CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt_vastgesteld.pdf

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 14 april 2022, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt37.597 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

De gemeente heeft hierin een voorbeeldfunctie en verplicht zichzelf wel); regels voor het toepassen van grond vanuit diepere bodemlagen; tijdelijke uitname van grond bij kabels- en leidingen cunetten (uitgravingen). Verminderde onderzoeksinspanning voor gebieden met een verhoogde kans op bestrijdingsmiddelen. Landelijk beleid geldt voor alle andere gebieden en stoffen die niet onder het gebiedsspecifiek beleid of ander gemeentelijk beleid vallen. Plangebied Voor de ontwikkeling is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De resultaten staan in paragraaf 5.7. bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

21

Plan Gemeentelijke Watertaken 2016-2019 Het Plan Gemeentelijke Watertaken beschrijft de invulling van de wettelijke gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Ook de wijze van beheer van oppervlaktewater wordt beschreven. Op basis van de zorgplichten heeft de gemeente op het gebied van water de volgende taken: 1. 2. 3. 4.

een veilige inzameling en transport van afvalwater, zonder risico's voor de volksgezondheid en het milieu; het inzamelen en verwerken van hemelwater zonder dat er wateroverlast optreedt; het voorkomen en verminderen van structurele grondwateroverlast; het samen met de waterschappen realiseren van veilig, gezond en aantrekkelijk oppervlaktewater waarlangs het goed wonen, werken en recreëren is.

Plangebied Voor de ontwikkeling is een waterparagraaf opgesteld. In paragraaf 5.10 is hier nader op ingegaan. 2.3.2.2.8 Energie Utrecht: energiek middelpunt van het land, Energieplan Utrecht en duiding van het college bij het Energieplan (2016) en de Utrechtse Energieagenda's 2016 - 2019 De gemeenteraad heeft op 14 januari 2016 het Energieplan besproken en het document Duiding van het College bij het Energieplan vastgesteld. Deze documenten geven samen richting aan het energiebeleid in Utrecht voor de komende jaren. Het Energieplan is door 165 Utrechters opgesteld en hierbij stond de volgende vraag centraal: realiseer een klimaatneutraal Utrecht. Aan de hand van de onderwerpen wonen, werken, vervoer en centrale energievoorziening in Utrecht zijn, om dit te bereiken, te nemen maatregelen geformuleerd. Bewustwording via het verbeteren van informatievoorziening is hierbij belangrijk en de gemeente heeft een grote en pro-actieve rol bij de overgang naar duurzame energie. In het najaar van 2015 zijn de Utrechtse Energieagenda's verschenen, welke een vervolg zijn op het Energieplan en de duiding daarop van het college. Hierin worden de concrete gemeentelijke werkzaamheden gepresenteerd en de inzet van middelen welke leiden tot een klimaatneutraal Utrecht richting 2030.

Om deze ambitie te bereiken zijn de volgende ambitieuze doelstellingen voor 2020 geformuleerd: 20% C O2-reductie ten opzichte van 2010; 20% van het totale energieverbruik wordt duurzaam opgewekt; 10% van de daken zijn voorzien van zonnepanelen. Met het coalitieakkoord 'Utrecht: Ruimte voor iedereen' (2018) zijn voorgaande doelstellingen vervangen. Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn en om hiertoe te komen worden de volgende stappen genomen: de gemeentelijke energie-inkoop is in 2020 volledig verduurzaamd; in 2025 ligt op 20% van de Utrechtse daken zonnepanelen; in 2030 is het Utrechtse systeem van stadsverwarming verduurzaamd; in 2030 zijn minimaal 40.000 bestaande woningen van het gas af; het gemeentelijke vastgoed is in 2040 volledig verduurzaamd. Plangebied Het voornemen is een gebouw te realiseren waarbij duurzaamheid en verantwoord energiegebruik centraal staan. Vanaf 1 januari 2021 gelden de eisen van BENG (Bijna Energie Neutrale Gebouwen). Hieraan moet vanuit het Bouwbesluit 2012 voldaan worden. In paragraaf 5.13 is aangegeven hoe de duurzaamheidsambities in het plan worden ingevuld. Visie op de warmtevoorziening (2017) en Transitievisie Warmte, deel 1 (2021) Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad de Visie op de warmtevoorziening vastgesteld.

De CO2-uitstoot in onze stad wordt voor een derde veroorzaakt door het verwarmen van huizen en gebouwen met aardgas (inclusief de stadsverwarming). Ook gebruiken gebouwen op dit moment relatief veel warmte door een lage isolatiegraad en installaties met een laag rendement. Om de doelstelling te behalen om als Utrecht in 2030 klimaatneutraal te zijn, is een omschakeling naar een duurzame warmte- en koudevoorziening nodig. Met het nieuwe coalitieakkoord is de doelstelling opgenomen om zo snel mogelijk klimaatneutraal te zijn en 40.000 bestaande woningen van het gas af te halen. Een duurzame warmtevoorziening kan gerealiseerd worden door de vraag naar warmte te beperken, te stoppen met het gebruik van aardgas en over te stappen op duurzame warmtebronnen. Dit vraagt om ingrijpende aanpassingen in gebouwen, de energieinfrastructuur en door nog meer gebruik te maken van duurzame warmtebronnen. Natuurlijke momenten, op zowel 2 2 bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

Utrecht

gebouw- als gebiedsniveau, moeten worden benut om de warmtetransitie te versnellen. Een klimaatneutrale warmtevoorziening moet aan de voorwaarden duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar voldoen. In het door het VNG ondertekende Klimaatakkoord is een nieuwe regierol voor de gemeente vastgelegd. Gemeenten moeten voor eind 2021 een Transitievisie Warmte (TVW) en een Regionale Energiestrategie (RES) opstellen. In de Transitievisie Warmte staat hoe de gemeente een aardgasvrije stad gaat maken en welke planning daarvoor wordt gehanteerd. In de TVW staat wanneer we in welke buurt starten met het aardgasvrij maken van gebouwen en het aanpassen van de energie-infrastructuur. In de RES staat hoe Utrecht en haar regiogemeenten invulling gaan geven aan de landelijke energiedoelstellingen in het Klimaatakkoord voor het verduurzamen van de energiebronnen. In de RES staat hoeveel en waar duurzame elektriciteit (wind en zon) in 2030 wordt opgewekt. Ook staat er in de RES welke duurzame warmtebronnen te gebruiken zijn zodat buurten van het aardgas af kunnen. Beide documenten worden in de Omgevingsvisie verankerd. De landelijke wet- en regelgeving wordt hiervoor de komende tijd aangepast. Op 3 juni 2021 is de Transitievisie Warmte, deel 1 vastgesteld. Daarin is vastgelegd dat de schaarse capaciteit van het hoge temperatuur stadswarmtenet niet voor nieuwbouw ingezet mag worden.

Plangebied De woningen worden niet aangesloten op het gasnetwerk en zonder stadsverwarming ontwikkeld, met een streven naar klimaatneutraal.

2.4

Conclusie

De conclusie is dat de ontwikkeling past binnen de beschreven beleidskaders.

bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

23

2 4 bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 3

Bestaande situatie

3.1

Beschrijving van het plangebied

3.1.1

Historische ontwikkeling

De Gansstraat maakte deel uit van de middeleeuwse voorstad net buiten de Tolsteegpoort. Kromme Rijn, Vaartsche Rijn, Abstederdijk en Gansstraat vormden aan de zuidkant van de stad vanaf de dertiende eeuw een belangrijk knooppunt van land- en waterwegen. Langs de Gansstraat ontstond dan ook al snel een lintbebouwing met woningen, bedrijvigheid (zoals de molen De Gans aan de Kromme Rijn) en gasthuizen. In de zeventiende eeuw volgden de vestiging van buitenplaatsen, zoals Soestbergen. In de negentiende eeuw intensiveerde de bedrijvigheid aan de Kromme Rijn. Langs de Gansstraat werden tussen de bedrijfsbebouwing reeksen kleine arbeiderswoningen gebouwd. In 1830 werd de eerste Algemene Begraafplaats geopend op de voormalige buitenplaats Soestbergen. Door het gebruik van delen van de grond als tuindersgebied stonden er langs de Gansstraat ook hovenierswoningen. Met uitzondering van de Kovelaarstraat (1885) vond grootschalige woningbouw pas plaats vanaf 1929 met de Watervogelbuurt, in gesloten bouwblokken. Ook functioneerde de Gansstraat lange tijd als concentratie van voorzieningen met winkels en cafés, maar ook een school en garages. Dit kwam mede vanwege het feit dat de straat ook in de twintigste eeuw nog lange tijd functioneerde als uitloper van de binnenstad en belangrijke verkeersroute.

In de tweede helft van de twintigste eeuw werden delen van de oude bebouwing langs de Gansstraat vervangen door nieuwbouw, ook het bedrijventerrein werd opgeheven en bebouwd. Wel bleven er overal restanten van de oudere bebouwing staan. Deze mix van oude en nieuwere bebouwing, variërend in maat en schaal is typerend voor de Gansstraat. De planlocatie weerspiegelt deze geschiedenis: op de plek van nummer 143 en 147 stonden tot aan het begin van de twintigste eeuw hovenierswoningen. Deze werden in de loop van de twintigste eeuw flink verbouwd tot respectievelijk een smederij met constructiewerkplaats en een garage met benzinepomp. Het woonhuis Gansstraat 145 functioneerde lange tijd als café. In de jaren tachtig van de vorige eeuw werden de panden met bijbehorende achterbebouwing samengevoegd tot een schoonmaakbedrijf met werk- en stallingsruimten, kantoorruimte en 3 woongebouwen. 3.1.2

Structuurbepalende elementen

De planlocatie grenst direct aan de binnenstad. De Gansstraat vormt samen met de Venuslaan twee van de toegangswegen richting de binnenstad. Waar de Venuslaan voornamelijk georiënteerd is op autoverkeer, heeft de Gansstraat een kleinschaliger karakter. Functionele elementen De bebouwing aan de Gansstraat kenmerkt zich door een grote diversiteit in type, hoogte, vorm en omvang. Veel gebouwen bestaan uit 2 lagen met een kap of 3 lagen met een opbouw. Bij het Ledig Erf en de kruising Gansstraat - Albatrosstraat zijn hoogteaccenten aanwezig met 5 lagen. De buurt ten zuiden van de Gansstraat bestaat voornamelijk uit 19e en vroeg 20e-eeuwse bebouwing in de vorm van grondgebonden woningen en beneden-bovenwoningen. Bebouwing ten noorden van de Gansstraat bestaat voornamelijk uit appartementenblokken daterend uit de jaren 70/80 en enkele nieuwere portiekflats. De onderstaande afbeelding toont een impressie van de huidige situatie aan de Gansstraat.

bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

25

Aanzicht huidige situatie Gansstraat (bron: Google Streetview)

Bedrijfsmatig is de Gansstraat sterk uitgedund ten opzichte van vroeger. De plinten worden nu vooral bewoond. De commerciële functies hebben nabij het stadscentrum vooral horecafuncties en verder van het centrum af worden het bedrijfsmatige werkplaatsen voor auto’s en verkoop van fietsen. Bepalende structuren Binnen de buurt zijn geen onderwijslocaties aanwezig. Het voormalige Pieter Baan Centrum, gelegen langs de Gansstraat, wordt in de toekomst herontwikkeld. Er zijn verschillende groen- en waterstructuren die direct door- of langs de buurt lopen, zoals de begraafplaats Soestbergen, de Kromme Rijn, park Oosterspoorbaan en de singels van de binnenstad. De Kromme Rijn vormt een belangrijke wandelroute voor recreanten en recentelijk is het park Oosterspoorbaan opgeleverd. De Gansstraat vormt zelf ook een belangrijke uitvalsweg voor recreatieve fietsers en voetgangers. Verkeer- en parkeersituatie De Gansstraat is een erftoegangsweg met een snelheidsregime van 30 km/u. De route Gansstraat-Koningsweg vormt van oudsher een radiale verbinding voor de stad Utrecht met Bunnik via de N411 en het overige achterland. De route wordt op dit moment nog steeds als radiale verbinding gebruikt. Dagelijks passeren 1.000-2.000 gemotoriseerde voertuigen het plangebied over de Gansstraat. De Gansstraat geldt ook als doorfietsroute. De planlocatie ligt op de hoek van Gansstraat en de Gruttostraat.

De Gruttostraat is een eenrichting straat met een snelheidsregime van 30 km/u. Auto’s verlaten de buurt via de Flamingostraat. Het plangebied ligt op loopafstand van station Vaartsche Rijn waar trein en tram een halte hebben. Ook zijn er bushaltes in de buurt en is het centrum met alle voorzieningen op loop-/fietsafstand. Het plangebied ligt op basis van de Nota Stallen en Parkeren in gebied A2. In dit gebied geldt betaald parkeren. Rond het plangebied bevinden zich aan beide zijden van de straat langsparkeerplekken in de Gruttostraat en Flamingostraat, bedoeld voor bewoners en bezoekers van de woningen. Langs de Laan van Soestbergen bevindt zich aan één zijde langsparkeren. Op het pleintje op de hoek van de Gruttostraat en Flamingostraat bevindt zich een fietsparkeertrommel.

3.2

Beschrijving van de bestaande functies in het plangebied

Binnen de plangrens staan op dit moment enkele gebouwen. Een deel van deze gebouwen zijn voorheen bedrijfsmatig in gebruik met een ondergeschikt kantoor. In het andere deel van de gebouwen waren drie zelfstandige woningen aanwezig voor 12 studentenkamers en 3 gemeenschappelijke ruimtes. Het achtergelegen binnenterrein is op dit moment als parkeerterrein ingericht dat bestaat uit 20 parkeerplaatsen. Naast de parkeerplaatsen op het achterterrein bevinden zich op de hoek van de Gansstraat en de Gruttostraat nog 3 parkeerplaatsen. Grenzend aan de Gansstraat bestaat de bebouwing uit drie bouwlagen met een platdak en grenzend aan de Gruttostraat bestaat de bebouwing deels uit twee bouwlagen met een platdak en deels uit één bouwlaag met een plat dak. De onderstaande afbeelding toont het aanzicht vanaf de Gansstraat en Gruttostraat in de richting van het plangebied.

2 6 bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

Utrecht

Aanzicht huidige situatie

3.3

Conclusie

In het plangebied staan enkele gebouwen die worden gesloopt. Er zijn geen belemmeringen in het plangebied aanwezig voor de uitvoering van de ontwikkeling. Het plangebied ligt op een binnenstedelijke locatie. In hoofdstuk 4 wordt verder ingezoomd op de nieuwe bebouwing en hoe de locatie gebruikt gaat worden.

bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

27

2 8 bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Projectbeschrijving

Dit bestemmingsplan is de juridisch-planologische vertaling van de bouwenvelop 'Gansstraat 143-147' zoals vastgesteld door het college van B&W op 13 juli 2021. Na de bouw vormt het plan een logisch geheel met het bestaande deel van de Gansstraat en de Gruttostraat. Het plan betreft de sloop van de bestaande panden aan de Gansstraat 143 t/m 147 (oneven). Hiervoor in de plaats worden 45 woningen en een kleine commerciële / maatschappelijke ruimte op de begane grond gebouwd. Aan de achterzijde wordt een gemeenschappelijke buitenruimte gerealiseerd. De onderstaande afbeelding toont de nieuwe situatie met de invulling op de begane grond.

Situatietekening toekomstige situatie (bron: Vocus architecten d.d. 26 maart 2021)

4.1.1

Programma

Het plan bestaat uit 45 woningen en een kleine commerciële / maatschappelijke ruimte op de begane grond op de hoek van de Gansstraat en de Gruttostraat. Er is uitgegaan van ongeveer 30% sociale huur, 20% prijssegment middenhuur en 50% huurwoningen in de vrije sector. De sociale huurwoningen hebben een oppervlakte van ongeveer 30 m² GBO en de huurwoningen in het prijssegment middenhuur hebben een oppervlakte van ongeveer 45 m² GBO. De vrije sector huurwoningen verschillen in grootte en variëren van ongeveer 45 m² GBO tot ongeveer 85 m² GBO. Alle woningen worden levensloopbestendig. 4.1.2

Stedenbouwkundig plan

Het bouwvolume bestaat uit twee delen; een hoger blok op de hoek van de Gansstraat – Gruttostraat en een lager volume langs de Gruttostraat dat bestaat uit twee bouwlagen en een kap. Het hogere blok langs de Gansstraat kent een bouwhoogte van maximaal vier bouwlagen. Gekozen is om de hoek van de Gansstraat en Gruttostraat een verticale geleding te geven. Deze geleding zorgt ervoor dat de nieuwbouw zich aan de Gansstraat toont als drie panden en hiermee aansluit op de omgeving. De hoofdentree aan de Gansstraat zorgt voor een ruime ontsluiting van het complex voor bewoners en gasten. De hoofdoriëntatie van het complex komt hiermee aan de Gansstraat te liggen. De commerciële / maatschappelijke functie op de begane grond richt zich in zijn geheel op de Gansstraat. De onderstaande afbeelding toont een impressie van de nieuwe situatie vanaf de Gansstraat (links) en het gevelaanzicht vanaf de Gansstraat (rechts). bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

29

Impressie (links) en aanzicht (rechts) van de beoogde situatie vanaf de Gansstraat (bron: Bouwenvelop Gansstraat 143-147)

Aan de Gruttostraat bestaat het gebouw uit twee bouwlagen met een kap. Het volume en opbouw zijn hiermee vergelijkbaar met de bebouwing aan de overzijde van de Gruttostraat en ook in de omliggende woonstraten. De hoogte wordt vergelijkbaar met de kap van de bestaande woningen aan de Gruttostraat. Het nieuwe gebouw sluit aan op de bestaande naastgelegen bebouwing. Daarmee ontstaat een gesloten bouwblok. De woningen op de begane grond aan de Gruttostraat krijgen een eigen voordeur op het niveau van het maaiveld, waardoor een evenbeeld met de overzijde ontstaat. De onderstaande afbeelding toont het gevelaanzicht vanaf de Gruttostraat (links) en het gevelaanzicht vanaf de Gansstraat (rechts).

Gevelaanzicht van de beoogde situatie vanaf de Gruttostraat en Gansstraat (bron: Bouwenvelop Gansstraat 143-147)

4.2

Verkeer en openbare ruimte

4.2.1

Verkeer

Autoverkeer Het plangebied is voor de auto bereikbaar via de Gansstraat en vervolgens de Gruttostraat. De Gruttostraat is een eenrichtingsstraat. Auto’s verlaten de buurt via de Flamingostraat. Voorheen reden er auto’s van het schoonmaakbedrijf, dat ter plaatse gevestigd was, via de Flamingostraat de buurt uit. De 14 parkeerplekken voor bewoners op eigen terrein en de toevoeging van 6 parkeerplaatsen in de Gruttostraat zorgen, in geval van woon-werkverkeer, waarschijnlijk voor een lichte toename van autobewegingen in de Flamingostraat ten opzichte van het huidige gebruik. Gezien de omvang van het plan en de inrichting van de straat, die hard rijden ontmoedigd, is dit acceptabel. Openbaar vervoer De woningen komen op loopafstand van station Vaartsche Rijn waar trein en tram een halte hebben. Ook zijn er bushaltes in de buurt en is het centrum met alle voorzieningen op loop-/fietsafstand. 4.2.2

Openbare ruimte en groen

Het plan voorziet in de herontwikkeling van het openbaar gebied aan de Gruttostraat en het binnenterrein aan de achterzijde van de bebouwing. Inrichting Gruttostraat In de bestaande situatie zijn een groot deel van de parkeerplaatsen aan de Gruttostraat niet in 3 0 bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

Utrecht

gebruik omdat de ontsluiting van het huidige pand mogelijk moet zijn. In de toekomstige situatie worden deze parkeerplaatsen gebruikt als parkeerplaatsen voor bezoekers (openbaar). Als de ruimte niet volledig wordt gebruikt voor deze parkeerplaatsen dan is er ruimte om hier bomen te planten. Daarnaast is er ruimte om groen aan de gevel te laten groeien. De onderstaande afbeelding toont de nieuwe inrichting van de Gruttostraat.

Toekomstige inrichting Gruttostraat (bron: Bouwenvelop Gansstraat 143)

Inrichting binnentuin In de huidige situatie is het binnenterrein vooral in gebruik als verhard parkeerterrein en is er geen groenvoorziening aanwezig. Het plan voorziet in de herinrichting van het gemeenschappelijke binnenterrein. Het voornemen is de binnentuin zoveel mogelijk groen in te richten, geschikt voor verblijf en bewegen. Ook worden er 14 parkeerplaatsen aangelegd en een fietsparkeervoorziening gerealiseerd. In de binnentuin is een zo groot mogelijk oppervlakte beschikbaar voor bewegen, verblijven en ontmoeten van de bewoners. De binnentuin is groen ingericht en biedt zowel aan de schaduwrijke westkant, als aan de zonrijke oostkant een verblijfplek voor de bewoners. Daarnaast staan de biodiversiteit en ecologie centraal bij de herinrichting van het binnenterrein. De volgende maatregelen worden getroffen ter verbetering van de biodiversiteit: het plaatsen van 30 entreestenen of het toegankelijk maken van de spouw voor de gewone dwergvleermuis; er komen 20 inbouwstenen voor gierzwaluwen aan de oost- of noordzijde van de planlocatie; waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van groene daken; er wordt gebruik gemaakt van inheemse plantsoorten voor de groene inrichting. Verder wordt het hemelwater zoveel mogelijk gebruikt om het groene binnenterrein en de groene terrassen te voorzien van water met voldoende buffers.

Ook zal de plantenkeuze helpen om de klimaatadaptieve eigenschappen van de locatie te vergroten. De ambitie is om de vrije dakdelen van het woongebouw en de fietsenstalling te voorzien van sedum beplanting in combinatie met zonnepanelen. Dit is gunstig voor de waterberging en het beperken van hittestress. De onderstaande afbeelding toont de nieuwe inrichting van de binnentuin.

bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

31

Toekomstige inrichting binnentuin (bron: Bouwenvelop Gansstraat 143)

4.2.3

Parkeren

Voor het plangebied gelden de parkeernormen uit de Nota Stallen en Parkeren (2013) en het Addendum Parkeernormen (maart 2019). In dit parkeerbeleid wordt een gebiedsindeling gehanteerd waarbij het te ontwikkelen plan valt onder de zone A2 'centraalstedelijk'. De locatie is niet aangewezen als maatwerklocatie in de Nota Stallen en Parkeren. Bij sloop-/nieuwbouw en functiewijziging wordt bij de berekening van de parkeereis rekening gehouden met de parkeervraag van de bestaande situatie, het zogenaamde 'rechtens verkregen niveau'. Dat betekent dat eerst de parkeervraag van de meest recente legale functies wordt bepaald volgens de geldende parkeernorm. Deze parkeervraag mag vervolgens worden afgetrokken van de parkeerbehoefte van de nieuwe situatie, zodat alleen het verschil aan parkeerplaatsen nog hoeft te worden gerealiseerd. Bij de planontwikkeling wordt gebruikt gemaakt van de minimale parkeernorm, zoals in het parkeerbeleid is aangegeven. De onderstaande tabel toont zowel parkeerbehoefte in de huidige situatie als in de toekomstige situatie, uitgaande van 45 woningen in de toekomstige situatie. Vervolgens is het saldo te realiseren parkeerplaatsen in de toekomstige situatie weergegeven. Minimale normen

Van rechtens verkregen niveau 2.000 300 3 Totaal Nieuwe situatie 31

22

norm/100m²/ aandeel parkeerplaatsen woning bezoekers totaal

waarvan bezoekers

m² m²

bedrijfshal kantoor woningen 80-130 m²

0,15 0,4 0,9

5% 5% 0,3

3,0 1,2 2,7 6,9

0,15 0,06 0,90 1,11

m²

commerciële / maatschappelijke ruimte woningen >55m² bvo

0,68

20%

0,2

0,0

0,83

0,25

18,3

5,5

3 2 bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

Utrecht

23 Totaal Saldo

woningen <55m² bvo

0,38

0,2

8,7 27,2 20

4,6 10,1 9

De parkeerbehoefte voor de nieuwe functies minus de parkeerbehoefte in de bestaande situatie is gelijk aan 20 parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie wordt een deel van de parkeerbehoefte op eigen terrein opgelost in combinatie met het aanleggen van een aantal nieuwe parkeerplekken in de Gruttostraat. Het plan voorziet in 14 parkeerplaatsen op het binnenterrein en 6 in de Gruttostraat. De parkeerplaatsen in de Gruttostraat kunnen gerealiseerd worden omdat de overheaddeuren in de bestaande bedrijfsruimte en de witte kruizen verdwijnen. Fietsparkeren In de Nota Stallen en Parkeren en het Addendum Parkeernormen zijn de eisen voor fietsenstallingen bij woningen opgenomen. Wanneer de fietsparkeervoorzieningen voor bewoners direct toegankelijk zijn vanuit de openbare ruimte, stimuleert dit het fietsgebruik. Fietsparkeervoorzieningen voor bewoners bevinden zich bij voorkeur dicht bij entrees van gebouwen en bij voorkeur via één deur toegankelijk. Bij voorkeur sluiten stallingen logisch aan op de routes, met beperkte hoogteverschillen, zonder traptredes of hellingen steiler dan 5%. De nieuwe bebouwing voorziet voor de kleine vrije sector woningen (< 55 m²) in 2 fietsparkeerplekken en voor de grotere appartementen in 3 fietsparkeerplekken per woning. Per studio voor eenpersoonshuishoudens (circa 30 m²) wordt één fietsparkeerplek gerealiseerd.

Dit betekent dat op basis van 13 studio's van ongeveer 30 m² (13 stuks), 10 kleine appartementen (20 stuks) en 22 grotere appartementen (66 stuks), er 99 fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd. De fietsenstalling is voor alle woningen gemakkelijk toegankelijk en te bereiken via het binnenterrein. Planregels In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen aangetoond moet worden dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de normen in de beleidsregels in de Nota Parkeernormen Fiets en Auto, gerealiseerd wordt.

bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

33

3 4 bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

Utrecht

Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden 5.1

Inleiding

In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.

5.2

Milieueffectrapportage

Kader Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken welke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. wordt aangegeven welke activiteiten altijd m.e.r.-plichtig zijn. Bij de activiteiten die in onderdeel D van die bijlage genoemd worden moet beoordeeld worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Uit deze m.e.r.-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plangebied De in het plan opgenomen activiteiten vallen onder categorie D11.2 (aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject) zoals deze is opgenomen in onderdeel D van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit is in het Besluit m.e.r. een drempelwaarde opgenomen van 2.000 woningen, een projectgebied van 100 hectare en 200.000 m² bvo aan bedrijfsoppervlakte of meer. Het plan blijft onder deze drempelwaarden en overschrijdt deze niet. Op grond van artikel 2, lid 5, sub b, van het Besluit m.e.r.

dient echter ook in 'overige gevallen' bekeken te worden of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen (de vormvrije m.e.r.-beoordeling). Op basis van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente Utrecht) een besluit te nemen om voor het project wel of geen m.e.r.-procedure te volgen voor het project alvorens het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Om te beoordelen of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen is een vormvrije m.e.r.-beoordeling (aanmeldnotitie) opgesteld. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt geconcludeerd dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen en er dus geen aanleiding is om een m.e.r.-procedure te doorlopen. De gemeente heeft dan ook op 5 juli 2021 besloten om voor dit plan geen m.e.r.-procedure toe te passen (zie Bijlage 1) De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in Bijlage 2. Conclusie Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen door de ontwikkeling. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet nodig.

5.3

Bedrijven en milieuzonering

Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Het streven is om in de stad wonen en werken op een goede manier te laten samengaan. Beide functies zijn zeer belangrijk in Utrecht, maar voorkomen moet worden dat milieuhinder van bedrijven bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

35

een negatieve invloed heeft op de woonomgeving. Het streven is om werkfuncties in de woonomgeving te integreren en om daarmee de levendigheid in de woonwijken te vergroten. Deze werkfuncties mogen alleen geen overlast veroorzaken. Dus bedrijven die (te veel) geur of geluidshinder veroorzaken, overlast geven of andere risico' s voor de gezondheid en veiligheid meebrengen, moeten ruimtelijk worden gescheiden van gevoelige bestemmingen als wonen. Dit wordt bereikt door milieuzonering. Bij het opstellen van de milieuzonering in het bestemmingsplan wordt gebruikgemaakt van de Utrechtse Bedrijvenlijst (zie Bijlage 1 van de regels). Deze lijst is gebaseerd op de Voorbeeld-Staat van Bedrijfsactiviteiten van de VNG voor functiemenging. Deze lijst laat zien welke bedrijven tot welke milieucategorie behoren en in deze lijst is de benodigde afstand opgenomen die tussen bedrijf en gevoelige bestemming moet worden aangehouden om overlast te voorkomen. Bedrijven die onder milieucategorieën A, B1 en B2 vallen, passen in principe binnen een woonomgeving. Bedrijven die behoren tot categorie C en hoger moeten op enige afstand van woningen liggen, bij voorkeur op een bedrijventerrein. Plangebied Kenmerkend voor de omgeving van het plangebied is de diversiteit aan functies.

Het plangebied is gelegen in de nabijheid van het centrum van Utrecht, waar duidelijk sprake is van een ‘functiemengingsgebied’, daarom kan de ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging’ als uitgangspunt worden genomen voor milieuzonering. De activiteiten in de in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging bestaan uit de categorieën A, B of C met de volgende betekenis voor de toelaatbaarheid: Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen - in gebieden met functiemenging - kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: De activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Volgens het geldende bestemmingsplan zijn er bedrijven in de omgeving toegestaan tot en met milieucategorieën A, B1 en B2. In de omgeving van het plangebied zijn vooral winkels gelegen.

Omdat winkels in categorie A vallen, kan er zonder problemen gewoond worden in- en naast de panden waar de genoemde voorzieningen plaatsvinden. Het uitvoeren van specifiek onderzoek voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar kan achterwege blijven. Het voorgenomen plan is passend binnen de bestaande woonomgeving. Verder maakt het bestemmingsplan woningen en een commerciële / maatschappelijke ruimte in één pand mogelijk. Een woongebied met kleinschalige bedrijvigheid is een voorbeeld van een functiemengingsgebied. In de planregels zijn activiteiten toegestaan die behoren tot categorie A en B1. Activiteiten in categorie A zijn activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Activiteiten in categorie B zijn activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor de omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. De bijzondere functies en de woningen zullen bouwkundig van elkaar gescheiden zijn, waarbij de eisen uit het Bouwbesluit in acht worden genomen. Daarmee wordt voldaan aan de eisen bij functiemenging.

Voor de percelen horende bij de Gansstraat 167 geldt de bestemming 'Maatschappelijk'. Ter plaatse is een begraafplaats aanwezig. Een begraafplaats betreft volgens de VNG-handreiking een milieucategorie 1 activiteit vanwege het aspect ‘geluid’. De richtafstand voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ is 10 meter. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 75 meter, waarmee voldaan wordt aan de richtafstand. Conclusie Gezien het voorgaande is de conclusie dat een goed woon- en leefmilieu gegarandeerd kan worden en dat bedrijven in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering belemmerd worden.

3 6 bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

Utrecht

5.4

Geluidhinder

Kader De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Plangebied De ontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Utrecht binnen de geluidzone van de Albatrosstraat op 76 meter uit de as van de weg en van de Venuslaan op 132 meter van de wegas. De ontwikkeling ligt aan de Gansstraat op 7 meter uit de wegas. De Gansstraat is een 30 km/u weg zonder geluidzone. De overige wegen in de omgeving zijn 30 km/u wegen met een lage verkeersintensiteit, deze zijn akoestisch niet relevant.

Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) moeten de geluidsbelastingen op de gevels van de woningen worden onderzocht en getoetst. Door Adviesburo van der Boom is op 12 november 2020 een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting door wegverkeer en railverkeer uitgevoerd, zie Bijlage 3. Wegverkeer De geluidbelasting door wegverkeer op de Albastrosstraat bedraagt ten hoogste 44 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De geluidbelasting door wegverkeer op de Venuslaan bedraagt ten hoogste 32 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt door de gezoneerde wegen niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de Gansstraat (30 km/u) bedraagt ten hoogste 54 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De gemeente sluit bij de beoordeling van de geluidbelasting van 30 km/u wegen aan bij de geldende geluidsregelgeving voor gezoneerde wegen. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt door wegverkeer op de Gansstraat overschreden. Het verlagen van de geluidbelasting van de Gansstraat door het treffen van maatregelen aan de bron is niet doelmatig en civieltechnisch niet mogelijk. Afscherming van de woningen is ruimtelijk en verkeerskundig ongewenst. De geluidbelasting van 54 dB ten gevolge van de Gansstraat is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening toelaatbaar.

Railverkeer De geluidbelasting door railverkeer op de ontwikkeling bedraagt ten hoogste 52 dB. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt op de gevels niet overschreden. Er hoeft voor de geluidbelasting door railverkeer geen hogere waarde te worden aangevraagd. Gemeentelijk geluidbeleid De gemeente Utrecht stelt in haar geluidbeleid een locatie ambitiewaarde van 63 dB (zonder aftrek) voor nieuwe situaties langs wegen en spoorwegen. Deze ambitiewaarde wordt niet overschreden. Een hogere druk op de volksgezondheid wordt gecompenseerd door aanvullende maatregelen als een geluidluwe gevel. Voor een aantal woningen grenzend aan de Gansstraat is een geluidluwe gevel niet mogelijk. Deze woningen grenzen met de achterzijde aan een besloten galerij. Op gebouwniveau zijn naar analogie met het gestelde in de geluidnota Utrecht voor kleine of onzelfstandige woningen meer dan 50% van de wooneenheden gesitueerd aan een gevel met een geluidbelasting van minder dan 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde. De woningen aan de zijde van de Gruttostraat hebben een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. De geluidbelaste noordgevels ondervinden een geluidbelasting van ten hoogste 59 dB zonder aftrek. De benodigde karakteristieke geluidwering voor deze gevels bedraagt dan GA;k 26 dB. Conclusie De voorkeursgrenswaarde voor gezoneerde wegen wordt niet overschreden.

De geluidbelasting als gevolg van de Gansstraat is, ondanks de 30 km/u, hoger dan de voorkeursgrenswaarde. Het plan bevat naar analogie van het geluidbeleid van de gemeente Utrecht voldoende woningen aan de stille zijde. Verder wordt de voorkeursgrenswaarde voor railverkeer niet overschreden. De conclusie bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

37

is dat het aspect geluid geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan en dat er met het plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

5.5

Externe veiligheid

Kader Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.

Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor 3 8 bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

Utrecht

gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 ook het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Als een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied al aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Plangebied In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Transport gevaarlijke stoffen Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van de spoorlijn Utrecht Arnhem/Den Bosch. Aangezien het plangebied zich op korte afstand tot de spoorlijn bevindt, zijn de risico's als gevolg van het transport over deze weg op 16 november 2020 door Kragten kwantitatief inzichtelijk gemaakt met behulp van een RBMll-berekening, zie Bijlage 4.

Uit deze berekening is gebleken dat het groepsrisico veroorzaakt door de spoorlijn in de huidige situatie de oriëntatiewaarde niet overschrijdt, zelfs lager is dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Ook in de toekomstige situatie blijkt dat het groepsrisico veroorzaakt door de spoorlijn onder de oriëntatiewaarde ligt. De conclusie is dat zowel in de huidige als toekomstige situatie sprake is van een groepsrisico dat lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Er vindt geen rekenkundige toename plaats van de hoogte van het groepsrisico. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (BLEVE en toxisch scenario) moeten meegenomen worden in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is vastgelegd wanneer en op welke wijze de hoogte van het groepsrisico moet worden verantwoord. Door Kragten is een notitie d.d. 16 november 2020 omtrent de verantwoording van het groepsrisico opgesteld, zie Bijlage 5. Deze notitie geeft invulling aan deze verantwoordingsplicht en sluit ook aan bij de Nota Externe veiligheid van de gemeente Utrecht. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen.

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. Het advies van de regionale brandweer/ Veiligheidsregio gaat vooral over het groepsrisico en mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. De verantwoording van het groepsrisico moet voor advies worden voorgelegd aan de Veiligheidsregio. Dit advies moet de gemeente Utrecht meewegen in haar besluitvorming. De Veiligheidsregio Utrecht heeft in haar advies van 4 juni 2021 aangegeven de verantwoording van het groepsrisico voldoende te vinden. Inrichtingen Op basis van de risicokaart is de conclusie dat er geen risicovolle bedrijven of activiteiten (stationaire inrichtingen) in of nabij het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied ligt daarmee niet in een invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Ook worden door het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen. Hoogspanningslijnen Het plangebied ligt niet binnen de indicatieve veiligheidszone van een hoogspanningslijn, bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

39

waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe stralingsgevoelige objecten. Conclusie De conclusie is dat het aspect externe veiligheid geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.

5.6

Luchtkwaliteit

Kader Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met stof, door met name verkeer. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer is samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, in belangrijke mate van invloed op de luchtkwaliteit. In november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer met betrekking tot luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wetswijziging staat bekend als de "Wet luchtkwaliteit". Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Op basis van deze wet, opgenomen in artikel 5.16 lid 1 Wet milieubeheer, dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening te houden met de effecten op de luchtkwaliteit. Plangebied Het plan voorziet in de realisatie van 45 woningen en een commerciële / maatschappelijke ruimte op de begane grond. Ten opzichte van de huidige situatie worden er 132,9 extra verkeersbewegingen gegenereerd, op basis van een berekening met de CROW-publicatie 381. Met de NIBM-rekentool zijn de effecten van deze extra verkeersbewegingen op de luchtkwaliteit worst case berekend, waarvan de uitkomsten zijn opgenomen in de onderstaande tabel. De conclusie is dat de ontwikkeling aan de Gansstraat Niet In Betekenende Mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Met de NSL-monitoringstool 2020 zijn de berekende maximale concentraties op de dichtstbijzijnde wegen van het plangebied in kaart gebracht voor de jaren 2020 en 2030. Deze concentraties zijn opgenomen in de onderstaande tabel. 2020 2030

NO2 in µg/m3 23,2 15,2

PM10 in µg/m3 19,7 17,2

PM2,5 in µg/m3 12,2 9,9

De wettelijke grenswaarden worden zowel in 2020 als in 2030 niet overschreden. De WHO-advieswaarden voor fijnstof (20 ìg/m³ PM10 en 10 ìg/m³ PM2,5) worden in 2020 nog niet gehaald voor fijnstof PM2,5. In 2030 worden de WHO-advieswaarden voor fijnstof zowel voor PM10 en PM2,5 wel gehaald. De Niet In Betekenende Mate toevoeging door de ontwikkeling Gansstraat 143 – 147 zorgt niet voor overschrijding van de WHO-advieswaarden. Bovendien neemt de gemeente, samen met de rijksoverheid en de provincies aanvullende luchtmaatregelen, waardoor de WHO-advieswaarde voor PM2,5 versneld zal worden gerealiseerd. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie De conclusie is dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan. 4 0 bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

Utrecht

5.7

Bodemkwaliteit en ondergrond

Kader Bij het bestemmingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming: Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels na 1987 is ontstaan, is een 'nieuw' geval. Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt. Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er tevens sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt ten minste functiegericht en kosteneffectief. Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen, middels een melding of een vergunning. De focus ligt hierbij op de contactzone van de bodem. Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan.

Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet gekeken worden of nabijgelegen grondwaterverontreinigingen hierdoor kunnen verplaatsen, waarbij een saneringsvergunning aangevraagd of melding (eventueel op grond van gebiedsgerichte aanpak Utrecht) gedaan moet worden. Plangebied Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Bedrijf'. Op het terrein vonden bedrijfsmatige activiteiten plaats zoals een smederij, garage, benzinepomp en brandstoftanks. De ontwikkeling betreft een wijziging naar een strenger bodemgebruik. In dit kader heeft er een historisch en verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar asbest plaatsgevonden (Verhoeven Milieutechniek B.V., diverse onderzoeken, d.d. 5 september 2019, zie Bijlage 6. Resultaten verkennend bodemonderzoek In de onderzochte grondmonsters met zintuiglijke bijmengingen zijn licht tot sterk verhoogde gehalten aangetoond voor lood en/of zink, over vrijwel de gehele locatie, ook ter plaatse van het (toekomstige) buitenterrein in de contactzone van de bodem.

In het onderzochte grondwatermonster ter plaatse van de restverontreiniging met minerale olie zijn, na heranalyse, maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond die ver onder de interventiewaarde liggen. Het aangetoonde sterk verhoogde gehalte uit de eerste analyseresultaten is niet (opnieuw) bevestigd, waardoor geen nader grondwateronderzoek noodzakelijk is. Het verhoogde gehalte voor arseen in het grondwater is, op basis van de historische gegevens, vermoedelijk van natuurlijk herkomst. De overige onderzochte verdachte (voormalige) activiteiten op de onderzoekslocatie hebben niet geleid tot een ernstige bodemverontreiniging. Resultaten asbestonderzoek Zintuiglijk zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen en analytisch is maximaal 0,61 mg/kg d.s. aan asbest aangetoond. De conclusie is dat er op de locatie geen sprake is van een verontreiniging met asbest. Grondverontreiniging met zware metalen Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met lood en/of zink. In de kleigrond met zintuiglijk sporen tot matige bijmengingen met baksteen en/of beton (stedelijke ophooglaag) zijn over vrijwel de gehele onderzoekslocatie licht tot sterk verhoogde gehalten voor lood en/of zink aangetoond. Om heterogeniteit uit te sluiten zijn in 3 fases aanvullende analyses ingezet.

Uit de analyseresultaten blijkt dat sprake is van een heterogeen karakter in de aangetoonde verontreinigingen met lood en/of zink. Derhalve wordt aanvullend onderzoek naar de verdere omvang niet zinvol geacht. Bodembedreigende activiteiten bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

41

Met uitzondering van de hierboven besproken verontreiniging met zware metalen hebben alle overige bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie niet geleid tot een ernstige bodemverontreiniging. Deze bodembedreigende activiteiten zijn dus voldoende onderzocht. Omgeving In de directe omgeving zijn verontreinigingen bekend in grond en grondwater en zijn saneringen uitgevoerd (waaronder aan de Gansstraat 157-159). Het plangebied bevindt zich ook binnen de zogenaamde dynamische zone van het Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer. Het diepere grondwater binnen deze zone, in het eerste watervoerend pakket, is diffuus licht tot sterk verontreinigd met vluchtige organische chloorkoolwaterstoffen. Bij bouwbemalingen, onttrekken en infiltreren van grondwater kan deze verontreiniging verspreiden. De gemeente wil verdere verspreiding van verontreinigingen door doorboring van de eerste scheidende laag in de dynamische zone voorkomen, om zo het grondwater uit het tweede watervoerende pakket te beschermen. Dit betekent dat er sprake is van een dieptebeperking voor bijvoorbeeld aanleg van bodemenergiesystemen tot de scheidende laag op een diepte van circa 50 m-mv. Bij bouwbemalingen, grondwateronttrekkingen en WKO kan aansluiting worden gezocht bij de gebiedsgerichte aanpak. Op basis van de Nota Bodembeheer 2017-2027 is de toepassingseis voor grond kwaliteit wonen.

Ondergrond Geadviseerd wordt om bij de herontwikkeling inzicht te krijgen in zowel bestaande als gewenste ondergrondse ruimteclaims, die nodig zijn om het gewenste bovengrondse gebruik te realiseren. Om de ondergrond duurzaam te gebruiken en beheren moet er een balans zijn tussen bescherming (gezonde, schone, levende en veilige bodem, archeologie) en benutting (eventuele kelder, bodemenergie, groen, waterberging, infrastructuur, afval). Het kan noodzakelijk zijn om ondergrondse functies te ordenen, clusteren en waar mogelijk te minimaliseren of optimaliseren. En om effecten van ondergronds gebruik mee te nemen in de beschouwing om (toekomstige) conflicten te voorkomen. Zo gaan bijvoorbeeld ondergrondse bouw met waterglas en verticale hemelwaterinfiltratie niet goed samen met de aanwezigheid van open warmte/koude opslagsystemen in de bodem (verstopping). Zetting Het plangebied is op basis van de indicatieve zettingsgevoeligheid minder gevoelig voor zetting. De huidige bebouwing en ophoging heeft de grond bovendien geroerd en gezet, waardoor de kans op daadwerkelijke zetting ook klein is. Bodemenergie Een van de mogelijkheden om te voorzien in duurzame energie is bodemenergie. Vanwege de dieptebeperking voor boringen moet bekeken worden of gesloten bodemenergiesystemen rendabel zijn, of dat er beter kan worden ingezet op (collectieve) open warmte koude opslagsystemen.

In de omgeving van het terrein zijn bodemenergiesystemen aanwezig. Interferentie moet worden voorkomen. Conclusie De aangetroffen sterke verontreinigingen met zware metalen in de contactzone van de (toekomstige) buitenruimte vormen een belemmering voor het gebruik en er moet rekening gehouden worden met saneringsmaatregelen. Er vindt nog sloop van de bebouwing plaats. Na sloop van de bebouwing vóór de herinrichting moet actualiserend onderzoek worden verricht. Dit kan plaats vinden in het kader van de omgevingsvergunning. Bij eventuele afvoer van grond moet rekening gehouden worden met extra onderzoek om de afvoerbestemming te bepalen. Er geldt een dieptebeperking voor boringen en bodemenergiesystemen. Bij bouwbemalingen en grondwateronttrekkingen kan aansluiting worden gezocht bij de gebiedsgerichte aanpak van het grondwater volgens het Gebiedsplan. Onder deze voorwaarden voor onderzoek en sanering vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Inzicht en ordening in de bestaande en gewenste ondergrondse ruimteclaims en de onderlinge beïnvloeding daarbij, kan toekomstig conflicterend ruimtegebruik beperken.

5.8

Natuurbescherming

Kader Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van (wijzigingen in) een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht en de Provinciale Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017. 4 2 bestemmingsplan "Gansstraat 143-147, Watervogelbuurt" (vastgesteld)

Utrecht

Beschermde dier- en plantensoorten Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht: 1. 2. 3.

of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied; of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden; of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.

Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen. Plangebied Door Blom Ecologie is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd, zie Bijlage 7 Quickscan Wnb d.d. 21 september 2020, revisie 20 juli 2021. Onderstaand volgen de resultaten van het oriënterend onderzoek. Soortenbescherming Op de planlocatie komen mogelijk beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Voor de Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten geldt dat de bebouwing potentieel geschikt is als vaste rust- en verblijfplaats van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van andere soorten wordt niet verwacht. Voor de overige beschermde flora en fauna geldt dat de planlocatie aannemelijk geen essentieel onderdeel is van het leefgebied en/of dat er vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen. Vleermuisonderzoek In vervolg op de uitgevoerde quickscan is aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger uitgevoerd, zie Bijlage 8 Vleermuisonderzoek. Er zijn geen verblijfplaatsen van de vleermuis op de planlocatie aangetroffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=6f28ab84-f6ed-464d-b359-44cc172b98fa