Bestemmingsplan Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet.pdf
Tekst van het document
41
Voor de ontwikkeling van Rijnvliet is in 2017 de bestaande ontheffing voor de grote modderkruiper verlengd tot december 2022; Volg de voorschriften uit de ontheffing en het acitiviteitenplan op om negatieve effecten op de grote modderkruiper zoveel mogelijk te voorkomen en te voldoen aan de ontheffing. Voor de kleine modderkruiper en bittervoorn: De werkzaamheden aan de watergangen moeten worden uitgevoerd van augustus - november. De in te richten watergangen voor de grote modderkruiper zijn ook geschikt voor de kleine modderkruiper en de bittervoorn en kunnen dus als compensatie dienen. Voor algemene broedvogels en de merel en tjiftjaf: Tijdens het broedseizoen bestaat de kans op broedgevallen van algemene broedvogels in de begroeiing rondom het plangebied en de oevers van de sloten aan de zuidzijde. Negatieve effecten worden verwacht door de verstorende werking van de werkzaamheden. Negatieve effecten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen, buiten het broedseizoen te starten of preventieve maatregelen te treffen zodat broedgevallen zich niet zullen vestigen in de begroeiing en oevers; Van belang is of broedgevallen daadwerkelijk aanwezig zijn in de begroeiing wanneer deze niet aanwezig zijn worden negatieve effecten niet verwacht en kan gewerkt worden in het broedseizoen.
Om vast te stellen of broedgevallen aan- of afwezig zijn is een broedvogelcheck noodzakelijk. Deze check dient maximaal 3 dagen voor de start van de werkzaamheden te worden uitgevoerd. Het broedseizoen is geen vastgestelde periode, uitsluitend van belang is aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten. Indicatief wordt vaak de periode half maart - half augustus gehanteerd omdat in deze periode de kans op broedgevallen het grootst is. Voor de zorgplicht en calamiteiten: Voor alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt de ‘Algemene zorgplicht’, Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Met name geldt dit voor algemene soorten zoogdieren en amfibieën, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Er wordt geadviseerd om te werken volgens een ecologisch werkprotocol om negatieve effecten op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen; Worden er tijdens de werkzaamheden toch beschermde soorten aangetroffen, leg dan het werk tijdelijk stil en neem contact op een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige en bevoegd gezag moet in dat geval duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan.
5.12 Bomen In het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Bomen vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. In het plangebied komen waarschijnlijk nieuwe bomen. De locatie en de soort bomen is nog niet bekend, daarvoor wordt nog een inrichtings- en beplantingsplan gemaakt.
5.13 Water Door een ruimtelijk plan kunnen de belangen en het functioneren van het watersysteem en de waterketen onder druk komen te staan. Het doel van de 'Watertoets' is het waarborgen van watergerelateerd beleid en beheer door ruimtelijke ontwikkelingen vroegtijdig en evenwichtig te toetsen aan de relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten wettelijk voorzien zijn van een 'Waterparagraaf', een ruimtelijke onderbouwing van de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie. Met de watertoets worden de waterhuishoudkundige gevolgen van een plan vroegtijdig inzichtelijk gemaakt, de afwegingen expliciet en toetsbaar vastgelegd en in het wateradvies van de waterbeheerder opgenomen. Door afstemming met de waterbeheerder(s) wordt voorkomen dat door een ruimtelijke ontwikkeling de kansen voor de waterhuishouding niet worden benut en de bedreigingen niet worden herkend. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem tijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd. Deze waterparagraaf is opgesteld ter verantwoording en afsluiting van de watertoets voor het bestemmingsplan waarin 9 woningen mogelijk worden gemaakt.
Kader In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht en het 4 2 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
waterschap HDSR en het waterschap AGV(Waternet) gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden-bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, WB21, NBW, Waterwet, etc.; Provinciaal beleid: Nota Planbeoordeling, Waterhuishoudingsplan, Beleidsplan Milieu en Water, Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028, Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021, Provinciale verordening en de provinciale milieuverordening; Gemeentelijk beleid: Plan Gemeentelijke Watertaken Utrecht 2016-2019; Waterschapsbeleid HDSR: Waterwet, Waterbeheerplan “Waterkoers 2016-2021”, Beleidsregels Keur 2019. Plansituatie Voor het bestemmingsplan Rijnvliet is door de gemeente Utrecht in samenwerking met het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden een Waterhuishoudingsplan opgesteld, waar een watertoets op is uitgevoerd. De wateropgave voortvloeiend uit de watertoets bestond in het bestemmingsplan Rijnvliet uit het graven van minimaal 42.000 m2 open water, om te voldoen aan het standstill beginsel.
In het plangebied is dit op de volgende manier ingekleed: in peilgebied -0,50 m NAP was 37.555 m2 open water gerealiseerd; in peilgebied -0,40 m NAP was 4.920 m2 open water gerealiseerd. In totaal was er aan open water binnen het bestemmingsplan Rijnvliet 37.555 m2 + 4.920 m2 = 42.475 m2 gerealiseerd. Dat is 475 m2 open water meer dan noodzakelijk, om aan het standstill beginsel te voldoen. In 2020 heeft een herberekening plaatsgevonden op basis van een aantal wijzigingen in de inrichtingsplannen: in peilgebied -0,50 m NAP is 37.130 m2 open water gerealiseerd; in peilgebied -0,40 m NAP is 7.081 m2 open water gerealiseerd. In totaal is er aan open water binnen het bestemmingsplan Rijnvliet 37.130 m2 + 7.081 m2 = 44.211 m2 gerealiseerd. De verschillen tussen de situatie in 2016 en 2020 zijn als volgt: in peilgebied -0,50 m is 425 m2 te weinig gerealiseerd; in peilgebied -0,40 m is 2.161 m2 te veel gerealiseerd. Een gunstige ontwikkeling, in totaal is er 2.161 m2 - 425 m2 = 1.736 m2 overcompensatie gerealiseerd. Doordat er in het basisplan in 2016 al 475 m2 meer oppervlaktewater zat, dan noodzakelijk voor het standstill beginsel, komt de totale overcompensatie anno 2020, op 1.736 m2 + 475 m2 = 2.211 m2. Een overzichtskaart van het open water en een toelichting op de berekening van de watercompensaties zijn in bijlage 4 en 5 opgenomen.
In 2021 wordt er één bestemmingsplan doorgevoerd en twee wijzigingsplannen. Hoek Papiermoerbeilaan Monardastraat, Rijnvliet betreft het bestemmingsplan. Wateropgave In onderstaande tabel is de bestaande en de nieuwe situatie van het plangebied weergegeven. Groen Water Weg in water passerende verharding Uitgeefbaar/tuin Dakoppervlak Totaal onverhard Totaal verhard
Bestaande situatie 3.037 m2 105 m2 -
Nieuwe situatie 344 m2 105 m2 100% onverhard: 786 m2
-
60% onverhard: 705 m2 40% verhard: 470 m2 100% verhard: 732 m2 1.940 m2 1.202 m2
3.142 m2 0 m2
bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
43
Dit betekent dat 1.202 m2 (toename verharding) x 15% = 180 m2 oppervlaktewater moet worden gecompenseerd. De toename aan verhard oppervlak kan opgevangen worden binnen de reeds gerealiseerde wateropgave van het bestemmingsplan Rijnvliet. Vanuit de herberekening in 2020 wordt er in peilgebied -0,40 m NAP, 180 m2 het plangebied afgehaald van de totaalhoeveelheid. Dat maakt dat er 7.081 m2 - 466 m2 (Rijnvliet, wijzigingsplan Papiermoerbeilaan) – 180 m2 (Hoek Papiermoerbeilaan Monardastraat, Rijnvliet) = 6.435 m2 over blijft in peilgebied -0,40 m NAP. De totaal balans blijft hiermee (2.211 m2 – 466 m2 - 180 m2 = 1.565 m2) in de plus. Het nieuwe watersysteem moet voldoende bergings- en afvoercapaciteit hebben om het afstromend hemelwater in en vanaf het toekomstige plangebied zonder wateroverlast te kunnen bufferen en afvoeren. Deze bergingscapaciteit kan ingevuld worden door: parkeerplaatsen voorzien van halfverharding (grasbetontegels), waardoor hemelwater in de bodem kan infiltreren; hemelwater vasthouden op bijvoorbeeld een groen dak. Groene daken worden voor 60% verhard gezien en 40% onverhard. Tenzij aangetoond kan worden dat de daken 45 mm water kunnen bergen. Dan zijn de daken volledig onverhard; het water kan ook geïnfiltreerd worden in de bodem (waardoor versnelde afvoer wordt voorkomen, vasthouden van water); hemelwater bergen door extra oppervlaktewater te graven.
Dit kan door de bestaande watergang te verbreden, eventueel in combinatie met de aanleg van een natuurvriendelijke oever. Water en klimaatadaptatie Voor water en klimaatadaptatie worden binnen de gemeente Utrecht de volgende uitgangspunten gehanteerd: de vloerpeilen van panden liggen minimaal 0,15 m boven straatpeil; het gebied moet zo ingericht worden dat zelfs bij een zeer extreme regenbui er geen schade optreedt. Hieraan wordt voldaan, als een extreme bui van 80 mm in één uur, verwerkt kan worden zonder dat er schade optreedt in gebouwen en vitale infrastructuur, zoals nutsvoorzieningen, door instromend regenwater en er ook geen gezond- en veiligheidsrisico's kunnen optreden, zoals bijvoorbeeld door opdrijvende putdeksels; daarvan wordt dus 45 mm binnen het plangebied vastgehouden en verwerkt; ledigingstijd van infiltratievoorzieningen bedraagt maximaal 48 uur. De buffer moet hierna weer volledig beschikbaar zijn voor nieuwe buien. Conclusie Als gevolg van de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak in het plangebied toe, maar kan de hoeveelheid verrekend worden met overcompensatie binnen geheel Rijnvliet.
5.14 Archeologie Wettelijk kader In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.
Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. Verordening en bestemmingsplan 4 4 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen wordt verwezen naar de verordening en een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde- archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Gemeentelijke archeologische waardenkaart De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de verordening op de archeologische Monumentenzorg.
Deze waardenkaart is geënt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) van de provincie en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting en gebieden van archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen. Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist.
Gebieden van hoge archeologische waarde (rood) zijn gebieden waarvan bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar die niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (geel) zijn zones waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek archeologische waarden te verwachten zijn (er wordt een middelhoge tot hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm. Bij gebieden met een archeologische verwachting (groen) zijn de verwachtingen lager (er wordt een middelhoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 1000 m2 en dieper dan 50 cm. Daarnaast zijn op de kaart witte gebieden aangewezen. Voor deze zones geldt geen verwachting en geen vergunningstelsel. Plangebied en conclusie Binnen het plangebied bevinden zich volgens de archeologische waardenkaart van de gemeente Utrecht drie zones waarvoor verschillende waarden of verwachtingen en beleidscriteria gelden. Door het plangebied loopt een zone met een hoge archeologische waarde (rood).
Voor deze zone geldt dat voor werkzaamheden groter dan 50 m2 en dieper dan 30 cm een archeologievergunning moet worden aangevraagd. Deze verwachting is gebaseerd op de aanwezigheid van de Romeinse limesweg. De rest van het plangebied ligt in een gebied van archeologische verwachting (groen) waarvoor geldt dat voor graafwerkzaamheden met meer dan 1000 m2 en die dieper gaan dan 50 cm een archeologievergunning moet worden aangevraagd. In deelgebied Rijnvliet heeft in 2010 archeologisch proefonderzoek plaatsgevonden en in 2017 en 2018 is grootschalig onderzoek naar onder andere de Romeinse weg uitgevoerd. Dit betekent dat voor werkzaamheden in het plangebied geen archeologievergunning hoeft te worden aangevraagd. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden hier onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dient hiervan, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding te worden gedaan bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. archeologen van de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht, 030-2860023, 030-2860016, 030-2860011 of 030-2862765 en via archeologie@utrecht.nl.
bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
45
5.15 Kabels en leidingen Plansituatie In Rijnvliet wordt nieuwe nutsinfrastructuur aangelegd en de bestaande structuur ingepast of verwijderd. De nutsleidingen zijn ontworpen conform de atlas nutsleidingen. Dit betekent dat in elke straat aan de woningzijde(s) een strook gereserveerd is voor de aanleg van nutsvoorzieningen. Naast deze reguliere kabels en leidingen loopt er ten westen van het plangebied een 150 kV hoogspanningsverbinding. Dit tracé ligt voor het overgrote deel in Rijnvliet onder de grond en komt ten zuidwesten van het plangebied boven de grond. In 2021 wordt de gehele hoogspanningsverbinding voor het gebied ten zuidwesten van het plangebied ondergronds gebracht. De hoogspanningsverbinding heeft geen gevolgen voor de ontwikkeling van de 9 woningen. In het plangebied zijn verder geen kabels en leidingen aanwezig die planologische bescherming behoeven. Conclusie Kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van 9 woningen.
5.16 Gezondheid Plansituatie Het thema Gezonde verstedelijking kan op verschillende manieren worden ingevuld; dit kan zijn een kwalitatief hoogwaardige openbare ruimte, ruimte voor voetganger en fiets, energie, etc. Het bieden van aantrekkelijke ruimte voor sport en bewegen in de openbare ruimte is een aandachtspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die als prettig wordt ervaren, uitnodigt tot gezond gedrag en waar de druk op onze gezondheid zo laag mogelijk is. Bij een gezonde leefomgeving gaat het zowel om harde milieuaspecten van de omgeving (zoals lucht- en geluidskwaliteit) en de inrichting van de omgeving en de manier waarop we deze beleven als om een gebouw waarin we wonen en werken, die een goede kwaliteit biedt (binnenmilieu) en geen ongezonde situaties kent. De ligging van het plangebied ten opzichte van de binnenstad, het buitengebied, voorzieningen(recreatie en sport) en OV is positief voor gezonde mobiliteit (lopen en fietsen). Een van de belangrijke dragers van het stedenbouwkundig ontwerp is een ruime groen- en waterstructuur die aansluit aan de omgeving en het toevoegen van groen aan de noordzijde van het plan (midden). In de openbare ruimte bestaat voldoende ruimte voor speelruimte voor diverse groepen.
Binnen kan een gezonde geluidsituatie worden bereikt door de benodigde extra gevelisolatie die volgt uit de geluidwetgeving. Daarnaast zal bij het indelen van de woningen rekening moeten worden gehouden met de gemeentelijke Geluidnota, zodat toekomstige bewoners kunnen slapen aan een geluidluwe zijde waardoor hinder en slaapverstoring zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het bestemmingsplan biedt een kader om voornoemde volksgezondheidaspecten zo optimaal mogelijk vorm te geven. Volksgezondheid heeft een sterke relatie met belevingskwaliteit van de (semi-)openbare ruimte. Het klimaat verandert: hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en een grotere kans op lange droge periodes. Heel veel regen in korte tijd, lange tijd droogte, hetere dagen en warmere nachten hebben gevolgen voor onze leefomgeving en gezondheid. De rijksoverheid vindt het belangrijk dat inwoners van steden nu en in de toekomst gezond kunnen wonen werken en ontspannen (Healthy Urban Living) Ook in Utrecht staat Healthy Urban Living centraal. Om Healthy Urban Living in de praktijk te brengen, kiest Utrecht voor in totaal 8 City Deals met de rijksoverheid. Er is o.a. een City Deal klimaatveranderingen, een City Deal energieprogramma en een City Deal woonkwaliteit en duurzaamheid met aandacht voor zorg.
City Deal klimaatadaptieve stad De gemeente Utrecht heeft op 9 oktober 2014 twee intentieverklaringen ruimtelijke adaptatie getekend. Een landelijke en een regionale. Met de landelijke ondertekening onderschrijft de gemeente Utrecht de volgende landelijke doelstellingen: de stad Utrecht is ook in 2050 nog aantrekkelijk om te leven, omdat de stad bestand tegen wateroverlast door heviger regen en langduriger droogte en hogere temperaturen; uiterlijk in 2020 moeten alle ruimtelijke ingrepen integraal getoetst worden op hun 4 6 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
is
Utrecht
klimaatbestendigheid; de periode tot 2020 wordt benut om voldoende kennis en een aanpak te ontwikkelen om de eerste twee doelstellingen concreet te kunnen invullen. In de regionale verklaring beloven 7 gemeenten, het waterschap, de provincie Utrecht en de Veiligheidsregio Utrecht in de regio Utrecht de komende jaren samen te werken om de regio nog klimaatbestendiger te maken. De samenwerking moet eind 2015 resulteren in een gezamenlijke aanpak voor die problemen die het beste regionaal aangepakt kunnen worden. Het klimaat verandert: hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en een grotere kans op lange droge periodes. Heel veel regen in korte tijd, lange tijd droogte, hetere dagen en warmere nachten hebben gevolgen voor onze leefomgeving en gezondheid. De rijksoverheid vindt het belangrijk dat inwoners van steden nu en in de toekomst gezond kunnen wonen werken en ontspannen (Healthy Urban Living) Ook in Utrecht staat Healthy Urban Living centraal. Om Healthy Urban Living in de praktijk te brengen, kiest Utrecht voor in totaal 8 City Deals met de rijksoverheid. Er is o.a. een City Deal klimaatveranderingen, een City Deal energieprogramma en een City Deal woonkwaliteit en duurzaamheid met aandacht voor zorg.
Plangebied en conclusie De stedenbouwkundige ontwikkeling van Rijnvliet kent een langere geschiedenis dan het concept van 'gebiedsontwikkeling nieuwe stijl' met als uitgangspunt de gezonde, duurzame en klimaatadaptieve stad. In het bestemmingsplan worden klimaatadaptieve investeringen niet belemmerd.
5.17 Toegankelijkheid Kader Utrecht wil een stad zijn waar iedereen mee kan doen, waar we niemand buitensluiten. Een inclusieve toegankelijke stad. We willen dat alle inwoners en bezoekers, met en zonder beperking, alle (openbare) gebouwen, woningen, de openbare ruimte en dienstverlening kunnen gebruiken. Utrecht werkt al sinds 2007 actief aan toegankelijkheid, eerst met Agenda 22 en nu volgens het VN-verdrag handicap. Het uitgangspunt van het VN-verdrag handicap is 'niets over ons zonder ons'. Samenwerking met de belangenorganisaties voor inwoners met een beperking in een zo vroeg mogelijk stadium van de planontwikkeling is daarmee noodzakelijk. De ambities van de gemeente voor het VN-verdrag handicap staan in de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk'. In de agenda 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' zijn drie kansen omschreven die we als gemeente willen pakken. Dit zijn: sneller en concreet resultaat, niet alleen fysiek maar ook sociaal toegankelijk en samenwerken met de stad. Met het uitvoeringsprogramma 'Utrecht voor iedereen toegankelijk' laten we zien wat we al doen en wat we nieuw op pakken. Dit zijn acties die nodig zijn voor het benutten van de drie kansen. Daarnaast moeten gebouwen en woningen voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Met ingang van 1 juli 2021 en 1 januari 2022 treedt een aantal wijzigingen van het Bouwbesluit 2012 in werking.
Er zijn dan nieuwe toegankelijkheidseisen voor bijvoorbeeld drempels bij hoofdingangen van nieuwe publiek toegankelijke gebouwen en alle toegangen bij nieuwbouwwoningen. Plangebied Woningen Utrecht wil graag rolstoelbezoekbare en rolstoelbewoonbare woningen. Wij willen dat iedereen, ook als hij of zij gebruik maakt van een rolstoel, alle nieuwe of verbouwde woningen kan bezoeken. Iedereen kan vanaf de openbare weg bij de voordeur komen, een brief in de bus doen, aanbellen, binnengaan, in de woonkamer komen en bij het toilet, gebruik maken van de buitenruimte zoals een balkon of tuin. Dit houdt bijvoorbeeld in dat er geen trappetjes of opstapjes zijn, binnen of buiten de woning. Dit is een woning die bezoekbaar is. De woningen in het plangebied voldoen hier aan. Openbare ruimte De openbare ruimte moet zo zijn ingericht dat iedereen, met of zonder beperking zich goed kan verplaatsen. In de Kadernota Kwaliteit Openbare Ruimte staan de uitgangspunten. Het Handboek Openbare Ruimte en de richtlijn Voetpaden voor iedereen kunnen helpen bij de uitwerking. Aandacht is nodig bij hoogte verschillen en het overbruggen daarvan. In het plangebied zijn geen bruggen, trappen of hellingbanen in de openbare ruimte aanwezig. Conclusie De woningen die door dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt voldoen aan de uitgangspunten voor toegankelijkheid.
bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
47
5.18 Duurzaamheid Elk bouwinitiatief moet een bijdrage leveren aan de duurzaamheidsdoelen van de gemeente. Daartoe worden initiatiefnemers uitgedaagd om in een visiedocument aan te geven waar zij toe in staat zijn en wat het oplevert voor het onderhavige plan en voor de stad als totaal. Onderwerpen die de revue kunnen passeren zijn de milieubelasting van het materiaalgebruik van draagconstructie, omhulling, afbouw/afwerking en installaties, het terugbrengen van het fossiel energieverbruik, de inzet van efficiënte en/of hernieuwbare energievormen, het verbeteren van het binnenmilieu en het effect van het initiatief op de belevingskwaliteit van de (semi-)openbare ruimte. Maar ook meer People georiënteerde onderwerpen zijn van belang. Speciale aandacht gaat uit naar de toenemende schaarste van grondstoffen, in het bijzonder zeldzame aardmetalen. Zuinig zijn met grondstoffen is een nieuwe uitdaging. Energie Utrecht wil een duurzame stad zijn. Duurzame ontwikkeling betekent dat de keuzes die nu gemaakt worden, ervoor zorgen dat Utrecht in de toekomst aantrekkelijk is voor haar bewoners en bedrijven. Dit uit zich in nieuwbouw projecten in drie aspecten: energie, duurzaam en circulair bouwen.
Aspecten als vergroening van daken voor opvang van hemelwater en het verminderen van de koellast, het toepassen van een slim energiesysteem met zonnepanelen en toepassing van een WKO zijn mogelijkheden. Aansluiting op stadsverwarming behoort ook tot de mogelijkheden. BENG Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn. Dit houdt in dat alle nieuwbouw aardgasloos gebouwd wordt, en zoveel mogelijk energie duurzaam opwekt. In de warmtevisie zijn hiervoor de eerste beleidsregels vastgelegd. Concreet betekent dit voor Utrecht dat er wordt ontworpen met de BENG methodiek om de energiebehoefte (BENG!) te beperken en uit wordt gegaan van lage temperatuurafgiftesystemen in gebouwen. Daarnaast dienen er voorzieningen te worden getroffen rekening houdend met zowel gebouwgebonden verbruik (verwarming, etc.) en gebruiksgebonden verbruik (tv. koelkast, pc, etc.). Doel is zo min mogelijk CO2 uitstoot van het gebouw, conform motie 2017/61: Utrecht bouwt BENG. Overigens geldt voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, vergunning aanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPDB). Het toepassen van het Nul op de Meter concept is daarbij gewenst.
Met het Utrechts Energieprotocol geeft de gemeente aanvullende richtlijnen hoe klimaatneutraliteit moet worden vormgegeven. Het Utrechts Energie Protocol geeft houvast bij het gezamenlijk stapsgewijs invullen van de ambitie om gebieden maximaal klimaatneutraal te (her)ontwikkelen en is een handreiking aan projectontwikkelaars hoe zij aan het principe van klimaatneutraal zijn vorm kunnen geven. Bij toepassing van bodemwarmtepompen dient rekening te worden gehouden met het beperken van uitputting van de bodem; volledige regeneratie van de bodemtemperatuur is het uitgangspunt. Bij luchtwarmtepompen dient rekening te worden gehouden met geluidsaspecten. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat in grote delen van de stad alleen het 1e watervoerend pakket tot 50 meter diepte gebruikt kan worden. GPR Op het gebied van duurzaam bouwen spelen meerdere factoren een rol. Zo vraagt de gemeente aandacht voor circulair bouwen, groen, klimaatadaptatie (d.w.z. beperken hittestress, berging regenwater bij stortbuien etc.) diervriendelijk bouwen, duurzaamheidsaspecten Integrale woonkwaliteit en een hoge kwaliteit voor de gebruiker. Een algehele duurzaamheidsprestatie wordt uitgedrukt via GPR gebouw, met als ondergrens een 7,5 gemiddeld over de vijf aspecten (energie, milieu, gezondheid, gebruikswaarde en toekomstwaarde) of zoveel beter als mogelijk is.
Plansituatie Voor dit gebied is een bouwclaimovereenkomst gesloten met een ontwikkelaar, waarbij afspraken zijn gemaakt met betrekking tot duurzaamheid, onder andere de voorwaarde dat er gebruik wordt gemaakt van stadsverwarming. Energieverspilling moet namelijk worden voorkomen. In lijn met het TRIAS energetica principe wordt zodoende in eerste instantie gekeken in hoeverre energieverbruik kan worden beperkt. Warmteverlies wordt voorkomen door de toepassing van goede isolatie, kierdichting en een zuinig ventilatiesysteem met natuurlijke aanvoer en mechanische afvoer van ventilatielucht. De woningen worden standaard voorzien van een aansluiting op de stadsverwarming met vloerverwarming op de begane grond en radiatoren op de verdiepingen. Doordat stadsverwarming gebruik maakt van restwarmte zorgt deze manier van verwarmen voor vermindering van de CO2 uitstoot. Er wordt namelijk geen gebruik gemaakt van gas. Alle woningen hebben een energieprestatiecoëfficiënt (EPC) van 0,4 of lager en hebben dus energielabel A. 4 8 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
Naast het energielabel A zullen de woningen in Rijnvliet waarvoor nog geen omgevingsvergunning is aangevraagd voldoen aan de eisen die gelden voor BENG. Concreet betekent dit dat er wordt ontworpen met de BENG methodiek om de energiebehoefte te beperken en uit wordt gegaan van lage temperatuurafgiftesystemen in de woningen. Daarnaast zullen er voorzieningen te worden getroffen rekening houdend met zowel woninggebonden verbruik (verwarming, etc.) en gebruiksgebonden verbruik (tv. koelkast, pc, etc.). Doel is zo min mogelijk CO2 uitstoot van de woning. De ambitie is om een woning te ontwerpen dat zoveel mogelijk in haar eigen energie behoefte voorziet. De belangrijkste schakel in het beperken van het energieverbruik is echter het gedrag van de bewoners. Dit betekent dat de bewoners inzicht krijgen in hun energieverbruik, dit energieverbruik eenvoudig zullen kunnen beïnvloeden en ook kunnen vergelijken met anderen. Dit wordt gerealiseerd door het toepassen van slimme energiemeters en bedieningen via een app op de smartphone of tablet. Conclusie Voor dit gebied gelden de afspraken uit de bouwclaimovereenkomst en de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit. Waar mogelijk werkt de ontwikkelaar mee aan de duurzaamheidsambities van de gemeente Utrecht, zoals hierboven beschreven. Zie verder bijlage 10.
5.19 Conclusie Gelet op voorgaande paragrafen is de conclusie dat er geen belemmeringen zijn voor de ontwikkeling van de woningen.
bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
49
5 0 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Inleiding Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de integrale gebiedsontwikkeling van het plangebied 'Hoek Papiermoerbeilaan-Monardastraat, Rijnvliet' en maakt de ontwikkeling van 9 woningen mogelijk. Financiële en economische uitvoerbaarheid De te ontwikkelen grond is eigendom van de gemeente. Voor de integrale gebiedsontwikkeling van het plangebied 'Hoek Papiermoerbeilaan-Monardastraat, Rijnvliet' is op basis van de beschreven uitgangspunten een grondexploitatie gemaakt. In deze grondexploitatie worden de kosten en opbrengsten geraamd, en wordt het verwachte resultaat van de gebiedsontwikkeling bepaald. De opbrengsten worden gerealiseerd door de verkoop van bouwgrond ten behoeve van 9 woningen. De hoogte van deze opbrengsten is geraamd o.b.v. taxaties. De kosten worden met name bepaald door de grondverwerving, het bouw- en woonrijp maken van de locatie en de kosten van planontwikkeling. De kosten van grondverwerving zijn geraamd o.b.v. taxaties. De kosten van bouw- en woonrijp maken (en bovenwijkse voorzieningen) zijn geraamd door een ingenieursbureau. De gemeente heeft zelf de kosten van planontwikkeling geraamd. Om de effecten van rente en inflatie te bepalen, zijn de kosten en opbrengsten gefaseerd in de tijd. Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn de doorlooptijd van procedures, beschikbaarheid van gronden en de ingeschatte opname van bouwkavels door de markt.
De conclusie van de financiële analyse is dat de kosten en opbrengsten passen binnen de grondexploitatie van Leidsche Rijn. Dit bestemmingsplan is daarmee financieel uitvoerbaar. Kostenverhaal De gemeente is eigenaar van het gebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft. Het kostenverhaal is daarmee anderszins verzekerd, namelijk via de uitgifte van bouwrijpe kavels. Er is geen noodzaak tot het stellen van eisen aan de fasering of de uitvoering. Voor zover nodig zijn deze eisen vastgelegd in de ontwikkelovereenkomst. Er zal bij dit bestemmingsplan dan ook géén exploitatieplan worden vastgesteld. Planschade Naast de kosten voor het maken van het bestemmingsplan moet een inschatting worden gemaakt van het risico van planschade. Dit risico is ambtelijk geanalyseerd, de conclusie is dat de omliggende gronden niet in waarde dalen door de nieuwe ontwikkelingen. De planschade wordt daarom geraamd op nihil. Het eventuele risico van planschade komt ten laste van de grondexploitatie Leidsche Rijn.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg vanuit eerdere besluitdocumenten
In het Stedenbouwkundig Plan Rijnvliet is het plangebied aangegeven als ruimte voor toekomstige ontwikkeling. De 9 woningen zijn meegenomen in het totaal aantal woningen voor Rijnvliet. Het stedenbouwkundig plan heeft eerder ter inzage gelegen. 6.2.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening
Het bestemmingsplan is aan een aantal instanties toegezonden voor reactie als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR) en Provincie Utrecht hebben gereageerd. Provincie Utrecht De provincie heeft aangegeven geen opmerkingen in het kader van het provinciaal belang op het bestemmingsplan te hebben. Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR) HDSR geeft aan dat voor hen onvoldoende duidelijk is in hoeverre in geheel Rijnvliet daadwerkelijk extra open water is gerealiseerd en vragen om een verduidelijking middels een overzichtskaart en berekening. Ook vragen ze om een vergelijking met de eerder afgegeven watervergunning voor Rijnvliet. Reactie bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
51
Het bestemmingsplan is aangepast naar aanleiding van de vooroverlegreactie. Ter verduidelijking van de berekening en de locaties van overcompensatie aan open water in Rijnvliet zijn een overzichtskaart en een toelichting op de berekening en vergelijking met de eerder afgegeven watervergunning in de bijlagen van de toelichting opgenomen.
5 2 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 7 Juridische plantoelichting 7.1
Inleiding
Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker en draagt zo bij aan een effectiever en efficiëntere dienstverlening.
7.2
Opbouw regels
7.2.1
Het gebruik van het woord of
Wanneer in de regels van dit bestemmingsplan in een opsomming van gevallen het woord 'of' wordt gebruikt, is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan een van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoen. Onder 'of' wordt een combinatie van opties niet uitgesloten.
7.3
Regeling bijbehorende bouwwerken
In het Besluit omgevingsrecht Bijlage II artikel 2 staan de vergunningvrije bijbehorende bouwwerken opgesomd. Deze vergunningvrije bouwwerken zijn in 2014 aanzienlijk verruimd. De vergunningvrije bouwwerken komen overeen met de voorheen door de gemeente Utrecht gehanteerde standaard erfbebouwingsregeling bij woningen. Besloten is daarom om in het bestemmingsplan geen aparte regels meer op te nemen voor bijbehorende bouwwerken, maar om te verwijzen naar de vergunningvrije bijbehorende bouwwerkenregeling in het Besluit omgevingsrecht.
7.4
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen Bij wonen mag onder voorwaarden een aan-huis-verbonden bedrijf of een bed & breakfast als ondergeschikte functie uitgeoefend worden. Bij een aan-huis-verbonden bedrijf gaat het om een beroeps- of bedrijfsuitoefening in combinatie met wonen en dus door één van de bewoners van de woning. Bij een aan-huis-verbonden bedrijf mag geen sprake zijn van detailhandel, horeca, afhaalzaken of belhuizen. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van milieucategorie B2 voor een aan-huis-verbonden bedrijf, echter onder de voorwaarde dat de bedrijfsactiviteit in kwestie naar aard en invloed op de omgeving gelijk kan worden gesteld met bedrijfsactiviteiten in milieucategorie A of B1 van de Lijst van Bedrijven functiemenging. Artikel 4 Groen De bestemming groen is bedoeld voor de nieuwe groenvoorzieningen, gazons, beplantingen en andere bijbehorende voorzieningen. In deze bestemming is ook waterbeheer en waterberging mogelijk. Daarnaast zijn voet- en fietspaden mogelijk. Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied De wegen in het plangebied zijn opgenomen in de bestemming 'Verkeer- Verblijfsgebied'. Dit zijn de wegen met hoofdzakelijk een functie voor het bestemmingsverkeer. Er zijn kleine gebouwen toegestaan, bijvoorbeeld voor het realiseren van fietsenstallingen. Artikel 6 Water In het noorden van het plangebied ligt een watergang.
Deze heeft de bestemming water gekregen. De regeling uit de keur blijft onverkort naast het bestemmingsplan van kracht. In de meeste andere bestemmingen zijn water, waterbeheer en waterberging ook toegestaan, in het belang van waterbeheer en waterberging. Artikel 7 Waarde - Archeologie Vanwege de archeologische verwachtingswaarde in het gebied is een dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van mogelijk aanwezig bodemarchief. Er moet getoetst worden aan de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
53
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een stuk grond dat al eens was betrokken bij het verlenen van een omgevingsvergunning bij de beoordeling van latere bouwplannen nogmaals wordt betrokken. Artikel 9 Algemene bouwregels Dit artikel regelt de mogelijkheid voor (beperkte) overschrijdingen van bebouwingsgrenzen die op de kaart zijn aangegeven, een voorwaardelijke verplichting over parkeren en regels voor woningvorming en omzetting. Voorwaardelijke verplichting over parkeren Deze planregel volgt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 9 september 2015 (201410585/1) over bestemmingsplan "KPN Campus Fockema Andreaelaan, Rubenslaan e.o.". Artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro maakt het mogelijk dat een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Artikel 9.3 lid 1 van de planregels regelt dat bij een omgevingsvergunning voor het bouwen de parkeergelegenheid voor auto's en fietsen voldoet aan het gemeentelijk beleid (ten tijde van het opstellen van deze toelichting: de Nota Stallen en Parkeren 2013).
Bij het toetsen van een bouwaanvraag aan het bestemmingsplan, zal onderzocht worden of de aanvraag voldoet aan de voorwaarde om voldoende parkeergelegenheid te regelen. Als gedurende de geldigheid van dit bestemmingsplan het parkeerbeleid wordt gewijzigd, geldt als uitgangspunt dat een aanvraag om omgevingsvergunning aan het op dat moment geldende parkeerbeleid wordt getoetst. Daarom bevat artikel 9.3 lid 2 een regel die bij gewijzigd beleid een afweging over de bij de aanvraag horende parkeereis, zodat gemotiveerd wordt in hoeverre het nieuwe beleid wordt toegepast. Recent is de Nota Stallen en Parkeren gewijzigde via het op 28 maart 2019 vastgestelde addendum Nota parkeernormen fiets en auto. Woningvorming en omzetting De gemeenteraad heeft op 26 november 2015 de Beleidsnotitie Woningsplitsen en omzetten vastgesteld, waarin is geregeld dat het splitsen en omzetten van woningen niet zonder meer is toegestaan. Op grond van dit beleid is zowel in de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019 gemeente Utrecht, als in het Chw bestemmingsplan Algemene regels voor bouwen en gebruik een vergunningplicht opgenomen voor woningvorming (door bouwkundig splitsen) of omzetting van woonruimte. Woningvorming en omzetting van woonruimte voor kamerverhuur voorziet weliswaar in de behoefte aan woonruimte voor starters en studenten, maar kan de leefbaarheid van de omgeving nadelig beïnvloeden.
Daarom wil de gemeente kunnen toetsen of de woningvorming of omzetting de leefomgeving niet onevenredig aantast. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kan de gemeente een vergunning vragen voor woningvorming en omzetting. In lid 9.4 bepaalt de regel onder 1 dat het omzetten en woningvormen zonder vergunning verboden is. De regel onder 2 geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om, in afwijking van de regel onder 1, woningvorming of omzetting van zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte toe te staan. Burgemeester en wethouders toetsen hierbij aan de algemene leefbaarheidstoets en de fysieke leefbaarheidseisen van de Beleidsregels Wijziging samenstelling van de woonruimtevoorraad (woningsplitsen en omzetten) gemeente Utrecht. De voorwaarde voor het verlenen van de vergunning is, dat de nieuwe woningen of onzelfstandige woonruimten voldoen aan de oppervlakte- en geluidseisen en dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefklimaat, het verkeer, de parkeersituatie en de gebruiksmogelijkheden van de buren. Artikel 10 Algemene gebruiksregels De Wabo bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Een algemeen gebruiksverbod hoeft derhalve niet meer in de planregels te worden opgenomen.
Het is wel mogelijk om in het bestemmingsplan aan te geven wat onder verboden gebruik in ieder geval wordt verstaan. In dit artikel is opgenomen dat onder verboden gebruik wordt verstaan: onbebouwde gronden te gebruiken als staanplaats voor onderkomens als opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan of als stortplaats voor puin en afvalstoffen. Het gebruik of bouwen in strijd met het bestemmingsplan was vroeger onder de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening via een algemene gebruiksbepaling en strafbepaling geregeld in het bestemmingsplan. Onder de Wet ruimtelijke ordening was een en ander geregeld in de wet zelf. Met de invoering van de Wabo is dat opnieuw gewijzigd. Nu is het als volgt geregeld. 5 4 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
Voor elke verandering van gebruik (in ruime zin) die in strijd komt met een bestemmingsplan is volgens artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo een omgevingsvergunning nodig. Indien voor een dergelijk planologisch strijdig gebruik geen omgevingsvergunning wordt gevraagd of een gevraagde vergunning niet wordt verleend, komt dit gebruik dus in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat artikel kan vervolgens bestuursrechtelijk of strafrechtelijk via de Wet op de economische delicten worden gehandhaafd. Strijdig gebruik met planologische regelingen waarvan afwijking niet is toegestaan valt niet onder artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Met het oog op dergelijk gebruik is in artikel 7.2 Wet ruimtelijke ordening een verbodsbepaling opgenomen bij de invoering van de Wabo. Woningvorming en omzetting Het bestemmingsplan bevat een algemene gebruiksregel voor het vormen en het omzetten van woningen met behoud van een goede leefkwaliteit. Deze regel is, in aanvulling op de algemene bouwregel over woningvorming en omzetting nodig, omdat woningvorming en omzetting soms ook zonder bouwkundige aanpassingen kan plaatsvinden. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels Dit artikel regelt de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om af te wijken van de regels. Dit heeft primair tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen.
Ze kunnen worden toegepast als er niet op grond van de bestemmingsregelingen in hoofdstuk 2 al afgeweken kan worden. Het gaat dan om een afwijking van maten, afmetingen en percentages, het plaatsen van objecten van beeldende kunst, het realiseren van kleine nutsgebouwtjes. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht In het Besluit ruimtelijke ordening is overgangsrecht opgenomen dat in elk bestemmingsplan moet worden overgenomen. Indien de in het plan opgenomen regels, voor wat betreft gebruik of bebouwing, afwijken van een bestaande legale situatie, dan zijn daarop de overgangsregels van toepassing. De overgangsregel heeft tot doel bestaande belangen te respecteren totdat realisering van de nieuwe regels plaatsvindt. Voor bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, is bepaald dat deze gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijking niet wordt vergroot. Gehele vernieuwing is in principe uitgesloten, waaronder ook gefaseerde vernieuwing van een bouwwerk wordt verstaan. Het doel van het overgangsrecht is dat het bestaande bouwwerk in de bestaande staat in stand mag worden gehouden. Uitsluitend na het tenietgaan van het bouwwerk door een calamiteit, waarmee onder andere brand of extreme weersomstandigheden wordt bedoeld, is onder voorwaarden gehele vernieuwing toegestaan.
Vergunningplichtige bouwwerken die zonder vergunning zijn opgericht, kunnen door overgangsrecht niet gelegaliseerd worden. Bouwen zonder vergunning is immers een overtreding van de Wabo die niet door een regeling in een bestemmingsplan ongedaan kan worden gemaakt. Wel kan met een beroep op het overgangsrecht een aanvraag worden ingediend voor de verbouw van een illegaal bouwwerk. Om te voorkomen dat een dergelijke aanvraag moet worden gehonoreerd, is in de overgangsbepaling van dit plan opgenomen dat deze slechts van toepassing is op legale bouwwerken. Voor het gebruik dat onder het overgangsrecht valt, is bepaald dat dat gebruik mag worden voortgezet. Het gebruik mag eveneens worden gewijzigd, voor zover de afwijking ten opzichte van het toegestane gebruik niet vergroot wordt. Hiervoor is reeds aangegeven dat illegale bouwwerken niet gelegaliseerd kunnen worden door overgangsrecht. Voor gebruik is dat in principe wel mogelijk maar vanuit het oogpunt van handhaving ongewenst. Gezien het voorgaande is in de overgangsbepaling opgenomen dat het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, van het overgangsrecht is uitgesloten. Ook na het van kracht worden van dit plan kan dus nog met succes handhavend worden opgetreden tegen gebruik dat reeds in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan.
Dit laatste is uiteraard mede afhankelijk van andere aspecten, waaronder de vraag of het strijdige gebruik reeds zolang plaatsvindt dat de gemeente haar rechten heeft verwerkt. Artikel 13 Slotregel In dit artikel is de naam van het bestemmingsplan, de citeertitel, omschreven. Prostitutie In het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen seksinrichtingen gevestigd met een vergunning op basis van de APV. Gezien het in Utrecht gehanteerde maximumstelsel zijn nieuwe bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
55
seksinrichtingen niet toegestaan en zijn seksinrichtingen uitgesloten in de gebruiksbepaling en in de begripsbepaling "aan-huis-verbonden bedrijf". Gelet op het binnen de gemeente gehanteerde maximumstelsel betekent de regeling in dit bestemmingsplan geen algeheel verbod, maar wel een verbod op seksinrichtingen binnen dit plangebied.
7.5
Lijst van Bedrijven functiemenging
Toepassing Lijst van Bedrijven functiemenging Algemeen In de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) zijn twee voorbeeldstaten voor milieuzonering opgenomen, namelijk de 'Staat Bedrijfsactiviteiten bedrijventerreinen' en de 'Staat Bedrijfsactiviteiten functiemenging'. De aanpak van milieuzonering en de in dit plan gebruikte Lijst van Bedrijven functiemenging is gebaseerd op de Staat Bedrijfsactiviteiten functiemenging in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). De Lijst van Bedrijven functiemenging wordt gehanteerd in gebieden waar bedrijven of andere milieubelastende functies verspreid zijn gesitueerd tussen woningen of andere gevoelige functies. Onderstaand wordt hier meer in detail op ingegaan. Het gaat in dergelijke gebieden in het algemeen om relatief kleinschalige bedrijvigheid die op korte afstand van woningen kan worden toegestaan. De toelaatbaarheid van activiteiten wordt voor dergelijke gebieden in de VNG-publicatie (en de Lijst van Bedrijven functiemenging) bepaald met behulp van op deze situaties toegesneden toelatingscriteria. Functiemengingsgebieden In bestaande gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), wordt de Lijst van Bedrijven functiemenging toegepast.
Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan bij functiemengingsgebieden gedacht worden aan: stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; (delen van) woongebieden met kleinschalige of ambachtelijke bedrijvigheid. Daarnaast kan ook in (delen van) woongebieden waar enige vorm van bedrijvigheid aanwezig of gewenst is de Lijst van Bedrijven functiemenging worden toegepast. Kenmerken van de activiteiten De activiteiten in dergelijke gebieden verschillen in het algemeen qua aard en schaal sterk van de activiteiten op een bedrijventerrein. Behalve in historisch gegroeide situaties gaat het voornamelijk om: kleinschalige, meestal ambachtelijke bedrijvigheid; bedrijven waarbij de productie of laad- en loswerkzaamheden alleen in de dagperiode plaatsvindt; activiteiten die hoofdzakelijk inpandig geschieden. De toegepaste Lijst van Bedrijven functiemenging De bovenvermelde criteria liggen mede ten grondslag aan de selectie van activiteiten die zijn opgenomen in de Lijst van Bedrijven functiemenging. In de Lijst van Bedrijven functiemenging zijn de aspecten geluid, geur, stof en gevaar en de index voor verkeersaantrekkende werking in de categorisering opgenomen.
Deze Lijst is samengesteld volgens dezelfde methodiek als de betreffende Staat Bedrijfsactiviteiten functiemenging uit de VNG-publicatie. Op twee punten is een andere werkwijze toegepast: 1.
In dit plan wordt alleen de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten gekoppeld aan de Lijst. In de Lijst van Bedrijven functiemenging zijn daarom alleen de activiteiten opgenomen die passen binnen de definitie van bedrijf volgens de begripsbepalingen in de regels van dit bestemmingsplan. De toelaatbaarheid van andere functies wordt in dit plan indien nodig op een andere wijze in de regels en op de plankaart van dit bestemmingsplan geregeld (bijvoorbeeld horecabedrijven via een afzonderlijke Lijst van Horeca-activiteiten). Toegevoegd zijn enkele regelmatig voorkomende bedrijfsactiviteiten die in de lijst van de VNG-publicatie niet specifiek zijn opgenomen, maar wel aan de vermelde criteria voldoen zoals een ambachtelijke glas-in-loodzetterij en caravanstalling. Voor aannemers, SBI-code 45, heeft een nadere specificatie van de activiteiten plaatsgevonden met bijbehorende categorie-indeling die is afgestemd op de verwachte milieueffecten van deze activiteiten.
2.
In de Lijst van Bedrijven functiemenging is in de categorie-indeling een nader onderscheid gemaakt tussen categorie B1 en B2. Voor de toepassing in dit bestemmingsplan blijkt het
5 6 bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
Utrecht
onderscheid tussen categorie A en categorie B zoals beschreven in de VNG-publicatie te groot om de toelaatbaarheid van activiteiten voldoende af te kunnen stemmen op de kenmerken van de functiemengingsgebieden en het daarin te volgen beleid. Categorie-indeling Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan, vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. De Lijst van Bedrijven functiemenging hanteert vier categorieën A, B1, B2 en C met specifieke criteria voor de toelaatbaarheid die onderstaand uiteen zijn gezet. Categorie A Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan, desgewenst in daarvoor omschreven zones binnen rustige woongebieden. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Categorie B1 Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn.
Categorie B2 Bedrijfsactiviteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter bouwkundig afgescheiden van woningen/andere gevoelige functies. Bouwkundig afgescheiden betekent dat de panden los van elkaar dienen te staan. Uitzondering hierop vormen binnenterreinen omringd door voornamelijk woningen: ook al zijn bedrijven bouwkundig afgescheiden van woningen, op deze locaties zijn hooguit categorie B1 bedrijven toegestaan. Categorie C Activiteiten vermeld onder categorie B2, waarbij vanwege relatief grote verkeersaantrekkende werking een directe ontsluiting op hoofdinfrastructuur gewenst is.
Flexibiliteit De Lijst van Bedrijven functiemenging blijkt in de praktijk een relatief grof hulpmiddel te zijn om hinder door bedrijfsactiviteiten in te schatten. De inschalingen gaan uit van een gemiddeld bedrijf met een moderne bedrijfsvoering. Het komt in de praktijk voor dat een bepaald bedrijf als gevolg van een geringe omvang van hinderlijke deelactiviteiten, een milieuvriendelijke werkwijze of bijzondere voorzieningen minder hinder veroorzaakt dan in de Lijst van Bedrijven functiemenging is verondersteld. In de regels is daarom bepaald dat het college van burgemeester en wethouders een dergelijk bedrijf toch kan toestaan, indien dit bedrijf niet binnen de algemene toelaatbaarheid past. Bij de Lijst van Bedrijven functiemenging is deze mogelijkheid beperkt tot maximaal 1 categorie (dus bijvoorbeeld categorie B1 in plaats van A of categorie B2 in plaats van B1). Om te kunnen afwijken moet worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) vergelijkbaar is met andere bedrijven uit de desbetreffende lagere categorie. Daarnaast is het mogelijk dat bepaalde bedrijven zich aandienen, waarvan de activiteiten in de Lijst van Bedrijven functiemenging niet zijn vermeld, maar die qua aard en invloed overeenkomen met bedrijven die wel zijn toegestaan.
Met het oog hierop is in de regels bepaald dat het college van burgemeester en wethouders kan afwijken en vestiging van een dergelijk bedrijf kan toestaan. Om te kunnen afwijken moet op basis van milieutechnisch onderzoek worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met direct toegelaten bedrijven.
bestemmingsplan "Hoek Papiermoerbeilaan – Monardastraat, Rijnvliet" (vastgesteld)
57
7.6
Handhaving
Door handhaving controleert de overheid of burgers, bedrijven en bijvoorbeeld overheidsorganen zich aan de wet- en regelgeving houden. Onder handhaving wordt verstaan het door controle (toezicht en opsporing) en het toepassen (of dreigen daarmee) van bestuursrechtelijke sancties, bereiken dat het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift wordt nageleefd. De handhaving van de van toepassing zijnde regeling binnen de gemeente Utrecht, wordt uitgevoerd door diverse diensten en afdelingen. Zo wordt namens het college onder andere gehandhaafd op de regels van voorliggend bestemmingsplan. Dit betekent dat de regels voor wat betreft het gebruik en de bebouwingsregels worden gehandhaafd. Dit gebeurt veelal door toetsing tijdens het behandelen van de aanvragen om omgevingsvergunning, maar kan ook gebeuren als gevolg van toezicht tijdens de uitvoering van de bouw of op grond van een eigen constatering indien een bouwwerk of een perceel in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. Indien er bijvoorbeeld sprake is van illegale ingebruikname van gemeentelijke grond, dan zal hiertegen worden opgetreden. Doel handhavend optreden Het doel van het handhavend optreden van de gemeente is niet direct gekoppeld aan de noodzaak van een actueel bestemmingsplan.
Voor de bewoners van het plangebied is duidelijk waar zij aan toe zijn (qua bouwen, zoals bijvoorbeeld uitbreiding van de woning, en qua gebruik), maar het niet handhaven haalt de effectiviteit van een actueel bestemmingsplan onderuit. De toegevoegde waarde van het verlenen van een omgevingsvergunning voor een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is niet groot, indien er op andere plaatsen - zonder vergunning - vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn geplaatst. Dit wordt nog eens problematischer zodra een omgevingsvergunning wordt geweigerd, terwijl diverse vergelijkbare bouwwerken reeds illegaal zijn geplaatst. In dit laatste geval is de roep om handhavend op te treden dan ook het grootst. Wijze van handhaven Op grond van de Algemene wet bestuursrecht heeft het college een tweetal instrumenten bij handhaving van bestemmingsplannen tot haar beschikking: bestuursdwang en dwangsom. Bij het toepassen van bestuursdwang wordt de overtreding (het geconstateerde illegale bouwwerk c.q. gebruik) ongedaan gemaakt op kosten van de overtreder. Dit kan betekenen dat een bouwwerk door de gemeente wordt afgebroken en de kosten van bijvoorbeeld de aannemer en de gemeentelijke (voorbereidings)kosten op de overtreder worden verhaald.