CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Gemeenteraad 17 juni 2021, gemeente Utrecht21.059 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

6

Regiepositie presterend vermogen spoedzorg Het aantal instellingen dat aantoonbaar geprepareerd is op continuïteit op het leveren van verantwoorde zorg tijdens crisisomstandigheden: Geen bijzonderheden.

7

Het aantal interventies in geval van tekortschieten bij de uitvoering van of voorbereiding daarop van de geneeskundige hulpverlening ex art. 34.1 Wvr: Realisatie conform planning.

8

Het aantal succesvolle interventies en het aantal niet-succesvolle interventies die hebben geleid tot een aanwijzing ex Wvr 34.2: Realisatie conform planning.

9

Het aantal GHOR-geregisseerde oefeningen met partners in de zorgketen: Reguliere planning is vervallen ivm COVID. De ruimte is benut door in samenwerking met de GGDrU 7 webinars te organiseren over de stand van zaken van de coronabestrijding voor verschillende doelgroepen (schoolbesturen, zorginstellingen, raadsleden en burgemeesters).

4.2

Prestatie-indicatoren

Tabel 10 Prestatie-indicatoren GHOR

Pagina

24

Toelichting Toezichtsrol zorgcontinuïteit 1

Rapporteren op beschikbaarheid en actualiteit rampenopvangplannen en OTO-jaarplannen conform branchenormen: Bestuursrapportage preparatie zorginstellingen is behandeld in het bestuur. Hierin wordt geconcludeerd dat enkele instellingen niet alles op orde hebben. In 2020 zou de rapportage besproken worden met zorgbestuurders. Dit is door de crisis helaas nog niet volledige uitgevoerd. Het gesprek met het Meander Medisch Centrum en het St Antonius Ziekenhuis is in november / december gevoerd. De andere partijen zullen in januari/ februari ev aan de beurt komen.

2

Concentraties van niet- en verminderd zelfredzamen in zorgvoorzieningen/ instellingen zijn actueel in beeld en bekend bij de GHOR-crisisorganisatie: GHOR4ALL is de applicatie die (landelijk) gebruikt wordt om relevante objecten (o.a. zorgvoorzieningen en instellingen) in relatie tot het incident in beeld te brengen.

3

De kwaliteit van de uitgevoerde crisisbeheersingsprocessen GHOR (M&A, O&A, L&C en I-mgm) is onderzocht en met de gemeenten besproken: Jaarlijks worden middels de systeemtest de processen getoetst. In 2020 is getoetst aan de hand van de coronacrisis.

4

De piketfunctionarissen van de GHOR zijn aantoonbaar opgeleid en vakbekwaam: Vanaf maart heeft het OTO-programma stil gelegen en is in beperkte mate herstart in september. De piketgroep Lid BO is uit gefaseerd.

5

De kwaliteit van de GHOR-adviezen aan de gemeenten en partners zijn twee maal per jaar met de gemeenten besproken: De GHOR-adviezen zijn integraal onderdeel van het proces vergunningverlening voor evenementen en worden niet individueel besproken.

6

Er is aantoonbaar voortgang geboekt op de GHOR-thema’s: Zorg continuïteit: In de COVID-19 crisis is duidelijk zichtbaar dat de continuïteit van zorg belangrijk is voor zowel de acute zorgketen als de niet acute zorg partijen. Het systeem van zorg zit onlosmakelijk aan elkaar verbonden en heeft effect op elkaar. De gezamenlijke aanpak met Bevolkingszorg moet nog opgestart worden. Crisisorganisatie GHOR:  Is vanaf medio februari volop in bedrijf om de COVID-19 crisis te managen vanuit de primaire taakstelling. De operationele leiding in de geneeskundige kolom door de DPG. De preparatie de afgelopen jaren werpt haar vruchten nu af! Zichtbaarheid GHOR:  Door de COVID-19 crisis is in één klap voor veel interne als externe partijen duidelijk geworden wat de rol en taak is van de GHOR. Het versneld realiseren van website voorzieningen heeft hier aan bijgedragen. Analyse GHOR-organisatie in relatie tot doelstellingen beleidsplan:  Door de COIVID-19 crisis is de scope van activiteiten vrijwel geheel opgegaan aan het ondersteunen van de zorginstellingen bij de uitvoering van hun vaak complexe zorgtaak. Binnen de eigen begroting zijn de mogelijkheden tot versterking ingezet tbv de bestuurlijke advisering van het ROAZ en andere netwerkpartners. In het traject is ook functieonderhoud

Pagina

25

uitgevoerd, wijzigingen naar aanleiding hiervan moeten nog worden vastgesteld. In maart ’21 ontvangt het bestuur een rapportage over de bereikte resultaten.

4.3

Gerealiseerde baten en lasten

Tabel 11 Baten en lasten GHOR

Pagina

26

5 Brandweer Onze belangrijkste activiteit is het bestrijden van incidenten. De COVID19-crisis laat zich ook zien in de brandweer activiteiten. Zo zien we een toename van buitenbranden door vermoedelijk baldadigheid/verveling. Het aantal alarmeringen van brandweereenheden voor onechte of onterechte OMS-meldingen is toegenomen. Dit komt vermoedelijk doordat de bezetting in deze objecten als gevolg van COVID-19 lager is, waardoor alarmopvolging door de gebruikers langer duurt dan normaal en de brandweer dus moeten uitrukken. Het aantal hulpverleningen was weer lager dan normale, waarschijnlijk doordat er een gedeelte van het jaar ook minder verkeersbewegingen zijn geweest. Evenals bij de crisisorganisatie, zien we ook hier dat het aantal uren dat ingezet is op vakbekwaamheid aanzienlijk minder is dan normaal. De dienstverlening van de brandweer is ondanks COVID-19 op peil gebleven. Om besmettingen in het brandweerkorps zoveel mogelijk te voorkomen, vonden in 2020 gedurende een groot deel van het jaar op posten alleen activiteiten plaats die noodzakelijk waren voor de paraatheid. De paraatheid wordt regiobreed gemonitord, waarbij ook vooruit wordt gekeken, zodat problemen in de paraatheid tijdig kunnen worden opgemerkt en we indien nodig maatregelen kunnen treffen. Daarbij zijn er ter ondersteuning van de paraatheid enkele gerichte experimenten (proeftuinen) gestart.

Aan de hand van een continuïteitsplan Brandweerrepressie hebben we in beeld gebracht welke maatregelen we moeten nemen om het vitale proces van aannemen, alarmeren en uitrukken te borgen, ook als een (groot) deel van het personeel uitvalt door besmetting met het coronavirus. Vakbekwaamheid Door de coronamaatregelen waren activiteiten op het gebied van opleiden, trainen en oefenen in mindere mate mogelijk. Daardoor kon bijvoorbeeld slechts iets meer dan de helft van het begrote aantal manschappen de opleiding afronden. Ook zijn veel nieuwe opleidingen noodgedwongen uitgesteld. Om ervoor te zorgen dat er voldoende nieuwe brandweermensen instromen, zal het aantal opleidingen de komende jaren moeten worden geïntensiveerd. Wij zijn het gebruik van de elektronische leeromgeving (ELO) nog meer gaan stimuleren, zodat ondanks de beperkingen alle beschikbare middelen gebruikt zijn om de kennis op peil te houden. MPBSP Het materieel- en personeelsbeheer- en spreidingsplan (MPBSP) is op 10 februari door het algemeen bestuur bekrachtigd. Aanvullend heeft het algemeen bestuur in juli besloten tot het tijdelijk behouden van het redvoertuig in Vianen. De implementatie van het materieel en personeelsbeheer- en spreidingsplan is in volle gang. Voor ruim de helft van de posten geldt dat de implementatie volledig is afgerond.

Voor de rest van de posten is een plan opgesteld of in afronding waarin staat hoe en wanneer te komen van de huidige tot de gewenste situatie. Adembeschermingswerkplaats Met betrekking tot de adembeschermingswerkplaatsen is helaas duidelijk geworden dat de geplande inpassing in de kazernes in Woerden en Veenendaal niet mogelijk is. De zoektocht naar een nieuwe locatie om de werkzaamheden uit te kunnen voeren is in volle gang. In eerste instantie zal het gaan om een tijdelijke locatie. Taakdifferentiatie brandweer De landelijke denktank in het kader van taakdifferentiatie bij de brandweer heeft een denkrichting opgeleverd. De VRU heeft de consequenties van de denkrichting op de

Pagina

27

brandweerorganisatie van de VRU beoordeeld en in beeld gebracht. Daarbij is een brede vertegenwoordiging uit de organisatie betrokken geweest.

5.1

Productie-indicatoren

Tabel 12 Productie-indicatoren Brandweer

Toelichting

1

Incidenten bestrijden Het aantal uitrukken voor brandbestrijding en redding: Het aantal uitrukken voor brandbestrijding ligt hoger dan in 2019. Deze stijging is terug te vinden in het aantal overige branden en OMS-meldingen. Sinds de uitbraak van COVID-19 constateren we een toename van buitenbranden door vermoedelijk baldadigheid/verveling. Door het droge voorjaar is het aantal natuurbranden hoger geweest. Ook wordt door de duiding van incidenten in eerste instantie als gebouwbrand gemelde branden in een aantal gevallen omgezet naar de categorie “overige branden”. Het aantal alarmeringen van brandweereenheden voor onechte of onterechte OMS-meldingen is toegenomen. Dit komt vermoedelijk doordat de bezetting in deze objecten als gevolg van COVID19 lager is, waardoor alarmopvolging door de gebruikers langer duurt dan normaal en de brandweer dus moeten uitrukken.

2

Het aantal uitrukken voor hulpverlening: Het aantal incidenten voor hulpverleningen m.b.t. dieren blijft constant t.o.v. 2019. Bij het aantal uitrukken voor technische hulpverlening is sprake van een afname. Er vindt een betere duiding plaats in deze categorie. Meldingen van gaslekkages en CO worden voortaan bij “Het aantal uitrukken voor basishandelingen bij de bestrijding van ongevallen met gevaarlijke stoffen” geregistreerd. Daarnaast is er een langere periode geweest dat er, door COVID-19 minder verkeersbewegingen waren op het wegennet, waardoor ook minder (ernstige) verkeersongevallen plaats hebben gevonden.

Pagina

28

De daling van het aantal incidenten “overige hulpverlening” komt verder doordat er in 2020 slechts een beperkt aantal “stormdagen” zijn geweest. Daarnaast waren deze zeer plaatselijk (twee keer “alleen” de Heuvelrug). 3

Het aantal uitrukken voor basishandelingen bij de bestrijding van ongevallen met gevaarlijke stoffen: Hoewel door de categoriewissel van CO- en gasmeldingen dit aantal is toegenomen (zie ad. 2) zijn er ook meer gas-gerelateerde incidenten geweest door klussen in en om het huis. Met name in de beginperiode toen door COVID-19 door de regering op is geroepen zo veel mogelijk thuis te werken.

4

Het aantal uitrukken voor ondersteuning bij waterongevallen: Het aantal inzetten voor ondersteuning bij waterongevallen blijft constant t.o.v. voorgaande jaren.

5

Het totaal aantal uitrukken: Toename van het aantal is te vinden in categorie 1b en 1c. Zie de toelichting onder ad. 1

6

Het aantal geredde slachtoffers: Dit aantal betreft twee te water geraakte slachtoffers, één persoon die vast zat in een kruipruimte en mensen die tijdens een brand door de brandweer naar buiten zijn gebracht.

7

Het aantal nazorg gesprekken met bewoners bij incidenten: Er hebben twee nazorggesprekken plaatsgevonden.

8

Het aantal inzetten voor en in buurregio’s: Toename van dit aantal is conform toename van overige branden en OMS-meldingen.

9

Vakbekwaamheid Het aantal uren besteed aan de vakbekwaamheid van incidentbestrijders: In verband met de COVID-19 crisis zijn er minder uren besteed dan begroot.

10

Aantal cursisten manschap A dat de opleiding heeft afgerond: In verband met de COVID-19 crisis zijn er minder opleidingen afgerond dan begroot.

11

Aantal cursisten dat de opleiding bevelvoerder heeft afgerond: Geen bijzonderheden.

12

Aantal cursisten dat de opleiding voertuigbediener-pompbediende heeft afgerond: In verband met de COVID-19 crisis zijn er minder opleiding afgerond dan begroot.

Pagina

29

5.2

Prestatie-indicatoren

Tabel 13 Prestatie-indicatoren Brandweer

Toelichting

1

Paraatheid De opkomsttijden van de brandweer zijn overeenkomstig de eisen van het dekkingsplan uitgevoerd (meettijden): De opkomsttijden zijn conform begroting.

2

De inzet op belangrijke objecten is volgens het jaarplan beoefend en geëvalueerd: Dit heeft conform begroting plaatsgevonden.

3

De paraatheid van de brandweer is overeenkomstig de eisen van het dekkingsplan gegarandeerd geweest: Dit heeft voor het grootste deel plaatsgevonden.

4

De piketfunctionarissen van de brandweer zijn aantoonbaar opgeleid en vakbekwaam: In verband met COVID heeft dit niet plaatsgevonden.

5

De kwantiteit en kwaliteit van de brandweerinzetten zijn twee maal per jaar met de gemeenten besproken: Dit heeft conform begroting plaatsgevonden.

6

7

Jeugdbrandweer Het percentage jeugdbrandweerleden dat doorstroomt naar de reguliere brandweer ten opzichte van het aantal jeugdleden dat de jeugdbrandweer verlaat op 18/19 jarige leeftijd: In 2020 konden activiteiten van de jeugdbrandweer door COVID-19 grotendeels alleen online plaatsvinden. Daarom is besloten dispensatie te verlenen aan de 18-jarigen. Dit houdt in dat zij een jaar langer lid mogen blijven van de jeugdbrandweer. De uitstroom is dit jaar daarom laag: alleen de leden die geen gebruik maken van de dispensatie, zijn gestopt. Het gaat om 5 jeugdleden. Van hen stromen er 2 door naar de repressieve dienst in hun gemeente. Geen van de 5 uitgestroomde jeugdbrandweerleden heeft gekozen voor een studie binnen het veiligheidsdomein. Het percentage uitgestroomde jeugdbrandweerleden dat kiest voor een vervolg (werk/studie) binnen het veiligheidsdomein: Zie voor de toelichting ad 6.

Pagina

30

5.3

Gerealiseerde baten en lasten

Tabel 14 Baten en lasten Brandweer

Pagina

31

6 Meldkamer In 2020 zijn de meldkamers VRU, Gooi- en Vechtstreek en Flevoland intensiever gaan samenwerken, in aanloop naar de samenvoeging in 2025. In 2020 is hard gewerkt aan het implementeren van de landelijke en regionaal geharmoniseerde werkprocessen. Hierbij is een groot aantal alarmerings- en classificeringscodes gewijzigd, waarbij het opnieuw geautomatiseerd kunnen toepassen van codes tijd nodig heeft gehad. Tegelijkertijd hebben we meerdere nieuwe medewerkers ingewerkt en hebben we een verbeterslag gemaakt in de – volgens landelijke afspraken – classificering van incidenten. Inmiddels werken we hard aan het weer terugbrengen van onze verwerkingstijd. De continuïteitsplannen met betrekking tot COVID-19 van de huidige meldkamers van Utrecht en Gooi- en Vechtstreek/Flevoland zijn op elkaar afgestemd, zodat gezamenlijk meer uitval kan worden opgevangen. In 2020 hebben we een meerjarenplan ‘vakbekwaam blijven’ opgesteld voor de meldkamer brandweer. Ontbinding verbonden partij ‘GMU’ Conform art. 35 van de Wet veiligheidsregio’s had het bestuur van de veiligheidsregio de beschikking over een gemeenschappelijke meldkamer die was ingesteld en in stand werd gehouden ten behoeve van de brandweertaak, de geneeskundige hulpverlening, de ambulancezorg en de politietaak.

De meldkamers werden ondersteund door het Facilitair Bedrijf (FB) van de stichting Gemeenschappelijke Meldkamer Utrecht (GMU). Het FB beheerde de ICTsystemen en de huisvesting. De VRU participeerde samen met de politie en de RAVU in het stichtingsbestuur. Na de inwerkingtreding van de Wijzigingswet is het beheer van de meldkamer op 1 januari 2020 overgedragen aan de Nationale Politie en is de GMU eind 2020 ontbonden en vereffend.

Pagina

32

6.1

Productie-indicatoren

Tabel 15 Productie-indicatoren Meldkamer

Toelichting Hieronder worden de belangrijkste verschillen tussen begroting, realisatie, 2019 en 2020 toegelicht. 1

Het aantal meldingen dat bij de regionale alarmcentrale is aangenomen: Het aantal meldingen dat ontvangen is bij de meldkamer. Voor een incident kan één of meerdere meldingen zijn gedaan. Door duiding kunnen we beter aangeven wat het juiste aantal meldingen is. In het genoemde aantal van 20.177 zijn ook meldingen opgenomen die geen repressieve grondslag hebben. Zo worden testmeldingen van op te leveren brandmeldinstallaties en meldingen t.b.v. instructie van nieuwe centralisten in deze categorie weggeschreven. Ook wordt er voor de veiligheid van brandweerduikers een melding aangemaakt om direct in contact te staan met de meldkamer. Deze oefenduiken staan ook als melding in deze categorie genoteerd. Deze 3 typen “test”-meldingen zijn in 2020 in totaal 3.161 keer aangemaakt. Daarmee komt het netto aantal meldingen voor incidenten op 17.016 (20.177 – 3.161) Deze duiding hebben we ook met terugwerkende kracht voor 2019 doorgevoerd. Toen zijn er 2.179 meldingen aangemaakt waarmee het netto aantal meldingen voor 2019 op 16.268 is gekomen.

2

Het aantal vanuit de meldkamer begeleide en ondersteunde uitrukken: Het aantal incidenten waar door de meldkamer één of meer brandweereenheden voor zijn gealarmeerd. Alle gealarmeerde eenheden worden begeleid en ondersteund door de meldkamer. De toename wordt veroorzaakt door een stijging van het aantal alarmeringen voor onechte of onterechte OMS-meldingen en overige branden. De stijging van de onechte of onterechte OMSmeldingen komt vermoedelijk doordat de bezetting in objecten lager (en vaak niet bezet) is waardoor alarmopvolging door de gebruikers langer duurt dan normaal. De stijging van de uitrukken voor overige branden is waarschijnlijk een combinatie van branden als gevolg van baldadigheid/verveling en het droge voorjaar waardoor er meer natuurbranden zijn geweest.

3

Verwerkingstijd meldingen: Berekening van de verwerkingstijd: de gemiddelde verwerkingstijd van alle prioriteit 1 meldingen voor gebouwbranden (conform uitgangspunt Beleidsplan VRU 2020-2023) waarvoor een brandweereenheid is gealarmeerd. Hierin zijn alleen meldingen meegenomen met een verwerkingstijd tussen 5 seconden en 10 minuten. Het kost minimaal 5 seconden om een eenheid te koppelen aan een incident. Tijden korter dan 5 seconden zijn niet representatief. Dit zijn ook meldingen die in eerste instantie door de meldkamer van de politie of de meldkamer Ambulance aangenomen zijn. Tijden langer dan 10 minuten betreffen voertuigen die bijvoorbeeld later

Pagina

33

gekoppeld zijn aan een eerder incident of waarvan de prioriteit later aangepast is van prioriteit 2 naar prioriteit 1. Ook deze verwerkingstijden zijn niet representatief, en derhalve in de berekening niet meegenomen. De verwerkingstijd van de meldkamer was in 2020 hoger dan in 2019. In het kader van de landelijke en regionale harmonisatie van werkprocessen is in 2019 een groot aantal alarmeringsen classificeringscodes gewijzigd, waarbij het opnieuw geautomatiseerd kunnen toepassen van codes tijd nodig heeft gehad. Tegelijkertijd werden meerdere nieuwe medewerkers ingewerkt en hebben we een verbeterslag gemaakt in de – volgens landelijke afspraken – classificering van incidenten. Inmiddels werken we hard aan het weer terugbrengen van onze verwerkingstijd. 4

Het percentage GRIP incidenten met inzet CaCo: In 43% van de GRIP-incidenten (3 van de 7) was per direct een CaCo beschikbaar. In twee gevallen was de CaCo binnen afzienbare tijd beschikbaar, deze situaties zijn echter niet meegenomen in het resultaat. Het 24/7 beschikbaar hebben van een CaCo is een wettelijke verplichting. Het issue dat de CaCo niet altijd beschikbaar is, is een reeds langer bekend knelpunt. Een knelpunt dat ook landelijk speelt. In de afgelopen jaren zijn er, naast personeel van de meldkamer, ook onder kantoorpersoneel van de VRU extra CaCo’s geworven. Daarmee is de roosterdruk voor de zittende CaCo’s verlicht, maar is er nog geen 24/7 bezetting bereikt. De beschikbare capaciteit wordt vooral op de dag/avond gepland. Historisch gezien vinden dan de meeste incidenten plaats. (In 2020 waren 293 van de 1098 diensten niet gevuld. Eén derde daarvan viel binnen het dagvenster (dag/avond) en twee derde buiten het dagvenster.) De CaCo heeft ook een functie bij het beschikbaar stellen vaneen multidisciplinair beeld. Waar door de genoemde roosterproblemen de CaCo dit niet tijdig kon doen, is dit opgepakt door de informatiemanagers (lid CoPI/ROT) of door een medewerker van het VIC. De eerder genoemde doorontwikkeling van zowel de crisisorganisatie als het VIC, zijn belangrijke ontwikkelingen om aan te denken bij de oplossingsrichting voor dit knelpunt.

5

Multidiciplinair beeld is binnen 5 minuten beschikbaar: In 43% van de gevallen (3 van de 7) een multidisciplinair beeld beschikbaar gesteld door de CaCo. In andere gevallen is het beeld binnen afzienbare tijd beschikbaar gesteld door de informatiemanagers (lid CoPI/ROT). De toelichting gegeven bij indicator 12 is ook hier van toepassing. Het beschikbaar stellen van een eerste multidisciplinair beeld binnen 5 minuten is een taak van de CaCo. Als een CaCo niet beschikbaar is wordt op andere wijze zo snel mogelijk een multidisciplinair beeld beschikbaar gesteld. Meestal door de informatiemanagers ROT/CoPI of medewerker VIC. Het VIC en de doorontwikkeling van de crisisorganisatie zijn belangrijke ontwikkelingen om aan te denken bij de oplossingsrichting voor dit knelpunt.

Pagina

34

6.2

Gerealiseerde baten en lasten

Tabel 16 Baten en lasten Meldkamer

Pagina

35

7 Algemeen 7.1

Algemene kosten en dekkingsmiddelen

Tabel 17 Algemene kosten en dekkingsmiddelen Bedragen x € 1.000

Overzicht algemene dekkingsmiddelen Begroting 2020

Actualisatie 2020

Realisatie 2020

Vergoeding OMS Rijksbijdrage (BDuR) Gemeentelijke bijdrage Doorbelaste kapitaallasten kazernes Overige baten

1.079 9.300

1.079 9.785

1.096 10.642

85.262 386

85.482 772

85.357 1.227

Totaal

96.027

97.118

98.322

Toelichting In hoofdstuk 2 van de jaarrekening vindt u een toelichting op de afwijkingen tussen de realisatie 2020 en de geactualiseerde begroting 2020.

7.2

Overhead

In de berekening van de totale kosten van overhead hebben wij de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. De organisatieonderdelen Bedrijfsvoering en Directie & Staf zijn in principe overhead, met uitzondering van: a. de centrale personeelsbudgetten die hieronder zijn opgenomen (deze worden op basis van formatie verdeeld over de taakvelden); b. de lasten van het FLO-overgangsrecht; c. kosten met betrekking tot de kazernes; d. bijdragen aan GMU en IFV; e. kosten van bestuursondersteuning. 2. Overheadkosten in de primair processen zijn: a. Directeuren en afdelingshoofden: 100% b. Managementondersteuning: 100% Op basis van de bovenstaande uitgangspunten is het overzicht van de kosten van overhead voor 2020 als volgt: Tabel 18 Kosten overhead

Pagina

36

7.3

Onvoorzien

De begroting van de VRU bevat geen post onvoorzien.

7.4

Gerealiseerde baten en lasten

Tabel 19 Baten en lasten Algemeen inclusief Overhead

Pagina

37

8 Paragrafen Dit hoofdstuk bevat de in het BBV voorgeschreven paragrafen, met uitzondering van de paragrafen Lokale heffingen en Grondbeleid, welke niet van toepassing zijn op onze organisatie. Achtereenvolgens treft u aan:  Weerstandsvermogen en risicobeheersing;  Onderhoud kapitaalgoederen;  Financiering;  Bedrijfsvoering;  Verbonden partijen;  COVID-19.

Pagina

38

9 Weerstandsvermogen en risicobeheersing Het weerstandsvermogen kan worden omschreven als de mate waarin de organisatie in staat is om omvangrijke financiële tegenvallers op te vangen, zonder dat het beleid behoeft te worden aangepast. Risicobeheersing is gericht om de schadelijke gevolgen van risico’s zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken.

9.1

Weerstandscapaciteit

De bedrijfsvoeringreserve laat de weerstandscapaciteit van de VRU zien. Binnen deze capaciteit kunnen de risico’s (mogelijke toekomstige financiële tegenvallers) worden opgevangen. Op basis van de risico-inventarisatie (zie paragraaf 9.2) bedraagt de benodigde weerstandscapaciteit voor 2021 € 0,6 miljoen. Onze beschikbare weerstandscapaciteit is € 1,4 miljoen. Daarmee is de verhouding (beschikbaar/benodigd) groter dan 1 (2,3). Tabel 20 Weerstandscapaciteit Bedragen in € 1.000

Overzicht weerstandscapaciteit 2019 2020

Bedrijfsvoeringsreserve

1.409

1.409

Totaal weerstandscapaciteit

1.409

1.409

9.2

Risico-inventarisatie en benodigde weerstandscapaciteit

In de volgende tabel zijn de belangrijkste financiële risico’s voor 2021 weergegeven, voor zover bekend ten tijde van het opstellen van de jaarstukken. Daarbij is een analyse gemaakt van de omvang en de kans dat het risico zich voordoet.

Pagina

39

Tabel 21 Risico-inventarisatie

Pagina

40

9.2.1 Verzekeringen Om risico’s af te dekken hebben wij diverse verzekeringen afgesloten voor personeel en schade aan materieel, gebouwen en aansprakelijkheid. 9.2.2 Kengetallen Volgens de richtlijnen van het BBV zijn hieronder vier van de zes verplichte kengetallen weergegeven. De overige twee voorgeschreven kengetallen (grondexploitatie en belastingcapaciteit) zijn niet van toepassing op onze organisatie. De wetgever wil met deze kengetallen inzicht hebben in de financiële weerbaarheid en wendbaarheid (de mate waarin bij een tegenvaller financieel kan worden bijgestuurd). De kengetallen geven aan over hoeveel financiële ruimte wij beschikken om structurele en incidentele lasten te dekken of op te vangen. De kengetallen dienen te worden beoordeeld in samenhang met elkaar en met de financiële positie. Tabel 22 Verplichte kengetallen

Toelichting kengetallen Netto schuldquote: Het quotiënt van totale schulden minus liquide middelen minus uitgeleende gelden en de totale baten

9.2.3 Netto schuldquote Onze positie met betrekking tot de schuldquote is gunstig te noemen. De norm ligt tussen de 0100%. Wij liggen hiermee ruimschoots onder het maximum van 100%. De daling van de schuldquote is veroorzaakt door een lager saldo van de langlopende schulden door regulieren aflossingen en een hogere stand van de liquide middelen

Solvabiliteitsratio: Het quotiënt van eigen vermogen en balanstotaal Structurele exploitatieruimte:

9.2.4 Solvabiliteitsratio De solvabiliteit is ten opzichte van 2019 gestegen door de toename van eigen vermogen door het rekeningresultaat 2020. Na bestemming en inzet van het rekeningresultaat daalt deze ratio weer.

Het quotiënt van structurele baten minus structurele lasten en de totale baten

9.2.5 Structurele exploitatieruimte Dit kengetal geeft inzicht in de beschikbare structurele ruimte. Geconcludeerd kan worden dat sprake is van beperkte begrotingsruimte.

Pagina

41

10 Onderhoud kapitaalgoederen 10.1 Activeren en afschrijven Conform artikel 59 van het BBV activeren wij alle materiële vaste activa. Investeringen schrijven wij lineair af vanaf het jaar volgend op het investeringsjaar. Als uitgangspunt voor het activeren geldt dat dit plaatsvindt vanaf € 10.000 per object. 10.1.1 Investeringen in gebouwen De VRU had ultimo 2020 vier brandweerkazernes in eigendom. De overige kazernes zijn in eigendom van de gemeenten. De kazernes worden om niet ter beschikking gesteld aan de VRU. Investeringen in gebouwen die in eigendom van de gemeenten zijn, komen voor rekening van de betreffende gemeenten. Investeringen in gebouwen die eigendom zijn van de VRU, worden bij de VRU geactiveerd. De kapitaallasten worden doorbelast aan de gemeenten die de gebouwen aan de VRU hebben overgedragen, via het individueel gemeentelijk plus pakket. 10.1.2 Investeringen in overige kapitaalgoederen Ten aanzien van de investeringen in overige kapitaalgoederen (inventaris en installaties, automatisering, vervoersmiddelen en materiaal) hanteert de VRU een meerjarig investeringsplan welke periodiek wordt geactualiseerd. In de begroting is een constant bedrag opgenomen voor kapitaallasten. De werkelijke kapitaallasten fluctueren.

Tezamen met het meerjaren investeringsplan is daarom ook een egalisatiereserve kapitaallasten ingesteld om de verschillen tussen begrote en werkelijke kapitaallasten op te vangen. Meerjarig wordt gestuurd op een sluitende investeringsbegroting. 10.1.3

Onderhoud gebouwen en installaties

Hoofdkantoor Het hoofdkantoor van de VRU is gehuisvest in gehuurde etages in het provinciehuis. Het onderhoud voor deze locatie is onderdeel van de servicekosten die wij naast de huur aan de provincie Utrecht betalen. Decentrale huisvesting en brandweerkazernes De kosten voor het beheer en onderhoud van de decentrale huisvestingen en de brandweerkazernes zijn voor rekening van de gemeenten. 10.1.4 Onderhoud materieel Het onderhoud van materieel wordt grotendeels in eigen beheer door - uitgevoerd of uitbesteed via het VRU-organisatieonderdeel Bedrijf Preparatie Brandweer. Door vertraging in de investeringen in de nieuwe vervoermiddelen dient het bestaande materieel langer benut te worden. Dit heeft als consequentie dat dit niet geraamde onderhoudskosten en kosten voor vervangende huur met zich mee kan brengen.

Pagina

42

11 Financiering Het wettelijke kader voor het financieringsbeleid is vastgelegd in de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido). Ons treasury-beleid ligt vast in het treasurystatuut (d.d. 19 februari 2018).

11.1 Financieringsportefeuille Wij hebben externe financiering aangetrokken bij Bank Nederlandse Gemeenten (BNG Bank), de Nederlandse Waterschapsbank (NWB Bank) en gemeente Amersfoort (onderhandse lening). Het verloop en hoogte van de leningen is als volgt weer te geven: Tabel 23 Leningen

Bij BNG Bank is een rekening-courant kredietfaciliteit afgesloten van € 3 miljoen.

11.2 Risicobeheer Om de risico’s van het treasury-beleid te beheren zijn er normen vastgesteld in de Wet Fido. Deze normen bestaan uit de kasgeldlimiet en de renterisiconorm. 11.2.1 Kasgeldlimiet De kasgeldlimiet laat het maximumbedrag zien waarmee een gemeente of gemeenschappelijke regeling haar financiële bedrijfsvoering met kortlopende middelen (looptijd < 1 jaar) mag financieren. De landelijke norm is 8,2% van het begrotingstotaal aan lasten (wat neerkomt op € 8,158 miljoen op basis van de geactualiseerde begroting). De liquide middelen bestaan uit rekening-courant tegoeden. Ons netto overschot in 2020 bedroeg gemiddeld € 13,1 miljoen. Onderstaande tabel laat de berekening zien van de kasgeldlimiet in 2020. Daaruit blijkt dat de gemiddelde liquiditeitspositie over heel 2020 voldoet aan de norm.

Pagina

43

Tabel 24 Kasgeldlimiet

11.2.2 Renterisiconorm De renterisiconorm heeft tot doel het renterisico bij herfinanciering te beperken. De jaarlijkse renteherzieningen en de verplichte aflossingen mogen niet méér bedragen dan 20% van het begrotingstotaal bij aanvang van het jaar. Uit onderstaande tabel blijkt dat wordt voldaan aan de renterisiconorm. Tabel 25 Renterisiconorm

Pagina

44

12 Bedrijfsvoering 12.1 Personeel 12.1.1 Formatie en bezetting De formatie en bezetting (in fte) per ultimo 2020 zijn als volgt: Tabel 26 Formatie & bezetting

Het verschil tussen formatie en bezetting betreft een momentopname. Bij repressie is sprake van uitstroom van voornamelijk repressieve functionarissen. Om deze vacatures te bezetten is in augustus 2020 een werving en selectieprocedure opgestart, waarbij de instroom begin 2021 zal plaatsvinden. Een aantal vacatures zijn moeilijk in te vullen, mede door de coronacrisis. Daarnaast wordt een deel van de vacatures bewust aangehouden voor het creëren van een flexibele schil, waar nodig is capaciteit ingehuurd. Ultimo 2020 bedroeg het aantal vrijwilligers dat werkzaam is voor Brandweerrepressie 1.647 (2019: 1.668). 12.1.2 Wet banenafspraak De VRU heeft voor 2020 de ambitie gesteld om 15 garantiebanen te realiseren. In januari 2020 is gestart met 10,2 garantiebanen. Er is in 2020 een toename geweest van 4,2 fte door de komst van nieuwe collega’s en uitbreiding van de reeds ingevulde garantiebanen. Doordat ook binnen deze groep sprake is geweest van verloop (-2,4 fte) zijn ultimo 2020 uiteindelijk 12 garantiebanen ingevuld. 12.1.3 Diversiteit In wervingsuitingen geeft de VRU consequent aan naar inclusiviteit en talent te streven: “Veiligheidsregio Utrecht werft mensen met de beste capaciteiten en laat zich niet leiden door culturele achtergrond, fysieke of mentale beperking, genderidentiteit, geloofsovertuiging, geaardheid of leeftijd.

[Wij zijn] op zoek naar mensen met talent.” In 2019 is een project gestart dat tot doel heeft om meer collega’s te werven uit de genoemde specifieke doelgroepen. Vanwege de COVID-19-pandemie is dit de implementatie van dit project uitgesteld (de voorbereidingen zijn wel door gegaan, voor zover dit digitaal mogelijk was).

Pagina

45

12.1.4

Verzuim 2020

Tabel 27 Verzuim

Het ziekteverzuim over heel 2020 laat een duidelijke daling zien. Zowel bij het kortdurend als het langdurig verzuim. In 2020 zijn een fors aantal langlopende dossiers afgesloten, welke een flink deel uitmaakten van het verzuimpercentage. In de cijfers is duidelijk te zien dat het langdurige verzuim (meer dan 43 dagen) flink is afgenomen. Maar ook het aantal ziekmeldingen ligt in 2020 duidelijk lager dan in de twee jaren daarvoor. In 2018 hebben 715 medewerkers zich ziek gemeld, 2019 waren dit er 561 en in 2020 zijn er 454 ziekmeldingen geweest. Ook was de verzuimduur korter dan in 2019. Het kort frequent verzuim laat ook een duidelijk daling zien. Het percentage medewerkers dat zich in 2018, 3 keer of vaker heeft ziek gemeld was 10,9%, in 2019 was dit nog 7,51% van de medewerkers. In 2020 daalt dit percentage verder tot 4,46%. Vermoedelijk is dit te verklaren door het thuiswerken ten gevolge van COVID-19, maar zeker ook door een proactieve signalering en het bespreekbaar maken van frequent verzuim door leidinggevenden, hierbij ondersteund door de HRM-adviseurs en verzuimcoach in de tweede lijn. De maatregelen die in 2019 zijn genomen om het verzuim terug te dringen zijn in 2020 ook voortgezet De lijnen met de bedrijfsarts zijn nog korter geworden wat de samenwerking ten goede is gekomen.

Daarnaast is medische informatie versneld opgevraagd door de bedrijfsarts en zijn interventies ingezet om de re-integratie te versnellen. 12.1.5 Vrijwilligers In 2020 is het aantal vrijwilligers ten opzichte van 2019 afgenomen. Dit is gezien COVID-19 conform verwachting. Vanwege COVID-19 lag de actieve werving vanuit de posten stil en is er geen manschap-opleidingen gestart in september 2020. Tabel 28 Verloop vrijwilligers

Pagina

46

12.2 Inhuur Het volgende overzicht is een weergave van de besteding per inhuurcategorie. Tabel 29 Besteding per inhuurcategorie

Inhuur binnen formatie De inhuur binnen formatie zijn onderdeel van Rubriek A van de staat van baten en lasten. In 2020 is ingehuurd op een aantal moeilijk in te vullen vacatures. De dekking van de overschrijding van de inhuur binnen de formatie wordt gevonden binnen de reguliere salarisbegroting. Inhuur boven de formatie: De inhuur boven formatie zijn onderdeel van Rubriek C van de staat van baten en lasten. In 2020 is meer ingehuurd om een aantal projecten en additionele werkzaamheden – ondanks de coronamaatregel – toch tijdig te kunnen uitvoeren. Ook bevat deze post inhuur ten behoeve van COVID-19. Deze kosten zijn onderdeel van de gedeclareerde meerkosten.

12.3 Beleidsindicatoren Tabel 30 Beleidsindicatoren

*) Apparaatskosten zijn alle personele en materiële kosten die verbonden zijn aan het functioneren van de ambtelijke organisaties. Dit zijn in feite de totale lasten van de VRU minus de jaarlijkse bijdrages aan het IFV en de GMU. **) Het betreft voornamelijk inhuur van instructeurs voor opleiden, trainen en oefenen en inhuur vacatures en vervanging ziekte. ***) Voor de berekening van de overhead verwijzen wij naar bijlage 3 Overhead.

12.4 Vennootschapsbelasting Een drietal activiteiten van de VRU is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. De positieve fiscale resultaten die de VRU hiermee behaalt, zijn zodanig klein van omvang dat de belastinglast beperkt blijft tot ca. € 5K op jaarbasis.

Pagina

47

12.5 Duurzaamheid De afgelopen jaren is binnen de VRU steeds meer aandacht voor duurzaamheid. Dit blijkt bijvoorbeeld uit:  het nieuwe werkplekconcept, waardoor papierloos werken de norm is geworden;  meer accugedreven materiaal op de nieuwe tankautospuiten. Dit geldt onder andere voor het redgereedschap, handgereedschap, de overdrukventilator en mobiele werkplekverlichting;  verduurzaming van de ademluchtwerkplaats, door: o 80% hergebruik van warmte uit de droogkamer; o onderzoek te doen naar verder hergebruik, zoals het warme water van de wasmachines en warmte uit de compressorruimte.  de actualisatie van de ‘Handreiking uitruklocatie zonder kantoorfunctie’, met daarin een groot aantal duurzaamheidsaspecten, zoals: o Locatiekeuze: makkelijk met de fiets bereikbaar en facilitering middels fietsenstalling; o Veelvuldig gebruik van LED-verlichting (vaak in combinatie met (instelbare) bewegingsmelders); o Sensorgestuurde douchebedieningen; o Instelbare, programmeerbare thermostaten, voorzien van een overwerkschakelaar of aanwezigheidssensor; o ’s Nachts in remise ‘waak’-verlichting; o Het aantal reisbewegingen is door COVID-19 drastisch verminderd; o In de toekomst zal het thuiswerken blijven, zodat ook de toekomstige reisbewegingen lager zal zijn.

Daarnaast komen duurzaamheidseisen nadrukkelijker terug bij aanbestedingen:  Catering: eisen op het gebeid van Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI) worden voor 10% in de totaalbeoordeling meegenomen. Concrete invulling daarvan door leveranciers: o Op productniveau: vrije-uitloop eieren, vis met MSC-label, lokale producten en werken met toeleveranciers met een duurzaam productieproces. o Milieu: afvalscheiding en recycling, elektrische auto’s voor bezorging, zo min mogelijk disposables gebruiken. o Social Return: mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst, erkend leerbedrijf.  Vorkheftrucks: oude diesels uit de werkplaatsen zijn vervangen door vier elektrische vorkheftrucks.  Wasserijdiensten voor bluspakken en persoonlijke beschermingsmiddelen: o Duurzaam en milieuvriendelijk wasproces op basis van CO2; o Gebruik van herbruikbare waszakken (voorheen disposables: in water oplosbaar); o Door het CO2-wasprocedé gaan de pakken langer mee.  Automaterialen, autobanden en smeermiddelen: o Aan automaterialen worden duurzaamheidseisen gesteld m.b.t. duurzaamheidslabels en –certificaten. o Accu’s, autobanden en smeermiddelen worden door de leverancier teruggenomen aan het einde van de levensduur.  Overeenkomst drukwerk: o Leverancier is zeer gericht op duurzaamheid.

Onder andere doordat bij vacatures en stages actief mensen met afstand tot de arbeidsmarkt een kans krijgen;

Pagina

48

o

 

Opdrachten voor de VRU worden gedrukt met de nieuwste generatie drukpers (Anicolor). Dit bespaart papier en de drukpers is CO2-neutraal vervaardigd. Facturatie: De afdeling Financiën werkt sinds 1 januari 2020 duurzamer, doordat het niet meer nodig is om alle facturen uit te printen. Een nieuwe scan- en herkenfunctionaliteit biedt de mogelijkheid om digitale facturen in te lezen, de oude kon dit niet. Data centers: vorig jaar is de VRU overgegaan naar nieuwe data centers die veel energiezuiniger zijn. Hier is in de aanbesteding expliciet op gestuurd. Wagenpark: in 2020 is een start gemaakt met verduurzaming van het (ondersteunende) wagenpark en wordt er actief gestuurd op het verminderen van het aantal ondersteunende voertuigen.

Om de aandacht voor duurzaamheid vast te houden en te verstevigen is het streven naar een duurzame bedrijfsvoering als beleidsbeginsel opgenomen in het VRU-beleidsplan 2020-2023.

12.6 Privacy De regeling bescherming persoonsgegevens VRU is begin 2020 ter instemming voorgelegd aan de COR en op 10 februari 2020 vastgesteld door het algemeen bestuur. In 2020 zijn 17 meldingen opgenomen in het datalekregister. Elke melding wordt zorgvuldig beoordeeld zodat in een vroegtijdig stadium maatregelen genomen kunnen worden om de schade te beperken en het datalek naar de toekomst toe te voorkomen. Op basis van de risico-inschatting van de Functionaris Gegevensbescherming is één datalek binnen de termijn van 72 uur gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens.

Pagina

49

13 Verbonden partijen Tabel 31 Verbonden partijen

Pagina

50

14 Declaratie COVID-19 Algemeen Op 20 juli jl. heeft de minister van VWS de voorzitter van het Veiligheidsberaad geïnformeerd over de declaratie van de meerkosten COVID-19 bij het Rijk. Over de periode februari tot en met juni en daarna maandelijks van juli tot en met december zijn de direct aan de coronacrisis gerelateerde out-of-pocketkosten gedeclareerd. Op basis van nacalculatie zijn de overige meer- en minderkosten achteraf bepaald. Tabel 32 Voorlopige opgave meerkosten COVID-19

Meerkosten De meerkosten betreffen uitsluitend de direct aan de coronacrisis gerelateerde out-ofpocketkosten. De kosten die in verband met COVID-19 zijn gemaakt hebben hoofdzakelijk betrekking op juridische capaciteit (juridisch loket voor gemeenten), communicatie (advisering RBT en publiekscampagne), persoonlijke beschermingsmiddelen, extra inzet van specialistische expertise en tijdelijke projectcapaciteit, ICT-voorzieningen en faciliteiten ten behoeve van veilige kantoorvoorzieningen. Minder inkomsten De VRU kent door COVID-19 geen minder-inkomsten. De gemeenten voldoen de gemeentelijke bijdragen conform de vastgestelde begroting en het Rijk stelt de financiële bijdrage conform de beschikking (Bdur) beschikbaar. Om deze reden is het saldo minder-inkomsten in de opgave nihil.

Pagina

51

Minderkosten Anders dan de meerkosten zijn de minderkosten niet apart geregistreerd en blijken deze niet éénop-één uit de administratie. Het vaststellen van de omvang van de minderkosten vereist dan ook een benadering, waarbij de volgende werkwijze is gehanteerd:  Er is een selectie gemaakt van de positieve (niet saldo-neutrale) afwijkingen tussen realisatie en begroting die geheel of gedeeltelijk verklaard kunnen worden door de beperkingen die het gevolg zijn van de landelijke coronamaatregelen. De door het algemeen bestuur vastgestelde geactualiseerde begroting 2020 en de jaarcijfers over 2020 zijn hiervoor als uitgangspunt genomen.  Voor zover bekend is dat een deel van de afwijking niet-COVID-19 gerelateerd is, wordt dit deel van de afwijkingen niet als minderkosten aangemerkt.  Op basis van een beknopte cijfervergelijking tussen voorgaande jaren hebben wij bepaald welk deel van de afwijking als reguliere kostenfluctuatie kan worden aangemerkt.  Conform het landelijk protocol zijn kosten die aantoonbaar ingehaald kunnen (en moeten) worden niet als minderkosten in aanmerking genomen.  Het resterende afwijking is als minderkosten aangemerkt en als zodanig opgenomen in de declaratie van de meerkosten COVID-19.

De verrekende minderkosten hebben betrekking op lagere vergoedingen voor brandweervrijwilligers (169K), lagere kosten voor opleiden trainen en oefenen (brandweer: 487K, crisisbeheersing: 66K en GHOR 107K) en lagere brandstofkosten (100K). Voor de laatste post is uitgegaan van een stelpost niet precies kan worden vastgesteld welk deel van de lagere kosten het gevolg is van COVID-19 ten opzichte van andere factoren.

Pagina

52

Jaarrekening 2020

Pagina

53

1 Balans per 31 december Tabel 33 Balans per 31 december

Pagina

54

2 Rekeningresultaat 2.1

Overzicht van baten en lasten naar rubriek

Tabel 34 Overzicht baten en lasten naar rubriek

Pagina

55

2.2

Toelichting op het overzicht van baten en lasten naar rubriek

De tabellen geven inzicht in de afwijkingen per rubriek. De grootste (>100K) en bestuurlijk relevante afwijkingen worden vervolgens nader toelicht. 2.2.1

Rubriek A – Personele kosten reguliere werkzaamheden

Tabel 35 Personele kosten - reguliere werkzaamheden

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

Hogere lasten FLO-overgangsrecht (-1.115K): de kosten voor het FLO-overgangsrecht waren in 2020 hoger dan begroot. Dit betreft voornamelijk kosten met een incidenteel karakter: kosten voor het versneld sparen en kosten met betrekking tot een kleine groep medewerkers met FLO-rechten tot en met 2022. Lagere kosten vergoedingen brandweervrijwilligers (167K): de vrijwilligersvergoedingen waren in 2020 336K lager dan begroot. Hiervan is 169K verrekend als minderkosten COVID19 (zie A7) in verband met lagere vergoedingen wegens het opschorten van oefeningen door beperkende coronamaatregelen. Het resterende saldo betreft gedeeltelijk lagere vrijwilligersvergoedingen voor AED-inzetten (2020: 86K, 2019: 128K). Bij geplande evaluatie van de AED-taak in 2021 zal worden bezien in welke mate deze ontwikkeling structureel van aard is, zodat de begroting neerwaarts kan worden bijgesteld als de AED-taak wordt gecontinueerd. Lagere piketkosten crisisbeheersing (85K): de lagere piketkosten worden gedeeltelijk veroorzaakt doordat in 2020 minder piketkosten (36K) met betrekking tot 2019 in rekening zijn gebracht dan waarmee rekening was gehouden. Het restant van de reservering is vrijgevallen. Lagere piketkosten GHOR (133K): in 2020 zijn minder piketvergoedingen uitbetaald dan begroot.

Een deel van de onderbesteding (65K) blijkt structureel van aard en wordt daarom vanaf 2021 aangewend voor de versterking van de GHOR-organisatie. Saldo inhuur wegens ziekte en ontvangen uitkeringen (-180K): de ontvangen incidentele ziekte- en zwangerschapsuitkeringen (353K) dekken de kosten voor inhuur wegens ziekte (-533K) niet volledig. Per saldo bedraagt de afwijking -180K. Lagere salariskosten door vacatures en saldo overige afwijkingen (1.465K): dit betreft voornamelijk het voordelige saldo van lagere salarislasten door tijdelijke vacatureruimte en hogere kosten voor inhuur op vacatures. Een deel van de vacatures blijkt lastig in te vullen, zodat vacatures langer open staan en meer inspanningen verricht moeten worden om vacatures te vervullen. Tegenover een deel van de lagere salarislasten staan hogere kosten voor werving en selectie in rubriek B (zie B3). Saldo gedeclareerde meer- en minderkosten COVID-19 (139K): De minderkosten betreffen lagere vrijwilligersvergoedingen (zie A2) en bedragen 169K. Daarnaast bedragen de meerkosten binnen deze rubriek 30K, waarmee per saldo 139K is verrekend in de vergoeding van de minderkosten (zie L2). Tegenover het saldo van de meer- en minderkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect.

Boekhoudkundige afwijking lasten FLO-overgangsrecht (-712K): In de geactualiseerde begroting 2020 is per abuis een saldo-neutrale mutatie niet verwerkt die wel was

Pagina

56

opgenomen in de meerjarenraming van de lasten FLO-overgangsrecht. In 2020 leidt dit tot een boekhoudkundig tekort op de lasten voor het FLO-overgangsrecht waar tegenover een hogere onttrekking staat voor hetzelfde bedrag. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect (zie P1). 2.2.2

Rubriek B – Ondersteunende personele kosten

Tabel 36 Ondersteunende personele kosten

1.

2. 3.

4.

5.

6.

7.

Lagere kosten opleiden, trainen en oefenen brandweer (419K): de kosten voor opleiden, trainen en oefenen van de brandweer waren in 2020 906K lager dan begroot. Hiervan is 487K verrekend als minderkosten COVID-19 (zie B6). De minderkosten betreffen voornamelijk de lagere kosten voor realistisch oefenen (402K). In 2020 zijn de realistische inzetoefeningen op het trainingscentrum in Weeze tijdelijk opgeschort als gevolg van de landelijke coronamaatregelen. Ook voor de overige activiteiten voor opleiden, trainen en oefenen brandweer geldt dat mede door de beperkingen door de landelijke coronamaatregelen niet het volledige programma uitgevoerd is. Een aanzienlijk deel daarvan betreft opleidingen voor manschappen (269K) die later moeten worden ingehaald om weer op sterkte te komen. Deze kosten zijn daarom niet als minderkosten verrekend. Lagere kosten opleiden, trainen en oefenen crisisbeheersing en GHOR (100K): de waren in 2020 273K lager dan begroot. Hiervan is 173K verrekend als minderkosten COVID-19 (zie B6). Hogere kosten werving en selectie (-257K): de personeelsbegroting is gebaseerd op de vastgestelde formatie. Daar tegenover staat dat geen kosten worden begroot voor werving en selectie. Kosten voor werving en selectie worden gedekt uit de lagere salarislasten als gevolg van tijdelijke vacatureruimte (zie A6).

Lagere kosten opleidingen omgevingswet (112K): In verband met uitstel van de omgevingswet zijn de opleidingskosten waarvoor incidentele middelen beschikbaar zijn gesteld in de begroting 2020 uitgesteld naar 2021. Tegenover de uitgestelde kosten staat een toevoeging aan de bestemmingsreserve Omgevingswet van 70K en een lagere onttrekking aan deze brestemmingsreserve van 42K. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect (zie P4). Afwijking kapitaallasten middelen vakbekwaamheid (-151K): bij de invoering van het nieuwe financiële systeem heeft een verbeterslag plaatsgevonden op de activa-administratie waardoor de berekening en de toerekening van de kapitaallasten aan de afzonderlijke rubrieken in de realisatiecijfers van 2020 is aangescherpt ten opzichte van de begroting. Dit leidt tot verschillen tussen de rubrieken. Per saldo zijn de afwijkingen ten aanzien van de kapitaallasten in totaal saldoneutraal (zie O1). Saldo gedeclareerde meer- en minderkosten COVID-19 (596K): De minderkosten betreffen lagere kosten voor opleiden, trainen en oefenen (zie B1 en B2) en bedragen 660K. Daarnaast bedragen de meerkosten binnen deze rubriek 64K, waarmee per saldo 596K is verrekend in de vergoeding van de minderkosten (zie L2). Tegenover het saldo van de meer- en minderkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect.

Saldo overige afwijkingen (148K): het voordelige saldo op de overige afwijkingen betreft voornamelijk lagere kosten voor de overige opleidingen en trainingen.

Pagina

57

2.2.3

Rubriek C – Personele kosten additionele werkzaamheden

Tabel 37 Personele kosten - additionele werkzaamheden

1. 2.

3.

Hogere kosten inhuur projecten (-166K): in 2020 is meer ingehuurd voor een aantal noodzakelijke ICT-projecten. Lagere kosten inhuur programma Harmonisering arbeidsvoorwaarden (347K): dit betreft uitgestelde activiteiten met dekking uit de ontwikkel- en egalisatiereserve. Tegenover de 301K lagere kosten voor inhuur en lagere overige kosten van 80K (zie H2) staat een hogere storting in de ontwikkel- en egalisatiereserve van 230K (zie O2) en een lagere onttrekking aan de ontwikkel- en egalisatiereserve van 151K (zie P2), zodat deze middelen beschikbaar blijven voor de afronding in 2021. Per saldo is in 2020 geen sprake van een resultaateffect. Gedeclareerde meerkosten COVID-19 (-811K): deze kosten zijn onderdeel van de gedeclareerde meerkosten (zie L2). Het betreft kosten voor extra capaciteit voor onder andere het juridische loket, crisiscommunicatie en voor projectondersteuning om een aantal noodzakelijke projecten – ondanks de coronamaatregelen – toch tijdig te kunnen uitvoeren. Tegenover deze meerkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect.

2.2.4

Rubriek D – Gebouwkosten

Tabel 38 Gebouwkosten

1.

2. 3.

Lagere kosten beheerpakketten brandweerposten (129K): de gemeenten zijn verantwoordelijk voor de brandweerposten en stellen deze om niet ter beschikking aan de veiligheidsregio. Gemeenten kunnen via het individueel gemeentelijk pluspakket beheertaken door de VRU laten uitvoeren en betalen daarvoor een kostendekkende vergoeding. De lagere kosten in 2020 zijn verrekend in de (lagere) vergoeding voor het individueel pluspakket (zie K1). Per saldo is er dus geen sprake van een resultaateffect. Hogere kapitaallasten gebouwen (-25K): zie B5 Gedeclareerde meerkosten COVID-19 (-46K): deze kosten zijn onderdeel van de gedeclareerde meerkosten (zie L2). Tegenover deze meerkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect.

Pagina

58

2.2.5

Rubriek E – Operationele middelen

Tabel 39 Operationele middelen

1.

2.

3. 4.

Lagere lasten voertuigen (110K): de lagere lasten hebben voornamelijk betrekking op het onderhoud van voertuigen. Naast de lagere lasten voor onderhoud van de voertuigen waren er ook lagere gebruikslasten. In totaal is 100K aan lagere gebruikslasten verrekend als minderkosten COVID-19 (zie E4). Lagere lasten operationele middelen en uitrusting (239K): de lagere lasten hebben betrekking op persoonsgebonden uitrusting (89K) en de kosten voor aanschaf en onderhoud van operationeel materiaal (150K). Lagere kapitaallasten operationele middelen (895K): zie B5. Saldo gedeclareerde meer- en minderkosten COVID-19 (-49K): de verrekende minderkosten betreft 100K aan lagere brandstofkosten (zie E1). De meerkosten binnen deze rubriek (-149K) betreffen voornamelijk beschermende middelen zoals mondkapjes, brillen en vuilwerkpakken voor met name het uitrukpersoneel. Tegenover deze meerkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect (zie L2).

2.2.6

Rubriek F - Kantoorkosten

Tabel 40 Kantoorkosten

1.

2.

3.

Lagere kantoor- en ICT-kosten (211K): in 2020 is minder uitgegeven aan kantoorkosten (133K). Dit betreft onder andere minder vergaderkosten en kosten voor printers en overige kantoorbenodigdheden. De ICT-kosten zijn 99K lager dan begroot door een incidenteel voordeel op licentiekosten (40K) en naar 2021 uitgestelde onderhoudswerkzaamheden. Lagere kosten digitaal stelsel omgevingswet, doorschuiven naar 2021 (30K): In verband met uitstel van de wet zijn de werkzaamheden met betrekking tot het digitaal stelsel omgevingswet uitgesteld naar 2021. Hiervoor waren in de begroting 2020 incidentele middelen beschikbaar gesteld. Tegenover de uitgestelde kosten staat een toevoeging aan de bestemmingsreserve Omgevingswet voor hetzelfde bedrag. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect (zie O3). Gedeclareerde meerkosten COVID-19 (-183K): deze kosten zijn onderdeel van de gedeclareerde meerkosten (zie L2). Het betreft onder andere kosten voor de ontwikkeling van informatiedashboards. Tegenover deze meerkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect.

Pagina

59

2.2.7

Rubriek G – Financiële rekeningen

Tabel 41 Financiële rekeningen

1.

2.

Lagere rentekosten investeringen 2020 (270K): in 2020 is minder geïnvesteerd dan begroot. Hierdoor was ook de financieringsbehoefte in 2020 lager dan in de begroting was voorzien. In 2020 is de financieringsbehoefte volledig ingevuld met kortlopende financiering. De rente die daarvoor is betaald was lager dan begroot. In 2021 wordt een langlopende lening aangetrokken. Lagere rentekosten bestaande vaste activa (171K): in 2020 is een deel van de bestaande vaste activa gefinancierd met eigen vermogen. Dit leidt tot een rentevoordeel. Tegenover de lagere rentekosten staat een lagere onttrekking uit de egalisatiereserve kapitaallasten (zie O1). Per saldo is er geen resultaateffect.

2.2.8

Rubriek H – Overige kosten

Tabel 42 Overige kosten

1.

2.

3.

4.

Lagere kosten programma Harmonisering arbeidsvoorwaarden (80K): de meeste communicatieactiviteiten zijn doorgeschoven naar 2021. Tegenover deze lagere kosten en de lagere kosten voor inhuur voor dit programma (zie C2) staat lagere onttrekking (zie P2) en een hogere storing (zie O2) aan de ontwikkel- en egalisatiereserve, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect en de voor het programma geoormerkte middelen beschikbaar krijgen voor de afronding van het programma in 2021. Per saldo is geen sprake van een resultaateffect. Lagere kosten activiteiten gedekt uit ontwikkel- en egalisatiereserve (106K): dit betreft uitgestelde activiteiten (digitalisering dossiers risicobeheersing voor 80K en afronding inhaalslag inkoop voor 26K) met dekking uit de ontwikkel- en egalisatiereserve. Tegenover de lagere kosten staat een lagere onttrekking aan de ontwikkel- en egalisatiereserve zodat deze middelen beschikbaar blijven voor de afronding in 2021. Per saldo is in 2020 geen sprake van een resultaateffect (zie P2). Gedeclareerde meerkosten COVID-19 (-320K): deze kosten zijn onderdeel van de gedeclareerde meerkosten (zie L2). Het betreft onder andere kosten voor de regionale publiekscampagne ‘Hou vol – zo houden we corona onder controle'. Tegenover deze meerkosten staat een niet begrote vergoeding, zodat per saldo geen sprake is van een resultaateffect.

Saldo overige afwijkingen (-57K): de overschrijding wordt veroorzaakt door hogere kosten voor juridische expertise op het gebied van arbeidsrecht.

Pagina

60

2.2.9

Rubriek K – Gemeentelijke bijdrage en vergoeding

Tabel 43 Gemeentelijke bijdrage en vergoeding

1.

Lagere vergoeding beheerpakketten brandweerposten (-129K): Zie D1.

2.2.10

Rubriek L - Rijksbijdrage

Tabel 44 Rijksbijdrage

1.

2.

Loon- en prijsaanpassing rijksbijdrage (182K): De Rijksbijdrage is omhoog bijgesteld met een loon- en prijsaanpassing. Dit voordeel is structureel van aard en wordt in de begroting 2022/geactualiseerde begroting 2021 doorberekend als verlaging van de gemeentelijke bijdrage. Vergoeding meerkosten COVID-19 (675K): de vergoeding betreft het saldo van de gedeclareerde meer- (1.604K) en minderkosten (-929K) COVID-19 (zie A7, B6, C3, D3, E4, F3, H3).

2.2.11

Rubriek M – OMS

Tabel 45 OMS

2.2.12

Rubriek N – Overige baten

Tabel 46 Overige baten

1.

2.

Boekwinst verkoop activa (189K): dit betreft de gerealiseerde boekwinst op de verkochte activa die conform het activabeleid wordt gedoteerd aan de egalisatiereserve kapitaallasten (zie O1). Per saldo leidt dit niet tot een resultaateffect. Hogere baten liquidatie GMU (90K): in 2020 is de Gemeentelijk Meldkamer Utrecht geliquideerd. Door een hoger eigen vermogen van de GMU, is een hoger bedrag dan begroot

Pagina

61

3.

ontvangen. In de begroting was rekening gehouden met 150K. De opbrengst uit de liquidatie bedroeg uiteindelijk 240K. Hogere overige baten (176K): dit betreft onder andere hogere opbrengsten met betrekking tot opleidingen, detacheringen en werkzaamheden voor andere overheden vanuit de werkplaatsen.

2.2.13

Rubriek O – Storting reserves

Tabel 47 Storting reserves

1. 2. 3.

Hogere dotatie egalisatiereserve kapitaallasten (-1.054K): Zie B5, D2, E3, F4, G2 en N1. Hogere dotatie ontwikkel- en egalisatiereserve (-230K): Zie C2. Hogere dotatie bestemmingsreserve Omgevingswet (-100K): Zie F2.

2.2.14

Rubriek P – Onttrekking reserves

Tabel 48 Onttrekking reserves

1. 2. 3. 4.

Hogere onttrekking egalisatiereserve FLO-overgangsrecht (714K): Zie A8. Lagere onttrekking ontwikkel- en egalisatiereserve (-277K): Zie C2, H2 en H3. Lagere onttrekking egalisatiereserve Tweede loopbaan (-17K): Onderdeel van B7. Lagere onttrekking bestemmingsreserve Omgevingswet (42K): Zie B4.

Pagina

62

2.3

Overzicht van baten en lasten in de jaarrekening 2020

Tabel 49 Overzicht baten en lasten

Pagina

63

3 Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling De jaarrekening is opgemaakt met inachtneming van de voorschriften die het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten daarvoor geeft.

3.1

Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening

De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. Tenzij bij het desbetreffende balanshoofd anders is vermeld, worden de activa en passiva opgenomen tegen nominale waarden. De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en lasten worden slechts genomen voor zo ver zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende, arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt; daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden en overlopende verlofaanspraken. 3.1.1

Vaste activa

Materiële vaste activa De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen en eventuele bijdragen van derden in de kosten van dit actief. Hoofdregel van het beleid is dat investeringen met een levensduur van langer dan 3 jaar en een aanschafwaarde/verkrijgingsprijs van meer dan € 10.000 worden geactiveerd. Kleding en persoonlijke uitrusting worden niet geactiveerd, maar rechtstreeks ten laste van de exploitatie gebracht. Reserves mogen niet in mindering worden gebracht op de investering.

Pagina

64

De afschrijvingstermijn per activacategorie is als volgt: Tabel 50 Afschrijvingstermijnen per activacategorie

N.B.: Voor een gedetailleerd overzicht van de activa en de afschrijvingstermijnen verwijzen wij naar de Nota activabeleid VRU. Financiële vaste activa Leningen u/g zijn opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbaarheid in mindering gebracht. 3.1.2

Vlottende activa

Vorderingen, liquide middelen en overlopende activa Vorderingen, liquide middelen en overlopende activa worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Voor verwachte oninbaarheid van de vorderingen wordt een voorziening in mindering gebracht. Deze voorziening wordt statisch bepaald op basis van de geschatte inningskansen. 3.1.3

Vaste passiva

Langlopende schulden Langlopende schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, verminderd met gedane aflossingen. De langlopende schulden hebben een rente typische looptijd van één jaar of langer. 3.1.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=46daab1c-2ce7-45cb-bac8-7eb017162489