CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Nedereindseweg 511, Rijnenburg.pdf

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 2 december 2021, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Nedereindseweg 511, Rijnenburg30.852 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Conclusie Als de aanbeveling voor het verwijderen van de overkapping buiten het broedseizoen of het laten uitvoeren van een broedvogelscan wordt opgevolgd, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van de soortenbescherming. Door de stikstofdepositie van de 4 4 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

ontwikkeling vindt geen significante verslechtering plaats in Natura 2000-gebieden. Het aspect natuurbescherming vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.10 Bomen Het perceel wordt landschappelijk ingepast (zie Bijlage 2). Binnen het plangebied staan nog enkele volwassen knotwilgen langs de randen. Er worden onder meer 60 nieuwe knotwilgen aangeplant (aan de zijden van het perceel), waarmee de bestaande bomenrij wordt versterkt. Ook worden vier hoogstam fruitbomen en een border met heesters aan de voorzijde van de woning gesitueerd. Verder wordt een solitaire notenboom aangeplant, ten zuiden van het atelier/tuinhuis. Daarnaast worden de gewenste parkeerplaatsen aan de oostzijde van de woning afgeschermd met een aan te planten haag en wordt achter de woning een tuin aangelegd (zie verder hoofdstuk 4).

5.11 Water Met de watertoets wordt beoogd de waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken waardoor het water een evenwichtige plaats krijgt in ruimtelijke plannen. Een evenwichtige plaats houdt in dat in elk plan de negatieve effecten voor de waterhuishouding ten gevolge van ruimtelijke ontwikkelingen -waar mogelijk- moeten worden voorkomen. De resultaten van de watertoets worden weergegeven in deze paragraaf. Deze paragraaf is opgesteld in overleg met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). Plangebied Het voornemen is aan het Hoogheemraadschap voorgelegd door middel van uitvoering van de watertoets. In Bijlage 10 is het resultaat opgenomen. Het resultaat wordt hieronder kort beschreven. Voor de bijbehorende voorwaarden en verplichte vervolgstappen wordt verwezen naar het resultaat de genoemde bijlage. Op basis van de watertoets is de ‘normale procedure’ van toepassing gebleken. Mogelijk heeft het voornemen gevolgen voor water en het is het Hoogheemraadschap nog niet duidelijk of het plan voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Hieronder wordt op de relevant aspecten ingegaan: Hemelwater- en afvalwater Hemelwater wordt direct geloosd op de sloot, het overige via het riool: 2 gescheiden systemen.

Alle benodigde aansluitingen liggen al op het perceel. Alle hoofdaansluitingen zijn bij de sloop intact gebleven, zodat een nieuwe aanvraag hiervoor niet noodzakelijk is. Inrichting en onderhoud sloten De bomen kunnen niet op 3 meter van de sloot staan, dat past niet in het beeld t.o.v. de andere bomen. De onderlinge afstand van de bomen is voldoende om de sloten goed te kunnen onderhouden. Er worden geen bomen gekapt. Verder is van belang dat initiatiefnemer voornemens is om een brug te realiseren. Daarnaast zal de aan te leggen sloot een breedte (op waterlijn) krijgen van minimaal de aangegeven 2.3 meter en een diepte van minimaal 0.6 meter. Overige adviespunten Om wateroverlast te voorkomen wordt het vloerpeil van de panden minimaal 0,15 m boven straatpeil aangelegd. Hieraan kan worden voldaan . In de huidige situatie ligt het vloerpeil op 0.25 m. boven straatpeil. Om (grond) wateroverlast te voorkomen zullen de vloeren en wanden van de kelders vloeistofdicht worden uitgevoerd. Het tijdelijk onttrekken van grondwater t.b.v. de kelders is, afhankelijk van de duur en omvang, meldings- of vergunningsplichtig. Daarnaast is van belang dat het plan klimaatbestendig is. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.16. Conclusie Het voornemen heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

45

5.12 Archeologie Wettelijk kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Verordening en bestemmingsplan De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen wordt verwezen naar de verordening en een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde- archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg.

Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Gemeentelijke archeologische waardenkaart De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de verordening op de archeologische Monumentenzorg. Deze waardenkaart is geënt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) van de provincie en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting en gebieden van archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd.

Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Gebieden van hoge archeologische waarde (rood) zijn gebieden waarvan bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar die niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (geel) zijn zones waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek archeologische waarden te verwachten zijn (er wordt een middelhoge tot hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm. Bij gebieden met een archeologische verwachting (groen) zijn de verwachtingen lager (er wordt een middelhoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht).

Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij 4 6 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

bodemingrepen groter dan 1000 m2 en dieper dan 50 cm. Daarnaast zijn op de kaart witte gebieden aangewezen. Voor deze zones geldt geen verwachting en geen vergunningstelsel. Plangebied Het plangebied Nedereindseweg 511 valt volgens de archeologische waardenkaart in een gebied met een hoge archeologische verwachting (geel op de waardenkaart). Daarnaast is het gebied gearceerd. Dit betekent dat een archeologievergunning noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld. Binnen het plangebied zijn in het verleden meerdere mestkelders aanbracht. Daarnaast heeft zich op een groot deel van het plangebied onderkelderde bebouwing bevonden. De bodem op deze locaties is dan ook reeds geroerd. De beoogde nieuwbouw is hoofdzakelijk beoogd op deze reeds geroerde delen. Vanwege het feit dat de gronden ter plaatse van de beoogde bebouwing in het verleden voor een groot deel al geroerd zijn, zijn er geen eventuele archeologische waarden te verwachten. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Als bij de uitvoering van de werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen moet hiervan, op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding worden gedaan bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q.

archeologen van de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht, 030-2860023, 030-2860016, 030-2860011 of 030-2862765 en via archeologie@utrecht.nl.

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.13 Kabels en leidingen Kader Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan nodig hebben. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en leidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt rekening gehouden met een zakelijke rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen wordt beschadiging van de leiding voorkomen. Plansituatie In het plangebied is een gas- en een hoofdrioolleiding aanwezig (zie Bijlage 11). De hoofdrioolleiding wordt conserverend opgenomen. Deze leiding wordt in het bestemmingsplan aangeduid en beschermd via een dubbelbestemming. De gasleiding is planologisch niet relevant. Conclusie Door het opnemen de dubbelbestemming in dit bestemmingsplan is de instandhouding van de hoofdrioolleiding verzekerd. bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

47

5.14 Gezondheid Kader Gezonde verstedelijking betekent: gezond, vitaal, sociaal en zelfstandig samenleven, in een schone, prettige, duurzame en economische welvarende stad. Het bewaken, beschermen en bevorderen van de gezondheid in het fysieke domein gaat vanuit drie invalshoeken: De druk op gezondheid zo laag mogelijk houden. Het bouwen van woningen op een redelijke afstand van de snelweg, een schonere lucht, een betere water- en bodemkwaliteit en op minder; geluidhinder. Het gaat hier om meer dan alleen het naleven van de milieunormen; De inrichting van de leefomgeving wordt door mensen als prettig ervaren. Het gaat er dan om of de omgeving levendig, afwisselend en veilig is ingericht. Belangrijk zijn voldoende bereikbaar, aantrekkelijk en bruikbaar groen, voldoende ruimte voor ontmoeting en voldoende aangename geur en kleur; De leefomgeving nodigt uit tot gezond gedrag. Belangrijk is dat mensen elkaar ontmoeten en voldoende bewegen. Dat kan onder meer door dagelijkse beweging in de buurt beter te faciliteren met goede wandel- en fietsroutes, fietsparkeervoorzieningen en speelmogelijkheden. Plansituatie Het plangebied ligt in het buitengebied waar de druk op de gezondheid ten opzichte van een meer stedelijk gebied relatief laag is. Door het toevoegen van extra groen op het perceel wordt de kwaliteit van de leefomgeving nog verder versterkt.

Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.15 Toegankelijkheid Kader Utrecht wil een stad zijn waar iedereen mee kan doen, waar we niemand buitensluiten. Een inclusieve toegankelijke stad. Alle Utrechters, met en zonder beperking, moeten alle openbare gebouwen, woningen, de openbare ruimte en dienstverlening kunnen gebruiken. Utrecht werkt al sinds 2007 actief aan toegankelijkheid, eerst met Agenda 22 en nu volgens het VN-verdrag handicap. De ambities van de gemeente voor het VN-verdrag handicap staan in de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk'. In de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' zijn drie kansen omschreven die we als gemeente willen pakken. Dit zijn: sneller en concreet resultaat, niet alleen fysiek maar ook sociaal toegankelijk en samenwerken met de stad. Met het uitvoeringsprogramma 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' laten we zien wat we al doen en wat we nieuw op pakken. Dit zijn acties die nodig zijn voor het benutten van de drie kansen. Plangebied Woningen Voor woningen is het Bouwbesluit van kracht. Utrecht wil graag rolstoelbezoekbare en rolstoelbewoonbare woningen. Wij willen dat iedereen, ook als hij of zij gebruik maakt van een rolstoel, alle nieuwe of verbouwde woningen kan bezoeken. Iedereen kan vanaf de openbare weg bij de voordeur komen, een brief in de bus doen, aanbellen, binnengaan, in de woonkamer komen en bij het toilet.

Dit houdt bijvoorbeeld in dat er geen trappetjes of opstapjes zijn, binnen of buiten de woning. Dit is een woning die bezoekbaar is. We willen dat mensen in een rolstoel in alle nieuwe of verbouwde nultredenwoningen (woningen waarbij de entree, woonkamer/eetkamer, keuken, badkamer, toilet en ten minste één slaapkamer zonder trap bereikbaar zijn) kunnen wonen. Of het is gemakkelijk om daarvoor te zorgen. De ambitie van Utrecht gaat hiermee verder dan het Bouwbesluit. Conclusie Het aspect toegankelijkheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.16 Duurzaamheid Duurzaamheid is een breed begrip. Kort gezegd zijn in een duurzame wereld mens (people), milieu (planet) en economie (profit) met elkaar in evenwicht, zodat de aarde niet uitgeput raakt. Het gaat om een ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen (bron: Wereldcommissie voor milieu en ontwikkeling). Aan het aspect duurzaamheid kan dan ook op meerdere manieren worden bijgedragen. In onderstaande tekst wordt hier voor wat betreft de gewenste ontwikkeling nader op ingegaan. 4 8 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

Energie en klimaatbestendigheid Ter plaatse is reeds een gasaansluiting aanwezig. Het voornemen is om deze te behouden en aan te vullen met duurzame oplossingen. Het gaat daarbij om het treffen van de volgende maatregelen: Isolatie waarde dichte delen >Rc5: minder warmte verlies en comfort verhogend; Isolatie open delen Uframe <1.6: minder warmte verlies en comfort verhogend; Ontwerp met gunstige overstek: beperkte oververhitting van de woning; Vraaggestuurd (CO2) ventilatiesysteem: energie besparend en comfort verhogend; Gebalanceerde verwarming met warmte terugwinning: energie besparend en comfort verhogend; Hotfill aansluiting voor de wasmachine: energiebesparend; Zonnepanelen op het dak: andere vorm van energielevering toevoegen; Warmtepomp: andere vorm van energielevering toevoegen. Door het toevoegen van de vermelde duurzame energiebronnen worden luchtvervuiling en CO2 uitstoot fors verminderd. De energie van deze bronnen raakt nooit op en er wordt bijgedragen aan klimaatbestendigheid. Ook op andere wijze wordt binnen het voornemen bijgedragen aan het aspect klimaatbestendigheid. Zo is er per saldo sprake van een grote afname van bebouwing (circa 848 m2), een mestplaat (45 m2) en verharding (ruim 50 %) en wordt meer groen aangeplant. Hiermee wordt ook bijgedragen aan het filteren van fijnstof uit de lucht en het omzetten van CO2 naar zuurstof.

Tot slot wordt meer ruimte gecreëerd voor het opvangen van water, mede door het herstel van de sloot. Circulair bouwen Binnen het voornemen wordt circulair bouwen zoveel mogelijk toegepast (met uitzondering van de betonnen vloeren en gestukadoorde wanden). Hierbij wordt met het oog op de toekomst op een andere manier gebruik gemaakt van grondstoffen en producten: er is sprake van een (gesloten) kringloop, waarbij grondstoffen, producten en goederen slim worden gebruikt (bijvoorbeeld minimaal gebruik/hergebruik grondstoffen en levensduurverlenging). Hierdoor kunnen deze oneindig hergebruikt worden. Onbruikbare producten kunnen nuttig worden ingezet in een ander product, zonder dat sprake is van kwaliteitsverlies of restproducten. In het algemeen worden bij het realiseren van gebouwen namelijk veelal grondstoffen gewonnen, waarna deze worden verwerkt tot producten en vervolgens - wanneer de producten niet meer bruikbaar zijn - worden vernietigd. Deze vorm van bouwen kan echter niet oneindig worden toegepast, aangezien grondstoffen uiteindelijk op zullen raken. Natuurinclusief bouwen Ook het behoud en de ontwikkeling van biodiversiteit maken onderdeel uit van het aspect duurzaamheid. Met eenvoudige voorzieningen aan gebouwen kan hieraan een bijdrage worden geleverd.

In dit geval is het voornemen om hieraan bij te dragen door het plaatsen van nestkasten en het creëren van plekken onder een overstek.

5.17 Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat, als voldaan wordt aan de randvoorwaarden zoals in de vorige paragrafen zijn beschreven, er vanuit milieukundig oogpunt geen belemmeringen zijn van de uitvoering het plan.

bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

49

5 0 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Inleiding Dit bestemmingsplan is naar aanleiding van een aanvraag in procedure gebracht. Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woning mogelijk: de omzetting van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar een gewone woning met een paardenstal voor het hobbymatig houden van paarden. Financiële uitvoerbaarheid De initiatiefnemer draagt de kosten voor dit initiatief. Vanuit het plan vloeien geen kosten of risico's voort die voor rekening van de gemeente zijn. Daarnaast zijn de kosten zodanig dat de initiatiefnemer dit kan betalen. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd. Economische uitvoerbaarheid Vanwege de geprognosticeerde groei van Utrecht naar circa 400.000 inwoners en de aantrekkende woningmarkt wordt de economische uitvoerbaarheid van dit plan voldoende aannemelijk geacht (zie ook paragraaf 2.1.3). Met de voorgenomen bestemmingswijziging neemt de verkoopbaarheid van de boerderij toe. De uitvoerbaarheid van het project b is hiermee voldoende aangetoond. Kostenverhaal Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad verplicht om een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop 'aangewezen bouwplannen' zijn voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro zijn de 'aangewezen bouwplannen' opgenomen.

Het gaat om nieuwbouw van woningen of andere hoofdgebouwen, grote uitbreidingen van bestaande gebouwen of kassen (met meer dan 1.000 m²). Het bouwen van een nieuwe woning betreft een aangewezen bouwplan (artikel 6.12, eerste lid Wro). Er is dus een exploitatieplan verplicht. Een exploitatieplan kan achterwege blijven wanneer de kosten voor het plan anderszins verzekerd zijn. Voor dit plan is geen exploitatieplan vastgesteld. De gemeentelijke kosten voor de begeleiding en toetsing van aanvragen voor vergunningen, worden uit de daarvoor bestemde leges gedekt. Voor het verhaal van door de gemeente gemaakte kosten die niet worden gedekt uit de reguliere leges is een planschadeovereenkomst gesloten tussen gemeente en initiatiefnemer (zie hieronder). Planschade Voor de uitwerking van dit plan is een planschadeovereenkomst opgesteld tussen de initiatiefnemer van dit plan en de gemeente. Het risico op planschade wordt afgewenteld op initiatiefnemer. Exploitatieplan Het kostenverhaal is anderszins verzekerd. Daarnaast is er geen noodzaak tot het stellen van eisen aan de fasering dan wel aan de uitvoering. Er zal bij dit bestemmingsplan dan ook géén exploitatieplan worden vastgesteld.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening

Het plan is aan een aantal instanties toegezonden voor een reactie als bedoeld in art 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Zowel het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) als de provincie Utrecht hebben gereageerd op het conceptbestemmingsplan. HDSR Graven van sloot aan de voorzijde van de woning HDSR geeft aan akkoord te zijn met de aanleg van de watergang aan de voorzijde van de woning. De voorkeur gaat, i.v.m. waterafvoer en waterkwaliteit, uit naar de aanleg van een brug over deze sloot. HDSR vraagt om in de waterparagraaf aan te geven of er sprake is van de aanleg van een brug. Daarnaast om aan te geven wat de breedte wordt (op waterlijn) van de aan te leggen sloot. Voor de aanlegdiepte van de sloot adviseert HDSR om uit te gaan van minimaal 0,60 meter. Reactie De initiatiefnemer heeft toegezegd dat er een brug wordt aangelegd. Dit volgt ook uit de omgevingsvergunning die met de bestemmingsplan procedure wordt gecoördineerd op rond van artikel art. 3.30 Wro. De sloot wordt circa 2,5 meter breed. De waterparagraaf is hierop aangevuld. bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

51

Vervolgproces: opstellen inrichtingsplan en aanvragen watervergunning HDSR vraagt om in het vervolgproces het waterschap actief te blijven betrekken. HDSR wil graag meedenken over de concrete invulling van inrichtingsvraagstukken, waaronder ook het ontwerp van de nieuwe watergang. Voor het graven van de nieuwe watergang volstaat een melding (en de algemene regel) als de watergang een breedte heeft van minimaal 2,30 meter op de waterlijn bij laagst opgenomen peil in peilbesluit en een minimale diepte heeft van 0,60 meter t.o.v. laagst opgenomen peil in het peilbesluit. Bij kleinere afmetingen geldt een vergunningplicht. Voor de brug geldt een algemene regel zonder meldplicht. Reactie De initiatiefnemer heeft aangegeven dat HDSR in het vervolgproces actief zal worden betrokken. Graag maakt initiatiefnemer gebruik van de kennis van HDSR.

Provincie Utrecht De motivering van het plan is volgens het artikel 3.5 Bebouwingsenclaves- en linten van de PRV. Vanaf 1 april 2021 is dat artikel 9.5: Instructieregel bebouwingsenclaves en - linten van de Interim verordening. Het plan voldoet hieraan. Vanuit landschap worden de volgende aandachtspunten meegegeven: De inrichting van het perceel, met doorzichten en randbeplanting langs de sloten, is goed. Één van de schuren, het dierenverblijf voor paarden, staat ver naar achteren. Hierdoor ontstaat er veel verharding. De woonbestemming loopt door tot deze schuur. Om de groene inrichting van het terrein en de doorzichten te borgen, zou het gedeelte links van de woning en een deel van het dierenverblijf een groene bestemming kunnen krijgen. Reactie Naar aanleiding van deze reactie zijn de bijgebouwen (wagenschuur, tuinhuisje, dierenschuur en aanbouw) in het bestemmingsplan specifiek bestemd. Daarnaast is geregeld dat het college de bevoegdheid heeft om nadere eisen te stellen over de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing (artikel 3.3). Er kan dus niet meer bebouwing worden gerealiseerd op grond van het bestemmingsplan. De gronden worden gebruikt als tuin/ erf bij de woning. Een groenbestemming vinden we hier niet passend. 6.2.2

Participatieproces

Bewoners in de directe omgeving van het plangebied zijn door de initiatiefnemer geïnformeerd over de bestemmingsplanprocedure en worden in de gelegenheid gesteld om te reageren.

5 2 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 7 Juridische plantoelichting 7.1

Inleiding

Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker en draagt zo bij aan een effectiever en efficiëntere dienstverlening.

7.2

Opbouw regels

De opzet van de bestemmingsregels is steeds gelijk: bestemmingsomschrijving (met ondergeschikte en nevengeschikte doeleinden); bouwregels; nadere eisen waar de bestemmingsregeling dat nodig maakt; afwijkingsregels van de bouwregels; waar nodig: een bijzondere gebruiksregel, bijvoorbeeld bij wonen een aan-huis-verbonden bedrijf. afwijkingsregels van de gebruiksregels; eventueel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ter bescherming van aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke of natuurwaarden; waar nodig: een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. 7.2.1

Het gebruik van het woord of

Wanneer in de regels van dit bestemmingsplan in een opsomming van gevallen het woord 'of' wordt gebruikt, is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan een van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoen. Onder 'of' wordt een combinatie van opties niet uitgesloten. 7.2.2

Nadere eisen

Op basis van artikel 3.6, lid 1 onder d van Wro, kan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels, nadere eisen kunnen stellen ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen. Het stellen van nadere eisen kan betrekking hebben op een heel scala van onderwerpen. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat de nadere eisen betrekking hebben op de situering of afmetingen van gebouwen of bouwwerken, of op het stellen van eisen aan parkeergelegenheid op eigen terrein, maar evenzeer kunnen nadere eisen betrekking hebben op het treffen van bouwkundige voorzieningen of aanpassingen die van belang zijn voor een goede ruimtelijke ordening. In hoofdzaak vindt een goede ruimtelijke ordening plaats door het toekennen van bestemmingen en daarbij bouwmogelijkheden aan percelen. Hoewel daarmee op hoofdlijnen de gewenste ruimtelijk inrichting van een perceel (qua functie en bebouwingsvolume) is vastgelegd, kan er echter op detailniveau aanleiding zijn of behoefte bestaan om specifieke ruimtelijke belangen op een juiste manier af te stemmen. Hiervoor is het instrument van nadere eisen in de wet opgenomen.

Om nadere eisen te kunnen opnemen, wordt in de toelichting een beschrijving gegeven van bijvoorbeeld de relevante te beschermen karakteristiek van een plangebied, de parkeersituatie, de cultuurhistorische waarden die beschermd kunnen worden door middel van andere eisen enz. Nadere eisen dienen er voor om binnen de toegekende bestemming en bouwmogelijkheden maatwerk te kunnen leveren op perceelsniveau. De noodzaak voor dit maatwerk is gelegen in de specifieke ruimtelijke omstandigheden van het betreffende (of het aangrenzende) perceel, die niet op voorhand te regelen zijn in de algemeen geformuleerde bestemmingsregeling. Deze specifieke ruimtelijke omstandigheden kunnen de volgende aspecten betreffen: stedenbouwkundige aspecten; landschappelijke en of ecologische aspecten; milieukundige aspecten; cultuurhistorische aspecten; bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

53

verkeersaspecten; sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen/bouwwerken. Het gebied geeft aanleiding voor het opnemen van nadere eisen, gelet op de hoge dichtheid en de mate van functiemenging. Hieronder worden enkele aspecten nader toegelicht. Stedenbouwkundige aspecten In het gebied is het creëren van een afwisselend bebouwingsbeeld van groot belang, waarbij de stedenbouwkundige opzet van het gebied wordt gerespecteerd en nieuwbouw zorgvuldig wordt ingepast.

7.3

Artikelsgewijze toelichting

Op een aantal bestemmingen is in deze paragraaf een nadere toelichting opgenomen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen Binnen de bestemming ‘Wonen’ is de realisatie van één woning mogelijk. Aangesloten is bij de bestemming 'Wonen' uit het bestemmingsplan Rijnenburg. De erfbebouwing (bijbehorende bouwwerken) is specifiek bestemd via een specifieke bouwaanduiding zodat de landschappelijke inpassing goed geborgd is en er niet meer bijbehorende bouwwerken op het perceel planologisch worden mogelijk gemaakt. Aan-huis-verbonden bedrijf Een belangrijk onderdeel van de bestemming Wonen is de regeling van de aan-huis-verbonden bedrijven als ondergeschikte functie bij het wonen. Zoals de naam al aangeeft, gaat het bij een aan-huis-verbonden bedrijf om een beroeps- of bedrijfsuitoefening in combinatie met wonen en dus door één van de bewoners van de woning. De maximale oppervlakte die daarvoor is toegestaan is 1/3 deel van het vloeroppervlak van de woning (inclusief aanbouwen) en vrijstaande bijgebouwen met een maximum van 60 m². Bij een aan-huis-verbonden bedrijf mag geen sprake zijn van detailhandel, horeca, afhaalzaken of belhuizen.

Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van milieucategorie B2 voor een aan-huis-verbonden bedrijf, echter onder de voorwaarde dat de bedrijfsactiviteit in kwestie naar aard en invloed op de omgeving gelijk kan worden gesteld met bedrijfsactiviteiten in milieucategorie A of B1 van de Lijst van Bedrijven functiemenging. Artikel 4 Leiding - Riool De bestaande riolering is in deze dubbelbestemmingen aangegeven en beschermd. Artikel 5 Waarde - Archeologie Deze bestemming is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. In dit artikel is bepaald dat het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg wordt gezien als met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Artikel 6 Waarde - Landschap Voor belangrijke delen van het plangebied is de dubbelbestemming Waarde-Landschap opgenomen. Het gaat hier om gebieden die vanwege hun openheid en/of belangrijke structuur als ook de kenmerkende beplanting in stand moeten worden gehouden. Deze aangewezen gebieden moeten vrij gehouden worden van bebouwing om het bijzondere karakter van het gebied te beschermen. Daarnaast is een aantal activiteiten niet zonder meer mogelijk. Hiervoor is een omgevingsvergunning nodig.

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een stuk grond dat al eens was betrokken bij het verlenen van een omgevingsvergunning bij de beoordeling van latere bouwplannen nogmaals wordt betrokken. Artikel 8 Algemene bouwregels Dit artikel regelt de mogelijkheid voor (beperkte) overschrijdingen van bebouwingsgrenzen die op de kaart zijn aangegeven, een voorwaardelijke verplichting over parkeren en regels voor woningvorming en omzetting. Voorwaardelijke verplichting over parkeren Deze planregel volgt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 9 september 2015 (201410585/1) over bestemmingsplan "KPN Campus Fockema Andreaelaan, Rubenslaan e.o.". Artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro maakt het mogelijk dat een bestemmingsplan ten behoeve van 5 4 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Artikel 8.3 lid 1 van de planregels regelt dat bij een omgevingsvergunning voor het bouwen de parkeergelegenheid voor auto's en fietsen voldoet aan het gemeentelijk beleid (ten tijde van het opstellen van deze toelichting: de Nota Stallen en Parkeren 2013). Bij het toetsen van een bouwaanvraag aan het bestemmingsplan, zal onderzocht worden of de aanvraag voldoet aan de voorwaarde om voldoende parkeergelegenheid te regelen. Als gedurende de geldigheid van dit bestemmingsplan het parkeerbeleid wordt gewijzigd, geldt als uitgangspunt dat een aanvraag om omgevingsvergunning aan het op dat moment geldende parkeerbeleid wordt getoetst. Daarom bevat artikel 8.3 lid 2 een regel die bij gewijzigd beleid een afweging over de bij de aanvraag horende parkeereis, zodat gemotiveerd wordt in hoeverre het nieuwe beleid wordt toegepast. Recent is de Nota Stallen en Parkeren gewijzigde via het op 28 maart 2019 vastgestelde addendum Nota parkeernormen fiets en auto. Woningvorming en omzetting De gemeenteraad heeft op 26 november 2015 de Beleidsnotitie Woningsplitsen en omzetten vastgesteld, waarin het gemeentelijke beleid voor het splitsen en omzetten van woningen is verwoord.

Woningvorming door (bouwkundig) splitsen of omzetten van woningen is niet langer zonder meer toegestaan. Woningvorming en omzetting van woningen ten behoeve van kamerverhuur voorziet weliswaar in de behoefte aan woonruimte voor starters en studenten, maar kan de leefbaarheid van de omgeving nadelig beïnvloeden. Klachten van omwonenden tonen aan dat een regeling nodig is, waarin het belang van het uitbreiden van het aantal woningen en kamers voor starters en studenten afgewogen wordt tegen het belang van het behouden van een goede leefkwaliteit van de buurt waarin die uitbreiding plaatsvindt. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) biedt de mogelijkheid om de leefbaarheid in een bestemmingsplan te beschermen. Op grond daarvan kan woningvorming en omzetting gereguleerd worden. Lid 8.4 van dit bestemmingsplan regelt dat het vormen en het omzetten van woningen mag als dat op een aanvaardbare manier gebeurt. De regel onder 2 geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om, in afwijking van de regel onder 1, woonvorming of woningsplitsing toe te staan. Burgemeester en wethouders toetsen hierbij aan de algemene leefbaarheidstoets en de fysieke leefbaarheidseisen van de Beleidsnotitie en beleidsregels Woningsplitsen en omzetten uit 2015.

De voorwaarde voor het verlenen van de vergunning is, dat er goede woningen of onzelfstandige woonruimten ontstaan en er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefklimaat, het verkeer, de parkeersituatie en de gebruiksmogelijkheden van de buren. Artikel 9 Algemene gebruiksregels De Wabo bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Een algemeen gebruiksverbod hoeft derhalve niet meer in de planregels te worden opgenomen. Het is wel mogelijk om in het bestemmingsplan aan te geven wat onder verboden gebruik in ieder geval wordt verstaan. In dit artikel is opgenomen dat onder verboden gebruik wordt verstaan: onbebouwde gronden te gebruiken als staanplaats voor onderkomens als opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan of als stortplaats voor puin en afvalstoffen. Het gebruik of bouwen in strijd met het bestemmingsplan was vroeger onder de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening via een algemene gebruiksbepaling en strafbepaling geregeld in het bestemmingsplan. Onder de Wet ruimtelijke ordening was een en ander geregeld in de wet zelf. Met de invoering van de Wabo is dat opnieuw gewijzigd. Nu is het als volgt geregeld.

Voor elke verandering van gebruik (in ruime zin) die in strijd komt met een bestemmingsplan is volgens artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo een omgevingsvergunning nodig. Indien voor een dergelijk planologisch strijdig gebruik geen omgevingsvergunning wordt gevraagd of een gevraagde vergunning niet wordt verleend, komt dit gebruik dus in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat artikel kan vervolgens bestuursrechtelijk of strafrechtelijk via de Wet op de economische delicten worden gehandhaafd. Strijdig gebruik met planologische regelingen waarvan afwijking niet is toegestaan valt niet onder artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Met het oog op dergelijk gebruik is in artikel 7.2 Wet ruimtelijke ordening een verbodsbepaling opgenomen bij de invoering van de Wabo. Woningvorming en omzetting Het bestemmingsplan bevat een algemene gebruiksregel voor het vormen en het omzetten van woningen met behoud van een goede leefkwaliteit. Deze regel is, in aanvulling op de algemene bouwregel over woningvorming en omzetting nodig, omdat woningvorming en omzetting soms ook zonder bouwkundige aanpassingen kan plaatsvinden. bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

55

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Dit artikel regelt de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om af te wijken van de regels. Dit heeft primair tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Ze kunnen worden toegepast als er niet op grond van de bestemmingsregelingen in hoofdstuk 2 al afgeweken kan worden. Het gaat dan om een afwijking van maten, afmetingen en percentages, het plaatsen van objecten van beeldende kunst, het realiseren van kleine nutsgebouwtjes. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht In het Besluit ruimtelijke ordening is overgangsrecht opgenomen dat in elk bestemmingsplan moet worden overgenomen. Indien de in het plan opgenomen regels, voor wat betreft gebruik of bebouwing, afwijken van een bestaande legale situatie, dan zijn daarop de overgangsregels van toepassing. De overgangsregel heeft tot doel bestaande belangen te respecteren totdat realisering van de nieuwe regels plaatsvindt. Voor bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, is bepaald dat deze gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijking niet wordt vergroot. Gehele vernieuwing is in principe uitgesloten, waaronder ook gefaseerde vernieuwing van een bouwwerk wordt verstaan. Het doel van het overgangsrecht is dat het bestaande bouwwerk in de bestaande staat in stand mag worden gehouden.

Uitsluitend na het tenietgaan van het bouwwerk door een calamiteit, waarmee onder andere brand of extreme weersomstandigheden wordt bedoeld, is onder voorwaarden gehele vernieuwing toegestaan. Vergunningplichtige bouwwerken die zonder vergunning zijn opgericht, kunnen door overgangsrecht niet gelegaliseerd worden. Bouwen zonder vergunning is immers een overtreding van de Wabo die niet door een regeling in een bestemmingsplan ongedaan kan worden gemaakt. Wel kan met een beroep op het overgangsrecht een aanvraag worden ingediend voor de verbouw van een illegaal bouwwerk. Om te voorkomen dat een dergelijke aanvraag moet worden gehonoreerd, is in de overgangsbepaling van dit plan opgenomen dat deze slechts van toepassing is op legale bouwwerken. Voor het gebruik dat onder het overgangsrecht valt, is bepaald dat dat gebruik mag worden voortgezet. Het gebruik mag eveneens worden gewijzigd, voor zover de afwijking ten opzichte van het toegestane gebruik niet vergroot wordt. Hiervoor is reeds aangegeven dat illegale bouwwerken niet gelegaliseerd kunnen worden door overgangsrecht. Voor gebruik is dat in principe wel mogelijk maar vanuit het oogpunt van handhaving ongewenst. Gezien het voorgaande is in de overgangsbepaling opgenomen dat het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, van het overgangsrecht is uitgesloten.

Ook na het van kracht worden van dit plan kan dus nog met succes handhavend worden opgetreden tegen gebruik dat reeds in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan. Dit laatste is uiteraard mede afhankelijk van andere aspecten, waaronder de vraag of het strijdige gebruik reeds zolang plaatsvindt dat de gemeente haar rechten heeft verwerkt. Artikel 12 Slotregel In dit artikel is de naam van het bestemmingsplan, de citeertitel, omschreven. Prostitutie In het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen seksinrichtingen gevestigd met een vergunning op basis van de APV. Gezien het in Utrecht gehanteerde maximumstelsel zijn nieuwe seksinrichtingen niet toegestaan en zijn seksinrichtingen uitgesloten in de gebruiksbepaling en in de begripsbepaling "aan-huis-verbonden bedrijf". Gelet op het binnen de gemeente gehanteerde maximumstelsel betekent de regeling in dit bestemmingsplan geen algeheel verbod, maar wel een verbod op seksinrichtingen binnen dit plangebied.

5 6 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Ter bescherming van de landschappelijke waarden is een vergunningenstelsel opgenomen. Ook is het vergunningvrij bouwen binnen de bestemming Waarde - Landschappelijk aan banden gelegd. Bij de bestemmingsomschrijving van verschillende bestemmingen is aangegeven dat voor de gronden die de dubbelbestemming Waarde - Landschap het verboden is om bepaalde werken en werkzaamheden uit te voeren zonder een omgevingsvergunning. Het betreft werken en werkzaamheden zoals: het wijzigen van het gevelaanzicht, het ophogen, verlagen of afgraven van de gronden, het aanleggen van verhardingen, het aanbrengen van constructies die verband houden met bovengrondse leidingen en dergelijke. Op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen, noodzakelijk zijn voor het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond of reeds vergunde werken of werkzaamheden is het verbod niet van toepassing. De omgevingsvergunning wordt afgegeven als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden.

7.5

Lijst van Bedrijven functiemenging

Toepassing Lijst van Bedrijven functiemenging Algemeen In de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) zijn twee voorbeeldstaten voor milieuzonering opgenomen, namelijk de 'Staat Bedrijfsactiviteiten bedrijventerreinen' en de 'Staat Bedrijfsactiviteiten functiemenging'. De aanpak van milieuzonering en de in dit plan gebruikte Lijst van Bedrijven functiemenging is gebaseerd op de Staat Bedrijfsactiviteiten functiemenging in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). De Lijst van Bedrijven functiemenging wordt gehanteerd in gebieden waar bedrijven of andere milieubelastende functies verspreid zijn gesitueerd tussen woningen of andere gevoelige functies. Onderstaand wordt hier meer in detail op ingegaan. Het gaat in dergelijke gebieden in het algemeen om relatief kleinschalige bedrijvigheid die op korte afstand van woningen kan worden toegestaan. De toelaatbaarheid van activiteiten wordt voor dergelijke gebieden in de VNG-publicatie (en de Lijst van Bedrijven functiemenging) bepaald met behulp van op deze situaties toegesneden toelatingscriteria. Functiemengingsgebieden In bestaande gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), wordt de Lijst van Bedrijven functiemenging toegepast.

Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan bij functiemengingsgebieden gedacht worden aan: stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; (delen van) woongebieden met kleinschalige of ambachtelijke bedrijvigheid. Daarnaast kan ook in (delen van) woongebieden waar enige vorm van bedrijvigheid aanwezig of gewenst is de Lijst van Bedrijven functiemenging worden toegepast. Kenmerken van de activiteiten De activiteiten in dergelijke gebieden verschillen in het algemeen qua aard en schaal sterk van de activiteiten op een bedrijventerrein. Behalve in historisch gegroeide situaties gaat het voornamelijk om: kleinschalige, meestal ambachtelijke bedrijvigheid; bedrijven waarbij de productie of laad- en loswerkzaamheden alleen in de dagperiode plaatsvindt; activiteiten die hoofdzakelijk inpandig geschieden. De toegepaste Lijst van Bedrijven functiemenging De bovenvermelde criteria liggen mede ten grondslag aan de selectie van activiteiten die zijn opgenomen in de Lijst van Bedrijven functiemenging. In de Lijst van Bedrijven functiemenging zijn de aspecten geluid, geur, stof en gevaar en de index voor verkeersaantrekkende werking in de categorisering opgenomen.

Deze Lijst is samengesteld volgens dezelfde methodiek als de betreffende Staat Bedrijfsactiviteiten functiemenging uit de VNG-publicatie. Op twee punten is een andere werkwijze toegepast: 1.

In dit plan wordt alleen de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten gekoppeld aan de Lijst. In de

bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

57

Lijst van Bedrijven functiemenging zijn daarom alleen de activiteiten opgenomen die passen binnen de definitie van bedrijf volgens de begripsbepalingen in de regels van dit bestemmingsplan. De toelaatbaarheid van andere functies wordt in dit plan indien nodig op een andere wijze in de regels en op de plankaart van dit bestemmingsplan geregeld (bijvoorbeeld horecabedrijven via een afzonderlijke Lijst van Horeca-activiteiten). Toegevoegd zijn enkele regelmatig voorkomende bedrijfsactiviteiten die in de lijst van de VNG-publicatie niet specifiek zijn opgenomen, maar wel aan de vermelde criteria voldoen zoals een ambachtelijke glas-in-loodzetterij en caravanstalling. Voor aannemers, SBI-code 45, heeft een nadere specificatie van de activiteiten plaatsgevonden met bijbehorende categorie-indeling die is afgestemd op de verwachte milieueffecten van deze activiteiten. 2.

In de Lijst van Bedrijven functiemenging is in de categorie-indeling een nader onderscheid gemaakt tussen categorie B1 en B2. Voor de toepassing in dit bestemmingsplan blijkt het onderscheid tussen categorie A en categorie B zoals beschreven in de VNG-publicatie te groot om de toelaatbaarheid van activiteiten voldoende af te kunnen stemmen op de kenmerken van de functiemengingsgebieden en het daarin te volgen beleid.

Categorie-indeling Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan, vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. De Lijst van Bedrijven functiemenging hanteert vier categorieën A, B1, B2 en C met specifieke criteria voor de toelaatbaarheid die onderstaand uiteen zijn gezet. Categorie A Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan, desgewenst in daarvoor omschreven zones binnen rustige woongebieden. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Categorie B1 Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Categorie B2 Bedrijfsactiviteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter bouwkundig afgescheiden van woningen/andere gevoelige functies. Bouwkundig afgescheiden betekent dat de panden los van elkaar dienen te staan.

Uitzondering hierop vormen binnenterreinen omringd door voornamelijk woningen: ook al zijn bedrijven bouwkundig afgescheiden van woningen, op deze locaties zijn hooguit categorie B1 bedrijven toegestaan. Categorie C Activiteiten vermeld onder categorie B2, waarbij vanwege relatief grote verkeersaantrekkende werking een directe ontsluiting op hoofdinfrastructuur gewenst is.

Flexibiliteit De Lijst van Bedrijven functiemenging blijkt in de praktijk een relatief grof hulpmiddel te zijn om hinder door bedrijfsactiviteiten in te schatten. De inschalingen gaan uit van een gemiddeld bedrijf met een moderne bedrijfsvoering. Het komt in de praktijk voor dat een bepaald bedrijf als gevolg van een geringe omvang van hinderlijke deelactiviteiten, een milieuvriendelijke werkwijze of bijzondere voorzieningen minder hinder veroorzaakt dan in de Lijst van Bedrijven functiemenging is verondersteld. In de regels is daarom bepaald dat het college van burgemeester en wethouders een dergelijk bedrijf toch kan toestaan, indien dit bedrijf niet binnen de algemene toelaatbaarheid past. Bij de Lijst van Bedrijven functiemenging is deze mogelijkheid beperkt tot maximaal 1 categorie (dus bijvoorbeeld categorie B1 in plaats van A of categorie B2 in plaats van B1). Om te kunnen afwijken moet worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) vergelijkbaar is met andere bedrijven uit de desbetreffende lagere categorie. Daarnaast is het mogelijk dat bepaalde bedrijven zich aandienen, waarvan de activiteiten in de Lijst van Bedrijven functiemenging niet zijn vermeld, maar die qua aard en invloed overeenkomen met bedrijven die wel zijn toegestaan.

Met het oog hierop is in de regels bepaald dat het college van burgemeester en wethouders kan afwijken en vestiging van een dergelijk bedrijf kan toestaan. Om te kunnen afwijken moet op basis van milieutechnisch onderzoek worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met direct toegelaten bedrijven. 5 8 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

7.6

Handhaving

Door handhaving controleert de overheid of burgers, bedrijven en bijvoorbeeld overheidsorganen zich aan de wet- en regelgeving houden. Onder handhaving wordt verstaan het door controle (toezicht en opsporing) en het toepassen (of dreigen daarmee) van bestuursrechtelijke sancties, bereiken dat het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift wordt nageleefd. De handhaving van de van toepassing zijnde regeling binnen de gemeente Utrecht, wordt uitgevoerd door diverse diensten en afdelingen. Zo wordt namens het college onder andere gehandhaafd op de regels van voorliggend bestemmingsplan. Dit betekent dat de regels voor wat betreft het gebruik en de bebouwingsregels worden gehandhaafd. Dit gebeurt veelal door toetsing tijdens het behandelen van de aanvragen om omgevingsvergunning, maar kan ook gebeuren als gevolg van toezicht tijdens de uitvoering van de bouw of op grond van een eigen constatering indien een bouwwerk of een perceel in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. Indien er bijvoorbeeld sprake is van illegale ingebruikname van gemeentelijke grond, dan zal hiertegen worden opgetreden. Doel handhavend optreden Het doel van het handhavend optreden van de gemeente is niet direct gekoppeld aan de noodzaak van een actueel bestemmingsplan.

Voor de bewoners van het plangebied is duidelijk waar zij aan toe zijn (qua bouwen, zoals bijvoorbeeld uitbreiding van de woning, en qua gebruik), maar het niet handhaven haalt de effectiviteit van een actueel bestemmingsplan onderuit. De toegevoegde waarde van het verlenen van een omgevingsvergunning voor een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is niet groot, indien er op andere plaatsen - zonder vergunning - vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn geplaatst. Dit wordt nog eens problematischer zodra een omgevingsvergunning wordt geweigerd, terwijl diverse vergelijkbare bouwwerken reeds illegaal zijn geplaatst. In dit laatste geval is de roep om handhavend op te treden dan ook het grootst. Wijze van handhaven Op grond van de Algemene wet bestuursrecht heeft het college een tweetal instrumenten bij handhaving van bestemmingsplannen tot haar beschikking: bestuursdwang en dwangsom. Bij het toepassen van bestuursdwang wordt de overtreding (het geconstateerde illegale bouwwerk c.q. gebruik) ongedaan gemaakt op kosten van de overtreder. Dit kan betekenen dat een bouwwerk door de gemeente wordt afgebroken en de kosten van bijvoorbeeld de aannemer en de gemeentelijke (voorbereidings)kosten op de overtreder worden verhaald.

Het is tevens mogelijk om, indien er zonder omgevingsvergunning wordt gebouwd en de bouw wordt stilgelegd door middel van een bouwstop, de bouwmaterialen weg te slepen en elders op te slaan. Het opleggen van een last onder dwangsom betekent bijvoorbeeld dat het illegale gebruik moet worden gestaakt binnen een door het college gestelde termijn. Overschrijdt men de termijn, dan zal de dwangsom in rekening worden gebracht bij de overtreder. Doel van de dwangsom is het onaantrekkelijk maken van het voortzetten van de geconstateerde overtreding. De dwangsom zal dan ook in relatie moeten staan aan (en zal derhalve altijd hoger zijn dan) het voordeel dat de overtreder heeft bij het voortzetten van de illegaliteit. In het plangebied zal handhavend worden opgetreden tegen het illegale gebruik van bouwwerken en percelen. Bijvoorbeeld het verhuren van opslagruimte ten behoeve van de stalling van caravans, maar ook het gebruik van een winkel als café. Verder zal er bij de bouw worden gecontroleerd op de uitvoering van verleende omgevingsvergunningen. Uiteraard zal er ook gecontroleerd worden of, in het geval van een geweigerde omgevingsvergunning voor een woning, de betreffende woning niet alsnog wordt gebouwd. Voorts zal de gemeente toezien op - onder de Wet milieubeheer vallende - bedrijven. Dit vloeit voort uit de regels van het bestemmingsplan.

Indien er immers ter plaatse een bedrijfsactiviteit plaats mag vinden, zal dit qua gebruik (intensiteit en hinder) gehandhaafd worden.

bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

59

6 0 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

61

6 2 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

Bijlage 1 Toetsing aan Provinciale Omgevingsverordening

bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

63

Provinciale Omgevingsverordening

Algemeen Op basis van artikel 9.5 van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht kan het voornemen mogelijk worden gemaakt. Op basis hiervan is verstedelijking ter plaatse toegestaan, mits de ruimtelijke kwaliteit wordt verhoogd, de bebouwing plaatsvindt binnen de bestaande enclaves en linten en de belangen van bestaande omringende functies niet onevenredig worden aangetast. In voorliggend document wordt onder meer aangetoond dat het voornemen past binnen artikel 9.5 van de omgevingsverordening. Artikel 3.5 Bebouwingsenclaves- en linten 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten die toestaan dat in bebouwingsenclaves of bebouwingslinten verstedelijking plaatsvindt, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. gelijktijdig met de verstedelijking wordt de ruimtelijke kwaliteit verhoogd; b. bebouwing vindt niet plaats buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten; en c. belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast. 2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing. Voor verhoging van de ruimtelijke kwaliteit bestaan verschillende mogelijkheden.

Binnen bestaande bouwkavels kan worden gedacht aan herstel van waardevolle bebouwing, afbraak van storende bebouwing, sanering van storende functies in samenhang met vestiging van gewenste functies. Op naastgelegen onbebouwde kavels kan worden gedacht aan herstel van waterlopen en landschapsstructuren, herstel van doorzichten en dergelijke. De omvang en verschijningsvorm van een nieuwe of uit te breiden stedelijke functie moet passen binnen het omringende landschap en de bestaande bebouwing. Cultuurhistorische waarden worden niet onevenredig aangetast en de inhoud van de woning moet aansluiten bij de omliggende bebouwing. Een beeldkwaliteitsparagraaf bevat in ieder geval een analyse van de bestaande kwaliteiten, een onderbouwing op welke wijze de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan die kwaliteiten en op welke wijze dit in de regels van het ruimtelijk besluit is verankerd. Toetsing aan Artikel 9.5 Bebouwingsenclaves- en linten 1. Het plangebied is aangewezen als ‘landelijk gebied’ en onderdeel van een bebouwingslint, waardoor bestemmingen en regels zijn toegestaan die verstedelijking mogelijk maken, aangezien: a.

gelijktijdig met de verstedelijking de ruimtelijke kwaliteit wordt verhoogd, doordat: o de oorspronkelijke vervallen (en deels ‘karakteristieke’) bebouwing wordt vervangen door bij de geschiedenis en in de omgeving passende nieuwe bebouwing, waarbij aandacht is voor onder meer:  het materiaal; de verschijningsvorm;  de omvang;  de inhoud;  de situering; om te voorkomen dat de cultuurhistorische waarden onevenredig aangetast worden; o de afname van circa 848 m² aan bebouwing (per saldo) bedraagt, zichtbaar vanaf de wegen; o asbest wordt verwijderd; o de oppervlakte aan verharding wordt fors verminderd (ruim 50 %);

o o o o o o o

er sprake is van een afname van de omvang van het bouwvlak; er één erfensemble ontstaat, passend in de structuur van het lint en de omliggende polder (tevens versterking structuur); er meer ruimte voor erfbeplanting ontstaat; sprake is van landschappelijke inpassing; de sloot wordt hersteld; de doorzichten worden hersteld; rust, ruimte en uitzicht centraal staan.

Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.1.1. en bijlage 2 van de toelichting van dit bestemmingsplan; b. de bebouwing plaatsvindt binnen het bestaande bebouwingslint, hoofdzakelijk ter plaatse van een bestaand bouwvlak; c. de belangen van bestaande omringende functies niet onevenredig worden aangetast (zie ook paragraaf 5.3 van de toelichting van het bestemmingsplan). Opgemerkt wordt dat voor de omliggende milieugevoelige functies over het algemeen, als gevolg van het voornemen (wegbestemmen agrarische bedrijfslocatie), sprake is van een verbetering van het woon- en leefklimaat. 2. Op basis van voorliggend document blijkt dat aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan. Dit wordt opgenomen in de toelichting van het ruimtelijk besluit. Ook een beeldkwaliteitsparagraaf maakt hiervan onderdeel uit (zie bijlage 4). Conclusie Geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan artikel 9.5 van de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht, aangezien gelijktijdig met de verstedelijking de ruimtelijke kwaliteit wordt verhoogd (zie onder a), de bebouwing niet plaatsvindt buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten en belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast. Ook blijkt uit voorliggend document inclusief beeldkwaliteitsparagraaf, die onderdeel zullen zijn van de toelichting van het ruimtelijk besluit, dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

6 6 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

Utrecht

Bijlage 2 inpassing

Landschappelijke

bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)

67

Landschappelijke inpassing Ruimte voor ruimte Nedereindseweg 511, Utrecht

Datum: 9 september 2020

Landschapsarchitectuur Stedenbouw Recreatieontwikkeling

2

Landschappelijke inpassing

Inhoud

1. Inleiding .............................................................................................4 2. Analyse .............................................................................................6 ...........................................................6 De ontwikkelingsgeschiedenis .......................................................8 De kwaliteiten van het landschap ............................................................10 Huidige situatie plangebied 3. Inpassingsplan ...............................................................................15 Positionering bebouwing en oriëntatie op het landschap .....................17 Schetsontwerp landschappelijke inpassing ..........................................19 Architectonische uitwerking ................................................................18 ....................................................20 Verkeersontsluiting en verharding ........................................................21 Erfbeplanting en erfafscheiding ............................................................22 Tuin rondom woning Inrichting vrijkomende ruimte ............................................................22 Conclusie ............................................................................................23 Colofon

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=f9c903f2-a77f-47f0-8ff4-5b3623f2c6dc