Beleidsnota Warmte 2025-2035
Tekst van het document
A2 N230 A27
N237
A28
A12
A12 N228
A27 A2
Aansluiting op stadswarmtenet (MT)
Aardgasvrij (minder dan 10 gasaansluitingen)
Individuele warmtepomp (LT)
Bijna aardgasvrij (minder dan 100 gasaansluitingen)
Bedrijventerreinen: collectieve of individuele lage-temperatuuroplossing (LT)
Huidig stadswarmtenet
Figuu r 11: Buur ten met een beoogd voorkeur salternatief na stap 2 – nationale kosten. 29
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Stap 3: Ruimte in de woning, boven en ondergrond Als de hoogte van de nationale kosten niet leidt tot een voorkeursalternatief, dan wordt de beschikbare ruimte in woningen voor de installatie van een warmtepomp en ruimte in zowel de onder- als bovengrond voor aanleg van bijv. een warmtenet meegewogen. Zoals toegelicht in 1.2 hebben collectieve warmteoplossingen in Utrecht de voorkeur vanuit betaalbaarheid en betrouwbaarheid. Daarom krijgt een buurt het voorkeursalternatief ‘individuele warmtepomp met een lage temperatuurbron’ alleen als de kosten voor inpassing van een warmtenet in de ondergrond relatief hoog zijn en een individuele oplossing eenvoudig inpasbaar is in de woningen. Dit levert de kaart op zoals in Figuur 12, waaruit blijkt dat veel buurten op basis van ruimtegebruik als voorkeursalternatief een MT stadswarmtenet of buurtwarmtenet krijgen. Eén buurt krijgt een individuele warmtepomp met lage temperatuur bron als voorkeursalternatief.
A2
N230
A27
N237 A28
A12
A12 N228
A27 A2
Aansluiting op stadswarmtenet (MT) Aansluiting op stadswarmtenet (MT) of buurtwarmtenet (MT) Individuele warmtepomp (LT)
Bedrijventerreinen: collectieve of individuele lage-temperatuuroplossing (LT)
Huidig stadswarmtenet
Aardgasvrij (minder dan 10 gasaansluitingen) Bijna aardgasvrij (minder dan 100 gasaansluitingen)
Figuur 12: Buur ten met een beoogd voorkeursalternatief na stap 3 – Ruimte in de woning, boven en ondergrond. 30
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Stap 4: Gemiddeld isolatieniveau Voor buurten waar een collectieve warmteoplossing het voorkeursalternatief is, wordt gekeken of er buurten zijn waar een duidelijke keuze voor een ZLT-net (zeer lage temperatuur-net) kan worden gemaakt boven een MT-net. Een ZLT-net biedt ook de mogelijkheid tot koeling en verminderd daarmee hittestress. Maar om te kunnen koelen moet het afgiftesysteem in de woning geschikt zijn (vloerverwarming), dit gaat vaak samen met woningisolatie. Als indicator voor de geschiktheid van een buurt voor ZLT wordt de huidige mate van isolatie van de woningen in een buurt gebruikt. Als de meerderheid van de gebouwen al klaar is om op lage temperatuur te worden verwarmd, wordt een ZLT-net het voorkeursalternatief. Deze analyse levert geen wijzigingen op in de kaart, omdat er geen buurten zijn waar de meerderheid van de woningen al klaar is voor lage temperatuurverwarming. Stap 5: Effecten op de leefomgeving Op basis van het voorlopige voorkeursalternatief wordt vervolgens per buurt bekeken in hoeverre op basis van de resultaten uit het planMER negatieve effecten op de leefomgeving zijn te verwachten waardoor het voorkeursalternatief voor een buurt wijzigt (Antea, 2025). In dit planMER is het advies van de Commissie mer meegenomen. •
•
In de aanlegfase zijn in de meeste buurten nega tieve effecten te verwachten op het gebied van geluid en voor hoogstedelijke buurten op het gebied van trillingen en verkeershinder die voor collectieve warmteoplossingen groter zijn dan voor individuele oplossingen. Omdat deze fase echter van kortere duur is dan de gebruiksfase, worden deze effecten als acceptabel gezien en waar mogelijk gemitigeerd. In de gebruiksfase zijn in buurten waar een individuele warmtepomp het voorlopige voorkeursalternatief is negatieve effecten te verwachten, zowel bij toepassing van een luchtwarmtepomp als bij een
•
bodemwarmtepomp. Bij toepassing van individuele luchtwarmtepompen zijn in bijna alle buurten nega tieve effecten te verwachten voor geluid, beschermde soorten, cultuurhistorie en hittestress. In hoog stedelijke buurten zijn ook negatieve effecten op de ruimtelijke kwaliteit. Bodemwarmtepompen hebben geen of minder negatieve effecten op hittestress, geluid, beschermde soorten en ruimtelijke kwaliteit, maar hebben wel negatieve effecten op de kwaliteit van de bodem en mogelijk op archeologie. Daarom wordt in buurten waar individuele warmtepompen het voorkeursalternatief zijn, gestreefd naar een mix van bodem- en luchtwarmtepompen. Hiermee vinden we een goede balans tussen netbewustheid en milieueffecten. Daarnaast kunnen mitigerende maatregelen worden toegepast, zoals geluidskasten en het gebruik van andere koudemiddelen voor bodemwarmtepompen. Ook semicollectieve bodemwarmtepompen waarbij meerdere woningen op één bodemlus worden aangesloten zijn mogelijkheden om negatieve effecten op bodem en grond water te beperken. In de gebruiksfase zijn de negatieve milieueffecten bij buurtwarmtenetten op buurtniveau groter dan bij een stadsbreed warmtenet. Buurtwarmtenetten vereisen meer infrastructuur voor het ontsluiten en opwaarderen van warmtebronnen binnen buurten zelf. Bij een stadsbreed warmtenet kunnen deze bronnen daarentegen ook aan de rand van de stad worden gerealiseerd.
Buurtwarmtenetten scoren daarom slechter op luchtkwaliteit, ruimte lijke kwaliteit, bodem en grondwater en geluid dan stadsbrede warmtenetten. Verder kunnen negatieve effecten optreden bij inzet van aqua thermie en bodemenergie als bron voor deze buurt warmtenetten. Voor buurten waar een collectieve warmteoplossing het voorkeursalternatief is leiden deze effecten nu niet tot een andere keuze. In de wijkuitvoeringsprogramma’s wordt de collectieve warmteoplossing in detail ingevuld en op dat
•
•
•
moment worden de effecten op milieu en ruimte integraal afgewogen. In de gebruiksfase zijn voor collectieve MTwarmtenetten (stadsbreed en buurtwarmtenetten) mogelijk negatieve milieueffecten op drinkwater te verwachten in een aantal buurten. In deze buurten is ruimte in de ondergrond beperkt waardoor er een kans bestaat dat warmteleidingen te dicht bij drinkwaterleidingen komen te liggen, waardoor het drinkwater opwarmt. In deze buurten zullen waar mogelijk mitigerende maatregelen genomen worden om de effecten op drinkwater(temperatuur) te beperken zoals meer groen, andere type weg verharding, andere positionering van warmte leidingen of dikkere isolatie. In de gebruiksfase is de kans op negatieve milieueffecten bij de inzet van aquathermie bij kleinere en ondiepe wateren groter dan bij diepere wateren met veel doorstroming. In de wijkuitvoeringsprogramma’s wordt hier rekening mee gehouden en vindt afstemming plaats met het waterschap over ecologische effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Verder is de verwachting dat de energetische potentie van het water niet in zijn geheel wordt benut. Aquathermie wordt in buurtwarmtenetten ingezet in combinatie met warmtekoude-opslag (WKO) en de beschikbare bodemcapaciteit is hierbij een beperkende factor (KWR 2024, zie Bijlage 3).
In de gebruiksfase kan de inzet van bodem energie leiden tot negatieve effecten op bodem en grondwater voor een groot aantal buurttypen, waarbij het nog ontbreekt aan voldoende kennis over de cumulatieve effecten van de grootschalige realisatie van bodemenergiesystemen. In deze beleidsnota zijn daarom kaders opgenomen die moeten zorgen voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de bodem (zie 4.2). In de wijkuitvoeringsprogramma’s wordt vervolgens bekeken of de effecten van 31
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
•
bodemenergie aanvaardbaar zijn en/of gemitigeerd kunnen worden, of dat toch voor een systeem zonder bodemenergie moet worden gekozen. Dit leidt nu niet tot een andere keuze voor een voorkeursalternatief. In de historische binnenstad geldt dat elk alternatief naar verwachting leidt tot negatieve milieueffecten. Daarom sturen we hier op een aanpak waarbij we trachten het ruimtegebruik van alternatieven zoveel mogelijk te beperken en werkzaamheden slim te combineren om daarmee overlast te beperken. Omdat in de binnenstad al een groot deel van de gebouwen is aangesloten op het stadsbrede warmtenet, is uitbreiding van het bestaande net de meest voor de hand liggende oplossing. Dit sluit aan bij de al eerder gecommuniceerde maatwerkaanpak voor de binnenstad.
Deze stap levert geen wijzigingen op in voorkeurs oplossing voor buurten, maar wel aandachtspunten die in deze beleidsnota verder worden uitgewerkt (hittestress, aquathermie en bodemenergie) en/of om verdere uitwerking vragen in de wijkuitvoerings programma’s.
A2
N230
N237 A28
A12
A12 N228
A27
2.4 WAT-kaart: Voorkeursalternatief per buurt Het voorkeursalternatief per buurt is het startpunt voor invulling van het warmtekavel Figuur 13 geeft een overzicht van het beoogde voor keursalternatief voor de warmtevoorziening per buurt voor de bestaande bouw. Het voorkeursalternatief voor de warmtevoorziening geldt voor het grootste deel van een buurt. Het is het uitgangspunt waarmee de volgende fase richting invulling van een warmtekavel wordt ingegaan. Er zijn altijd uitzonderingen mogelijk in een buurt, bijvoorbeeld omdat het voorkeurs
A27
A2
Aansluiting op stadswarmtenet (MT) Aansluiting op stadswarmtenet (MT) of buurtwarmtenet (MT) Individuele warmtepomp (LT)
Bedrijventerreinen: collectieve of individuele lage-temperatuuroplossing (LT)
Huidig stadswarmtenet
Aardgasvrij (minder dan 10 gasaansluitingen) Bijna aardgasvrij (minder dan 100 gasaansluitingen)
Figuur 13: WAT kaar t met het voorkeursalternatief voor de warmtevoorziening per buur t voor de bestaande bouw. Een overzicht per buur t staat in bijlage 2. Bron: Data-analyses voor de onderbouwing van de Beleidsnota Warmte en het Warmteprogramma (Gemeente Utrecht, 2025a).
32
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
alternatief bij een klein gedeelte van de gebouwen (ruimte)technisch of financieel niet haalbaar is. Dit kan bijvoorbeeld gaan om een klein aantal relatief nieuwe gebouwen dat al goed geïsoleerd is. Voor deze gebouwen kan een warmtepomp mogelijk een kosten effectievere oplossing zijn dan een aansluiting op een middentemperatuur warmtenet. Deze uitzonderingen worden bij het opstellen van de wijkuitvoeringsprogramma’s in kaart gebracht. De WAT-kaart is verder gebaseerd op de huidige stand van de techniek. We voorzien op een aantal vlakken innovaties die vragen om flexibiliteit in de uitvoering, bijvoorbeeld de inpasbaarheid van individuele warmtepompen, kosten van ZLT-netten en aanlegtechnieken van warmtenetten. 2.4.1 Groene buurten: aardgasvrij Groene buurten zijn al volledig aardgasvrij of er zijn minder dan vijf panden die nog een aardgasaansluiting gebruiken. Dit zijn buurten die of zijn aangesloten op een collectief warmtenet of individuele warmtepompen inzetten. Hierbij is de veronderstelling dat de gebouweigenaren die nog aardgasgebruiken meegaan in het aanwezige dominante warmtealternatief voor een buurt of overstappen op een individuele oplossing. 2.4.2 Grijze buurten: bedrijventerreinen collectieve of individuele lage temperatuur oplossingen Grijze buurten zijn de bedrijventerreinen in Utrecht.
Een warmtepomp (eventueel met WKO) of collectieve warmteoplossingen met een collectieve WKO zijn hier het meest kansrijk. Dit komt door: 1) de verwachte warmtevraag op bedrijventerreinen, die vooral uit laagen midden-temperatuurwarmte bestaat, 2) de relatief hoge behoefte aan koeling bij bedrijven, wat de inzet van WKO aantrekkelijk maakt, en 3) de lage dichtheid van gebouwen op een bedrijventerrein, waardoor MT/
HT warmtenetten relatief duur zijn. Op een aantal bedrijventerreinen wordt aardgas ook ingezet voor procesgas (voor industriële kook- en bakprocessen, droogtunnels of in een chemisch processen). De meeste processen kunnen geëlektrificeerd worden (Rapport: Duurzame bedrijventerreinen Utrecht (CE Delft, 2021)) behalve in de chemie, daar moet per proces worden gekeken naar oplossingen om aardgasvrij te worden en is het inzetten van duurzame gassen een mogelijke oplossing. Voor bedrijven die gevestigd zijn in buurten met meerderheid gebouwen met een woonfunctie is de veronderstelling dat deze bedrijven meegaan in de voorkeursoplossing voor een buurt of een individuele LT oplossing realiseren. 2.4.3 Blauwe buurten: aansluiting op bestaand stadsbreed warmtenet op midden temperatuur In deze buurten is aansluiting op een bestaand MT warmtenet het voorkeursalternatief. De technisch economische analyses tonen aan dat voor alle gebouwen waarbij de warmteleiding al in de straat ligt (naast of aan de leiding) het alternatief is met significant lagere nationale kosten (> 20% goedkoper dan tweede alternatief) en is daarmee het voorkeursalternatief. Verder zitten in deze categorie delen van buurten die volledig worden ingesloten door een bestaand warmtenet. In deze gebieden is het aantal panden te klein en naar verwachting te weinig ruimte om een andere collectieve oplossing te realiseren.
Tot slot zit in deze categorie ook een aantal buurten dat al bijna aardgasvrij is, kookgasaansluitingen heeft of waar nog minder dan 300 gebouwen aardgas gebruiken voor warm tapwater en ruimteverwarming. Daarbij is de veronderstelling dat eigenaren van deze gebouwen ook aansluiten op het warmtenet of kiezen voor een individuele oplossing.
2.4.4 Paarse buurten: Aansluiting op collectief warmtenet op middentemperatuur In deze buurten is een collectieve warmteoplossing het voorkeursalternatief. Dit kan zowel aansluiting zijn op een MT stadsbreed warmtenet als een buurt warmtenet. In deze buurten is de ondergrondse warmte-infrastructuur bij het merendeel van de straten inpasbaar en een warmtepomp in de woning moeilijk inpasbaar. Er is ook een aantal buurten waar zowel de warmte-infrastructuur als warmtepompen moeilijk inpasbaar zijn. In dit geval blijft het voorkeursalternatief aansluiting op een collectief warmtesysteem, omdat dit aansluit bij onze visie op het toekomstige energiesysteem. Innovaties op het gebied van de inpasbaarheid van warmtepompen en warmtenetten kunnen in de toekomst aanleiding geven om een collectief systeem op lagere temperatuur (bijv. ZLT) nader te bekijken. Het is op dit moment nog niet te zeggen hoe het eind plaatje er in 2050 uit ziet vanwege de onzekerheid over het beschikbaar komen van grootschalige MT-bronnen. In een scenario met minimale uitbreiding van het huidige stadsbrede warmtenet wordt het huidige net alleen uitgebreid door gebouwen aan te sluiten die aan de bestaande leidingen liggen van de huidige warmtenetten en die volledig worden ingesloten door huidige stadsverwarmingsnetten.
In de rest van de buurten - waar collectieve warmteoplossingen het voorkeursalternatief zijn en nog geen warmtenetten aanwezig zijn – worden dan buurtwarmtenetten ontwikkeld met lokale bronnen. Een mogelijk scenario is het op termijn koppelen van buurtwarmtenetten en/of koppeling van verschillende buurtwarmtenetten aan het huidige stadsverwarmingsnet.
33
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
2.4.5 Gele buurten: Individuele warmtepomp met lage temperatuur bron In de gele buurten is een lage temperatuur oplossing met gebruik van een individuele warmtepomp het voorkeursalternatief. Dit zijn buurten waar het realiseren van een collectieve midden-temperatuuroplossing significant hogere nationale kosten heeft dan een individuele oplossing. Dit zijn 1) buurten met weinig gebouwen, 2) en/of buurten waar de meerderheid van de gebouwen al aardgasvrij is, 3) en/of buurten waar gebouwen al goed geïsoleerd zijn en een warmtepomp inpasbaar is in de woning. De gebouwen in deze buurt moeten dus op termijn geschikt worden gemaakt voor de installatie van een individuele warmtepomp. Dit kan een lucht- of bodemwarmtepomp zijn, maar ook een warmtepomp aangesloten op een (klein) collectief zeerlage-temperatuur-net is een optie, waarbij een aantal woningen een collectieve WKO of bodemlus gebruiken. In het kader van het realiseren van een netbewuste stad en het beperken van geluidsoverlast hebben bodem warmtepompen of kleine collectieve oplossingen de voorkeur boven luchtwarmtepompen. Bezien vanuit milieueffecten hebben alle lage temperatuur oplossingen voor- en nadelen. Voor bodemwarmtepompen is het effect op bodem en grondwater het meest negatief. Voor luchtwarmtepompen zijn de negatieve effecten met name geluid en hittestress.
Daarom streven we naar combinaties van verschillende oplossingen, om zo de verschillende milieueffecten te beperken.
34
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
3
Regierol gemeente bestaande bouw
3.1 Inleiding: regierol gemeenten Om de volgende stappen te zetten in de warmtetransitie (de WAT-kaart tot uitvoering te brengen) moeten de randvoorwaarden wat betreft duurzaamheid, betaal baarheid, betrouwbaarheid en transparantie op orde zijn. Als gemeente zijn we daarvoor niet altijd aan zet. Daarom onderhandelen we onder andere via de VNG met de Rijksoverheid over het verbeteren van deze randvoorwaarden.
Raadsbesluit Beleidsnota Warmte
Warmteprogramma
Collegebesluit Wijkuitvoeringsprogramma
Omgevingsplan (gemeente)
Uitwerking door een warmtebedrijf
Ondersteuning vanuit het Rijk is essentieel om de warmtetransitie mogelijk te maken. Het Rijk zet stappen om de randvoorwaarden voor collectieve warmtenetten te verbeteren en werkt aan instrumenten die bijdragen aan de betaalbaarheid voor de eindgebruiker, zoals een tariefplafond, investeringssubsidies, een prijsgarantie en het versterken van de publieke realisatiekracht (bijvoorbeeld via een waarborgfonds en nationale deelnemingen in publieke warmtebedrijven). Als de maatregelen bekend worden gemaakt, zal worden beoordeeld in hoeverre deze voldoende zijn om een betaalbaar aanbod te realiseren
Figuur 14: Samenhang tussen proces van de Wgiw en de invulling van een warmtekavel en de keuze van een warmtebedrijf.
Binnen onze invloedssfeer werken wij ook aan het verbeteren van de randvoorwaarden, het voorbereiden van de stad op de warmtetransitie en het invullen van onze regierol. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten de regie krijgen in de wijkgerichte aanpak om de gebouwde omgeving aardgasvrij te maken. De afgelopen jaren zijn belangrijke stappen gezet om deze regierol wettelijk te verankeren via de Wet gemeentelijke
instrumenten warmtetransitie (Wgiw). Figuur 14 schetst de samenhang tussen deze Beleidsnota Warmte, het Warmteprogramma en het proces dat wij gaan doorlopen in het kader van de Wgiw (groene blokken) en stappen om te komen tot een invulling van een warmteoplossing voor een gebied (warmtekavel) en het wijzen van een warmtebedrijf. Er wordt gewerkt aan een
Participatieproces
Vaststelling Warmtekavel
Aanwijzing Warmtebedrijf
Uitgewerkt kavelplan
Inventarisatie opt-out
Investeringsplan, aanleg en exploitatie
wettelijke verankering van dit proces om te komen tot de warmtekavel en de aanwijzing van een warmtebedrijf in de Wet collectieve warmte (Wcw). Deze wettelijke verankering versterkt ons als gemeente in deze regierol.
35
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
3.2 Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) We zetten de aanwijsbevoegdheid in om de haalbaarheid van collectieve warmteoplossingen te vergroten en hoge maatschappelijke kosten te voorkomen De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) treedt naar verwachting 1 januari 2026 in werking. Met de Wgiw wordt het Warmteprogramma een verplicht programma onder de Omgevingswet. Gemeenten zijn hierdoor verplicht om hun Transitievisies Warmte om te zetten naar een Warmteprogramma voor 31 december 2026 en deze elke 5 jaar te actualiseren. Binnen de kaders van deze Beleidsnota Warmte beschrijft vervolgens het Warmteprogramma de doelen, maatregelen en het tijdspad voor het aardgasvrij en aardgasvrij-ready maken van gebouwen in de komende 10 jaar. Voor de gebieden die in het Warmteprogramma zijn aangewezen om van het aardgas af te gaan, werken we als gemeente samen met bewoners en andere belanghebbenden aan een wijkuitvoeringsprogramma per gebied. Om daadwerkelijk de levering van aardgas in een wijk te beëindigen biedt de Wgiw de kaders voor het inzetten van de zogenaamde aanwijsbevoegdheid. Gemeenten kunnen vanuit hun regierol met dit instrument in het omgevingsplan maatwerkregels opnemen wanneer een bepaalde wijk van het aardgas af gaat en welk duurzaam warmtealternatief voor aardgas wordt gekozen.
Met het opnemen van deze regels in het omgevingsplan ontstaat de juridische bevoegdheid om de levering van aardgas in het betreffende gebied te stoppen. De aanwijsbevoegdheid wordt echter pas ingezet na participatie en communicatie met bewoners en op het moment dat er een haalbaar en betaalbaar aanbod beschikbaar is voor het merendeel van de bewoners.
Utrecht wil de aanwijsbevoegdheid inzetten om i) de haalbaarheid van collectieve warmteoplossingen te verbeteren en ii) te voorkomen dat gasleidingen voor een kleine groep gebruikers in stand moet worden gehouden wat leidt tot hoge maatschappelijke kosten. Een duidelijk eindpunt voor de levering van aardgas zorgt ervoor dat meer gebouweigenaren zich aansluiten op een collectief warmtenet, wat de financiële haalbaarheid van het warmtebedrijf versterkt. Gebouweigenaren houden echter altijd de mogelijkheid om zelf te investeren in een individuele duurzame warmteoplossing (opt-out) en niet aan te sluiten op de collectieve warmtevoorziening. Er is dus geen aansluitverplichting op een collectieve warmteoplossing maar wel een verplicht om over te stappen naar een CO2-vrije warmteoplossing. Door het inzetten van de aanwijsbevoegdheid kunnen gebouweigenaren echter wel minder keuzevrijheid ervaren wat betreft het moment waarop ze overstappen naar een CO2-vrije warmteoplossing. In het Besluit gemeentelijk instrumenten warmtetransitie (Bgiw met de Algemene maatregel van Bestuur -AmvB- als uitvoeringsregeling) werkt het Rijk de aanwijsbevoegdheid verder uit door onder andere waarborgen aan de haalbaarheid en betaalbaarheid te stellen waaraan gemeenten moeten voldoen voordat ze de aanwijsbevoegdheid kunnen inzetten.
Verder krijgen gemeenten de verplichting om zich ervan te ‘vergewissen’ dat de bewoners in een wijk of buurt waar de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet, redelijkerwijs in staat zijn om binnen de gestelde termijn over te stappen naar de duurzame collectieve warmteoplossing of een gelijkwaardige individuele warmteoplossing.
3.3 Wet collectieve warmte (Wcw) Op het moment dat de Wet collectieve warmte (Wcw) in werking treedt vervangt deze de huidige Warmtewet. De Wcw heeft als doel de ontwikkeling van nieuwe of de uitbreiding van bestaande warmtenetten te vergemakkelijken door de betaalbaarheid, betrouw baarheid en duurzaamheid bij de levering van collectieve warmte beter te borgen. Gemeenten krijgen met de Wcw meer regie over de warmtetransitie, doordat zij de mogelijkheid krijgen warmtekavels vast te stellen en een warmtebedrijf aan te wijzen dat het collectieve warmtesysteem binnen dit warmtekavel gaat exploiteren. De Wcw is nog niet aangenomen door het parlement. In deze beleidsnota geven we daarom een uitwerking over hoe we de Wcw willen gaan implementeren als deze is aangenomen, maar geven we ook aan wat we gaan doen als de Wcw er niet komt. 3.3.1 Vaststellen van warmtekavels Een warmtekavel is in de Wcw gedefinieerd als “een aaneengesloten gebied binnen één of meerdere gemeenten waarvoor een warmtebedrijf verant woordelijk is voor de exploitatie van een collectief warmtesysteem”. Daarbij moet de grootte en de begrenzing van een warmtekavel zo worden vastgesteld dat een warmtebedrijf een efficiënt systeem kan aanleggen en exploiteren, met voldoende leverings zekerheid.
Het vaststellen van een warmtekavel en het aanwijzen van een warmtebedrijf dat een warmtekavel gaat exploiteren wordt een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Wanneer een warmtekavel gemeentegrenzen overschrijdt of de warmtebron door meerdere gemeenten kan worden ingezet heeft de provincie formele zeggenschap in het ontwerp.
36
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Omdat we nog helemaal aan het begin staan van de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten in Utrecht en nog onduidelijk is hoe de route naar het eindplaatje er precies uitziet, starten we op korte termijn met de ontwikkeling van kleine kavels en onderzoeken we hoe we op termijn kleine kavels aaneen kunnen rijgen tot grotere kavels. De Wcw biedt de mogelijkheid tot het aaneenrijgen van warmtekavels, zolang de warmtekavels door hetzelfde warmtebedrijf worden geëxploiteerd en deze blijft voldoen aan de criteria die aan een warmtekavel worden gesteld. Hoewel de tarieven onder de Wcw gereguleerd worden door de ACM, kan de omvang en inrichting van een warmtekavel bijdragen aan een kostenefficiënte exploitatie, wat op termijn kan leiden tot lagere tarieven per aansluiting. Met het oog op het realiseren van een betaalbare warmtevoorziening streven wij in Utrecht daarom op de lange termijn naar een zo groot mogelijk kavel dat geëxploiteerd wordt door één warmtebedrijf. Dit zorgt ervoor dat de investeringskosten voor de uitbreiding van het warmtenet en de piek- en backupsystemen over zoveel mogelijk aansluitingen kunnen worden verdeeld, zodat de kosten per aansluiting zo laag mogelijk worden.
Met deze strategie worden goedkope en dure gebieden zoveel mogelijk binnen één warmtekavel opgenomen, zodat er een nivellerend effect ontstaat en er zo min mogelijk prijsverschillen gaan ontstaan tussen verschillende gebieden. Ook zonder de Wcw hanteren we deze strategie, waarbij we samen met gebouweigenaren, -gebruikers en buurtinitiatieven invulling geven aan de warmte voorziening in een gebied (zie 3.4). We kunnen dan echter geen warmtebedrijf exclusief aanwijzen of een gebied als warmtekavel juridisch afbakenen. De verdere details werken we uit in het Warmteprogramma.
3.3.2 Aanwijzen van een warmtebedrijf Wij gaan de samenwerking met lokale spelers verder vormgeven en buurtinitiatieven actief ondersteunen om op te groeien tot volwaardige warmtegemeenschappen Het college krijgt in het kader van de Wcw de bevoegdheid een warmtebedrijf aan te wijzen voor de realisatie en exploitatie van een collectief warmtesysteem binnen een warmtekavel. Volgens de Wcw kan een warmtebedrijf 1. een warmtegemeenschap, 2. een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang zijn, of 3. een private partij als 1) en 2) niet beschikbaar zijn. In het proces om te komen tot de invulling van een warmtekavel moet duidelijk worden welk type warmtebedrijf een warmtekavel gaat exploiteren. Warmtegemeenschap Een warmtegemeenschap is in de Wcw gedefinieerd als een warmtebedrijf dat a) ten behoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders actief is als warmtebedrijf, b) als hoofddoel heeft het bieden van milieuvoordelen of economische of sociale voordelen aan haar leden, vennoten of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is, c) niet is gericht op het maken van winst, en d) gebruik maakt van duurzame warmtebronnen als belangrijkste warmtebron.
Wij geven in Utrecht de voorkeur aan realisatie en exploitatie van een collectieve warmteoplossing binnen een warmtekavel door een warmtegemeenschap als dit leidt tot een haalbaar en betaalbaar collectief warmtenet. Daarvoor gaan we buurtinitiatieven ondersteunen om op te groeien tot een volwaardige warmtegemeenschap die (i) in staat is om zelf een
Warmtekavels voor bestaande netten
In het kader van het overgangsrecht binnen de Wcw krijgen bestaande warmtebedrijven het recht om hun bestaande warmteaansluitingen nog maximaal 30 jaar te exploiteren. Het college is verplicht een warmtekavel toe te wijzen aan bestaande exploitanten. Deze kavels omvatten alle gebouwen waar de exploitant op dat moment feitelijk warmte levert. Het college bepaalt bij de aanwijzing ook het aantal jaren dat dit kavel nog kan worden geëxploiteerd. Het grootste bestaande warmtenet betreft het stadsbrede warmtenet van Eneco. Onze technisch economische analyses laten zien dat 1) voor gebouwen die aan een bestaande warmteleiding liggen van dit net, aansluiting op dit warmtenet de oplossing is met laagste nationale kosten en 2) dat door de drukte in de ondergrond een andere collectieve oplossing niet te realiseren is. Verder is een aantal gebieden volledig ingesloten door het stadsbrede warmtenet van Eneco. Naar verwachting is in deze gebieden te weinig ruimte voor het realiseren van een ander collectief warmtesysteem. Het is daarom wenselijk om de gebouwen aan een bestaande leiding en de ingesloten gebieden toe te voegen aan het warmtekavel met de bestaande aansluitingen, zodat gebouweigenaren niet gedwongen worden zelf te investeren in een individuele warmteoplossing met veel hogere kosten.
Binnen de kaders van de Wcw verkennen wij de mogelijkheden om warmtekavels met bestaande warmteaansluitingen onder het overgangsrecht uit te breiden. Dit betreft uitbreiding met aangrenzende gebouwen of gebieden die fysiek verbonden zijn met het bestaande net waarvoor een collectieve warmteoplossing doelmatiger is dan individuele alternatieven. Deze mogelijkheden werken we verder uit in het Warmteprogramma. 37
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
kavelplan op te stellen en (ii) voldoet aan de eisen die de wetgever stelt aan warmtegemeenschappen wat betreft organisatorische, technische en financiële bekwaamheid die wordt getoetst door de ACM. Er zijn in de programmabegroting middelen opgenomen om buurtinitiatieven in de beginfase te ondersteunen om zich verder te ontwikkelen tot een warmtegemeenschap. Dit gaat om middelen voor bijvoorbeeld community building en technische onderzoeken. De invulling van de opgroeiruimte voor warmtegemeenschappen en voorwaarden voor het beschikbaar stellen van middelen werken we verder uit in het Warmteprogramma. De warmtekavels geëxploiteerd door een warmtege meenschap krijgen bij inwerkingtreding van de Wcw allemaal een eigen warmtetarief. Wij realiseren ons dat de voorkeur geven aan warmtegemeenschappen ertoe kan leiden dat veel verschillende warmtetarieven gaan ontstaan in Utrecht. Het wordt daardoor minder een voudig om op lange termijn kavels aaneen te rijgen tot één groot kavel met zowel goedkope als duurdere gebieden met één warmtetarief waardoor een nivellerend effect ontstaat. Wij vinden dit een logisch gevolg van de aanpak om klein te beginnen en daarbij ruimte te geven aan warmtegemeenschappen. We streven ernaar de mogelijkheid open te laten om deze gebieden later samen te voegen onder de vlag van een publiek warmtebedrijf.
Warmtebedrijf met publiek meerderheidsbelang We kiezen voor publiek eigendom in de warmte transitie Utrecht is van mening dat publiek eigendom in de warmtetransitie essentieel is voor het realiseren van collectieve warmtesystemen. Een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang zal, in tegenstelling tot zuiver financiële investeerders, uit eigen beweging publieke belangen als consumentenbescherming,
duurzaamheid of betaalbaarheid zwaarder laten wegen dan commerciële belangen. Draagvlak voor collectieve warmteoplossingen moet worden opgebouwd en bewoners geven aan meer vertrouwen te hebben in een warmtebedrijf in publieke handen. Ongeacht de toekomstige wet- en regelgeving, kiest de gemeente Utrecht voor een aanpak waarbij een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang het voortouw neemt bij de ontwikkeling van collectieve warmtesystemen, tenzij in een gebied een warmtegemeenschap actief is. De uitvoering van (delen van) de realisatie en beheer van collectieve warmtenetten kan wel in opdracht worden gegeven aan private partijen. De kaders voor deelneming door de gemeente in een publiek warmtebedrijf worden ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorgelegd en hierin wordt samen opgetrokken met de Gemeente Nieuwegein. Ook volgt een uitwerking van de wijze waarop gebouweigenaren en gebruikers kunnen deelnemen in een publiek warmtebedrijf.
3.4 Organisatie van het proces om te komen tot invulling van een warmtekavel We gaan samen met gebouweigenaren, -gebruikers en buurtinitiatieven invulling geven aan een warmte leveringsgebied (warmtekavel) en de keuze van het warmtebedrijf
Buurtinitiatieven
Buurtinitiatieven worden gestart door betrokken inwoners die zich inzetten voor een duurzaam, betrouwbaar en betaalbaar energiesysteem voor iedereen in hun buurt. Zij brengen het netwerk en lokale deskundigheid mee en ze beschikken over de mogelijkheid om enthousiasme voor een collectief warmtesysteem over te brengen op hun buurtgenoten. Buurtinitiatieven kunnen op twee manieren zeggenschap krijgen: (1) gesprekspartner voor de gemeente voor de vaststelling van een warmtekavel, (2) eigendom in een warmtebedrijf waarbij verschillende vormen mogelijk zijn, zoals een warmtegemeenschap. De eerste rol kunnen buurtinitiatieven beter invullen als ze een brede achterban hebben. Ook voor de tweede rol is het belangrijk dat er breed draagvlak is in de buurt voor de standpunten van de buurtinitiatieven. Daarom ondersteunen wij buurtinitiatieven actief om kennis en expertise te ontwikkelen en stellen we middelen beschikbaar om te investeren in professionele ondersteuning en vergroting van de achterban. We noemen dit vergroting van draag- en realisatiekracht.
Het vroegtijdig betrekken van de omgeving in en rond de wijk zorgt ervoor dat verschillende wensen, perspectieven, kennis en creativiteit snel op tafel komen. Een goed ingericht participatieproces draagt op die manier bij aan kwalitatief betere besluitvorming en helpt in een latere fase om gebouweigenaren en -gebruikers te motiveren om mee te doen aan de verduurzaming van hun woning en wijk of buurt.
38
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Wij benutten daarom het proces om te komen tot een kavelplan en een wijkuitvoeringsprogramma om samen met gebouweigenaren, gebouwgebruikers en buurtinitiatieven een advies voor aanwijzing van een warmtekavel op te stellen. Daarbij wordt een warmtekavel pas vastgesteld door het college als er brede steun is van gebouweigenaren en -gebruikers. We benutten het gezamenlijke proces om te komen tot een kavelplan ook om te onderzoeken welk type warmtebedrijf het warmtesysteem gaat realiseren en exploiteren, en hoe de zeggenschap van bewoners binnen dit warmtebedrijf is geregeld. Daarbij hanteren we het niveau “Samen aan zet” uit het Kompas van Zeggenschap. De gemeente pakt in dit proces haar wettelijke regierol op voor het vaststellen van een wijkuitvoerings programma en het inzetten van de aanwijsbevoegdheid voor het stoppen van de levering van aardgas door de netbeheerder, waarbij we ook de lessen vanuit Overvecht Noord meenemen.
39
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
4
Beschermen en benutten fysieke leefomgeving
4.1 Ruimte reserveren voor energie infrastructuur en bronnen We gaan ruimte reserveren voor de energieinfrastructuur 4.1.1 Ruimte in woningen De overstap van aardgas naar een duurzaam warmte alternatief vergt veranderingen in en rondom de woning. Bij aansluiting op een collectief warmtenet op midden temperatuur is de ruimtelijke impact beperkt. De cvinstallatie moet dan worden vervangen door een aflever set. Afhankelijk van de plek van de afleverset, moeten in nagenoeg alle gevallen extra leidingen worden aangelegd of verlegd. Er zijn verschillende technische mogelijkheden die in meer of mindere mate impact hebben op de woning (zowel in de woning als op de gevel). De overstap naar een oplossing op lage temperatuur – zoals aansluiting op een Zeer Lage Temperatuur (ZLT) warmtenet of een individuele warmtepomp – vraagt op dit moment nog om een aanzienlijk ruimtebeslag. Dit gaat dan om het plaatsen van een warmtepomp, een boiler en/of een opslagvat. Een oplossing gebaseerd op een (zeer) lage temperatuur systeem past het best bij woningen met vloerverwarming, dit zijn over het algemeen gebouwen die goed geïsoleerd zijn.
Warmtepomp
Inpassing Trafostations
Opwek elektriciteit
Opwek warmte (PVT)
Drycoolers voor grootschalige luchtwarmtepompen Warmtepomp en opslagvat
Buurtwarmtepomp met voeding aan het warmtenet
Isoleren + verduurzamen bestaande woningen
Aquathermiesysteem Buurtbatterij
Warmte Overdracht Station (WOS)
Uitbreiding warmtenet
Aanleg nieuwe elektriciteits infrastructuur
Vehicle 2 Grid + Smart Grids (gebruik van elektrische auto’s voor opslag van elektriciteit)
Warmte Koude Opslag (WKO)
Figuur 15: Illustratie van ruimte nodig in de woning, wijk en ondergrond voor de warmtetransitie. 40
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Door middel van de WAT-kaart scheppen we duidelijk heid over het voorkeursalternatief voor de warmte voorziening per buurt. Daarmee weten gebouweigenaren en -gebruikers hoeveel ruimte zij in hun gebouw moeten reserveren – bijvoorbeeld bij een renovatie of verbouwing - om voorbereid te zijn op de toekomstige warmteoplossing voor hun gebouw. Als onderdeel van het Programma Energie besparen gebouwde omgeving 2022-2030 gaan wij dit meenemen in onze communicatie richting bewoners over het aardgasvrij maken van hun woning.
•
•
4.1.2 Ruimte in de wijk en aan de rand van de stad Figuur 15 illustreert het ruimtebeslag in de wijk voor de verschillende warmteoplossingen. Afhankelijk van het warmtealternatief betreft dit ruimte voor transformator huisje, warmteonderstations, warmtebuffers, collectieve warmtepompen, aquathermie systemen en dry coolers. •
•
Lage temperatuur warmteoplossingen – zoals aansluiting op een collectief ZLT warmtenet of een individuele warmtepomp – vragen veel extra elektriciteit. Dit betekent dat in buurten waar dit het voorkeursalternatief is, een aantal extra transformatorhuisjes nodig is om in deze vraag te kunnen voorzien. De komende jaren zal in alle buurten het elektriciteitsnetwerk al verzwaard moeten worden om de groeiende vraag (elektrisch vervoer, meer apparaten, warmtepompen) en aanbod (PV-panelen) van elektriciteit te kunnen opvangen. Deze uitbreiding is uitgewerkt in het Uitvoeringsprogramma elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie 2023-2026. Collectieve MT-buurtwarmtenetten zorgen voor het grootste ruimtebeslag op buurtniveau. Deze netten omvatten onder andere warmteonderstations, WKO putten, collectieve luchtwarmtepompen of aquathermie-installaties en lokale warmtebuffers.
•
Een collectief ZLT-buurtwarmtenet heeft een kleiner ruimtebeslag omdat er geen collectieve warmtepompen nodig zijn. Bij deze netten wordt het ruimtebeslag verplaatst naar de woning waar een warmtepomp (en opslagvat) geplaatst moeten worden. Bij een stadsbreed warmtenet hoeven de bronnen niet in de buurt te staan maar is ruimte nodig in andere delen of aan de randen van de stad voor onder andere geothermie-installaties, grootschalige aquathermie, luchtwarmtepompen (industriële schaal) en grootschalige warmtebuffers voor seizoensopslag. De huidige bronlocaties op Lage Weide en bij het Merwedekanaal zijn en blijven belangrijk voor de warmte- en elektriciteitsvoorziening, inclusief de verduurzaming van warmte. Daarnaast hebben collectieve warmtenetten een piekvoorziening nodig voor hele koude dagen en een back-upvoorziening op het moment dat de hoofdwarmtebron uitvalt. Deze kan bestaan uit het installeren van een overcapaciteit aan duurzame warmtebronnen, een koppeling aan een ander warmtenet met voldoende piekvoorziening, of aardgasketels die op termijn vervangen kunnen worden door installaties die draaien op duurzame gassen.
Het vinden van ruimte in buurten voor het realiseren van een duurzame collectieve warmtevoorziening vormt een grote uitdaging in een dichtbebouwde stad als Utrecht met veel verschillende opgaven. Daarbij proberen we als eerste voorzieningen zoveel mogelijk inpandig te realiseren en als dit niet mogelijk is te kijken naar de openbare ruimte. Voor de lange termijn gaan we in alle gebiedsgerichte Omgevingsvisies alvast ruimte reserveren voor het voorkeursalternatief per buurt. Concrete ruimte reserveringen worden opgenomen in de wijkuitvoerings
programma’s die per gebied worden opgesteld en waarin voor een specifiek gebied het warmtesysteem (infrastructuur en bronnen) concreet is uitgewerkt. Op dat moment gaat we ook samen met verschillende grote vastgoedeigenaren in de stad (Woningbouw Corpo raties, VGU etc.) beschikbare inpandige ruimtes in kaart brengen en reserveren. Dit doen we ook voor de open bare ruimte door openbaar groen/snippergroen in de buurten dat in bezit is van de gemeente te reserveren en eventueel groen in bezit van woningbouwcorporaties of particulieren aan te kopen. In het Warmteprogramma werken we verder uit welke bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke instrumenten we hiervoor eventueel in willen gaan zetten. 4.1.3 Ruimte in de ondergrond voor warmteinfrastructuur In buurten waar een collectieve warmtevoorziening als voorkeursalternatief wordt gezien, moet dit systeem nog worden ingepast in de ondergrond. De grote uitdaging hierbij is dat de ondergrond in veel Utrechtse buurten al behoorlijk vol is. Naast andere infrastructuur (riolering, waterleidingen, elektriciteit), hebben ook bomen, ondergrondse afvalcontainers en laadinfrastructuur hun ruimtebeslag. Door nu al ruimte te reserveren voor warmtenetten kunnen we mogelijk hoge extra kosten in de toekomst beperken, bijvoorbeeld voor het verleggen van kabels en leidingen.
Bij grootschalige ingrepen in de bodem brengen we daarom vooraf alle verschillende functies en ambities in kaart die een ruimteclaim op de ondergrond leggen. Ook worden de (verleg)kosten geraamd. Vervolgens worden alle kosten, de ruimteclaims als geheel, en in samenhang met elkaar, bekeken en wordt een integrale afweging gemaakt qua welke functies een plek kunnen krijgen. Bij de uitvoering van het Warmteprogramma en de Wijkuitvoeringsprogramma’s streven we ernaar om,
41
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
in buurten waar een collectieve warmteoplossing het voorkeursalternatief is, ruimte te reserveren voor het warmtetracé.
om zo doelmatig mogelijk gebruik te kunnen maken van bodemenergie, met behoud van een gezonde bodem. Om deze doelstelling te realiseren sturen we op:
We doen dit voor de buurten waar we binnen 10 jaar met redelijke zekerheid gaan starten met de aanleg van een collectief warmtenet. Er wordt in eerste instantie al wel ruimte vrijgehouden in het straatprofiel voor een warmtenet. De realisatie van het warmtenet zelf zal naar verwachting vaak op een later tijdstip plaats gaan vinden dan de rioolvervanging (of andere aanleiding voor integrale herinrichting).
•
4.2 Bodemenergie We sturen op het vergroten van de inzet van duur zame warmtebronnen, deze eerlijk te verdelen en efficiënt in te zetten. Voor bodemenergie betekent dit dat we sturen op • • •
Het efficiënt (doelmatig) gebruik van de onder grond en een eerlijke verdeling voor bodem energie. Op goede balans tussen beschermen en benutten van de ondergrond. Het voeren van regie op de ruimtelijke inpassing van bodemenergiesystemen en de benodigde infrastructuur.
4.2.1 De opgave Het gebruik van de bodem voor de opslag van energie, gaat in Utrecht een belangrijke bijdrage leveren aan de warmtetransitie, in zowel de nieuwbouw als bestaande bouw. Niet in alle buurten is voldoende opslagcapaciteit voor bodemenergie beschikbaar om in de volledige warmtevraag van gebouwen in een buurt te kunnen voldoen. Daarom zijn gebiedsspecifieke keuzes nodig
• • •
Het efficiënt (doelmatig) gebruik van de ondergrond en een eerlijke verdeling voor bodemenergie. Een goede balans tussen beschermen en benutten van de ondergrond. Het voeren van regie op de ruimtelijke inpassing van bodemenergiesystemen en de benodigde infrastructuur. In het Warmteprogramma wordt nader uitgewerkt hoe en onder welke voorwaarden deze sturingsprincipes worden ingezet.
4.2.2 Efficiënt (doelmatig) gebruik van de ondergrond voor bodemenergie en een eerlijke verdeling van bodemenergie Doelmatig gebruik van de ondergrond voor bodem energie betekent dat beschikbare capaciteit in de ondergrond voor het opslaan van warmte en koude zo efficiënt mogelijk wordt ingezet. Per locatie kan maar één type bodemenergiesysteem worden gerealiseerd. Daarom hanteren we de volgende sturingsprincipes: •
We sturen op systemen met de hoogste opslagcapaciteit per oppervlakte-eenheid om zoveel mogelijk energie op te kunnen slaan. Dat betekent dat we de voorkeur geven aan open bodemenergiesystemen boven gesloten bodemenergiesystemen. Binnen de open bodemenergiesystemen ligt de voorkeur op doubletten (en systeem met een warme en een koude bron) vanuit energie-efficiëntie. Daarbij willen we het temperatuurverschil tussen de warme en koude bron verhogen zodat meer warmte kan worden opgeslagen. Verder sturen we op zo groot mogelijke systemen, waarbij overcapaciteit beschikbaar komt voor andere gebruikers. Dit zorgt
Open en gesloten bodemenergie systemen
Een open bodemenergiesysteem (Warmte Koude opslag WKO | OBES) gebruikt grondwater om warmte en koude op te slaan. Hiervoor wordt een koude en een warme bron geboord. Via een warmtewisselaar wordt warmte of koude uit het grondwater gebruikt om het gebouw te verwarmen of te koelen. In de winter wordt daarvoor uit de warme bron grondwater onttrokken en na gebruik wordt het afgekoelde water teruggebracht in de bodem. In de zomer is het proces omgedraaid. De provincie is bevoegd gezag en verleent de vergunningen voor de OBES. Een gesloten bodemenergiesysteem (Bodemlus | GBES) pompt water, in buizen door de bodem. Om bevriezing te voorkomen wordt meestal een antivriesmiddel toegevoegd aan het water. De vloeistof komt niet in direct contact met de bodem of het grondwater. Is de vloeistof kouder dan de omringende bodem dan neemt de vloeistof warmte op (in de winter), is de vloeistof warmer dan koelt deze in de bodem af (in de zomer). De gemeente is bevoegd gezag voor de GBES en is verantwoor delijk voor de uitvoering van de Verordening Interferentiegebieden Bodemenergiesystemen gemeente Utrecht 2018.
42
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
•
voor een eerlijke verdeling van de beschikbare capaciteit. We sturen op het optimaal benutten van bodem capaciteit en wijzen warmte en koude zones aan. De werking van bodemenergiesystemen wordt negatief beïnvloed bij interferentie met een naast gelegen bodemenergiesysteem. Het voorzorgs beginsel stelt dat negatieve interferentie moet worden voorkomen. Dit leidt ertoe dat grotere afstanden worden aangehouden tussen bodemenergiebronnen en lussen dan strikt noodzakelijk is om deze inter ferentie te voorkomen. Sturen op de ruimtelijke ordening van systemen helpt bij het voorkomen van negatieve interferentie en onnodige ruimteclaims. Daarom sturen we op het optimaal benutten van de bodemcapaciteit door de afstand tussen bronnen (OBES) en lussen (GBES) zo klein mogelijk te houden. Daarnaast wijzen we zones aan waar koude en warme bronnen moeten komen, zodat de capaciteit in de ondergrond optimaal wordt benut.
4.2.3 Goede balans tussen beschermen en benutten van bodem en ondergrond Een gezonde bodem en ondergrond zijn de basis van een gezonde leefomgeving. Het is dan ook belangrijk om duurzaam om te gaan met de bodem en rekening te houden met korte- en langetermijneffecten. Achter uitgang van de chemische, fysische en biologische bodemkwaliteiten moet zoveel mogelijk worden voor komen. Uit de PlanMER blijkt dat (grootschalige) toepassing van OBES en GBES negatieve effecten kan hebben op bodem en grondwaterkwaliteit. Daarom hanteren we de volgden sturingsprincipes: •
Bodemenergiesystemen worden bij voorkeur in het eerste watervoerende pakket geplaatst. Dit is in lijn met het huidige beleid waarin het in delen van de gemeente niet mogelijk is het tweede watervoerend pakket grootschalig te gebruiken
•
voor bodemenergie (Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer (GGB) Utrecht en de Provinciale Omgevingsverordening). Het GGB wordt momenteel geactualiseerd en moet meer inzicht geven in de risico’s van het gebruik van het tweede watervoerend pakket en de beheergrenzen en daarbij horende regels voor veilig gebruik. Dit kan leiden tot nieuwe beleidskaders voor het beschermen en benutten van het grondwater. Het gebruik van milieubelastende stoffen in de ondergrond wordt zo veel mogelijk voorkomen ter bescherming van de bodem en ondergrond. Het beperken van bijvoorbeeld toxische koude middelen in de bodem is belangrijk vanwege de mogelijke milieueffecten, risico’s voor de bodem kwaliteit en de duurzaamheid op lange termijn.
4.2.4 Regie voeren op de ruimtelijke inpassing De beschikbare ruimte in de ondergrond in Utrecht is schaars. Regie op de inpassing van bodemenergie systemen en bijbehorende infrastructuur is noodzakelijk. Om deze reden hanteren we de volgende sturings principes: •
•
Realisatie van (individuele) bodemenergiesystemen wegen we integraal af op publieke versus private belangen en op negatieve milieueffecten versus energieopbrengsten. Deze afweging wordt in ieder geval op het niveau van wijkuitvoeringsprogramma’s gemaakt en als mogelijk eerder. Bij het inpassen geldt dat collectieve en maatschappelijke belangen voorrang hebben over private belangen. Realisatie van individuele (= bij één gebouw horende) bodemenergiesystemen vindt bij voorkeur plaats op eigen perceel en niet in de openbare ruimte. Dit geldt zowel voor de WKO-bron of bodemlus, bijbehorende thermische straal en de infrastructuur. Op die manier beperken we het overschrijden van perceelgrenzen en wordt de beschikbare capaciteit eerlijker verdeeld.
• •
Deze sturingsprincipes leiden naar verwachting tot de realisatie van meer collectieve systemen in plaats van individuele systemen. Voor de inpassing van open bodemenergiesystemen en bijbehorende infrastructuur vraagt dit om een nauwe samenwerking en afstemming tussen de gemeente en provincie.
4.3 Aquathermie: sturen op efficiënte inzet en eerlijke verdeling We sturen op het vergroten van de inzet van duurzame warmtebronnen, deze eerlijk te verdelen en efficiënt in te zetten. Voor aquathermie betekent dit dat we: • zowel binnen als buiten onze gemeentegrenzen indien nodig waterenergieplannen opstellen in samenwerking met waterbeheerders en andere gemeenten. • inzetten op gezamenlijke aquathermieinstallaties voor meerdere buurten of ontwikkelingen waar mogelijk. 4.3.1 De opgave Aquathermie is het gebruik van warmte of koude uit oppervlaktewater (meren, rivieren en kanalen), afvalwater of drinkwater met een warmtewisselaar. In Utrecht is het potentieel voor thermische energie uit afvalwater (TEA) al grotendeels benut door het plaatsen van een warmtepomp op de RWZI Overvecht die warmte produceert voor het stadswarmtenet van Eneco. De potentie van thermische energie uit drinkwater (TED) is in Utrecht beperkt. Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) is daarmee de grootste aquathermie bron die we nog in kunnen zetten. Vaak wordt TEO gecombineerd met warmte- en koudeopslag 43
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
(WKO) in de bodem. Hiermee wordt in de zomer warmte uit het oppervlaktewater onttrokken en in de bodem opgeslagen om de WKO in balans te houden en seizoensopslag te realiseren. Inzet van aquathermie is ook mogelijk zonder een WKO, met name bij grote watervolumes met een beperkte ecologische waarde (zoals het Amsterdam-Rijnkanaal), omdat het daarbij ook mogelijk is in de winter warmte te onttrekken.
in gaan zetten om warmte uit water eerlijk te verdelen waar dit nodig is. Verder sturen we aan op inzet van gezamenlijke installaties voor bijvoorbeeld nieuwbouw & bestaande bouw, of voor meerdere buurten tegelijk om zo het aantal installaties te kunnen beperken.
4.3.2 Sturen op efficiënt gebruik en eerlijke verdeling
We zetten in op het verminderen van de behoefte aan actieve koeling.
De verwachting is dat aquathermie een belangrijke rol gaat spelen als duurzame warmtebron voor zowel het stadsbrede warmtenet als voor buurtwarmtenetten als basislast (zie Utrecht, 2025b & Figuur 7). De energetische potentie van deze bron is echter beperkt en bij koppeling aan een WKO moet ook deze potentie worden meegewogen. Daarnaast kan de capaciteit van aquathermie in Utrecht mogelijk niet volledig worden benut doordat buurgemeenten ook gebruik willen maken van dezelfde waterlichamen. Dit creëert een uitdaging voor de efficiëntie en schaalbaarheid van deze bron, omdat de beschikbare warmte verdeeld moet worden over verschillende gebruikers. Voor de belangrijkste wateren die we delen met onze buurgemeenten vindt daarom afstemming plaats over inzet van aquathermie, samen met de waterbeheerders. Het gaat dan met name om het Amsterdam-Rijnkanaal (Houten, Nieuwegein), de Kromme Rijn (Bunnik, Wijk bij Duurstede) en de Vecht (Stichtse Vecht). Als uit onderzoek blijkt dat de vraag de potentie overstijgt, zowel energetisch als ook ecologisch, maken we nadere afspraken over de verdeling door het opstellen van waterenergieplannen samen met de waterbeheerders. Een waterenergieplan is een nieuw instrument en te vergelijken met een bodemenergieplan. Hierin staan afspraken over waar en mogelijk ook hoeveel warmte kan worden onttrokken uit een waterlichaam.
Waterbeheerders kunnen het waterenergieplan vervolgens gebruiken om vergunningen te weigeren als deze in strijd zijn met het waterenergieplan. Ook binnen de gemeentegrenzen geldt dat we dit instrument willen
Effect van isolatie op vraag naar koeling
Over het effect van verbeterde isolatie op de koelvraag bestaat geen duidelijke conclusie uit verschillende onderzoeken. Verbetering van de isolatiegraad en luchtdichtheid van gebouwen leidt ertoe dat warmte beter buiten wordt gehouden en vermindert daarmee de vraag naar koeling. Echter als deze gebouwen eenmaal zijn opgewarmd koelen ze maar langzaam af en kan deze extra isolatie leiden tot een hogere koelvraag. Dit wordt het anti-isolatie-effect genoemd.
4.4 Koeling
Dit gaan we doen door: • Het stimuleren van gebouwmaatregelen en gedragsverandering om oververhitting te voorkomen • In buurten die gevoelig zijn voor hittestress ook warmtealternatieven te onderzoeken die ook koeling kunnen leveren. 4.4.1 Toenemende vraag naar koeling De Beleidsnota Warmte richt zich op het isoleren en duurzaam verwarmen van woningen. Echter, door klimaatverandering neemt ook de uitdaging toe om woningen comfortabel te houden tijdens langere warme periodes. Zonder aanvullende maatregelen zal de temperatuur in woningen en gebouwen steeds vaker stijgen tot oncomfortabele niveaus. Dit geldt in het bijzonder voor stedelijke gebieden, waar het hitteeilandeffect leidt tot hogere temperaturen dan op het omliggende platteland, met verschillen die kunnen oplopen tot wel 7 graden (Achtergrondartikel KNMI: Warmte-eilandeffect van de stad Utrecht). In Utrecht sturen we al actief op het voorkomen van oververhitting, waarbij we de ladder voor koeling hanteren (Intentieverklaring: op weg naar standaarden voor ontwerp van gebouwen die rekening houden met toenemende behoefte aan koeling (OSKA, 2021)).
Dit betekent dat we inzetten op: • • •
•
Het realiseren van een koele omgeving voor gebouwen door het realiseren van meer groen en water in de stad (zie Visie Klimaatadaptatie Utrecht). Het voorkomen dat gebouwen te warm worden door toepassing van gebouwmaatregelen zoals isolatie, buitenzonwering of zonwerend glas. Het verdrijven van warmte door het aanbrengen van voorzieningen die warmte kunnen afvoeren, zoals (nacht)ventilatie en in te zetten op gedragsveranderingen zoals spuien (natuurlijke ventilatie). Efficiënte koelvoorziening. Dit betekent eerst gebruik maken van de mogelijkheden van passieve koeling met een bodemwarmtepomp of WKO en daarna naar actieve koeling met een airco of luchtwarmtepomp. Hoewel beide opties elektriciteit vereisen, is de elektriciteitsvraag bij passieve koeling veel lager dan bij actieve koeling. Bij WKO wordt de afgevangen warmte ook opgeslagen voor de winter, in plaats van dat deze terug wordt afgeblazen naar de buitenlucht, wat verder bijdraagt aan de duurzaamheid van het systeem en het tegengaan van het hitte-eilandeffect.
44
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
Via het programma besparen gaan we inzetten op het stimuleren van gebouwmaatregelen en gedrags verandering, waarmee we de afhankelijkheid van passieve en actieve koeling aanzienlijk willen vermin deren of zelfs geheel voorkomen. Daarmee voorkomen we een sterke toename van de elektriciteitsvraag op zomerse dagen, wat past in ons streven naar een netbewuste stad. 4.4.2 Koeling en de keuze voor een voorkeursalternatief Sommige warmteoplossingen bieden naast het leveren van warmte ook de mogelijkheid voor levering van koeling, terwijl andere oplossingen alleen warmte kunnen leveren en bij behoefte aan actieve koeling geïnvesteerd moet worden in een airco (zie Tabel 1).
In buurten waar een individuele warmtepomp met lage temperatuur bron het voorkeursalternatief is, sturen we op een combinatie van bodem- en luchtwarmtepompen, om op die manier de goede balans te vinden tussen milieueffecten, netbewustheid en koeling/hittestress. Ook kijken we nog of voor delen van de buurt een collectieve oplossing in de vorm van een (klein) ZLT-net een betaalbare optie is. Wanneer een midden-temperatuurwarmtenet (MT-warmtenet) het voorkeursalternatief is, zetten we in op gedragsverandering en investeringen in gebouwmaatregelen om oververhitting te voorkomen. Bij het opstellen van de wijkuitvoeringsprogramma’s voor buurten met hoog risico op hittestress (zie Figuur 16), worden ook warmte-alternatieven onderzocht die koeling kunnen leveren, zoals ZLT. Mocht dat niet mogelijk zijn, dan wordt actief gekeken naar maatregelen om problemen met hitte op hete zomerdagen te voorkomen.
Tabel 1: Over zichtstabel koelmogelijkheden warmteoplossingen. Warmteoplossing
Koelmogelijkheid techniek
MT stadswarmtenet
Niet: aparte koelvoorziening nodig.
MT buurtwarmtenet
Niet: aparte koelvoorziening nodig.
Zeer Lage temperatuur (ZLT) buurtwarmtenet
Altijd: passieve koeling via topkoeling. Het koelen van de gebouwen draagt ook meteen bij aan het opslaan van warmte voor de winter waardoor minder andere warmtebronnen nodig zijn.
Luchtwarmtepomp
Vaak: actieve koeling afhankelijk van warmtepompmodel & afgiftesysteem.
Bodemwarmtepomp
Altijd: passieve koeling via topkoeling. Koeling is noodzakelijk om de warmteopslag (bodemlus) weer op te laden voor de winter.
45
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
A2 N230 A27
N237 A28
A12
A12 N228
A2
Aansluiting op stadswarmtenet (MT) Individuele warmtepomp (LT) Bedrijventerreinen: collectieve of individuele lage-temperatuuroplossing (LT)
A27
Aardgasvrij (minder dan 10 gasaansluitingen)
Buurten met hoog risico op hittestress
Bijna aardgasvrij (minder dan 100 gasaansluitingen)
Huidig stadswarmtenet
Figuur 16: Overzicht van buur ten in Utrecht die gevoelig zijn voor hittestress (rood gearceerd). 46
Beleidsnota Warmte 2025 - 2035
5
Regierol gemeente energiesystemen nieuwbouw
5.1 De opgave We gaan integraal sturen op duurzame netbewuste energiesystemen voor nieuwbouw De Ruimtelijke Strategie Utrecht voorziet tot 2050 in de realisatie van 85.000 woningen en de bijbehorende groei van maatschappelijke voorzieningen en bedrijven (ca 70 hectare). Sinds 2018 moet alle nieuwbouw aardgasvrij worden opgeleverd. De eisen voor bijna energie-neutrale gebouwen (BENG) zorgen ervoor dat nieuwbouw goed geïsoleerd is en een lage warmtevraag heeft. De huidige wet- en regelgeving maakt het echter nog niet mogelijk om voor nieuwbouw integraal te sturen op een duurzaam, betrouwbaar en betaalbaar energiesysteem dat aansluit bij de uitdagingen van ons toekomstig energiesysteem (zie 1.1).
5.2 Integraal sturen We gaan daarom integraal sturen op energiesystemen voor de nieuwbouw. Dit betekent dat we sturen op: •
Klimaatbewust. Het klimaat verandert en daardoor worden de zomers steeds warmer. Het is belangrijk om gebouwen niet alleen te kunnen verwarmen, maar ook te koelen. Door te sturen op collectieve lage-temperatuurwarmteoplossingen
•
•
met seizoensopslag voorkomen we dat gebouw eigenaren in de zomer actief gaan koelen met een airco of luchtwarmtepomp wat leidt tot hoge piekbelasting van het elektriciteitsnet in de zomer en toename van hittestress (Antea, 2025). Netbewust. Dit betekent inzetten op energiesystemen die zorgen voor beperking van de piekbelasting van het elektriciteitsnet. Collectieve warmteoplossingen met seizoensopslag verbruiken minder elektriciteit op piekmomenten dan individuele warmteoplossingen en zijn daardoor netbewuster. Door toepassing van collectieve warmteoplossingen met seizoensopslag is het niet nodig om in de zomer actief te koelen met een airco of luchtwarmtepomp wat leidt tot hoge piekbelasting van het elektriciteitsnet in de zomer en toename van hittestress (Antea, 2025). In het Warmteprogramma beschrijven we op welke wijze we een maximale piekbelasting (‘netbudget’) vast willen leggen in publiekrechtelijke of privaatrechtelijke afspraken tussen gemeente en ontwikkelaars. Ruimtebewust. De transitie naar een toekomstig duurzaam energiesysteem vraagt om extra ruimte, zowel boven- als ondergronds en heeft daarmee een effect op de ruimtelijke kwaliteit (zie 4.1). Bij het ontwerpen van gebouwen is daarom een integrale afweging van ruimtelijke belangen nodig.