Antwoorden op technische vragen aan ambtelijke organisatie 15 april 2025
Tekst van het document
Vragenlijst Raadstoets Economie 2024 Technische vragen Raadstoets Economie t.b.v. gesprek Ambtelijke Organisatie t.b.v. 15 april 2025 Deelnemers gesprek vanuit raad/griffie: Rachel Heijne Raadslid Sjaak van Bemmel Raadslid Mariam Al-Saqaff Raadslid Willemien Kok Griffie Johan Dorst Griffie Adrie-Jan de Korte Onderzoeker 1.Introductie De centrale vraag van de raadstoets Economie is: Wat is op hoofdlijnen het beeld van de gerealiseerde resultaten in relatie tot het voorgenomen beleid? Doel van de raadstoets: Het versterken van de controlerende taak van de gemeenteraad, waarbij raadsrapporteurs analyseren of ‘gedaan is wat is afgesproken’ door het beoordelen van de mate waarin de gestelde begrotingsdoelen behaald zijn op basis van een overzichtelijke presentatie van elementen uit de verantwoording (eventueel inclusief andere informatiebronnen) Deelvragen raadstoets: 1. Wat zijn op hoofdlijnen de belangrijkste ontwikkelingen van het programma? 2. Welke doelen worden gesteld? 3. Welke prestaties moeten er geleverd worden? 4. Wat mag het kosten? 5. Welke aanvullende informatie/ onderzoeken zijn er? Beantwoording vragen Naar aanleiding van het doornemen van de concept jaarrekening 2024 en de daaraan gerelateerde documenten hebben wij de hierna volgende vragen geformuleerd.
Deze vragen gaan over het (deel)programma Economie en een aantal onderwerpen die daaraan rechtstreeks gerelateerd zijn, waaronder extra focus op verbonden partijen als ROM, WOM, OMU en EBU.
Op 15 april 2025 om 18.00 uur is een gesprek gepland tussen de raadsrapporteurs en vertegenwoordigers van de ambtelijke organisatie om de vragen en antwoorden te bespreken. Graag ontvangen wij ter voorbereiding voorafgaande zo mogelijk op vrijdag 11 april de concept beantwoording. De vragen gaan over diverse onderwerpen en zijn ingedeeld op de volgende thema’s: 1. Vragen n.a.v. de ontwikkelingen in het programma Economie 2. Vragen n.a.v. financiële beeld en reserve(s) 3. Stand van zaken rekenkameronderzoek 2022 naar Economie 4. Gerelateerde partijen 5. Subsidies 6. Indicatoren
1. Ontwikkelingen programma Economie Nr.
Vraag/toelichting
Reactie
1
Algemeen beeld: In de begroting 2024 waren circa 7 nieuwe activiteiten opgenomen voor het programma Economie. In de jaarrekening lezen we dat vrijwel alle activiteiten zijn uitgevoerd m.u.v. evaluatie aanpak vitale winkelgebieden.
De ambtelijke organisatie kijkt positief terug op de behaalde resultaten in 2024. Met relatief beperkte menskracht en middelen is er toch veel neergezet en hebben we zaken in beweging gebracht. Dit in de volle breedte van de economische portefeuille, van het stimuleren van innovatief ondernemerschap tot het ondersteunen van de retailsector in winkelgebieden. We hebben een goede sprong gemaakt met het opstellen van nieuw beleid rond arbeidsmarkt en werklocaties, en proberen het gedachtengoed van de nieuwe economie steeds meer in ons werk te integreren en hier nieuwe acties voor op te pakken.
Hoe wordt er in algemene zin door de ambtelijke organisatie gereflecteerd op de behaalde resultaten 2024 rondom het begrotingsprogramma Economie. Hoe gaat het? Zijn er zorgen etc? Zijn er zaken die in 2025 en 2026 anders opgepakt gaan worden?
Inhoudelijke zorgen zijn er over thema’s als netcongestie, arbeidsmarktkrapte, arbeidsproductiviteit, schaarste aan (betaalbare) ruimte en kapitaal voor (maatschappelijk) ondernemen, en de vernieuwing van de economie. Dit in de context van geopolitieke spanningen en een kabinet dat bezuinigt op zaken als het Nationaal Groeifonds en kennis, onderzoek en innovatie. Hier komt het ravijnjaar voor gemeenten bovenop. Dit maakt het extra uitdagend om in te spelen op de genoemde zorgpunten, en om onze doelgroepen in de stad hierin te faciliteren of stimuleren. We willen een voortrekkersrol spelen op innovatie en de nieuwe economie en inspelen op urgente vraagstukken, maar zien tegelijkertijd dat de basis qua ambtelijke capaciteit en middelen wankel is. Sterker: met de bezuinigingen komt de economische capaciteit terug op het niveau van voor het Rekenkamerrapport in 2022. En uit dat rapport bleek nota bene dat de basis nog op orde moest worden gebracht. Goede economische advisering voor en proactief handelen bij basisvoorzieningen komt onder druk te staan. Voor 2025 en 2026 moeten we nog scherper prioriteren en ook zaken niet meer doen. We zetten alle zeilen bij om de uitvoering van de beleidsnota’s rond arbeidsmarkt en werklocaties te kunnen uitvoeren, maar zullen hier ook hulp van andere organisatieonderdelen en onze externe partners bij nodig hebben.
De nota’s helpen wel om gerichter te werk te gaan, meer te sturen op kwaliteit en specifieke markgroepen. Zaken die we oppakken proberen we zoveel mogelijk ook met co-financiering van partners te doen, denk aan de Provincie Utrecht, die geen ravijnjaar beleeft. De economie van Utrecht houdt immers niet op bij de stadsgrenzen. Dit vraagt extra investeringen in relatiebeheer en monitoren van subsidiekansen bij andere overheden (ook op EU-niveau) om de ambities te kunnen waarmaken. Op onderdelen zullen we echter ook ambities moeten bijstellen, en pijnlijke keuzes moeten maken. Daarbij moeten we ervoor zorgen dat dat de inhoudelijke basis op orde blijft (want die taken, zoals het adviseren bij en beoordelen van vergunningen, worden vaak niet breed opgemerkt), dat we niet (weer) vervallen in reactief economisch beleid dat niet past bij een snelgroeiende stad die het kloppend hart is van de regio en het land. Omdat de budgetbasis van economie zo smal is, maken we ons zorgen dat we bij (verdere) bezuinigingen juist steeds meer moeten schrappen van de toegevoegde waarde die het economisch programma kan bieden, zoals de door de Rekenkamer geadviseerde contacten met de stad en daarop gebaseerde blik naar buiten, op een langjarig
programma als de arbeidsmarkt, op gebiedsadvisering die borgt dat de juiste kwaliteit en kwantiteit aan bedrijvigheid een plek krijgt in de groeiende stad, of op subsidieregelingen die ondernemen met maatschappelijke meerwaarde stimuleren, of op visitekaartjes van de stad. Dit is zeker een risico, omdat schrappen van (nog meer) basiscapaciteit leidt tot kwetsbare basisdienstverlening of onvoldoende capaciteit voor de vereiste sturing en verantwoording. 2
Realiseren van de doelstelling 1 Economie “Utrecht heeft voldoende toekomstbestendige werknemers en werkgelegenheid die passend is bij de groei van de stad”. a)
In de begroting 2024 is deze doelstelling wel opgenomen maar lijkt de 1e W vraag: “Wat willen we bereiken?” niet verder uitgewerkt. Wordt dit herkend en wat is hiervan de achterliggende reden?
b) Actieagenda Utrechtse Economie 2023-2026. De raad is in april 2024 geïnformeerd over de voortgang. De voortgangsrapportage biedt een overzichtelijk en uitgebreid beeld van alle activiteiten rondom het programma Economie. Ook zijn de doelen van de actie-agenda hier verder uitgewerkt in onderstaand plaatje
a)
In 2024 is de begroting in samenwerking met de raad op een nieuwe manier gepresenteerd, waarbij beknoptheid een van de opdrachten was. Hierdoor is – net als bij de andere programma’s – de 1e W vraag niet verder uitgewerkt.
b) Het klopt dat de programmabegroting, in het huidige format, vooral ruimte biedt om acties weer te geven. Deze acties zijn wel altijd gekoppeld aan een bepaalde beleidsdoelstellingen en beogen een bepaald effect. De voortgangsrapportage actieagenda biedt meer ruimte om de effecten van onze acties weer te geven. T.a.v. doelstelling 1 uit de programmabegroting is het beeld dat deze doelstelling nog niet gerealiseerd is. De arbeidsmarkt in Utrecht behoort namelijk tot één van de krapste van het land en de werkgelegenheid groeit wel, maar niet altijd in sectoren die passen bij de economische agenda van de stad. Met de beleidsnota’s arbeidsmarkt en werklocaties wordt beoogd om hierop bij te sturen. Deze beleidsnota's geven bovendien een breder kader waarbinnen verantwoord kan worden volgens de lijnen van doelstellingen en effecten dan nu nog het geval is; zie hiervoor de monitoringsparagrafen in de betreffende nota's.
Vraag: In de beschrijving van het programma economie 2024 ligt het accent op een feitelijke weergave van bepaalde acties die zijn genomen. We lezen minder over het realiseren van de doelstelling en de effecten van het beleid. Kan een reflectie gegeven worden in hoeverre we ook de doelstelling daadwerkelijk realiseren? 3
De doelstelling van het programma is: Utrecht heeft voldoende toekomstbestendige werknemers en werkgelegenheid die passend is bij de groei van de stad. De ambities op dit programma economie zijn best ‘groots’ en de voortgang op de indicatoren lijken soms ongrijpbaar. In de actieagenda Utrechtse Economie 2023-2026 is hier verdere uitwerking aan gegeven en ook in de nieuwe beleidsnota arbeidsmarkt wordt hier verder op ingegaan. a) Wanneer heeft Utrecht voldoende toekomstbestendige werknemers? Kan dat punt bereikt worden? b) Wat wordt precies bedoeld met toekomstbestendige medewerkers (bijv. leven lang leren etc). En hoe wordt daarop gestuurd en gemeten? c) Hoe wordt precies het verband gelegd tussen enerzijds voldoende werkgelegenheid en anderzijds de groei van de stad: zijn beiden via trends met elkaar in verband te brengen?
a)
Het gaat er hier vooral om dat de vraag naar en het aanbod van werknemers in balans is. Dat is nu nadrukkelijk niet het geval, waarbij zelfs de beschikbaarheid van voorzieningen als kraamzorg, kinderopvang, onderwijs en ouderenzorg niet vanzelfsprekend is. Daarbij lopen noodzakelijke transities als de energietransitie grote vertraging op door een tekort aan werknemers. Tenslotte wordt het vestigingsen investeringsklimaat aangetast wanneer er onvoldoende werknemers beschikbaar zijn.
b) Werknemers die beschikken over de kennis en kunde om nu en in de toekomst een rol te spelen op de arbeidsmarkt, en daardoor ook in staat zijn om zich evt. aan te passen aan een baan in een andere sector dan waar ze nu werkzaam zijn. Hierop sturen we door met partners een infrastructuur te creëren die een gedragsverandering bij zowel werknemers als werkgevers stimuleert. Voorbeelden hiervan zijn de oprichting van het werkcentrum en het regionaal talentfonds. We meten de resultaten van bijv. Het talentfonds om de effectiviteit ervan te bepalen en we gebruiken data op macroniveau van de Utrechtse arbeidsmarktregio om de juiste interventies te kunnen doen. Daarbij moet wel worden gezegd dat we als gemeente een indirecte rol hebben; we faciliteren, jagen aan, agenderen, enz., maar uiteindelijk zijn met name werknemers, werkgevers en onderwijspartijen aan zet. c)
Een stad in balans heeft een verhouding tussen aantal inwoners en aantal beschikbare banen. In Nederland is logischerwijs sprake van een bandbreedte: de ene gemeente heeft immers meer instroom van werknemers en de andere gemeente is meer een ‘slaapstad’. Dus wanneer een gemeente gezond wil groeien, moet het aantal banen min of meer een gelijke trend volgen met de groei van het aantal inwoners. Utrecht groeit de komende jaren met circa 100.000 inwoners; dit betekent dat de stad met circa 70.000 extra banen moet groeien.
4
Bij de doelstellingen van het deelprogramma economie lijkt het accent te liggen op werk/arbeidsmarkt a) Welke plaats heeft de dienstverlening richting ondernemers? Hoe wordt dat door ondernemers ervaren? Hoe meten we dat? Welke keuzes worden hierbij gemaakt? b) Nemen andere gemeenten het programma Economie ook samen met bijv. Werk en inkomen (bijstand, re-integratie) of maken zij andere keuzes? c) Hoe wordt er binnen programma op gestuurd dat als bijv. uitkeringslasten bijstand of reintegratielasten toenemen dat dat niet ten koste gaat van de uitgaven voor economie
a)
De dienstverlening richting ondernemers vindt op verschillende manieren plaats. Hieronder enkele voorbeelden: • Hulp die wordt geboden aan bedrijven die zich willen vestigen binnen de gemeente. Denk bij de dienstverlening aan het opvangen van signalen uit de markt, het in beeld brengen van mogelijke locaties voor bedrijven en ondersteunen bij procedures, knelpunten en kansen. De inzet van het team is selectief en kwalitatief. • Daarnaast zijn we met ondernemers in de binnenstad in gesprek over verschillende initiatieven die niet in een simpel vergunningstraject kunnen worden vervat. Met onze inzet in het programma Amsterdamse Straatweg, Kanaalstraat & Damstraat dragen we direct bij aan de economische profilering in deze gebieden (subsidie gevelreclame, Horecapilot Kanaalstraat). • Ondernemers kunnen ook aankloppen bij Ondernemer Centraal voor dienstverlening om de onderneming weerbaar en wendbaar te maken.
•
Tot slot vindt er ook dienstverlening plaats via partijen die de gemeente ondersteunt, zoals de ROM.
De dienstverlening van de gemeente wordt over het algemeen gewaardeerd. De inzet bij vestigers is vaak kwalitatief en daardoor moeilijker meetbaar, maar wordt vaak gewaardeerd. Ondernemer Centraal is recent geëvalueerd, ondernemers zijn hierover bevraagd. De partijen die de gemeente ondersteunt, houden allemaal enquêtes met hun doelgroepen en delen de informatie waar mogelijk met de gemeente. b) De gemeente Utrecht is een van de weinige (grote) gemeenten die het thema arbeidsmarkt bij de afdeling economie heeft georganiseerd i.p.v. bij Werk en Inkomen. c) Doordat economie georganiseerd is binnen de OO Ruimte, maar Werk en Inkomen binnen de OO Werk en Inkomen, komen deze budgetten niet met elkaar in aanraking. 5
Algemeen beeld: Uit de jaarrekening blijkt dat veel van de voorgenomen activiteiten in de begroting 2024 ook daadwerkelijk in 2024 zijn gerealiseerd a) Zijn er nog zaken die blijven liggen omdat het budgettair kader of de ambtelijke capaciteit niet toereikend is?
a)
In 2024 niet. De activiteiten uit de begroting en actieagenda passen binnen het budgettair kader en de capaciteit. We hebben vooral veel beleid gemaakt en de voorgenomen acties uitgevoerd. Het budgettaire kader en de capaciteit is echter wel strak en biedt weinig ruimte om op nieuwe ontwikkelingen in te springen. Zo is er behoefte aan meer subsidies als prikkel voor doorontwikkeling maatschappelijke economie en dekking voor structurele fondsstorting ROM. Daarnaast willen we graag meer en pro-actiever kunnen inspelen op uitdagingen als netcongestie, arbeidsproductiviteit, maatschappelijk
b) Voor 2025 en 2026 zijn bezuinigingen in beeld in relatie tot ravijnjaar en structurele tekorten op de begroting. Welke consequenties gaan de bezuinigingen hebben op het programma economie len welke prioritering wordt daarbij gehanteerd?
6
Utrecht lijkt relatief weinig uit te geven voor het deelprogramma economie. Via www.waarstaatjegemeente.nl en specifiek Dashboard Gemeentefinanciën - Utrecht zien we het volgende beeld: (Utrecht € 78 per inwoner, gemiddeld € 88 per inwoner)
Bron CBS gemeentelijke begrotingen IV-3 2024 a) Wordt dit beeld op economie herkend? b) Wat doen andere gemeenten qua activiteiten op het gebied van Economie anders dan wij in Utrecht? c) Welke keuzes hebben we als Utrecht daarin gemaakt om zaken wel of niet te doen.
relevant/duurzaam ondernemen. In randvoorwaardelijke zin willen we werken aan beter data- en relatiemanagement en strategisch vermogen; dat proberen we nu op te pakken binnen de bestaande kaders. Daar zou per 2026 ca € 500K structureel budget voor komen, maar dat is geschrapt bij UBA. b) De bezuinigingen betekenen dat we op onderdelen ambities moeten afschalen en het initiatief soms aan de markt of andere partijen moeten laten. De druk op het uitvoeren van het beleid blijft onverminderd hoog, waarbij we proberen zoveel mogelijk een evenwichtig economisch ecosysteem in stand te houden. Dit is wel lastig zolang basis nog onvoldoende op orde is i.v.m. schrappen uitvoeringsbudget (UBA) en aanvullende bezuinigingen. We prioriteren op het type economie dat we willen faciliteren en stimuleren (bijv. via de NEx) en interveniëren alleen waar we denken dat we als gemeente het verschil kunnen maken. Dit betekent wel scherpe keuzes en weinig ruimte voor nieuwe initiatieven of een koploper-rol vanuit Utrecht. Het is ook uitdagend om het NEx-gedachtegoed, maar bijv. ook de circulaire economie, goed te laten landen; grote transities vragen veel tijd en afstemming, niet alleen met externe partners, maar ook binnen de eigen organisatie. a) Ja. Dit bleek ook uit het Rekenkamerrapport uit 2021 waarin een vergelijking met de G4 is opgenomen. b) Andere gemeenten leggen soms andere accenten, bijv.
in de keuze voor sectoren om op in te zetten. Qua dienstverlening en activiteiten zijn er ook andere accenten. Zo hebben sommige gemeenten accountmanagement voor bedrijven apart georganiseerd, daar waar Utrecht ervoor kiest dit onderdeel van het reguliere werk van de beleidsadviseurs te laten zijn. T.a.v. de G4 zien we dat de andere gemeenten meer middelen hebben om te investeren in bijv. hun ROM of specifieke subsidieregelingen op kunnen zetten voor (innovatie)niches. Daar zijn in Utrecht minder middelen voor beschikbaar. Andere gemeenten lijken ook meer ruimte te hebben om in te spelen op nieuwe uitdagingen die zich voordoen, denk aan het dossier arbeidsmigranten of de geopolitieke situatie en wat dit betekent voor de weerbaarheid van de economie. c) Bijvoorbeeld het niet apart organiseren of in stand houden van een team accountmanagement. Relatiebeheer met bedrijven en organisaties in de stad wordt door de teams (beleidsadviseurs en hun managers) voor hun domein zelf gedaan. We kiezen er ook voor om intern zoveel mogelijk integraal samen te werken met andere organisatieonderdelen om de slagkracht als gemeente in z’n totaliteit voor economie te vergroten. Zo trekken we bijv. met W&I samen op als het gaat om ondernemersdienstverlening (OC). Bij andere gemeentes zijn dit meer gescheiden werelden.
De REA biedt ook een goed kader dat uitgaat van de keuze voor louter ondersteunen van die ondernemers die ook
maatschappelijke waarde toevoegen voor de stad, met focus op duurzaamheid, circulariteit, gezondheid en waardevolle digitalisering. Tot slot doen we niet aan 1 op 1 ondersteuning van bedrijven. Onze (beleids)interventies moeten altijd ten goede komen aan meerdere ondernemers en we investeren alleen waar de markt faalt of iets aantoonbaar een publieke taak is. 7
Blijvende krapte arbeidsmarkt We lezen in de jaarrekening dat de krapte in de arbeidsmarkt blijvend is. In de Beleidsnota Arbeidsmarktbeleid (commissie 10 april 2025) wordt hier verder op ingegaan. Gelet op dit lopende proces en de behandeling daarna in de raad, gaan wij hier in het kader van de raadstoets verder niet op in.
N.v.t.
8
Groeiende stad in balans We lezen: Er zijn steviger sturingskaders nodig om de groeiende stad in balans te brengen en te houden a) Kan de disbalans tussen aanbod en vraag naar bedrijfsruimte en kantorenlocatie wat meer zichtbaar worden gemaakt/geïllustreerd? b) Bij dit vraagstuk speelt ook bijv. mobiliteit en netcongestie een belangrijke rol. Hoe wordt gewaarborgd dat dit vraagstuk breder getrokken wordt en integraal wordt aangepakt? c) Hoe gaan we om met de vraag waar de verantwoordelijkheid van de gemeente Utrecht ten aanzien van bedrijfsruimte en kantorenlocaties ophoudt en de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven begint?
We splitsen de antwoorden graag per categorie. Kantoren en bedrijventerreinen kennen namelijk een eigen analyse, dynamiek en dus ook aanpak. Kantoren a) Utrecht is een echte kantorenstad en zeer gewild bij werkgevers. Werkgevers verplaatsen meer dan voorheen naar de steden als Amsterdam en Utrecht om daarmee toegang te houden tot de talenten in de krappe arbeidsmarkt. Omdat nieuwbouw momenteel (door bouwkosten, renteschommeling en netcongestie) zeer complex is, kiezen huurders op dit moment massaal voor bestaande gerenoveerde panden. De trek naar de stad en daarbinnen naar de beste locaties leidt tot schaarste in het beschikbare aanbod. Voorbeelden hierbij zijn het Stationsgebied en Leidsche Rijn Centrum met leegstandscijfers ver onder het frictieniveau. b) Vanuit de afdeling economie werken we nauw samen met de collega’s van de afdeling energie en mobiliteit. Mobiliteit op kantorenlocaties is momenteel sterk in verandering. De fiets en de trein zijn aan een snelle opmars bezig. Werkgevers die bewust kiezen voor een locatie nabij een treinstation schalen het autogebruik en hun leasevloot steeds verder af. Het is een belangrijke oorzaak dat er op Lage Weide en Oudenrijn nog steeds forse leegstand is in de kantoren. Op die werklocaties zetten we waar dat mogelijk is dan ook in op transformatie naar echte bedrijfsruimte.
Dat neemt niet weg dat ook op Lage Weide en Oudenrijn de bus en fietsverbindingen veel beter moeten om werknemers uit de auto te krijgen. Netcongestie remt op dit moment de nieuwbouw van kantoren en bedrijfspanden sterk af. Juist omdat werkgebouwen afhankelijk zijn van duurzame energiebronnen is voldoende stroomvoorziening essentieel. Zowel bouwers als huurders kunnen er niet op vertrouwen dat de oplossing er misschien wel komt. In de meeste gevallen is de combinatie van zonnepanelen en stroomopslag (zonder netstroomaansluiting) niet voldoende. Bovendien is het niet de gemeente die het stuur in handen heeft. De gemeente werkt
c)
momenteel wel integraal aan de ondersteuning van netbeheerders om het probleem aan te pakken. Een oplossing voor 2030 is nog niet in zicht, en dus zal een deel van de nieuwbouw worden uitgesteld. In principe werkt de markteconomie vanzelf; er zou geen sturing nodig zijn. Omdat er echter sprake is van verdeling van (te) schaarse beschikbare ruimte, mede t.o.v. andere opgaven zoals wonen, ligt de verantwoordelijkheid voor (bij)sturing bij de gemeente. Ons gemeentelijke doel met werklocaties is mee te groeien in balans, zodat de werkgevers die we in de stad nodig hebben voldoende plek kunnen krijgen. Voldoende werk en de juiste mix van werksoorten hoort bij de stad in groei. Van het bedrijfsleven en de vastgoedmarkt verlangen we om gebouwen te realiseren die zo efficiënt mogelijk omgaan met ruimte, energie en grondstoffen. Dat is uitdagend, maar alle toekomstige werkgebieden zijn hierop gericht. Als het gaat om selectie van soorten bedrijvigheid en de vraag of een bedrijf zich hier mag vestigen, dan heeft de gemeente slechts beperkte juridische middelen. De beleidsnota helpt wel mee om te borgen dat een bepaalde soort bedrijvigheid (sector, HMC-categorie) gestimuleerd zal worden zich op bepaalde plekken te vestigen.
Ook stimuleren we via het investeringsklimaat (met uitdragen en activatieprogramma NEx, voucherregelingen etc.) dat meer bedrijven met maatschappelijke meerwaarde hier willen (door)starten of zich vestigen.
Bedrijventerreinen a) Naast een kwantitatieve disbalans in vraag en aanbod (74 ha tekort aan bedrijventerrein in Utrecht tot 2040) is er sprake van een duidelijke kwalitatieve disbalans in vraag en aanbod. Enkele cijfers die dit beeld illustreren: • Nauwelijks nog bedrijfskavels uitgeefbaar. (Uitgezonderd op Wetering zuid maar op dit terrein ligt specifiek de focus op hoogwaardige gezondheidsgelieerde bedrijven). Dit betekent dat nieuwe of te verplaatsen bedrijven alleen terecht kunnen op de bestaande bedrijventerreinen en dat er geen schuifruimte beschikbaar is. • Leegstand is slechts 2% en daarmee is beschikbare ruimte op bestaande terreinen ook te beperkt om in de vraag te kunnen voorzien • In de afgelopen jaren zagen we een verdringing op de markt voor bedrijfsruimte door de grote druk vanuit de logistieke sector (distributiecentra). Deze druk gaat ten koste van de ruimte voor o.a. het MKB. • De druk op bedrijfsruimte en het beperkte aanbod leidt ook tot hoge grondprijzen. Daardoor worden bepaalde sectoren, zoals met name het MKB, maar ook de starters en creatieve bedrijven, de markt uitgedrukt. b) Hieronder enkele voorbeelden van het breder trekken van dit vraagstuk: • Bouwgrens Lage Weide: op het bedrijventerrein Lage weide is in het Bestemmingsplan een bouwgrens opgenomen ivm de mobiliteitsdruk op het terrein. Deze bouwgrens is inmiddels bereikt. Dit betekent
c)
9
Subsidie winkelgebieden Er is subsidie verstrekt aan 5 winkelgebieden om bij te dragen aan vitale stad. a) We lezen in de raadbrief van 27 februari 2024 dat 9 kwetsbare buurt- en winkelcentra in aanmerking komen voor subsidie. Betekent dit dat van de 9 er
a)
dat als nieuwe bedrijven zich op het terrein willen vestigen, zij slechts beperkt bouwvolume mogen toevoegen (10%) of dat zij aantoonbare mobiliteitsbeperkende maatregelen moeten treffen (gebruik van fiets, ov of vervoer over water). Bij nieuwe initiatief voor nieuwe vestigers werken we samen met mobiliteit en GoedopWeg, maar bij voorkeur zouden we zien dat het Rijk inziet dat voor een succesvolle gebiedsontwikkeling van Zuidwest/Groot Merwede, waarvoor ook de bedrijvigheid in het gebied zal veranderen, moet inzetten op een betere bereikbaarheid van Lage Weide, zodat daar intensiever kan worden uitgebreid. • Energiecongestie Strijkviertel: voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Strijkviertel werken we integraal aan oplossingen rond de netcongestie. Een voorbeeld is het tijdelijke gebruik van een bedrijfskavel t.b.v. energieopwek voor een deel van het bedrijventerrein SV. • Goedopweg: Vanuit economie hebben we contacten met programma GoedopWeg. Binnen dit regionaal samenwerkings-verband is de rol vanuit de gemeente om werkgevers te stimuleren hun mobiliteit te verduurzamen. In de gebieden waar we met Goedopweg op inzetten, neemt het aandeel auto in de modal split duidelijk af.
• Green Deal Lage weide: binnen de Green Deal Lage Weide werken we samen met parkmanagement Utrecht, provincie Utrecht, Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden, ECUB aan het verder verduurzamen van het terrein. In deze Green Deal benoemen we doelen waar we de komende jaren concreet aan willen werken: energietransitie, duurzame mobiliteit, klimaatadaptatie en circulaire economie. Voor bedrijventerreinen geldt hetzelfde als voor de kantoorlocaties. Gemeente heeft verantwoordelijkheid op een aantal essentiële onderdelen. Juist met deze verantwoordelijkheden kunnen we sturen daar waar nodig en /of wenselijk: • Opstellen beleidskaders (o.a. RSU, Beleidsnota werklocaties). • Opstellen omgevingsgplannen • Uitgifte van bedrijfskavels (voor zover in eigendom – hoe meer eigendom, hoe beter te sturen) • Keurmerk veilig ondernemen (Schoon, heel en veilig)
winkelcentra hebben in 2024 een subsidie gekregen. De regeling is eind 2024 afgelopen. Van de overige 4 winkelcentra hebben in voorgaande jaren 2 geen subsidie ontvangen. Een van de twee winkelcentra had voldoende eigen middelen via het Ondernemersfonds. Het andere winkelcentrum kon door organisatorische oorzaken niet tot een aanvraag komen. b) Het betreft het totaal verstrekte subsidiebedrag c) De selectiemethodiek kent zijn oorsprong in 2020-2021. Er was toen door de corona-lockdown sprake van een tweeledige problematiek in de Utrechtse winkelgebieden: enerzijds waren er kwetsbare
nu 5 een subsidie hebben gekregen en dat er nog 4 volgen? b) Hoe kunnen we relatie leggen met het subsidieoverzicht? Het subsidieplafond kwetsbare winkelgebieden betreft € 91.000.. Betreft de €91.000 de totaal verstrekte subsidie of wordt hier alleen een overschrijding van het plafond gepresenteerd c) Hoe komt de selectie van 9 (of 5) gebieden tot stand en is ook overwogen om minder gebieden te subsidiëren met meer geld per gebied? d) Wanneer komen winkelgebieden niet (meer) in aanmerking voor subsidies en wordt dit de verantwoordelijkheid voor het winkelgebied zelf?
10
Integratie economie met andere beleidsvelden Hoe integreert de gemeente Utrecht haar beleid rondom economie met andere beleidsvelden, als voorbeeld: economie en openbare ruimte (herinrichting straat/plein), werklocaties versus woningbouw, bereikbaarheid versus economische activiteit, armoedebeleid versus creëren van nieuwe banen. Hoe wordt erop gestuurd dat beleidsvraagstukken niet verkokerd maar integraal worden aangepakt?
winkelgebieden a.g.v. langjarige uitdagingen in de sociaal-economische positie van bepaalde wijken in de stad. Dit zijn Vasco da Gamalaan, De Klop en Gagelhof. Anderzijds was er door de lockdowns sprake van forse afname van bezoekersstromen in de wijkoverstijgende winkelcentra Leidsche Rijn Centrum en Shopping Center Overvecht. En daaraan zijn enkele kwetsbare winkelgebieden toegevoegd, gebaseerd op 3 factoren: informatie uit de Utrecht Monitor (Zuid kwam daar als beduidend minder goed uit de bus), eerdere contacten/vragen/behoefte aan subsidie én spreiding over de stad. Daarmee kwam er ook een mogelijkheid voor een subsidieaanvraag in de winkelcentra van Lunetten, Smaragdplein, Rokade en Veldhof. d) De regeling Subsidie vitale winkelgebieden Utrecht 2023-2024 is eind vorig jaar afgelopen. In 2024 is het volledige bedrag uit die subsidiepot besteed. De verantwoordelijkheid om te werken aan verbetering van de aantrekkelijkheid van het winkelcentrum ligt altijd bij het winkelgebied zelf. Via het Ondernemersfonds Utrecht, het Initiatievenfonds en werkgroepen (Keurmerk) Veilig Ondernemen zijn er nog steeds mogelijkheden om te investeren in verbetering van winkelgebieden.
Zoals eerder aangegeven wordt er actief gestuurd op een integrale aanpak, mede vanwege de beperkte(re) capaciteit en middelen binnen het programma Economie zelf. Hieronder enkele voorbeelden van deze integrale aanpak: -
-
-
Met betrekking tot werklocaties zit de uitdaging met name in het realiseren van voldoende programma; en dan met name het betaalbare programma daar binnen. Dit komt met name door de concurrentie tussen functies. Andere functies hebben vaak een hoger opbrengstpotentieel. Hierin werken we nauw samen met de afdelingen cultuur en maatschappelijk vastgoed omdat deze beleidsvelden ook behoefte hebben aan een betaalbaar programma met werkfuncties. Binnen arbeidsmarkt werken we nauw samen met Onderwijs, Werk en Inkomen, Maatschappelijke Ontwikkeling, Energie, Volksgezondheid en M&O. Juist om ervoor te zorgen dat we een integrale blik houden op dit vraagstuk. Dit leidt tot gezamenlijke aanpakken, bijv. op de kraamzorg, ouderenzorg, UtrechtLeert! (aanpak onderwijs tekorten), enz. Ander voorbeeld is het beleidsveld mobiliteit. Werklocaties zijn gebaat bij een goede bereikbaarheid en beide zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. En daarom willen we meer inzetten op het koppelen van (fondsen voor) mobiliteit aan werklocaties. Denk hierbij aan de Merwedelijn en de Demkabrug.
-
-
11
Beleidsnota’s. Een aantal beleidsnota’s dateren uit de periode 2010-2016 Voor 2025 zijn een aantal nieuwe beleidsnota’s in voorbereiding zoals beleidsnota arbeidsmarkt, werklocaties Als de beleidsnota’s in 2025 worden vastgesteld is dan het beleid rondom economie weer “vlakdekkend” en actueel of zijn er nog “witte vlekken” op onderdelen van het beleidsveld economie?
12
13
Beleidsnota werklocaties Op 13 maart 2025 is de ontwerp Beleidsnota Werklocaties 2035 gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gelet op dit lopende proces en de behandeling daarna in de raad, gaan wij hier in het kader van de raadstoets verder niet op in. Activiteiten die in 2024 zijn beëindigd (Conform begroting) We lezen dat fonds mismatch arbeidsmarkt en lokaal economisch fonds zijn beëindigd. a) Wat betrof dit precies, wat waren de resultaten, werd er veel beroep op gedaan en wat komt er voor in de plaats
Ditzelfde geldt voor circulair en innovatie. Goede ruimte op werklocaties zijn randvoorwaardelijk voor een circulaire en innovatieve economie. Daarom willen we meer inzetten op het koppelen van fondsen gericht op circulair en innovatie en werklocaties. Vanuit het programma Economie leveren we bijdragen aan integrale gebiedsgerichte ontwikkelingen en programma’s, zoals in de binnenstad en de Amsterdamsestraatweg, Kanaalstraat / Damstraat. Hierbij wordt niet alleen naar het sectorale economische belang gekeken, maar naar het gehele effect op het gebied, waaronder veiligheid, via het KVO.
Wat nog ontbreekt is (integraal) beleid op het gebied van retail/detailhandel (uit 2012) en horeca (2018) en beleidsregels op het gebied van logies. Doordat trends en ontwikkeling snel gaan én dit nu 3 specifieke nota’s zijn die sterke raakvlakken hebben, maar soms ook niet alles invult, levert dit soms onduidelijkheid op voor ondernemers. Te denken valt aan restaurants die een pub-quiz willen organiseren, het soms onduidelijke verschil tussen verschillende concepten (restaurants (al dan niet met extra activiteiten als pub quizzen), fast food, afhaalzaken, bakkerijen, avondwinkels, winkels met bezorgservice etc), hotels die een zelfstandig restaurant willen hebben (maar dit volgens het Ontwikkelingshorecakader Utrecht (OHU) niet mag. Ook spreekt dit bestaande beleid zichzelf soms tegen, omdat uitbreidingen incidenteel zijn gegaan, en niet altijd vanuit een integrale blik. Met een (nieuw) integraal retail, horeca en hotelbeleid (dus één nota i.p.v. drie separate nota’s) – eventueel aangevuld met Leisurebeleid – met daaronder beleidsregels, kan beter en flexibeler worden ingespeeld op de door ons gewenste ontwikkelingen van ondernemers en bewoners in de stad, en wordt meer helderheid geboden. Voor integraal, uitvoerbaar beleid op dit vlak zou EZ nauw samenwerken met o.a. VTH, Stadsbedrijven en andere collega's.
Het maken van dit beleid kost tijd en geld boven op de reguliere capaciteit en budgetten. Na oplevering van dit beleid is de verwachting dat er doelmatiger gewerkt kan worden. n.v.t.
We knippen het antwoord op in een deel over het fonds mismatch en het lokaal economisch fonds. Fonds Mismatch a) Het fonds mismatch arbeidsmarkt was een fonds gericht op het verkleinen van de mismatch op de arbeidsmarkt. De regeling liep oorspronkelijk van 2018 tot 2022 (vorige coalitieperiode) met uitloop van uitvoering tot 2023. Via het fonds konden partijen subsidie aanvragen voor arbeidsmarkt projecten. Voorbeelden hiervan zijn Het Vitaliteitslab, Futurelab030, Wijksupport en MKB Werkplaats. Via deze
b) Wat komt hiervoor in de plaats: is Subsidieregeling werk naar werk de opvolger? c) Waren dit echte fondsen op basis van incidenteel geld? Zo ja, hoe wordt dit geld alternatief ingezet?
regeling hebben initiatieven die we vandaag de dag nog steeds kennen een succesvolle start gekend, zoals Futurelab en MKB Werkplaats. Er is ook een aantal initiatieven geweest dat op zichzelf succesvol was door veel aanloop, zoals de Het Vitaliteitslab en Wijksupport, maar na het stoppen van de middelen vanuit de gemeente Utrecht beëindigd werden. Het fonds is ten tijde van de Covid-crisis halverwege 2021 overgegaan in de nadere regel ‘Stimuleren Initiatieven Toekomstbestendige Werkgelegenheid’; een regeling met een soortgelijke strekking. b) De regeling werk naar werk is in 2023 en de eerste helft van 2024 gebruikt als subsidieregeling voor de arbeidsmarktkoepels. De resultaten van deze regeling verwachten wij in 2026. De tweede helft van 2024 zijn de middelen werk naar werk aangewend voor het regionaal talentfonds. In het UBA traject zijn de werk naar werk middelen vanaf 2025 geschrapt. c) Het fonds mismatch werd gedekt met incidentele middelen. Bij de coalitieonderhandelingen zijn deze middelen opnieuw verdeeld. Lokaal Economisch Fonds T.a.v.
het Lokaal Economisch Fonds (LEF) verwijzen we graag naar de raadsbrief van 5 december 2023 met de evaluatie van het fonds: Raadsbrief Evaluatie Lokaal Economisch Fonds (LEF) - U-reka Gemeente Utrecht In de periode 2015 - 2018 was het Lokaal Economisch Fonds (LEF) een van de instrumenten om de werkgelegenheid te stimuleren met als doel om van Utrecht de stad met de laagste werkloosheid van Nederland te maken. De uitvoering van de LEF-regeling heeft van openstelling in 2015 tot afronding in 2023 bijna negen jaar geduurd. In die tijd is de arbeidsmarkt flink veranderd. In de huidige Utrechtse economie zien we juist dat werkgevers staan te springen om talent. Een regeling zoals het LEF ligt in de huidige situatie dus niet voor de hand. Het betrof incidentele middelen, waardoor het geld niet alternatief ingezet kan worden.
14
Er heeft capaciteitsuitbreiding plaatsgevonden op de ambities “goed beleid maken”, economische inbreng in gebiedsontwikkeling, circulariteit, verdichting en verduurzaming.
De beleidsnota werklocaties is begin dit jaar vastgesteld door B&W en ligt nu ter inzage zodat deze eind dit jaar besproken kan worden in de commissie en de Raad. De beleidsnota werklocaties is de basis voor goed beleid voor de komende jaren op onze bedrijventerreinen, kantoorlocaties, innovatielocaties, winkelgebied en wijkeconomie. Ook de beleidsnota arbeidsmarkt is aangeboden aan de Raad.
Zijn hier ook al concrete resultaten bereikt die benoemd kunnen worden voor economie?
De economische inbreng in gebiedsontwikkeling is de afgelopen jaren verstevigd. Er zijn meer collega's die de snelgroeiende gebieden en projecten beter kunnen bedienen. Belangrijkste uitdaging is de druk op de ruimte, waardoor het economisch belang niet altijd de voorkeur krijgt binnen de integrale afweging. Met het uitvoeringsprogramma dat hoort bij de beleidsnota werklocaties willen we van reactief naar proactief, va projectgerichte naar gebiedsgerichte advisering. We prioriteren, samen met de gebieden, en delen onderling ervaringen. We kunnen zo meer toegevoegde waarde leveren.
We hebben een impuls gegeven aan het versterken van circulair ondernemerschap en lobby voor de circulaire economie. O.a. is een netwerk van circulaire ondernemers opgericht en hebben we Europese subsidie ontvangen voor het verstrekken van vouchers om bedrijven circulair te maken. T.a.v. verdichting en verduurzaming op bedrijventerreinen hebben we met de OMU een eerste kavel aangekocht op Lage Weide. Daarnaast wordt er continu gezocht naar nieuwe locaties met potentie voor verdichting en verduurzaming. 15
Het is via de NV ontwikkelingsmaatschappij Utrecht (NV OMU) niet gelukt om geschikte locaties te verwerven voor investeren in verdichting en verduurzamingen. Oorzaak was de beperkte beschikbaarheid en de hoge kosten. a)
16
17
Is het aannemelijk dat deze oorzaken in de toekomst (sterk) zullen wijzigen, of moeten we dit als gegeven zien. Wat betekent dit voor de toekomstige strategie? b) Zijn de beschikbare middelen voor dit doel in verhouding met de taak die NV OMU heeft c.q. kloppen de ambities nog met de middelen vanuit de gemeente? Marktgroepenaanpak. Mismatch in sectoren zorg, bouw en techniek. In de voortgangsrapportage actieagenda lezen we dat de omscholingsregeling wordt omgezet in het regionaal talentenfonds. a. Functioneert dit talentenfonds inmiddels in de praktijk en zijn er al eerste beelden over de resultaten die gedeeld kunnen worden? b. T.a.v. de keuze van sectoren: waarom wordt bijv. onderwijs niet genoemd, daar is toch ook een mismatch? En hoe gaan we om met toekomstige zaken bijv. energietransitie? Inclusieve arbeidsmarkt. De raad wordt hierover in Q2 2025 geïnformeerd. In het kader van de raadstoets laten we dit onderwerp daarom rusten.
a)
Het al dan niet kunnen aankopen van locaties door de OMU heeft te maken met de economische conjunctuur. Op dit moment gaat het economisch goed in Utrecht en dit zien we ook terug in de relatief lage leegstand op bedrijventerreinen (1,6%). Een gezond leegstandsniveau ligt tussen de vijf en zeven procent. Hierdoor zijn er weinig locaties beschikbaar. b) De OMU heeft een taak voor de hele provincie. De beschikbare middelen van de gemeente Utrecht zijn op dit moment voldoende om nieuwe aankopen van de OMU in de gemeente Utrecht te kunnen cofinancieren.
a)
Het regionaal talentfonds is net gestart en de eerste vouchers zijn uitgegeven. De komende tijd focust het fonds zich op de automatisering van het aanvraagproces en de samenwerking met werkcentrum en maakjestap. Volgend jaar verwachten we resultaten te laten zien. b) De inzet op de arbeidsmarktsector onderwijs loopt via het programma UtrechtLeert! vanuit onderwijs. We werken nauw samen om zorg te dragen voor gelijksoortige aanpakken en te leren van elkaar. Voor energietransitie loopt nu een tijdelijk programma, samen met energie. Bij de voorjaarsnota 2025 weten we pas of er middelen zijn om dit project ook na 2025 door te zetten. Overigens heeft de marktgroep Techniek ook een hoge focus op de energietransitie.
N.v.t.
18
Ondernemersfonds Dit is een belangrijk instrument in het programma Economie. In december 2023 heeft de evaluatie plaatsgevonden: evaluatie ondernemersfonds. Dit beeft een onafhankelijke stichting die wordt gefinancierd vanuit opslag van circa 11% vanuit OZB niet-woningen. In de evaluatie wordt ook aangegeven dat de gemeente slechts beperkt kan sturen op de besteding hiervan. Samenvattend is de evaluatie vanuit ondernemers en gemeente positief. Aangezien deze geldstroom wel via de begroting van de gemeente Utrecht loopt is onze vraag: 1. hoe monitort de gemeente de totale opbrengst en de besteding van deze gelden die via de stichting lopen? 2. Gemeente draagt zelf geld bij aan dit fonds (OZB niet woningen), heeft gemeente ook rol in de verdeling van het geld vanuit die positie? 3. Hoe wordt bewaakt dat bijv. de activiteiten vanuit het ondernemersfonds niet strijdig zijn met het beleid/ambities vanuit de gemeente
Hoewel het Ondernemersfonds Utrecht (OfU) een belangrijke bijdrage levert aan de economische vitaliteit van de stad, is het geen instrument (van de afdeling Economie) van de gemeente Utrecht. Het betreft een onafhankelijke stichting die werkt vanuit en voor de Utrechtse betalers van OZB niet-woningen. Behalve bedrijven gaat het om bijvoorbeeld ook scholen, sportvelden en ziekenhuizen. Per 1 januari 2012 is een opslag met een vast percentage van 11,1% extra dat wordt betaald op de OZB niet-woningen. Via 68 trekkingsgebieden wordt het geld verdeeld om gezamenlijk te investeren in de toekomst van hun gebieden. Via de subsidiebeschikking aan het OfU borgen we aansluiting bij gemeentelijk beleid, maar de keuzes over inzet en verdeling van middelen worden gemaakt door ondernemerscollectieven in de stad. Daarnaast geeft het OfU zelf kaders mee die zijn afgestemd met de gemeente. Kortom, het Ondernemersfonds is géén beleidsinstrument van het programma Economie, maar een door ondernemers gedragen en vormgegeven mechanisme van collectieve financiering. 1. De opbrengst van het Ondernemersfonds is gekoppeld aan de jaarlijkse OZB-opslag op niet-woningen van 11,1%. Deze opslag loopt via de gemeentelijke begroting, waarna het bedrag in zijn geheel via een subsidie ter beschikking gesteld wordt aan het OfU.
De gemeente houdt zicht op de totale opbrengst via de belastingopbrengsten en de jaarlijkse overboeking aan OfU. De monitoring van de besteding van de middelen doet de gemeente op afstand. Als onafhankelijke stichting is OfU zelf verantwoordelijk voor de verantwoording van de bestedingen richting haar achterban: de ondernemers. Wel ontvangt de gemeente jaarlijks het jaarverslag en de jaarrekening van OfU. In deze stukken wordt inzicht gegeven in de verdeling en inzet van de middelen. Ook vindt er periodiek ambtelijk (4x per jaar) en bestuurlijk (minimaal 1x per jaar) overleg plaats tussen de gemeente en OfU, waarin beleidsontwikkelingen en signalen uit de uitvoering worden besproken. 2. De gemeente draagt als eigenaar van niet-woningen (zoals gemeentelijk vastgoed) automatisch ook bij aan het OfU via de OZB-opslag. Deze bijdrage wordt gedaan als gebouweigenaar, dus niet in een beleidsmatige rol. De verdeling van de gelden ligt primair bij het OfU, die samenwerkt met ondernemerscollectieven in zogenoemde trekkingsgebieden (bijvoorbeeld winkelgebieden of bedrijventerreinen). Deze collectieven dienen plannen in die aan voorwaarden moeten voldoen. De gemeente heeft dus géén directe sturende rol in de verdeling van de middelen, ook niet via haar eigen bijdrage via de OZB.
De keuze hiervoor is bewust: het fonds is van, voor en door de betalers van OZB niet-woningen, en daarmee een onafhankelijke vorm van gebiedsgerichte samenwerking en cofinanciering. 3. Hoewel de gemeente geen directe invloed uitoefent op de individuele bestedingskeuzes van het fonds, is in de uitvoeringsovereenkomst tussen gemeente en OfU afgesproken dat de activiteiten binnen de wettelijke kaders moeten blijven en niet strijdig mogen zijn met gemeentelijk beleid. Als dit onverhoopt toch het geval lijkt, is er via het ambtelijk en bestuurlijk overleg ruimte om dit te bespreken. Daarnaast vindt toetsing plaats op basis van
transparantie en verantwoording richting betalers aan het fonds, de deelnemers zelf. Er is een inspanningsverplichting voor het OfU om draagvlak binnen gebieden te borgen en samenwerkingen aan te gaan die bijdragen aan onder andere leefbaarheid, veiligheid, verduurzaming en economische vitaliteit — doelstellingen die grotendeels aansluiten op gemeentelijk beleid. De relatie tussen gemeente en OfU is gebaseerd op wederzijds vertrouwen, met voldoende formele en informele momenten om eventuele mismatches tijdig te signaleren en te adresseren. 19
20
Utrecht International Centre Toegelicht wordt dat er 10.000 baliecontacten in 2024 zijn geweest en dat er een netwerk met andere Europe Centra opgezet wordt. a) Kan nog iets meer toegelicht worden over de bereikte resultaten in 2024 in relatie tot de economie in Utrecht? B) Hoe verloopt de samenwerking met de andere partners?
a)
Risico’s: In de jaarrekening wordt het risico toegelicht inzake de naeffecten van de coronapandemie, o.a. hogere schuldenlast en uitstel van investeringen. Als maatregel is opgenomen dat vanaf 1 januari 2025 Ondernemer Centraal officieel is bestendigd. Vragen: a) De benoemde risico’s lopen niet synchroon met de risico’s in de begroting 2024. Bijv. laagconjunctuur, krapte arbeidsmarkt, marktomstandigheden staan wel
a)
Het UIC heeft drie pijlers: versterken arbeidsmarkt; regiobranding; bijdragen aan sociale cohesie. We willen dat nieuwe talenten zich snel en blijvend thuis voelen in onze regio. Het Utrecht International Center (UIC; voorheen het International Welcome Centre Utrecht Region) is er voor alle internationale inwoners: arbeidsmigranten, kenniswerkers, nieuwkomers, hun partners en gezinnen. In 2024 ontving het centrum 10.000 baliebezoekers. Het UIC heeft afgelopen jaar vanuit Utrecht het initiatief genomen om een netwerk ten behoeve van kennisuitwisseling op te zetten met soortgelijke Europese international centers, de European Talent Alliance. Daarnaast is het UIC afgelopen jaar begonnen met het opzetten van een (mobiel) informatiepunt voor arbeidsmigranten uit de EU. Dit programma wordt gefinancierd vanuit de rijksoverheid (WIN). In 2025 zet het UIC, naast de reguliere dienstverlening, verdere stappen in het bereiken van arbeidsmigranten, worden nieuwe partners aangetrokken en bouwt het verder aan de European Talent Alliance. b) De samenwerking met o.a. ROM, EBU, UM, USP, UU is versterkt en goed. Een voorbeeld is deelname aan de MIT waarbij we samen met de UU gaan, de ROM, EBU, USP onze deelname uitzet in hun netwerk. Een ander voorbeeld de gezamenlijke benadering van Invest en Talent.
Geïnteresseerde bedrijven die in de Utrechtse Regio willen vestigen komen langs bij het UIC en horen wat het UIC kan doen voor hun medewerkers. Wij kunnen niet verklaren waarom deze risico’s niet synchroon lopen. De genoemde risico’s zijn zowel i.k.v. de begroting als jaarrekening nog steeds actueel en relevant, hoewel de genoemde risico's veelal de aard hebben van bedreigingen die al langer spelen, en daardoor niet altijd meer worden gezien als risico maar als feit: ze zijn al aan de hand, en de gevolgen vanwege kwetsbaarheden zijn nu de risico's. Risico’s worden geïnventariseerd op basis van signalen uit de markt, (macro)economische onderzoeken, gesprekken met ondernemers(verenigingen) in de stad en het analyseren van rapporten en brieven van brancheorganisaties en andere overheden. b) Via verschillende kanalen monitoren we hoe het ondernemersklimaat ervoor staat en ook hoe het met ondernemers in de stad gaat. Denk bijv. aan de Kleinbedrijf Index van de Hogeschool Utrecht, de jaarlijkse ondernemersenquête van de provincie Utrecht en natuurlijk het aantal en type ondernemers dat zich melden bij Ondernemer Centraal en de Bbz (Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). We proberen
in begroting en niet in jaarrekening: wat is hiervan de reden en hoe vind de inventarisatie / actualisatie van risico’s plaats? b) Is er inzicht in (groepen van) ondernemers die een bovengemiddelde schuldenlast etc. hebben en wordt daar ook gericht actie op ondernomen, of is de dienstverlening vanuit de gemeente meer vraag gestuurd? “Ondernemers Centraal” speelt hier een rol in, maar hier is ook efficiencyslag op gemaakt. Hoe staat het hier mee? c) In de voortgangsrapportage Actieagenda Utrechtse Economie pag. 27 is de volgende tekst opgenomen: Concluderend: De regio Utrecht heeft het beste ondernemersklimaat van de hele EU, maar deze toppositie staat onder forse druk. Er spelen meerdere uitdagingen tegelijk, zoals ruimtetekort, personeelstekort en netcongestie, die ontwikkelingen belemmeren. Vraag: Waarom komen deze onderwerpen /uitdagingen niet terug in de risicoparagraaf bij dit programma?
c)
de dienstverlening zoveel mogelijk vraaggestuurd in te richten, waarbij we soms wel de verwachting moeten temperen, omdat we vanuit de gemeente niet op alle ondernemersvragen een antwoord of oplossing hebben. De efficiencyslag voor ondernemer centraal heeft plaatsgevonden, waarbij er nog verkend wordt in hoeverre een applicatie een aanvullende efficiencyslag kan realiseren. Terecht punt, hier lopen de verschillende documenten niet volledig synchroon. Deze uitdagingen en risico’s verdienen ook een plek in de risicoparagraaf van het programma. Met de nieuwe beleidsnota's en afgesproken monitoring verwachten we voor economie na 2026 een vereenvoudigd sturings- en verantwoordingspalet te hebben, waarbinnen we tegelijkertijd beter de relatie kunnen leggen tussen beleid, doelen, acties, effecten en resultaten, en consistenter kunnen werken t.a.v. de reguliere verantwoordingscyclus.
2. Financiële beeld en reserves Nr.
Vraag/toelichting
1
Financiën doelstelling 1 Doelstelling 1 Baten Lasten Saldo Toev. Reserves Totaal
Reactie
Nom.Begroot 2024 469 25.004 -24.534 0 -24.534
a) Act.begr 2024 453 27.407 -26.954 4.000 -30.954
Realisatie 2024 586 27.794 -27.208 4.000 -31.208
De belangrijkste mutaties zijn in de jaarrekening afdoende verklaard. Nog enkele vragen hierbij: a) In de baten is een bijdrage vanuit provincie Utrecht opgenomen inzake International Welcome Center ad € 125.000. Staan hier in 2024 ook al lasten tegenover en waren deze wel begroot (aangezien dit niet tot verschillen heeft geleid)? b) Wat betreft de toevoeging aan de reserves van € 4 mln? Vanuit overzicht taakvelden wordt duidelijk dat dit € 1,2 mln voor economische ontwikkeling betreft en € 2,8 mln voor economische promotie. Graag nog enige toelichting welke reserves dit betreft en wat het bestedingsdoel is. c) Wat betreft de afwijking in de overige lasten ad € 187.000? 2
Is het in het kader van de raadstoets mogelijk om de baten en lasten (realisatie 2023/begroting 2024/realisatie 2024 ) 1 niveau dieper gespecificeerd te krijgen (op kosten en opbrengstencategorieën) Zoals salaris, inhuur, subsidies, kapitaallasten etc zodat inzicht ontstaat in de geraamde en werkelijk uitgaven aan ieder van de onderdelen in het programma ?
Het Utrecht International Center kost circa. 400.000 euro. De lasten hiervan zijn onderdeel van het programma Economie. Deze wordt gedekt uit de subsidie van de provincie en bijdragen vanuit gemeente Amersfoort, Universiteit Utrecht, de gemeente Utrecht en partners en bedrijven in de stad. b) De 4 miljoen euro bestaat uit: a. Economische ontwikkeling ad 1,2 miljoen euro: reserve Werken naar werk. In de voorjaarsnota 2024 zijn middelen vrijgemaakt voor de reserve Werken naar werk en vervolgens bij de tweede bestuursrapportage toegevoegd aan de reserve. Deze middelen worden ingezet om een bijdrage te leveren aan het Regionaal Talentfonds. b. Economische promotie ad 2.8 miljoen euro: reserve OMU. In het coalitieakkoord 2022-2026 zijn middelen toegekend voor het verdichten en verduurzamen van bedrijventerreinen via de OMU. De middelen zijn gestort in de reserve om in te zetten voor het bovenstaande doel. c)
Technische afwijkingen op het personele budget naar aanleiding van directiebrede interne verrekeningen op overhead; een systeemaanpassing die gedurende het jaar werd doorgevoerd. De afwijking heeft dus geen inhoudelijke reden.
Zie bijlage 1.
3
Reserves in de begroting 2025 Overzicht Reserves | Begroting 2025 zien we de Bestemmingsreserve Werk, toekomstbestendige Economie en ondersteuning, voor circa € 11,5 mln. In de komende jaren vinden hier begrotingstechnisch niet tot nauwelijks mutaties op plaats. Hoe wordt dit geld ingezet in relatie tot de doelstelling van het programma Economie?
Deze bestemmingsreserve ad € 11,5 mln is een verzamelbedrag voor alle reserves in het programma Werk, toekomstbestendige economie en bestaanszekerheid. De reserves voor in totaal € 6,5 mln die bij Economie horen zijn: • OMU: dient ter afdekking van het risico van verstrekte leningen aan de OMU voor het verwerven van kavels voor verdichting en verduurzaming op bedrijventerreinen. • Toeristische stadspromotie: mitigerende maatregelen vanwege hogere toeristenbelasting, spaarmogelijkheden voor groter evenementen en fluctuatiereserve voor inkomstentoeristenbelasting. • RO: dient ter afdekking van het risico van het uitgezette fondskapitaal in de ROM. • Werken naar werk: wordt gebruikt om van 2025 t/m 2027 bij te dragen aan het Regionaal Talentfonds. De overige twee reserves ad € 5 mln horen bij Werk & Inkomen.
3. Stand van zaken rekenkameronderzoek Economie 2022 Nr.
Vraag/toelichting
Reactie
1
In 2022 is het rekenkamerrapport 2022 Economie verschenen. Effectiviteit_economisch_beleid. En het bijbehorende 20220202_Raadsvoorstel_De_balans_opmaken.pdf Hierin zijn ook een aantal aanbevelingen gedaan rondom verantwoording, doelstellingen , inzicht, indicatoren etc. . Op 5 juli 2022 ontving de gemeenteraad de raadsbrief Plan van Aanpak. En op 6 september 2022 is daar door de rekenkamer op gereageerd. Rekenkamerbrief Plan van Aanpak rapport De Balans Opmaken a)
In de voortgangsrapportage Actieagenda Utrechtse Economie wordt over een groot aantal zaken gerapporteerd. Kan in algemene zin/op hoofdlijnen worden aangegeven wat in de periode juli 2022 tot maart 2025 met de uitvoering van aanbevelingen is gedaan en wat de resterende acties voor 2025/2026 zijn?
b)
Er zijn 6 aanbevelingen gedaan. Kan per aanbevelingen kort de status worden aangegeven, c.q. of de actie is voltooid? 1. 2. 3. 4. 5.
Een samenhangend overzicht op te stellen van de gemeentelijke inzet. Concrete en voor de gemeenteraad controleerbare doelen op te stellen die aansluiten bij de inzet voor de opgave en op de andere bestuurlijke niveaus. Meer inzicht te bieden in de besteding van tijd en geld aan de opgave. Te evalueren of genomen maatregelen en ingezette instrumenten effectief zijn, ook om onderbouwde keuzes te maken voor de toekomst. Het gebruik van informatie over de economische ontwikkelingen te structureren en vast te stellen op welke
a) We hebben indachtig de titel van het Rekenkamerrapport een start gemaakt met het op orde brengen van de de basis van de afdeling Economie. Zo versterken we het relatiemanagement door meer structuur aan te brengen in de relatie met de doelgroepen in de stad. Een volgende stap is dit inbedden in de dagelijkse werkwijze van alle collega's en dit beter te koppelen aan onze inhoudelijke doelstellingen. We gewerkt aan beter datamanagement: economie moet figuurlijk, maar ook letterlijk beter op de kaart worden gezet, en onderzoekscijfers en (geografische) ontwikkelingen in de tijd helpen daarbij. Ook werken we meer volgens de plan do check act systematiek. De actieagenda met de voortgangsrapportage, als bundeling van onze activiteiten en wat deze opleveren, is daar een concreet voorbeeld van. We hebben breder beleid opgeleverd met beleidsnota’s voor arbeidsmarkt en werklocaties; nieuwe integraal beleid voor retail/horeca/ logie& vrijetijdseconomie volgen hopelijk nog. Deze beleidskaders bieden een betere basis voor de plan do check act systematiek. We vertalen dit ook naar onze interne werkwijze. We zijn gestart met jaarplannen voor afdeling, teams en medewerkers, en een gedeelde MT-agenda, waarin we ook als MT de voortgang volgen op onze hoofdthema's.
Het strategisch en bestuurlijk vermogen van de afdeling is versterkt door mensen met een strategische blik aan te nemen en een strategisch takenpakket te geven. Inmiddels wordt deze kwaliteit ook herkend en dat leidt ertoe dat economie steeds meer aan de voorkant van processen aan tafel komt. Al deze ontwikkelingen zijn ingezet, maar hebben nog verdere ontwikkeling, uitbreiding en inbedding nodig om de basis echt structureel op orde te brengen. Door UBA worden wij nu gesteld voor de opgave om de basis op orde te brengen, terwijl het geld ontbreekt om meer mensen aan te nemen, subsidiebudgetten te richten op actuele thema's en behoeften t.b.v. economie met maatschappelijke meerwaarde, datasets te bouwen etc. Daar komen nu met VJN 2025 ook nog hervormingsbezuinigingen bij. Het is dus wel een uitdaging om de aanbevelingen te blijven voortzetten. Veel van wat is ingestart, willen en moeten we doorontwikkelen in 2025 en 2026. Daarnaast hebben we in 2025/2026 onder
6.
manier die informatie gebruikt wordt bij beleidskeuzes, monitoring, evaluatie en verantwoording. De verbinding binnen en buiten de opgave te verbeteren zodat binnen de gemeentelijke organisatie maar ook bij ondernemers en samenwerkingspartners bekend is waaraan in de opgave wordt gewerkt, wat de inzet oplevert en hoe daaraan kan worden bijgedragen. Dit ook te gebruiken om de gemeenteraad meer inzicht te geven in de ontwikkelingen en er een helder economisch profiel mee te ontwikkelen.
andere aandacht voor de transitie naar circulaire economie, haalbare uitvoeringsprogramma's bij de beleidsnota's, het monitoren en waar mogelijk acteren op netcongestie, en het verbeteren van de governance op gelieerd entiteiten en verbonden partijen en het ‘shortlisten’ van financiële en niet-financiële sturingsinstrumenten zodat we doelmatiger kunnen sturen. b) 1. 2. 3. 4.
5.
6.
Actieagenda en jaarlijkse voortgangsrapportage en beleidsnota’s opgesteld voor specifieke onderwerpen (arbeidsmarkt & werklocaties) Zie 1, komt ook terug in de P&C cyclus Zie 1, specifiek monitoring; wordt ook aan gewerkt via jaarplan dat vanaf 2026 beter gekoppeld kan worden aan teams en doelen in het programma We hebben meerdere beleidsinstrumenten en maatregelen geëvalueerd en op basis daarvan keuzes gemaakt voor de toekomst. Het betreft o.a. evaluaties van: OfU, WOM’s, omscholingsregeling, LEF, energiecompensatieregeling etc. Deze evaluaties zijn allen gedeeld met uw raad. Er is geïnvesteerd in terugkerend economisch onderzoek en datamanagement. Paragraaf Economie in de Utrecht Monitor is uitgebreid. Deze werkwijze is meegenomen in de nieuw opgestelde beleidsnota’s die ook nieuwe indicatoren bevatten. Daarnaast geeft ook de NEx-meting een beeld van de staat van de stad. We hebben geïnvesteerd in relatiebeheer met interne en externe stakeholders. De beleidsnota's zijn bijvoorbeeld ook ambtelijk uitvoerig intern afgestemd. Naar buiten toe organiseren we een jaarlijks event over de nieuwe economie voor ondernemers en onze samenwerkingspartners. Met de EBU en Utrecht Marketing hebben we het profiel meer aangescherpt naar Utrecht, Heart of Health.
Dit profiel wordt uitgebouwd en aangescherpt met input van bedrijven, en dit profiel bepaalt mede de keuzes voor wat voor type economische activiteiten we (nog meer) aantrekken.
4. Gerelateerde partijen (ROM, WOM, OMU en EBU) Nr.
Vraag/toelichting
Reactie
1
Hebben we alle partijen waar we een bestuurlijk en een financieel belang mee hebben opgenomen in de lijst verbonden partijen bij dit programma?
Ja
2
ROM De regionale Ontwikkelingsmaatschappij levert een belangrijke bijdrage aan de uitvoering van het programma Economie (o.a. de Regionale Economische Agenda) a) b) c) d)
e)
f)
g)