten derde is het van belang dat de materialen in het gebouw opgeslagen zijn in een paspoort. Dat laatste is van belang omdat zonder kennis van de opgeslagen materialen in het gebouw, de waarde ervan verloren gaat. Proces We schrijven niet exact voor hoe een circulair ontwerp gemaakt moet worden, of hoe circulair gebouwd moet worden. We hebben wel een hoge circulaire ambitie en belonen inzet daarop. De markt wordt uitgedaagd en krijgt de ruimte om zelf te komen met creatieve, innovatieve circulaire voorstellen met zo hoog mogelijke ambities. Hierbij dient een duurzaamheidsvisie en -plan te worden opgesteld, waarin aandacht wordt besteed aan bovengenoemde onderwerpen. Het is goed om vroeg in het proces te overleggen met de adviseur duurzaamheid van de afdeling Ruimte van de gemeente Utrecht over de sturing van ontwerp- en materiaalkeuzen. Het doel hiervan is het vroegtijdig bespreken van de duurzaamheidsambities en het in beeld brengen van kansen, (duurzaamheidsvisie) de aanpak van duurzame bouw vastleggen (duurzaamheidsplan) en het vastleggen hoe tijdens ontwerp en bouw wordt getoetst. Situatie plangebied Energie Ontwikkelingen binnen de kaders van dit bestemmingsplan zullen getoetst worden aan het beleid van de gemeente met betrekking tot klimaat en duurzaamheid.

In dit geval wordt er onder andere specifiek getoetst aan het Utrechts Energieprotocol. - Warmte- en koude vraag In de nieuwe BENG (bijna energie neutrale gebouwen) eisen is de kwaliteit van de schil vastgelegd in de BENG 1 indicator. Hierbij zal voldaan worden aan de ondergrens die vanaf 1 januari geldt voor woonzorggebouwen van 65 kWh/m². Ook aan de eis BENG 2 = 50kWh/m² en BENG 3 =40% hernieuwbare energie wordt voldaan. De ambitie is de BENG 1 eis te overtreffen en onder de 50 kWh/m² uit te komen. Dit is mogelijk door een combinatie van goed isoleren, luchtdicht bouwen en ventilatie met warmteterugwinning. -Energievraag Conform het landelijke bouwbesluit worden gasaansluitingen voor nieuwe woningen en het woonzorgcomplex niet gehonoreerd. Voor het woonzorggebouw zal gebruik gemaakt gaan worden van zonnepanelen op de zuidzijde van het dak van het woonzorggebouw. Er wordt ca. 280 m² (175 stuks standaardafmetingen) aan panelen aangebracht. In het gebouw zal verder een collectieve lucht/water warmtepomp worden toegepast, welke het gebouw energiezuinig en op lage temperatuur zal verwarmen. Het aansluiten van een electrisch oplaadpunt is in dit plan met 10 parkeerplaatsen niet verplicht. Bij de realisatie zal er nog geen oplaadpunt geplaatst worden. Wel worden de benodigde kabels en leidingen hiervoor aangelegd.

Integrale duurzaamheid Voor het plan geldt een minimale GPR-gebouwscore van 8. Met deze GPR-score wordt middels vijf thema's (energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde) een waarde gegeven aan de algemene duurzaamheid van de bouwontwikkeling. De GPR-score voor het woonzorgcomplex wordt onder andere beïnvloed door gebruik te maken van FSC-gecertificeerd hout voor de gebouwschil, waterbesparende toiletten, douches en tapkranen, kranen met begrenzers, LED-verlichting, een flexibele indeling, (voorbereiding op) zonwering, maar ook de beleving van het gebouw en de buitenruimte. Onderzocht wordt of de bouw volledig kan worden uitgevoerd in CLT (Cross Laminated Timber), ofwel kruislaaghout. Dit is een belangrijke factor voor de uiteindelijke GPR-score. De GPR-score voor de vrijesectorwoningen kan onder andere ingevuld worden door nog energiezuiniger te bouwen. Op het thema gezondheid door het inzetten van betere geluidwering of ventilatie met CO2 sturing. Gebruikskwaliteit kan verbeterd worden door rekening te houden met grotere ruimten en doorgangen zodat deze beter toegankelijk worden. Tot slot wordt extra toekomstwaarde gecreëerd door het gebouw klaar te maken voor (mogelijk) toekomstige wijzingen. Bijvoorbeeld door het mogelijk te maken de woning te kunnen uitbreiden of indelingen relatief eenvoudig te kunnen aanpassen. Circulair bouwen 1.

Ingaande materialenstroom in ontwerpfase Voor de Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) geldt als ambitie 0,60 (het bouwbesluit eist nu maximaal 1). Het is van belang om zoveel mogelijk vernieuwbare grondstoffen zoals bijvoorbeeld hout, toe te 6 0 bestemmingsplan "Zand 46a e.o. Hoge Woerd" (vastgesteld)

Utrecht

passen en daarbij het beperken van beton- en steenachtige constructies. In de gevel wordt hout als natuurlijk en hernieuwbare grondstof toegepast. Voor het maken van de constructie wordt onderzocht of houtskeletbouw of CLT (Cross Laminated Timber) kan worden toegepast. CLT is kruislaags verlijmd hout dat constructief kan worden toegepast en vormt een prima alternatief voor beton of staal. 2.

Vermijden van afval en efficiënt grondstoffengebruik in de bouwfase

Bij de sloop van de bestaande opstallen wordt onderzocht welke onderdelen hergebruikt kunnen worden, binnen of buiten het project, door circulair te slopen. Alles wat opnieuw gebruikt kan worden, draagt bij aan de beperking van de CO2 uitstoot. Voor het op de markt zetten van deze secundaire materialen kan de gemeente adviseren en is gebruik te maken van haar circulaire netwerk. Bij de keuze van de aannemer die circulair gaat demonteren speelt de ervaring die zo'n bedrijf al heeft op dit vlak een belangrijke rol. 3.

Aanpasbaarheid in de gebruiksfase

4.

Herbruikbaarheid na gebruiksfase

Er wordt gebruik gemaakt van een materialenpaspoort. Conclusie De ontwikkeling houdt rekening met het aspect duurzaamheid en voorziet in duurzame maatregelen. Duurzaamheid vormt geen verdere belemmering voor het initiatief.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=d16a77ba-e924-4d96-8850-b467926ab607