Bestemmingsplan Nedereindseweg 511, Rijnenburg.pdf
Tekst van het document
Om deze ambitie te bereiken zijn de volgende ambitieuze doelstellingen voor 2020 geformuleerd: 20% C O2-reductie ten opzichte van 2010; 20% van het totale energieverbruik wordt duurzaam opgewekt; 10% van de daken zijn voorzien van zonnepanelen. Met het coalitieakkoord 'Utrecht: Ruimte voor iedereen' (2018) zijn voorgaande doelstellingen vervangen. Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn en om hiertoe te komen worden de volgende stappen genomen: de gemeentelijke energie-inkoop is in 2020 volledig verduurzaamd; in 2025 ligt op 20% van de Utrechtse daken zonnepanelen; in 2030 is het Utrechtse systeem van stadsverwarming verduurzaamd; in 2030 zijn minimaal 40.000 bestaande woningen van het gas af; het gemeentelijke vastgoed is in 2040 volledig verduurzaamd. Plangebied Binnen het plangebied is al een gasaansluiting aanwezig. Het voornemen is om deze te behouden en aan te vullen met duurzame oplossingen. Door het toevoegen van duurzame energiebronnen worden luchtvervuiling en CO2 uitstoot fors verminderd. De energie van deze bronnen raakt nooit op en er wordt bijgedragen aan klimaatbestendigheid, zie ook paragraaf 5.16. Visie op de warmtevoorziening (2017) Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad de Visie op de warmtevoorziening vastgesteld.
De CO2-uitstoot in onze stad wordt voor een derde veroorzaakt door het verwarmen van huizen en gebouwen met aardgas (inclusief de stadsverwarming). Ook gebruiken gebouwen op dit moment relatief veel warmte door een lage isolatiegraad en installaties met een laag rendement. Om de doelstelling te behalen om als Utrecht in 2030 klimaatneutraal te zijn, is een omschakeling naar een duurzame warmte- en koudevoorziening nodig. Met het nieuwe coalitieakkoord is de doelstelling opgenomen om zo snel mogelijk klimaatneutraal te zijn en 40.000 bestaande woningen van het gas af te halen. Een duurzame warmtevoorziening kan gerealiseerd worden door de vraag naar warmte bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
21
te beperken, te stoppen met het gebruik van aardgas en over te stappen op duurzame warmtebronnen. Dit vraagt om ingrijpende aanpassingen in gebouwen, de energieinfrastructuur en door nog meer gebruik te maken van duurzame warmtebronnen. Natuurlijke momenten, op zowel gebouw- als gebiedsniveau, moeten worden benut om de warmtetransitie te versnellen. Een klimaatneutrale warmtevoorziening moet aan de voorwaarden duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar voldoen. In het door het VNG ondertekende Klimaatakkoord is een nieuwe regierol voor de gemeente vastgelegd. Gemeenten moeten voor eind 2021 een Transitievisie Warmte (TVW) en een Regionale Energiestrategie (RES) opstellen. In de Transitievisie Warmte staat hoe de gemeente een aardgasvrije stad gaat maken en welke planning daarvoor wordt gehanteerd. In de TVW staat wanneer we in welke buurt starten met het aardgasvrij maken van gebouwen en het aanpassen van de energie-infrastructuur. In de RES staat hoe Utrecht en haar regiogemeenten invulling gaan geven aan de landelijke energiedoelstellingen in het Klimaatakkoord voor het verduurzamen van de energiebronnen. In de RES staat hoeveel en waar duurzame elektriciteit (wind en zon) in 2030 wordt opgewekt. Ook staat er in de RES welke duurzame warmtebronnen te gebruiken zijn zodat buurten van het aardgas af kunnen. Beide documenten worden in de Omgevingsvisie verankerd.
De landelijke wet- en regelgeving wordt hiervoor de komende tijd aangepast. Plangebied Binnen het plangebied is al een gasaansluiting aanwezig. Het voornemen is om deze te behouden en aan te vullen met duurzame oplossingen. Door het toevoegen van duurzame energiebronnen worden luchtvervuiling en CO2 uitstoot fors verminderd. De energie van deze bronnen raakt nooit op en er wordt bijgedragen aan klimaatbestendigheid, zie ook paragraaf 5.16. 2.3.2.3 Gebiedsbeleid In gebiedsbeleid maakt de gemeente de koers en het thematische beleid passend binnen een specifiek gebied. Voor het plangebied is geen gebiedsbeleid opgesteld. Het plangebied valt buiten de Omgevingsvisie Vleuten-De Meern. 2.3.3
Overig gemeentelijk beleid
Geluidnota Utrecht 2014-2018 (2014) De Geluidnota Utrecht 2014-2018 is op 11 februari 2014 vastgesteld. Dit beleid gaat over het beperken en minimaliseren van geluidhinder bij ruimtelijke ontwikkelingen in Utrecht. De Geluidnota heeft betrekking op weg-, rail- en industrielawaai. Hiervoor is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. Daarbinnen is echter ook ruimte voor gemeentelijke beleidsvrijheden. In de Geluidnota wordt aangegeven hoe hier mee wordt omgegaan. De belangrijkste regels uit de Geluidnota zijn: nieuw te bestemmen woningen beschikken over een geluidsluwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch goede woningindeling; behoud van goed akoestisch woon- en leefklimaat in rustige woonwijken bij bestemmen van nieuwe woningen en bedrijven in elkaars nabijheid. Ook onderwerpen, die meer algemeen onder het begrip "een goede ruimtelijke ordening" vallen, worden in de Geluidnota beschreven. Plangebied In paragraaf 5.4 wordt het aspect geluid toegelicht. Uit deze paragraaf volgt dat de geluidsbelasting als gevolg van de Nedereindseweg maximaal 44 dB bedraagt inclusief reductie, namelijk op de voorgevel. De geluidsbelasting als gevolg van de A2 bedraagt maximaal 48 dB inclusief reductie, namelijk ter plaatse van de oostelijke zijgevel. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB als gevolg van beide wegen niet overschreden.
Het aanvragen van een hogere waarde is dan ook niet nodig. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de geluidnota.
Nota externe veiligheid (2007) De Nota externe veiligheid, welke in 2007 is vastgesteld, gaat in op het beleid van de gemeente Utrecht voor de beheersing van risico's als gevolg van het werken met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijf, productielocatie of kantoor) en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De genoemde risico's zijn veiligheidsrisico's voor mensen die zich in de buurt van de inrichting of het transport bevinden. De beleidskeuzes hebben betrekking op nieuwe situaties, waarin een risicobron zich vestigt of uitbreidt of een risico-ontvanger, zoals een woning, planologisch mogelijk wordt gemaakt. De randvoorwaarden en regels zijn vertaald in afstandseisen tussen risicobronnen (bedrijven, 2 2 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
transportroutes (weg, spoorweg, vaarweg) of buisleidingen) en omgevingsobjecten. De gemeente Utrecht kiest ervoor om geen zwaardere veiligheidseisen op te leggen dan die vermeld staan in de risiconormering van de rijksoverheid. In sommige gevallen biedt de rijksregelgeving ruimte tot afwijken van de normering. In de Nota spreekt de gemeente zich uit om terughoudend om te gaan met de mogelijkheid tot afwijken. Plangebied In paragraaf 5.6wordt het aspect externe veiligheid toegelicht. Uit deze paragraaf volgt dat er zich in de omgeving geen risicobronnen bevinden die vanuit het oogpunt van externe veiligheid relevant zijn voor dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Nota externe veiligheid.
2.4
Conclusie
Het plan past binnen de uitgangspunten van het landelijke en provinciale beleid de gemeentelijke omgevingsvisie. Het bestemmingsplan ligt ook in lijn met het sectorale gemeentelijke nota's die van belang zijn voor dit gebied (thematisch beleid): wonen, verkeer, parkeren, archeologie, geluid, bodem, lucht, groen en water.
bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
23
2 4 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 3 3.1
Bestaande situatie
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft inzicht in de huidige situatie in het plangebied en analyseert het plangebied in ruimtelijk en functioneel opzicht. Voor zover de verschillende onderdelen van dit hoofdstuk daartoe aanleiding geven, wordt aan het einde van de verschillende paragrafen een aantal conclusies en uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd.
3.2
Beschrijving van het plangebied
3.2.1
Historische ontwikkeling
Het plangebied ligt in het zuidelijk deel van het open buitengebied van de Polder Rijnenburg. Dit gebied kent een lange historische ontwikkeling. Zo heeft Rijnenburg zijn huidige verschijningsvorm en zijn bewoningsgeschiedenis voor een belangrijk deel te danken aan de stroomruggen in de ondergrond. Door het gebied lopen de Jutphase stroomrug, de Blokse stroomrug en de Meijerbergse stroomrug. Deze stroomruggen maken deel uit van het Linschotense stroomstelsel. De sedimenten van dit stelsel zijn gevormd tussen 4500 en 1500 voor Chr. De oudste stroomrug is de Blokse Stroomrug, deze loopt evenwijdig aan de huidige A2. Op de Jutphase stroomrug en de Meijerbergse stroomrug, ontstaan na 3000 voor Chr., bevonden zich in de Romeinse Tijd de meeste nederzettingen. De stroomruggen zijn nu nog als opvallend micro-reliëf zichtbaar in het gebied. Tussen de stroomruggen liggen de laaggelegen komgronden. In Rijnenburg liggen er twee. Ter hoogte van de IJssellandse Wetering ligt een zeer klein, niet opvallend komgebied. De lage en vlakke Heicopsche Polder en Polder Reijerscop zijn onderdeel van juist een van de meest uitgestrekte komgronden van Utrecht. Beide komgronden bestaan uit een laag van ongeveer een meter klei op een dik veenpakket. De eerste sporen van bewoning in het gebied dateren uit de ijzertijd van 250 tot 12 voor Chr.
De eerste bewoners vestigden zich op de oeverwallen langs de toenmalige stroomgeul van de rivier. Ook vinden we bewoning op de oude stroomruggordels en regionaal verkeer. Uit de Romeinse tijd (12 voor Chr. - 450 na Chr.) zijn verschillende nederzettingssporen gevonden rond Rijnenburg, zowel Romeinse als inheemse nederzettingen. Rijnenburg ligt niet ver ten zuiden van de 'Limes', de noordelijke grens van het Romeinse Rijk op de oeverwal van de Rijn. De Romeinen hadden ten zuiden van deze grens een weg aangelegd en deze had naast verdedigingswaarde ook een functie in het sociale en economische verkeer. Rond de Limesweg lagen niet alleen Romeinse soldaten gelegerd. Er ontstonden complete Romeinse nederzettingen. Door de gunstige opbouw van de bodem van Rijnenburg was het gebied een groot deel van het jaar geschikt voor landbouw. De Meerndijk ligt op de plaats van een vroegere watergang. Mogelijk betreft het hier het door de Romeinen gegraven kanaal. Vanaf de derde eeuw na Chr. verlieten de inheemse bewoners hun nederzettingen. Gedurende honderden jaren na de Romeinse tijd lijkt Rijnenburg daarna niet bewoond te worden. Pas halverwege de middeleeuwen – vanaf de tiende eeuw – ging men weer wonen in het gebied en werden de gronden weer gebruikt als landbouwgrond. Vanaf de 11e eeuw is het gebied ontgonnen en verkaveld.
Er was sprake van een georganiseerde manier van verkavelen, cope-ontginning genoemd. Men hield een strak verkavelingspatroon aan dat bestond uit ontginningsstroken van ongeveer 1250-1300 m lang en circa 110-115 m breed. De Nedereindseweg heeft hierbij gediend als ontginningsbasis. In Rijnenburg is deze manier van copeverkaveling gaaf bewaard gebleven. Voor het huidige wegenstelsel werd ook vanaf de 11e eeuw de basis gelegd. Deze werden aangelegd op de hoge, droge stroomruggen. De Meerndijk is vanaf de late middeleeuwen de belangrijkste verbindingsroute van Utrecht naar Gouda en Rotterdam. De Nedereindseweg en de Reyerscopper Dijck waren belangrijk voor plaatselijk en regionaal verkeer. Naast verbindingsroute fungeerde de Meerndijk ook als dwarsdijk en westelijke grens van het Grootwaterschap Woerden. Het was feitelijk de waterstaatkundige grens tussen Utrecht en Holland. Bij een van de talrijke dijkdoorbraken van de Lekdijk Benedendams, dus stroomafwaarts van Wijk bij Duurstede, waarbij het gebied tot aan de Meerndijk onder water kwam te staan, is, vermoedelijk in de 15e of in het begin van de 16e eeuw, een wiel ontstaan. Dit is een uiterst belangrijk bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
25
cultuurlandschappelijk relict. Vanaf de 12e eeuw lagen er in Rijnenburg tenminste 3 weerbare huizen, waarvan 2 ridderhofstad waren. Ridderhofsteden bestonden vrijwel altijd uit een woontoren met singelgracht. Deze weerbare huizen zijn alle drie in de loop der eeuwen verdwenen. 'Rijnenburg' was de grootste van de drie. Het gebied dankt waarschijnlijk zijn naam aan dit huis. Rijnenburg en Rhijnenstein waren gelegen aan de zuidkant van de Nedereindseweg, direct ten westen van waar nu het viaduct van de A2 de Nedereindseweg kruist. Everstein lag aan de noordzijde van de Nedereindseweg. De plaats van Everstein is nog goed herkenbaar in de vorm van een eilandje met daaromheen de voormalige kasteelgracht op het erf van Nedereindseweg 540. Het gebruik van de gronden is in de loop der eeuwen veranderd van grotendeels akkerbouw naar veeteelt. Dit heeft te maken met problemen met de grondwaterstand. De aanleg van de autowegen A12 en A2 heeft het gebied enorm veranderd. Het gebied kwam geïsoleerd te liggen en de Nedereindseweg werd doorkruist door de A2. Het doorgaande verkeer tussen De Meern en Nieuwegein koos nu vaker voor de snelwegverbinding in plaats van de route over Nedereindseweg. Sinds de tweede helft van de 20e eeuw zijn de boerderijen en schuren steeds meer in gebruik genomen voor opslag, werkplaats, en andere activiteiten.
In het zuiden van het gebied is de Nedereindse plas gegraven. Deze is in gebruik als recreatiegebied.
Afbeelding 3: Luchtfoto
2 6 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
Afbeelding 4: Overzicht van de voormalige opstallen 3.2.2
Monumenten, beeldbepalende elementen en cultuurhistorie
Het plangebied betreft een historische waardevolle plek met voorheen karakteristieke bebouwing, namelijk een oorspronkelijke karakteristieke boerderij. Op basis van het geldende bestemmingsplan is hiervoor de aanduiding ‘karakteristiek’ opgenomen. Echter is deze niet meer van toepassing, aangezien alle bebouwing inmiddels (onder vergunning) is gesloopt. Dit vanwege de slechte bouwkundige staat van onderhoud. Er bevindt zich dan ook in het plangebied geen rijksmonument. Op andere locaties aan de Nedereindseweg zijn daarentegen wel diverse rijksmonumenten gesitueerd, namelijk aan de Nedereindseweg nummers 502, 504, 509, 509 B, 512, 514, 516, 543, 556 en 578.
Afbeelding 4: Kaartje met ligging van monumenten en cultuurhistorische elementen in de omgeving 3.2.3
Structuurbepalende elementen
bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
27
Afbeelding 5 Structuurbepalende elementen De Nedereindseweg vormt een bebouwingslint dat als ensemble van wegverloop, dubbellint, beplanting, bebouwing met bruggetjes en klompschuurtjes een waardevolle ketting vormt in het gebied. Aan het bebouwingslint staan agrarische bedrijven en woningen. Het lint heeft nog een karakteristiek landelijk karakter met (historische) boerderijen, sommige monumentaal, en boombeplanting. Door deze bebouwing en de vele hoge opgaande begroeiing langs de weg staat dit lint in contrast met het omringende, open landschap. Dit vormt een kenmerkend en zeer waardevol landschapselement. Hier en daar staan in de weilanden (met name langs de sloten) bomen, op een enkele plaats meidoornstruiken. De meest voorkomende boomsoorten in openbaar gebied zijn populieren, (knot)wilgen en essen. De erfbeplanting bestaat in de omgeving voornamelijk uit (oudere) hoogstamfruitbomen, wilgen, populieren en plaatselijk leilinden, essen, beuken, notenbomen, kastanjes, treurwilgen, elzenhagen, populierenhagen en in een enkel geval berken, iepen, linden, esdoorns, eiken, plataan, beukenhagen en meidoorns. Als randbegroeiing langs weilanden of als solitairen staan voornamelijk schiet- en knotwilgen en plaatselijk elzenhagen, elzen en een enkele linde en treurwilg.
3.3
Beschrijving van de bestaande functies in het plangebied
Binnen het plangebied staan nog enkele volwassen knotwilgen langs de randen. Op de locatie stond tot de zomer van 2019 oude agrarische bebouwing met 7 mestkelders (onder stallen en achterhuis) en een kelder onder het woonhuis met een diepte tot 250 cm. De bebouwing was echter van slechte bouwkundige staat van onderhoud. Zo was er onder meer sprake van houtrot. De in totaal circa 1.304 m2 aan bebouwing (incl. asbest en (mest)kelders) is geheel gesloopt/verwijderd. De sloop heeft destijds plaatsgevonden na goedkeuring van de gemeente Utrecht. In de situatie dat er nog bebouwing op het erf was, zorgde het brede bouwvlak met verspreide opstallen ervoor dat er nagenoeg geen zicht was op het open achterland. De oorspronkelijke karakteristiek bedrijfswoning (een dwarshuisboerderij) stond dicht op de weg en beschikte niet over een voortuin. Ook is aan de straatzijde geen sloot aanwezig.
2 8 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
Afbeelding 5: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Rijnenburg
bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
29
3 0 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 4 4.1
Planbeschrijving
Projectbeschrijving
Het agrarische perceel wordt gewijzigd naar een woonperceel. Hierbij wordt het perceel landschappelijk ingepast. 4.1.1
Programma
In het plangebied komt één nieuwe vrijstaande woning met twee schuren en een overkapping op palen in de tuin. In afbeelding 6 is een impressie van de gewenste situatie opgenomen. Hierin zijn zowel de landschappelijke inpassing als de gewenste (situering van) gebouwen opgenomen. In Bijlage 2 is de landschappelijke inpassing bijgevoegd.
Afbeelding 6: Impressie gewenste situatie plangebied, met landschappelijke inpassing (Bron: B4o) 4.1.2
Stedenbouwkundig plan
Om aan te sluiten bij de kwaliteiten van de Nedereindseweg is het erf in de lengterichting ontworpen. De bebouwing zal zich qua materiaal zoveel mogelijk naar de geschiedenis en de omgeving voegen, onder andere door een houten potdekselgevel bij de bijgebouwen toe te voegen, een plint van metselwerk en pannendaken. Het ontwerp heeft een eigentijdse landelijke uitstraling. De woning staat centraal op het perceel en beschikt over een goothoogte van 3 meter, een nokhoogte van 8,5 meter en een zadelkap. De woning is stedenbouwkundig gezien één heldere hoofdvorm van 220 m2 en met een inhoud van maximaal 1.200 m3. De woning wordt mogelijk voorzien van een kelder. Ook wordt de woning voorzien van een overkapping en een aanbouw. Voor de overkapping wordt de kap van de woning verlengd. De aanbouw wordt voorzien van een dwarskap. Het volume van de uiteindelijke kap is gelijk aan de oorspronkelijke en inmiddels gesloopte boerderij (10 x 26 meter). De woning zorgt voor een juiste overgang en interactie tussen de woning en het landschap. De bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
31
overkapping is cruciaal om op een juiste wijze ruimtelijk vorm te geven, open naar landschap en niet met plak dak afsluitend. Door de woonkamer met een grote vide kap door te laten kopen in het landschap geeft dit een goede verbinding en relatie tussen de woning, het landschap en de bijgebouwen. Door de inhoud van de woning en het volume van de kap wordt de hoofdvorm van de woning (langhuisboerderij) versterkt. Ook refereert dit naar de oorspronkelijke karakteristieke boerderij. Het ontwerp zorgt voor een goede verhouding met de bestaande/oorspronkelijke boerderijen in de omgeving, waardoor de landschappelijke kwaliteit en eenheid ter plaatse wordt versterkt. Aan de achterzijde van de zijgevel komt de aanbouw. De aanbouw ligt verscholen achter de boomgaard op het zijterrein en heeft een lichte kap met lage nok van 4,5 meter. De goothoogte is met 2,6 meter lager dan die van het hoofdgebouw. Op het perceel komen ook twee schuren en een overkapping. Ten oosten van de woning komt een wagenschuur voor het stallen van auto's, fietsen en materiaal voor het onderhouden van het terrein. De schuur krijgt een landelijke uitstraling van donker potdekselhout met zadelkap. Ten zuiden van de woning komt een overkapping, deze wordt gebruikt als atelier. De overkapping bestaat uit hout en glas en heeft een schildkap. Ten zuiden van de wagenschuur, achter op het terrein, komt een paardenschuur.
Deze schuur heeft ruimte voor drie paarden. De paardenschuur is nagenoeg niet te zien vanaf de openbare weg en ligt aan de weide. Deze schuur krijgt ook een landelijke uitstraling van donker potdekselhout en een lage kap. Zoals in paragraaf 3.3 staat was er in de oorspronkelijke situatie sprake van 1.304 m2 aan bebouwing (inclusief asbest en (mest)kelders) op het perceel. In de nieuwe situatie is 456 m2 bebouwing aanwezig. Ook is sprake van een flinke afname van verharding op het perceel. De sloot aan de voorzijde wordt hersteld. Eén van de twee bestaande in- en uitritten komt te vervallen waardoor er sprake is van één duidelijke in- en uitrit.
4.2
Verkeer en openbare ruimte
4.2.1
Verkeer
Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de extra verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaan door een nieuwe ontwikkeling. Op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren’ (publicatie 381, december 2018) van het CROW kunnen de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte van de ontwikkeling berekend worden. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis op onder andere het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. In de CROW-publicatie wordt voor iedere functie een maximum en minimum genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. Daarnaast beschikt de gemeente Utrecht over de Nota Stallen en Parkeren (februari 2013) en werkt momenteel aan een nieuwe parkeervisie. Op basis van de momenteel geldende nota ligt het plangebied in zone C2 (Overige (buiten) gebied).
Op basis van vorenstaande worden de volgende uitgangspunten gehanteerd, om tot de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte als gevolg van voorliggende ontwikkeling te komen: Verstedelijkingsgraad: zeer sterk stedelijk / gemeente Utrecht (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: rest bebouwde kom; Functie: woning boven 130 m² bvo (gemeentelijke nota) of koop, huis, vrijstaand (CROW). Verkeersgeneratie Fietsverkeer Het fietsverkeer wordt via de Nedereindseweg ontsloten. De Nedereindseweg vormt ook de aansluiting op het nationaal fietsnetwerk. Openbaar vervoer In de directe omgeving is het niet mogelijk om gebruik te maken van het openbaar vervoer. De dichtstbijzijnde bushalte ligt aan de Middenweide in Nieuwegein (ongeveer 960 meter van het 3 2 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
plangebied). Auto In de gemeentelijke nota zijn geen cijfers ten aanzien van de verkeersgeneratie opgenomen. Op basis van de CROW publicatie geldt voor de nieuwe woning een verkeersgeneratie van gemiddeld 7,8 verkeersbewegingen. Zoals al vermeld komt één van de twee bestaande in- en uitritten op de Nedereindseweg te vervallen, waardoor sprake is van één duidelijke in- en uitrit op deze weg. Hiermee is sprake van een veilige en overzichtelijke ontsluiting van het plangebied. De Nedereindseweg kan het al vermelde beperkte aantal verkeersbewegingen opvangen en verwerken. Daarbij wordt opgemerkt dat planologisch gezien per saldo sprake is van een afname van de verkeersgeneratie, aangezien al een vrijstaande woning is toegestaan (bestaande verkeersbewegingen) en de verkeersgeneratie als gevolg van een agrarisch bedrijf definitief komen te vervallen. 4.2.2
Parkeren
In de gemeentelijke nota zijn cijfers ten aanzien van de parkeerbehoefte opgenomen. Op basis hiervan is sprake van een behoefte van gemiddeld 1,85 parkeerplaatsen, afgerond 2,0 parkeerplaatsen. Op basis van de CROW publicatie geldt een behoefte van gemiddeld 2,0 parkeerplaatsen. Zoals onder meer te zien op afbeelding 6 is in het plangebied voldoende ruimte aanwezig om op eigen erf in deze parkeerbehoefte te voorzien. Daarbij wordt opgemerkt dat planologische gezien per saldo sprake is van een afname van de parkeerbehoefte, aangezien al een vrijstaande woning is toegestaan (bestaande parkeerbehoefte) en de parkeerbehoefte als gevolg van een agrarisch bedrijf definitief komt te vervallen. In de Nota Stallen en Parkeren wordt verwezen naar het Bouwbesluit. Op grond van artikel 4.31 eerste lid van het Bouwbesluit moeten woonfuncties voorzien zijn van een afsluitbare bergruimte. Voor het overge geeft de Nota Stallen en Parkeren geen eisen. 4.2.3
Openbare ruimte en groen
Het plangebied ligt in de landelijke omgeving van Rijnenburg. Uit de landschappelijke inpassing volgt dat de groene kwaliteit versterkt wordt. Het perceel achter de nieuwe de woonkavel wordt ingericht als open agrarische weide. Hierdoor blijft de groene en open kwaliteiten van het landschap behouden en blijven lange zichtlijnen op de achterliggende polder gewaarborgd.
bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
33
3 4 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1
Inleiding
In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.
5.2
Milieueffectrapportage
Kader Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken welke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. wordt aangegeven welke activiteiten altijd m.e.r.-plichtig zijn. Bij de activiteiten die in onderdeel D van die bijlage genoemd worden moet beoordeeld worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Uit deze m.e.r.-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plansituatie De in het plan opgenomen activiteit heeft betrekking op realiseren van een woning (de transformatie van een bedrijfswoning naar een gewone woning met een hobbymatige paardenstal. In de bijlage bij het Besluit mer is de categorie D 11.2, "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen", opgenomen.
Het kleinschalige karakter van de ontwikkeling maakt dat bestemmingsplan niet kan worden gekwalificeerd als een ruimtelijke plan dat in de aanleg van het stedelijke ontwikkelingsproject voorziet zodat er geen milieueffectrapport of m.e.r.-beoordeling nodig is. Conclusie Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen door de beoogde ontwikkeling. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk.
5.3
Bedrijven en milieuzonering
Kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Plangebied bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
35
Het plangebied is onderdeel van een bebouwingslint in het buitengebied. Rondom het plangebied zijn locaties voor onder meer agrarische bedrijfsfuncties, woonfuncties, bedrijfsfuncties en recreatiefuncties aanwezig. Het plangebied kan dan ook worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’, waarmee kleinere richtafstanden (m.u.v. het aspect gevaar) aangehouden kunnen worden.
Afbeelding 7: Richtafstanden milieuzonering Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De gewenste functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Naast de woonfunctie wordt in dit geval een kleinschalige paardenstal (vrijstaand bijgebouw) gerealiseerd. De gewenste paardenstal is bedoeld voor circa 3 paarden, ten behoeve van hobbymatig gebruik. Een dergelijke functie kan het best vergeleken worden met de functie ‘maneges’ (milieucategorie 3.1) uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Hiervoor geldt een maximale richtafstand van 30 meter in gemengd gebied, namelijk voor het aspect geur. Opgemerkt wordt overigens dat de gewenste stal qua aard en omvang vele malen kleinschaliger is dan de manege, waarmee deze wordt vergeleken.
De belasting hiervan op de omgeving zal dan ook vele malen minder zijn. Door van een manege uit te gaan wordt uitgegaan van een worst-case scenario. Op minder dan 30 meter afstand van het plangebied bevinden zich milieugevoelige woonbestemming (Nedereindseweg 513) en een agrarisch bedrijfsperceel met een milieugevoelig object (Nedereindseweg 509). Woonbestemming De woonbestemming grenst direct aan het plangebied. Hier wordt niet aan de richtafstand van 30 meter voldaan. Maar de woning bevindt zich op ruim 50 meter afstand van de locatie van gewenste paardenstal, waarmee ruimschoots aan de richtafstand wordt voldaan. Agrarisch bedrijfsperceel Ten oosten ligt, op circa 18 meter afstand van het plangebied, een agrarisch bedrijfsperceel met een milieugevoelige bedrijfswoning. Hier wordt niet aan de richtafstand van 30 meter voldaan. De milieugevoelige bedrijfswoning op het perceel ligt echter op circa 50 meter afstand van de gewenste paardenstal, waardoor voor het milieugevoelige object ter plaatse aan de 30 meter afstand wordt voldaan. Echter is de bedrijfswoning op het gehele agrarisch bedrijfsperceel toegestaan.
Het is onder meer gezien de situering van de bedrijfswoning voor de bedrijfsgebouwen en de situering van de overige woningen in de omgeving vooraan de wegzijde, niet aannemelijk dat de bedrijfswoning elders (bijvoorbeeld dichterbij de beoogde paardenstal) op het agrarisch bedrijfsperceel wordt gesitueerd. Conclusie externe werking Om te waarborgen dat de milieubelastende activiteiten daadwerkelijk op de beoogde locatie worden uitgeoefend, kan hiervoor binnen het plangebied een aanduiding worden opgenomen: uitsluitend ter plaatse van de aanduiding wordt dan de paardenstal toegestaan. In de regels van het bestemmingsplan kan een afwijkingsmogelijkheid met afwegingskader worden opgenomen, op basis waarvan de paardenstal, als dit gewenst is, elders binnen het plangebied mogelijk kan worden gemaakt op basis van een omgevingsvergunning. Als gevolg van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is geen sprake van een onevenredige 3 6 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
aantasting van het woon- en leefklimaat. Van belang is ook dat binnen een groot deel van het plangebied al een agrarisch bedrijf is toegestaan (milieucategorie 3.2, met een richtafstand van maximaal 50 meter voor geur). De gewenste paardenstal is vele malen minder milieubelastend dan de hier toegestane activiteiten, waardoor een verbetering wordt verwacht. Daarnaast wordt nogmaals vermeld dat, door uit te gaan van een manege, is uitgegaan van een worst-case scenario. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe milieugevoelige functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functie. De gewenste functie ‘wonen’ betreft een milieugevoelige functie. Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn in de directe omgeving onder meer locaties voor agrarische bedrijven (Nedereindseweg 509a, Nedereindseweg 514-516 en de Nedereindseweg 515) aanwezig. Ook zijn ten (zuid)oosten van het plangebied recreatieve voorzieningen toegestaan (Nedereindseweg 501a en w) en bedrijfsfuncties (Nedereindseweg 505) toegestaan.
Agrarische bedrijven Ter plaatse van de agrarische bedrijfslocaties is de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van glastuinbouw, niet grondgebonden veehouderij, intensieve kwekerij, bosbouw, sierteelt, fruitteelt en boomkwekerij, toegestaan. De bouwvlakken van deze locaties liggen op circa 18 meter tot 100 meter afstand van het plangebied. Voor agrarische bedrijven (milieucategorie 3.2) geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur (50 meter). Hier zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. In deze paragraaf zullen de richtafstanden bij deze bedrijven voor wat betreft het aspect geur daarom buiten beschouwing blijven, maar worden wel de overige milieuaspecten behandeld. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op het aspect geur. Voor een dergelijke agrarische functie geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten stof en geluid (met uitzondering van een toetsing aan het aspect geur). Hieraan wordt in het geval van de Nedereindseweg 509a, met 18 meter afstand, niet voldaan. Maar de gewenste woning (milieugevoelig object) wordt op ruim 30 meter afstand van het bouwvlak aan de Nedereindseweg 509a gerealiseerd, waardoor voldaan wordt aan de richtafstand.
Deze afstand wordt geborgd doordat de realisatie van de woning uitsluitend binnen het bouwvlak is toegestaan. Recreatieve voorzieningen Ter plaatse van de recreatieve voorzieningen zijn inrichtingen die geheel of in betekenende mate gericht zijn op het bieden van gelegenheid voor vrijetijdsbesteding en ontspanning toegestaan, evenals de hiermee samenhangende detailhandel, additionele horeca, een skibaan (ter plaatse van een klein deel) en een wielerbaan (ter plaatse van een klein deel). Voor deze voorzieningen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, maximaal milieucategorie 3.1 (kunstskibanen), met een richtafstand van maximaal 50 meter. Het plangebied ligt op ongeveer 136 meter afstand van deze voorzieningen, waardoor ruimschoots aan de richtafstanden wordt voldaan. Bedrijf Ter plaatse van de bedrijfslocatie zijn onder meer bedrijven die direct naast of beneden milieugevoelige functies zijn toegestaan mogelijk, de bedrijfsactiviteiten zijn namelijk zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Ook is ter plaatse een caravanstalling toegestaan, hiervoor geldt, wanneer de functie wordt vergeleken met de functie ‘opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)’ in de VNG-uitgave, milieucategorie 2. De richtafstand hiervan is 10 meter, waaraan met ruim 200 meter afstand tot het plangebied ruimschoots wordt voldaan.
Conclusie De nieuwe milieugevoelige functie binnen het plangebied ondervindt geen hinder van bestaande functies in de omgeving en de bestaande functies in de omgeving worden niet onevenredig belemmerd in de bedrijfsvoering als gevolg van de nieuwe milieugevoelige functie.
bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
37
5.4
Geluidhinder
Kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. Plangebied Wegverkeerslawaai Algemeen In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. De grootte van de bij het type weg horende geluidszone is opgenomen in onderstaande tabel.
Afbeel ding 8: Geluidzone weg De zones uit de tabel gelden niet voor: wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij bovenstaande gevallen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderzocht, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger ligt dan de voorkeurswaarde (48 dB). De geplande woning ligt in buitenstedelijk gebied, binnen de wettelijk vastgestelde geluidszones van de Nedereindseweg en de Rijksweg A2. In het kader hiervan is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 3). De geluidsbelasting als gevolg van de Nedereindseweg bedraagt maximaal 44 dB inclusief reductie, namelijk op de voorgevel. De geluidsbelasting als gevolg van de A2 bedraagt maximaal 48 dB inclusief reductie, namelijk ter plaatse van de oostelijke zijgevel. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB als gevolg van beide wegen niet overschreden. Het aanvragen van een hogere waarde is dan ook niet nodig. Ter plaatse van de gewenste woning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai. Railverkeerslawaai De te realiseren woning is niet gelegen binnen een wettelijke geluidszone van een spoorweg.
Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai kan achterwege blijven. Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de zone van een gezoneerd bedrijventerrein, het aspect industrielawaai kan buiten beschouwing worden gelaten. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.5
Geur
Kader Wet geurhinder en veehouderij en Activiteitenbesluit milieubeheer De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in 3 8 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moet voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, e n ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Plansituatie Woning In de omgeving van de gewenste woning (geurgevoelig object) met een paardenverblijf zijn meerdere agrarische bedrijfslocaties aanwezig.
Het gaat om de locaties aan de Nedereindseweg 509a (18 meter afstand), de Nedereindseweg 514-516 (41 meter afstand) en de Nedereindseweg 515 (100 meter afstand). Ter plaatse van de Nedereindseweg 509a en de Nedereindseweg 514-516 wordt niet voldaan aan de vaste afstand van 50 meter, indien gemeten wordt vanaf het agrarisch bouwperceel. De gewenste woning kan uitsluitend binnen het voor deze woning op te nemen bouwvlak worden gerealiseerd. Voor de Nedereindseweg 514-516 geldt dat hiermee, uitgaande van de beoogde situering van de woning, aan de vaste afstand van 50 meter kan worden voldaan, als gemeten wordt vanaf het agrarisch bouwperceel. De afstand van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing aan de Nedereindseweg 509a tot de gewenste woning bedraagt circa 46 meter. Het emissiepunt van deze bedrijfsbebouwing bevindt zich echter op minimaal 50 meter (zie afbeelding 9) tot het mogelijke bouwvlak van de gewenste woning (zie roze onderbroken lijn ter impressie), waarmee wordt voldaan aan de vaste afstand.
bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
39
Afbeelding 9: Afstand woning dichtstbijzijnde emissiepunt Nedereindseweg 509a. Ter plaatse van de gewenste woning zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, omgekeerd worden de bedrijfsmogelijkheden voor de agrarische bedrijfslocaties niet onevenredig beperkt. Paardenverblijf De gewenste paardenstal is bedoeld voor het hobbymatig houden van paarden (circa 3 paarden). In dit geval geldt enkel een minimale afstand van 25 meter van de buitenzijde van het verblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object (artikel 5.1 onder b van de Wgv). Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan, zoals gebleken is uit paragraaf 5.3. Dit kan, zoals eveneens in paragraaf 5.3 vermeld, worden geborgd met een aanduiding. Ook wordt opgemerkt dat binnen het plangebied al een agrarisch bedrijf is toegestaan (milieucategorie 3.2, met een richtafstand van maximaal 50 meter voor geur). De gewenste paardenstal is dan ook vele malen minder milieubelastend dan de al toegestane activiteiten, waardoor voor de omliggende milieugevoelige objecten een verbetering wordt verwacht. Op de locatie van de bestaande (bedrijfs)woningen is dan ook sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het gewenste plan.
5.6
Externe veiligheid
Kader Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: 4 0 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen. Vanuit het externe veiligheidsbeleid worden veiligheidsnormen gesteld voor risicovolle bedrijven, transportroutes en buisleidingen ten opzichte van: kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen en scholen); beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld winkels of bedrijfsgebouwen). Deze veiligheidsnormen hebben de status van grenswaarde voor kwetsbare objecten en de status van richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Daarnaast dient voor ieder ruimtelijk besluit dat (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van een risicobron het groepsrisico te worden verantwoord. Plansituatie Voor de ontwikkeling aan de Nedereindseweg 511 zijn de risicobronnen in de omgeving geïnventariseerd. Uit deze inventarisatie is gebleken dat er zich in de omgeving geen risicobronnen bevinden die vanuit het oogpunt van externe veiligheid relevant zijn voor de realisatie van de plannen. Conclusie De conclusie is dat na realisatie van de plannen voldaan wordt aan de grens- en richtwaarden met betrekking tot externe veiligheid en er geen verantwoordingsplicht geldt.
5.7
Luchtkwaliteit
Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met stof, door met name verkeer. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer is samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, in belangrijke mate van invloed op de luchtkwaliteit. In november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer met betrekking tot luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wetswijziging staat bekend als de "Wet luchtkwaliteit". Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Op basis van deze wet, opgenomen in artikel 5.16 lid 1 Wet milieubeheer, dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening te houden met de effecten op de luchtkwaliteit. Plansituatie Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor NO2 en PM10. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de genoemde categorieën van gevallen zoals in deze paragraaf is beschreven, is deconclusie dat dit project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. In planologisch opzicht is sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen, als gevolg van het vervallen van de verkeersbewegingen van een agrarisch bedrijf. Tot slot: de ontwikkeling wordt niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
41
5.8
Bodem
Kader Bij het bestemmingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming: Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels na 1987 is ontstaan, is een 'nieuw' geval. Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt ten minste functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen, middels een melding of een vergunning. Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan.
Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet gekeken worden of nabij gelegen grondwaterverontreinigingen hierdoor kunnen verplaatsen, waarbij een saneringsvergunning aangevraagd of melding (eventueel op grond van gebiedsgerichte aanpak Utrecht) gedaan moet worden. Plansituatie Verkennend en nader asbest in grondonderzoek (juli 2018) In juli 2018 is ter plaatse van het plangebied door BK Ingenieurs een verkennend en nader asbest in grondonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4). Hieronder wordt kort op het onderzoek ingegaan. Tijdens het eerder uitgevoerd verkennend onderzoek (kenmerk 181695, van 15 juni 2018) is de grond op het zuidelijk deel van het perceel verkennend onderzocht op asbest. Hierbij is in één grondmengmonster asbest aangetoond in een gehalte hoger dan 50 mg/kg ds (1.251 mg/kg ds). Naar aanleiding van het aangetoonde gehalte aan asbest is dit terreindeel nader onderzocht op asbest conform de NEN 5707. Het overige (onverdachte) terreindeel is verkennend onderzocht op asbest conform de NEN 5707.
Het doel van het verkennend asbest in grondonderzoek was vast te stellen of de bodem verontreinigd is (geraakt) met asbest. Het doel van het nader asbest in grondonderzoek is het vaststellen van de aard, mate en omvang van de verontreiniging met asbest om te bepalen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De omvang van de sterke asbest verontreiniging in de bovengrond binnen de projectlocatie werd geschat op maximaal 250 m3. Voor het terreindeel dat nader onderzocht is op asbest, maar niet (sterk) verontreinigd is met asbest (gewogen gehaltes tussen de 3 en 31 mg/kg ds) geldt strikt genomen geen saneringsplicht. Bij de gebruiksfunctie ‘wonen met tuin’ kan de aanwezigheid van asbest in de toplaag echter wel als onwenselijk worden beschouwd. Rapport Wettelijke Eindcontrole na asbestsanering (juni 2019) In juni 2019 is door PLM LAB een Rapport Wettelijke Eindcontrole na asbestsanering (conform NEN2990:2012) opgesteld (zie Bijlage 5 ). Gesteld wordt dat de locatie voldoet aan de eisen. Resultaten laboratoriumonderzoek asbest (september 2019) In september 2019 zijn door Eurofins Omegam de resultaten van het laboratoriumonderzoek asbest toegezonden (zie Bijlage 6).
Beschikking Wbb en BUS (november 2019) In november 2019 is door de gemeente Utrecht een beschikking ‘Instemmen evaluatieverslag ingevolge artikel 39b van de Wet bodembescherming (Wbb) en artikel 14 van het Besluit uniforme saneringen (BUS) afgegeven (zie Bijlage 7). Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
4 2 bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
Utrecht
5.9
Natuurbescherming
Kader Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Interimverordening Provincie Utrecht. Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1. 2. 3.
of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.
Beleidsregels: Utrechtse soortenlijst In de voormalige Flora en faunawet werden soorten beschermd die niet meer beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Hieronder vallen diverse kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn. Deze soorten zijn in de Utrechtse soortenlijst genoemd. De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden. Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd. De Utrechtse Soortenlijst en overige informatie is te vinden op de gemeentelijke website onder Groenbeleid. https://www.utrecht.nl/fileadmin/uploads/documenten/bestuur-en-organisatie/beleid/omgevingsvisie /groen/2018-Nota-Utrechtse-Soortenlijst.pdf Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt.
Een passende beoordeling moet worden gemaakt als het waarschijnlijk is of het risico bestaat dat het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten). Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour In de Interimverordening (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Plansituatie Beschermde dier- en plantensoorten In november 2020 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied (zie hiervoor Bijlage 8). Ook is de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. De Utrechtse soortenlijst is ook meegenomen in het onderzoek. Het plangebied vormt een perceel braakland en bestaat uit open zand en een soortenarme grazige vegetatie, omgeven door intensief beheerd agrarisch cultuurland. In het plangebied staan enkele zeecontainers. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten.
Vogels Het plangebied wordt door vogels gebruikt als foerageergebied en mogelijk nestelen ze onder de overkapping. Mogelijk nestelen de Utrechtse soorten de merel of witte kwikstaart in het plangebied. Door het verwijderen van de overkapping kunnen nesten van vogels verstoord worden. De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, wordt niet aangetast. Aanbevolen wordt de overkapping te verwijderen buiten de voortplantingsperiode of een broedvogelscan uit te voeren. bestemmingsplan "Nedereindseweg 511, Rijnenburg" (vastgesteld)
43
Grondgebonden zoogdieren In het plangebied zijn geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat grondgebonden zoogdieren een rust- of voortplantingsplaats bezetten in het plangebied. Mogelijk gebruiken algemene soorten muizen en de haas en vos het gebied. In Utrecht zijn geen potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats van Utrechtse soorten de egel of marterachtigen aangetroffen. De werkzaamheden hebben mogelijk effect op algemene soorten zoogdieren. Voor deze soorten geldt een vrijstelling. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. Vleermuizen Vanwege het gebrek aan geschikte structuren wordt niet verwacht dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de oppervlakte, is het plangebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen.
Mogelijk benutten vleermuizen de laanbomen langs de Nedereindseweg als vliegroute, maar deze wordt niet negatief beïnvloed door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, kunnen algemene en weinig kritische amfibieën soorten gebruik maken van het plangebied. Door de werkzaamheden wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt een vaste (winter)rustplaats beschadigd en vernield. Door het bebouwen en verharden van een deel van het plangebied, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën af. Voor deze amfibieën geldt een vrijstelling. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. Beschermde gebieden Natura 2000-gebied In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie.
Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning. Om de effecten van de ontwikkeling op beschermde natuurgebieden in beeld te brengen is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 9. Het onderzoek is uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van mogelijke significante gevolgen en daarmee een eventuele vergunning- of meldingsplicht ingevolge de Wet natuurbescherming. De meest nabije Natura 2000-gebieden zijn: Oostelijke Vechtplassen (ongeveer 11 km noordoostelijk); Uiterwaarden Lek (ongeveer 8 km zuidelijk); Zouweboezem (ongeveer 9 km zuidelijk); Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (ongeveer 18 km noordwestelijk). Uit het onderzoek blijkt uit de depositiebijdrage van de ontwikkeling in zowel de bouwfase als de gebruiksfase geen significante verslechtering plaatsvindt in de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Groene Contour.