Agendabundel
Tekst van het document
Daarnaast wordt door de omvorming naar een openbaar lichaam een duidelijke rolscheiding tussen de bestuurlijke opdrachtgever en de eigenaarsrol beter geborgd. Eerdere besluitvorming en informatievoorziening aan de raad De gemeenteraad is door middel van de raadsbrief op 11 november 2025 geïnformeerd over het voornemen van het Bestuur om de omzetting in gang te zetten.
2
Beslispunten, Argumenten en Kanttekeningen/Risico’s Beslispunt 1
De bijgevoegde zienswijzebrief vast te stellen op de wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2027, waarin aandacht wordt gevraagd voor bestuurlijke nabijheid, een heldere rolverdeling en aanspreekbaarheid binnen de governance, de stemverhouding die in de praktijk recht moet blijven doen aan de financiële bijdrage, de bestuurlijke verantwoordelijkheid en het bestuurlijk gewicht van de gemeente Utrecht.
Argumenten 1.1
De omzetting naar een openbaar lichaam is gewenst om structurele en effectieve bestuurlijke sturing mogelijk te maken De rechtsvorm van een openbaar lichaam hoeft niet per definitie de beste rechtsvorm voor een belastingsamenwerking te zijn. Binnen de context van de BghU is deze rechtsvorm echter wel passend. Binnen de BghU is meerdere jaren gewerkt met tijdelijke stuurgroepen, bestuurscommissies en andere hulpstructuren om effectieve bestuurlijke sturing te organiseren. Het formaliseren hiervan is wenselijk en kan op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) alleen via de bestuursvorm van een openbaar lichaam. Deze bestuursvorm zorgt daarnaast voor meer structurele bestuurlijke nabijheid met een Dagelijks Bestuur dat minimaal vier keer per jaar vergadert en een Algemeen Bestuur dat minimaal twee keer per jaar bijeenkomt. Dit voorkomt complexe besluitvorming bij bijsturing, houdt de bestuurlijke belasting beheersbaar en zorgt voor structurele versterking van de governance. Tevens wordt hiermee een duidelijke rolscheiding gerealiseerd tussen de bestuurlijke opdrachtgeversrol en de eigenaarsrol, die bij een bedrijfsvoeringsorganisatie in één bestuurder per deelnemer samenkomen. Tot slot zou een openbaar lichaam zwaardere bevoegdheden kunnen krijgen waarmee het openbaar lichaam ook kaders en beleid zou kunnen vaststellen.
1.2
De voorgestelde governance doet recht aan het gewicht en de rol van de grootste deelnemers en borgt brede deelname Het wijzigingsbesluit van de Gemeenschappelijke Regeling BghU stelt voor de AB-leden namens gemeente Utrecht en namens het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) als vaste leden van het Dagelijks Bestuur aan te wijzen, passend bij het grote belang voor deze deelnemers en hun bijdrage aan de BghU. Utrecht levert veruit de grootste financiële bijdrage, terwijl HDSR voor zijn inkomsten volledig afhankelijk is van de door BghU gerealiseerde belastingopbrengsten. Met de voorgestelde stemverhoudingen kunnen Utrecht en HDSR samen met telkens één andere deelnemer zitting nemen in het Dagelijks Bestuur, waardoor ook andere deelnemers kunnen deelnemen aan het Dagelijks Bestuur.
1.3
De aangepaste stemverhoudingen zijn noodzakelijk om een Dagelijks Bestuur conform de Wgr te kunnen vormen De stemverhoudingen in de Gemeenschappelijke Regeling BghU worden aangepast om de vorming van een Dagelijks Bestuur mogelijk te maken dat voldoet aan de eisen van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaronder dat het Dagelijks Bestuur geen meerderheid mag hebben in het Algemeen Bestuur en uit minimaal drie leden bestaat. De voorgestelde herverdeling van stemmen sluit aan bij de financiële bijdragen van de deelnemers en borgt een evenwichtige vertegenwoordiging. Hiermee wordt mogelijk dat Utrecht en HDSR samen met ten minste één andere deelnemer het Dagelijks Bestuur vormen.
1.4
De afname van het stemgewicht van Utrecht leidt niet tot verlies aan feitelijke invloed 3
Hoewel het relatieve stemgewicht van Utrecht in het Algemeen Bestuur afneemt (van 47% naar 24% van de stemmen), blijft de feitelijke invloed van de gemeente geborgd door haar vaste positie in het Dagelijks Bestuur, waar de dagelijkse aansturing en besluitvoorbereiding plaatsvinden. Daarnaast behoudt Utrecht als grootste financiële bijdrager en opdrachtgever een zwaarwegende rol bij kaderstelling, begroting en strategische keuzes. Besluitvorming binnen de BghU vindt bovendien grotendeels plaats op basis van bestuurlijke afstemming en consensus, waardoor de positie van Utrecht ook buiten formele stemmingen substantieel blijft. Hieronder de voorgestelde stemverhouding: Deelnemer
Huidige staffel
Voorstel
Utrecht
93
10
> 5.000K
47%
24%
HDSR
34
6
2.000K tot 5.000K
17%
15%
Zeist
16
4
1.000K tot 2.000K
8%
10%
Stichtse Vecht
13
4
1.000K tot 2.000K
7%
10%
Nieuwegein
12
4
1.000K tot 2.000K
6%
10%
De Bilt
10
3
500K tot 1.000K
5%
7%
Utrechtse Heuvelrug
9
3
500K tot 1.000K
5%
7%
Houten
8
3
500K tot 1.000K
4%
7%
Bunnik
3
2
200K tot 500K
2%
5%
Lopik
2
2
200K tot 500K
1%
5%
200
41
100%
100%
TOTAAL
1.5
Bijdrage
Verschil
De voorgestelde wijziging wordt ondersteund door de organisatie van de BghU De organisatie van de BghU ondersteunt de ontwikkeling naar meer bestuurlijke nabijheid en een heldere verdeling van rollen, taken en verantwoordelijkheden. Dit draagt bij aan een goede en betrouwbare uitvoering van de belastingtaken.
Financiën Dit voorstel heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. De omzetting van een bedrijfsvoeringsorganisatie naar een openbaar lichaam leidt niet tot een stijging van de bijdragen van de deelnemers. De hiermee samenhangende kosten worden volledig opgevangen binnen de bestaande begroting van de BghU. Ook de ondersteuning van het Dagelijks Bestuur kan binnen de bestaande formatie en middelen worden georganiseerd. Het instellen van een Dagelijks Bestuur leidt daarmee niet tot structurele extra kosten voor de deelnemers.
Vervolg Het college neemt na het besluit van de raad over het indienen van zienswijzen een definitief standpunt in over het wijzigingsbesluit van de Gemeenschappelijke Regeling BghU. Op basis van de standpunten en zienswijzen van de deelnemende partijen wordt door het bestuur van de BghU een definitief wijzigingsbesluit opgesteld en voor besluitvorming voorgelegd aan de deelnemende partijen. Naar verwachting wordt de GR BghU per 1 januari 2027 gewijzigd.
Samen stad maken (voorheen: Participatie) ‘Gemeente aan zet’ is van toepassing, er is niet samengewerkt met Utrechters voor dit voorstel.
Communicatie Het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling BghU wordt door het college geïnformeerd over de besluitvorming.
(Niet)Referendabel Dit raadsbesluit is niet referendabel op grond van de Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht, omdat het een raadsbesluit betreft over stukken van een Gemeenschappelijke Regeling (artikel 1:2, tweede lid onder i van de Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht). 4
Bijlagen Bijlagen besluitvorming Zienswijzebrief Wijzigingsbesluit GR BghU Bijlagen Informatief Aanbiedingsbrief Zienswijzen Ontwerpbesluit GR BghU 2027 Ontwerp GR BghU 2027 wijzigingen zichtbaar
5
Gemeenteraad Postadres Postbus 16200, 3500 CE Utrecht Telefoon 14 030 www.utrecht.nl/gemeenteraad
VERSIE VOOR BESLUITVORMING College Burgemeester en Wethouders Gemeente Utrecht
Behandeld door E-mail Bijlage(n) Uw kenmerk Uw brief van
J. Grooteman Lokaleheffingen@Utrecht.nl N.v.t. 15 december 2025
Datum Ons kenmerk Onderwerp
Volgt 34033354 Zienswijze op Wijzigingsbesluit gemeenschappelijke regeling BghU
Verzonden Bij antwoord datum, kenmerk en onderwerp vermelden
Geacht college, Wij dienen door middel van deze brief onze zienswijze in op het wijzigingsbesluit Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2027 van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (BghU). Wij hebben kennisgenomen van deze gewijzigde regeling en hebben besloten een positieve zienswijze af te geven. Daarbij vragen wij uw aandacht voor de onderstaande aandachtspunten die voor Utrecht richtinggevend zijn voor de verdere inrichting en werking van de governance. Bestuurlijke nabijheid realiseren Wij kunnen instemmen met de omvorming naar een openbaar lichaam, mits deze daadwerkelijk leidt tot snellere en effectievere bestuurlijke sturing, tijdige bijsturing bij knelpunten in dienstverlening, kosten of uitvoering en een transparantere besluitvorming. Daarbij zien wij ook graag dat dit niet gaat leiden tot een hogere bijdrage voor Utrecht. Wij willen benadrukken dat de nieuwe bestuursstructuur aantoonbaar moet bijdragen aan het beter functioneren van de organisatie door het opheffen van en niet meer inzetten van bestuurlijke hulpstructuren op enigerlei wijze. Heldere rolverdeling en aanspreekbaarheid Wij kunnen instemmen met het voorstel om de gemeente Utrecht en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden aan te wijzen als vaste leden van het Dagelijks Bestuur.
Gezien hun positie, bijdrage en verantwoordelijkheid binnen de BghU achten wij dit verdedigbaar. Daarbij hechten wij eraan dat het Dagelijks Bestuur functioneert binnen duidelijke kaders en dat het Algemeen Bestuur zijn kaderstellende en controlerende rol daadwerkelijk kan blijven vervullen. Stemverhoudingen: invloed moet in verhouding blijven tot verantwoordelijkheid Wij kunnen instemmen met de voorgestelde aanpassing van de stemverhoudingen in het Algemeen Bestuur, voor zover deze noodzakelijk is om te voldoen aan de wettelijke eisen rond de samenstelling van het Dagelijks Bestuur. Daarbij willen wij benadrukken dat de afname van het relatieve stemgewicht van de gemeente Utrecht niet mag leiden tot een verlies aan daadwerkelijke invloed of bestuurlijk gewicht binnen de BghU.
Gemeenteraad Datum Ons kenmerk
27 november 2025 Volgt
De nieuwe governance en stemverdeling dienen in de praktijk recht te blijven doen aan de omvang van de financiële bijdrage, de bestuurlijke verantwoordelijkheid en het belang van Utrecht bij een stabiele en hoogwaardige uitvoering van de belastingtaken. Wij gaan ervan uit dat deze balans in de werking van de bestuursstructuur herkenbaar blijft en zullen de werking hiervan in de praktijk kritisch blijven volgen.
Hoogachtend, Gemeenteraad van Utrecht,
de griffier, Miguel Israel
de voorzitter, Sharon A.M. Dijksma
2/2
15 december 2025
Aan: de colleges van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Houten, Lopik, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Zeist en het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Betreft: verzoek om zienswijze op ontwerp gemeenschappelijke regeling BghU
Geacht college, Al geruime tijd leeft er binnen het bestuur van BghU de bestuurlijke wens om de governance van de BghU te wijzigen. Het bestuur van BghU biedt u hierbij de ontwerp gemeenschappelijke regeling BghU aan en verzoekt u deze voor zienswijzen voor te leggen aan uw gemeenteraad of algemeen bestuur. Op grond van artikel 1 en artikel 61 Wet gemeenschappelijke regelingen hebben vertegenwoordigende organen acht weken de tijd om een zienswijze in te dienen. Wij verzoeken u daarom om de (eventuele) zienswijze uiterlijk op 4 maart 2026 aan ons toe te zenden. Indien uw vertegenwoordigend orgaan geen zienswijze wenst in te dienen, verzoeken wij u dit eveneens aan ons kenbaar te maken. Het bestuur van BghU heeft een aantal redenen waarom het wijzigingen van de rechtsvorm van BghU van een bedrijfsvoeringsorganisatie naar een openbaar lichaam wenselijk is: 1.
Er is al langere tijd een behoefte tot meer bestuurlijke nabijheid bij BghU. Met het omvormen naar een openbaar lichaam komt het Dagelijks Bestuur dichter bij de organisatie. Deze nabijheid borgt tevens dat BghU feitelijk functioneert in lijn met de bestuurlijke wensen.
2.
Al meerdere jaren wordt binnen het bestuur van BghU gewerkt met Stuurgroepen, Bestuurscommissies en andere hulpstructuren. Deze hulpstructuren hebben geholpen bij de verschillende uitdagingen die de BghU heeft gekend. Met de wijziging van de gemeenschappelijke regeling wordt helderheid gecreëerd en zijn deze hulpstructuren niet meer nodig.
3.
Tot slot leeft al langere tijd een bestuurlijke en organisatorische wens om verduidelijking van de rollen te creëren, verduidelijking van onder meer bestuurlijk opdrachtgever, eigenaar en bestuurlijk opdrachtnemer.
Na ontvangst van de zienswijzen worden deze gebundeld en voorgelegd aan het bestuur van BghU. Het bestuur bespreekt vervolgens de zienswijzen en beoordeelt of deze aanleiding geven tot aanpassingen in de ontwerp-GR. Vervolgens stelt het bestuur de (eventueel herziene) GR vast. Daarna wordt deze gemeenschappelijke regeling toegestuurd aan de colleges, met het verzoek in te stemmen na verkregen toestemming van de gemeenteraad of algemeen bestuur van het waterschap. De voorzitter,
De secretaris,
J.C.H. Haan
M. Vrisou van Eck
Bijlagen
1. de ontwerp-GR BghU 2027; 2. de ontwerp-GR BghU met wijzigingen zichtbaar; 3. tabel wijzigingen GR BghU 2020-2027
Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2027 Intitulé Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2027 De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bunnik, De Bilt, Houten, Lopik, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug en Zeist en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Overwegende dat: de samenwerking voor alle deelnemers bijdraagt aan de kwaliteit van het innen van belastingen en deze kwaliteit ook voor inwoners en bedrijven herkenbaar gaat zijn; door de veranderende omgeving van belastingen een grotere bestuurlijke nabijheid en duidelijker rolen taakverdeling tussen bestuurlijk opdrachtgever en opdrachtnemer gewenst is dan mogelijk is in een bedrijfsvoeringsorganisatie; heldere rol- en taakverdeling bijdraagt aan borging van de verbeterpunten uit evaluaties en onderzoeken; met de gewenste omvorming van de bedrijfsvoeringsorganisatie tot openbaar lichaam het noodzakelijk is om de gemeenschappelijke regeling 2020 aan te passen; het uit overwegingen van kwaliteit, continuïteit en efficiency gewenst is om hun samenwerking bij de beleidsvoorbereiding, heffing en invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen, alsmede bij de uitvoering van de Wet waardering onroerende
zaken en het beheer en de uitvoering van vastgoedinformatie vorm te geven op basis van een gemeenschappelijke regeling; de colleges van burgemeester en wethouders en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van hun raden onderscheidenlijk hun algemeen bestuur van HDSR daartoe de vereiste toestemming hebben verkregen; Gelet op hoofdstuk V van de Wet gemeenschappelijke regelingen; artikel 232, vierde lid, van de Gemeentewet; artikel 124, vijfde lid, van de Waterschapswet; artikel 30, achtste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, en titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht Besluiten Tot het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2020, zodat deze als volgt komt te luiden:
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1: Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. b.
c.
d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n.
o.
p. q. r. s. t. u. v. w.
Algemeen Bestuur: het Algemeen Bestuur van de BghU; ambtenaar van het samenwerkingsverband: de door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder c, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder c, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing of invordering van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; belastingdeurwaarder: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder d, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder d, van de Waterschapswet, dan wel als een belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet; belastingen: de gemeentebelastingen en de waterschapbelastingen; belastingverordening: de verordeningen van de deelnemers tot heffing en invordering van belasting als bedoeld in artikel 216 van de Gemeentewet en artikel 110 van de Waterschapswet; BghU: het openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht; colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten, alsmede het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; Dagelijks Bestuur: het Dagelijks Bestuur van de BghU; deelnemende gemeenten: de gemeenten Bunnik,
De Bilt, Houten, Lopik, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug en Zeist; deelnemers: de rechtspersonen waartoe de colleges behoren, als bedoeld in artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; directeur: de door het Dagelijks Bestuur van het samenwerkingsverband benoemde secretaris, die tevens de bestuurder in de zin van Wet op de ondernemingsraden is; gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van Utrecht; gemeentelijke belastingen: de belastingen die de gemeente heft en waarvan de heffing en invordering op grond van artikel 30 of 31 is overgedragen aan het samenwerkingsverband; heffingsambtenaar: de door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder a, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder a, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken; invorderingsambtenaar: de door het Dagelijks Bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder b, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder b, van de Waterschapswet, bevoegd tot invordering van belastingen; kwijtscheldingsregels: de door de vertegenwoordigende organen van de deelnemers vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, derde en vierde lid, van de
Gemeentewet respectievelijk artikel 144, derde en vierde lid, van de Waterschapswet; nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordening; regeling: de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht 2027; samenwerkingsverband: het openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht; vertegenwoordigende organen: de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; Voorzitter: de Voorzitter van het bestuur van het openbaar lichaam, tevens Voorzitter van het Algemeen en Dagelijks Bestuur; waterschapsbelastingen: de belastingen die het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heft als bedoeld in artikel 113 van de Waterschapswet; Wgr: Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 2: Belang In het kader van deze regeling worden de belangen van de deelnemers behartigd, elk voor zover het hun grondgebied en hun belangen betreft, op het gebied van: a. b. c.
de heffing en invordering van belastingen; de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, waaronder tevens wordt begrepen de administratie van vastgoedgegevens op basis van die wet en het verstrekken van vastgoedgegevens aan de deelnemers en derden, en basisadministraties en basisregistraties.
Artikel 3: Taken 1.
2.
3.
Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden draagt aan het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsverband de bevoegdheid tot heffing en invordering van alle door het algemeen bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden ingestelde waterschapsbelastingen over, voor zover deze waterschapsbelastingen later niet zijn opgeheven. De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het Algemeen Bestuur van samenwerkingsverband over de bevoegdheid tot heffing en invordering van de volgende gemeentelijke belastingen, voor zover de betreffende belasting door de raad van die gemeente is ingesteld en niet later weer is opgeheven: a. de onroerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet; b. de forensenbelasting, bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet; c. de toeristenbelasting, bedoeld in artikel 224 van de Gemeentewet; d. de hondenbelasting, bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet; e. de precariobelasting, bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet; f. de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet; g. reinigingsrechten geheven krachtens artikel 229, eerste lid onder a en b, van de Gemeentewet; h. de vermakelijkhedenretributie, bedoeld in artikel 229, eerste lid onder c, van de Gemeentewet; i.
de BIZ-bijdrage, bedoeld in artikel 1 van de Experimentenwet BI-zones, of bedoeld in artikel 1 van de Wet op de bedrijveninvesteringszones; j. de afvalstoffenheffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer en k. de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten, bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het samenwerkingsverband over de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4: Additionele overdracht 1. 2. 3.
Het college van een deelnemende gemeente kan de bevoegdheid tot heffing en invordering van andere gemeentelijke belastingen dan bedoeld in artikel 3 overdragen aan het samenwerkingsverband. Het college van een deelnemende gemeente kan taken en bevoegdheden in het kader van basisadministraties of basisregistraties overdragen aan het samenwerkingsverband. Het Dagelijks Bestuur neemt hetgeen dat op grond van de vorige leden is overgedragen, op in een register bij de gemeenschappelijke regeling en zendt deze ter kennisname aan de colleges en aan gedeputeerde staten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 5: Het openbaar lichaam 1. 2. 3.
Er is een openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht. Hierna te noemen BghU. Het samenwerkingsverband is gevestigd te Utrecht. Het gebied waarvoor deze regeling geldt omvat het grondgebied van de deelnemers.
Artikel 6: Bestuur Het bestuur van de BghU bestaat uit: a. het Algemeen Bestuur; b. het Dagelijks Bestuur; c. de Voorzitter.
Hoofdstuk 2: Inrichting en samenstelling van het bestuur Afdeling 1: Het Algemeen Bestuur Artikel 7: Samenstelling 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
Aan het hoofd van de BghU staat het Algemeen Bestuur, bestaande uit tien leden. Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap wijst uit zijn midden één lid voor het Algemeen Bestuur aan. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten wijzen ieder uit hun midden één lid voor het Algemeen Bestuur aan. De colleges wijzen ieder uit hun midden een plaatsvervanger aan die een lid bij verhindering vervangt. De leden van het Algemeen Bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van de colleges van de deelnemers. Indien tussentijds binnen het Algemeen Bestuur een plaats vacant of beschikbaar komt, wijst het college van de deelnemer die het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering, of, als dit niet mogelijk is, ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan. Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het Algemeen Bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden. Een lid van het Algemeen Bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan de deelnemer die het aangaat. De betreffende deelnemer doet mededeling van het ontslag aan het Algemeen Bestuur. Een lid van het Algemeen Bestuur dat de hoedanigheid als lid van het college verliest, houdt ook op lid te zijn van het Algemeen Bestuur.
Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar aangesteld bij de BghU. Met ambtenaar als bedoeld in het negende lid worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld zij die in dienst van de BghU werkzaam zijn op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, dan wel een overeenkomst van opdracht bij de BghU hebben.
Artikel 8: Stemverhouding en besluiten Algemeen Bestuur 1.
2. 3. 4.
Het Algemeen Bestuur vergadert en besluit slechts indien meer dan de helft van het aantal leden van het Algemeen Bestuur aanwezig is. Indien ingevolge de vorige zin de vergadering niet kan worden geopend, belegt de Voorzitter opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van een oproeping is gelegen. Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen, tenzij in deze regeling anders is bepaald. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Het aantal stemmen dat een lid in de vergadering kan uitbrengen, wordt bepaald door de bijdrage van de deelnemer. De bijdrage van een deelnemer wordt bepaald aan de hand van de in de begroting voor het betreffende jaar opgenomen bijdragen. Hierbij geldt de volgende stemverdeling: a. Een deelnemer met een bijdrage tot en met € 200.000 heeft 1 stem; b. Een deelnemer met een bijdrage van € 200.001 tot en met € 500.000 heeft 2 stemmen; c. Een deelnemer met een bijdrage van € 500.001 tot en met € 1.000.000 heeft 3 stemmen; d. Een deelnemer met een bijdrage van € 1.000.001 tot en met € 2.000.000 heeft 4 stemmen; e. Een deelnemer met een bijdrage van € 2.000.001 tot en met € 5.000.000 heeft 6 stemmen; f. Een deelnemer met een bijdrage van meer dan € 5.000.001 heeft 10 stemmen;
Artikel 9: Vergaderingen van het Algemeen Bestuur 1. 2. 3.
Het Algemeen Bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak als de Voorzitter of het Dagelijks Bestuur dit nodig acht of tenminste twee leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk aan de Voorzitter verzoeken. Het Algemeen Bestuur vergadert binnen twee weken na een conform het eerste lid ingediend verzoek. De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn in beginsel openbaar. De deuren worden gesloten wanneer twee van de aanwezige leden daarom verzoeken of de Voorzitter het nodig acht. Het Algemeen Bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd.
4.
5. 6.
In een besloten vergadering van het Algemeen Bestuur worden geen besluiten genomen over: a. de begroting, begrotingswijzigingen; b. de jaarstukken; c. invoeren, wijzigen of afschaffen retributies of andere heffingen; d. vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen; e. benoeming en ontslag van leden van het Dagelijks Bestuur en bestuursorganen binnen de regeling; f. het wijzigen, opheffen van deze regeling en de vaststelling van het liquidatieplan; g. oprichten, wijzigingen, verlengen of opheffen van en de deelneming in gemeenschappelijke regelingen, stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties; h. toetreden tot en uittreden uit de regeling. Met betrekking tot het opleggen van geheimhouding is artikel 23 jo. artikel 62 van de Wgr van overeenkomstige toepassing. Ingezetenen van de gemeenten respectievelijk het waterschap en andere belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de vertegenwoordigende organen betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
Artikel 10: Reglement van orde Het Algemeen Bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van de deelnemers. Artikel 11: Bevoegdheden Algemeen Bestuur 1. Aan het Algemeen Bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen of overgedragen. Het Algemeen Bestuur kan bevoegdheden aan het Dagelijks Bestuur mandateren, tenzij de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet. 2. Het Algemeen Bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Een besluit tot oprichting of deelname wordt niet genomen dan nadat de vertegenwoordigende organen een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen kenbaar te maken aan het Algemeen Bestuur. 3. Het Algemeen Bestuur kan commissies van advies (als bedoeld in artikel 24 Wgr) en commissies ter behartiging van bepaalde belangen (als bedoeld in artikel 25 Wgr) instellen. Het Algemeen Bestuur bepaalt daarbij welke bevoegdheden aan de commissies worden toegekend en op welke wijze deze worden samengesteld. 4.
De volgende bevoegdheden van het Algemeen Bestuur zijn niet op- of overdraagbaar: a. het aanwijzen van de Voorzitter, plaatsvervangend Voorzitter en leden van het Dagelijks Bestuur; b. het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen en de jaarstukken; c. het vaststellen van een reglement van orde; d. het vaststellen van verdeelsleutels en Bijdrageregeling, de Financiële verordening en de Controle verordening; e. het vaststellen van de verordening voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht; f. het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24, 24a en 25 van de Wgr. 5. Er zijn geen besluiten van het Algemeen Bestuur, waarvoor aan de raden vooraf een zienswijze dient te worden gevraagd, zoals bedoeld in artikel 10, vijfde en zesde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 12: Ontslag Het college van de deelnemer kan het door hem in het Algemeen Bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit.
Afdeling 2: Dagelijks Bestuur Artikel 13: Samenstelling 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Het Dagelijks Bestuur bestaat uit maximaal vier leden, waarbij het Dagelijks Bestuur niet meer dan de helft van de stemmen in het Algemeen Bestuur mag vertegenwoordigen. De Voorzitter en de overige leden van het Dagelijks Bestuur worden door en uit het midden van het Algemeen Bestuur gekozen. Als leden van het Dagelijks Bestuur worden in ieder geval aangewezen de leden van het Algemeen Bestuur namens HDSR en de gemeente Utrecht. Het lidmaatschap van een lid van het Dagelijks Bestuur eindigt, zodra men ophoudt lid te zijn van het Algemeen Bestuur. Een lid van het Dagelijks Bestuur, waaronder de Voorzitter, kan door het Algemeen Bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het Algemeen Bestuur niet meer bezit. Een lid van het Dagelijks Bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet hiervan mededeling aan het Algemeen Bestuur. Een lid dat ontslag heeft genomen blijft zijn functie waarnemen totdat in zijn opvolging is voorzien. Indien tussentijds een plaats in het Dagelijks Bestuur beschikbaar komt, kiest het Algemeen Bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid van het Dagelijks Bestuur. Gaat het openvallen van een plaats in het Dagelijks Bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het Algemeen Bestuur, dan wordt het kiezen van een nieuw lid van het Dagelijks Bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het Algemeen Bestuur is bezet.
Artikel 14: Vergaderingen van het Dagelijks Bestuur 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Het Dagelijks Bestuur vergadert tenminste viermaal per jaar en voorts zo dikwijls als de Voorzitter dit nodig acht of een lid van het Dagelijks Bestuur daarom verzoekt. In de vergaderingen van het Dagelijks Bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten indien tenminste twee leden aanwezig zijn. Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, belegt de Voorzitter een nieuwe vergadering. De leden van het Dagelijks Bestuur hebben ieder één stem. Besluiten worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Indien de stemmen staken wordt het besluitpunt in een volgende vergadering opnieuw in stemming gebracht. Staken ook dan de stemmen, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. De vergaderingen van het Dagelijks Bestuur zijn niet openbaar, voor zover het Dagelijks Bestuur niet anders heeft bepaald. Het Dagelijks Bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergadering vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van het Algemeen Bestuur.
Artikel 15: Algemene taken van het Dagelijks Bestuur 1. 2. 3.
Het Dagelijks Bestuur is belast met het dagelijkse bestuur van de BghU, tenzij de Voorzitter bij of krachtens de Wgr of krachtens deze gemeenschappelijke regeling daarmee is belast. Het Dagelijks Bestuur is belast met de voorbereiding van al hetgeen in de vergadering van het Algemeen Bestuur ter overweging en besluitvorming moet worden gebracht. Het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van de besluiten van het Algemeen Bestuur, tenzij de Voorzitter daarmee krachtens deze gemeenschappelijke regeling is belast.
Artikel 16: Specifieke taken van het Dagelijks Bestuur Het Dagelijks Bestuur is in ieder geval belast met: a. de organisatorische inrichting en de bedrijfsvoering van de BghU en de personele aangelegenheden; b. het beheer van de inkomsten, uitgaven en het vermogen van de BghU; c. de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en boekhouding; d. het houden van toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van de BghU en de belastingdeurwaarder; e. de behartiging van de belangen van de BghU bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de BghU van belang is; f. het beheer van een register met de belastingverordeningen en de kwijtscheldingsregels die de BghU voor de deelnemers uitvoert.
Artikel 17: Bevoegdheden van het Dagelijks Bestuur Het Dagelijks Bestuur is in ieder geval bevoegd tot: a. het nemen van conservatoire maatregelen; b. het voeren van rechtsgedingen en het instellen van beroep; c. benoeming, schorsing en ontslag van de directeur en het personeel van de BghU; d. het regelen van de rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden van de directeur en het personeel van de BghU; e. uitoefening van de bevoegdheden en de verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) zijn toegekend aan de Minister van Financiën het bestuur van ’s-Rijksbelastingdienst en de directeur respectievelijk het Dagelijks Bestuur of het college van burgemeester en wethouders van de deelnemers; f. de aanwijzing van een of meer ambtenaren van BghU als heffingsambtenaar en als invorderingsambtenaar; g. de aanwijzing van een of meer ambtenaren van BghU of een gerechtsdeurwaarder als belastingdeurwaarder; h. het aanwijzen van een of meer ambtenaren van BghU als ambtenaar als bedoeld in artikel 1, sub b, van deze regeling; i.
het vaststellen van instructies en beleidsregels voor de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van BghU en de belastingdeurwaarder voor de uitoefening van hun bevoegdheden; j. het stellen van beleidsregels en nadere regels met betrekking tot de heffing en de invordering van de belastingen; k. het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belastingen; l. het besluiten tot het aanbesteden van leveringen en diensten; m. het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van BghU, waaronder mede begrepen het sluiten van dienstverleningsovereenkomsten; n. het doen van aangifte van strafbare feiten, waarvan het kennis heeft genomen.
Afdeling 3: Voorzitter Artikel 18: Aanwijzing Voorzitter 1. 2. 3.
Het Algemeen Bestuur wijst uit zijn midden de Voorzitter aan. Uit de leden van het Dagelijks Bestuur wordt een plaatsvervangend Voorzitter aangewezen door het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur kan de Voorzitter of de plaatsvervangend Voorzitter ontslaan.
Artikel 19: Taken en bevoegdheden Voorzitter 1. 2. 3. 4. 5.
De Voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur van BghU. De Voorzitter tekent de stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan. De Voorzitter vertegenwoordigt BghU in en buiten rechte. De Voorzitter kan deze vertegenwoordiging met instemming van het Dagelijks Bestuur aan een door deze aan te wijzen gemachtigde opdragen. Indien de Voorzitter behoort tot het bestuur van een deelnemer die partij is bij een geding waarbij BghU is betrokken, oefent de plaatsvervangend Voorzitter met betrekking tot dat geding de in het derde lid van dit artikel genoemde bevoegdheid uit. Indien ook de deelnemer van welks bestuur de plaatsvervangend Voorzitter deel uitmaakt bij het in het vierde lid van dit artikel bedoelde geding betrokken is, wordt een ander lid van het Dagelijks Bestuur gemandateerd om BghU met betrekking tot dat geding te vertegenwoordigen.
Afdeling 4: Verantwoording en Inlichtingen Artikel 20: Informatieplicht en verantwoordingsplicht 1. 2. 3. 4.
De leden van het Dagelijks Bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het Algemeen Bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. Zij geven ongevraagd aan het Algemeen Bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het Dagelijks Bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het Algemeen Bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de Voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.
Artikel 21: Informatieverstrekking door het Algemeen en Dagelijks Bestuur en de Voorzitter 1. 2. 3.
Het Algemeen Bestuur geeft aan de vertegenwoordigende organen ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. Het Algemeen Bestuur verstrekt aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door een of meer leden van de vertegenwoordigende organen worden verlangd. Ontwikkelingen die van invloed zijn op de bijdragen zendt het Algemeen middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de vertegenwoordigende organen ter informatie.
Artikel 22: Informatieverstrekking door individuele leden van het Algemeen Bestuur Een lid of een plaatsvervangend lid van het Algemeen Bestuur is aan het college door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.
Afdeling 5: Secretaris Artikel 23: Benoeming, schorsing en ontslag 1. 2.
De secretaris wordt door het Dagelijks Bestuur benoemd. De bevoegdheid tot schorsing of ontslag van de secretaris berust bij het Dagelijks Bestuur.
Artikel 24: Taak 1.
De secretaris staat het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de Voorzitter ter zijde bij de uitoefening van hun taak. De secretaris is aanwezig in de vergadering van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur. De secretaris ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan, mede.
2.
De secretaris staat, als directeur, aan het hoofd van de ambtelijke organisatie van het samenwerkingsverband.
Hoofdstuk 3: De heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van BghU en de belastingdeurwaarder Artikel 25: Algemene bepaling De BghU heeft een of meer heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, ambtenaren van BghU en belastingdeurwaarders. Artikel 26: Bevoegdheden heffingsambtenaar 1.
2.
De heffingsambtenaar is bevoegd tot heffing van de belastingen waarvoor door de vertegenwoordigende organen van de deelnemers van BghU een belastingverordening is vastgesteld en waarvan de heffing en de invordering door de colleges van de deelnemers is overgedragen aan BghU. De heffingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn
3.
toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de deelnemers. Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en tweede lid neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Artikel 27: Bevoegdheden invorderingsambtenaar 1.
De invorderingsambtenaar is bevoegd tot invordering van alle belastingen die door de heffingsambtenaar worden geheven.
2.
De invorderingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers. De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg en niet tot het instellen van hoger beroep en cassatie, dan nadat hij het bestuur van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld. Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en tweede lid neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemer en de nadere regels van het bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid. De invorderingsambtenaar is bevoegd het Dagelijks Bestuur gemotiveerd te verzoeken tot het voornemen van een besluit als bedoeld in artikel 17, onder k. van deze regeling.
3. 4.
5.
Artikel 28: Bevoegdheden ambtenaar van de BghU 1.
De ambtenaar van de BghU heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 231, tweede lid onder d, van de Gemeentewet en artikel 123, derde lid onder d, van de Waterschapswet.
2.
Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de ambtenaar van de BghU de nadere regels van het bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Artikel 29: Bevoegdheden belastingdeurwaarder 1.
De belastingdeurwaarder heeft ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.
2.
Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels van het bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Afdeling 6: Ombudsfunctie Artikel 30: Ombudsfunctie Onverminderd het bepaalde in artikel 1a van de Wet Nationale ombudsman is de Nationale ombudsman als bedoeld in artikel 2 van de Wet Nationale ombudsman bevoegd verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18 van de Algemene wet bestuursrecht te behandelen.