Agendabundel
Tekst van het document
Artikel 20b Deelautovergunning stadsbreed 1. Er is een deelautovergunning stadsbreed. 2. Voor het verkrijgen en behouden van een deelautovergunning stadsbreed gelden naast de voorwaarden van dit artikel de regels en voorwaarden van artikel 20 met uitzondering van de leden 1, 4, 5 en 7 en de onderdelen over zero-emissie uit lid 9 sub b en over MaaS uit lid 9 sub e. 3. Het recht om deelautovergunningen stadsbreed aan te vragen wordt voor de duur van de proefperiode aan maximaal 2 deelauto-organisaties toegekend op basis van de procedure beschreven in hoofdstuk 3 van deze nadere regel. Andere deelauto-organisaties kunnen geen deelautovergunning stadsbreed aanvragen. 4. Deelauto-organisaties kunnen alleen het recht verkrijgen om deelautovergunningen aan te vragen indien zij voldoen aan de volgende basiseisen: a. De basiseisen uit artikel 20, lid 9a b. De deelauto-aanbieder mag niet verweven zijn met een andere onderneming die voor de proefperiode een deelautovergunning stadsbreed heeft aangevraagd. c. De deelauto-organisatie kan aantonen dat hij bij aanvang van de proefperiode aanbod van deelauto’s op andere plekken in Nederland heeft dat uitwisselbaar is met het aanbod in Utrecht; verhuringen kunnen worden gestart en beëindigd op andere plekken in Nederland dan Utrecht. 5.
Elke op grond van hoofdstuk 3 geselecteerde deelauto-organisatie krijgt bij aanvang van de proefperiode het recht om 75 vergunningen stadsbreed aan te vragen. Binnen het eerste jaar van de proefperiode is elke geselecteerde deelauto-organisatie verplicht om minimaal 25 vergunningen aan te vragen. Vanaf een half jaar na de start van de proefperiode kan elke
geselecteerde deelauto-organisatie tot in totaal 100 vergunningen aanvragen indien hij heeft aangetoond dat maximaal 25% van het totale aantal verhuringen korter is dan 7,5 km. 6. Als er op basis van de doorlopen procedure op grond van hoofdstuk 3 geen of maar één deelauto-organisatie is geselecteerd, kan het college tot 3 jaar hierna alsnog een deelautoaanbieder die aan de eisen voldoet op volgorde van aanmelding het recht geven om vergunningen aan te vragen zonder de procedure van hoofdstuk 3 opnieuw te doorlopen. 7. Indien er bij aanvang van de proefperiode slechts één deelauto-organisatie is geselecteerd, kan het college bepalen dat deze een jaar na aanvang van de proefperiode 200 deelautovergunningen mag aanvragen. 8. Het volgende geldt voor de duur van de proefperiode: a. De proefperiode duurt drie jaar. Het college kan de proefperiode met maximaal twee keer één jaar verlengen. b. Het college bepaalt wanneer de proefperiode start en neemt hierbij de voorgenomen planning van de geselecteerde deelauto-organisaties mee in de overweging. c. Een deelautovergunning stadsbreed wordt uitgegeven voor de duur van de proefperiode. De vergunning eindigt van rechtswege aan het einde van de proefperiode. Wanneer de proefperiode wordt verlengd, blijft ook een afgegeven deelautovergunning stadsbreed langer van kracht. 9. Het volgende geldt voor het servicegebied: a.
Een deelautovergunning stadsbreed wordt uitgegeven voor het betaald parkeren gebied. b. De vergunninghouder mag binnen de gemeentegrenzen zelf het servicegebied vaststellen. Het college kan tijdens de proefperiode gebieden uitsluiten waar de deelautovergunning niet geldig is. Het college kan daarnaast gebieden aanwijzen waar een maximaal aantal voertuigen op grond van een deelautovergunning stadsbreed mag parkeren; 10. Een deelautovergunning stadsbreed wordt alleen uitgegeven voor deelauto’s die geen schadelijke stoffen uitstoten (zero-emissie). 11. De vergunninghouder moet vanaf een jaar na de start van de proefperiode voldoen aan de eis dat maximaal 25% van het totale aantal verhuringen korter is dan 7,5 km. 12. De vergunninghouder heeft vanaf een jaar na start van de proefperiode een MaaS-integratie met tenminste twee partijen die landelijk actief zijn. 12.13. Als een vergunninghouder binnen de proefperiode besluit geen gebruik meer te maken van zijn recht om vergunningen stadsbreed aan te vragen, of als het college het recht op de vergunningen beëindigt, dan kan het college de volgende geschikte aanbieder uit de eerder doorlopen selectieprocedure, of indien die er niet is, een andere deelauto-organisatie die aan de voorwaarden voldoet, het recht verlenen om vergunningen aan te vragen.
Hoofdstuk 4 – SLOTBEPALINGEN Artikel 32 Inwerkingtreding 1.Deze beleidsregels treden Nadere regel treedt in werking met ingang van 1 september 2020. 2. Bij inwerkingtreding van deze nadere regels worden de Beleidsregels uitgifte parkeervergunning en garageplaatsen 2019 ingetrokken.
Algemene toelichting Artikel 20 Deelautovergunning Met een deelautovergunning bestaat voor een deelauto-organisaties de mogelijkheid om een deelauto te (laten) parkeren op de parkeerapparatuurplaatsen in het parkeerrayon waarvoor de vergunning geldt. Als de deelauto in een ander parkeerrayon wordt geparkeerd, moet op andere wijze parkeergeld worden betaald. Onder het op abonnement ter beschikking stellen van auto’s verstaan we ook de aanmelding bij een deelauto-organisatie. Het is niet verplicht dat de gebruiker maandelijkse abonnementskosten betaalt. Er zijn deelauto-organisaties die alleen ‘naar gebruik’ bedragen in rekening brengen. Deze vallen ook onder de definitie. De gebruiker moet geregistreerd zijn bij het bedrijf. Deelauto’s kunnen af en toe verwisseld kunnen worden, bijvoorbeeld vanwege onderhoud of optimaal gebruik van de vloot. De deelautovergunning mag echter niet worden gebruikt voor het veelvuldig, regulier wisselen van kentekens om te faciliteren dat gebruikers van deelauto’s in een ander rayon kunnen parkeren. In dat geval dient een vergunning deelauto stadsbreed te worden verkregen. De voertuigen moeten herkenbaar en identificeerbaar zijn als voertuig van de vergunninghouder. Op deze manier kunnen handhavers tegen foutparkeerders de deelauto als zodanig herkennen.
Het is daarom van belang dat de auto zowel aan de voor- als de achterzijde herkenbaar is als deelauto. De gemeente stelt volgensheeft in de CDS-M werkwijzeNadere Regel een specifieke data uitvraag op waarvoor de vergunninghouder geaggregeerde data levertgegevensuitvraag ten behoeve van beleidsvorming en -toetsing vastgesteld. Kwalitatief goede data is voor de gemeente essentieel om inzicht te vergaren in vraag en aanbod van deelauto’s in de stad. Daarnaast is het belangrijk dat we er als gemeente voor zorgen dat de deelauto-organisaties vertrouwelijk omgaan met persoonsgegevens en dat privacy geborgd is. In de CDS-M werkwijze staan onder andere de wijze van aggregatie en de mate waarin die moet worden toegepast, zodat wordt gegarandeerd dat sprake is van anonieme gegevens. Op deze manier ontstaat niet het risico dat de gegevens over het gebruik van de deelvoertuigen te herleiden zijn tot personen. De voorschriften in de CDS-M werkwijze worden jaarlijks, door middel van een onafhankelijke Data Protection Impact Assessment, op conformiteit met de AGV getoetst.Bepaald is dat dit via de CDS-M werkwijze gebeurt, aangezien die waarborgen biedt voor de bescherming van persoonsgegevens. De gemeente ontvangt geen direct identificerende kenmerken, zoals namen, kentekens of adresgegevens van gebruikers van de deelauto’s.
De gemeente ontvangt gegevens die mogelijk indirect herleidbaar tot personen zijn. Hierbij gaat het met name om start- en eindtijden en start- en eindlocaties van ritten met deelauto’s. Ook bij indirecte herleidbaarheid naar betrokken is sprake van persoonsgegevens. Bij de verwerking van deze persoonsgegevens wordt te allen tijden de Algemene Verordening Gegevensbescherming in acht genomen teneinde de privacy van betrokkenen te waarborgen. De wijze waarop dit gebeurt, is onderbouwd in een Data Protection Impact Assessment (DPIA). De gemeente kan een derde partij aanwijzen waaraan de deelauto-organisatie de gegevens moeten leveren. Deze derde handelt als verwerker van de gemeente, de gemeente is verwerkingsverantwoordelijk. De gegevens kunnen daarnaast (bedrijfs)vertrouwelijke informatie bevatten. De afspraken betreffende de omgang en verwerking van deze vertrouwelijke gegevens in het dashboard zullen worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente en vergunninghouder. Met verstrekking na afloop van elke kalenderweek (zondag tot en met zaterdag) wordt het volgende bedoeld: elke maandag verwacht de gemeente de data van de week ervoor, van zondag 00:00 tot en met de zaterdag erop 23:59. Ritten die over deze grens heen lopen, worden in de data gerapporteerd in de week waarin die eindigt.
In de situatie dat er geen commerciële organisatie is, kan een coöperatie een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering afsluiten.
In bepaalde gevallen kan maatwerk nodig zijn en bestaat de mogelijkheid om af te wijken van de voorwaarden in lid 9. Dit kan bijvoorbeeld gaan over het afwijken van de eisen rondom zero-emissie en bezettingsgraad om deelvervoer beschikbaar te maken voor iedereen of in uitzonderlijke situaties zoals de coronapandemie. We kunnen incidenteel afwijken van de eisen rondom zero-emissie wanneer een lid van een nieuwe bewonersorganisatie de eigen auto wil inbrengen in de bewonersorganisatie om deze te helpen opstarten. Deze bewoners moeten dan wel kunnen aantonen dat zij al langer eigenaar zijn van de auto. Dit moet altijd gebeuren op basis van een goede onderbouwing en schriftelijke goedkeuring van de gemeente. Artikel 20a Deelautovergunning vaste plek Met een deelautovergunning vaste plek bestaat voor een deelauto-organisaties expliciet de mogelijkheid om een deelauto te (laten) parkeren op de aangewezen deelautoplaatsen in het parkeerrayon waarvoor de vergunning geldt. Ook mogen de deelauto’s parkeren op de parkeerapparatuurplaatsen in het parkeerrayon waarvoor de vergunning geldt. Dit in tegenstelling tot de deelautovergunning die alleen geldig is om te parkeren op de parkeerapparatuurplaatsen in een parkeerrayon. Hiervoor gelden dan ook de specifieke voorwaarden in artikel 20a.
Artikel 20b Deelautovergunning stadsbreed Door aan maximaal twee deelauto-organisaties het recht toe te kennen om deelautovergunningen stadsbreed aan te vragen, kan de gemeente onderzoeken welke effecten het aanbieden van freefloating deelauto’s heeft en blijven eventuele negatieve effecten beheersbaar. Het maximum van twee deelauto-organisaties geldt tijdens de eerste drie jaar van de proefperiode. Daarna kan het college besluiten om het aantal deelauto-organisaties te laten toe of afnemen. Ten behoeve van eerlijke concurrentie, stelt de gemeente dat de aanvrager niet verweven mag zijn met een andere onderneming die voor de proefperiode een deelautovergunning stadsbreed heeft aangevraagd. Onder verwevenheid wordt verstaan dat de ondernemingen organisatorisch of statutair onder 1 overkoepelende leiding vallen die als eenheid functioneert. Of als de leiding van de ene onderneming feitelijk ondergeschikt is aan de leiding van een andere onderneming. De maximale aantallen die de gemeente stelt voor het aantal aan te vragen deelautovergunningen tijdens de proefperiode van 75 tot 100, is bedoeld om het aanbod beheersbaar te houden en te kunnen bijsturen. De gemeente evalueert tijdens de proefperiode de meerwaarde van de free floating deelauto’s voor de stad en het al dan niet ontstaan van negatieve effecten zoals vervanging van fietsen ov-ritten.
Op basis van de evaluatie kan het college besluiten de nadere regel aan te passen om het maximale aantal vergunningen te verhogen, bijvoorbeeld naar 150 deelautovergunningen per geselecteerde deelauto-aanbieder. Als binnen een jaar na start proefperiode één van de twee geselecteerde deelauto-organisaties een beperkt aantal vergunningen heeft aangevraagd binnen het recht, dan kan het college besluiten om de nadere regel aan te passen zodat een andere deelauto organisatie (meer) vergunningen kan gaan aanvragen. De duur van de proefperiode is drie jaar. Deze periode geeft voldoende zekerheid aan de deelautoorganisaties om hun diensten aan te bieden en de investering te kunnen terugverdienen. De gemeente behoudt zich het recht voor om tijdens de proef gebieden uit te sluiten of om een maximaal aantal voertuigen per gebied toe te wijzen wanneer er problemen ontstaan, zoals overlast of ongewenste clustering. De gemeente zal altijd eerst in overleg treden met de geselecteerde deelautoorganisaties over andere maatregelen om de problemen op te lossen. De vergunninghouder moet vanaf een jaar na de start van de proefperiode voldoen aan de eis dat maximaal 25% van het totale aantal verhuringen korter is dan 7,5 km. Dit wordt gemeten over de periode van een jaar. Bij het bepalen of de vergunninghouder voldoet aan de eis dat maximaal 25%
van het totale aantal verhuringen korter is dan 7,5 km, worden meerdere ritten binnen één verhuring gezien als 1 rit. Bijvoorbeeld: een verhuring met één rit van 5 kilometer en één rit van 10 kilometer heeft een totale afstand van 15 kilometer. De afstanden wordt gemeten over de periode van minimaal een half jaar. Wanneer niet aan deze eis wordt voldaan, mag de geselecteerde deelauto-organisatie geen extra deelautovergunningen stadsbreed aanvragen. Als na een jaar blijkt dat nog steeds niet aan deze eis wordt voldaan, zal de gemeente in overleg gaan met de betreffende deelauto-organisatie. In het uiterste geval kunnen de vergunningen worden ingetrokken.
Concept Besluit tot wijziging van Nadere regel uitgifte
parkeervergunningen en
garageplaatsen gemeente Utrecht Burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, -
Gelet op artikel 3, derde lid, van de Parkeerplaatsenverordening 2014
Overwegende dat burgemeester en wethouders met de Nadere regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen gemeente Utrecht onder andere invulling geven aan de voorwaarden voor de deelautovergunningen; Besluiten als volgt: :
Artikel I De Nadere regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen gemeente Utrecht wordt als volgt gewijzigd: A. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het tweede lid, onder a wordt ‘abonnement’ vervangen door ‘op grond van een overeenkomst’ en wordt na ‘derden’ ingevoegd ‘of aan een autodeelgroep of aan de deelnemers van een autodeelgroep;’. 2. In het tweede lid wordt, onder verlettering van d tot en met n tot e tot en met o, een nieuw punt d ingevoegd: ‘autodeelgroep: groep bewoners uit Utrecht die gezamenlijk afspraken maakt over het delen van één of meerdere deelauto’s;.’ 3. In het tweede lid, onder l (nieuw) wordt ‘zoals deze is gepubliceerd op de site van het CROW en www.CDS-M.nl’ vervangen door ‘die wordt beheerd door het Nationaal Toegangspunt Mobiliteitsdata;’. B. Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd: 1. 2.
3. 4. 5.
Daar waar in het artikel een aandachtstreepje gevolgd wordt door een punt, vervalt de punt. In het tweede lid wordt ‘wordt uitgegeven aan een deelauto-organisatie voor auto’s die op abonnement aan gebruikers ter beschikking worden gesteld’ vervangen door: ‘kan worden uitgegeven aan: a. een commerciële organisatie die op grond van een overeenkomst auto's ter beschikking stelt aan derden of aan een autodeelgroep; b. een autodeelgroep die op grond van een overeenkomst auto’s ter beschikking stelt aan zijn deelnemers.’ In het negende lid, onder a, het vierde aandachtsstreepje wordt na ‘afgesloten’ het zinsdeel ‘als de vergunninghouder een commerciële organisatie is’ toegevoegd. In het negende lid, onder c, het tweede aandachtsstreepje komt ‘door derden’ te vervallen. In het negende lid, onder e, het eerste aandachtsstreepje komt de zinsnede ‘De deelautoorganisatie dient per januari 2024 de gemeente of een door de gemeente aangewezen derde,
6.
actuele geanonimiseerde gegevens over haar deelvoertuigen in Utrecht geautomatiseerd te verstrekken volgens de CDS-werkwijze.’ te vervallen. In het negende lid, onder e, wordt na het bepaalde in het eerste aandachtsstreepje, een nieuw aandachtsstreepje ingevoegd, luidende: - De deelauto-organisatie verstrekt per 1 januari 2026 aan burgemeester en wethouders of een door burgemeester en wethouders aangewezen derde, de gegevens over haar deelvoertuigen en het gebruik daarvan in Utrecht die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van de verleende vergunning en voor de ontwikkeling en evaluatie van het gemeentelijk parkeer- en deelmobiliteitsbeleid. Dit betreft in ieder geval de volgende gegevens: a. Gegevens over de deelauto: 10. het type deelauto (zoals rayongebonden of met een vaste plek); 20. een identificatienummer van de deelauto; 30. een identificatienummer van de deelauto-aanbieder; 40. het type auto; 50. de aandrijving van de auto, en 60. het gebied waarin de deelauto wordt aangeboden. b. Gegevens over de voertuigstatus: 10. de voertuigstatus (zoals beschikbaar, niet beschikbaar, gereserveerd); en 20. het tijdstip en de locatie van de verandering van voertuigstatus; c. Gegevens over gemaakte ritten: 10. een (gepseudonimiseerd) identificatienummer van een rit; 20. de start- en eindtijd van een rit; 30. de start- en eindlocatie van een rit; 40.
de duur van de rit, en de afgelegde afstand van een rit.
7.
In het negende lid, onder e, wordt na het bepaalde in het tweede aandachtsstreepje (nieuw) een nieuw aandachtsstreepje ingevoegd, luidende: - De deelauto-organisatie verstrekt de gegevens op elke maandag na afloop van een kalenderweek, lopend van zondag tot en met zaterdag, geautomatiseerd volgens de CDS-M werkwijze. 8. Onder vernummering van de leden tien tot en met twaalf tot elf tot en met dertien, wordt een nieuw lid 10 ingevoegd, luidende als volgt: Wanneer autodeelgroepen of commerciële organisaties voor een autodeelgroep een deelautovergunning aanvragen, geldt daarnaast het volgende: a. Lid 4 en de volgende punten uit lid 9 gelden niet: 10. lid 9d het aanbieden van een Engelstalige dienstverlening; 20. lid 9e het geautomatiseerd delen van data via de CDS-M-werkwijze, en 30. lid 9e het hebben van een MaaS-integratie met tenminste twee partijen; b. Er moet worden aangetoond dat de parkeervergunning wordt aangevraagd voor het laten functioneren van een autodeelgroep; c. Een deelautovergunning wordt uitgegeven voor een periode van 5 jaar. Deze periode kan verlengd worden of gewijzigd naar uitgifte voor onbepaalde tijd. Het college kan gedurende de vergunningsperiode de voorwaarden wijzigen, voor zover dit nodig is om het beoogde doel te borgen: het faciliteren en stimuleren van bewonersinitiatieven rondom het delen van auto’s; d.
De autodeelgroep heeft minstens 5 deelnemende bewoners die op verschillende adressen in hetzelfde of direct aangrenzende parkeerrayon in Utrecht wonen. Voor elke volgende parkeervergunning heeft de autodeelgroep 5 extra deelnemende bewoners, en
9.
e. De vergunninghouder dient op verzoek de gemeente minimaal 1 keer per jaar de gemeente of een door de gemeente aangewezen derde, actuele gepseudonimiseerde gegevens over haar deelvoertuigen in Utrecht te verstrekken, zoals het aantal ritten en de afgelegde afstand. In het elfde lid (nieuw) wordt achter de tekst ‘lid 9’ ingevoegd ‘en 10’.
C. Artikel 20a wordt als volgt gewijzigd: 1. In het zevende lid wordt aan de eerste zin na het woord ‘derden’ toegevoegd: ‘voor autodeelgroepen geldt dat het deelvoertuig gemiddeld 85% van de tijd beschikbaar moet zijn voor gebruik door deelnemers.‘ D. Artikel 20b wordt als volgt gewijzigd: 1. Aan het tweede lid wordt aan het einde van de zin toegevoegd: ‘en over MaaS uit lid 9 sub e’. 2. Onder vernummering van lid twaalf tot dertien, wordt een nieuw lid 12 ingevoegd, luidende: ‘De vergunninghouder heeft vanaf een jaar na start van de proefperiode een MaaS-integratie met tenminste twee partijen die landelijk actief zijn.’ E. Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt ‘beleidsregels treden’ vervangen door ‘Nadere regel treedt’. 2. In het tweede lid wordt ‘regels’ vervangen door ‘regel’. F. De Algemene toelichting wordt als volgt gewijzigd: 1. De tekst onder het kopje ‘Artikel 20 Deelautovergunning’ vervalt. 2. Onder het kopje ‘Artikel 20 Deelautovergunning’ wordt een nieuwe tekst ingevoegd, luidende als volgt: Met een deelautovergunning bestaat voor een deelauto-organisaties de mogelijkheid om een deelauto te (laten) parkeren op de parkeerapparatuurplaatsen in het parkeerrayon waarvoor de vergunning geldt. Als de deelauto in een ander parkeerrayon wordt geparkeerd, moet op andere wijze parkeergeld worden betaald.
Deelauto’s kunnen af en toe verwisseld kunnen worden, bijvoorbeeld vanwege onderhoud of optimaal gebruik van de vloot. De deelautovergunning mag echter niet worden gebruikt voor het veelvuldig, regulier wisselen van kentekens om te faciliteren dat gebruikers van deelauto’s in een ander rayon kunnen parkeren. In dat geval dient een vergunning deelauto stadsbreed te worden verkregen. De voertuigen moeten herkenbaar en identificeerbaar zijn als voertuig van de vergunninghouder. Op deze manier kunnen handhavers tegen foutparkeerders de deelauto als zodanig herkennen. Het is daarom van belang dat de auto zowel aan de voor- als de achterzijde herkenbaar is als deelauto. De gemeente heeft in de Nadere Regel een specifieke gegevensuitvraag ten behoeve van beleidsvorming en -toetsing vastgesteld. Kwalitatief goede data is voor de gemeente essentieel om inzicht te vergaren in vraag en aanbod van deelauto’s in de stad. Daarnaast is het belangrijk dat we er als gemeente voor zorgen dat de deelauto-organisaties vertrouwelijk omgaan met persoonsgegevens en dat privacy geborgd is. Bepaald is dat dit via de CDS-M werkwijze gebeurt, aangezien die waarborgen biedt voor de bescherming van persoonsgegevens. De gemeente ontvangt geen direct identificerende kenmerken, zoals namen, kentekens of adresgegevens van gebruikers van de deelauto’s.
De gemeente ontvangt gegevens die mogelijk indirect herleidbaar tot personen zijn. Hierbij gaat het met name om start- en eindtijden en start- en eindlocaties van ritten met deelauto’s. Ook bij indirecte herleidbaarheid naar betrokken is sprake van persoonsgegevens. Bij de verwerking van deze persoonsgegevens wordt te allen tijden de Algemene Verordening Gegevensbescherming in acht genomen teneinde de privacy van betrokkenen te waarborgen. De wijze waarop dit gebeurt, is onderbouwd in een Data Protection Impact
Assessment (DPIA). De gemeente kan een derde partij aanwijzen waaraan de deelauto-organisatie de gegevens moeten leveren. Deze derde handelt als verwerker van de gemeente, de gemeente is verwerkingsverantwoordelijk. De gegevens kunnen daarnaast (bedrijfs)vertrouwelijke informatie bevatten. De afspraken betreffende de omgang en verwerking van deze vertrouwelijke gegevens in het dashboard zullen worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente en vergunninghouder. Met verstrekking na afloop van elke kalenderweek (zondag tot en met zaterdag) wordt het volgende bedoeld: elke maandag verwacht de gemeente de data van de week ervoor, van zondag 00:00 tot en met de zaterdag erop 23:59. Ritten die over deze grens heen lopen, worden in de data gerapporteerd in de week waarin die eindigt. In de situatie dat er geen commerciële organisatie is, kan een coöperatie een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering afsluiten. In bepaalde gevallen kan maatwerk nodig zijn en bestaat de mogelijkheid om af te wijken van de voorwaarden in lid 9. Dit kan bijvoorbeeld gaan over het afwijken van de eisen rondom zero-emissie en bezettingsgraad om deelvervoer beschikbaar te maken voor iedereen of in uitzonderlijke situaties zoals de coronapandemie.
We kunnen incidenteel afwijken van de eisen rondom zero-emissie wanneer een lid van een nieuwe bewonersorganisatie de eigen auto wil inbrengen in de bewonersorganisatie om deze te helpen opstarten. Deze bewoners moeten dan wel kunnen aantonen dat zij al langer eigenaar zijn van de auto. Dit moet altijd gebeuren op basis van een goede onderbouwing en schriftelijke goedkeuring van de gemeente.
Artikel II Dit besluit treedt in werking tegelijk met het besluit tot wijziging van de Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren. Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, in de vergadering van 9 april 2025. De burgemeester Sharon A.M. Dijksma De secretaris, Michiel J. Ruis
Commissie Mobiliteit, Groen en Openbare Ruimte Dossiernummer
4637
Vertrouwelijk
Nee
Vergaderdatum
5 juni 2025
Agendapunt
3.3
Titel
Raadsvoorstel Vaststelling Beleidsnota Ondergrond 2025-2035
ID
4859
Behandelend ambtenaar
Werter, Frans
Telefoon
14030
frans@burodesteeg.nl
Datum collegebesluit Geocodering
Stad Utrecht
Thema Portefeuillehouder
Wethouder Schilderman
Beleidsveld
Openbare ruimte
Referendabel
Ja
Reden niet referendabel Raadsadviseur (lijst)
Frank de Kok/Cie Ruimtelijke ordening en Grondzaken/06-20011476
Behandelvoorstel Resultaat commissiebehandeling Resultaat raadsbehandeling Geagendeerd
Vergaderdatum
Commissie Mobiliteit, Groen en
5 juni 2025
Openbare Ruimte Voorgesteld besluit
Voorstel aan de gemeenteraad
Beleidsnota Ondergrond 2025-2035 Beleidsveld Organisatieonderdeel Opsteller Kenmerk Vergaderdatum Raad Referendabel Geheim
Openbare ruimte Ontwikkelorganisatie Ruimte/Stadsbedrijven Jikke Balkema 30113276 Volgt Ja Nee
Het college van burgemeester en wethouders stelt de raad voor te besluiten: 1. De 'Beleidsnota Ondergrond 2025 - 2035’ vast te stellen, waarin de volgende ambities en doelstellingen voor regie op de ondergrond worden beschreven ten aanzien van beschermen, benutten, beter maken en beheren van de ondergrondse kwaliteiten en ruimte: a) Ambitie 1: Ondergrond integraal onderdeel laten zijn van ruimtelijke keuzes 1. Doelmatig gebruik van de ondergrondse ruimte is onderdeel van de afweging bij het ontwikkelen en uitvoeren van ruimtelijke plannen; 2. Inzicht in beschikbare ruimte, kwaliteiten, mogelijkheden en kwetsbaarheden van de ondergrond is de basis voor plan- en uitvoeringsprocessen (waaronder UPG); b) Ambitie 2: Bodemkwaliteiten beschermen en verbeteren 1. De natuurlijke eigenschappen van de bodem en ondergrond zo veel mogelijk in stand houden en waar nodig verbeteren; 2. De (beoogde) inrichting, eigenschappen en waarden van de bodem en ondergrond op elkaar afstemmen; 3. Ondiepe ondergrond: in vitale bodem in de hoofdgroenstructuur ingrepen/graven in de ondergrond tot een minimum beperken en de bodemkwaliteit waar mogelijk verbeteren; 4.
Diepere ondergrond: prioriteit geven aan de bescherming van de grondwaterkwaliteit boven andere functies als deze functies de grondwaterkwaliteit onevenredig aantasten; c) Ambitie 3: Gebruik van de ondergrondse ruimte ordenen voor het gezamenlijk realiseren van de opgaven van de stad 1. De huidige en toekomstige tracés of locaties van de ondergrondse hoofdinfrastructuur hebben prioriteit ten opzichte van andere opgaven; 2. Natuurlijke momenten aangrijpen om de ondergrond te (her)ordenen; 3. In de knooppunten van intensieve verstedelijking de voorkeur geven aan inpandige oplossingen en (verticale) ordening/ bundeling van netwerken en objecten; 4. Infrastructurele netwerken inrichten volgens voorkeursprofielen (ondergrond en bovengrond). 2. De ‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ op te nemen in de Omgevingsvisie Utrecht door toevoeging aan de ‘Lijst beleidsdocumenten omgevingsvisie Utrecht’ en op de internetpagina https://omgevingsvisie.utrecht.nl
Burgemeester en wethouders van Utrecht,
de secretaris,
de burgemeester,
2
Samenvatting In de ‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ worden kaders geformuleerd waardoor regie gevoerd kan worden op de ruimtelijke ordening van de ondergrond. Dit doen we door: a) Ondergrond integraal onderdeel te laten zijn van ruimtelijke keuzes b) Bodemkwaliteiten te beschermen en te verbeteren c) Gebruik van de ondergrondse ruimte te ordenen voor het gezamenlijk realiseren van de opgaven van de stad. De ‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ geeft hiermee richting aan programma’s en projecten.
Context Aanleiding De ordening van de ondergrond is op dit moment beperkt geregeld. Tegelijkertijd zijn er claims op het gebruik van (de ruimte in) de ondergrond voor het realiseren van ruimtelijke ambities (gebiedsontwikkeling; energie; groen; mobiliteit; klimaatadaptatie; vitale bodem) door bijvoorbeeld de gemeente zelf, netbeheerders en ontwikkelaars. Op dit moment geldt: ‘wie het eerst komt, die het eerst maalt’. Dit leidt tot inefficiënt gebruik van de ondergrond en (mogelijke) aantasting van de kwaliteiten van de ondergrond. Met als gevolg hoge maatschappelijke kosten bij realiseren van opgaven, doordat ingrepen in de ondergrond niet passen bij de aanwezige kwaliteiten van de ondergrond, door noodzakelijke (ongeplande) aanpassingen in de ondergrond en door hoge faalkosten. Er vindt nu een beperkte integrale afweging plaats over de samenhang tussen boven- en ondergrondse wensen en effecten; tussen gebruik van de ondergrond door opgaven; tussen schaalniveaus (stad; buurt; straat); en tussen korte termijn en lange termijn wensen. Integraal beleid voor regie op de kwaliteit en gebruik van de schaarse ruimte in de ondergrond is nieuw en wordt met deze nota ingevuld. Dit beleid wordt na vaststelling uitgewerkt in concrete regels in het Omgevingsplan.
Het college heeft eerder een Visie Ondergrond aan de raad toegezegd in de Raadsbrief Toezeggingen commissiebehandeling nota Beheer Openbare Ruimte 10 februari 2022. De urgentie voor een Visie Ondergrond is benoemd in het coalitieakkoord (p. 45) en in de Uitvoeringsbrief coalitieakkoord planning op hoofdlijnen. Op 13 maart 2023 heeft de raad de Aanvullende afspraken RSU 2040 (oplegger RSU) vastgesteld. In de oplegger wordt de noodzaak tot regie op de openbare ruimte boven- en ondergrond benoemd. Juridische context De ‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ wordt een onderdeel van de Omgevingsvisie Utrecht. Hier is al het gemeentelijke beleid over de fysieke leefomgeving in opgenomen. De Omgevingsvisie Utrecht is een omgevingsvisie zoals bedoeld in de Omgevingswet. De Omgevingswet geldt vanaf 1 januari 2024. Omdat de Omgevingswet van kracht is gelden voor deze beleidsnota de inhoudelijke en procedurele verplichtingen daaruit ten aanzien van het instrument omgevingsvisie. Zo is de gemeenteraad bevoegd tot het vaststellen van de beleidsnota. Het college is op grond van artikel 160 lid 1 sub b Gemeentewet bevoegd de beslissingen van de raad voor te bereiden. In de Omgevingswet is de verplichting opgenomen om de wettelijke inspraakprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht te volgen. Hierbij kan ‘eenieder’ zienswijzen op het ontwerp indienen.
De beleidsnota staat niet voor beroep open bij de rechter. Beslistermijn Er is geen specifieke beslistermijn voorzien. Beoogd effect De ‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ beoogt kaders te geven voor het in balans beschermen en benutten van de ondergrond zodat de uitdagingen van de stad in gezamenlijkheid gerealiseerd kunnen worden. Die uitdagingen betreffen onder andere verstedelijking, energietransitie, vergroening, klimaatadaptatie en mobiliteit. Eerdere besluitvorming en informatievoorziening aan de raad • 10 februari 2022: Raadsbrief Toezeggingen commissiebehandeling nota Beheer Openbare Ruimte • 9 maart 2022: Raadsbrief Visie op de Ondergrond 3
• • • •
7 oktober 2022: Uitvoeringsbrief coalitieakkoord op hoofdlijnen 13 maart 2023: Aanvullende afspraken RSU 20240 (oplegger RSU) 4 april 2023: Raadsbrief Visie en Verordening Ondergrond: kabels, leidingen en boomwortels 28 januari 2025: Raadsbrief Vrijgave Inspraak concept-Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035
Beslispunten, Argumenten en Kanttekeningen/Risico’s Beslispunt 1
De 'Beleidsnota Ondergrond 2025 - 2035’ vast te stellen, waarin de volgende ambities en doelstellingen voor regie op de ondergrond worden beschreven ten aanzien van beschermen, benutten, beter maken en beheren van de ondergrondse kwaliteiten en ruimte: a) Ambitie 1: Ondergrond integraal onderdeel laten zijn van ruimtelijke keuzes 1. Doelmatig gebruik van de ondergrondse ruimte is onderdeel van de afweging bij het ontwikkelen en uitvoeren van ruimtelijke plannen; 2. Inzicht in beschikbare ruimte, kwaliteiten, mogelijkheden en kwetsbaarheden van de ondergrond is de basis voor plan- en uitvoeringsprocessen (waaronder UPG); b) Ambitie 2: Bodemkwaliteiten beschermen en verbeteren 1. De natuurlijke eigenschappen van de bodem en ondergrond zo veel mogelijk in stand houden en waar nodig verbeteren; 2. De (beoogde) inrichting, eigenschappen en waarden van de bodem en ondergrond op elkaar afstemmen; 3. Ondiepe ondergrond: in vitale bodem in de hoofdgroenstructuur ingrepen/graven in de ondergrond tot een minimum beperken en de bodemkwaliteit waar mogelijk verbeteren; 4. Diepere ondergrond: prioriteit geven aan de bescherming van de grondwaterkwaliteit boven andere functies als deze functies de grondwaterkwaliteit onevenredig aantasten; c) Ambitie 3: Gebruik van de ondergrondse ruimte ordenen voor het gezamenlijk realiseren van de opgaven van de stad 1.
De huidige en toekomstige tracés of locaties van de ondergrondse hoofdinfrastructuur hebben prioriteit ten opzichte van andere opgaven; 2. Natuurlijke momenten aangrijpen om de ondergrond te (her)ordenen; 3. In de knooppunten van intensieve verstedelijking de voorkeur geven aan inpandige oplossingen en (verticale) ordening/ bundeling van netwerken en objecten; 4. Infrastructurele netwerken inrichten volgens voorkeursprofielen (ondergrond en bovengrond).
Argumenten 1.1
De ‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ geeft invulling aan toezeggingen aan de raad, afspraken in het coalitieakkoord en de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 (RSU), koersdocument van de Omgevingsvisie Utrecht. De Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040, de aanvullende afspraken over de RSU in deze coalitieperiode en eerdere toezeggingen aan de raad geven een aanknopingspunt om beleid voor de ondergrond verder uit te werken. Dit wordt onderschreven in het coalitieakkoord en bijbehorende uitvoeringsbrief. Aanleiding voor de vraag naar een visie/beleidsnota ondergrond is het ontbreken van integraal beleid voor de ondergrond terwijl de ondergrondse ruimtevraag van de verschillende ruimtelijke opgaven toeneemt en de opgaven elkaar (steeds meer) 4
in de ondergrond in de weg zitten. Bovendien is er een Verordening Kabels, Leidingen en Boomwortels waarvoor het beleidskader ontbreekt. 1.2
De ‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ bevat ambities en beleidsdoelstellingen om (mogelijke) conflicten tussen opgaven over gebruik van de ondergrondse ruimte te reguleren en tegelijkertijd de kwaliteiten van de ondergrond te beschermen. In tegenstelling tot regie op de ordening en het gebruik van de openbare ruimte in de bovengrond, is sturing op het gebruik van de ondergrond beperkt geregeld. De stad heeft de nodige uitdagingen die gebruik van de ondergrond vereisen zoals de energietransitie (opwekking; distributie; verzwaring elektriciteitsnetwerk), klimaatadaptatie (waterberging; waterinfiltratie; rioolvervanging), vergroening (toevoegen bomen), verstedelijking (ontwikkeling knooppunten). Deze opgaven komen elkaar tegen in de ondergrond en zitten elkaar in de weg omdat de ruimte beperkt is. De opgaven maken veelal gebruik van de kwaliteiten van de bodem en ondergrond (bijvoorbeeld bodemenergie), en tasten de natuurlijke en cultuurhistorische (denk aan ons archeologische bodemarchief) kwaliteiten ook aan. De beleidsdoelstellingen beogen richting te geven aan sturing van gebruik, ordening en bescherming van de ondergrond.
1.3
De reacties naar aanleiding van de ter inzagelegging hebben geleid tot aanscherping van onderdelen van de ‘concept-Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’. De ‘concept-Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ heeft van 3 februari t/m 16 maart 2025 voor inspraak ter visie gelegen. De inspraakreacties hebben geleid tot een aantal aanscherpingen in de tekst van de definitieve versie van de ‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’. Zie bijlage 2: Reactienota.
Kanttekeningen/Risico’s 1.1
De ‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ is geen uitvoeringsprogramma of bevat geen regels die één op één opgenomen worden in het Omgevingsplan. De ‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ is een nota op een nieuw beleidsterrein die algemene beleidsdoelstellingen voor samenhang in het gebruik en beschermen van de gehele ondergrond bevat. De verschillende ruimtelijke thema’s die de ondergrond raken moeten deze algemene beleidsdoelstellingen toepassen op hun thematische beleidsterrein. Dit geldt onder andere voor energie, groen, klimaat, water, verstedelijking en mobiliteit. De uitwerking van de algemene doelstellingen op de diverse thematische beleidsterreinen kan leiden tot aanscherping van de deze algemene doelstellingen. De algemene beleidsdoelstellingen zijn voor de gemeente zelf bindend. Om daadwerkelijk te kunnen sturen richting derden (o.a. netbeheerders) op gebruik, ordening en bescherming van de kwaliteiten van de ondergrond zullen de beleidsdoelstellingen uitgewerkt worden in toepasbare regels in het Omgevingsplan.
1.2
De gemeente is niet de enige wettelijke beheerder van de ondergrond en kan daarom niet in alle gevallen sturing geven aan benutten, beschermen, beheren en beter maken van de ondergrond. Medeoverheden (Rijk, Provincie en Waterschappen) zijn medeverantwoordelijk voor gebruik en bescherming van de ondergrond. De bevoegdheden variëren per diepte en thema (zoals bodemenergie; grondwater). Tevens is er landelijke wetgeving die sturend werkt. Zo is in de Telecommunicatie Wet een gedoogplicht voor de gemeente opgenomen waardoor de gemeente mee moet werken op de aanleg, instandhouding en opruiming van telecommunicatienetwerken. Deze overlap in taken en bevoegdheden betekent dat wij met onze medeoverheden en derde partijen moeten samenwerken om gebruik, ordening, bescherming en beheer van de ondergrond zo effectief en efficiënt mogelijk te organiseren.
5
1.3
De hervormingsbezuinigingen en de gevolgen voor het budget van ondergrond vanaf 2026 leiden tot beperkingen in de mogelijkheid om regie te voeren op gebruik, ordening en bescherming van de ondergrond en innovatieve oplossingen te kunnen toepassen. De mogelijkheid om regie te voeren op gebruik, ordening en bescherming van de ondergrond is groter naarmate er meer budget beschikbaar is. Desalniettemin betekent regie voeren op de ondergrond op de eerste plaats een scherpere invulling van bestaande taken. De kosten van personeel worden gefinancierd uit bestaande budgetten met een aanvulling van Rijkssubsidies voor met name innovaties (zoals het door-ontwikkelen van het 3D-ondergrondmodel). Met de huidige beschikbare middelen is het niet mogelijk om los van projecten vernieuwende (technische) oplossingen of werkwijzen te ontwikkelen, pilots uit voeren, en hierin samen te werken met externe partners. Zo zijn er geen middelen beschikbaar voor onderzoek naar financieringsstrategieën zoals voorfinanciering van ondergrondse kabelgoten. Ook zonder hervormingsbezuinigingen is er geen budget beschikbaar voor fysieke maatregelen bovenop bestaande één-op-één vervangingen (bijvoorbeeld rioleringen). Maatregelen zoals (her)ordening van de ondergrond zullen bekostigd moeten worden vanuit projectbudgetten.
Beslispunt 2
De ‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ op te nemen in de Omgevingsvisie Utrecht door toevoeging aan de ‘Lijst beleidsdocumentenomgevingsvisie Utrecht’ en op de internetpagina https://omgevingsvisie.utrecht.nl
Argumenten 2.1
Hiermee blijft de Omgevingsvisie Utrecht actueel.
Financiën In samenhang regievoeren op de kwaliteit en ruimte in de bodem en ondergrond is nieuw binnen de gemeentelijke organisatie. Wat niet nieuw is, is dat in de bestaande organisatie verschillende afdelingen van de Ontwikkelingsorganisatie Ruimte en Stadsbedrijven zich bezighouden met de ondergrond. De ‘‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ betekent een scherpere invulling van bestaande taken om te komen tot regie op de ondergrond. De kosten van de inzet van personeel worden derhalve gedekt vanuit bestaande budgetten (Programma Aantrekkelijke, groene leefomgeving en erfgoed – doelstelling Beheer Openbare Ruimte en doelstelling Leefomgeving en Ondergrond). Met andere woorden deze kosten worden nu ook al gemaakt. Het budget voor regievoering wordt aangevuld met externe subsidies (SPUK) van het Rijk voor met name de innovaties. Daarnaast zullen kosten worden gedekt uit de ruimtelijke projectbudgetten. Binnen projecten moet rekening worden gehouden met kosten voor regie en advies over de ondergrond om de juiste afweging te kunnen maken binnen het project. Het effect van de regie op de ondergrond betreft ook het voorkomen van kosten die zonder dit beleid in de toekomst gemaakt zouden moeten worden. Deze kosten of besparingen kunnen niet in harde cijfers gevangen worden maar zijn wel een belangrijk argument om te investeren in regie op de ondergrond.
De hervormingsbezuinigingen en de consequenties voor het budget ondergrond vanaf 2026 zijn in de beleidsnota verwerkt.
Vervolg De ‘Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ wordt na vaststelling opgenomen in de lijst van beleidsnota’s onder de Omgevingsvisie Utrecht. Zij geldt daarna als kaderstellend voor andere ruimtelijke beleidsnota’s die gebruik wensen te maken van de ondergrond. We gaan ervanuit dat de 6
beleidsnota na 10 jaar wordt herzien. In de tussentijd wordt de raad op de hoogte gehouden over de voortgang via raadsbrieven (2027 eerste ervaring uitvoering regie; 2029 tussenevaluatie; 2033 evaluatie). In het jaarverslag wordt gerapporteerd over de voortgang ten aanzien van de ambities en doelstellingen. In de jaarlijkse programmabegroting- en verantwoording geven we de voortgang van de Beleidsnota Ondergrond aan in het Programma Aantrekkelijke, groene leefomgeving en erfgoed. Voorts worden de beleidsdoelstellingen ten aanzien van locaties en tracés van vitale bodem en infrastructurele netwerken als uitkomst van uitvoeringsactiviteiten opgenomen in het Omgevingsplan. Daarvoor is nog geen planning beschikbaar.
Samen stad maken Vanuit het ‘kompas van zeggenschap’ is de gemeente ‘eigenaar’ van het onderwerp en verantwoordelijk voor de organisatie van sturing op de ondergrond en de invulling van integraal beleid ten behoeve van bescherming van de kwaliteit van de ondergrond en de ordening van ondergronds ruimtegebruik. De situatie in de ondergrond en de noodzaak om regie te voeren is besproken met belangstellenden uit de stad tijdens een informatiebijeenkomst op 30 augustus 2023. De deelnemers aan de bijeenkomst hebben eerst een excursie naar de werkzaamheden in de Haverstraat gemaakt en een presentatie van de problematiek in de ondergrond gekregen. Vervolgens zijn in groepjes wensen en zorgen ten aanzien van bodem en ondergrond geïnventariseerd. De uitkomsten dienden als inbreng in het tot stand komen van de Beleidsnota Ondergrond. Daarnaast is inhoudelijk overleg geweest over een concept-beleidsnota met de provincie, waterschappen (HDSR; AGV) en met netbeheerders (Stedin; Vitens; Eneco; telecombedrijven). De ‘concept-Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035’ heeft van 3 februari t/m 16 maart 2025 voor inspraak ter visie gelegen. Tijdens de inspraakperiode zijn informatiebijeenkomsten georganiseerd met Provincie en Waterschappen (19 februari 2025), netbeheerders (4 maart 2025) en bewoners en belangstellenden uit de stad (5 maart 2025).
De algemene bijeenkomst voor de stad is gecombineerd met een wandeling naar de werkzaamheden bij de Neude. De inspraakperiode heeft een aantal zienswijzen opgeleverd. Voor de reactienota zie bijlage 2.
Communicatie Voor besluitvorming in de gemeenteraad informeert het projectteam alle insprekers over de beantwoording van hun inspraakreactie en het besluitvormingsproces. Ook wordt de informatie over besluitvorming en het uiteindelijke besluit teruggekoppeld naar de insprekers en andere belangstellenden, en gepubliceerd op de website https://omgevingsvisie.utrecht.nl/thematischbeleid/beleid-bodem-grondwater-en-ondergrond/nieuw-beleid-voor-ondergrond. Voor vragen is het emailadres: ondergrond@utrecht.nl beschikbaar.
(Niet)Referendabel De Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht is van toepassing.
Bijlagen Bijlagen besluitvorming - Beleidsnota Ondergrond 2025 – 2035 Bijlagen informatief - Reactienota
7
Beleidsnota Ondergrond 2025-2035
Beschermen, benutten, beheren en beter maken van de ondergrondse ruimte Utrecht.nl
Inhoudsopgave
A
Samenvatting A1 Introductie A2 Doelstellingen
4 5 8
B
Opgave B1 Kaders B2 Doelstellingen en resultaten
12 13 21
C
Monitoring, sturing en verantwoording C1 Voortgang en verantwoording C2 Indicator C3 Risico’s C4 Financiën
45 46 48 49 51
D
Bijlagen D1 De Ondergrond van Utrecht D2 Juridische context D3 Gebiedsgericht Grondwaterbeheer (GGB) D4 Begrippenlijst
58 59 63 65 67
Beleidsnota Ondergrond 2025-2035 april 2025 | 2
Voorwoord Heeft u, net als ik, ook wel eens nieuwsgierig stilgestaan bij grote graaf- of bouwwerkzaamheden? Bij zulke diepe gaten in de grond staat altijd wel iemand te kijken. Dat snap ik helemaal want er is ook veel te zien. De verschillende grondlagen waarop onze stad is opgebouwd, water dat door enorme buizen wordt weggepompt, riool en glasvezel dat wordt gelegd. Op zulke plekken wordt duidelijk hoe druk het onder Utrecht is. Kabels, leidingen, dieren en wortels van bomen: alles zoekt een plek onder onze stad. De ondergrond van onze stad is van cruciaal belang voor het leven dat we bovengronds hebben. Maar wie heeft de regie over de ondergrond? Bovengronds zijn de regels duidelijk en is er een goed overzicht van verantwoordelijkheden. Ondergronds is er echter veel minder regelgeving en lijkt het wel of iedereen kan doen wat hij wil. Het resultaat is dat we niet goed weten hoe onze ondergrond er precies uitziet, wat soms onbedoelde schade met zich meebrengt. Bovendien maken we niet optimaal gebruik van de ondergrond en dreigt de bodem verstopt te raken door een jungle van kabels en leidingen. Net als bovengronds is er onder de grond niet meer genoeg ruimte om al onze ambities te realiseren. Zo past een warmtenet, een boom of hemelwaterafvoer er niet altijd
zomaar bij. Ook verslechtert de kwaliteit van de bodem, bijvoorbeeld door verontreinigingen, graaf werkzaamheden of de aanleg van verharding zoals gebouwen en wegen. Terwijl we gezonde bodems juist hard nodig hebben voor biodiversiteit, klimaatadaptatie en bodemenergie.
niet los van elkaar zien; ze vormen samen één (openbare) ruimte. Het zal druk blijven onder de grond. We zullen in de toekomst meer moeten samenwerken met netbeheerders en af en toe voor duurdere oplossingen moeten kiezen om toekomstige kosten of problemen te voorkomen.
Met de Beleidsnota Ondergrond zetten we de eerste stappen naar meer regie voor de gemeente over de bodem van Utrecht. We bieden duidelijke kaders voor het gebruik van de ondergrond en richten ons zowel op efficiënt gebruik als bescherming van de bodemkwaliteit. Dit doen we onder andere door een 3D-model van de ondergrond te ontwikkelen, waarmee we inzicht krijgen in onze ondergrond en welke impact alle plannen hebben. Dit helpt ons de ondergrond beter in te richten en te beheren. Ook willen we met deze beleidsnota zorgen dat nieuwe kabels gebundeld worden aangelegd, zodat ze minder ruimte innemen en duidelijker traceerbaar zijn. Dit creëert tegelijkertijd meer ruimte bovengronds, bijvoorbeeld voor het planten van bomen.
Door nu goede keuzes te maken, zal de bodem in de toekomst minder lijken op het Wilde Westen en meer op het Utrecht dat we kennen van boven de grond. Susanne Schilderman, wethouder Openbare Ruimte (van de boven- èn ondergrond)
De komende jaren gaan we dus steeds meer ondergronds. Bij alle ruimtelijke plannen die de stad heeft, zal de ondergrond betrokken worden. De bovengrond en ondergrond kunnen we namelijk
Beleidsnota Ondergrond 2025-2035 april 2025 | 3
A
Samenvatting
Rioolvervanging Ahornstraat (2023)
Beleidsnota Ondergrond 2025-2035 april 2025 | 4
A1 Introductie De druk op de ruimte neemt toe. Ook in de ondergrond. De ondergrondse ruimte is schaars en onze stedelijke activiteiten tasten de natuurlijke kwaliteiten van de bodem soms onomkeerbaar aan. Onze wettelijke taak is om de onder- en bovengrond die samen onze (openbare) ruimte vormen, op zorgvuldige wijze te benutten, te beschermen, beter te maken en te beheren. Deze beleidsnota vormt het kader voor regie op de kwaliteit en gebruik van ruimte in de ondergrond.
Beleidsnota Ondergrond 2025-2035 april 2025 | 5
Aanleiding De ondergrond is iets dat er gewoon is: we staan en lopen erop, bomen, planten en dieren leven ervan en ook wij krijgen ons eten en drinkwater uit de grond, bouwen onze huizen en steden op de ondergrond, halen onze waardevolle delfstoffen of energie eruit. Alles wat we niet bovengronds konden of kunnen gebruiken of willen zien (maar wel van nut is voor het functioneren van de stad) stoppen we in de ondergrond: we begraven er onze doden in, leggen er onze riolering, kabels en leidingen voor energie, water of communicatie in, of gebruiken de ondergrondse ruimte voor onze afvalcontainers, parkeerplaatsen, tunnels en kelders. De veelal onzichtbare ondergrond is een complex natuurlijk systeem dat medebepalend is voor de ontwikkeling van de stad en gezond stedelijk leven voor iedereen. Menselijk handelen heeft echter de natuurlijke kwaliteit van de ondergrond in de stad danig aangetast, bijvoorbeeld met verontreinigingen.1 We beseffen steeds meer dat wat we nu doen in de ondergrond negatieve, onomkeerbare effecten kan hebben op onze gezondheid 2 en de functies en het gebruik van de ondergrond voor toekomstige generaties. Ook raakt de ondergrond steeds voller waardoor we onze infrastructuur niet meer (gemakkelijk) kwijt kunnen en grote opgaven van de stad (energietransitie; klimaatadaptatie; verstedelijking; digitalisering) niet meer gerealiseerd dreigen te worden.
Door menselijk ingrijpen is de ondergrond een duister, weinig geordend rijk geworden vol kabels, leidingen en andere infrastructuur die elkaar steeds meer in de weg zitten.
Tot nu toe worden ruimtelijke plannen veelal ontwikkeld op basis van wat we zien: bovengronds. Wat daarvoor ondergronds geregeld moet worden, wordt vaak beschouwd als technische uitwerking. Het gaat dan om bodem- of waterverontreiniging en noodzakelijke sanering, of een KLIC-melding om de kabels en leidingen bij een herinrichting of ontwikkeling in kaart te brengen. Dit is niet langer houdbaar. Op sommige plekken is het nu al té vol om (boven- en ondergrondse) ambities te realiseren. Wat nodig is, is dat we sturen op de kwaliteit van en het gebruik van ruimte in de ondergrond. Daarbij gaat het om samenhang: tussen boven- en ondergrondse wensen en effecten; tussen gebruik van de ondergrond door opgaven; tussen schaalniveaus (regio; stad; buurt; straat); en tussen korte termijn en lange termijn wensen. Integraal beleid voor regie op de kwaliteit en gebruik van de schaarse ruimte in de ondergrond wordt met deze nota ingevuld.
Wat bedoelen we met ondergrond? De aarde van de ondiepe bodemlagen onder het maaiveld tot de diepere ondergrond. Grondwater maakt hier ook deel van uit. De definitie van bodem en ondergrond inclusief de diepte is niet altijd even duidelijk afgebakend. Vaak is het gebruik afhankelijk van de context. Dat geldt ook voor deze beleidsnota. Zie bijlage D4: Begrippenlijst.
Doel en positie Beleidsnota Ondergrond Het doel van deze beleidsnota is:
Een kader bieden voor regie op de kwaliteit en gebruik van ruimte in de ondergrond. De beleidsnota sluit aan bij de opdracht uit de Omgevingswet om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit te realiseren, en doelmatig te beheren, te gebruiken en te ontwikkelen.3 Voorts geeft de beleidsnota invulling aan het Rijksbeleid ten aanzien van regie op de ruimtelijke ordening, waarin water en bodem richtinggevend is.4 In de Ruimtelijke Strategie Utrecht (RSU) wordt het belang van regie op de ondergrond benoemd en summier als sectoraal beleid uitgewerkt. Bij het opstellen van de RSU ontbrak beleid waarin bovengrondse en ondergrondse ruimtelijke ontwikkeling als één openbare ruimte benaderd wordt.5 Bij een mogelijke actualisatie van de RSU wordt de ondergrond als contramal van de bovengrond opgenomen in de visie op de ruimtelijke ontwikkeling van de stad. In het reeds bestaande Gebiedsplan Gebieds gericht Grondwaterbeheer 20166 is een eerste aanzet gegeven voor een visie op duurzaam gebruik van de ondergrond en in de Nota bodembeheer 2017-20277 staan regels voor het toepassen van grond. Lokale regels voor bodemenergie-
Beleidsnota Ondergrond 2025-2035 april 2025 | 6
Visie
Leefbare stad en maatschappelijke voorzieningen (koersdocument 2020) Bij herziening Omgevingsvisie: bovenen ondergrond (is één openbare ruimte)
Oplegger RSU 2040 (aanvulling op Ruimtelijke Strategie 2023)
Beleidsnota
Thematisch beleid Beleidsnota Ondergrond
Koersdocumenten
Gebiedsbeleid Gebiedsvisies
Ander thematisch beleid
systemen in interferentiegebieden zijn opgenomen in de Verordening Interferentiegebieden Bodemenergiesystemen gemeente Utrecht 2018.8 Ook is er een Verordening kabels, leidingen en boomwortels (2022)9 waarin regels zijn opgenomen voor netbeheerders. Deze Beleidsnota Ondergrond bevat het overkoepel ende beleid voor de wijze waarop wij met de ondergrond omgaan (kwaliteit en gebruik van de ondergrond). Specifieke thema’s zijn of worden uitgewerkt in (uitvoerings)programma’s, zoals het gebiedsgericht grondwaterbeheer, en in aanvullende regels in het Omgevingsplan. Zie figuur hiernaast. Voor meer details over beleidsterreinen en de relatie met de ondergrond zie hoofdstuk B1.
Uitvoeringsprogramma
Tijdshorizon
Decentrale regels
Omgevingsplan
(On)verplicht programma
Omgevingsvisie Utrecht
Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 Utrecht dichtbij: de tien-minutenstad (2021)
Gebiedsgericht grondwaterbeheer
Gebiedsgerichte uitvoeringsprogramma’s
Nota Bodembeheer 2017-2027 Andere thematische uitvoeringsprogramma’s
Verordening ondergrond: kabels, leidingen en boomwortels Andere verordeningen en nadere regels Aanvullende regels t.a.v. kwaliteit en ruimtegebuik ondergrond
Beleidsnota Ondergrond in relatie tot ander beleid
De tijdshorizon voor de Beleidsnota Ondergrond is 10 jaar. De processen in de ondergrond zijn traag en betreffen langdurige natuurlijke cycli. Ook het realiseren van infrastructurele projecten kost veel tijd. Eenmaal in de ondergrond heeft de ondergrondse infrastructuur een lange tot zeer lange levensduur. Zo kunnen ondergrondse bouwwerken gemakkelijk 100 jaar of langer in de bodem blijven zitten voordat zij vervangen of verwijderd worden. Het integrale beleid op de ondergrond is nieuw. Het is duidelijk dat de komende jaren ook landelijk en internationaal kennis ontwikkeld wordt over de ondergrond en menselijke ingrepen. Daarom wordt de Beleidsnota Ondergrond tussentijds geëvalu eerd en indien gewenst herijkt op basis van de dan aanwezige inzichten (zie hoofdstuk C1).
Beleidsnota Ondergrond 2025-2035 april 2025 | 7
A2 Doelstellingen Waarden van de ondergrond Het beleid voor de ondergrond ontwikkelen we vanuit het belang en betekenis van de ondergrond voor ons als stad, in verleden, heden en toekomst. Dit noemen we waarden: • • •
De ondergrond is de basis voor het ontstaan en de identiteit van de stad De ondergrond is de basis voor een gezonde stad De ondergrond is de basis voor het functioneren van de stad
Deze waarden geven richting aan de ambities voor de ondergrond, die in deze beleidsnota zijn uitgewerkt in beleidsdoelstellingen.
Werven en bomen aan de Nieuwegracht, een uitdagende ondergrondse combinatie (2020) Beleidsnota Ondergrond 2025-2035 april 2025 | 8
Fundamenten van Kasteel Vredenburg in parkeergarage
Bodemleven
Rioolvervanging
A. De ondergrond is de basis voor het ontstaan en de identiteit van de stad
B. De ondergrond is de basis voor een gezonde stad
C. De ondergrond is de basis voor het functioneren van de stad
Van oudsher hebben mensen strategische plekken gekozen om zich te vestigen. In Utrecht is dat niet anders. De ondergrond als onderdeel van het natuurlijk systeem heeft de bewoningsgeschiedenis en de vorm van onze stad bepaald. De ondergrond heeft de basis gelegd voor ontwikkeling, structuren en identiteit van onze stad, al zijn we ons daar niet altijd bewust van. Zo is de Rijn van grote invloed geweest op de eerste vestigingsplaatsen van de mens in onze stad. Men ging wonen op de hoge, droge stroomruggen in het landschap. De oudste sporen hiervan - in de dekzanden van het Maximapark - dateren van maar liefst 13.000 jaar geleden. De ondergrond is ons archeologisch bodemarchief, onze spiegel van het verleden.
Een gezond en goed functionerend bodem- en watersysteem maakt ‘leven’ mogelijk. Zo bevat de ondergrond mineralen en een voorraad grondwater die essentieel is voor de groei van planten, dieren en mensen, en voor een gezonde stad. De bodem zit vol leven en huisvest organismen zoals bacteriën, schimmels, algen, regenwormen en aaltjes. Bomen en planten wortelen in de bodem en leven in symbiose met het bodemleven. Zo kan het groen zich gezond en robuust ontwikkelen, en zorgen voor schaduw, verkoeling en een aangename, gezonde verblijfsomgeving voor de Utrechters. De ondergrond helpt ons ook om door ons als mens veroorzaakte vervuiling op te ruimen. In de vorm van organische stof wordt koolstof vastgelegd en kunnen verontreinigingen worden gefilterd en afgebroken.
De ondergrond wordt volop door de stad gebruikt. De bodem geeft ruimte aan en draagt de fundering van gebouwen en wegen waarover we rijden. De bodem biedt ruimte aan werfkelders, tunnels, parkeergarages en kabels en leidingen voor nutsvoorzieningen. Via de riolering voeren we ons vuilwater af en in de bodem wordt warmte en koude opgeslagen voor duurzame warmtevoorziening. De natuurlijke eigenschappen maken de stad veiliger (zo helpen ze klimaatproblemen oplossen door waterinfiltratie) en leefbaarder (zonder een gezonde bodem geen robuust groen). In de (diepere) onder grond vinden we grondstoffen, zoals een belangrijke voorraad grondwater, dat als drinkwater gebruikt kan worden, en geothermische energie. De ruimte en grondstoffen in de ondergrond zijn vitaal voor het functioneren van de stad en duurzame doorontwikkeling in de toekomst.
Beleidsnota Ondergrond 2025-2035 april 2025 | 9
Ambities en doelstellingen De waarden hebben we vertaald in drie ambities en uitgewerkt in 10 doelstellingen.
Ambitie 1 De ondergrond is integraal onderdeel van ruimtelijke keuzes
1 3
Ambitie 3 Gebruik van de ondergrondse ruimte ordenen voor het gezamenlijk realiseren van de opgaven van de stad
2
Ambitie 2 Bodemkwaliteiten beschermen en verbeteren
Zicht op de bodem bij herinrichting van het Brederoplein (2024) Beleidsnota Ondergrond 2025-2035 april 2025 | 10
Ambitie 1: De ondergrond is integraal onderdeel van ruimtelijke keuzes 1.1 Doelmatig gebruik van de ondergrondse ruimte is onderdeel van de afweging bij het ontwikkelen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. 1.2 Inzicht in beschikbare ruimte, kwaliteiten, mogelijkheden en kwetsbaarheden van de ondergrond is de basis voor plan- en uitvoeringsprocessen (waaronder UPG).
Ambitie 2: Bodemkwaliteiten beschermen en verbeteren
• 2.1 De natuurlijke eigenschappen van de bodem en ondergrond zo veel mogelijk in stand houden en waar nodig verbeteren. 2.2 De (beoogde) inrichting, eigenschappen en waarden van de bodem en ondergrond op elkaar afstemmen. 2.3 Ondiepe ondergrond: in vitale bodem in de hoofdgroenstructuur ingrepen/graven in de ondergrond tot een minimum beperken en de bodemkwaliteit waar mogelijk verbeteren. 2.4 Diepere ondergrond: prioriteit geven aan de bescherming van de grondwaterkwaliteit boven andere functies als deze functies de grondwaterkwaliteit onevenredig aantasten.
Ambitie 3: Gebruik van de ondergrondse ruimte ordenen voor het gezamenlijk realiseren van de opgaven van de stad 3.1 De huidige en toekomstige tracés of locaties van de ondergrondse hoofdinfrastructuur hebben prioriteit ten opzichte van andere opgaven. 3.2 Natuurlijke momenten aangrijpen om de ondergrond te (her)ordenen. 3.3 In de knooppunten van intensieve verstedelijking de voorkeur geven aan inpandige oplossingen en (verticale) ordening/ bundeling van netwerken en objecten. 3.4 Infrastructurele netwerken inrichten volgens voorkeursprofielen (ondergrond en bovengrond).