CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken (2022-2026) 15 mei 2025, gemeente Utrecht31.666 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

35

De heer Van der Zweth (PvdA) benadrukt dat het niet alleen gaat om de fysieke gebouwen, maar ook om de bewoners en sociale structuren die al aanwezig zijn. Hij vraagt of de heer Van Vliet met de toekomstige ontwikkeling ook rekening houdt met het bestaande, en dat de stad geen leeg canvas is.

40

De heer Van Vliet (D66) geeft aan dat hij dit juist ook probeerde te zeggen in zijn bijdrage, maar dat hij merkte dat het stuk minder nadruk legt op het toekomstgerichte aspect dat hij belangrijk vindt.

45

De heer Dekkers (GroenLinks) geeft aan dat hij ook niet wil dat de stad stilstaat, maar wil wel waken voor situaties waarin, binnen gebieden met een duidelijk karakter, op "postzegels" een heel ander beeld wordt neergezet. Hij vraagt of de PvdA dat risico ook ziet en of het niet verstandig is om zulke gebieden te typeren.

50

De heer Van Vliet (D66) antwoordt dat het document juist niet bedoeld is om op postzegelniveau in te vullen, maar om bij de hoofdlijnen te blijven. Tegelijkertijd kan hij zich voorstellen dat er op bepaalde plekken wordt gekozen om de stijl en het karakter te behouden.

55

De heer Te Hoonte (VVD) is van mening dat het document een soort heiligverklaring is van wat er in het Beurskwartier en de Merwedekanaalzone is gedaan, en dat deze manier van bouwen nu voor de hele stad wordt afgedwongen. Hij vindt dat de visie geen ruimte biedt voor een meer diverse doorontwikkeling van de stad. De heer Van Vliet (D66) geeft aan dat het document juist een visie probeert te leggen over de verschillende wijken, omdat Utrecht geen homogeen geheel is. Zijn pleidooi is dat er ruimte moet Pagina 10 van 34

zijn voor flexibiliteit, en dat de gemeente een duidelijke richting moet aangeven voor de ontwikkeling van wijken. 5

De heer Te Hoonte (VVD) hoopt dat het bij de ontwikkelingen helder is dat blokken zoals in het Beurskwartier niet overal in de stad passen. De heer Van Vliet (D66) geeft aan dat hij daar niet dogmatisch in staat. Volgens hem weet je nooit zeker hoe een stad zich ontwikkelt, en daarom is flexibiliteit belangrijk.

10

De heer Te Hoonte (VVD) stelt dat niet hij, maar het document zelf dogmatisch is. Volgens hem sorteert het document sterk voor op het type bouw dat er in het Beurskwartier gebruikt is, met uitzondering van Overvecht en Kanaleneiland. Hij vindt niet dat dat type blokkenbouw in elke wijk past, terwijl de visie daar volgens hem wel op aanstuurt.

15

De heer Van Vliet (D66) benadrukt tot slot dat hij graag flexibiliteit en creativiteit in bouwplannen wil meenemen.

20

25

30

35

De heer Usta (DENK) vraagt of de heer Van Vliet het ermee eens is dat besluiten zoveel mogelijk bij de bewoners zelf moeten worden neergelegd. De heer Van Vliet (D66) is van mening dat er veel participatiemiddelen beschikbaar zijn en dat het logisch is om die in te zetten. Ook bij de stedenbouwvisie zijn er veel inspanningen gedaan om bewoners te betrekken en hun wensen op te halen. In het kader van “rust, reuring, ruis” vraagt hij specifiek aandacht voor nachtcultuur. Hij wil dit niet alleen in het centrum een plek geven, maar juist ook daarbuiten, om zo de binnenstad te ontlasten en de stad beter in balans te brengen. Dit mag volgens hem explicieter worden opgenomen in de visie en worden meegenomen bij toekomstige bouwprojecten. Concreet betekent dit volgens hem dat als er bouwplannen zijn buiten het centrum waarbij horecagelegenheden in de plint worden voorzien, er ook ruimte moet zijn om deze langer open te laten blijven. De heer Stellinga (CDA) stelt dat het hier gaat om de stedenbouwvisie, en dat het nachtleven eerder thuishoort in de RSU dan in dit document. De heer Van Vliet (D66) vindt dat de stedenbouwvisie ook raakt aan het concept van de tienminutenstad, en dat het nachtleven daar onderdeel van is. Hij merkt op dat er in de praktijk weinig plannen zijn die hoger reiken dan de Dom, maar dat het hem niet om de hoogte zelf gaat, maar om het dogma daarachter.

Hij vraagt of de wethouder in het geval van een plan dat wél hoger is dan de Dom bereid is om dit wel met de raad te delen.

40

De heer Stellinga (CDA) vraagt hoe D66 de visie precies ziet: als een uitnodiging tot gesprek met ontwikkelaars, of als een toekomstvisie van de stad.

45

De heer Van Vliet (D66) ziet het vooral als een document dat het gesprek moet openen met alle betrokkenen over hoe men de toekomst van Utrecht voor zich ziet. Hij vindt het document vrij abstract. Voor degenen die willen weten hoe een gebied er precies uit komt te zien, is het bestemmingsplan volgens hem geschikter.

50

55

60

De heer Stellinga (CDA) concludeert daaruit dat D66 het document vooral ziet als een gespreksopening en niet als een duidelijke stip op de horizon. De heer Van Vliet (D66) stelt dat het document wél een stip op de horizon biedt, maar dat die nu nog niet scherp omlijnd is. Het is een startpunt dat later vertaald moet worden naar bestemmingsplannen. De heer Usta (DENK) is van mening dat er al veel kaders en kosten zijn gemaakt, maar dat er nog weinig concreets is bereikt. Hij vraagt hoe de heer Van Vliet daar tegenaan kijkt. De heer Van Vliet (D66) had verwacht dat dit document zo concreet zou zijn dat bestemmingsplannen overbodig zouden worden. Voor hem draait dit document om het vastleggen van uitgangspunten. De verdere concretisering komt pas later, bijvoorbeeld in het omgevingsplan. Pagina 11 van 34

De heer Usta (DENK) denkt dat raadsleden wellicht iets anders voor ogen hadden en vraagt of de heer Van Vliet tevreden is met het document zoals het er nu ligt. 5

De heer Van Vliet (D66) geeft aan dat hij tevreden is met het document, al heeft hij er wel enkele vragen en aandachtspunten bij.

10

De heer Snijder (Student&Starter) is van mening dat de nachtcultuur past binnen de ruimte voor het onverwachte die in de visie is opgenomen. Hij wil daarnaast aandacht voor innovatie en experimenten, zonder dat de rafelranden opgezocht moeten worden. Wat hem betreft moet er ook actief ruimte worden ontwikkeld voor dit soort initiatieven. Hij vraagt of D66 hier ook voor openstaat.

15

De heer Van Vliet (D66) vindt het een sympathiek idee, maar vraagt zich af wat de rol van de overheid hierin zou moeten zijn. Hij is er niet tegen, maar meent dat rafelranden zich niet laten organiseren en dat de overheid daar ook niet te veel sturing aan moet geven.

20

25

30

35

40

45

50

55

De heer Snijder (Student&Starter) licht toe dat het hem niet om het organiseren van rafelranden gaat, maar om het openstellen van principes en het creëren van ruimte om experimenten toe te staan. De heer Van Vliet (D66) geeft aan hier niet op tegen te zijn. D66 wil bouwen met een blik omhoog: het dak moet benut worden als ruimte met betekenis, bijvoorbeeld voor daktuinen, groendaken of het opwekken van energie. Hij verwijst naar Rotterdam als goed voorbeeld en wil dat dit ook in Utrecht standaard wordt. Hij pleit voor zo functioneel mogelijk gebruik van ruimtes, waarbij ruimtes op zoveel mogelijk momenten door zoveel mogelijk mensen gebruikt kunnen worden. Daarnaast vindt hij dat gebouwen mooi moeten zijn, en niet bestaan uit inspiratieloze blokken die slechts een ruimte ontsluiten. Hij wil bouwen met karakter, waarbij specifieke gebouwen een kroon krijgen die het gebouw afmaakt. Hij vraagt de wethouder om een toezegging om extra aandacht te geven aan architectuur, en in het bijzonder aan deze ‘kronen’. Mevrouw Bode (Volt) is verbaasd over dit laatste punt van D66. Zij dacht juist dat er al veel aandacht is voor mooie, betekenisvolle gebouwen, en begrijpt niet goed waar de zorg vandaan komt dat er puur functioneel gebouwd wordt. De heer Van Vliet (D66) erkent dat dit al veel gebeurt, maar wil het graag explicieter opgenomen zien in de visie.

De heer Van der Zweth (PvdA) vindt dat het document vooral bedoeld is om te sturen op leefbaarheid en kwaliteit, en dat steunt de PvdA. Ook de hoogbouw die mogelijk wordt gemaakt, wordt gesteund, maar dat mag geen doel op zich worden. Hij vraagt de wethouder of het stuk niet iets meer zegt over verdichting, of dat het puur een invulling is van de RSU. In de praktijk is hoogbouw namelijk duurder, vooral boven de 70 meter, omdat er dan extra eisen gelden. Daardoor wordt het lastiger om betaalbaar te bouwen, en daar gaat de PvdA nooit in mee. Voorop staat betaalbaar wonen. De heer Van Vliet (D66) is het ermee eens dat de visie niet in tegenspraak mag zijn met de RSU. Hij vraagt of de PvdA het ermee eens is dat, als het woningtekort verder toeneemt en verdichting noodzakelijk wordt, dit document dan juist behulpzaam kan zijn. De heer Van der Zweth (PvdA) is van mening dat dit document kan helpen bij het sturen op het soort bouw, maar dat de vraag hoe er verdicht moet worden thuishoort bij de RSU, en niet bij dit stuk. Hij vraagt om die bevestiging van de wethouder. De heer Snijder (Student&Starter) vraagt of hoogbouw meer waard is als het de woningnood kan oplossen, of dat er dan toch voor goedkopere laagbouw gekozen moet worden. De heer Stam (PvdA) benadrukt dat betaalbaarheid voorop staat. Als hoogbouw duurder is, dan is hij daar tegen.

De voorgestelde locaties voor hoogbouw vindt hij realistisch en prima, maar Pagina 12 van 34

betaalbaar wonen is daar wel een randvoorwaarde. Op andere plekken vindt hij hoogbouw niet logisch. Hoogbouw waarbij het betaalbare programma verloren gaat, is voor hem onbespreekbaar. 5

De heer Snijder (Student&Starter) merkt op dat hij de heer Van der Zweth niet heeft horen zeggen dat verdere hoogbouw onbespreekbaar is.

10

De heer Van der Zweth (PvdA) zegt daarover dat hij duidelijk is geweest over zijn standpunt ten aanzien van verdichting en hoogbouw. Zelfs als het betaalbaar zou kunnen, wat hij betwijfelt, hoort die discussie thuis in de RSU en niet in dit document. Hij is bovendien geen voorstander van verdere verdichting, omdat de aantallen in de RSU al buitensporig ambitieus zijn.

15

20

25

30

35

40

De heer Stellinga (CDA) zegt dat hij de opmerking van de PvdA dat "groei geen doel op zich is" niet begrijpt, omdat in de RSU groei juist wél expliciet wordt benoemd. Hij vraagt of het niet beter is om te zeggen dat hoogbouw geen doel op zich moet zijn. Hij wijst erop dat de PvdA heeft ingestemd met de RSU en met de omgevingsvisie Overvecht, en dat daarmee groei wel degelijk als doel is omarmd. De heer Van der Zweth (PvdA) erkent dat hij de RSU heeft gesteund, maar ook het amendement dat stelt dat de genoemde aantallen een streven zijn. Hoogbouw is voor hem geen doel op zich. In de raad is afgesproken, met de oplegger, dat groei niet het hoofddoel is, maar dat leefbaarheid en kwaliteit voorop staan, en dat voorzieningen mee moeten groeien. De heer Stellinga (CDA) stelt dat het resultaat wel is dat de 5.000 woningen in Overvecht gerealiseerd moeten worden. De heer Van der Zweth (PvdA) bevestigt dat hij de omgevingsvisie heeft gesteund, maar dat daarbij de kaders uit de RSU-oplegger gelden. Binnen die ambitie steunt de PvdA de woningbouwdoelstellingen. Groei moet echter in balans plaatsvinden, en mag nooit een doel op zich worden. Het belangrijkste punt voor de PvdA is dat de identiteit van de stad behouden blijft. De mogelijkheden binnen een wijk moeten altijd bekeken worden vanuit wat er al is. Dat gaat niet alleen over gebouwen, maar ook over de bestaande sociale structuren.

Zoals hij het document nu leest, ligt de nadruk vooral op nieuwbouw. Monumenten en historische gebouwen worden als uitzonderingen benoemd, maar er zijn meer gebouwen die karakter geven aan een wijk. Als die verdwijnen, worden ook sociale structuren doorbroken en raken gemeenschappen verloren. Hij vraagt de wethouder of hij dit herkent. Als het bestaande wordt omarmd, biedt dat volgens hem juist kansen voor nieuwbouw, bijvoorbeeld door op te toppen of uit te buiken. Hij mist deze benadering in het stuk over de identiteit van de stad. Hij vindt dat gemeenschappen gekoesterd moeten worden, los van de fysieke gebouwen, en dat er gewaakt moet worden voor gentrificatie. De heer Te Hoonte (VVD) had verwacht dat de PvdA zou benadrukken dat het in de visie lijkt alsof er veel nieuwbouw komt, en dat er juist minder gesloopt gaat worden.

45

De heer Van der Zweth (PvdA) geeft aan dat hij sloop inderdaad onvoldoende terugziet in het stuk. Hij benoemt dit ook door te pleiten voor verder bouwen op wat er al is. Volgens hem staat er niet in het document dat er overal massaal de hoogte in wordt gegaan.

50

De heer Te Hoonte (VVD) vraagt hoe de heer Van der Zweth aankijkt tegen het versnellen of vertragen van woningbouw. Hij stelt dat grote bouwblokken juist voor relatief veel vertraging zorgen, terwijl er nu een versnelling nodig is. Hij is van mening dat deze visie de woningbouw juist vertraagt.

55

De heer Stam (PvdA) is van mening dat sloop en nieuwbouw vaak juist leiden tot vertraging. Hij denkt niet dat dit plan die vertraging veroorzaakt. Volgens hem is het eerder de mate van verdichting die ertoe leidt dat er later gestart wordt met bouwen. Deze discussie hoort volgens hem eerder thuis binnen de RSU. Tot slot geeft hij aan verbaasd te zijn dat Rijnenburg buiten beschouwing is gelaten. Volgens hem is het voor iedereen duidelijk wat daar gaat komen, en hij had verwacht dat hierover meer in de visie zou staan. Hij vraagt de wethouder waarom dit niet is uitgewerkt in de stedenbouwvisie.

Pagina 13 van 34

5

10

De heer Stellinga (CDA) had uitgekeken naar de stedenbouwvisie, omdat de hoogbouwvisie geen toetsingskader bood en aan vervanging toe was. Hij is blij dat er nu iets op tafel ligt, maar is teleurgesteld in het voorstel. Voor hem is niet duidelijk of het gaat om een strategische visie op hoofdlijnen of om een toetsingskader voor ruimtelijke projecten. In hoofdstuk 2 worden concrete grenzen aan hoogbouw gesteld, terwijl hoofdstuk 3 vooral algemene uitgangspunten bevat waar het CDA zich goed in kan vinden, maar die geen kader bieden. Hij vraagt zich af of het niet slimmer was geweest om het te splitsen in een visie op stedenbouw en een apart kader voor hoogbouw. Volgens hem is het nu vlees noch vis. De visie geeft zelf aan dat zij doorwerkt in thematisch beleid, gebiedsbeleid en projecten, en hij vraagt de wethouder om een reflectie op de geschiktheid van dit document om al die functies te vervullen. De heer Te Hoonte (VVD) is van mening dat er al een document is, namelijk de omgevingsvisie. Nu lijkt het erop dat er allerlei losse visies worden opgesteld zonder samenhang.

15

20

25

De heer Stellinga (CDA) benadrukt dat alles uiteindelijk in een omgevingsplan zou moeten landen, maar constateert dat die droom nog niet is gerealiseerd. In afwachting daarvan is dit document voorgelegd, maar hij weet niet goed wat het precies beoogt te zijn. De heer Te Hoonte (VVD) ziet vooral dat er steeds meer stukken worden geproduceerd rondom de omgevingsvisie, zonder dat deze bijdragen aan een samenhangende omgevingsvisie zoals de wetgever die heeft bedoeld. De heer Stellinga (CDA) is het ermee eens dat er nagedacht moet worden over de juiste vorm. Uiteindelijk zou er inderdaad één integrale omgevingsvisie moeten komen. Hij constateert dat het huidige voorstel op twee gedachten hinkt. De heer Snijder (Student&Starter) vraagt of het niet gewoon uitgangspunten zijn voor gebiedsontwikkeling en stedenbouw.

30

De heer Stellinga (CDA) zegt zich eraan te storen dat niet duidelijk is of het om uitgangspunten of om een beleidskader gaat. Gezien de tijd die er op is gewacht, is hij teleurgesteld over de inhoud. De heer Snijder (Student&Starter) vindt dat het document juist een toevoeging is aan de RSU.

35

De heer Stellinga (CDA) beaamt dat dat inderdaad de bedoeling is, maar vindt dat daarmee nog steeds niet duidelijk is wat het document precies beoogt te zijn. Is het een beleidskader waaraan toekomstige plannen worden getoetst, of is het een visie, een stip op de horizon? Voor het CDA is dat niet helder.

40

De heer Snijder (Student&Starter) vindt dat niet zo ingewikkeld. Vanuit de uitgangspunten wordt gekeken naar de ontwikkelingen in de stad en wordt er invulling aan gegeven. Tegelijkertijd biedt het een toekomstvisie op hoe de stad eruit moet komen te zien. Hij begrijpt niet goed wat het CDA daar niet aan begrijpt.

45

De heer Stellinga (CDA) herhaalt dat het document op twee gedachten hinkt. In het ene hoofdstuk staan uitgangspunten, in een ander hoofdstuk worden harde grenzen gesteld waaraan bouwplannen moeten voldoen. Volgens hem zit daar een spanning in. De visie zegt zelf ook dat zij doorwerkt in thematisch beleid, gebiedsbeleid en projecten. Wat het CDA vooral stoort, is de vrijblijvendheid in het stuk, met name over bouwhoogtes. De visie stelt dat deze bij uitwerkingen moet worden gevolgd, maar dat daarvan kan worden afgeweken als de omstandigheden daarom vragen. In theorie maakt dat het dus mogelijk om hoger dan de Dom te bouwen. Het CDA heeft in het verleden ingestemd met het MARK-project als uitzondering, maar wil het daar ook bij laten.

50

55

De heer Van Vliet (D66) hoort hierin toch een dogmatische benadering van het CDA. Hij vraagt waarom er dan toch een dogma is. De heer Stellinga (CDA) reageert dat het eerde ging om de opmerkingen van D66, niet om iets dat het CDA zelf had ingebracht.

60 Pagina 14 van 34

De heer Van Vliet (D66) vraagt waarom het CDA geen gebouwen wil toestaan die hoger zijn dan 105 meter. 5

De heer Stellinga (CDA) geeft aan dat het CDA een duidelijke grens wil stellen: er mag niet hoger gebouwd worden dan de Dom. Het CDA heeft het MARK-project gesteund vanwege het grote aandeel betaalbare woningen, maar wil dat dit een uitzondering blijft. Vooral in de directe omgeving van de Dom moet het stadsbeeld behouden blijven.

10

De heer Van Vliet (D66) vraagt of het bouwen boven 105 meter per definitie leidt tot een aantasting van de beeldkwaliteit van de stad. De heer Stellinga (CDA) kan dat niet per definitie zeggen, maar acht het wel zeer waarschijnlijk. Hij wil graag verdergaan met zijn inbreng, omdat zijn punten dan duidelijker worden.

15

De heer Usta (DENK) vraagt waarom het CDA principieel vasthoudt aan de regel dat er niet hoger dan de Dom gebouwd mag worden, terwijl er sprake is van een woningcrisis. Hij vraagt zich af of de beeldkwaliteit belangrijker is dan het bouwen van woningen.

20

De heer Stellinga (CDA) geeft aan dat hij het belangrijk vindt dat er woningen worden bijgebouwd. Hij is echter van mening dat daarvoor niet noodzakelijk hoger gebouwd hoeft te worden dan de Dom. Hoogbouw is volgens hem vaak geen optie omdat het duurder is en meer tijd kost om te realiseren.

25

De heer Usta (DENK) vindt het kortzichtig om op voorhand uit te sluiten dat er hoger gebouwd mag worden dan de Dom. Hij pleit ervoor om op het moment zelf, in samenspraak met bewoners, te bepalen of het wenselijk is. Hij vraagt waarom het CDA deze mogelijkheid bij voorbaat uitsluit.

30

De heer Stellinga (CDA) legt uit dat het CDA het stedenbouwkundig beeld van de stad wil beschermen en daarvoor regels nodig acht. In individuele gevallen kan er van deze regel worden afgeweken, zoals het CDA eerder heeft gedaan bij het MARK-project. Desondanks wil hij de hoofdregel in stand houden en zal hij daar later in zijn betoog verder op ingaan.

35

40

45

De voorzitter geeft aan dat de volgende interruptie niet opnieuw over de Dom mag gaan, aangezien de heer Stellinga heeft aangegeven hier later op terug te komen in zijn inbreng. De heer Usta (DENK) begrijpt dat het zicht wordt aangetast wanneer er direct naast de Dom wordt gebouwd, maar hij begrijpt niet waarom dat ook een probleem zou zijn op grotere afstand, als het slechts indirect invloed heeft op het stadsbeeld. De heer Stellinga (CDA) antwoordt dat hij hier al op is ingegaan en dat hij hier later in zijn betoog nog op zal terugkomen. De heer Te Hoonte (VVD) maakt een punt van orde. Hij wijst erop dat het gebruikelijk is om interrupties over één onderwerp in meerdere delen op te bouwen. Hij vraagt naar de regel die hierin is veranderd. De voorzitter legt uit dat er al drie keer dezelfde vraag is gesteld en dat zij erop wil toezien dat dit niet herhaald wordt.

50

55

60

De heer Usta (DENK) maakt eveneens een punt van orde en geeft aan dat hij zich hierdoor beperkt voelde en licht geïrriteerd raakte. De voorzitter antwoordt dat er is afgesproken dat interrupties niet steeds dezelfde vraag herhalen, en dat zij die lijn aanhoudt. De heer Van der Zweth (PvdA) vindt het terecht dat de voorzitter stuurt op herhaling van vragen. De heer Te Hoonte (VVD) stelt dat de voorzitter al vóór het stellen van de vraag aangaf dat het niet meer over de Dom mocht gaan, terwijl een serie van drie interrupties daar juist voor bedoeld is. Volgens hem moet er ruimte zijn voor zo’n opbouw. Pagina 15 van 34

De voorzitter blijft bij haar standpunt dat bij de derde interruptie geen vraag over de Dom mocht worden gesteld, en dat zij ook in de toekomst op dit punt zal blijven sturen. 5

10

15

De heer Stellinga (CDA) benadrukt dat het CDA het MARK-project bij uitzondering heeft gesteund. Voor het CDA blijft de hoofdregel dat er niet hoger gebouwd mag worden dan de Dom. Hij vraagt waarom de raad dit document zou moeten vaststellen, terwijl er nu al bekend is dat er van afgeweken kan worden. De visie wekt de indruk dat het college zichzelf de ruimte wil geven om stedenbouwkundig vrij te opereren. Hij noemt als voorbeeld de toren van 137 meter aan de Veilingstraat 10, die niet binnen de in de visie gestelde hoogte-eisen past, maar toch mogelijk zou zijn doordat van het beleid mag worden afgeweken. Volgens hem is het onwenselijk om die afwijkingsmogelijkheid in het beleid zelf op te nemen. Het CDA wil het college duidelijke richtlijnen meegeven over bouwhoogtes en zal voorstellen doen om het bouwen boven de Dom te beperken en de vrijblijvendheid uit het document te halen.

20

De heer Stellinga (CDA) leest in de visie dat er uitgangspunten worden geformuleerd voor leefbaarheid en kwaliteit in zowel bestaande als nieuwe stadsdelen. In het raadsvoorstel leest hij echter niets specifieks over het behoud van karakter en identiteit van bestaande buurten en wijken. Hij vraagt hoe hij deze verhouding moet zien en of dit overlapt met andere nota’s, en zo ja, hoe die documenten zich tot elkaar verhouden.

25

De heer Van Vliet (D66) reageert verbaasd op het betoog van het CDA. Hij merkt op dat het CDA pleit voor meer duidelijkheid in het document, maar zelf aangeeft dat er in principe niet hoger dan de Dom gebouwd mag worden. Hij vraagt of het CDA die regel dan ook daadwerkelijk als harde eis wil vastleggen.

30

De heer Stellinga (CDA) vindt dat het document op dit moment vaag is en dat het tegelijkertijd twee problemen combineert: enerzijds gaat het over beleidsuitgangspunten, anderzijds over toetsingskaders. Tot slot verzoekt hij het college om de visie nogmaals grondig te controleren op taal- en spelfouten, omdat de kwaliteit volgens hem te wensen overlaat. De voorzitter schorst de vergadering voor vijf minuten voor een sanitaire pauze.

35

40

45

50

Mevrouw Sasbrink (PvdD) vindt het lastig dat de nota uitgaat van het uitgangspunt van de RSU. De PvdD is niet tegen verdichting, maar wel tegen de gigantische groei waarop de RSU is gebaseerd. Wanneer er toch verdicht wordt, vindt zij het belangrijk dat dit zorgvuldig gebeurt. Vanuit die gedachte begrijpt de PvdD waar deze nota vandaan komt. Zij vraagt zich af of het haalbaar is om de kwaliteit en leefbaarheid te garanderen wanneer er dertig procent woningen wordt toegevoegd. Inhoudelijk heeft de PvdD gekeken naar de vraag of er voldoende aandacht is voor kwaliteit en leefbaarheid voor dieren, en dat valt haar niet tegen. Aan de voorkant is over dieren nagedacht, wat de PvdD waardeert, maar dit moet beter verankerd worden. Onder punt 7 komt dit terug, maar pas in het laatste punt wordt er een expliciete link gelegd tussen groen en dieren. Zij vraagt de wethouder waarom er niet voor is gekozen om dieren als medebewoners mee te nemen en dit als een extra uitgangspunt op te nemen. De PvdD wil vastleggen dat bij elke gebiedsontwikkeling uitgegaan moet worden van kansen voor dieren, van behoud of mitigatie van hun leefgebied, en van het behoud van bestaande bomen. Daarnaast moet de hoofdgroenstructuur ook verankerd worden in dit uitgangspunt, aangezien die in de nota niet wordt genoemd, terwijl het juist gaat over verbonden groen.

In dat kader vraagt zij de wethouder hoe dit uitgangspunt in de praktijk wordt geborgd, zeker wanneer er plannen zijn om bomen te kappen in de hoofdgroenstructuur ten behoeve van verdichting. De heer Van der Zweth (PvdA) concludeert dat de PvdD op voorhand nee zegt tegen veel ontwikkelingen.

55

Mevrouw Sasbrink (PvdD) is van mening dat de stedenbouwvisie een uitgangspunt vormt voor gebiedsontwikkeling, en dat de PvdD daarbij wil uitgaan van de kansen voor dieren die er al zijn. Zij vindt het passend dat er bij gebiedsontwikkeling ook gekeken wordt naar wat er al aanwezig is voor dieren, en dat dit prima past binnen de stedenbouwvisie.

Pagina 16 van 34

De heer Van der Zweth (PvdA) concludeert dat de PvdD ontwikkeling niet onmogelijk wil maken, maar dat zij wil dat deze zo wordt vormgegeven dat dieren er een goede plek in krijgen. 5

10

15

20

Mevrouw Sasbrink (PvdD) bevestigt dit. Volgens haar kan de conclusie ook zijn dat een gebied zó waardevol is voor dieren dat compensatie niet mogelijk is. Dan zou bouwen geen optie moeten zijn. Bij veel ontwikkelingen is bouwen wél mogelijk, maar wordt onvoldoende gekeken naar wat er voor dieren kan worden gedaan, terwijl er in veel gevallen maatregelen mogelijk zijn en kansen gecreëerd kunnen worden. De heer Dekkers (GroenLinks) is verbaasd over de vraag van de PvdD, omdat juist de genoemde regels zorgen voor een verbinding tussen de visie en de hoofdgroenstructuur. Mevrouw Sasbrink (PvdD) is van mening dat de groenblauwe verbindingen weliswaar behouden blijven, maar dat zij plannen ziet langskomen waarin verdichting plaatsvindt binnen de hoofdgroenstructuur. Juist deze structuur zou volgens haar behouden moeten blijven. Zij wil daarom in het uitgangspunt laten opnemen dat de hoofdgroenstructuur in stand moet blijven, omdat anders de waarde van de groenblauwe verbindingen verloren gaat. De PvdD is daarnaast blij dat er iets is opgenomen over mensenvrije zones, maar zij vraagt zich af waarom dit is ‘verstopt’ in een algemeen kader. Ze wil weten welke garantie er is dat er in elk gebied daadwerkelijk een mensenvrije zone komt. Ze vraagt de wethouder om een toezegging dat mensenvrije zones expliciet als richtlijn worden opgenomen in dit uitgangspunt.

De heer Usta (DENK) vraagt hoe de PvdD zich mensenvrije zones concreet voorstelt.

25

30

35

40

Mevrouw Sasbrink (PvdD) ziet dit als een groen stuk terrein, afgeschermd met een heg of hek, zodat mensen worden weerhouden de rust van dieren te verstoren. Op die manier blijft er ook voor dieren een plek over in de stad. De heer Usta (DENK) vraagt of dit soort plekken zich dan in woonwijken zouden moeten bevinden. Mevrouw Sasbrink (PvdD) noemt als voorbeeld het Griftpark, waar bij de paddenpoel een hek is geplaatst dat mensen weert. Zij vindt dat in elke buurt zo’n plek zou moeten zijn, juist omdat er meer dieren dan mensen in de stad leven De heer Usta (DENK) is van mening dat mensen er vrede mee hebben dat zij samen met dieren leven, en vraagt zich af of dat andersom ook het geval zou kunnen zijn. Mevrouw Sasbrink (PvdD) beschouwt dat als een vorm van wederzijds respect. Nu wordt er steeds verder gebouwd in het leefgebied van dieren, wat ten koste gaat van hun welzijn. Volgens haar is het dan ook veel gevraagd om van dieren te verwachten dat zij zich schikken naar de mens. Als mensen vrede willen hebben met dieren, moeten men daar ook zorgvuldiger mee omgaan.

45

De heer Usta (DENK) maakt een punt van orde. Hij stelt dat hij niet heeft gezegd dat dieren vrede met mensen moeten hebben, maar alleen de vraag stelde of ze dat zouden kunnen.

50

Mevrouw Sasbrink (PvdD) vraagt tot slot hoe de wethouder ervoor gaat zorgen dat de openbare ruimte per inwoner niet afneemt door de gewenste verdichting, en of dit kwantitatief onderbouwd kan worden met cijfers. Daarnaast wijst zij op de bijdrage van Solgu, die inmiddels door iedereen is ontvangen, en stelt zij dat er nog onvoldoende aandacht is voor toegankelijkheid in de openbare ruimte. Ze vraagt hoe dit geborgd wordt, en verzoekt de wethouder om een reactie.

55

60

De heer Te Hoonte (VVD) vindt dat er een flinke slag is gemaakt en dat er veel werk is verzet, maar hij is nog niet overtuigd van de nut en noodzaak van deze stedenbouwvisie. Zijn twijfel begint al bij de inleiding, waarin staat dat Utrecht bij verdichting bestaat uit stedelijke blokken. Volgens hem bestaat de welstandsnota uit twaalf gebiedstypes, en komt daarin bijvoorbeeld lintbebouwing voor, wat volgens hem juist een van de meest karakteristieke vormen van bebouwing in de stad is. Dit komt niet terug in de nota, en daarmee is de onderbouwing wat hem betreft niet compleet. Hij pleit voor aanpassing. Pagina 17 van 34

5

10

15

20

25

30

35

40

45

Daarnaast wijst hij op de hoogbouwkaart die onderdeel is van de visie. Volgens hem zijn de grenzen op deze kaart niet scherp. Hij noemt als voorbeeld de Jumbo, die volgens de kaart binnen de XL-zone valt. Hij vraagt zich af of de Jumbo dan op het dak mag gaan bouwen. Aangezien het niet de bedoeling is dat daar gebouwen worden gesloopt, zou de kaart volgens hem scherper moeten worden gemaakt. Hij stelt voor om aan de kaart digitale regels toe te voegen die geüpload kunnen worden, bijvoorbeeld via een GIS-bestand. De heer Snijder (Student&Starter) begrijpt niet waarom zulke technische details in de visie zelf zouden moeten worden opgenomen. Hij vraagt zich af waarom dat niet later, bij de uitwerking, kan gebeuren. De heer Te Hoonte (VVD) legt uit dat de omgevingskaart gebaseerd is op uitnodigingsplanologie. Dat betekent dat de kaart een uitnodiging is aan de maatschappij om in bepaalde gebieden ontwikkelingen op gang te brengen. De gemeente moet dan heel stevig in haar schoenen staan om vervolgens te zeggen dat iets toch niet mag. Voor gebieden als Leidsche Rijn zijn er volgens hem nog vrijliggende kavels aan te wijzen, en daar zou een GIS-bestand voor gemaakt kunnen worden. Voor Galgenwaard is het voor hem bijvoorbeeld volkomen helder dat er geen torens gebouwd mogen worden op het veld van FC Utrecht.

Hij wil dat de XL-zones alleen die plekken aanwijzen waar torens wél gewenst zijn, en dus niet op bijvoorbeeld het veld van FC Utrecht. De heer Snijder (Student&Starter) geeft aan dat hij het principe van uitnodigingsplanologie begrijpt, en ook delen van wat de heer Te Hoonte zegt. Toch begrijpt hij zijn punt over de kaart niet helemaal. Volgens hem is de kaart bedoeld als vlekkenkaart die richtinggevend is, en dat wordt ook duidelijk zo gecommuniceerd in de visie. De heer Te Hoonte (VVD) vindt dat de zonering niet specifiek genoeg is. Hij had liever gezien dat dit op kavelniveau werd aangegeven. Wat hem betreft moet duidelijk zijn bij welke straat de XLzone begint en waar deze ophoudt. Hij noemt als voorbeeld deelgebied 6, waar het volgens hem lijkt alsof het kaartje overlapt met een gebied waarvoor al uitgangspunten zijn vastgesteld. Hij vraagt zich af of die uitgangspunten daarmee ter discussie komen te staan. Als dat niet het geval is, moet het kaartje aangepast worden zodat dit duidelijk is. Volgens hem moeten de kaarten goed zijn, en daarover zijn eerder afspraken gemaakt met de raad. De heer Dekkers (GroenLinks) is van mening dat de omgevingsvisie een gelaagd instrument is waarin zaken in algemene termen worden beschreven.

Hij vraagt zich af of het juist niet verstandig is om de grenzen wat ruimer te houden en bepaalde onderdelen op een lager niveau verder uit te werken. De heer Te Hoonte (VVD) ziet wel iets in het kaderen van de verhouding tussen documenten, maar benadrukt dat bij de Raad van State zaken wel uitgelegd moeten kunnen worden wanneer er tegenstrijdigheden in documenten staan. Hij pleit daarom voor helderheid. Hoewel hij voorstander is van het versnellen van woningbouw, merkt hij op dat in plaats van regels “in de ijskast” te zetten, er in deze visie juist elf nieuwe regels bijkomen. Hij noemt de formulering dat “je je thuis voelt als je jezelf herkent in de mensen om je heen” erg wollig. Tegelijkertijd ziet hij dat de gemeenschappelijke binnentuin in de nota als dé oplossing voor alles wordt gepresenteerd. Volgens hem zijn er kiezersgroepen die zich hierin niet herkennen en dreigt hiermee juist diversiteit te verdwijnen. Hij mist in de visie een borging dat verschillende doelgroepen toegang houden tot verschillende woningtypes in de stad.

50

De heer Dekkers (GroenLinks) begrijpt de kritiek niet goed. Volgens hem worden in de nota juist de verschillen tussen buurten benadrukt en staat er expliciet dat verschillende wijken hun eigen identiteit behouden. Hij vraagt waar de VVD het idee vandaan haalt dat stedelijke blokken met binnenhoven de norm worden. Over de lintbebouwing is hij het met de heer Te Hoonte eens.

55

De heer Te Hoonte (VVD) reageert dat het vooral gaat over de ontwikkeling van nieuwbouwprojecten waar ook hoogbouw een rol speelt, en dat juist in die context dit soort regels worden toegepast. Hij ziet dat in gebieden als de Merwedekanaalzone en het Beurskwartier deze stedelijke blokken met binnentuinen telkens terugkomen. Wat hem betreft komt dit te vaak voor, en hij zou graag meer variatie zien. Pagina 18 van 34

De heer Dekkers (GroenLinks) merkt op dat in het debat gesuggereerd wordt dat er alleen nieuwbouw plaatsvindt op lege terreinen. Volgens hem vinden er juist ook veel ontwikkelingen plaats in bestaande buurten, die als ‘basis’ en ‘basis plus’ worden aangeduid. 5

10

15

20

25

30

35

40

45

De heer Te Hoonte (VVD) erkent dat de punten onder hoofdstuk 2 allemaal belangrijk zijn, maar vindt dat ze te dwingend worden vastgelegd. Bijvoorbeeld: het opnemen van gemeenschappelijke tuinen die openbaar toegankelijk moeten zijn, wordt nu vastgelegd in deze nota. In Merwede worden setbacks geëist en moet windhinder voorkomen worden, maar volgens hem worden zulke zaken te specifiek voorgeschreven. Hij waarschuwt ervoor dat de regels niet te scherp worden geformuleerd. Daarbij verwijst hij naar de zorgen binnen de raad over de lange doorlooptijden van projecten. Als voorbeeld noemt hij het Beurskwartier, waar negen architecten zijn betrokken. Hij verwacht niet dat het lukt om dat plan binnen anderhalf jaar te realiseren en vreest dat hierdoor de gehele woningbouw vertraagd raakt. Hij noemt ook de voortuintjes als voorbeeld. Aan de ene kant wordt gevraagd om een zachte overgang tussen publiek en privaat, waarbij voortuintjes juist kunnen helpen. Aan de andere kant staat er in de nota dat gebouwen zonder voortuinen moeten worden ontworpen. Nu is er ineens sprake van een ‘intermediaire zone’ die door iedereen opeisbaar is, en volgens hem komt dit de grondexploitatie niet ten goede. Hij vraagt waarom voortuintjes feitelijk verboden worden, terwijl groen voor elke voordeur juist gewenst is. Dit is voor hem een van de redenen waarom de VVD het document niet kan steunen.

Tot slot doet hij een oproep richting de omgevingsvisie. Hij constateert dat er telkens nieuwe stukken aan de omgevingsvisie worden toegevoegd, maar dat er niets wordt verwijderd. Hij vraagt het college om een visie op hoe toegewerkt kan worden naar een kortere, duidelijkere en slankere omgevingsvisie, met minder losse deeldocumenten. De heer Usta (DENK) kan zich in veel punten vinden die de VVD naar voren heeft gebracht over het belang van één grote, samenhangende omgevingsvisie, en sluit zich daarbij aan. De stedenbouwvisie klinkt volgens hem als een ambitieus plan, maar DENK plaatst daar kritische kanttekeningen bij, omdat het document geen garanties biedt dat het daadwerkelijk bijdraagt aan een kwalitatief leefbare stad voor álle Utrechters. In de praktijk mist hij scherpe keuzes ten gunste van kwetsbare groepen. Hoewel er veel mooie woorden worden gewijd aan leefbaarheid, ziet hij weinig concrete toezeggingen als het gaat om betaalbare woningen. Hij mist vooral harde garanties voor het behoud van sociale huurwoningen, en voor het tegengaan van verdringing van bestaande bewoners om gentrificatie te voorkomen. Ook het participatieproces roept bij hem vragen op. Het is volgens hem onduidelijk wat er met de opgehaalde input van bewoners is gedaan. Zorgen over verkeersdrukte en het verdwijnen van parkeerplaatsen lijken ondergesneeuwd.

Participatie mag wat DENK betreft geen formaliteit zijn, maar moet een wezenlijke invloed hebben op het eindresultaat. Volgens DENK moet de stad van de toekomst gebouwd worden met en voor de mensen die er nu al wonen. De visie kan een stap in de juiste richting zijn, maar er moeten duidelijker keuzes worden gemaakt voor inclusie, betaalbaarheid en het beschermen van wat Utrechters nu al waardevol vinden. Tot slot vindt hij de visie ook erg dubbel, en ziet hij het nut en de noodzaak ervan nog onvoldoende van in. De heer Dekkers (GroenLinks) is blij met de visie. Hij ziet het als een belangrijke aanvulling op de RSU, omdat het inzichtelijk maakt hoe veel woningen, voorzieningen en werkplekken mogelijk kunnen worden gemaakt met een stevige norm voor kwaliteit en leefbaarheid.

50

De heer Usta (DENK) hoort de heer Dekkers zeggen dat het een belangrijke aanvulling is, maar vraagt zich af welke waardevolle nieuwe informatie deze visie toevoegt, gezien de tijd en de investeringen die ermee gemoeid zijn.

55

De heer Dekkers (GroenLinks) verwijst naar de elf uitgangspunten en vier hoofdthema’s die in de visie zijn opgenomen. Deze stonden volgens hem nog niet in de omgevingsvisie en vormen een goede koppeling tussen mensen en gemeenschappen. Juist dat ziet hij als een belangrijke toevoeging op de RSU. De heer Usta (DENK) waardeert de aanbevelingen, maar vraagt of deze wel echt nieuwe inzichten bevatten.

Pagina 19 van 34

De heer Dekkers (GroenLinks) vindt de kracht van de visie dat deze voortbouwt op de lessen uit het Beurskwartier en de Merwedekanaalzone. Volgens hem zijn de elementen wellicht niet allemaal nieuw, maar staan ze nu goed geordend als richtlijnen voor de toekomst. 5

10

15

20

25

30

35

40

45

De heer Usta (DENK) noemt het een herhaling van wat al bekend was en vraagt of de heer Dekkers vindt dat dit het geld waard is geweest. De heer Dekkers (GroenLinks) vindt het waardevol dat geleerde lessen zijn vastgelegd als richtlijn. Voor hem gaat de visie vooral over de inrichting van de stad op een manier die bijdraagt aan prettig en duurzaam samenleven in een stad met verschillende buurten, plekken en dichtheden. Het draait volgens hem om de vraag hoe fysieke en sociale ontwikkelingen elkaar versterken. Ruimtelijke ontwikkeling en gemeenschapsvorming zijn voor hem twee kanten van dezelfde medaille. Hij ziet deze visie als een goede verwerking van wat de afgelopen periode is geleerd, en als een belangrijk document voor de komende jaren. De heer Te Hoonte (VVD) is van mening dat stedelijke blokken kunnen bijdragen aan sociale ontwikkeling binnen zo’n blok, maar niet per se voor de omliggende omgeving. In buurten met rijtjeswoningen en bijvoorbeeld een centraal gelegen speeltuin kan er juist meer ontmoeting plaatsvinden tussen bewoners van de hele wijk. De heer Dekkers (GroenLinks) benadrukt dat de visie niet enkel gericht is op blokniveau. Hij ziet de stedelijke blokken niet als enige structurerende element; de visie bevat ook elementen zoals groene verbindingen en ontmoetingsplekken.

Bij de ontwikkeling van de visie is samengewerkt met diverse Utrechters, en niet-passende punten zijn doorgeleid naar andere onderdelen van de gemeente. Een belangrijk uitgangspunt is ruimte voor gemeenschappen, maar ook de ontmoetingen tussen gemeenschappen zijn volgens hem essentieel. Hij benadrukt dat de kracht van Utrecht juist zit in open en diverse wijken, waar mensen met verschillende achtergronden samenleven. GroenLinks wil bouwen aan gemengde gemeenschappen en is tegen gesloten woonvormen zoals gated communities. Hij vraagt de wethouder of in de tekst explicieter gemaakt kan worden dat gesloten gemeenschappen niet wenselijk zijn. De heer Dekkers (GroenLinks) vervolgt met een punt over terminologie in de visie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen hoogtes, maar de gebruikte termen zeggen volgens hem weinig. De stedelijke verbindingswegen worden in de nota getypeerd als “ruis”, net als werkgebieden. Het is voor hem onduidelijk welke wegen daar precies onder vallen. Volgens hem verdienen doorgaande wegen een eigen stedenbouwkundige aanpak. De typering als “ruis” past volgens hem niet bij het beleid waarin juist geprobeerd wordt om geluidsoverlast te verminderen. Hij vraagt het college om deze terminologie aan te passen. Ook is GroenLinks tegen een tramlijn op +1-niveau; dat past volgens hem niet bij deze stedenbouwkundige visie.

De heer Te Hoonte (VVD) vraagt of een tramlijn op -1-niveau dan wél past binnen het gemeentelijke budget. De heer Dekkers (GroenLinks) wil dat debat op een ander moment voeren. Hij begrijpt dat de kostenramingen voor verschillende varianten inmiddels dichter bij elkaar liggen. Wat hem betreft past een mooie stad op ooghoogte niet bij een tramlijn op een viaduct. De heer Te Hoonte (VVD) suggereert dat hij nog een voorstel op maaiveldniveau heeft.

50

De heer Dekkers (GroenLinks) wijst erop dat uit een eerdere quickscan al bleek dat die optie niet goed verenigbaar is met de doorstroming van verkeer. Hij sluit af met een punt over werklocaties, zoals Lage Weide. Voor deze gebieden is er beleid dat stelt dat er intensiever en met meer hoogte gewerkt moet worden, maar dat ziet hij onvoldoende terug in de visie.

55

Mevrouw Bode (Volt) is blij dat de visie stuurt op leefbaarheid en het behoud van de kwaliteit van wijken en buurten. Tegelijkertijd maakt dit het beleid ook subjectief en zal het ongetwijfeld vragen oproepen over hoe en wanneer dit toegepast wordt. Ze verwijst naar het debat over de omgevingsvisie voor Overvecht, waar al veel verschillende meningen bestonden over wat leefbaarheid precies inhoudt. Pagina 20 van 34

5

10

15

20

25

30

35

40

45

50

55

60

Volt vindt het belangrijk om een uitgangspunt toe te voegen aan de visie: de inrichting van de openbare ruimte moet benaderd worden vanuit het perspectief van mannen, vrouwen én nonbinaire personen. Dit gebeurt al langere tijd in Wenen en is recent ook in Amsterdam besloten. Het betekent bijvoorbeeld dat een vrouw zich in de openbare ruimte veilig moet kunnen bewegen, zonder zich onveilig te voelen. Zij vraagt of het college de mening deelt dat gendermainstreaming de norm zou moeten zijn. Daarnaast benadrukt Volt dat het belangrijk is dat alle Utrechters via een zienswijze hun suggesties kunnen geven. Ze constateert dat de reacties zijn samengevat in vijf blokken en dat alleen bij het onderwerp erfgoed tot een minimale inhoudelijke wijziging is overgegaan. Voor de overige thema’s zijn er volgens haar geen inhoudelijke aanpassingen gedaan. Dit vindt zij ontmoedigend. Mensen nemen de moeite om hun ideeën te delen, maar als die niet serieus lijken te worden genomen, kan dit ten koste gaan van het draagvlak en het vertrouwen in de politiek. Zij roept de wethouder op om in de reacties meer menselijke bewoordingen te gebruiken en te zorgen dat er echt ruimte ontstaat om goede ideeën te verwerken. Vaak dragen deze juist bij aan een beter plan.

De heer Dekkers (GroenLinks) ziet de kracht van het participatieproces juist in het feit dat vanaf de eerste fase al veel participatie-input is meegenomen. Veel van de punten die via zienswijzen naar voren zijn gebracht, zijn volgens hem mogelijk eerder al besproken en verwerkt. Hij vraagt of mevrouw Bode dat herkent. Mevrouw Bode (Volt) deelt die mening deels. Ze erkent dat sommige punten al eerder kunnen zijn meegenomen, maar benadrukt dat er in de reactienota ook punten worden genoemd waar bewust níét iets mee is gedaan. Haar bezwaar richt zich vooral op de toon van de reactie en het gebrek aan zichtbare waardering voor de moeite die mensen doen. De heer Dijkstra (EenUtrecht) sluit zich aan bij wat Volt zegt. Hij voegt daaraan toe dat zijn tweede zorg over het participatieproces is dat er aan bewoners is gevraagd wat voor stad zij willen, maar dat uiteindelijk slechts zeventien zienswijzen zijn binnengekomen. De groep mensen die eerder wél betrokken was, is volgens hem in deze fase niet opnieuw benaderd. Hij vraagt of Volt die zorg deelt. Mevrouw Bode (Volt) vindt dat de stedenbouwvisie niet concreet genoeg is op het niveau van buurten en wijken. Daardoor is het voor bewoners lastig om in te schatten wat de visie precies betekent voor hun eigen leefomgeving.

Mevrouw Alblas (ChristenUnie) spreekt haar waardering uit voor het werk dat is verricht om deze visie tot stand te brengen, evenals voor de gevoerde gesprekken. Volgens haar moet de visie een antwoord geven op de vraag wat voor stad Utrecht wil zijn. Een van de jongeren verwoordde dat als: het gaat om gemeenschap, en mensen moeten het samen doen. De ChristenUnie is het daarmee eens, omdat een sterke gemeenschap zorgt voor een goede samenleving en bewoners betrokken houdt. Ruimte voor ontmoeting is voor de ChristenUnie van groot belang, zeker met het oog op de toekomst waarin mensen ouder worden en steeds meer mensen alleen wonen. De visie stelt dat er ruimte moet zijn om gemeenschappen te stimuleren via een goed ingerichte openbare ruimte. Hoewel de visie enkele voorbeelden noemt, hoopt zij dat de wethouder begrijpt dat deze lijst uitgebreider zou moeten zijn. Er moet bijvoorbeeld ook voldoende ruimte zijn voor geloofsgemeenschappen, levensbeschouwing, rust en bezinning. Ze wijst erop dat het begrip "dichtheid" niet genoemd wordt in de visie, terwijl een hoge dichtheid vraagt om het borgen van randvoorwaarden voor woon- en leefkwaliteit. Ze vraagt de wethouder of hier uitgangspunten voor zijn of hoe hij hiernaar kijkt. Ook bevat de visie geen specifieke uitspraken over het behoud van karakter en identiteit van bestaande wijken.

Utrecht bestaat uit vier woonplaatsen, tien wijken en nog veel meer buurten en gemeenschappen, elk met een eigen identiteit. Ze vraagt waarom dit niet is opgenomen in de visie en of de wethouder dit alsnog van plan is. De heer Dekkers (GroenLinks) wijst erop dat een van de uitgangspunten juist is dat voortgebouwd wordt op de bestaande identiteit, en hij begrijpt de opmerking van de ChristenUnie daarom niet goed. Mevrouw Alblas (ChristenUnie) bevestigt dat het benoemd is als uitgangspunt, en ze begrijpt ook dat niet elke buurt apart beschreven hoeft te worden. Toch vindt ze dat hier uitgebreider op Pagina 21 van 34

5

10

15

ingegaan mag worden. Bij sommige nieuwbouwprojecten ziet ze dat aan de bestaande identiteit voorbij wordt gegaan. Historisch en hedendaags erfgoed zijn volgens haar belangrijke dragers van identiteit, met de Dom als centraal oriëntatiepunt. Ook uit reacties blijkt dat men het belangrijk vindt dat de Dom zichtbaar blijft. In de vorige visie werd de Dom benoemd met ingetekende zichtlijnen. Ze vraagt waarom ervoor is gekozen deze zichtlijnen niet opnieuw op te nemen en wat dat betekent voor de Dom als oriëntatiepunt. Daarnaast sluit de ChristenUnie zich aan bij de Partij voor de Dieren wat betreft toegankelijkheid. Het lijkt haar goed om dit expliciet te verankeren in de visie, omdat het nog lang niet altijd goed gaat. De heer Usta (DENK) vraagt wat de ChristenUnie onder toegankelijkheid verstaat. Mevrouw Alblas (ChristenUnie) sluit aan bij de input van Solgu. Ze noemt als voorbeelden het rolstoeltoegankelijk maken van stoepen, zorgen dat mensen zonder moeite door parken kunnen bewegen, gebouwen toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en aandacht voor blinde mensen in de inrichting van de ruimte.

20

De heer Usta (DENK) merkt op dat het hier vooral gaat over mensen met een fysieke beperking, maar dat toegankelijkheid volgens hem breder is. Hij wijst bijvoorbeeld op ontoegankelijke wegen voor automobilisten.

25

Mevrouw Alblas (ChristenUnie) erkent dat haar voorbeelden beperkt waren en dat toegankelijkheid breder is. Ze stelt echter dat Utrecht goed toegankelijk is voor auto’s en dat alle wijken bereikbaar zijn. De ChristenUnie staat achter de mobiliteitsvisie, maar benadrukt dat haar punt over toegankelijkheid een ander perspectief betreft dan dat van DENK. De heer Usta (DENK) concludeert daarop dat de ChristenUnie selectief is in wat ze onder toegankelijkheid verstaat.

30

35

40

Mevrouw Alblas (ChristenUnie) wijst dit van de hand. Zij ziet de stad als toegankelijk voor auto’s en benadrukt dat haar toegankelijkheidspunt draait om inclusiviteit in de openbare ruimte voor mensen met een beperking. De mobiliteitsvisie onderschrijft zij, maar op dit punt verschilt ze van mening met DENK. Tot slot vraagt zij de wethouder of het een standaard uitgangspunt kan worden dat ruimtelijke ontwikkelingen ook dienen als investeringsmotor, zodat wijken daarvan kunnen meeprofiteren. Ze wil daarnaast weten hoe de keuzes in deze stedenbouwvisie doorwerken na 2040, en of het document daarvoor voldoende houvast biedt. De heer Dijkstra (EenUtrecht) vraagt of de ChristenUnie vindt dat de visie voldoende recht doet aan het behoud van de identiteit van buurten. Mevrouw Alblas (ChristenUnie) is van mening dat dat beter kan. Tegelijkertijd staat ze ervoor open als de wethouder haar hierover in de beantwoording gerust kan stellen.

45

De heer Dijkstra (EenUtrecht) stelt dat in Overvecht geen sprake is van behoud van identiteit en vraagt wat volgens haar de conclusie moet zijn, als toezeggingen op papier in de praktijk niet worden waargemaakt.

50

Mevrouw Alblas (ChristenUnie) antwoordt dat de visie nog vrij algemeen is en vooral als uitgangspunt dient dat per project verder uitgewerkt moet worden. Op die manier kan de identiteit van wijken en buurten behouden blijven. Wat betreft Overvecht heeft zij een andere kijk dan EenUtrecht, en daar wil ze nu niet het debat over voeren.

55

De heer Dijkstra (EenUtrecht) wil graag richting geven aan de visie en vraagt of de ChristenUnie ook twijfelt of het uitgangspunt, het behoud van identiteit, in de praktijk kan worden waargemaakt. Mevrouw Alblas (ChristenUnie) geeft aan dat zij het antwoord van de wethouder hierover wil afwachten.

Pagina 22 van 34

De heer Usta (DENK) vraagt of de visie dan eigenlijk voor niets is opgesteld, omdat de ChristenUnie deze als te abstract en niet concreet genoeg ervaart, en blijkbaar ook twijfelt of de uitgangspunten daadwerkelijk waargemaakt kunnen worden. 5

10

15

20

Mevrouw Alblas (ChristenUnie) reageert dat zij dat niet heeft gezegd. Ze benadrukt dat er veel uitgangspunten in de visie staan waar zij zich goed in kan vinden, maar dat zij bij één daarvan, het behoud van identiteit, een vraag heeft gesteld. De heer Dijkstra (EenUtrecht) vraagt zich af of Utrechters werkelijk een stad willen zoals voorgesteld in de visie. Hij denkt van niet, omdat volgens hem het karakter van de stad drastisch verandert. Er wordt volgens hem gekozen voor massale hoogbouw op negen locaties, met extreem hoge flats dicht op elkaar. Daarbij komt ook nog dat er per woning minder groen beschikbaar zal zijn. Hij vindt dat het college hierover niet eerlijk is, omdat het wordt gepresenteerd als een visie die aansluit bij de identiteit van wijken en buurten. Dat noemt hij onzin. De heer Van der Zweth (PvdA) vraagt of de heer Dijkstra het stuk wel heeft gelezen, omdat hij begint over “overal massale torens”. Hij wil weten waar in het stuk staat dat er overal grote torens komen. De heer Dijkstra (EenUtrecht) bevestigt dat hij het stuk heeft gelezen.

25

De heer Van der Zweth (PvdA) vraagt opnieuw waar de heer Dijkstra dan heeft gelezen dat er sprake is van massale hoogbouw overal, aangezien het basis- en basis-plusprincipe in de visie juist stelt dat 80% van de stad is uitgesloten voor hoogbouw.

30

De heer Dijkstra (EenUtrecht) geeft aan dat het hem gaat om de negen locaties waar torens wél mogelijk zijn. Volgens hem gaat het om flinke aantallen torens op die plekken, wat hij ziet als “superhoogbouw”. Hij wijst erop dat hoogbouw al begint vanaf dertig meter. Vanuit zijn perspectief is dat veel. Hij erkent dat de PvdA daar anders tegenaan kijkt.

35

40

De heer Van der Zweth (PvdA) merkt op dat de heer Dijkstra zijn oorspronkelijke stelling nu nuanceert. Hij begon volgens hem met de suggestie dat overal in de stad grote torens verrijzen. Voor hem gaat het om realisme, niet om het verzinnen van zaken. De heer Dijkstra (EenUtrecht) vindt dat zijn woorden worden verdraaid en dat hij onterecht geframed wordt. Hij benadrukt dat hij heeft gezegd dat het om negen hoogbouwlocaties gaat, en dat vindt hij nog steeds veel. De voorzitter vraagt aan de commissie of zij eerst de inbreng van de heer Dijkstra willen afronden of meteen willen schorsen voor de pauze. Ze concludeert dat er geschorst wordt, maar staat nog twee interrupties toe.

45

De heer Dekkers (GroenLinks) stelt dat er wél gezegd is dat er overal massaal torens gebouwd zouden worden, en dat pas later gesproken werd over de negen locaties. Hij is het dan ook volledig eens met de opmerking van de heer Van der Zweth. Hij is van mening dat de visie onderscheid maakt tussen verschillende gebieden. Hij vraagt of de heer Dijkstra dat erkent.

50

De voorzitter grijpt in en geeft aan dat er niet ingehaakt mag worden op interrupties van anderen. Iedereen mag zijn eigen interruptie doen.

55

60

De heer Dijkstra (EenUtrecht) zegt dat hij de opmerking zal terugkijken, maar dat hij meent dat hij al aan het begin heeft benoemd dat het om negen locaties gaat. Hij benadrukt dat hij die hoeveelheid hoogbouw fors vindt. Het debat hoeft daar wat hem betreft niet over te gaan; zijn punt is dat deze visie een hele andere stad tot gevolg heeft, zowel op deze negen locaties en daar komen de andere plekken waar ook hoogbouw mogelijk is nog bij. De heer Snijder (Student&Starter) sluit zich aan bij de opmerkingen van de heer Van der Zweth. Hij verwijst naar de uitspraak van de heer Dijkstra dat "alle Utrechters" het niet eens zouden zijn met de visie. Volgens hem is dat slechts een persoonlijke mening van de heer Dijkstra. Hij wijst Pagina 23 van 34

erop dat het mandaat om hierover te besluiten in de raad ligt, en vraagt of de heer Dijkstra dat erkent. 5

De heer Dijkstra (EenUtrecht) geeft aan dat hij de roep vanuit de samenleving steeds sterker hoort om het mandaat meer te delen. Mensen voelen de afstand tot de politiek groter worden. Hij zegt dat hij feitelijk niet weet wat Utrechters van de visie vinden, omdat het hen niet is gevraagd. Daarom stelt hij voor om hierover een burgerberaad te organiseren.

10

De heer Snijder (Student&Starter) benadrukt dat de heer Dijkstra daarmee dus namens een specifieke groep spreekt, en dat ook mensen die nu nog geen plek hebben in de stad gehoord moeten worden.

15

20

25

30

35

40

De heer Dijkstra (EenUtrecht) erkent dat hij inderdaad spreekt namens een groep Utrechters maar dat hij ook niet hoeveel mensen deze visie steunen. Wat hij wel weet, is dat er veel kritiek leeft op de richting die de stad volgens deze visie opgaat. Hij wil die zorgen vertegenwoordigen. De heer Snijder (Student&Starter) waardeert dat EenUtrecht erkent niet namens álle Utrechters te spreken. Hij wijst erop dat er in het stadskantoor veel deskundigheid aanwezig is over hoe een stad ontwikkeld wordt. Volgens hem ontbreekt dat perspectief vaak in de bijdragen van de heer Dijkstra. In zijn ogen gaat het er in de raad niet om dat iedereen zijn zin krijgt, maar dat er keuzes worden gemaakt, en daar ligt ook de rol van het college. De heer Dijkstra (EenUtrecht) is het ermee eens dat niet iedereen zijn zin kan krijgen, maar benadrukt dat er ook oog moet zijn voor grote minderheden. Hij twijfelt of de visie een afspiegeling is van een meerderheidsstandpunt. Volgens hem wordt er te weinig actief aan bewoners gevraagd wat zij van deze stedenbouwvisie vinden. Hij erkent de kennis en kunde binnen het stadskantoor, maar benadrukt dat er in participatietrajecten óók veel waardevolle inbreng van bewoners is geweest, waar volgens hem niets mee is gedaan. De voorzitter schorst de vergadering om 13.06 uur en heropent deze om 14.00 uur na de lunchpauze.

De heer Te Hoonte (VVD) vraagt of de heer Dijkstra erkent dat er in het Beurskwartier al negen torens zijn opgenomen, dat op het naastgelegen Kazerneterrein twee torens zijn gepland en dat ook in de Merwedekanaalzone meerdere torens van circa zestig tot zeventig meter worden gebouwd. Hij wijst daarnaast op het puntje Westraven, waar volgens hem alleen hoogbouw gerealiseerd kan worden om het geplande aantal woningen te halen. Hij vraagt of dit is wat de heer Dijkstra bedoelt met “massaal”. De heer Dijkstra (EenUtrecht) bevestigt dat dit precies is wat hij bedoelt met massaal en overal. Hij had het zelf niet beter kunnen verwoorden. Voor veel Utrechters is dertig meter al hoog, en zo ontstaat een heel andere stad, en dat vindt hij te ver gaan.

45

De heer Te Hoonte (VVD) erkent dat het om forse aantallen gaat en vindt dat daar eerlijk over gecommuniceerd moet worden richting de stad. De VVD is niet principieel tegen hoogbouw, maar wil weten op welke plek het voor EenUtrecht te veel is.

50

De heer Dijkstra (EenUtrecht) vindt dat het bij het algemene beeld begint. Veel locaties moeten nog worden besproken, maar als de stedenbouwvisie als leidraad wordt gebruikt, vreest hij dat overal hoogbouw ontstaat. Hij wil kritischer kijken naar locaties en denkt dat dat aansluit bij de gevoelens van veel Utrechters.

55

De heer Te Hoonte (VVD) geeft aan dat de VVD ook vindt dat op sommige plekken te intensief gebouwd wordt, met dichtheden en schaalgroottes die nieuw zijn voor de gemeente en waarvan de effecten nog onbekend zijn. Hij vraagt of het wel verstandig is om al te willen leren van projecten die nog niet zijn gerealiseerd.

60

De heer Dijkstra (EenUtrecht) noemt de voorgestelde verdichting ongekend. Hij vindt dat het eerlijke verhaal hierover niet met de Utrechters is gedeeld. Hij vraagt zich af of dit de stad is die mensen willen. EenUtrecht noemt de visie een slecht plan en verwijst naar hun eigen alternatief. Pagina 24 van 34

5

10

15

Daarin wordt de stad opgebouwd vanuit unieke buurten, met voorzieningen zoveel mogelijk in de eigen wijk, en met groen in plaats van meer verstening. De bouw moet passen bij de buurt, wat betekent: 50 tot 100 woningen per hectare en torens maximaal 50 meter hoog. Hoger bouwen is volgens hem ook niet duurzaam, duurder, minder efficiënt en lost de wooncrisis niet op. Hij vraagt zich af voor wie deze stad eigenlijk gebouwd wordt: voor bestuurders, of voor een rijke groep mensen die graag in het centrum van het land woont en overal op uit wil kijken? De heer Snijder (Student&Starter) werpt tegen dat de visie ook is bedoeld voor alle jonge mensen die nu geen plek kunnen vinden, voor studenten en voor mensen die hier zijn opgegroeid. Hij vraagt de heer Dijkstra om iets genuanceerder te zijn, omdat ook het alternatief van EenUtrecht niet zal zorgen dat iedereen een plek krijgt in de stad. De heer Dijkstra (EenUtrecht) benadrukt dat hoogbouw niet energiezuinig is en bovendien duurder in bouw en onderhoud. Volgens hem zullen de mensen die de heer Snijder noemt zich de woningen in de torens niet kunnen veroorloven. Hij is van mening dat er wél voldoende mensen in Utrecht kunnen wonen, maar dan moet er op een betaalbare en energiezuinige manier gebouwd worden. De problemen van de Randstad kunnen volgens hem bovendien niet door Utrecht alleen worden opgelost.

20

De heer Snijder (Student&Starter) reageert dat hij ook niet vindt dat Utrecht de hele Randstadproblematiek moet oplossen, maar dat er in het coalitieakkoord een norm van 40 procent sociale huur is afgesproken. Volgens hem is de inzet op sociale woningbouw groter dan ooit, en kan dat prima samengaan met hoogbouw.

25

De heer Dijkstra (EenUtrecht) stelt dat hij twijfelt of sociale huur past in hoge torens, gezien de hoge bouwkosten. Volgens hem is betaalbaar bouwen op deze manier niet haalbaar. Als afsluiting benadrukt hij dat EenUtrecht graag onderaan begint en de stedenbouwvisie graag voorlegt aan de inwoners via een burgerberaad in 2026.

30

De heer Van der Zweth (PvdA) vraagt aan de heer Dijkstra of hij zich erbij neerlegt als uit een burgerberaad zou blijken dat veel bewoners wél de hoogte in willen bouwen. De heer Dijkstra (EenUtrecht) bevestigt dat hij zich daarbij zou neerleggen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=027e8708-b478-4574-8c6c-0c8e86eb8364