Agendabundel
Tekst van het document
Hoofdstuk 2 Bepalingen voor horecabedrijven
Algemeen De basisregel is dat elk horecabedrijf een exploitatievergunning nodig heeft. De burgemeester toetst elke aanvraag aan een aantal criteria voordat zij de vergunning verleent. Dat kan onder meer gaan om de eisen die gesteld worden aan de aanvrager van de vergunning en leidinggevenden, de locatie waar het horecabedrijf moet komen, de planologische regels, en de invloed op de woon – en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf. De burgemeester kijkt ook altijd of de openbare orde, de veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid, de gezondheid, de bescherming van het milieu en de woon- en leefsituatie van
omwonenden voldoende worden beschermd. Deze mogen niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed. Als het nodig is, kan de burgemeester voorschriften aan een exploitatievergunning verbinden om hiervoor te zorgen.
Artikel 4 Vergunningplicht Lid 2 De exploitatievergunning wordt verleend voor een horecabedrijf zoals dat is aangevraagd. Als het horecabedrijf wijzigt van bijvoorbeeld een café naar een restaurant of als het horecabedrijf ook na winkeltijden open wil zijn in plaats van alleen overdag, dan verandert de aard van het horecabedrijf. Dit kan van invloed zijn op de belangen die de Verordening horeca probeert te beschermen. Ook kan het gebruik of de uitoefening van het horecabedrijf niet meer voldoen aan de regels van het bestemmingsplan en daarmee in strijd komen. Als de aard van een horecabedrijf wijzigt, dan moet een nieuwe exploitatievergunning worden aangevraagd om te toetsten of de belangen die in de Verordening horeca worden genoemd nog voldoende worden beschermd. Het gewijzigde gebruik is pas toegestaan als een nieuwe vergunning voor dat gewijzigde gebruik is verleend. Lid 3 De burgemeester kan in een besluit bepalen dat bepaalde bedrijven geen exploitatievergunning hoeven aan te vragen. De burgemeester kan daaraan voorwaarden verbinden. Het gaat hierom horecabedrijven die onder de begripsbepaling ‘horecabedrijf’ vallen, maar waarvan eventuele nadelige invloed op de (woon)omgeving (zeer) beperkt is, en waarvan weinig tot geen overlast te verwachten valt. De bevoegdheid van de burgemeester kan gelden voor bepaalde delen van de stad of voor de hele gemeente.
Als de nadelige invloed van een horecabedrijf te groot wordt, dan kan de burgemeester besluiten dat voor een horecabedrijf de vergunningplicht wel geldt. De burgemeester kan dan voorschriften verbinden aan de vergunning ter bescherming van de belangen van de woonomgeving. Lid 4 Horecabedrijven waarvoor het verbod van het eerste lid niet geldt moeten wel aan de andere bepalingen van de Verordening horeca voldoen, voor zover deze bepalingen van toepassing zijn. Een horecabedrijf moet áltijd mogelijke nadelige invloed op de omgeving beperken, óók als dat horecabedrijf exploitatievergunningvrij is. In een exploitatievergunningvrij horecabedrijf hoeft geen leidinggevende aanwezig te zijn die op het aanhangsel van de vergunning staat, omdat er geen vergunning nodig is.
Exploitatievergunningvrij staat niet gelijk aan regelvrij. De burgemeester kan altijd handhavend optreden als gehandeld wordt in strijd met de overige bepalingen van de Verordening horeca. In dat handhavingsbesluit kunnen voorschriften worden opgenomen om de nadelige invloed op de omgeving te beperken. En als dat onvoldoende helpt, dan kan de burgenmeester bepalen dat voor dit horecabedrijf het verbod van lid 1 weer geldt, zodat alsnog een exploitatievergunning aangevraagd moet worden waar voorschriften aan gesteld kunnen worden.
Artikel 5 Voorschriften Lid 1 De burgemeester kan voorschriften verbinden aan een exploitatievergunning. Dit kan de burgemeester bij het verlenen van een vergunning, maar ook achteraf in een apart besluit als al een vergunning verleend is. De voorschriften zien op de belangen die de Verordening horeca beschermt. Het niet naleven van de voorschriften kan een reden zijn om handhavend op te treden. Als de ernst van de overtreding daar aanleiding toe geeft dan kan de burgemeester de exploitatievergunning ook in zijn geheel intrekken. Lid 3 Een terras bij een horecabedrijf is meestal gelegen op een openbare plaats in de zin van de Algemene Plaatselijke Verordening van gemeente Utrecht. De burgemeester stelt voorschriften aan een exploitatievergunning voor een terras - naast de voorschriften voor een horecabedrijf onder lid 1 - om onevenredige overlast door het gebruik van de openbare ruimte te voorkomen. Die voorschriften zien vooral op doelmatig gebruik van de openbare ruimte, het aanzien van de gemeente, de veiligheid en het onderhoud van de openbare en (gemeentelijke) voorzieningen. Een voorschrift in een exploitatievergunning voor een terras kan zijn dat de burgemeester deze vergunning tijdelijk verleent. Dit betekent dat de vergunning dan niet voor onbepaalde tijd is. De reden van deze inperking is dat de burgemeester een dwingende maatregel heeft van algemeen belang.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een herinrichting van de openbare ruimte is voorzien op of rondom de locatie van het terras. Ook kunnen dwingende maatregelen noodzakelijk zijn vanwege de veiligheid van de doorstroming van het fiets- en voetgangersverkeer of voor de brandveiligheid. Ook dan kan de burgemeester besluiten een exploitatievergunning voor een terras tijdelijk te verlenen. De burgemeester kan ook een exploitatievergunning voor een terras geheel of gedeeltelijk intrekken als dat noodzakelijk is vanwege de herinrichting van de openbare ruimte of de veiligheid van het verkeer. Als hier sprake van is, dan heeft de burgemeester de verplichting om dit tijdig aan de vergunninghouder te melden.
De mogelijkheid van een tijdelijke vergunning voor een terras brengt met zich mee dat een ondernemer bij de overname van een horecabedrijf altijd goed moet informeren naar ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op het terras. De burgemeester toetst bij de overname van een horecabedrijf aan de geldende regels. Bij een overname kan het zo zijn dat een bestaand horecabedrijf in afwijking van de geldende regels exploiteert, omdat hier in het verleden een vergunning voor is verleend. De geldende regels zijn leidend bij de aanvraag die de ondernemer indient na overname. Het kan dus zo zijn dat hij minder vergund krijgt dan de vorige vergunninghouder van het horecabedrijf. De nieuwe exploitant doet er daarom goed aan om bij de gemeente te informeren wat is toegestaan op grond van de geldende regels, voordat hij het horecabedrijf overneemt.
Artikel 6 Eisen aan een vergunning Lid 1 Een exploitatievergunning is persoonsgebonden. Dat geldt voor een natuurlijke persoon, maar ook voor een rechtspersoon. De reden hiervoor is dat de vergunninghouder een belangrijke rol speelt in de wijze van exploitatie en bedrijfsvoering van het horecabedrijf. Die rol kan niet willekeurig door iedereen worden uitgevoerd. Ook moet de aanvrager van een exploitatievergunning aan verschillende eisen voldoen voordat een vergunning verleend wordt. De vergunning is niet overdraagbaar door het persoonsgebonden karakter van de vergunning. Lid 2 Uit de vergunning moet blijken wat het adres is van het horecabedrijf. Ook wordt in de vergunning het soort en de aard van het horecabedrijf vermeld, waarbij wordt aangesloten bij het OHU. Aan de hand hiervan kan worden bepaald of de aard van het horecabedrijf is gewijzigd en of nog aan de exploitatievergunning wordt voldaan. Uit de stukken bij de vergunningaanvraag moet duidelijk blijken wat de exacte locatie van het horecabedrijf is en in welke omgeving het ligt. Dit moet worden verduidelijkt aan de hand van een plattegrond. Ook moet duidelijk zijn hoe de indeling van het horecabedrijf is en uit welke horecalokaliteiten het bedrijf bestaat. Dit wordt vermeld op een situatietekening. Lid 3 Een horecabedrijf kan een of meerdere leidinggevenden hebben.
Deze worden opgenomen in het aanhangsel bij de exploitatievergunning. Door wijzigingen in het personeelsbestand kunnen er nieuwe leidinggevenden bijkomen of leidinggevenden van het aanhangsel worden gehaald. Door deze werkwijze hoeft bij een wijziging van de leidinggevenden alleen het aanhangsel aangepast te worden en niet gelijk een nieuwe vergunning aangevraagd te worden.
Artikel 7 Exploitatievergunning vervalt Algemeen De exploitatievergunning vervalt als de exploitatie van een horecabedrijf is beëindigd, als het horecabedrijf wordt overgedragen aan een andere ondernemer of geen gebruik (meer) wordt gemaakt van de vergunning na vergunningverlening. Dit betekent dat de exploitatie wordt gestopt door de vergunninghouder en hij het horecabedrijf niet meer exploiteert of niet meer op de wijze exploiteert zoals dat is aangevraagd en vergund. Een exploitatievergunning is persoonsgebonden en daarom niet geheel of gedeeltelijk overdraagbaar aan een andere persoon of rechtspersoon. Er zijn horecabedrijven die wel gebruikt hebben gemaakt van de exploitatievergunning, maar op een gegeven moment de exploitatie hebben gestaakt. Als die periode langer dan een jaar duurt dan komt de exploitatievergunning te vervallen, tenzij er sprake is van overmacht. Dat is bijvoorbeeld het geval als de exploitatie van het horecabedrijf is gestaakt door brand in het horecabedrijf en de vergunninghouder zijn horecabedrijf opnieuw moet opbouwen of bij langdurige ziekte van de vergunninghouder.
Artikel 8 Eisen aan de aanvraag Algemeen Om een aanvraag om een exploitatievergunning goed te kunnen beoordelen, moet de aanvrager de nodig gegevens en documenten aanleveren. Aanvragers maken gebruik van een vastgesteld aanvraagformulier om ervoor te zorgen dat de aanvraag zo volledig mogelijk wordt ingediend. Voldoet een aanvrager hier niet aan, dan wordt hij altijd in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag aan te vullen, voordat de aanvraag buiten behandeling worden gelaten. Lid 2, sub a In de aanvraag wordt de aard, de locatie en de situering van het horecabedrijf vermeld. Uit een moet duidelijk blijken wat voor soort horecabedrijf wordt aangevraagd, zodat de burgemeester daar een categorie op grond van het OHU aan kan verbinden. Ook moet de locatie van het horecabedrijf duidelijk zijn uit de adresgegevens. Een situering maakt de indeling van het horecabedrijf duidelijk. Dat kan eventueel aan de hand van een plattegrond, die onder lid 2, sub c wordt gevraagd. Lid 2, sub b Bij de aanvraag wordt in ieder geval een duidelijke beschrijving van het soort horecabedrijf toegevoegd, met een plattegrond van het hele horecabedrijf en een situatietekening van de indeling van het horecabedrijf. De plattegrond en situatietekening hebben een duidelijk maatvoering (schaal 1:100). Dit geldt voor alle horecalokaliteiten.
Als een terras wordt aangevraagd, dan moet ook duidelijk blijken waar dat terras in de openbare ruimte komt te liggen en waar voorwerpen (zoals tafels, stoelen, parasols en afscheidingen) worden geplaats, zodat het getoetst kan worden aan de Beleidsregel terrassen gemeente Utrecht (hierna: Beleidsregel terrassen).
Een duidelijke beschrijving en plattegrond zijn noodzakelijk om te kunnen bepalen of de aard en/of omvang van het horecabedrijf is gewijzigd. Dit kan een reden zijn om de exploitatievergunning in te trekken, zie artikel 12, eerste lid, onder f. Lid 3 De burgemeester kan altijd aanvullende stukken vragen voor de beoordeling van een aanvraag om een vergunning. Een opsomming is niet limitatief, maar het kan bijvoorbeeld gaan om een ondernemingsplan, menukaart, huurcontracten van het pand, verklaringen van de Belastingdienst etc. De aanvullende stukken kunnen nodig zijn ter verduidelijking van de aanvraag en ook om te bepalen of de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen ingezet moet worden. Lid 4 Een aanvraag om een exploitatievergunning moet digitaal worden ingediend. Dit betekent ook dat een aanvraag direct betaald moet worden. Dit is zo bepaald in de Legesverordening gemeente Utrecht.
Artikel 9 Eisen aan de aanvrager Algemeen Een leidinggevende van een horecabedrijf moet aan verschillende eisen voldoen voordat een exploitatievergunning wordt verleend. Dit is ook het geval als een nieuwe leidinggevende op het aanhangsel van de vergunning moet worden bijgeschreven. Deze eisen zijn opgenomen, omdat een leidinggevende een belangrijke rol heeft in de wijze van bedrijfsvoering en exploitatie van het horecabedrijf. Zo zal een leidinggevende het personeel en de bezoekers moeten kunnen aanspreken op hun gedrag. Hierbij speelt het eigen gedrag van de leidinggevende een grote rol. Lid 1, sub b Een leidinggevende mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Voor de beoordeling of daar sprake van is, wordt aansluiting gezicht bij het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 en de bestaande jurisprudentie. De burgemeester weigert aanvragen voor een exploitatievergunning als een leidinggevende gedrag heeft vertoond of een veroordeling op zijn naam heeft staan die aanleiding geven om te oordelen dat een leidinggevende van slecht levensgedrag is. In deze beoordeling worden in ieder geval de volgende gedragingen meegenomen: betrokkenheid bij geweldsdelicten, witwaspraktijken, illegaal gokken, gebruik en/of handel in drugs, rijden onder invloed, discriminatie, bejegening, bedreiging en fysiek handelen/geweld tegen medewerkers van
politie en toezichthouders en een eventuele eerdere weigering van een exploitatievergunning vanwege slecht levensgedrag. Daarnaast heeft het intrekken van een vergunning gevolgen voor de boordeling van levensgedrag. In beginsel wordt alleen gekeken naar gedragingen en veroordelingen die in een periode tot vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag van een exploitatievergunning hebben plaatsgevonden. Maar een vergunning kan ook geweigerd worden als oudere gedragingen of veroordelingen wijzen op slecht levensgedrag. De burgemeester heeft de beoordelingsvrijheid om alle gedragingen en veroordelingen te betrekken bij haar oordeel om te bepalen of sprake is van slecht levensgedrag. Lid 1, sub c De leeftijdseis van 21 jaar om alcoholhoudende dranken te mogen schenken, sluit aan bij de eisen uit de Alcoholwet. Er geldt een leeftijdseis van achttien jaar als geen alcoholhoudende drank wordt geschonken. Van een persoon met deze leeftijd mag worden verwacht dat hij voldoende levenservaring, verantwoordelijkheidsgevoel en overwicht heeft om op te treden bij verstoring van de belangen die de Verordening horeca beoogt te beschermen. Lid 2 In afwijking van het eerste lid, sub b, kan een exploitatievergunning worden verleend, en kan een leidinggevende worden bijgeschreven op het aanhangsel, als deze persoon geen schuld heeft aan de sluiting van het horecabedrijf.
Dit is vaker het geval bij een leidinggevende, omdat een vergunninghouder direct verantwoordelijk is voor de wijze van exploitatie, aansturing van het personeel en de bedrijfsvoering. Een voorbeeld van de uitzonderingsgrond is als een horecabedrijf wordt gesloten vanwege slecht levensgedrag van de vergunninghouder en de leidinggevende daar geen betrokkenheid bij heeft. De vergunninghouder of leidinggevende moet de burgemeester van voldoende informatie voorzien, zodat zij kan beoordelen of er sprake is van schuld aan de sluiting of intrekking van de exploitatievergunning.
Artikel 10 Beslistermijn Lid 1 De termijn om op een aanvraag te beslissen is acht weken. Dit wil niet zeggen dat het altijd acht weken duurt voordat een exploitatievergunning verleend wordt. De snelheid hangt vooral samen met de compleetheid van de stukken die worden ingediend bij de aanvraag. De beslistermijn begint formeel te lopen op de dag na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Deze termijn kan worden verlengd (opgeschort) als de aanvrager van de exploitatievergunning wordt gevraagd om zijn aanvraag aan te vullen (artikel 4:5 en 4:15 Algemene wet bestuursrecht).
Artikel 11 Weigeringsgronden Lid 1 Bij het bepalen van de bestemming van panden in een gebied is gekeken naar het woon- en leefklimaat en is bepaald of een horecabedrijf daar passend kan zijn. Is dat niet het geval, en wordt dus niet voldaan aan de planologische regels, dan weigert de burgemeester de aanvraag voor een exploitatievergunning. Lid 4 Als de aanwezigheid van een horecabedrijf een ontoelaatbaar nadelige invloed heeft op de omgeving van het horecabedrijf, dan weigert de burgemeester de aanvraag voor een exploitatievergunning. De belangen die de burgemeester toetst zien op de openbare orde, de veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid, de gezondheid, de bescherming van het milieu en de woon- en leefsituatie van omwonenden. Daarbij houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en wijk, de aard van het horecabedrijf, de spanning waaraan de woon- en leefsituatie al blootstaat en verder komt te staan door de exploitatie van het horecabedrijf en eventueel de wijze van bedrijfsvoering van de aanvrager in andere horecabedrijven. Lid 5 De burgemeester weigert de aanvraag als naar haar oordeel de feitelijke toestand niet overeen kan komen met de situatie uit de aanvraag. Met deze regel is aansluiting gezocht bij de Alcoholwet, waarin een soortgelijke regel is opgenomen (artikel 27, eerste lid, sub b).
Hiermee wordt onder meer voorkomen dat schijnconstructies worden gebruikt om een exploitatievergunning te krijgen of dat de wijze van exploitatie of de bedrijfsvoering, zoals die op papier is aangevraagd, redelijkerwijs niet overeenkomen met de situatie in de praktijk. Lid 6 In de Beleidsregel terrassen zijn verschillende regels opgenomen waar een terras aan moet voldoen voordat een exploitatievergunning voor een terras wordt verleend. Die regels zien op de locatie en het gebruik van het terras. Als een terras niet voldoet aan de Beleidsregel terrassen dan wordt de aanvraag voor het hele horecabedrijf geweigerd, omdat het terras onderdeel uitmaakt van het horecabedrijf. De aanvrager kan in de gelegenheid worden gesteld om zijn aanvraag aan te passen (en het terras uit de aanvraag te halen), voordat de burgemeester de aanvraag voor het hele horecabedrijf weigert.
Artikel 12 Intrekking exploitatievergunning Algemeen Er zijn verschillende redenen zijn om een verleende exploitatievergunning in te trekken. In dit artikel zijn onder lid 1 de redenen genoemd wanneer de burgemeester de vergunning altijd
intrekt, de zogenoemde imperatieve gronden. Lid 2 geeft de burgemeester beoordelingsruimte om te bepalen of wordt overgegaan tot intrekking van de exploitatievergunning. Lid 2, sub c Veranderde omstandigheden en nieuwe inzichten kunnen ertoe leiden dat een exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk moet worden ingetrokken. Dit is bijvoorbeeld het geval als beleid verandert of als een herinrichting van de openbare ruimte gevolgen heeft voor de grootte van een terras en een veilige doorstroming van het verkeer. De intrekking wordt goed gemotiveerd en tijdig kenbaar gemaakt aan de vergunninghouder, omdat de vergunninghouder geen rekening kon houden met deze nieuwe situatie en daar geen directe invloed op heeft. De vergunninghouder wordt in de gelegenheid gesteld om de bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe situatie. Bij een tijdelijke exploitatievergunning die verleend is op grond van artikel 5, lid 3 van de Verordening horeca, is deze situatie anders. In dat geval wist de vergunninghouder dat zijn vergunning tijdelijk was.
Lid 3 Het gaat hier om het intrekken van een exploitatievergunning voor een horecabedrijf en niet om het volledig sluiten van een pand. Dit betekent dat andere functies in het pand wel zijn toegestaan. Het intrekken van de vergunning voor een bepaalde termijn is veelal op grond van ontoelaatbare verstoring van de woon- en leefsituatie door de exploitatie van een horecabedrijf. Bij een gedwongen sluiting van het horecabedrijf is in de regel sprake van een ontoelaatbare verstoring van de woon- en leefsituatie, waarvoor de vergunninghouder verantwoordelijk is. Het is dan noodzakelijk om de rust in de omgeving van het horecabedrijf te herstellen. De burgemeester kan bepalen dat de vergunninghouder na intrekking van zijn vergunning voor een termijn van maximaal vijf jaar geen nieuwe exploitatievergunning krijgt. Hij kan aan het eind van die termijn wel een nieuwe aanvraag indienen, zodat zijn aanvraag getoetst kan worden aan de regels, maar de vergunning wordt pas verleend nadat de opgelegde termijn is verstreken
Hoofdstuk 3 Overige bepalingen voor horecabedrijven
Artikel 13 Openings- en sluitingstijden Lid 1 In principe gelden in gemeente Utrecht geen sluitingstijden voor horecabedrijven. Wel gelden schenktijden voor bepaalde categorieën van instellingen (artikel 20) en moeten sport- en
jeugdorganisaties en instellingen tussen 01.00 uur en 07.00 uur gesloten zijn op grond van het vierde lid van dit artikel. In sommige gevallen zijn sluitingstijden opgenomen in een bestemmingsplan. Als daar sprake van is dan gelden die sluitingstijden. Lid 2 Voor terrassen geldt een openings- en sluitingstijd. Doordat terrassen veelal op een openbare plaats zijn gelegen kan vooral in de nachtelijke uren overlast ontstaan. Om die reden is de sluitingstijd van een terras uiterlijk 01.00 uur. Lid 3 De burgemeester kan bepalen dat ruimere openingstijden gelden voor terrassen, wat bijvoorbeeld het geval kan zijn bij zomers weer of tijdens festiviteiten. Zo geldt sinds 2005 een bijzondere regel voor langere openingstijden van terrassen bij mooi weer (de zogenoemde 25 graden plus regeling). Deze regel is opgenomen in de Beleidsregel terrassen. Lid 4 De sluitingstijden voor sport- en jeugdorganisatie en instellingen zijn gelijk gesteld met de schenktijden voor deze instellingen, zie artikel 20 van de Verordening horeca. Dit vergemakkelijkt het toezicht en de handhaving op de regels en helpt te voorkomen dat na 01.00 uur nog drank wordt geschonken. Lid 5 De burgemeester kan de openings- en sluitingstijden van een horecabedrijf beperken als dat noodzakelijk is. De beperking kan ook gelden voor meerdere horecabedrijven in een bepaald gebied.
De burgemeester maakt gebruik van deze bevoegdheid om de belangen die genoemd zijn in dit artikel te handhaven en te beschermen. Ook kan de burgemeester dit doen als de druk op deze belangen te groot wordt. Dat laatste hoeft niet per se te komen door het horecabedrijf; er kunnen ook andere redenen zijn om de openings- en sluitingstijden te beperken.
Lid 6 Er zijn bedrijven die exploitatievergunningplichtig zijn, maar waarvoor andere openingstijden gelden, omdat zij vallen onder de Winkeltijdenwet. Dit geldt bijvoorbeeld voor afhaalzaken. Ook bepaalde soorten snackbars behoren tot deze categorie. Ook worden de openingstijden van sommige horecabedrijven reguleerd in het bestemmingsplan. Voor deze bedrijven gelden de onbeperkte openingstijden dus niet.
Artikel 14 Aanwezigheid leidinggevende horecabedrijf Algemeen Leidinggevenden hebben een belangrijke rol in de exploitatie en de wijze waarop door de exploitatie de openbare orde, de veiligheid, de gezondheid, de zedelijkheid en de woon- en leefsituatie van omwonenden kan worden beïnvloed. Daarom moet de persoon als leidinggevende aan een aantal voorwaarden voldoen. Van een leidinggevende wordt verwacht dat hij voldoende gezag en verantwoordelijkheid heeft om de orde in en rondom het horecabedrijf te handhaven en bezoekers aan te spreken als dat nodig is. Dat geldt voor alle leidinggevenden die op het aanhangsel van de vergunning staan. Dit neem niet weg dat de vergunninghouder verantwoordelijk is en blijft voor de gang van zaken in het horecabedrijf, ook als de vergunninghouder zelf niet aanwezig is. De exploitatievergunning met aanhangsel, of een afschrift daarvan, moet altijd aanwezig zijn in het horecabedrijf om te kunnen controleren of een leidinggevende op het aanhangsel staat bijgeschreven. De burgemeester kan op grond van artikel 4, lid 3, van deze verordening bepalen dat het verbod om een horecabedrijf te exploiteren zonder exploitatievergunning niet geldt voor bepaalde soorten horecabedrijven. Een gevolg hiervan is dat in die horecabedrijven geen leidinggevende aanwezig hoeft te zijn die op het aanhangsel van de vergunning staat, omdat er geen vergunning nodig is.
Het kan voorkomen dat een leidinggevende van een horecabedrijf vanwege ziekte of overmacht moet invallen bij een andere vestiging van het horecabedrijf, bijvoorbeeld bij een winkelketen. Dit is toegestaan en wordt gezien als aanwezigheid van een leidinggevende, mits dat incidenteel voorkomt. Gebeurt het vaker dan moet de vergunninghouder ervoor zorgen dat een leidinggevende wordt bijgeschreven op het aanhangsel van de vergunning van het horecabedrijf waar hij invalt. Een leidinggevende die invalt in een ander horecabedrijf moet kunnen aantonen dat hij op het aanhangsel van de vergunning staat van het horecabedrijf waar hij zelf werkt. Lid 2 In het beleid Tijdelijk verblijf (short stay) en bijstelling hotels staat dat geen leidinggevende aanwezig hoeft te zijn bij logiesbedrijven – hotels en short stay bedrijven – met maximaal 10 kamers Wel moet er sprake zijn van 24-uurs telefonische bereikbaarheid. Vanaf 11 kamers is de aanwezigheid van een leidinggevende verplicht. De vergunninghouder moet aan enkele voorwaarden voldoen. De eerste voorwaarde is dat het voor iedereen binnen en buiten het logiesbedrijf duidelijk moet zijn met welke persoon (een beheerder) contact opgenomen kan worden bij meldingen of calamiteiten (lid 2, sub a).
Die beheerder moet binnen 15 minuten ter plaatse kunnen zijn (lid 2, sub b). Deze beheerder mag een andere persoon zijn dan de vergunninghouder, maar handelt altijd voor rekening en risico van de vergunninghouder. Ook moet in het logiesbedrijf bij de ingang sprake zijn van permanent cameratoezicht, zodat controleerbaar is wie het logiesbedrijf in- en uitgaat (lid 2, sub c). Een laatste voorwaarde is dat de sleuteloverdracht en het inchecken van bezoekers in persoon plaatsvindt (lid 2, sub d). Dat kan zijn in het logiesbedrijf zelf of op een andere locatie. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan dan moet altijd een leidinggevende aanwezig zijn in het horecabedrijf. Lid 3 Grote logiesbedrijven werken met verschillende leidinggevenden. Het blijkt in de praktijk lastig en kostbaar om alle dagen en nachten van de week een leidinggevende aanwezig te hebben in het logiesbedrijf. Vandaar dat het mogelijk is gemaakt om tijdens de nachtelijk uren, als de zelfstandige horeca gesloten is, te werken met nachtportiers die toezicht houden in het logiesbedrijf. Normaal is in een horecabedrijf altijd een leidinggevende aanwezig. Ook is in een zelfstandige horecalokaliteit in een logiesbedrijf altijd een leidinggevende aanwezig vanwege de regelgeving in de Alcoholwet.
Als de horecalokaliteit in het logiesbedrijf gesloten is na 23.00 uur, dan kan het toezicht plaatsvinden door een nachtportier. Deze nachtportier hoeft niet als leidinggevende op het aanhangsel van de vergunning te staan. Wel moet de nachtportier in het bezit zijn van een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG), als hij voor het eerst bij het logiesbedrijf werkt, en hij moet voldoen aan de eisen voor bedrijfshulpverlening (BHV). De vergunninghouder zorgt ervoor dat deze gegevens aanwezig zijn in het horecabedrijf. Het aantal kamers geeft een bepaalde grootte van logiesbedrijven aan waar voldoende bedrijvigheid is om misstanden te signaleren en toezicht door een nachtportier mogelijk te maken. Hoe kleiner het logiesbedrijf, hoe minder bedrijvigheid en dus ook minder personen die misstanden kunnen signaleren. De combinatie van grootte en nachtportier is een mogelijkheid om niet te veel te tornen aan adequaat toezicht en tegelijkertijd ondernemers tegemoet te komen. Zelfstandige horeca wil zeggen een restaurant, bar of vergelijkbaar bedrijf in het logiesbedrijf, die ook toegankelijk is voor bezoekers die geen gebruik maken van het logiesbedrijf, en waarvan de bedrijfsvoering er ook op gericht is dat andere bezoekers dan van het logiesbedrijf gebruik maken van de zelfstandige horeca.
Artikel 15 Melden nieuwe leidinggevende Algemeen Door leidinggevenden op te nemen in een aanhangsel bij de exploitatievergunning hoeft niet bij elke wijziging van een leidinggevende een nieuwe vergunning aangevraagd te worden. Een logisch gevolg hiervan is dat een vergunninghouder tijdig een aanvraag moet indienen om een leidinggevende bij te laten schrijven. Lid 7 In het horecabedrijf moet altijd een actuele vergunning met aanhangsel aanwezig zijn. Om die reden verstrekt de burgemeester bij een wijziging altijd een nieuwe versie van het aanhangsel.
Artikel 16 Handel Heling en andere handel is niet toegestaan in een horecabedrijf. Onder dit verbod valt ook het toelaten van heling en handel. De vergunninghouder is verantwoordelijk in het horecabedrijf om hiertegen op te treden. Om die reden wordt de vergunninghouder aangesproken op overtredingen van dit verbod.
Artikel 17 Zicht in het horecabedrijf Het is onwenselijk om het zicht van buitenaf in het horecabedrijf te ontnemen, omdat daarmee toezicht wordt belemmerd. Daarnaast is het wenselijk om de straat open en aantrekkelijk te houden, waardoor het gevoel van veiligheid toeneemt.
Hoofdstuk 4 Paracommerciële horeca
Artikel 18 Paracommerciële rechtspersonen Artikel 4 van de Alcoholwet geeft de mogelijkheid om onderscheid te maken in de aard van paracommerciële rechtspersoon. De indeling in dit artikel sluit hierbij aan, waarbij de rechtspersonen verdeeld zijn naar aard van de instelling. Het onderscheid ziet vooral op de schenktijden die bij de instelling gehanteerd worden. Om die reden zijn instellingen van sociaal-culturele aard onderverdeeld in instellingen die zich richten op buurten, wijken of stadsdelen (denk aan buurthuizen) en andere instellingen van sociaal-culturele aard.
Paracommerciële instellingen die zich richten op activiteiten van sociaal-educatieve aard zijn bijvoorbeeld studentenverenigingen, studentensportverenigingen en studieverenigingen.
Artikel 19 Aanwezigheid leidinggevende of barvrijwilliger Zie artikel 14 voor een toelichting op de verplichte aanwezigheid van een leidinggevende als alcoholhoudende drank wordt verstrekt door een paracommerciële instelling. Ook kan worden volstaan met een barvrijwilliger als die voldoet aan de eisen in artikel 9, lid 2, Alcoholwet.
Artikel 20 Schenktijden Het doel van de Alcoholwet is om oneerlijke concurrentie met de reguliere horeca zoveel mogelijk te voorkomen en alleen beperkingen aan paracommerciële rechtspersonen op te leggen als dit noodzakelijk is. Die beperkingen zien vooral toe op de verkoop van alcoholhoudende drank, omdat de verkoop van alcoholhoudende drank geen hoofdactiviteit is van de paracommerciële instelling. Door schenktijden te bepalen, wordt de verkoop van alcoholhoudende drank beperkt. In gemeente Utrecht geldt de beperking vooral voor sport- en recreatieve verenigingen en buurt- en wijkhuizen. Deze instellingen mogen geen verkapte horecabedrijven worden, waar nog tot ver na de laatste activiteiten, goedkoper dan in de reguliere horeca, alcoholhoudende drank wordt geschonken. De overige instellingen vormen in de regel geen oneerlijke concurrentie voor de reguliere horeca. Dat komt door de tijden waarop de meeste activiteiten van de instellingen plaatsvinden en door het (meestal) besloten karakter van de activiteiten.
Artikel 21 Verstrekken alcohol tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard Bijeenkomsten van persoonlijke aard zijn vieringen van levensgebeurtenissen van leden van de vereniging. Bijvoorbeeld een bruiloftsfeest, verlovingsfeest, verjaardag of een jubileum. Tijdens deze bijeenkomsten mag geen alcoholhoudende drank verstrekt worden, om oneerlijke concurrentie met reguliere horeca tegen te gaan. Of een bijeenkomst van persoonlijke aard is, wordt niet alleen bepaald aan de hand van de omschrijving van de doelstelling(en) van de statuten van die instelling, maar ook aan de hand van de geconstateerde feitelijke situatie door toezichthouders van de gemeente. Daarbij wordt gekeken of er sprake is van oneerlijke concurrentie voor reguliere horeca, en zo ja, in welke mate.
Het schenken van alcoholhoudende drank is toegestaan tijdens feesten die direct betrekking hebben op de activiteiten van de vereniging zelf, zoals een afscheid van de voorzitter, een kampioenschap of andere festiviteiten.
Artikel 22 Verstrekken alcohol tijdens bijeenkomsten van derden Wanneer een activiteit valt binnen de statutaire doelomschrijving van de paracommerciële rechtspersoon (de vergunninghouder), dan mag alcoholhoudende drank geschonken worden. Zo kan een voetbalvereniging bijvoorbeeld alcohol schenken aan een dartclub, wanneer zij in hun statuten ‘sportbeoefening’ (en dus niet ‘voetballen’) als doel hebben opgenomen. Ook voor welzijnsaccommodaties geldt dat het schenken van alcoholhoudende drank moeten passen binnen de statutaire doelstelling. Het is een paracommerciële instelling niet toegestaan om commerciële activiteiten te organiseren en daarbij alcoholhoudende drank te schenken. De toezichthouders van de gemeente kijken bij hun beoordeling naar hoe de activiteiten zich feitelijk verhouden tot de doelstelling(en) van de rechtspersoon/de instelling.
Artikel 23 Ontheffingsbevoegdheid burgemeester Lid 1 Deze bevoegdheid is ook opgenomen in artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet. De burgemeester geeft alleen een ontheffing van schenktijden of het verbod om alcohol te schenken als het gaat om een bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard. Het kan daarbij gaan om een bijeenkomst van persoonlijke aard of een bijeenkomst voor derden. Bijvoorbeeld een feest bij het winnen van een kampioenschap, een 24-uurs marathon of een bijzonder evenement voor een goed doel. Het gaat hier dus nadrukkelijk niet om regulier terugkerende feesten of bijeenkomsten. De burgemeester kan ontheffing verlenen voor een aaneengesloten periode van maximaal twaalf dagen. Er is in de Alcoholwet en in de Verordening horeca geen maximum gesteld aan het aantal keren dat ontheffing kan worden aangevraagd.
Hoofdstuk 5 Toezicht en handhaving
Artikel 24 Sluiting Lid 1 De burgemeester kan een horecabedrijf geheel of gedeeltelijk sluiten als er sprake is van (zwaardere) overtredingen van de Verordening horeca. De voornaamste redenen voor sluiting zijn genoemd in lid 1. Onder zwaardere overtredingen wordt in ieder geval verstaan drugsdelicten, wapens en illegaal gokken. De sluiting van een horecabedrijf geldt in eerste instantie voor een bepaalde tijd. De burgemeester kan het horecabedrijf ook definitief sluiten bij ernstige overtredingen of bij herhaling van overtredingen. De sluiting wordt (openbaar) bekend gemaakt door het besluit tot sluiting aan te brengen op of nabij de ingang van het horecabedrijf. Lid 2 De sluiting van een horecabedrijf is gebaseerd op zwaardere overtredingen van deze verordening. Na verloop van tijd kunnen deze overtredingen hersteld zijn of is door tijdsverloop geen sprake meer van een situatie die noodzaakt tot sluiting van het horecabedrijf. Een vergunninghouder kan verzoeken of de sluiting kan worden opgeheven, waarbij hij met relevante feiten en omstandigheden moet aantonen dat er geen sprake meer is van de situatie die heeft geleid tot de sluiting en dat het ook niet aannemelijk is dat die situatie weer gaat ontstaan. Het opheffen van de sluiting kan pas nadat de helft van de opgelegde sluitingstermijn is verstreken.
Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 27 Overgangsbepaling Aanvragen die nog in behandeling zijn op het moment dat de Verordening horeca in werking treedt, worden beoordeeld aan de hand van de regels van deze verordening. Enerzijds wordt voorkomen dat vergunningen worden verleend die niet voldoen aan de aangepaste regels. Anderzijds wordt voorkomen dat meer eisen worden gesteld aan een aanvrager/vergunning dan onder deze verordening noodzakelijk is.
1 Overzicht hoofdlijnen wijzigingen in de Verordening horeca en de Beleidsregel terrassen.docx
Overzicht op hoofdlijnen van de wijziging in de Verordening horeca en de Beleidsregel terrassen Hieronder volgt een tabel met de grootste wijzigingen van de Verordening horeca gemeente Utrecht in vergelijking met de Horecaverordening gemeente Utrecht 2018. Redactionele wijzigingen en wijzigingen van de indeling vanwege het schrijven in duidelijke taal zijn niet opgenomen in de tabel.
Horecaverordening Utrecht 2018 Artikel 1
Onderwerp Begripsbepalingen
Verordening horeca gemeente Utrecht Artikel
Onderwerp
Wijzigingen1
1
Definities
Aangevuld
-
-
2
Doel
Toegevoegd
-
-
3
Afbakening
Toegevoegd
4
Vergunningplicht
Lid 4 geschrapt
2 3
4 5 6
Vergunningplicht Voorschriften en beperkingen Tenaamstelling Vervallen exploitatievergunning Aanvraag
Lid 1 en 2 deels 5
Voorschriften
samengevoegd. Lid 2 en 3 aangepast
6 7 8
Eisen aan een
Lid 1 en 2 samengevoegd.
vergunning
Lid 3 geschrapt
Exploitatievergunning vervalt Eisen aan de aanvraag
Sub a geknipt in lid 1 en 2 Lid 2 en 3 aangepast naar lid 2. Lid 6 geschrapt Aangevuld, lid 1, sub d. Lid
7
Eisen
9
Eisen aan de aanvrager
2 geknipt in lid 1, sub e, en lid 2.
8
Beslistermijn
10
Beslistermijn
Lid 3 en 4 geschrapt Lid 2 naar toelichting. Lid
9
Weigeringsgronden
11
Weigeringsgronden
3 wordt lid 6. Lid 4 naar art 10, lid 3 Lid 1, sub d, naar lid 2,
10
Intrekkingsgronden
12
Intrekken vergunning
sub e. Lid 2, sub d, wordt sub f.
1 De tekst in deze kolom is bedoeld als globale aanduiding van de wijziging in de nieuwe verordening
ten opzichte van de oude verordening.
Artikel 11 12
Onderwerp
Artikel
Openings- en sluitingstijden Aanwezigheid leidinggevende
13 14
Onderwerp
Wijzigingen1
Openings- en
-
sluitingstijden Aanwezigheid
Lid 2 naar art 17. Nieuw lid
leidinggevende
2 en 3. Lid 2 en 9 geschrapt
12a
Melden leidinggevenden
15
Melden leidinggevenden
13
Handel
16
Handel
-
14
Zichtbaarheid
17
Zicht in het
-
15 16
Aanwezigheid in een gesloten horecabedrijf Ordeverstoring
-
-
Artikel geschrapt
-
-
Artikel geschrapt
Indeling 17
paracommerciële
horecabedrijf
18
instellingen
Paracommerciële
Aanwezigheid -
-
19
-
rechtspersonen
leidinggevende of barvrijwilliger
Nieuw artikel (oud lid 2, artikel 12)
Schenktijden voor 18
paracommerciële
20
-
Schenktijden
instellingen Alcoholverstrekking 19
20
tijdens bijeenkomsten
Verstrekken alcohol 21
van persoonlijke aard
van persoonlijke aard
Alcoholverstrekking
Verstrekken alcohol
tijdens bijeenkomsten
22
van derden 21
Ontheffingsbevoegdheid burgemeester
-
tijdens bijeenkomsten
-
tijdens bijeenkomst van derden
23
Ontheffingsbevoegdheid burgemeester
Nieuw lid 3 Lid 2 is lid 1, sub c. Lid 3
22
Sluiting
24
Sluiting
naar toelichting. Lid 5 geschrapt
23
Strafbepaling
26
Strafbepaling
-
24
Toezicht
25
Toezicht
-
25 26
Bevoegdheid bestuursorgaan Overgangsrecht
27
Overgangsbepaling
Artikel geschrapt Lid 1 toegevoegd
Artikel
Onderwerp
-
-
Artikel
Onderwerp
Wijzigingen1
28
Intrekking
Artikel toegevoegd
27
Inwerkingtreding
29
Inwerkingtreding
-
28
Citeertitel
30
Citeertitel
-
1 Beleidsregel terrassen gemeente Utrecht publicatie.docx
Beleidsregel terrassen gemeente Utrecht
De burgemeester van de gemeente Utrecht; Gelet op de artikelen 1:3, vierde lid, 4:81, eerste lid, en 4:83 van de Algemene wet
bestuursrecht en de artikelen 4, 5 en 13 de Verordening horeca gemeente Utrecht; Overwegende dat: -
zij op grond van artikel 4, 5 en 13 van de Verordening horeca gemeente Utrecht
bevoegd is tot het stellen van voorschriften aan een exploitatievergunning voor een terras; -
het gewenst is ter invulling van deze bevoegdheid een beleidsregel vast te stellen over algemene regels, regels voor de locatie en regels voor het gebruik van een terras.
Besluit vast te stellen de volgende Beleidsregel terrassen gemeente Utrecht.
Artikel 1 Definities
In deze beleidsregel staan verschillende definities. Hieronder worden deze definities uitgelegd: -
Horecalokaliteit: een lokaliteit als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet.
Openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats in de openbare ruimte,
waaronder een weg. -
Stoep: een verhoogd of zichtbaar afgescheiden deel van de weg dat is bedoeld voor
voetgangers. -
Verkeer: auto-, fiets- als wandelverkeer.
Verstrekpunten: uitgiftepunten en (voor)bereidingspunten voor eten en drinken.
Weg: een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2 Algemene regels die gelden voor een terras
Om voor een vergunning van de burgemeester in aanmerking te komen mag een terras op een openbare plaats geen beperking opleveren voor:
1. de vrije doorgang van het verkeer niet wordt belemmerd, 2. het doelmatig en veilig gebruik van de weg; 3. het beheer en onderhoud van de weg; 4. de brandveiligheid;
5. andere publieke functies of gebruik van de openbare plaats;
6. het uiterlijk aanzien;
7. het beschermd stadsgezicht.
Artikel 3 Openingstijden bij 25 graden of meer
1. De burgemeester verlengt de openingstijden voor terrassen met een uur als de volgende voorwaarden van toepassing zijn:
a. de verlenging valt in de periode van 1 mei tot en met 30 september;
b. de verlenging geldt alleen voor de nacht van vrijdag op zaterdag en/of de nacht van zaterdag op zondag;
c. op de dag ervoor heeft de gemeente Utrecht op haar website vermeld gemaakt dat terrassen langer open mogen blijven, omdat een dagtemperatuur van 25 graden Celsius of hoger wordt verwacht; en
d. er gelden geen andere regels of voorschriften die zien op openingstijden van het terras. Is dat wel het geval dan gelden die regels of voorschriften.
2. De burgemeester past de 25 gradenregeling niet toe als dat uit het oogpunt van openbare orde of de beperking van overlast noodzakelijk is.
Artikel 4 Eisen aan de locatie van een terras
Om voor een vergunning van de burgemeester in aanmerking te komen voldoet een terras op een openbare plaats aan de volgende locatieregels:
1. De vrije doorgang voor het verkeer is minimaal 4 meter, tenzij iets anders is aangegeven in andere regelgeving.
2. De vrije doorgang voor voetgangers op de stoep is minimaal 1,50 meter zijn, tenzij iets anders is aangegeven in inrichtingsplannen.
3. De afstand van een terras tot de rand van een blindengeleidestrook is minimaal 0,60 meter.
4. Op de werven is de vrije doorgang voor voetgangers minimaal 0,75 meter.
5. De diepte van een terras is minimaal 1 meter en maximaal de helft van de stoep. 6. Een terras is niet breder dan de gevel van het horecabedrijf.
7. Een terras sluit direct aan bij het bijbehorende horecabedrijf.
8. In afwijking van lid 7 verleent de burgemeester een vergunning voor een terras aan de
overzijde van een fietspad of weg, als het gaat om een 30 km zone en er sprake is van een lage verkeersintensiteit.
9. Vanuit het horecabedrijf is er direct zicht op het terras. 10. 11.
Een terras staat niet voor een in- of uitgang van een gebouw of terrein. Een terras staat niet voor brandkranen of op brandputten.
Artikel 5 Eisen aan de inrichting van een terras
Om voor een vergunning van de burgemeester in aanmerking te komen voldoet een terras op een openbare plaats aan de volgende inrichtingsregels:
1. Een terras is niet groter dan de afmeting die in de vergunning staat.
2
2. Terrasschotten en -schermen zijn niet hoger zijn dan 2 meter. Het gedeelte boven 1,20
meter is transparant of doorzichtig. De terrasschotten- en schermen staan alleen haaks op de gevel en er staat geen reclame-uiting op.
3. Het terrasmeubilair, waaronder terrasschotten en -schermen, parasols en bloembakken, zijn eenvoudig te verwijderen en te verplaatsen.
4. Op het terras zijn geen terrasvlonders of andere vloerbedekking neergelegd. 5. Op het terras staan geen statafels.
6. Er staan geen verstrekpunten op het terras, tenzij de burgemeester hiervoor toestemming heeft verleend.
7. Er staan geen partytenten en soortgelijke bouwwerken of materialen op het terras. 8. Open vuur (zoals vuurkorven) op het terras is verboden.
9. Op het terras staan geen muziekinstallaties en er wordt geen versterkte muziek of andere versterkte geluiden gemaakt.
Artikel 6 Regels voor het gebruik van een terras
De burgemeester verbindt aan de exploitatievergunning de volgende voorschriften:
1. De vergunninghouder zorgt ervoor dat het gebruik van het terras er niet toe leidt dat de
omgeving van het horecabedrijf wordt vervuild met etenswaren, verpakkingen en andere materialen.
2. Na sluiting van het terras wordt het terrasmeubilair direct weggehaald. Dit is niet het geval als het terrasmeubilair wordt weggezet zodat dit niet gebruikt kan worden.
3. Tijdens marktdagen, evenementen of andere activiteiten op de openbare plaats wordt het terrasmeubilair verwijderd of opgestapeld, zodat het terras de markt, het evenement of de activiteit niet in de weg staat.
4. Het terras wordt direct of binnen een aangegeven termijn tijdelijk gesloten en/of verwijderd als de burgemeester of de politie hierom verzoekt.
Artikel 7 Overgangsbepaling De inwerkingtreding van de Beleidsregel terrassen heeft geen gevolgen voor terrassen die voldeden aan de regels van het Terrassenreglement gemeente Utrecht 2018.
Artikel 8 Intrekking
Het Terrassenreglement gemeente Utrecht 2018 wordt ingetrokken.
Artikel 9 Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking de dag na bekendmaking.
Artikel 11 Citeertitel
Deze beleidsregel heet Beleidsregel terrassen gemeente Utrecht. Vastgesteld door de burgemeester op [DATUM 2021]
3
De burgemeester
Sharon A.M. Dijksma
4
1 Toelichting Beleidsregel terrassen gemeente Utrecht.docx
Toelichting op de Beleidsregel terrassen gemeente Utrecht Algemene toelichting Terrassen leveren een positieve bijdrage aan de levendigheid van de stad. Ze maken het mogelijk dat bewoners en bezoekers op openbare plaatsen kunnen vertoeven en van een hapje of drankje kunnen genieten. Ook geven terrassen de stad een vrolijke en levendige uitstraling, waar horecaondernemers aan bijdragen. Tegelijkertijd kunnen terrassen ook een nadelige uitwerking hebben op de stad. Ze leggen beslag op de openbare plaats, waardoor voetgangers en ander verkeer minder ruimte hebben en er geen plek meer is voor andere voorzieningen (zoals fietsparkeren) of andere activiteiten. Ook kunnen terrassen het woongenot van omwonenden verstoren (geluidsoverlast en vervuiling) en het uiterlijk aanzien van de omgeving voor andere ondernemers en omwonenden negatief beïnvloeden (zoals rommelige opslag van meubilair, terrasschotten en parasols)
Met regels minder spanning tussen belangen Vanwege de spanning tussen het belang van de horecaondernemer (terras voor commerciële doeleinden) en het algemeen belang van de stad (leefbaarheid voor omwonenden, aantrekkelijkheid voor bezoekers, uitstraling van de stad) is het belangrijk om regels op te stellen voor terrassen in onze stad. De Beleidsregel terrassen gemeente Utrecht (hierna: Beleidsregel terrassen) geeft deze regels.
Uitgangspunt: gebruik openbare ruimte is tijdelijk gebruik De Beleidsregel terrassen zorgt ervoor dat terrassen een positieve bijdrage leveren aan de beleving van de stad en tegelijkertijd overlast en andere negatieve aspecten worden voorkomen. Het uitgangspunt is dat het gebruik van de openbare ruimte voor een terras geen recht is. Als een horecaondernemer toestemming krijgt van de gemeente voor een terras, dan gaat het altijd om tijdelijk gebruik van de openbare plaats, ook als de vergunning voor onbepaalde tijd is. De gemeente staat privatisering niet toe, wat betekent dat de grond eigendom blijft van de gemeente en niet het eigendom is van de horecaondernemer.
De Beleidsregel terrassen werkt de regels Verordening horeca verder uit De Beleidsregel terrassen volgt de Verordening horeca gemeente Utrecht (hierna: Verordening horeca) en werkt de regels verder uit waar een terras aan moet voldoen om een vergunning van de burgemeester te kunnen krijgen. Voor horecaondernemers met een terras gelden dus zowel de Verordening horeca als de Beleidsregel terrassen. Als in het horecabedrijf en dus op het terras alcoholhoudende drank wordt geschonken, dan geldt ook de Alcoholwet.
Artikelsgewijze toelichting Artikel 2 Algemeen Het terras mag geen afbreuk doen aan de openbare plaats, de weg en omgeving. Er moet ruimte zijn voor iedereen. Hierbij is het belangrijk dat de weg en openbare plaats gebruikt worden waarvoor deze bedoeld zijn. Het terras mag nooit leiden tot brandonveilige situaties of de veiligheid nadelig beïnvloeden. Omdat terrassen vrijwel altijd op of aan een openbare plaats of de weg zijn gelegen, is het van belang dat terrasmeubilair en de gebruikte materialen zoals parasols en terrasschotten ondergeschikt zijn aan het straatbeeld, geen armoedige uitstraling hebben en niet leiden tot onevenredige aantasting van het straatbeeld. Hierbij kunnen kleurgebruik en materiaal een rol spelen
Artikel 3 Algemeen Horecabedrijven met een vergunning voor een terras hebben op grond van artikel 13, lid 2, van de Verordening horeca een sluitingstijd van 01.00 uur. Lid 3 van artikel 13 van de Verordening horeca biedt de burgemeester de mogelijkheid om terrassen aan te wijzen waarvoor ruimere openingstijden gelden. Dit is gedaan in artikel 3 van deze beleidsregel. Lid 1 Horecabedrijven met een vergunning voor een terras kunnen op zaterdag en zondag het terras langer openhouden – tot 02.00 uur in plaats van 01.00 uur – als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. De voornaamste voorwaarde is dat een dagtemperatuur van 25 graden Celsius of hoger wordt verwacht; op dat moment geldt de 25 gradenregeling. Lid 1, sub b Het extra openingsuur valt officieel op een zaterdag of zondag in de vroege ochtend van 01.00 uur tot 02:00 uur. In de regel wordt dit omschreven als de nacht van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag. Lid 1, sub c Als op vrijdag of zaterdag een dagtemperatuur van 25 graden of hoger wordt verwacht, dan wordt dit bekend gemaakt op de website van de gemeente. De burgemeester baseert zich hierbij op een nauwkeurige weersvoorspelling die specifiek voor de stad Utrecht is opgesteld. De gemeente geeft opdracht voor deze nauwkeurige weersvoorspelling. Andere weerberichten en metingen zijn niet geldig. Horecaondernemers kunnen aan de hand van de
bekendmaking van de gemeente vaststellen of hun terras op een vrijdag of zaterdag langer open mag zijn vanwege het mooie weer Lid 1, sub d De verlenging van de sluitingstijd van het terras geldt niet voor horecabedrijven waar in de vergunning specifieke eisen zijn opgenomen over de sluitingstijden van terrassen of waarvoor andere regels gelden waardoor zij eerder gesloten moeten zijn. De 25 gradenregeling geldt dan dus niet. Lid 2 De burgemeester kan bepalen dat de verlenging van terrasopeningstijden (25-graden regeling) niet geldt als dat in het belang is van de openbare orde, de veiligheid van personen of goederen en/of het beperken van overlast.
Artikel 4 Algemeen De locatieregels gelden voor terrassen op een openbare plaats. Daarbij wordt gekeken naar een vrije doorgang van het verkeer en het doelmatig en veilig gebruik van de weg. In beginsel is een terras voor wat betreft de locatie toegestaan als aan de regels van dit artikel wordt voldaan. Het is mogelijk dat dezelfde locatieregels gelden voor een terras op privéterrein en overdekte winkelcentra, zoals Hoog Catharijne. Dit komt terug in de voorschriften van de vergunning. Lid 1 Een minimumnorm van 4,00 meter voor de vrije doorgang moet ervoor zorgen dat in alle situaties de vrije doorgang van hulpverleningsvoertuigen (ambulance, brandweer, politie) en voetgangers gegarandeerd is. Deze afstandsnorm is vooral van belang in het voetgangersen wandelgebied in en rondom de historische binnenstad van Utrecht. In andere delen van de stad is over het algemeen meer ruimte om een andere maatvoering te kunnen hanteren om de vrije doorgang te garanderen. Dit hangt af van de specifieke situatie en wordt per geval beoordeeld. In alle gevallen geldt dat mensen met een fysieke beperking altijd voldoende ruimte moeten hebben om een terras veilig te passeren. Lid 2 Bij toepassing van de norm van 1,50 meter vrije doorgang wordt rekening gehouden met beschikbare ruimte voor een terras vanaf de gevel, die minimaal 1,00 meter diep is.
Als deze ruimte er niet is dan verleent de burgemeester geen vergunning. In bijzondere gevallen, zoals de smalle Utrechtse stegen, kan hiervoor een uitzondering worden gemaakt.
Daarbij wordt in ieder geval gekeken naar de brandveiligheid en het veilig kunnen vluchten van bezoekers. Lid 4 De werven langs de Oudegracht zijn vooral toegankelijk voor voetgangers of over het water. Omdat hulpverleningsvoertuigen hier niet kunnen komen, is het niet noodzakelijk om een minimale vrije doorgang van 1,5 meter aan te houden. Een minimale vrije doorgang van 0,75 meter is voldoende voor voetgangers op deze plek. Lid 5 De norm van 1 meter is opgenomen, omdat in de praktijk blijkt dat een zitgelegenheid, in welke vorm dan ook, bij normaal gebruik altijd 1 meter ruimte in beslag neemt. Een stoep van 2 meter breed is dus niet geschikt voor een terras, omdat ook 1,5 meter vrije doorgang aanwezig moet zijn voor voetgangers (zie lid 2). Lid 6 Een terras mag niet breder zijn dan de gevel van een horecabedrijf. Dit geldt voor elke gevel van het horecabedrijf, en dus ook voor een zij- of achtergevel. Het gaat er vooral om dat het terras niet voor andere panden wordt geplaatst. Een horecabedrijf dat op een hoek is gelegen mag op grond van de regels geen terras hebben op de hoek tussen twee gevels, bijvoorbeeld een voor- en zijgevel. De burgemeester kan hiervan afwijken als de bijzondere situatie dat toelaat. Lid 8 Een vergunning voor een terras is mogelijk als dat niet direct aansluit aan een horecabedrijf.
In deze gevallen moet het personeel en de bezoekers een weg of fietspad oversteken. De veiligheid van zowel het personeel, de bezoekers en weggebruikers wordt beoordeeld voordat een exploitatievergunning wordt verleend. In verband met de veiligheid ziet tweerichtingsverkeer enkel op fietsverkeer. Soms is het nodig om loopruimte direct langs etalages van winkels en andere (horeca)bedrijven vrij te houden, zodat zij een vrije toegang houden. In dat geval is het mogelijk om zogenaamde terras-eilanden toe te staan (zoals op de Mariaplaats en het Oudkerkhof). Daarbij wordt altijd beoordeeld of de looproutes van bezoekers van de binnenstad en het belang van het beschermen van de historische omgeving een reden zijn om terraseilanden niet toe te staan. Lid 9
Er is altijd direct zicht op het terras vanuit het horecabedrijf zodat toezicht gehouden kan worden op de naleving van regels uit bijvoorbeeld de Beleidsregel terrassen, de Verordening horeca of de Alcoholwet. Denk bijvoorbeeld aan alcoholgebruik door minderjarigen, handel op het terras, maar ook de exploitatie van het terras binnen (maatvoering van) de vergunning. Aan deze regel wordt voldaan als vanuit de horecalokaliteit en/of de ingang van het horecabedrijf toezicht gehouden kan worden over het hele terras.
Artikel 5 Algemeen De inrichting van een terras is onderdeel van de exploitatievergunning. Het verlenen van een vergunning betekent niet dat op een terras alles is toegestaan. Voor sommige andere activiteiten zoals (handels)reclame of bouwen kan een omgevingsvergunning nodig zijn. Dit verschilt per activiteit en soms ook per locatie. Een vergunninghouder is en blijft zelf verantwoordelijk om aan alle regels te voldoen. Lid 1 Het gebruik van de omvang van de terrassen worden gecontroleerd op basis van de terrastekeningen bij de exploitatievergunning. Op sommige plekken in de stad, waaronder de binnenstad, is de afmeting van de terrassen gemarkeerd door pinnen in de grond. Het pinnen zorgt voor een betere en snellere controlemogelijkheid, een betere zichtbaarheid voor de vergunninghouder/leidinggevende van de afmeting van het terras en voorkomt discussies over het gebruik van het terras. Lid 2 De hoogte van een terrasschot of terrasscherm is maximaal 2,00 meter. Uit onze inventarisatie blijkt dat de meeste terrasschotten en terrasschermen deze hoogte hebben, waarmee we met deze norm aansluiten bij de praktijk. Het gedeelte van het terrasschot of terrasscherm boven de 1,20 meter is transparant of doorzichtig zijn. Er staan geen reclameuitingen op een terrasschot of terrasscherm.
Het is wel toegestaan om hier de bedrijfsnaam of het bedrijfslogo van het bijbehorende horecabedrijf op te zetten. Lid 3 De materialen die gebruikt worden voor een terras zijn makkelijk (handmatig, zonder hulpmiddelen) te verwijderden en te verplaatsen. Hiermee wordt de openbare plaats gewaarborgd en kunnen er andere activiteiten plaatsvinden zonder belemmeringen van het terras.
Lid 5 Gasten op het terras zitten op het terrasmeubilair, zij worden staand niet bediend. Als gasten staan, kunnen er meer personen op een terras verblijven, waardoor de overlast voor de omgeving kan toenemen. Ook zorgen statafels snel voor meer (drinkende) personen buiten de vastgestelde terrasruimte. Dit legt een te groot beslag op de gemeentelijke handhavingscapaciteit. Vandaar dat statafels niet zijn toegestaan op een terras. Lid 6 Het is niet toegestaan om verstrekpunten op een terras te plaatsen. Dit zijn zowel uitgiftepunten voor eten en drinken als (voor)bereidingspunten voor eten en drinken. Door verstrekpunten kunnen bijvoorbeeld vluchtwegen (te snel) geblokkeerd worden en kan geuroverlast ontstaan door het bereiden van maaltijden/etenswaren op het terras. Ook is het in het kader van de volksgezondheid, de aanwezigheid van minderjarigen op een terras en het doel van NIX18 niet wenselijk om het direct verstrekken van alcoholhoudende drank op het terras te stimuleren. In bijzondere gevallen kan toestemming worden gevraagd aan de burgemeester om verstrekpunten op het terras toe te staan. Bijzondere gevallen zijn bijvoorbeeld nationale feestdagen als Koningsdag of grote sportevenementen zoals het EK of WK voetbal. De toestemming kan per e-mail aangevraagd worden bij het horecaloket.
De burgemeester kan hier voorwaarden aan verbinden, bijvoorbeeld dat een deel van het terras verwijderd moet worden als het verstrekpunt in gebruik is. Bij een evenement worden tappunten geregeld met een evenementenvergunning, en zo nodig een ontheffing op grond van de Alcoholwet. Lid 7 Het is niet toegestaan om partytenten, tarps (dekzeilen) en andere overkappingen neer te zetten op de openbare plaats. Dit heeft te maken met de openbare veiligheid en het uiterlijk aanzien van de omgeving. Lid 9 Op een terras is al sprake van stemgeluid. Ook kan er vanuit het horecabedrijf achtergrondmuziek ten gehore worden gebracht. Om een opeenstapeling van geluid in de omgeving van het horecabedrijf te voorkomen, wat kan leiden tot geluidsoverlast, is het op een terras niet toegestaan om versterkt muziekgeluid of vergelijkbare versterkte geluiden te laten horen. Om die reden is het niet toegestaan om muziekinstallaties of boxen op een terras te plaatsen, tenzij daarvoor een vergunning of ontheffing is verleend.
Artikel 6
Lid 1 Een horecabedrijf zorgt ervoor dat de omgeving van het horecabedrijf niet vervuild raakt door de etenswaren, verpakkingen en andere materialen die uit en van het horecabedrijf afkomstig zijn. Dit geldt binnen een straal van 25 meter van het horecabedrijf en een bijbehorend terras, zie artikel 2.13 Activiteitenbesluit milieubeheer. Lid 2 Het is niet toegestaan dat horecaondernemers de weg gebruiken als opslagplek voor terrasmeubilair en andere terrasmaterialen. Ook is het niet toegestaan om een terras op de openbare plaats te laten staan als het terras langer dan één week niet gebruikt wordt. Hiermee wordt voorkomen dat (in de nachtelijke uren) overlast kan ontstaan doordat personen gebruik maken van het terras terwijl het horecabedrijf gesloten is. Het onklaar maken en/of opstapelen van terrasmeubilair mag niet leiden tot onveilige situaties op de openbare plaats, om die reden is opstapelen tegen de gevel niet altijd de beste oplossing vanwege brandgevaar. Lid 3 Op sommige plekken wordt de openbare plaats ook gebruikt voor bijvoorbeeld evenementen en markten. Op het moment dat op de openbare plaats een markt of evenement plaatsvindt, is het terrasmeubilair weggehaald zodat het terras de andere activiteit niet hindert. De burgemeester beoordeelt per plek wat nodig is, zodat de markt of het evenement veilig kan plaatsvinden.
Lid 4 De burgemeester - haar toezichthouders - en de politie kunnen opdracht geven aan de horecaondernemer om een terras te sluiten of te verwijderen als dat vereist is uit het oogpunt van de openbare orde, de veiligheid van personen of goederen of een ander spoedeisend belang.