Agendabundel
Tekst van het document
Hierbij is de referentiesituatie vergeleken met de toekomstige situatie (zie voor een nadere toelichting en de berekeningen bijlage 4). Er wordt geen stikstofdepositie bijdrage groter dan 0,00 mol/ha/jaar berekend, waarmee significant negatieve effecten op de natuurwaarden van de omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van het gebruik van de beoogde ontwikkeling op voorhand uitgesloten zijn. Hierbij moet worden benoemd dat de berekening breder is ingestoken dan daadwerkelijk in dit plan mogelijk wordt gemaakt. Er is daarom geen sprake van een Natura-2000 activiteit en er geldt daarom geen vergunningplicht. Het aspect stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor vaststelling van het plan.
35/47
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
2.3.4.17 De archeologieparagraaf (paragraaf 3.13) is geactualiseerd om aan te sluiten bij de huidige juridische regeling voor archeologie. De tekst in paragraaf 3.13 wordt als volgt gewijzigd: ‘3.13 Archeologie Wettelijk kader
In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd.
Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een
structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de
planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen te worden
betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed.
De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de
toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de
Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a
schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten.
Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht Het omgevingsplan van de gemeente Utrecht
In het omgevingsplan zijn regels voor de bescherming van archeologie opgenomen in het hoofdstuk grondwerk. Met grondwerk worden de activiteiten die de bodem verstoren bedoeld.
De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht op te stellen voor het hele
grondgebied van de gemeente, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In het Chw bestemmingsplan Maximapark nemen we de regeling voor archeologie op uit het Chw
bestemmingsplan Algemene regels Utrecht (gebiedsaanduiding archeologische verwachting 2-6, zie Artikel 36).
In deze gebiedsaanduiding is opgenomen dat de voor archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Hiermee wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met regels in het bestemmingsplan. Met de daarbij
behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en
verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig.
36
Datum Rapport
juli 2025 Vaststellingsrapport
Gemeentelijke archeologische waardenkaart
De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de plankaart in het Chw bestemmingsplan Algemene regels Utrecht. Deze archeologische waardenkaart is
gebaseerd op de bodemkaart, cultuurhistorische en archeologische waarden en verwachtingen en
op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van zeer hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge
archeologische verwachting, gebieden van middelhoge archeologische verwachting, gebieden van lage archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een
vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht
geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen.
Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de
Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden
aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist. Op de archeologische waardenkaart zijn deze archeologische rijksmonumenten weergegeven als WA1a. Met de
inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de gemeente bij meervoudige vergunningsaanvragen wel als bevoegd gezag aangewezen en heeft het Rijk advies- en instemmingsrecht.
Op basis van onderzoek heeft de gemeente vastgesteld hoe groot de kans is dat op een locatie archeologische resten gevonden kunnen worden. Op basis van de trefkans is aan locaties een
verwachtingswaarde toegekend. Een locatie met een grote trefkans heeft verwachtingswaarde WA1, een locatie met de laagste trefkans heeft verwachtingswaarde WA6. Op een locaties waar de
trefkans zeer klein is of waar bekend is dat er geen archeologisch resten zijn op een locatie, is geen verwachtingswaarde opgenomen en gelden dus ook geen regels. De locaties met de diverse
archeologische verwachtingswaarde zijn zo in het omgevingsplan opgenomen, dat bij een klik op de kaart zichtbaar is of er een waarde geldt, welke waarde dat dan is en welke regel van toepassing is. Gebieden van zeer hoge archeologische waarde (WA2) zijn gebieden waarvan bekend is dat er
belangwekkende archeologische waarden zijn, maar die (nog) niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm.
Gebieden van hoge archeologische waarde (WA3) zijn gebieden waar op grond van eerder
uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar waarvan de begrenzing nog niet vastgesteld is. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm.
Gebieden van hoge archeologische verwachting (WA4) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan groot is vanwege historischtopografische bronnen en landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm.
Gebieden van middelhoge archeologische verwachting (WA5) zijn gebieden waar nog geen
archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan middelgroot is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm.
37/47
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
Gebieden van lage archeologische verwachting (WA6) zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, maar waar de kans op het aantreffen ervan klein is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier geldt een vergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 5000 m2 en dieper dan 50 cm.
Gebieden zonder archeologische waarde (WA7) zijn gebieden waar geen archeologische waarden (meer) worden verwacht. Hier geldt geen vergunningsplicht. Plangebied
Voor verschillende delen van het plangebied geldt een archeologische verwachtingswaarde
gebiedsaanduiding. Als in het plangebied verstoringen plaatsvinden, wordt bij de plantoetsing en besluitvorming de hoogste waarde gehanteerd. Als de voorgenomen ontwikkeling binnen het
plangebied de vrijstellingsgrenzen overschrijdt (oppervlakte en diepte) is deze vergunningsplichtig. Aan de vergunning zullen voorwaarden worden verbonden ten aanzien van de bescherming van de archeologische waarden die in het plangebied aanwezig zijn.
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden
aangetroffen moet hiervan, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding worden gedaan bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de archeologen van de afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht, 030-2860023, 030-2860016, 030-2860011 of 030-2862765 en via archeologie@utrecht.nl.’.
38
Datum Rapport
juli 2025 Vaststellingsrapport
3 Beoordeling van de zienswijzen Zienswijze 1
1. De mogelijkheden uit de beheersverordening zijn niet overgenomen. Indiener merkt op dat een aantal mogelijkheden die op basis van het oude bestemmingsplan waren toegestaan op zijn perceel op basis van het nieuwe bestemmingsplan niet meer mogelijk zijn. Dit zijn: Fietsverhuur- en fietsreparatiebedrijf; Fietsenzaak; Assemblage en montage van fietsen; Opslag van fietsen met bijbehorend kantoor en Verhuur van kano's, boten, sups en sportartikelen.
Reactie In de beheersverordening De Meern Noord, Máximapark, Vogelenbuurt, Wittevrouwen ligt op dit perceel het besluitsubvlak ‘MM’. Dit besluitsubvlak staat wonen, parkeervoorzieningen, water en bedrijfsmatige reparatie en onderhoud van fietsen, alsmede voor de verhuur van (water)fietsen, kano’s, roeiboten en sportartikelen toe. Op het perceel ligt in het ontwerp Chw bestemmingsplan Maximapark de functie ‘Bedrijf - Bedrijf tot en met categorie 2’. Hierbij hoort de volgende omschrijving: ‘activiteiten die passen bij het doel zijn toegestaan, zoals bedrijfsactiviteiten in categorie 1 of 2, het aanleggen en gebruiken van tuinen en erven, water, waterberging, verkeers-, parkeer- en groenvoorzieningen’. Uit de ‘Lijst van bedrijfsactiviteiten’ volgt dat in de categorie 1 en 2 de volgende (voor de casus relevante) activiteit is opgenomen: Verhuurbedrijven voor roerende goederen (niet elders genoemd). Er staat inderdaad niet meer expliciet in dat de genoemde activiteiten uit de beheersverordening zijn toegestaan. Hierom wordt in het bestemmingsplan een functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – fietsverhuur en wateractiviteiten’ opgenomen. In de regel wordt expliciet dit gebruik mogelijk gemaakt, tezamen met de ondersteunende horeca zoals die vergund is in de omgevingsvergunning.
Om deze reden is vervolgens wel de functieaanduiding ‘specifieke vorm van horeca – horeca in de categorie D2’ verwijderd. 2. Indiener verzoekt om de oppervlakte- en inhoudsmaat voor het perceel aan te passen. Indiener merkt op dat de oppervlakte- en inhoudsmaat in het bestemmingsplan die bij het perceel behoren niet overeenkomen met de huidige situatie. In het ontwerpbestemmingsplan staat opgenomen dat het pand maximaal 150 m2 groot mag zijn en maximaal 600 m3 inhoud mag hebben. De huidige bebouwing is echter circa 290 m2 groot en heeft een inhoud van 1000 m3. De indiener verzoekt om de oppervlakte- en inhoudsmaat aan te passen voor het pand.
Reactie Het klopt dat de oppervlakte en inhoudsmaten die in het Chw bestemmingsplan Máximapark bij het perceel van de indiener horen niet overeenkomen met de huidige situatie. Op basis van de beheersverordening ‘De Meern Noord, Máximapark, Vogelenbuurt, Wittevrouwen’ gold voor het perceel ‘besluitsubvlak – 21’. Hierin waren diverse maatvoeringen geregeld, waaronder een voor het pand geldende inhoud van 600 m³. De 150 m² aan maximale grootte wordt niet genoemd; wellicht wordt door indiener gerefereerd naar de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ van de regels van het bestemmingsplan waarin afgeweken kan worden voor het realiseren van aan- en uitbouwen tot een gezamenlijk oppervlakte van 150 m² zolang het totale bebouwingsoppervlakte van het perceel minder bedraagt dan 25%. Hoewel voor het perceel de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ is opgenomen, blijkt uit de beheersverordening dat deze regels bedoeld waren voor woningen. Zo refereren deze regels in de beheersverordening naar de afstand tussen de perceelsgrens en de voorgevel van de woning. Momenteel staat er geen woning op het perceel. Om deze reden heeft het perceel ook de functie (bestemming) ‘Bedrijf – Bedrijf tot en met categorie 2’ gekregen. Per abuis is deze specifieke bouwaanduiding ook op dit perceel gelegd. Deze wordt dan ook, mede naar aanleiding van deze zienswijze, van het perceel verwijderd.
Dit betekent bijvoorbeeld ook dat de aangegeven maximale
39/47
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
goothoogte wordt verwijderd. Voor zover de bestaande bebouwing legaal gebouwd was, geldt dat deze in overeenstemming is met het Chw bestemmingsplan Máximapark (zoals wordt benoemd in artikel 22, lid 22.3 van het Chw bestemmingsplan). Conclusie Op grond van deze zienswijze wordt de wijziging aangebracht die in paragraaf 2.3.1.1 is aangegeven. Dit houdt in dat er een functieaanduiding is toegevoegd aan de Alendorperweg om duidelijk te maken dat bedrijfsmatige reparatie en onderhoud van fietsen en de verhuur van (water)fietsen, kano’s, roeiboten en sportartikelen met ondersteunende horeca (50 m²) toegestaan is. Daarnaast is de ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ met de maximale goothoogte van 6 meter voor dit perceel verwijderd, omdat deze bouwaanduiding niet meer relevant is voor deze gronden.
Zienswijze 2
1. Indiener wil in de toekomst wellicht grondboringen uitvoeren. Indiener wil in de toekomst misschien een warmtepomp installeren waarvoor grondboringen noodzakelijk zijn die dieper gaan dan 40 meter. Dit is op grond van het bestemmingsplan niet mogelijk. Indiener vraagt zich af of hij daarvoor ontheffing kan krijgen.
Reactie Het klopt dat er zich een boringsvrije zone (artikel 13 van het Chw bestemmingsplan Maximapark) bevindt op het perceel van de indiener. Boringen dieper dan 40 meter zijn, zoals al aangegeven door indiener, dan ook niet toegestaan. De provincie Utrecht kan echter wel toestemming verlenen voor boringen dieper dan 40 meter. Het is dus aan de provincie Utrecht om al dan niet ontheffing te verlenen voor eventuele grondboringen dieper dan 40 meter en niet aan de gemeente Utrecht. Het aanvragen van een ontheffing kan via de website van de provincie Utrecht. 2. Indiener vraagt zich af of er eventueel een tijdelijke mantelzorgwoning geplaatst kan worden. Indiener vraagt zich af of het mogelijk is achter zijn woning een tijdelijke mantelzorgwoning te plaatsen dat geen aan- of bijgebouw is. Op basis van het bestemmingsplan is namelijk alleen een mantelzorgwoning in een aan- of bijgebouw mogelijk en indiener is bang dat dat ten koste gaat van opbergruimte.
Reactie Een tijdelijke mantelzorgwoning hoeft niet persé in een bestaand aan- of bijgebouw gerealiseerd te worden. Een mantelzorgwoning kan ook een nieuwe, tijdelijke unit zijn. Het realiseren van een tijdelijke mantelzorgwoning is in sommige gevallen vergunningsvrij. De regels over mantelzorg en een mantelzorgwoning staan in de artikelen 4.27, 4.28, 6.14 en 6.17 van het omgevingsplan gemeente Utrecht. De regels over het (vergunningvrij) bouwen staan in de artikelen 4.27 en 4.28, de regels over het gebruik staan in artikelen 6.14 en 6.17. In artikel 6.17 wordt bijvoorbeeld benoemd dat een vrijstaand bijhorend bouwwerk tijdelijk als mantelzorgwoning gebruikt mag worden. Het omgevingsplan gemeente Utrecht is te raadplegen via https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/. De regel waar indiener naar verwijst in het Chw bestemmingsplan Máximapark artikel 25, lid 25.5 bevat een regel waarin geregeld is dat burgemeester en wethouders onder voorwaarden een tijdelijke vergunning kunnen verlenen voor het vergroten van een bijgebouw voor mantelzorg. Deze regel is bij de vaststelling van het Chw bestemmingsplan Maximapark niet meer van toepassing. De regels in het omgevingsplan gemeente Utrecht over mantelzorg gaan voor op de regels in het Chw bestemmingsplan Maximapark.
Of het vergunningsvrij realiseren van een mantelzorgwoning mogelijk is in het specifieke geval van de indiener hangt af van de situatie. Het is indiener aan te raden de vergunningscheck te doen om te kijken of voor een zodanige mantelzorgwoning een vergunning is vereist. Mochten er op basis van het omgevingsplan geen mogelijkheden zijn voor het realiseren van een mantelzorgwoning is er nog de mogelijkheid om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit 40
Datum Rapport
juli 2025 Vaststellingsrapport
aan te vragen voor het bouwen van en het wonen in een mantelzorgwoning. In dat geval wordt er een afweging gemaakt door het college van burgemeester en wethouders. Conclusie Op grond van deze zienswijze worden geen wijzigingen aangebracht.
Zienswijze 3
Indiener geeft aan dat hij niet akkoord gaat met de voorgestelde wijzigingen die betrekking hebben op zijn perceel en verzoekt zijn bezwaren mee te nemen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan. 1. De agrarische functie wordt in het bestemmingsplan voor het perceel beperkt. Indiener is bezorgd over de impact van het bestemmingsplan op zijn perceel en de agrarische activiteiten die plaatsvinden op het perceel. Het perceel bevat een boomgaard, bewateringssysteem en opstallen. De impact op de agrarische activiteiten ziet op een inperking van de functie (glastuinbouw en fruitteelt worden verboden). Hiermee blijft er volgens indiener weinig ruimte over voor agrarische activiteiten en zal de waarde van het perceel en de opstallen sterk verminderen.
Reactie In de beheersverordening is het besluitsubvlak ‘OO’ op het perceel van indiener opgenomen. Besluitsubvlak ‘OO’ staat agrarische doeleinden, niet zijnde intensieve veeteelt, toe. De regel uit het ontwerpbestemmingsplan is inderdaad beperkter. De reden hiervoor is dat de functieregels in de verschillende Chw bestemmingsplannen dezelfde regels hebben. Voor de functie ‘Agrarisch’ wordt in de regels glastuinbouw en fruitteelt expliciet uitgesloten, omdat deze activiteiten een significante impact hebben op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het is echter niet de bedoeling om bestaande agrarische bedrijfsactiviteiten weg te bestemmen. Daarom nemen we voor het perceel een functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – 1’ op de verbeelding op. Voor de gronden binnen deze aanduiding wordt in de regels opgenomen dat glastuinbouw en fruitteelt toegestaan is. 2. Er zouden bestaande gebouwen worden wegbestemd in het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast merkt indiener op dat het bouwvlak op het perceel wordt verkleind waardoor enkele bestaande gebouwen worden wegbestemd en illegaal worden verklaard. Dit leidt volgens indiener tot juridische onzekerheid en tot problemen met betrekking tot het gebruik van het huidige bezit. Indiener is het niet eens met de voorgestelde wijzigingen zoals hierboven toegelicht.
Reactie In het Chw bestemmingsplan Máximapark wordt niet gewerkt met bouwvlakken. Het vlakje dat op het perceel van indiener te zien is betreft een functieaanduiding van een bedrijfswoning en is geen bouwvlak. Bestaande bouwwerken die legaal gebouwd zijn mogen blijven bestaan (zoals wordt benoemd in artikel 22, lid 22.3 van het Chw bestemmingsplan) en worden dus niet wegbestemd. Dit is overigens ook in lijn met hoe het in de beheersverordening geregeld is die momenteel ook voor het perceel geldt. Conclusie Op grond van deze zienswijze wordt de wijziging aangebracht die in paragraaf 2.3.1.2Error! Reference source not found. is aangegeven.
Zienswijze 4
De Gasunie merkt in haar zienswijze op dat de gasleiding niet overal correct weergeven is en heeft enkele aanvullingen en opmerkingen op de regels die bij het bestemmingsplan horen. Hieronder wordt puntsgewijs op de ingebrachte punten ingegaan. De verschillende inhoudelijke punten met betrekking tot de regels zijn opgeknipt en apart van een reactie voorzien om deze op een overzichtelijke manier te kunnen beantwoorden.
41/47
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
1. De ligging van de aardgasleiding klopt niet. De Gasunie merkt op dat in het plangebied twee aardgastransportleidingen liggen die in eigendom van de Gasunie zijn. Volgens de Gasunie is de ligging van de leidingen, inclusief de belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leidingen niet overal correct weergegeven. De Gasunie verzoekt de ligging van de leidingen inclusief belemmeringenstrook correct weer te geven op de verbeelding.
Reactie Naar aanleiding van de zienswijze is contact opgenomen met de Gasunie en hebben wij de meest recente tekeningen ontvangen van de ligging van de gasleiding. De ligging van de gasleiding is op de verbeelding aangepast. 2. Er worden om verschillende aanpassingen/aanscherpingen gevraagd in relatie tot de regels van het bestemmingsplan. Het toevoegen van het woord ‘uitsluitend’ aan artikel 9.2, lid 2 onder b De Gasunie verzoekt aan artikel 9.2, lid 2 onder b na ‘dat’ het woord ‘uitsluitend’ toe te voegen zodat de bestemming Leiding – Gas voorrang heeft op andere bestemmingen en te benadrukken dat de regel om de functie van artikel 9 gaat. Op deze manier wordt bijgedragen aan de bescherming van de gasleiding.
Reactie Uit lid 9.2, onder 1 blijkt dat activiteiten als bouwen en grondwerk verboden zijn. De regel onder 2, onder b benoemt dat het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, enkel mag als dit bouwwerk hoort bij de functie. Het woord ‘uitsluitend’ is hierbij niet noodzakelijk, omdat uit de regel blijkt dat dit bouwwerk enkel toegestaan is als het hoort bij de functie ‘Leiding – Gas’. Daarnaast zorgt de algemene regel van artikel 22, lid 22.1 dat de regels in hoofdstuk 3 buiten toepassing blijven voor zover zij niet te verenigen zijn met een regel over de toegewezen functie, met uitzondering van de regel in artikel 23, lid 23.2, die altijd van toepassing is. Daarmee wordt al een voorrangsbepaling aan de functieregels gegeven. Om deze reden hebben wij de regel niet aangepast. Een verbod op het wijzigen van bestaande gebouwen als dit leidt tot het toelaten van een kwetsbaar object. De Gasunie verzoekt om in het plan op te nemen dat het verboden is om het gebruik van bestaande gebouwen te wijzigen als die wijziging tot gevolg heeft dat een kwetsbaar object wordt toegelaten. Hiermee moet voorkomen worden dat er kwetsbare objecten binnen de belemmeringenstrook worden toegelaten. Indiener geeft aan dat hiermee wordt voldaan aan artikel 14 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het opnemen van een dergelijke bepaling in artikel 28 is een andere optie.
Reactie Er zijn momenteel geen gebouwen gelegen binnen de belemmeringenstrook van de gasleiding. Wel zien we belang om in navolging van artikel 14 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen een dergelijke bepaling op te nemen, ook gelet op de instructieregel in artikel 5.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het opnemen van de bepaling in artikel 28 is niet wenselijk; dit is een algemene regel die hetzelfde is in alle Chw bestemmingsplannen en de werking van de algemene regels die in de Chw bestemmingsplannen zijn vervangen door de algemene regels in ons omgevingsplan. Om deze reden hebben we aan artikel 9 een lid toegevoegd (lid 9.3), met de volgende tekst: Het is verboden om het gebruik van bestaande gebouwen te veranderen naar kwetsbare gebouwen, tenzij die een functionele binding hebben met de buisleiding, en zeer kwetsbare gebouwen. In de toelichting van het bestemmingsplan is in paragraaf 2.2.2 onder het kopje ‘Artikel 9 Leiding – Gas’ aangevuld dat bestaande gebouwen niet mogen worden gewijzigd naar kwetsbare gebouwen
42
Datum Rapport
juli 2025 Vaststellingsrapport
(tenzij die een functionele binding hebben met de buisleiding) of zeer kwetsbare gebouwen met een uitleg waarom. Het verduidelijken van het vergunningsvrij bouwen en de relatie hiermee tot buisleidingen. De Gasunie verzoekt in artikel 24.1 te verduidelijken op welke wettelijke regeling wordt gedoeld. Daarnaast wordt verzocht om artikel 24 zo in te steken dat duidelijk blijkt dat de uitzondering van de vergunningplicht uit het Bor in bepaalde gevallen niet geldt voor buisleidingen (artikel 5, lid 3, van Bijlage II Bor).
Reactie De wettelijke regeling (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 2 en artikel 3 van het Besluit omgevingsrecht) die vergunningsvrij bouwen mogelijk maakte en waarop gedoeld wordt in artikel 24, lid 24.1 (zoals ook in de artikelsgewijze toelichting staat) is vervallen. Artikel 24, lid 24.1 staat in hoofdstuk 3 van het Chw bestemmingsplan, wat behoort tot de algemene regels van de gemeente Utrecht. Deze algemene regels staan hetzelfde in alle Chw bestemmingsplannen en worden niet gewijzigd. Tot de inwerkingtreding van de eerste wijziging van het omgevingsplan Utrecht gelden de bruidsschatregels voor vergunningsvrij bouwen. In de eerste wijziging van het omgevingsplan Utrecht wordt in artikel 12.3 de afstemming geregeld met de regels die met toepassing van de Crisis- en herstelwet zijn vastgesteld. Daarin wordt ook een relatie gelegd met de algemene regels die in hoofdstuk 3 tot en met 7 van de Chw bestemmingsplannen staan. Tot de inwerkingtreding van de eerste wijziging van het omgevingsplan geldt daarnaast de bruidsschat in haar geheel. In de bruidsschat is momenteel artikel 5, lid 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht overgeheveld naar artikel 22.39. Dit heeft betrekking op het vergunningsvrij bouwen en het gebruiken en in stand houden en de inperking van een bijhorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan.
In de eerste wijziging van het omgevingsplan is dit artikel behouden en overgeheveld naar artikel 4.27, lid 2 onder g en h. Daarmee blijft de bescherming gewaarborgd. De ligging van buisleidingen in de openbare ruimte en de gevolgen voor buisleidingen die hierbinnen zijn gelegen. De Gasunie verzoekt te verduidelijken wat wordt verstaan onder openbare ruimte en verzoekt ook in de regels van het plan op te nemen dat bouwen zonder vergunning in de openbare ruimte de veilige ligging van de leiding niet mag schaden (artikel 24.4). Verder wordt aangegeven dat het in de huidige opzet niet duidelijk is hoe gewaarborgd wordt dat het bouwen niet in strijd mag zijn met de beschermende regels voor leidingen.
Reactie Uit de artikelsgewijze toelichting in paragraaf 2.2.2 blijkt dat locaties met de functie (bestemming) Groen, Water Verkeer – Verblijfsgebied of een andere bijzondere verkeersfunctie heeft behoren tot de openbare ruimte. In artikel 24, lid 24.4 wordt benoemd dat de toegewezen functies (en daarmee ook de functie Leiding – Gas) zich niet mogen verzetten tegen het bouwen van de genoemde voorzieningen. Daarnaast regelt artikel 22, lid 22.1 dat de regels in hoofdstuk 3 buiten toepassing blijven voor zover zij niet te verenigen zijn met een regel over de toegewezen functie. In het geval van de functie ‘Leiding – Gas’ blijkt dat, behoudens enkele voorwaarden, de activiteit bouwen en grondwerk verboden is. Daarnaast is de gemeente in het algemeen de enige partij die in de openbare ruimte iets bouwt. Met de ligging van de gasleiding weergegeven op de verbeelding en de aan de functie ‘Leiding – Gas’ verbonden regels, de regels in artikel 22, lid 22.1 en artikel 24, lid 24.4 en het feit dat de gemeente de openbare ruimte in bezit heeft, is de veilige ligging van de gasleiding gewaarborgd. De algemene regels van artikel 25.1 (‘overige zone – omgevingskwaliteit’) en artikel 25.6 (‘Bouwen op locaties waar het bouwen in verband met de functie verboden is’) in relatie tot de gasleiding
43/47
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
De Gasunie vraagt zich af of artikel 25.1 ook geldt voor gronden bestemd voor Leiding – Gas. Indien dit niet het geval is verzoekt indiener duidelijk te maken dat artikel 25.1 niet van toepassing is op locaties waar het bouwen in verband met de functie verboden is (artikel 25.6).
Reactie Artikel 25, lid 25.1 (Bouwen op locatie in de 'overige zone - omgevingskwaliteit') staat in hoofdstuk 3 van het Chw bestemmingsplan. In de toelichting van het bestemmingsplan is aangegeven dat in hoofdstuk 3, 4, 5 en 6 algemene regels staan die in alle Chw bestemmingsplannen genoemd worden. De regels in artikel 25, lid 25.1 zijn opgenomen omdat in het bestemmingsplan enkele gronden aangeduid zijn met de aanduiding 'overige zone - omgevingskwaliteit'. In het ontwerpbestemmingsplan geldt voor het gehele Máximapark deze aanduiding. Dit is foutief. Deze aanduiding geldt voor gronden waarover Het Lint gelegen is en voor enkele panden aan de Alendorperweg. De gasleiding loopt op sommige plaatsen onder Het Lint door, en daarvoor geldt dus ook de regels genoemd in lid 25.1. De regels over omgevingskwaliteit bestaan naast de andere algemene regels die genoemd staan in de verschillende hoofstukken. Dit geldt ook zo voor lid 25.6 (‘Bouwen op locaties waar het bouwen in verband met de functie verboden is’). Het is daarom niet nodig om lid 25.1 aan te passen.
Een uitzondering in de algemene regels van artikel 25 (‘Bouwen met vergunning’) behoudens 25.6 voor locaties waar bouwen verboden volgens artikel 9 ‘Leiding – Gas’ Wat betreft artikelen 25.1, 25.2, 25.3, 25.4 en 25.5 verzoekt de Gasunie dat hier een algemene uitzondering wordt opgenomen voor locaties waar bouwen verboden is conform artikel 9 Leiding - Gas. Een andere manier is om een algemene bepaling op te nemen die aangeeft waar mag worden afgeweken van het verbod op bouwen, zoals bedoeld in artikel 9. De volgende vereisten zijn hierbij volgens indiener van belang: de veilige ligging mag niet worden geschaad, er mogen geen kwetsbare objecten worden toegelaten en er dient vooraf schriftelijk advies te worden ingewonnen bij de leidingbeheerder.
Reactie Deze uitzondering is niet noodzakelijk. Artikel 22, lid 22.1 ('Werking van de regels in dit hoofdstuk') regelt dat de regels in dit hoofdstuk buiten toepassing blijven voor zover zij niet te verenigen zijn met een regel over de toegewezen functie, met uitzondering van de regel in artikel 23, lid 23.2, die altijd van toepassing is. Aangezien in lid 9.2, onder 1 de activiteiten bouwen en grondwerk worden verboden, gaan deze regels voor zover deze niet te verenigen zijn met de algemene regels in hoofdstuk 3 van het Chw bestemmingsplan. Het advies van de beheerder wordt betrokken bij het besluit over de te beschermen functie bij een vergunningsaanvraag. Dit is geregeld in lid 25.6, onder 3 van het Chw bestemmingsplan. Met betrekking tot het toelaten van kwetsbare objecten verwijzen wij naar het antwoord onder het kopje ‘een verbod op het wijzigen van bestaande gebouwen als dit leidt tot het toelaten van een kwetsbaar object’. In de algemene regel staan bewoordingen die niet overeenkomen met de oude wetgeving Volgens de Gasunie komt tot slot de bewoording uit 25.6, lid 2 niet overeen met wetgeving die gold voor 1 januari 2024. Volgens indiener zou moeten worden gesproken van een kwetsbaar object in plaats van een zeer kwetsbaar object.
Reactie De algemene regels in de Chw bestemmingsplannen zijn gebaseerd op de termen uit en systematiek van de Omgevingswet. Dit volgt uit de artikelsgewijze toelichting waar bij de behandeling van lid 25.6 zowel verwezen wordt naar het Besluit externe veiligheid buisleidingen en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het is correct dat voor 1 januari 2024 de term 'zeer kwetsbaar object' niet voorkwam binnen de wetgeving. Onder 2 wordt zowel een kwetsbaar als zeer kwetsbaar object genoemd. Dit is eigenlijk ook foutief, gezien in de Omgevingswet wordt gesproken over een kwetsbaar als zeer kwetsbaar gebouw. Aangezien het noemen van een zeer kwetsbaar object in het artikel geen nadelige gevolgen heeft en wel in lijn is met de termen uit de Omgevingswet – wat de 44
Datum Rapport
juli 2025 Vaststellingsrapport
bedoeling is van het instrument Chw bestemmingsplan – is lid 25.6 niet aangepast. Hierbij nemen we ook mee dat deze algemene regel vervangen is door de algemene regels uit ons omgevingsplan. Conclusie Op grond van deze zienswijze wordt de verbeelding aangepast om de juiste ligging van de gasleiding te weergeven binnen het Chw bestemmingsplan Máximapark. Daarnaast wordt de wijziging aangebracht die in paragraaf 2.3.1.5 van het vaststellingsrapport is aangegeven. Dit houdt een toevoeging in van lid 9.3 om het gebruik van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen binnen de belemmeringenstrook van de gasleiding niet toe te laten staan en een onderbouwing hiervan op te nemen in de artikelsgewijze toelichting.
Zienswijze 5
Indiener benoemt in haar zienswijze dat haar woning, dat in het ontwerpbestemmingsplan een agrarische functie is toebedeeld, een woonbestemming gegeven moet worden. Daarnaast wordt in de zienswijze gevraagd om voor bestaande bebouwing de waarden voor trillingshinder te laten voldoen aan de streefwaarden voor nieuwbouw en wordt gevraagd waarom er geen aanduiding 'overige zone – trillingshinder spoor' is opgenomen voor het veld bij de Hindersteinlaan. Hieronder wordt puntsgewijs op de voortgebrachte punten ingegaan: 1. Er is een agrarische functie toebedeeld aan de burgerwoning Indiener merkt op dat de woning buiten de aanduiding (zijnde 'bedrijfswoning') valt en het perceel een bestemming 'Agrarisch' heeft. Indiener verzoekt hier een woonbestemming van te maken. Indiener voert aan dat de woning in het verleden bouwkundig en kadastraal gesplitst is en in ieder geval sinds 1973 in gebruik is als burgerwoning zonder dat er op het perceel agrarische bedrijvigheid plaatsvindt. Volgens indiener is het bestaande gebruik als burgerwoning zonder agrarische verbintenis in de ‘partiele herziening van de voorschriften van het Landelijk Gebied’ (vastgesteld op 26 mei 1981) gevalideerd. Volgens indiener is met de herziening het bestaand gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, die met de in het plan aangewezen bestemming in strijd zou zijn, gelegaliseerd.
Volgens indiener blijkt dit uit de overgangsrechtbepalingen in artikel 30 onder 2.A van het voorgenoemde plan. Hierin staat: ‘Het op dit tijdstip van rechtskracht
verkrijgen van het plan bestaand gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, mag worden voortgezet'. Vanwege de
overgangsrechtbepaling en het gebruik van het gedeelte van het pand als burgerwoning sinds 1973 zonder agrarische bedrijvigheid wordt gevraagd om een woonfunctie.
Reactie Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RBMNE:2020:2743) blijkt dat het gebruik op de peildatum in overeenstemming moet zijn met de bestemming die in het vorige bestemmingsplan aan de strook grond is gegeven, of met het gebruiksovergangsrecht van dat bestemmingsplan om te kunnen vallen onder het overgangsrecht. De bepaling in de herziening stond de voortzetting van het met de bestemming zijnde strijdig gebruik toe. In het daaropvolgende bestemmingsplan Leidsche Rijn Park (2008) en de beheersverordening De Meern Noord, Máximapark, Vogelenbuurt, Wittevrouwen (2016) is een soortgelijke overgangsbepaling voor het gebruik opgenomen, met de voorwaarde dat wanneer het gebruik wordt onderbroken voor langer dan één jaar, het verboden is om het strijdig gebruik daarna te hervatten. Uit archiefonderzoek is gebleken dat in 1968 een woonvergunning in het kader van de Woonruimtewet 1947 verleend is voor het pand. Dit impliceert een legale splitsing van de bedrijfswoning in die tijd. De indiener heeft contact opgenomen met de gemeente en verschillende stukken geleverd om aan te tonen dat er sinds 1973 continu gewoond is en het pand in gebruik is genomen als burgerwoning. Wij hebben deze stukken gecontroleerd en ook intern onderzoek gevoerd. Uit onze beschikbare gegevens blijkt dat er inderdaad sinds de inwerkingtreding van de partiele herziening uit 1981 continu gewoond is in het pand.
Daarnaast is vastgesteld dat de gronden geschikt zijn voor de functie 'Wonen'. Vanwege de overgangsrechtsbepalingen, het feit dat de woning sinds 1981 continu in gebruik is geweest als burgerwoning en dat de legalisatie van de
45/47
Ontwikkelorganisatie Ruimte Omgevingsrecht
burgerwoning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, kunnen wij instemmen met de toekenning van de functie 'Wonen' aan het perceel. 2. Er wordt om maatregelen gevraagd ten aanzien van de aanduiding 'overige zone – trillingshinder spoor' Indiener merkt op dat zijn woning in de ‘overige zone – trillingshinder spoor’ ligt waar nieuwe gebouwen ten behoeve van wonen moeten voldoen aan een streefwaarde met betrekking tot trillingen. De gemeente wordt verzocht om voor bestaande gebouwen die in de ‘overige zone – trillingshinder spoor’ liggen te identificeren wat de bijbehorende waarden zijn en om deze waarden, eventueel in samenspraak met andere stakeholders, zo dicht mogelijk naar de streefwaarde voor nieuwe gebouwen te brengen. Daarnaast is volgens indiener het veld bij de Hindersteinlaan, waar een nieuwe middelbare school wordt beoogd, uitgesloten van de ‘overige zone – trillingshinder spoor’ en is het perceel ook in zijn geheel niet meegenomen in het Chw bestemmingsplan Máximapark. Indiener vraagt zich af waarom dit zo is en vraagt zich af of de regels in relatie tot trillingen dan niet gelden voor dit gebied en de mensen die daar gaan wonen en de kinderen die daar naar school gaan. Indiener verzoekt om een onderbouwing van deze keuze.
Reactie Er zijn voor bestaande woningen geen normen voor trillingen die worden veroorzaakt door treinverkeer over het spoor bij bestaande woningen. Hierdoor is er geen verplichting voor de gemeente om aan de vraag van de indiener te voldoen. Voor het veld bij de Hindersteinlaan geldt dat dit gebied niet opgenomen is binnen het Chw bestemmingsplan Máximapark. Er is namelijk recent voor dit veld een bestemmingsplan vastgesteld op 20 februari 2020, namelijk het bestemmingsplan ‘Hindersteinlaan, Het Lint, Maximapark’. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk. De vraag van de indiener valt hiermee buiten het bereik van het Chw bestemmingsplan Máximapark, aangezien het veld geen deel uitmaakt van het plangebied. Conclusie Op grond van deze zienswijze wordt de wijziging aangebracht die in paragraaf 2.3.1.3 is aangegeven.
Zienswijze 6
1. Er is momenteel sprake van bedrijvigheid in milieucategorie 3.1 op het perceel met de functie ‘Bedrijf – Bedrijf tot en met categorie 2’ Indiener geeft aan het niet eens te zijn met de wijziging van de functie ‘Bedrijf – Categorie 3’ naar ‘Bedrijf – Bedrijf tot en met categorie 2’ op het perceel waar indiener gebruik van maakt. Indiener geeft aan dat, zolang zijn bedrijf op het perceel gevestigd blijft, er sprake is van bedrijvigheid die onder milieucategorie 3 valt. Volgens indiener moet dat gehandhaafd blijven.
Reactie Op basis van de beheersverordening geldt er voor het perceel van de indiener besluitsubvlak ‘TT’. Dit maakt de volgende aanvullende gebruiksmogelijkheden mogelijk: - Bedrijven die vallen in milieucategorie 1 en 2 van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten met de daarbij behorende kantoorruimte, bouwwerken en andere werken, zoals parkeervoorzieningen; - Water; - Een fruitkoelbedrijf. Het Chw bestemmingsplan Máximapark regelt dat het fruitkoelbedrijf expliciet toegestaan is. Dit is geregeld met de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – fruitkoelbedrijf’. Er zijn daarnaast bedrijven van milieucategorie 1 en 2 toegestaan, maar dit was onder de beheersverordening ook zo. De bestaande rechten zoals deze blijken uit de beheersverordening zijn direct vertaald naar het Chw bestemmingsplan Máximapark. Door het opnemen van de functieaanduiding binnen de functie 46
Datum Rapport
juli 2025 Vaststellingsrapport
‘Bedrijf – Bedrijf tot en met categorie 2’ kan het fruitkoelbedrijf de activiteiten voortzetten. Hiervoor is het niet nodig om een hogere milieucategorie toe te staan; door dit op te nemen zouden alle bedrijven die behoren bij de hogere milieucategorie zich kunnen vestigen op het perceel, wat een onwenselijke verruiming zou zijn. Om toch duidelijk aan te geven dat het fruitkoelbedrijf van milieucategorie 3.1 is toegestaan is dat toegevoegd aan de regel. Conclusie Op grond van deze zienswijze wordt de wijziging aangebracht die in paragraaf 2.3.1.4 is aangegeven.
47/47
Bestemmingsplan
Chw bestemmingsplan Maximapark Vastgesteld, datum nog vast te stellen
Chw bestemmingsplan Maximapark
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel
5
1.3
Beleid
6
1.4
Ruimtelijke beschrijving
7
1.5
Juridische aspecten
8
Hoofdstuk 2
Toelichting per artikel
19
2.1
Inleidende regels (hoofdstuk 1 van de regels)
19
2.2
Functies (hoofdstuk 2 van de regels)
19
2.3
Bouwen en slopen (hoofdstuk 3 van de regels)
23
2.4
Gebouwen en locaties gebruiken (hoofdstuk 4 van de regels)
29
2.5
Grondwerk: activiteit in de bodem (hoofdstuk 5 van de regels)
38
2.6
Natuur, flora en fauna (hoofdstuk 6 van de regels)
39
2.7
Algemeen overgangsrecht
44
2.8
Bijlagen bij de regels
Hoofdstuk 3
(hoofdstuk 7 van de regels)
Uitvoerbaarheid
45
49
3.1
Inleiding
49
3.2
Milieueffectrapportage
49
3.3
Bedrijven en milieuzonering
49
3.4
Geluidhinder
50
3.5
Trillingen
52
3.6
Geur
52
3.7
Externe veiligheid
53
3.8
Luchtkwaliteit
53
3.9
Bodem
54
3.10
Natuurbescherming
55
3.11
Bomen
57
3.12
Water en klimaatadaptatie
57
3.13
Archeologie
59
3.14
Kabels en leidingen
60
3.15
Economische
60
3.16
Maatschappelijke
3.17
Handhaving
uitvoerbaarheid uitvoerbaarheid
2 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
60 60
Utrecht
Toelichting
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
3
4 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
In de aanloop naar de Omgevingswet verkent de gemeente de mogelijkheden van die wet met projecten waarin een bepaald facet van de Omgevingswet nader wordt bestudeerd. Op beleidsniveau is de eerste omgevingsvisie voor de gemeente Utrecht samengesteld uit het al geldende beleid en waar nodig aangevuld met nieuw beleid. Het bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Máximapark (Chw staat voor 'Crisis- en herstelwet, zie ook paragrafen 1.5.1 en 1.5.2) is een project waarin geoefend is met het nieuwe instrument omgevingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt een vervolgstap gezet in het toevoegen van de beheersverordeningsgebieden aan het Utrechtse bestemmingsplan. De regels worden in de geest van de Omgevingswet vormgegeven: minder regels, duidelijkere regels en de 'activiteiten' staan centraal. Waar nodig worden de teksten van het plan verbonden met geometrische data. De algemene regels van dit bestemmingsplan kunnen leiden tot een herziening van het Chw bestemmingsplan algemene regels Utrecht. Tien jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet moeten de regels over de leefomgeving die in gemeentelijke verordeningen staan, zoals de Algemene Plaatselijke Verordening, overgeheveld zijn naar het omgevingsplan.
Hoewel de gemeenteraad bevoegd is om op grond van het Uitvoeringsbesluit Crisis- en herstelwet regels uit verordeningen in te voegen in het bestemmingsplan, bevat dit plan slechts enkele experimenteerbepalingen. De reden daarvoor is dat dit project zich vooral richt op de uniformering en vermindering van bestemmingsplanregels. Daarbij wordt ook de wens van het gemeentebestuur om 'flexibel te bestemmen' betrokken. Het uitbreiden van de opgave door het invoegen van verordeningen zou de opgave te gecompliceerd maken. Bovendien is het niet wenselijk om twee versies van de verordeningen te creëren: een versie in dit bestemmingsplan en de gewone versie die voor de hele gemeente geldt.
1.2
Doel
1.2.1
Doelstelling
Het Chw bestemmingsplan Maximapark bevat een regeling die gericht is op het behouden van een goede leefomgeving in het plangebied. Het bestemmingsplan vult daarnaast de beheersverordening op enkele punten aan. Hier wordt in paragraaf 1.5.8 op ingegaan. Het gebied bestaat uit een laagdynamisch woon- en recreatief gebied: de belangrijkste functies zijn wonen, sport en groen. 1.2.2
Plaats en grens van het plangebied
Het plangebied ligt in het westen van de stad en bestaat uit het Máximapark en een deel van de bebouwing wat grenst aan het Máximapark. Het plangebied wordt in het westen grotendeels begrensd door de woonwijken ten westen van het Máximapark en de Europaweg. In het noorden ligt het plangebied tot aan de Liesveldse Wetering. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Robert Planquettelaan, de Enghlaan, de Max Ernstlaan en de Parkzichtlaan. In het zuiden vormt de Burgemeester Middelweerdbaan de grens van het plangebied. 1.2.3
Regelingen die worden vervangen
Dit bestemmingsplan vervangt in het plangebied de bestemmingsplannen en beheersverordeningen die in de tabel hieronder genoemd worden. Bestemmingsplan/verordening Leidsche Rijn Park Alendorperweg 47-49, Máximapark, Leidsche Rijn De Meern Noord, Maximapark, Vogelenbuurt, Wittevrouwen
Vastgesteld door Raad 29 juni 2006 29 oktober 2015
Onherroepelijk 20 februari 2008 31 december 2015
27 oktober 2016
17 november 2016
bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
5
1.3
Beleid
1.3.1
Algemene uitgangspunten, omgevingsvisie
Dit bestemmingsplan geeft uitvoering aan het beleid van de Omgevingsvisie Utrecht. Voor het gebied Vleuten-De Meern worden in de omgevingsvisie geen grote ontwikkelingen voorzien. De regels van het bestemmingsplan zijn daarom vooral gericht op beheer en instandhouding van de bestaande situatie. 1.3.2
Rijksbeleid, provinciaal beleid, waterschapsbeleid
Het rijksbeleid en het provinciale en het waterschapsbeleid is, voor zover van belang voor het plangebied, vertaald in wetgeving. De wettelijke regelingen zijn bij het opstellen van het bestemmingsplan toegepast. 1.3.3
Thematisch beleid
Het gemeentelijke thematische beleid is opgenomen in de omgevingsvisie van Utrecht. Dit beleid is zoveel mogelijk verwerkt in de omgevingsvisie voor het gebiedsdeel Vleuten-De Meern. Er is echter ook thematisch beleid dat bij de verlening van vergunningen op basis van dit bestemmingsplan wordt betrokken. Dit geldt voor de volgende beleidsthema's: archeologie en erfgoed, detailhandel, horeca, beleid over vakantieverhuur, woningvorming en -splitsing en parkeren. Op de website Omgevingsvisie Utrecht is het beleid over deze thema's te vinden. Als burgemeester en wethouders beleidsregels hebben vastgesteld, is op die website doorgaans de link naar die regels te vinden. Beleidsregels worden overigens ook op overheid.nl gepubliceerd. 1.3.3.1 Stedelijk groenstructuur Delen van het plangebied maken onderdeel uit van de stedelijke groenstructuur van de gemeente. De wenselijke verbindingen moeten nog worden gerealiseerd of worden versterkt. De licht- en donkergroen gearceerde delen zijn al gerealiseerd en hebben in dit bestemmingsplan zo veel mogelijk de functie 'Groen' gekregen.
1.3.3.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Het bestemmingsplan past in verschillende thematische beleidskaders. De ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) is niet aan de orde, omdat het plan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. 1.3.4
Conclusie
De regels vanuit het Rijk en de provincie die betrekking hebben op het plangebied van dit bestemmingsplan zijn verwerkt in dit bestemmingsplan. Ook het gemeentelijk beleid is in dit bestemmingsplan verwerkt.
6 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
Utrecht
1.4
Ruimtelijke beschrijving
Het Máximapark is het open gebied dat Leidsche Rijn met de bestaande (historische) dorpslinten en de oudere woonkernen Vleuten en De Meern verbindt. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de bestaande cultuurhistorische waarden en (landschappelijke) structuren zo goed mogelijk bewaard worden, maar dat daarnaast ook rekening wordt gehouden met de vele doorsnijdingen. Het ontwerp van de hoofdstructuur van het park bestaat uit de volgende onderdelen: Een centraal gelegen groengebied dat door middel van een Parkpergola is afgescheiden van de overige Parkpergola. In dit centrale deel, de Binnenhof, ligt de nadruk op natuur en cultuur. De Parkpergola schermt het centrale deel als het ware af; Een lineair lint, namelijk Het Lint. Dit Lint is een doorlopende brede zone die het gehele park omringt. De zone bestaat uit een verhard pad met aan weerszijden groene weides en een zoveel mogelijk doorlopende bomenrand. Het Lint verbindt alle onderdelen van het park en de entrees vanuit de omgeving; De Vikingrijn, ofwel de herstelde loop van de Oude Rijn. Deze maakt deel uit van de waterstructuur en het watersysteem van het park. Binnen deze hoofdstructuur is een flexibele invulling mogelijk. De verschillende plandelen hebben ieder een geheel eigen opgave, zowel ruimtelijk als functioneel.
De ontwikkelingen in het Máximapark worden zo goed mogelijk op elkaar afgestemd en staan onder supervisie van West8. Hierna volgt een korte beschrijving van de verschillende plandelen. 1.4.1
Het Lint
Het Lint is een doorlopende brede zone die het gehele park omringt. De zone bestaat uit een verhard pad met aan weerszijden groene weides en een zoveel mogelijk doorlopende bomenrand. Op het Lint kan worden gespeeld, gesport en gewandeld. Het Lint verbindt alle onderdelen van het park met elkaar en biedt toegang tot het park vanuit de omliggende woongebieden. In het Lint is een evenemententerrein voorzien. 1.4.2
De Binnenhof
De oppervlakte van het groene middengebied - de Binnenhof - komt ongeveer overeen met die van het Vondelpark in Amsterdam. Het aanbrengen van een contrast en een duidelijke begrenzing rondom deze kern maken dat hier daadwerkelijk een park kan ontstaan met een waardigheid, ouderdom en rijkdom die vergelijkbaar zijn met Amelisweerd. Voor het groene middengebied waren de Alendorperweg en de Utrechtseweg, met bebouwing, belangrijke structuurbepalende factoren. Op deze wegen worden doorgaand autoverkeer en parkeren geweerd. De woonbebouwing is nagenoeg volledig gehandhaafd en waar mogelijk incidenteel getransformeerd in parkgerelateerde functies, zoals theetuinen, galeries, eetcafés en parkvilla’s. Daarnaast heeft het bos een ecologische doelstelling. Gebouwde voorzieningen zullen zoveel mogelijk in de Parkpergola worden opgenomen, zodat de voorziening slechts een beperkt ruimtebeslag legt op het groene middengebied. De Japanse Tuin in de Binnenhof is omringd door heuvels met witte en paarse rodondendrons. Via het slingerpad kom je bij een verstilde waterpartij met Japanse bomen en struiken. 1.4.3
Parkpergola
De Parkpergola markeert het groene middengebied. De toegangen tot het groene middengebied zijn geaccentueerd en gedetailleerd tot monumentale poorten. Aan de west- en aan de oostzijde ligt de Parkpergola langs het Lint, aan de zuidzijde langs de Vikingrijn. Aan de noordzijde ligt de Parkpergola deels langs de Noordelijke Stadsas. Daar fungeert hij ook als geluidswering. Overgangen en kruisingen zijn soms vormgegeven als onderbreking van de Parkpergola, in andere gevallen buigt de Parkpergola mee met de kruisende beweging. De enkele kilometers lange afscheiding heeft verschillende vormen en hoogtes. Daarnaast wordt er een groot aantal materialen toegepast. Hierdoor ontstaat ook op ecologisch vlak diversiteit; de gevarieerde condities zijn van belang voor het nestelen en schuilen van verschillende diersoorten, zoals vogels, vleermuizen en insecten en plantensoorten. De Parkpergola kan daarnaast ruimte gaan bieden aan bijzondere voorzieningen, bijvoorbeeld een museum of bijzondere muurwoningen. Ook voor dit onderdeel geldt een beperkte bereikbaarheid voor autoverkeer en parkeergelegenheid. Ontsluiting voor autoverkeer zal aan de buitenzijde plaatsvinden. In de toekomst zal de Parkpergola uitgebreid worden. bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
7
1.4.4
Vikingrijn
De Oude Rijn was een belangrijke transportroute voor de Romeinen en de Vikingen. De Vikingrijn volgt in het Máximapark de oorspronkelijke loop van de Oude Rijn. De Vikingrijn is ongeveer 4 kilometer lang en op sommige punten tot 30 meter breed. De Vikingrijn is een primaire watergang, brengt een verdieping aan het park aan met haar waterelementen en verzorgt in een aanvullende recreatieve waarde. 1.4.5
Sportparken
In het park liggen drie grote sportparkcomplexen, namelijk het complex onder de Componistenlaan, het complex boven de Alendorperweg en het complex onder de Alendorperweg. Deze complexen liggen verspreid, maar binnen het Lint, nabij de woongebieden. De randen van de complexen worden benut voor groenvoorzieningen en omgeven door sloten en watergangen. Op deze manier draagt de invulling van de sportparken bij aan de ecologische structuur van het totale park. 1.4.6
Overige gebiedsdelen
Binnen het Máximapark zijn daarnaast ook nog overige locaties gelegen die geen deel uitmaken van de groenstructuur van het park, maar die wel deel uitmaken van het plangebied en waar een bepaalde invulling aan gegeven is of voorzien wordt. Deze gebiedsdelen worden hieronder beknopt besproken. 1.4.6.1 Noordpunt sportpark Op het noordelijk deel van het park boven de Componistenlaan zijn diverse sportvoorzieningen gelegen, zoals een klimhal en scouting-gelegenheden. Hier wordt beoogd om diverse leisure-achtige (aan sport gerelateerde) activiteiten mogelijk te maken. Er komt in de toekomst ook een zwembad. 1.4.6.2 Alendorperweg Langs de Alendorperweg zijn verschillende woonpercelen gelegen met objecten die aangeduid zijn als 'overige zone - omgevingskwaliteit'. Deze zijn aangemerkt als 'overige zone - omgevingskwaliteit' vanwege de typologie, de ligging, het ensemble, de architectuur of de architectonische waarde. Voorbeelden hiervan zijn diverse langhuisboerderijen, een villa, een toegangshekwerk en tuinderswoningen. Een beschrijving van deze te beschermen kwaliteiten is opgenomen in bijlage 4. Binnen de zone omgevingskwaliteit is het verboden om zonder omgevingsvergunning te bouwen of te slopen. Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning alleen als er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de kwaliteitskenmerken.
1.4.6.3 Hoekelumseboslaan, Emmikkerboslaan, Kuinderboslaan, Enghlaan en Europaweg Aan de Hoekelumseboslaan zijn diverse percelen gelegen waarbinnen woningbouwontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Voor de percelen gelden verschillende kaders waaraan de woningbouwontwikkeling moet voldoen. Deze zijn door middel van bouwaanduidingen aangegeven op de plankaart die bij dit bestemmingsplan hoort. De wegen Emmikkerboslaan en Kuinderboslaan omsluiten verschillende woningen ten zuiden van het Lint. Daarnaast zijn ook aan de Europaweg diverse woningen gelegen. Ook nabij de Enghlaan is een woningbouwontwikkeling gerealiseerd (met woningen aan de Enghlaan, de Edmund Nicklaan, de Jan Vogellaan en de Julius Susanlaan).
1.5
Juridische aspecten
1.5.1
Wettelijke grondslag
1.5.1.1 Wet ruimtelijke ordening, besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bestemmingsplannen vast te stellen. Deze bevoegdheid is in hoofdstuk 3 van die wet en in het Besluit ruimtelijke ordening verder beschreven en ingekaderd. Er zijn ook nog andere wetten met bepalingen over de inhoud van bestemmingsplannen, zoals de Wet geluidhinder. Artikel 3.1.2, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening maakt het mogelijk dat een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Bij het toetsen van een bouwaanvraag aan het bestemmingsplan zal onderzocht worden of de aanvraag voldoet aan deze voorwaarden.
8 bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)
Utrecht
1.5.1.2 Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet Het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt met regelmaat gewijzigd. Sinds de wijziging van 28 oktober 2016 beschikt de gemeente Utrecht juridisch gezien over één bestemmingsplan voor het gehele grondgebied, verder 'het bestemmingsplan van Utrecht' genoemd. Dat bestemmingsplan kan in zijn geheel of gedeeltelijk gewijzigd worden. Dit bestemmingsplan vervangt een beheersverordening. De beheersverordening maakt geen deel uit van het bestemmingsplan van Utrecht. Als dit bestemmingsplan onherroepelijk wordt, gaat het op grond van artikel 7g van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet automatisch deel uitmaken van het bestemmingsplan van Utrecht. Op grond van artikel 7c van het hierboven genoemde Besluit kunnen onder andere regels in het bestemmingsplan worden opgenomen over het behouden of maken van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. In de vakliteratuur spreekt men van 'een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte'. Met 'verbreed' wordt dan bedoeld: niet alleen 'een goede ruimtelijke ordening' (bestemmingsplan), maar ook andere aspecten van de fysieke leefomgeving. Met het opnemen van regels over het kappen van een boom is dit plan ook "breder" dan een gewoon bestemmingsplan. 1.5.2
Vooruitlopen op de Omgevingswet
1.5.2.1 Voorbereiding omgevingsplan, Crisis- en herstelwet De regeling van dit bestemmingsplan heeft een structuur die past in het omgevingsplan dat bij de invoering van de Omgevingswet de bestemmingsplannen zal vervangen. De gemeente Utrecht is opgenomen in artikel 7g van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Daardoor mag de gemeente de experimenteerbepalingen uit artikel 7c van dat besluit gebruiken. Dit bestemmingsplan maakt beperkt gebruik van die mogelijkheid, enerzijds omdat die bepalingen in dit laagdynamische gebied weinig toegevoegde waarde hebben en anderzijds omdat het experiment van dit bestemmingsplan bestaat uit het zoeken naar een sobere, doelmatige regeling die ook bruikbaar is voor andere gebieden. Sober houdt in dit geval in dat vrijwel alleen regels die nodig zijn voor een goed planologisch beheer van de wijk in het bestemmingsplan zijn opgenomen. De laatste wijziging van artikel 7c geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om in een bestemmingsplan een verbod op te nemen om zonder vergunning een bepaalde activiteit te verrichten. Dat staat in lid 14. Die bevoegdheid, vergelijkbaar met die van de toekomstige Omgevingswet, is een verruiming van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening.
In dit bestemmingsplan wordt hiervan gebruik gemaakt in de gevallen die planologisch aanvaardbaar zijn, als de initiatiefnemer aan bepaalde voorwaarden voldoet en waarbij het van belang is dat de gemeente het initiatief vooraf toetst. Een toets vooraf is bijvoorbeeld wenselijk, als de regel een open norm bevat, zoals "het straatbeeld mag niet worden aangetast". De vergunningprocedure geeft aan burgemeester en wethouders de mogelijkheid om de norm door deskundigen te laten toetsen, zoals een stedenbouwkundige of de welstandscommissie, of om beleidsregels vast te stellen die de norm concreet maken. De vrijheid die artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet geeft voor het digitaal verbeelden van het bestemmingsplan wordt in dit bestemmingsplan gebruikt, maar met mate. De gemeente hecht eraan dat alle bestemmingsplannen, ook dit experimentele plan, goed raadpleegbaar zijn via de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Daarom hebben de belangrijkste functies (bestemmingen) in het bestemmingsplan de naam gekregen die de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) voorschrijft. 1.5.2.2 Korte schets van de Omgevingswet De Omgevingswet vraagt, onder meer, om een integrale benadering van de leefomgeving, gericht op een doelmatig beheer en ontwikkeling van de 'fysieke leefomgeving' (in dit plan kortweg 'de leefomgeving' genoemd).
De gemeente krijgt meer ruimte om zelf te besluiten wat in een gebied het belangrijkst is. Verder wil de wet het aantal regels verminderen, ervoor zorgen dat de regels makkelijker te vinden en te begrijpen zijn en dat de procedures korter zijn. Om dat te bereiken bundelt de Omgevingswet zo'n 26 wetten in één wet en 100 Algemene maatregelen van bestuur (verder: AMvB; een AMvB is een besluit van de regering dat ook wettelijke regels bevat) in 4 AMvB's. Vervolgens zijn provincies en gemeenten aan zet. De gemeenten moeten al hun bestemmingsplannen overhevelen naar één omgevingsplan. In het omgevingsplan moeten ook de regels over de leefomgeving worden opgenomen die nu nog in verordeningen staan, zoals regels uit de APV over het kappen van een boom. De Omgevingswet gaat over de leefomgeving, dus niet alleen over de ruimtelijke ordening, maar ook over milieuthema's en archeologie en over andere onderwerpen waar activiteiten bij horen die gevolgen kunnen hebben voor de leefomgeving, zoals windenergie of het beheersen van de bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Maximapark" (vastgesteld)