Agendabundel
Tekst van het document
Het gaat om Ockhuizen, het Utrecht Science Park (USP) en Voordorpse Polder; alle drie zoekgebieden energie in de RSU2040. Voor het onderzoek naar een (her)inrichting van het gebied Ockhuizen hebben we een startdocument vastgesteld (raadsbrief Startdocument Ockhuizen, 8 februari 2021). In de nog vast te stellen Omgevingsvisie USP is ‘zichtbaar duurzaam en gasvrij’ één van de vier ambities. Voor Voordorpse Polder wordt een verkenning voorbereid. We verwachten dat mogelijke initiatiefnemers voor deze gebieden voor 2025 concrete plannen zouden kunnen maken zodat ze kunnen meetellen in de RES1.0. Een inschatting van de energieopbrengsten van de nieuwe gebieden is gemaakt (Raadsbrief Onderbouwing zoeklocaties energie, 22 januari 2021). In deze gebieden kan op basis van ruwe inschattingen maximaal 0,07 TWh duurzame energie geproduceerd worden: 0,052 TWh zonne-energie als 50% van het gebiedsoppervlak gebruikt wordt en twee windmolens van in totaal 0,018 TWh. Of deze ruimte daadwerkelijk beschikbaar komt voor duurzame energie hangt van drie factoren af: (1) weging van andere opgaven en waarden in deze gebieden, (2) medewerking van grondeigenaren en (3) de businesscase voor initiatiefnemers. Het is dus niet zeker dat deze 0,07 TWh realiseerbaar is.
In de overige zoekgebieden energie in de RSU 2040 (Dorpeldijk, Noorderpark, Fort Blauwkapel en Lage Weide) verwachten we vooralsnog voor 2025 geen concrete plannen van initiatiefnemers of grondeigenaren. Deze zoeklocaties zijn met name waardevol voor de realisatie van grootschalige opwek na 2030. Grootschalig zon op dak (0,168 TWh) Zoals aangegeven in raadsbrief inzet in RESU16 voor RES1.0 (26 april 2021) zijn er een aantal redenen om nu niet de ambitie op grootschalige zon op dak uit de Ontwerp-RES (0,168 TWh) te verhogen. Wat betreft de beschikbare netcapaciteit blijkt uit de onderzoeken van Stedin die in het kader van de RES1.0 zijn gedaan, deze factor op korte termijn waarschijnlijk niet belemmerend zal zijn in Utrecht. Het stoppen van de SDE++ regeling in 2025 is wel een belangrijke factor. Ook biedt de SDE++ regeling geen financiering om kosten voor het oplossen van technische belemmeringen, zoals het verstevigen van de dakconstructie of het plaatsen van lichtgewicht panelen. Omdat deze belemmeringen onzekerheden geven in de verdere groei richting 2030, verhogen we daarom onze ambitie voor het onderdeel grootschalig zon op dak nu niet. 4
Uit het regionale onderzoek naar zon op dak komt een hogere operationele hoeveelheid zon op dak voor Utrecht naar voren dan wij u eerder in de raadsbrief hebben gemeld. Een mogelijke verklaring is dat de methodiek van Mapgear die gebaseerd is op luchtfoto’s ook aaneengesloten salderingsprojecten als een grootschalige zon op dak project meetelt. Of die allemaal mogen meetellen bij de grootschalige opwek voor de RES is niet zeker. Utrecht kiest ervoor om aan te sluitenbij de methode die het NPRES adviseert, namelijk door de gegevens van de door RVO gemelde verstrekte SDE+ beschikkingen (peildatum januari 2021) te gebruiken.Hierbij tellen we de gerealiseerde postcoderoos projecten in Utrecht op. Welke methode ook wordt gebruikt, het is duidelijk dat Utrecht een hoge potentie voor het realiseren van grootschalig zon op dak heeft en dat de huidige ambitie van 0,168 TWh een stevige ambitie is. Kanttekeningen/Risico’s 1.1.
Het raadsvoorstel RES1.0 moet voor de afronding van de besluitvorming over de RSU 2040 worden aangeboden aan de raad. De besluitvorming over de RSU 2040 vindt plaats voordat besluitvorming over de RES1.0 plaatsvindt. De input van de RES1.0 is gebaseerd op de in de RSU aangewezen zoekgebieden energie. Naar verwachting vindt de besluitvorming over de RSU 2040 voor de zomer 2021 plaats en de besluitvorming over de RES1.0 na de zomer 2021. Het raadsvoorstel van de RES1.0 moet vanwege de gevraagde tijdige behandeling vóór 1 oktober in de raad, al voor definitieve besluitvorming over de RSU2040 worden aangeboden aan de raad. Mogelijk wijzigingen die naar aanleiding van de besluitvorming over de RSU in de RES en met name de Utrechtse inzet moeten worden doorgevoerd, zullen via een strekt ter vervanging worden voorgesteld.
1.2
Het realiseren van de inzet van Utrecht is afhankelijk van de bereidheid van grond- en dakeigenaren om mee te werken en investeringen van exploitanten in de grootschalige opwek Of de inzet van Utrecht voor 2030 wordt gerealiseerd is afhankelijk van de bereidheid van grondeigenaren om mee te werken en van de initiatiefnemers, energiecoöperaties en (markt)partijen om te investeren in grootschalige opwekking van elektriciteit en deze projecten te exploiteren.
Beslispunt 2
In te stemmen met het regiobod van 1,8 TWh
Argumenten 2.1
Het regiobod van 1,8 is realistisch, haalbaar en wordt onderbouwd met 4 bouwblokken waarin ruimte is voor mogelijke planuitval Het concept bod uit de Ontwerp RES om uiterlijk in 2030 1,8 TWh duurzame elektriciteit op te wekken, is haalbaar. De onderbouwing van het regionale bod in de RES 1.0 bestaat uit vier bouwblokken: Onderdeel van ons bod Bouwblok 1: Gerealiseerde opwek + Pijplijnstatus
Hoeveelheid in
Waarvan zon in Waarvan wind in
TWh totaal
TWh
TWh
0,438
0,295
0,143
‘zeker’ Bouwblok 2: Zon op dak
0,3-0,5 TWh
(Ambitie in bandbreedte)
Bouwblok 3: Lokale zoekprocessen van gemeenten
1,164
Bouwblok 4: Continue samenwerking en
Hiervoor is nog geen ambitie op te nemen.
0,765
0,399
ontwikkeling
Voor regionale projecten die al zijn gerealiseerd of die met de status ‘zeker’ in de pijplijn 5
zitten (bouwblok 1) kunnen we met grote zekerheid zeggen wat de opbrengsten zijn. Voor Utrecht zijn in dit bouwblok alleen gerealiseerde zon op dak projecten opgenomen (op basis van SDE+ beschikkingen RVO). Bouwblok 2 heeft een bandbreedte omdat de realisatie van zon op dak veel afhankelijkheden kent zoals de medewerking van de eigenaar en de beschikbare netcapaciteit. Bouwblok 3 moet als een tussentijds resultaat worden gelezen van de lokale zoekprocessen die zijn geweest. Dit bouwblok maken we de komende jaren concreter bij de uitwerking van de zoekgebieden. Voor sommige projecten in dit bouwblok geldt dat ze bijna gereed zijn voor vergunningverlening, voor andere projecten geldt dat afwegingen tegen het lokale en provinciale beleid, aansluiting op het elektriciteitsnetwerk en lokale besluitvorming nog moet plaatsvinden. De gemeenteDe Ronde Venen levert haar bijdrage aan dit bouwblok later op. Voor de Utrechtse inbreng in dit bouwblok verwijzen wij u naar argument 1.2. In de praktijk betekent dit dat de plannen in dit bouwblok anders kunnen worden ingevuld of dat plannen kunnen uitvallen. Er is een lichte overprogrammering van plannen om de planuitval op te kunnen vangen. Bouwblok 4 onderstreept het belang om als samenwerkende overheden van de RES U16 samen kansrijke gebieden voor duurzame opwek te blijven verkennen.
Deze nieuwe plannen zijn nodig in het geval dat huidige plannen niet haalbaar blijken en zorgenvoor de continue ontwikkeling en uitvoering naar de RES 2.0 en verder Kanttekeningen en risico’s 2.1
Er zijn knelpunten in het elektriciteitsnetwerk maar het bod is maakbaar Netbeheerder Stedin heeft de aangeleverde zoekgebieden getoetst aan de elektriciteitsinfrastructuur en in beeld gebracht welke netinvesteringen waar en wanneer nodig zijn om de RESU16 bod maakbaar te maken. In de Netimpactanalyse (bijlage 9) zijn 19 ‘knelpunten’ benoemd waar netinvesteringen nodig zijn om de opgegeven opwekvermogens aan te kunnen sluiten. Daarvan zijn er twee urgent, waaronder één in Utrecht. We zijn met Stedin in gesprek over het knelpunt Station Oudenrijn. Het Station Oudenrijn is gelegen in Rijnenburg en heeft een bovenregionale functie. De energietransitie evenals de woningbouwopgave vragen om renovatie en uitbreiding van het station waarbij zowel Tennet als Stedin zijn betrokken. We verwachten de planologische besluitvorming volgend jaar formeel te kunnen starten via het Utrechts planproces. Daarnaast dringt Stedin aan om tot een betere verhouding tussen zon en wind in de regio te komen. Deze is nu scheef; 16% van het voorziene opgestelde vermogen komt van wind, het overige deel is grondgebonden zonnevelden. Als de regio op deze manier op zon blijft inzetten, bereiken we eerder de grenzen van de capaciteit van het net en beperken we onze mogelijkheden richting 2040.
Grootschalig zon op dak sluiten we aan op een andere (lagere) netwerkinfrastructuur, maar ook daarvoor geldt dat regionale afstemming handig is.
Beslispunt 3
De Regionale Energie Strategie (RES) 1.0 vast te stellen, inclusief de bijlagen 1, 4, 5,6, 7, 8 en 12 en het college op te dragen hier uitvoering aan te geven in regionaal verband
Argumenten 3.1
De RES1.0 is volgens de eerder vastgestelde kaders van de Startnotitie RESU16 en de Ontwerp-RES uitgewerkt. In 2019 stelde u de ‘Startnotie RES U16’ vast en in 2020 stelde u de Ontwerp- RES en concept-bod vast. De RES 1.0 is de uitwerking van deze eerdere besluiten en is opgesteld binnen de daarin gegeven kaders waaronder het eerder vastgestelde concept-bod van 1,8 TWh.
3.2
Ruimtelijke kwaliteit is een belangrijk uitgangspunt De meest duurzame energie is energie die niet hoeft te worden opgewekt. Besparen is daarom het uitgangspunt. Bij de bepaling van de hoogte van het concept bod van 1,8 TWhbij de Ontwerp RES is rekening gehouden met energiebesparing. Met besparingen kan het bod dus niet worden verlaagd, dat zit verwerkt in de hoogte van het bod. De landschappelijke 6
impact van zon op dak is kleiner dan die van zonnevelden en windmolens. We zetten daarom maximaal in op zon op dak. Voor de invulling van het bod in zonnevelden en windmolens is voortgebouwd op de ruimtelijke uitgangspunten die in het Ontwerp-RES zijn vastgesteld zoals het benutten van potentie van windenergie langs infrastructuur, bedrijventerreinen en in agrarische gebieden. De in de RES aangewezen zoekgebieden moeten (groten)deels verder worden uitgewerkt door bijvoorbeeld de effecten op de omgeving en de natuur, veiligheid en aansluitbaarheid op het netwerk voor specifieke locaties te onderzoeken. 3.3
De Regionale Structuur Warmte (RSW) is onderdeel van de RES1.0 en gaat over de bovenlokale en regionale afstemming en samenwerking voor warmte De RSW 1.0 richt zich op bovenlokale en regionale afstemming ten behoeve van de warmtetransitie. In de regio zijn daarvoor afspraken gemaakt over monitoring en afstemming en thema’s waarop we regionaal gaan samenwerken. Een gespreksleidraadvoor overleg over bovengemeentelijke warmtebronnen (bronnen met de potentie om in meerdere gemeenten warmte te leveren) is opgesteld en onderdeel van de RSW. De RSW 1.0 bevat ook een inventarisatie van de warmtebronnen in de regio, vergelijkbaar zoals Utrecht dit zelf in beeld heeft gebracht (raadsbrief Potentieelonderzoeken energie, 13 maart2020). Omdat er een wisselwerking is tussen de op te stellen TVW’s en RSW is, hebben weregionaal afgesproken de TVW’s te monitoren en te gebruiken als input voor de RSW2.0 die in 2023 moet worden geactualiseerd. Op dat moment is mogelijk ook meer bekend over de daadwerkelijke beschikbaarheid van de bovenlokale warmtebron aardwarmte in de RESU16. De overige potentiele warmtebronnen van de regio, zoals aquathermie zullen metname lokaal worden toegepast. De RSW heeft voor Utrecht op dit moment geen directe doorwerking in de Transitievisie Warmte Deel 1 (3 juni 2021).
3.4
Moties en amendementen aangenomen bij de Startnotitie RESU16 of het Ontwerp-RES zijn verwerkt Bij de besluitvorming over de ‘Startnotitie RESU16 en het Ontwerp RES inclusief bod’ zijn door de parlementen verschillende moties en amendementen aangenomen. In bijlage 12 is opgenomen hoe vorm en inhoud is gegeven moties en amendementen. De aangenomen Utrechtse moties bij zowel de Startnotitie als bij de Ontwerp-RES en concept-bod zijn (deels) verwerkt in de RES1.0. Het gaat om motie 2019/ 295 Streven naar 50% lokaal eigenaarschap, motie 2019/300 Biomassa in RES en motie 2019/299 Industrie en kantorenpark in Utrecht dragen aan de energietransitie. Deze uitgangspunten zijn opgenomen in de RES1.0. en verkennen we met regio om in toekomst uitvoering aan te geven. In bijlage 13 vindt u de inventarisatie van de legeskosten voor vergunningen zoals gevraagd in motie 2019/298 Regionaal afstemmen van legeskosten voor vergunningen duurzame energieopwekking. De inventarisatie heeft niet geleid tot regionale afstemming over de legeskosten. De volgende ingetrokken en overgenomen moties zijn verwerkt in de RES1.0: 2020/M276 Natuur en duurzame energie. De gedragscodes zon en wind op land zijn als uitgangspunten in de RES1.0 genoemd.
Naar aanleiding van de moties 2020/M274 ‘Maak Maximaal gebruik van de daken in de regio’ en 2020/M279 ‘Ambities zon op dak’ zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd zoals u gemeld in raadsbrief ‘Potentie zon op dak in RES conceptbod’ (31 maart 2021). Deze onderzoeken zijn regionaal gedeeld en een aantal hoofdconclusies zijn in de RES1.0 als voorwaarden voor het realiseren van de potentie zon op dak benoemd. . Tot slot is de motie 2019/297 RES voor en door de stad verwerkt in het Stadsgesprek Nieuwe Energie waarover u in raadsbrief Uitkomsten Stadsgesprek Nieuwe Energie (25 mei2021). De genoemde moties beschouwen hiermee als afgehandeld.
3.5
De RES 1.0 wordt gerealiseerd door uitwerking in het eigen beleid en regelgeving
7
De RES-samenwerking heeft geen juridische status en de RES heeft niet geleid tot verandering van de bevoegdheidsverdeling van de verschillende overheidslagen. Zo zijn gemeenten het bevoegd gezag voor zonneparken tot 50 MW en windparken tot 5 MW. De provincie is bevoegd gezag voor initiatieven tot 100MW. De RES 1.0 heeft na besluitvorming de status van een beleidsstuk. Voor realisatie moet de RES 1.0 uitgewerkt worden door de deelnemende overheden in het instrumentarium van de omgevingswet, pas dan is er sprake van een juridische status. Wij doen dit met de RSU2040 en in de Energievisie die later dit jaar aan u ter besluitvorming wordt voorgelegd.. Kanttekeningen en risico’s 3.1
De RES 1.0 is een momentopname De tijdspanne van de energietransitie is groot. De RES1.0 is daarom een momentopname van waar alle deelnemende overheden nu staan als het gaat om het realiseren van zon en wind tot 2030. De RES1.0 biedt het kader om in U16 verband gezamenlijk verder te werken aan deze grote opgave. We weten dat veel zoekgebieden in de RES1.0 de komende tijd verder worden uitgewerkt waarbij (ruimtelijke) afwegingen en het maatschappelijke gesprek nog moeten worden gevoerd. Dit betekent dat we rekening moeten houden met planuitval. We hebben daarom afgesproken om elk jaar de voortgang van de projecten te monitoren als voorbereiding op de RES2.0. Bijsturen op bepaalde onderdelen kan dan tussentijds plaatsvinden.
3.2
De realisatie van de RES1.0 is afhankelijk van diverse randvoorwaarden Voor een succesvolle uitvoering van de RES1.0 zijn we afhankelijk van diverse randvoorwaarden. Het Rijk moet de energietransitie financieel en in wet- en regelgeving mogelijk maken. Bovendien leven er maatschappelijk zorgen over de energietransitie, de impact op de leefomgeving en betaalbaarheid voor de inwoners. Deze afhankelijkheden bestaan en zijn benoemd in de RES 1.0.
3.3
Indien de landelijke doelstelling niet wordt gehaald is een aanvullende regionale opgave mogelijk Als de landelijke taakstelling van 35 TWh duurzame elektriciteitsopwek niet wordt gehaald, zullen regio’s onderling in gesprek gaan om tot een verdeling over de resterende opgave te komen. Als deze gesprekken tussen de regio’s niet tot een resultaat leiden, zal vanuit het NPRES een landelijke verdeelsystematiek worden ingezet die vanuit de landelijke koepels (VNG, Interprovinciaal overleg IPO en de Unie van Waterschappen) is opgesteld. Uit de appreciatie van het Planbureau van de Leefomgeving (PBL) die in februari 2021 verscheen is op basis de ingediende Ontwerp-RES’en een bandbreedte van 31,2 TWh - 45,7 TWh duurzame elektriciteitsproductie in 2030 opgeteld. Het is dus op basis van de Ontwerp-RES’en niet zeker dat de landelijke taakstelling van 35 TWh wordt gehaald.
Financiën De RES 1.0 heeft vooralsnog beperkte financiële consequenties. De regionale uitvoeringskosten worden uitgewerkt in het Regionaal Uitvoeringsplan dat kort na besluitvorming over de RES 1.0 aan de dagelijks besturen wordt toegestuurd. We verwachten dat het Rijk financiële ondersteuning gaat leveren voor de uitvoering van het Klimaatakkoord vanaf 2022, waaronder de uitvoering van de RES. Dit is één van de randvoorwaarden waaronder het Klimaatakkoord door VNG namens gemeenten is ondertekend. Het nieuwe kabinet moet hier uitsluitsel over geven. De omvang van een mogelijke rijksbijdrage is niet bekend. Bij de ontwikkeling van het uitvoeringsplan werken we daarom met scenario’s met daarin verschillende hoogtes van de rijksbijdrage. De RES samenwerking is tot op heden bekostigd uit een rijksbijdrage (1,8 miljoen euro, uitgekeerd aan centrumgemeente Utrecht) en een deelnemersbijdrage naar rato inwonertal (0,186 miljoen euro bijdrage vanuit gemeente Utrecht voor 2020 en 2021). De verwachting is dat deze bedragen en inzet indicatief zijn voor de kosten in de volgende fase. De verwachte rijksbijdrage en regionale uitvoeringskosten zullen worden opgenomen in het programma 8
Bewoners en Bestuur, onderdeel bovengemeentelijke samenwerking U16. De gemeentelijke bijdrage zal worden bekostigd vanuit het programma Duurzaamheid, onderdeel Uitwerken van de energieambities Naast de inzet in de uitvoering van de RES gaat gemeente Utrecht samen met de provincie inzichtelijk maken welke faciliterende ondersteuning provincie en Utrecht kunnen bieden. Het gaat dan voornamelijk om de inzet van capaciteit per 2022 en verder die we inzetten om onze ervaringen en kennis te delen met de regio, bijvoorbeeld op het gebied van het aanjagen van grootschalig zon op dak, energiebesparingsactiviteiten en de warmtevoorziening. De verwachting is dat het gaat om ongeveer 0,5 FTE per jaar. Deze capaciteitsinzet wordt ook bekostigd vanuit het programma Duurzaamheid, onderdeel Uitwerken van de energieambities.
Vervolg De door parlementen vastgestelde RES 1.0 wordt uiterlijk op 15 oktober 2021 aan het NP RES verstuurd. Na de vaststelling van de RES 1.0 zijn er verschillende ijkmomenten afgesproken. Op deze momenten monitoren we in regionaal verband of de gezamenlijke realisatie op koers ligt. Daarnaast zijn er momenten waarop we aanvullende ambities en doelen stellen voor de periode tot 2050. Doelen voor de periode na 2030 moeten we vastleggen en onderbouwen in één van de volgende RESversies. Iedere twee jaar actualiseren we de RES. Over de geactualiseerde versie wordt een besluit genomen in de parlementen, zodat de RES en de uitvoering ervan altijd een democratische basis heeft. In 2022 gaan de deelnemende overheden de RES 1.0 omzetten in ruimtelijk beleid, voor zover dat nodig is om de bijdrage van 1,8 TWh aan de landelijke doelstelling voor duurzame elektriciteit in 2030 te realiseren. In 2025 zullen de ruimtelijke procedures voor zonnevelden en windmolens worden afgerond, voor zover die nodig zijn om de bijdrage van 1,8 TWh in 2030 te realiseren. In 2030 zal de realisatie van 1,8 TWh duurzame elektriciteitsopwek gereed zijn. Naast bovenstaande momenten, die zijn afgesproken in het Klimaatakkoord, zijn er ook informele bestuurlijke ijkmomenten.
Deze momenten zijn er op gericht tijdig zicht te krijgen op planuitval en door consensus en in RES verband afspraken te maken hoe dit op te vangen. Deze momenten worden opgenomen in het Regionaal Uitvoeringsplan. Daarbij zijn in ieder geval de volgende ijkmomenten opgenomen: Q4 2021, uitkomsten besluitvorming door parlementen over RES 1.0 en verdiepende netimpactanalyse Voor zomerreces 2022, na de gemeenteraadsverkiezingen, mogelijke effecten coalitieakkoorden, check uitwerking in ruimtelijk beleid op schema Na zomerreces 2022, startbijeenkomst nieuwe bestuurscyclus Q3 2022, inventarisatie start planuitwerking (wind) initiatieven Vanaf december 2022: jaarlijkse monitoring op voortgang en eventuele planuitval De ijkmomenten zijn voor de 3 RES’en binnen de provincie Utrecht gelijk (RESU16, RES Amersfoort, RES FoodValley). Op deze wijze wordt de samenhang geborgd en kan de provincie haar taken en rol uitvoeren. Om de RES 1.0 te kunnen uitvoeren en het vervolg te kunnen invullen, wordt een Regionaal Uitvoeringsplan opgesteld. Dit plan wordt aan colleges van B&W toegestuurd, evenals aan Gedeputeerde Staten en de Algemeen Besturen van de deelnemende waterschappen. De omvang en intensiteit van de regionale activiteiten zijn onder meer afhankelijk van de beschikbaarheid van financiële middelen vanuit het Rijk.
Daarnaast gaat de provincie samen met ons inzichtelijk maken welke faciliterende ondersteuning provincie en wij kunnen bieden aan de regio bij de uitvoering van de RES, inclusief een onderzoek naar meest effectieve inzet van het bestaande ontwikkelfonds voor energiecoöperaties. Het regionaal ontwikkelfonds moet dan helpen om meer opbrengsten voor maatschappelijke voorzieningen te genereren. De RES is een bouwsteen van het Integraal Ruimtelijk Perspectief U16 en wordt bij de definitieve Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) ingevoegd. Bij de besluitvorming over het definitieve IRP (verwachting december 2021) voegen we een memo over de RES toe aan het IRP. In dit memo staat beschreven waar de energieopgave andere opgaven aanvult en waar belangen kunnen botsen. In de volgende fase zullen de gemeenten het IRP verder uitwerken en concretiseren. In de 9
programmeringsfase kunnen gemeenten de opgaven in samenhang bekijken en verbinden. De RES1.0 geeft een doorkijk op de plannen tot 2030. Het IRP kijkt naar de plannen tot 2040. Wij blijven in de regio benadrukken dat er rekening moet worden gehouden met een aanvullende opgave voor energie tot 2040 in het IRP. De komende tijd wordt de samenwerking met het Rijk gezocht voor verkenningen naar mogelijkheden voor het opwekken van duurzame elektriciteit direct naast rijkswegen, op gronden van het Rijk. De Rijksoverheid heeft hiervoor het programma Opwek van Energie op Rijksvastgoed (OER) opgezet. Samen met provincie en gemeenten sturen we brieven aan de minister van Economische Zaken en Klimaat om onze wens tot samenwerking voor opwek van energie langs de infrastructuur in de regio en meer specifiek langs de A28 te onderstrepen.
Participatie Voor participatie maken we onderscheid tussen regionale en lokale participatie. Regionale participatie Inwoners, maatschappelijke organisaties en ondernemers zijn betrokken geweest bij het opstellen van de RES. Na het vaststellen van de Ontwerp-RES is vooral op lokaal niveau aan de slag gegaan met het zoeken naar gebieden voor grootschalige opwek. Daarmee sloten we aan bij de lokale context en verschillende fasen waarin gemeenten zich bevonden, is doorgebouwd op bestaande participatiestructuren en konden inwoners en andere belanghebbenden het beste betrokken worden. Vanuit de regio zijn de lokale processen ondersteund met onderzoek, kennis en afstemming. Daarnaast zijn er regelmatig zowel brede regionale bijeenkomsten als kleinere tafelgesprekken geweest met regionale stakeholders. Ook zijn een-op-een gesprekken met enkele organisaties uit het maatschappelijke veld met een belang in natuur, milieu, ruimtegebruik, landbouw en energie gevoerd. Ten aanzien van warmte is in warmteateliers gesproken met energiecoöperaties en regionale stakeholders. De resultaten uit de participatie hebben bijgedragen en sturing gegeven aan de totstandkoming van de RES 1.0 zoals het rapport voor ontwerpprincipes van LandID, de notitie gespreksleidraad verdeling bovenlokale warmtebronnen en de thematische werkagenda elektriciteit en warmte.
Ook bij de vervolgstappen, worden inwoners en lokale organisaties betrokken om mee te praten en mee te denken. Naast het meedenken en meepraten gaat het ook om meedoen. Het streven naar 50% eigenaarschap is als uitgangspunt in de RES 1.0 benoemd. De regionale participatie versterken we met landelijke en regionale organisaties om een continue dialoog te voeren. Het doel is om van belanghebbenden als samenwerkingspartners bij de RES U16 te betrekken, zodat zij een structurele inbreng leveren voor de realisatie van de projecten en initiatieven. Daarbij kunnen hierdoor ook tijdig landelijke of regionale belanghouders worden gekoppeld aan lokale participatietrajecten. Lokale participatie Over de RES1.0 is geen apart participatietraject gehouden. Met een Stadsgesprek Nieuwe Energie en participatie over specifieke locaties is input opgehaald voor de RES1.0 en vooral de Utrechtse inzet in de RES1.0. Participatie over de Utrechtse inzet is maatwerk en gebeurd locatiespecifiek en afgestemd op de doelgroep. Het participatieniveau bepalen we ook per project of gebied en is minimaal ‘raadplegen’. De participatie van de Utrechtse zoeklocaties is in onderstaand schema weergegeven. Project of zoekgebied Energielandschap Rijnenburg en Reijerscop
Participatie participatietraject doorlopen
zonneveld geluidswal A12 zonneveld Meijewetering zonne-eilanden Haarrijnseplas Ockhuizen Utrecht Science Park (USP) Voorveldse Polder
participatie wordt opgestart participatie in uitvoering participatie moet nog starten participatie moet nog starten participatie in omgevingsvisie USP participatie moet nog starten
Breed raadplegen: Stadsgesprek Nieuwe Energie 10
Eind 2020, begin 2021 voerde de gemeente het Stadsgesprek Nieuwe Energie met inwoners, en specifiek jongeren, ondernemers en energie-initiatieven. Het doel van dit Stadsgeprek was te horen hoe Utrechters aankijken tegen het overstappen naar duurzame energie, waaronder elektriciteitsopwekking door wind en zon. En of we tot betere afspraken kunnen komen om de bijdrage van inwoners, organisaties en de gemeente zelf te vergroten. De uitkomsten van het stadsgesprek staan in raadsbrief Uitkomsten Stadsgesprek Nieuwe Energie (25 mei 2021). Daarmee is invulling gegeven aan motie 2019/M297 RES voor en door de stad (17 september 2019).
Communicatie Over de projecten van de Utrechtse inzet in de RES1.0 is en/of wordt gecommuniceerd met (direct) betrokkenen. Over de zonnevelden Meijewetering, geluidswal A12 en Haarrijnseplas communiceerden we met de buurt, net als over Rijnenburg en Reijerscop. Samen met de initiatiefnemer of ontwikkelaar is of wordt de communicatie uitgevoerd. De uitgangspunten zijn dat we transparant en duidelijk communiceren. We informeren over het voornemen (plan), over in welke fase het project is, waarover participatie mogelijk is en ook wat al vast staat. Wanneer inspraak mogelijk is hoort hier bij. Tussentijds krijgen betrokkenen en de gemeenteraad informatie over het proces en vervolgstappen. De volgende communicatiemiddelen zetten we in het algemeen in bij de participatie. We stemmen de boodschap en de middelen af op de doelgroep en gebruiken hiervoor onder andere de gemeentelijke website, persberichten, sociale media, wijknieuwsbrieven, wijkberichten, thema-nieuwsbrief, interviews, digitale reclameborden en advertenties.
Bijlagen Bijlagen besluitvorming: - RES1.0 en als onderdeel hiervan: - bijlage 1 Verdieping hoofdstuk elektriciteit lokale zoekprocessen - bijlage 4 Verdieping hoofdstuk warmte: warmtebronnen en energiebesparing - bijlage 5 RSW notitie: samenwerking regionale warmtethema’s - bijlage 6 RSW notitie: opstap naar afwegingskader bovengemeentelijke warmtebronnen - bijlage 7 RSW notitie: gespreksleidraad verdeling bovengemeentelijke warmtebronnen - bijlage 8 Thematische agenda elektriciteit en warmte - bijlage 12 Notitie moties en amendementen Bijlagen informatief: De volgende bijlagen zijn ter informatie in de RES1.0 opgenomen: - bijlage 2 Onderzoek zon op dak - bijlage 3 Zon op dak: dakoppervlak en netcapaciteit - bijlage 9 Netimpactanalyse - bijlage 10 PBL analyse en monitor - bijlage 11 Infographics participatie U16 - bijlage 13 Quickscan legeskosten U16 - bijlage 14 Rapport energielandschappen - bijlage 15 Advies bestuurlijk verkenner
11
1 RES 1.0 – U16 .pdf
Regio U16 RES 1.0
Bunnik De Bilt De Ronde Venen Houten IJsselstein Lopik Montfoort Nieuwegein Oudewater Stichtse Vecht Utrecht Utrechtse Heuvelrug Vijfheerenlanden Wijk bij Duurstede Woerden Zeist Provincie Utrecht De Stichtse Rijnlanden Amstel, Gooi & Vecht Rivierenland Vallei & Veluwe Stedin
U16
31/05/2021
Voorwoord Paul Heijmerink Anne Brommersma Cees van Uden Hilde de Groot Peter Bekker Gerrit Spelt Yolan Koster Marieke Schouten Bas Lont Jeroen Willem Klomps Lot van Hooijdonk Christa Hendriksen Tymon de Weger Rob Jorg Hans Marchal Wouter Catsburg Els Otterman
Voor u ligt de RES 1.0, de eerste uitgewerkte Regionale Energie Strategie van de regio U16. Het gezamenlijk resultaat van een samenwerking tussen 16 Utrechtse gemeenten, 4 waterschappen, de provincie Utrecht en Stedin. De regio neemt hiermee een belangrijke stap op weg naar de realisatie van duurzame energie. Een weg vol kansen en mogelijkheden, maar ook uitdagingen en dilemma’s. De verschillen binnen de regio zijn soms groot. Waar sommige gemeenten al jarenlang aan de slag zijn met de energietransitie, is het afgelopen jaar voor andere gemeenten een startpunt geweest. De lokale context binnen de Regio U16 verschilt sterk. Van stedelijke omgeving tot landelijke kernen. Ook de landschappelijke kenmerken lopen sterk uiteen. Van bos en heide tot weide en cultuurhistorisch erfgoed. Juist daarom zijn wij trots op dat iedereen deze gemeenschappelijke opgave een stap dichterbij heeft gebracht. Tijdens de soms ingewikkelde gesprekken, bleven we zoeken naar oplossingen. Want voor iedere samenwerkingspartner staat als een paal boven water dat alleen samen actie kan worden ondernomen om klimaatverandering tegen te gaan. Iedere organisatie committeert zich aan de opgave die voor ons ligt. Daarbij hanteren we een aantal uitgangspunten om de energietransitie vorm te geven. De Regio U16 staat voor een energietransitie die:
Huib van Essen Warmold ten Zijthoff
• Samen met inwoners wordt ontwikkeld en gerealiseerd. Juist daarom is in deze regio stevig ingezet bij de ontwikkeling van RES 1.0 op lokale gesprekken en inbreng om kansrijke gebieden voor zon- en windenergie te vinden. Bij iedere stap die gezet wordt, worden inwoners en lokale organisaties weer betrokken om mee te praten en mee te denken. Ook bij de projectrealisatie gaan we voor minimaal 50% lokaal eigenaarschap en financiële participatie. RES 1.0 | Regio U16 |
• Zoveel mogelijk gebruik maakt van de ruimten en locaties in de regio waar maatschappelijk veel begrip voor is. Denk hierbij aan zon op bedrijfsdaken, zon langs de infrastructuur en het overdekken van parkeerterreinen. • De waarde van de unieke landschappen en natuur in de regio versterkt en bewaard. • Ook kijkt hoe de economische kansen lokaal kunnen worden benut. In samenwerking met onderwijs en ondernemers kan de energietransitie een positieve katalysator zijn voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijvigheid. • Verbonden is met het Ruimtelijk Economisch Programma, zodat alle ruimtelijke vraagstukken in deze regio goed met elkaar in balans zijn en waar mogelijk oplossingen aan elkaar gekoppeld kunnen worden. In de Ontwerp-RES spraken we de ambitie uit om 1,8 TWh aan duurzame elektriciteit te willen opwekken in 2030. Dit vormt de eerste grote stap om 49 procent CO2-reductie te bereiken. In de RES 1.0 zijn de ontwerprichtlijnen uitgewerkt en waar al mogelijk concreter gemaakt. Dit geeft vertrouwen dat dit doel ook bereikt kan worden. Ook de komende jaren blijven we werken aan een energietransitie die echt van de regio is, van de mensen in de regio. Dat is makkelijker gezegd, dan gedaan. Steeds vaker wordt de toon van het gesprek over duurzame energie zeer kritisch en worden er vraagtekens gezet bij de invulling van de opgave.
Regio U16 gaat daarom de komende tijd juist ruimte creëren voor alle perspectieven rond dit vraagstuk. Met als doel om de stappen te nemen die nodig zijn om onze leefomgeving leefbaar te houden. Want uiteindelijk doen we het daar voor: zodat onze kinderen en kleinkinderen nog prettig kunnen leven in onze mooie regio.
4
|
|
5
Samenvatting
Impact van de elektriciteitsambitie op de infrastructuur
RES U16 als onderdeel van Klimaatakkoord
De RES van de regio U16 (RES U16) is een van de dertig Regionale Energie Strategieën die in de afgelopen jaren in Nederland zijn opgesteld. Aanleiding vormde het Klimaatakkoord dat de regering op 28 juni 2019 heeft gepresenteerd. We dragen met de RES bij aan het behalen van de landelijke doelstellingen van twee klimaattafels: elektriciteit en gebouwde omgeving. Concreet betekent dit dat de regio U16 bijdraagt aan de landelijke doelstelling van 35 TWh elektriciteit op land met zonne- en windenergie in 2030. En dat we binnen de regio U16 afspreken hoe we bovengemeentelijke warmtebronnen gaan ontwikkelen en gebruiken voor het verduurzamen van de gebouwde omgeving.
RES 1.0 | Regio U16 |
Opgave voor Elektriciteit
We willen als regio uiterlijk in 2030 in totaal 1,8 TWh duurzame elektriciteit opwekken. Deze ambitie is de opbrengst van een intensief en zorgvuldig proces van de afgelopen tweeënhalf jaar. Met behulp van vier bouwblokken onderbouwen we onze ambitie: • Het eerste bouwblok bestaat uit projecten voor zonne- en windenergie en zon op dak die al zijn gerealiseerd. Deze projecten tellen expliciet mee
6
|
Onderdeel van ons bod
Hoeveelheid in TWh totaal
Waarvan zon in TWh
Waarvan wind in TWh
Bouwblok 1: Gerealiseerde opwek + Pijplijnstatus ‘zeker’
0,438
0,295
0,143
Bouwblok 2: Zon op dak
0,3-0,5 TWh
(Ambitie in bandbreedte)
Bouwblok 3: Lokale zoekprocessen
1,164
0,765
Bouwblok 4: Continue samenwerking en ontwikkeling
Hiervoor is nog geen ambitie op te nemen.
0,399
Opgave voor Warmte
Het warmtehoofdstuk binnen de RES noemen we de Regionale Structuur Warmte (RSW). De overstap naar duurzame warmte vindt met name plaats op lokaal niveau. De RSW gaat in op de regionale aspecten van de warmtetransitie en richt zich onder andere op warmtebronnen die de potentie hebben om in meerdere gemeenten warmte te leveren, zogenaamde bovengemeentelijke warmtebronnen. Hoe gemeenten regie gaan voeren op de warmtetransitie is onderdeel van de gemeentelijke transitievisies warmte (TVW’s). Ook het onderzoek naar de lokale inzet van warmtebronnen vindt plaats in de gemeentelijke TVW’s, evenals het tempo dat zij hanteren en welke warmteoplossingen per wijk, buurt of gebied het meest voor de hand liggen. In het vervolgproces wordt de RSW gevoed met informatie uit de TVW’s. Daaruit blijkt of meerdere gemeenten naar eenzelfde bron kijken of welke gemeenten mogelijk een tekort hebben aan duurzame warmte, waardoor naar oplossingen
buiten die gemeenten moet worden gekeken. De drie belangrijkste resultaten in de RSW 1.0 zijn: • Gespreksleidraad bij bovengemeentelijke warmtebronnen • Monitoren en afstemmen regionale bronnen • Samenwerking en kennisuitwisseling op warmtethema’s
Warmtevraag
De helft van de warmtevraag in onze regio kan – na isolatie van gebouwen – worden verwarmd met middentemperatuurwarmte (50 tot 70 °C). Circa 25% kan worden verwarmd met lagetemperatuurwarmte (minder dan 50 °C) en de laatste 25% heeft in 2050 nog steeds behoefte aan hogetemperatuurwarmte (meer dan 70 °C). De verdeling hangt sterk af van de mate waarin isolatie wordt gerealiseerd. Het is dus van groot belang om in te zetten op energiebesparing door het toepassen van isolerende maatregelen bij bestaande bebouwing. Voor het bepalen van de inzet van warmtebronnen is concentratie van de vraag naar warmte relevant.
Warmtebronnen
Verschillende typen woonkernen en woningbouw vragen om verschillende soorten warmtebronnen. Zo zijn grootschalige warmtebronnen geschikt om aan te sluiten op bijvoorbeeld het bestaande warmtenet van Utrecht-Nieuwegein of in woonkernen die in de toekomst een warmtenet voorzien. In kleinere gemeenten, buitengebieden en overige locaties in stedelijk gebied kan de warmtevraag verder worden verduurzaamd met elektrisch verwarmen (all-electric), door het vervangen van aardgas door duurzaam gas of door lokale warmtebronnen te koppelen aan kleinschalige warmtenetten. Grofweg onderscheiden we zes categorieën warmtebronnen.
RES 1.0 | Regio U16 |
De RES U16 is een samenwerkingsverband van 21 overheden en netbeheerder Stedin. We hebben onze samenwerking in 2019 bekrachtigd met het opstellen van de Startnotitie. Vervolgens stelden we in 2020 een Ontwerp-RES op waarin we onze regionale ambities bepaalden. De RES 1.0, het document dat nu voor u ligt, is een onderbouwing van die ambities en een volgende stap in ons samenwerkingsverband. De RES 1.0 bevat de keuzes en kaders voor de grote, regionale energievraagstukken van de deelnemende overheden.
voor de ambitie van 1,8 TWh. Met onze eigen U16-monitor brengen we periodiek in beeld welke projecten in de pijplijn zeker doorgaan. Voor windenergie zijn dit projecten waarvoor een vergunning is verleend en voor zonne-energie zijn dit projecten waarvan de bouw in voorbereiding is. Samen levert dit voor de U16 nu 0,438 TWh op. • Het tweede bouwblok van onze regio is het realiseren van zo veel mogelijk zon op dak. Deze techniek kan rekenen op grote maatschappelijke acceptatie, zo bleek uit de lokale zoekprocessen die de gemeenten van de U16 hebben doorlopen. Op basis van de onderzoeken en overige informatie zetten we in op een hoeveelheid duurzaam opgewekte elektriciteit uit grootschalige dakprojecten van 0,3 tot 0,5 TWh. • Het derde bouwblok waaraan we gezamenlijk hebben gewerkt bestaat uit zoekgebieden voor windturbines en zonnevelden op land. Met een zoekgebied geven we aan waar in onze regio we de mogelijkheden voor het opwekken van zonneen windenergie verder onderzoeken. Samen leveren die een bijdrage op van 1,164 TWh. Dit staat voor 26 turbines en circa 800 hectare zonneveld. In de RES 1.0 leggen we nog geen concrete locaties vast. • Het vierde bouwblok is de bekrachtiging van onze regionale samenwerking, met als doel om met elkaar permanent te blijven onderzoeken hoe we duurzame energie kunnen ontwikkelen.
We weten namelijk dat tijdens het proces van RES 1.0 tot vergunningverlening zoekgebieden kunnen afvallen. Ook kunnen er nieuwe ideeën en initiatieven ontstaan. Daarnaast kunnen nieuwe technieken of innovaties een rol gaan spelen. En we hebben ook een opgave na 2030.
Netbeheerder Stedin is nauw betrokken bij de ontwikkeling van de RES. Door middel van een netimpactanalyse heeft Stedin in beeld gebracht welke mogelijkheden en knelpunten zich voordoen wanneer we de huidige plannen voor duurzame elektriciteit willen realiseren. We zullen een groot deel van deze mogelijkheden moeten benutten om onze plannen aansluitbaar en uitvoerbaar te maken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. In nauwe samenwerking met de gemeenten wordt gewerkt aan het oplossen van de gesignaleerde knelpunten. Eind 2021 levert Stedin een geactualiseerde netimpactanalyse. De belangrijkste aandachtspunten zijn: • Netinvesteringen. Er zijn in onze regio plannen gemaakt die nog veel extra investeringen vragen om aansluiting op de infrastructuur mogelijk te maken. • Knelpunten stations oplossen. De twee grootste knelpunten zijn de stations Oudenrijn en Breukelen-Kortrijk. • Zon-windverhouding. De verhouding tussen zonne- en windenergie is in onze regio scheef: 16% van het voorziene opgestelde vermogen (MWp) komt van wind. Door nu vol in te zetten op zon, bereiken we sneller de grenzen van het net en beperken we de mogelijkheden voor onze ambitie richting 2040. • Aanpak zon op dak. We hebben als regio een forse ambitie voor zon op dak. Om deze ambitie waar te maken, is naast een lokale inspanning een regionale aanpak nodig.
In de RSW is onderscheid gemaakt tussen warmtebronnen die vooral lokaal ingezet worden en warmtebronnen die mogelijk meerdere gemeenten kunnen voorzien van duurzame warmte. Uit onderzoek blijkt dat het merendeel van de
|
7
warmtebronnen in de U16 regio vooral lokaal zal worden ingezet. De U16 regio kent daarmee weinig bovengemeentelijke warmtebronnen. Alleen geothermie en nieuwe bio-warmtebronnen hebben mogelijk potentie als regionale bron. Overige bronnen zijn te klein of van te lage temperatuur om efficiënt over grotere afstanden te kunnen transporteren.
Infrastructuur warmte
De realisatie van nieuwe warmtenetten is een complexe en kostbare opgave en zal veel vragen van alle partijen die een rol spelen in de warmteketen, zowel op organisatorisch als op financieel vlak. Op plekken waar al warmtenetten liggen, zullen deze in de toekomst naar verwachting een bepalende rol blijven spelen in de warmtestrategie. Daarnaast gaat elektriciteit bij het verwarmen van de gebouwde omgeving een grotere rol spelen. De vraag naar elektriciteit zal zowel bij het inzetten van duurzame warmtebronnen, als bij het rechtstreeks verwarmen van de gebouwde omgeving toenemen. In de RES 2.0 zullen we nader ingaan op de gevolgen van de warmtetransitie op de elektriciteitsvraag. RES 1.0 | Regio U16 |
De RES is een samenwerking waarin we elkaars kwaliteiten benutten en afstemmen over de inzet van bevoegdheden. Daarom kijken we steeds door wie en op welk niveau een activiteit het beste georganiseerd kan worden. Dat heeft ertoe geleid dat het zwaartepunt van de ontwikkeling van de RES 1.0 voor het onderdeel elektriciteit (boven)lokaal bij de gemeenten lag en voor het onderdeel warmte het zwaartepunt op regionaal niveau lag. Tijdens de vervolgstappen in het proces, ook na het vaststellen van de RES 1.0, blijven er momenten waarop inwoners en lokale en regionale belanghebbenden kunnen meedenken en meepraten, inspraak hebben of bezwaar kunnen maken. Vanaf het moment dat er zoekgebieden worden uitgewerkt tot de ruimtelijke trajecten waarin de vergunningen worden verstrekt en de projectontwikkelingsfase. Uitgangspunten voor onze aanpak zijn daarbij: a. We zijn transparant: we communiceren open, respectvol en actief, zodat inwoners kunnen weten waar we mee bezig zijn; b. We zetten ons actief in voor de betrokkenheid van zoveel mogelijk mensen bij het proces en het resultaat; c. We proberen actief draagvlak voor de energietransitie te vinden;
8
|
RES als onderdeel van het Integraal Ruimtelijk Perspectief en Programma
De opgaven voor elektriciteit en warmte moeten worden vertaald naar zoekgebieden en locaties. Maar ruimte is schaars. In de regio U16 is veel van onze ruimte al belegd met functies, zoals natuur, woningbouw en bedrijventerreinen. Niet alles kan zomaar overal. We streven naar een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing van verschillende functies. Om voor al deze opgaven zorgvuldig en in samenhang oplossingen te ontwikkelen, werken de zestien gemeenten in de regio ook samen aan het Integraal Ruimtelijk Perspectief en Programma tot 2040 (IRP). Het IRP, voorheen REP, vormt de regionale ontwikkelrichting en het platform voor integrale ruimtelijke samenwerking en afstemming in de uitvoering. De RES vult de pijler energie en is op die manier onderdeel van het IRP.
Juridische status RES
De RES U16 is een samenwerking van organisaties uit verschillende bestuurslagen. Ze staat naast de staatsrechtelijke verdeling van taken en bevoegdheden (het ‘Huis van Thorbecke’). Deze positie vraagt erom dat we nauw samenwerken bij het ontwikkelen van voorstellen en bij het opstellen van concrete plannen na lokale besluitvorming. Zo stemmen we vanuit ons gezamenlijke inhoudelijke doel onze rollen en inzet van bevoegdheden op elkaar af. De deelnemende overheden zetten hun eigen bevoegdheden en instrumenten, zoals omgevingsvisies en -plannen, in om de ambities en doelen van de RES U16 te helpen realiseren. De RES 1.0 biedt input en context voor het omgevingsbeleid van provincie en gemeenten.
Vervolg na RES 1.0
Vanwege de grote tijdspanne van de transitie en de potentie van technologische innovatie kiezen we voor een adaptief ontwikkelpad. Flexibiliteit is nodig om nieuwe technieken te kunnen benutten en af te kunnen stemmen op andere ruimtelijke opgaven. Nu en in de toekomst. We bepalen een doel voor 2030 om de bijdrage aan concrete realisatie van CO2-reductie op kortere termijn mogelijk te maken. Voor de periode erna houden we ruimte voor ontwikkeling, liefst in overzichtelijke perioden van 5 tot 10 jaar om nieuwe concrete resultaten te kunnen boeken.
Regionale samenwerking na RES 1.0
We continueren de structuur van de samenwerking. We benutten daarbij zo veel mogelijk de structuur van de U10. De gemeenten die geen deel uitmaken van de U10, de provincie Utrecht, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, waterschap Amstel, Gooi en Vecht, waterschap Rivierenland en waterschap Vallei en Veluwe sluiten aan bij het overleg van de bestuurstafel Klimaatneutrale regio voor het onderwerp RES U16. Zij vormen zo de bestuurstafel Klimaatneutrale regio+. De waterschappen laten zich daarbij vertegenwoordigen door Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. De tafel vormt de stuurgroep van de RES en stuurt op de uitvoering van de RES 1.0 en op het structureren en op tijd voorbereiden van besluitvorming in de parlementen. Om de RES 1.0 te kunnen uitvoeren en het vervolg te kunnen invullen, stellen we een uitvoeringsplan op. Direct na het besluit over de RES 1.0 leggen we dat, indien nodig, ter besluitvorming voor aan de dagelijks besturen van de deelnemende overheden.
Belangrijke ijkmomenten in aanloop naar 2030
In de permanente beweging zijn er ijkmomenten afgesproken, in lijn met het Klimaatakkoord, om gezamenlijk sturing te kunnen geven aan de energietransitie: • Iedere twee jaar actualiseren we de RES. Over de geactualiseerde versie wordt een besluit genomen in de parlementen, zodat de RES en de uitvoering ervan altijd een democratische basis heeft. • In 2021 stellen alle gemeenten de TVW vast, die zij minimaal eens in de vijf jaar herijken. • In 2022 zetten de deelnemende overheden de RES 1.0 om in ruimtelijk beleid, voor zover dat nodig is om de bijdrage van 1,8 TWh aan de landelijke doelstelling voor duurzame elektriciteit in 2030 te realiseren. • Voor 1 januari 2025 zijn de ruimtelijke procedures voor zonnevelden en windmolens afgerond en de vergunningen verleend, voor zover die nodig zijn om de bijdrage van 1,8 TWh in 2030 te realiseren. • In 2030 is de realisatie van 1,8 TWh duurzame elektriciteitsopwek gereed.
Doelen na 2030
De overstap naar het duurzaam opwekken van elektriciteit en het gebruik van duurzame warmtebronnen gaat door tot 2050. Daarbij heeft Europa de tussendoelstelling voor 2030 bijgesteld van 49% naar 55% beperking van CO2-uitstoot. De verwachte elektriciteitsbehoefte in onze regio in 2050 is 10,8 TWh (met maximaal isoleren en elektrificeren). Er ligt dus nog een aanvullende opgave voor na 2030. In de Ontwerp-RES hebben we opgenomen dat we onderzoeken hoe we de aanvullende opgave voor de periode van 2030 tot 2040 kunnen invullen. Deze onderzoeksdoelstelling blijft staan. De uiteindelijke omvang van deze opgave kunnen we nog niet bepalen.
RES 1.0 | Regio U16 |
Participatie
We sluiten aan op ieders betrokkenheid: die is mogelijk bij de meer abstracte regionale plannen en bij de realisatie van concrete projecten. Bij betrokkenheid kan het gaan om meedoen, bijvoorbeeld in de vorm van 50% lokaal eigenaarschap, om meedoen in de vorm van meepraten over de totstandkoming van initiatieven en om inspraak bij de besluitvorming over die initiatieven. Ook na RES 1.0 blijft participatie een van de pijlers bij de uitwerking van de kansrijke gebieden tot projecten. Daarbij zet de U16 in op zowel regionale als lokale participatie. Het afgelopen jaar hebben inwoners en lokale organisaties hun inbreng kunnen geven op de ontwikkeling van kansrijke gebieden. Voor de komende periode kijken we hoe deze lokale structuur verder versterkt kan worden door bijvoorbeeld in regionaal verband alle betrokken organisaties in het gebied goed te laten vertegenwoordigen. Daarnaast gaat de aandacht uit naar de betrokkenheid van jongeren. Deze regionale ondersteuning biedt kaders om zo te werken aan meer gelijkwaardige vormen van participatie binnen alle gemeenten. Daarnaast wordt de regionale participatie met landelijke en regionale organisaties versterkt door een consistente dialoog te organiseren. Het doel hiervan is om belanghouders te ontwikkelen naar samenwerkingspartners die een structurele inbreng leveren voor de realisatie van projecten en initiatieven.
Hierdoor is het mogelijk om landelijke of regionale belanghouders tijdig te koppelen aan lokale participatietrajecten.
Mogelijkheden voor alternatieve technieken
Niet alle technieken zijn op dit moment voldoende bewezen of ontwikkeld of worden niet meegeteld (bijvoorbeeld waterkracht). Daardoor is de (grootschalige) realisatie van deze technieken voor 2030 niet haalbaar en worden ze niet meegenomen in de doelstellingen. We kunnen de RES wel naar eigen inzicht verbreden en andere technologieën meenemen, al telt dit niet mee voor ons bod. Daarom volgen we in de periode tot de RES 2.0 de landelijke ontwikkelingen omtrent onder meer waterstof, kernenergie en (ultradiepe) geothermie in relatie tot kansen voor de RES.
|
9
Inhoudsopgave 1.
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding en leeswijzer RES 1.0 Kader U16 Status van de RES 1.0
Inleiding
13
2
Gezamenlijk van Ontwerp-RES naar RES 1.0
19
3
Elektriciteit
25
2.1 RES als onderdeel van de energietransitie 2.2 Elektriciteit 2.3 Warmte 2.4 Coronamaatregelen van invloed op participatie
Concept RES | Regio U16 |
36 36 38 39 39 41
43
5
RES in de Brede context
57
6
Onderweg naar 2050: organisatie van het vervolg tot 2030
63
6.1 Ontwikkeling in stappen: de energietransitie is een permanente beweging voor de komende decennia 6.2 Lokale en regionale uitwerking en uitvoering 6.3 Uitgangspunten governance 6.4 Governancestructuur 6.5 Maatschappelijke samenwerking 6.6 Regionaal Uitvoeringsplan
1
Bijlage 1 : Verdieping hoofdstuk elektriciteit: lokale zoekprocessen 4 Bijlage 2 : Onderzoek Zon op dak 32 Bijlage 3 : Zon op dak: dakoppervlak en netcapaciteit 57 Bijlage 4 : Verdieping hoofdstuk warmte: warmtebronnen en energiebesparing 60 Bijlage 5 : RSW notitie samenwerking regionale warmtethema’s 65 Bijlage 6 : RSW notitie opstap naar afwegingskader bovengemeentelijke warmtebronnen 69 Bijlage 7 : RSW notitie gespreksleidraad verdeling bovengemeentelijke warmtebronnen 73 Bijlage 8 : Thematische agenda Elektriciteit en Warmte 76 Bijlage 9 : Netimpactanalyse 80 Bijlage 10 : PBL analyse en monitor 102 Bijlage 11 : Infographics participatie U16 104 Bijlage 12 : Notitie moties en amendementen 113 Bijlage 13 : Quickscan Legeskosten U16 134 Bijlage 14 : Rapport energielandschappen 136 Bijlage 15 : Advies bestuurlijk verkenner 176
27 32 35
Warmte
5.1 Samenhang met de andere doelstellingen van het Klimaatakkoord 5.2 Doelen Klimaatakkoord na 2030 5.3 Innovatie en alternatieve bronnen en energiedragers 5.4 Juridisch context van de RES 5.5 Arbeidsmarkt en scholing als randvoorwaarde
|
25 25 26 27
4
4.1 Inleiding 4.2 Situatieschets RES U16 4.2.1 Warmtebronnen in de regio U16 en de potentie voor bovengemeentelijke inzet 4.2.2 De warmtevraag vanuit de gebouwde omgeving 4.2.3 Regionale koppelkansen en infrastructuur 4.3 Resultaten RSW 4.3.1 Resultaat 1: Gespreksleidraad bij bovengemeentelijke warmtebronnen 4.3.2 Resultaat 2: Monitoren en afstemmen regionale bronnen 4.3.3 Resultaat 3: Samenwerking en kennisuitwisseling op warmtethema’s 4.4 Doorontwikkeling RSW 1.0 4.5 Voorwaarden voor succes bij ambitie RES U16 warmte
10
19 19 20 22
Bijlagen
Concept RES | Regio U16 |
3.1 Inleiding 3.2 Vertrekpunt: kaders en uitgangspunten 3.3 Ambitie van 1,8 TWh met vier bouwblokken als onderbouwing 3.4 Bouwblok 1: Gerealiseerde duurzame opwek en projecten in de pijplijn met de status ‘zeker’ 3.5 Bouwblok 2: Ambitie voor zon op dak 3.6 Bouwblok 3: bijdrage gemeenten die voortkomen uit de lokale zoekprocessen 3.7 Bouwblok 4: continue samenwerking en permanente zoektocht naar zoekgebieden voor duurzame energie’ 3.8 Afwegingskaders NP RES 3.8.1 Ruimtelijke kwaliteit 3.8.2 Systeemefficiëntie 3.8.3 Maatschappelijke en bestuurlijke betrokkenheid 3.9 Bovenregionale afstemming over gebieden 3.10 Voorwaarden voor succes bij ambitieRES U16 Elektriciteit
13 13 14 16
43 44 45 46 48 50 50 51 51 54 54 57 58 58 59 60 63
64 66 67 68 69
|
11
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en leeswijzer Aanleiding
In het Nationale Klimaatakkoord hebben overheden, maatschappelijke organisaties en bedrijven afgesproken dat Nederland de uitstoot van CO2 verlaagt. In 2030 moet de uitstoot 49% lager zijn dan in 1990 en in 2050 95% lager. Deze doelen zijn vastgelegd in de Klimaatwet. In het Klimaatakkoord hebben de partijen vervolgens doelen gesteld en afspraken gemaakt voor vijf sectoren, de zogeheten (thematische) tafels: elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, en mobiliteit.
Concept RES | Regio U16 |
De RES van de regio U16 (RES U16) is een samenwerkingsverband van 21 overheden en netbeheerder Stedin. We hebben onze samenwerking in 2019 bekrachtigd met het opstellen van de Startnotitie. Vervolgens stelden we in 2020 een Ontwerp-RES op waarin we onze regionale ambities bepaalden. De RES 1.0, het document dat nu voor u ligt, is een onderbouwing van die ambities en een volgende stap in ons samenwerkingsverband. De RES 1.0 bevat de keuzes en kaders voor de grote, regionale energievraagstukken van de deelnemende overheden.
Leeswijzer
In hoofdstuk 1 gaan we in op de samenwerking van overheden binnen RES U16, de werkwijze van onze regio en de afwegingskaders van de NPRES waarmee we onze afwegingen maken. In hoofdstuk 2 blikken we terug op het proces dat we de afgelopen maanden hebben doorlopen. In hoofdstuk 3 onderbouwen we de regionale ambitie voor het opwekken van duurzame elektriciteit. In hoofdstuk 4 staan we stil bij de warmtevraag van de gebouwde omgeving, bij de noodzaak om energie te besparen en bij de kansen en mogelijkheden voor duurzame regionale en lokale warmtebronnen in de regio. In hoofdstuk 5 plaatsen we de RES in de bredere context van de energietransitie en de ruimtelijke ontwikkeling in de regio U16. Tot slot
12
|
In de bijlagen vindt u onderzoeken en verdiepende notities die we hebben gebruikt bij het ontwikkelen van de RES 1.0. Denk aan een verdiepende beschrijving van de lokale zoekprocessen, een netimpactanalyse van Stedin en een toelichting op de verwerking van moties en amendementen die zijn vastgesteld bij de besluitvorming over de Ontwerp-RES.
1.2 RES 1.0
De regio U16 bestaat uit zestien gemeenten (Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden, Zeist), vier waterschappen (De Stichtse Rijnlanden; Amstel, Gooi en Vecht; Vallei en Veluwe; Rivierenland), de provincie Utrecht en netbeheerder Stedin. Samen leverden zij in 2020 een Ontwerp-RES op. De denkrichtingen en randvoorwaarden uit die Ontwerp-RES zijn in de RES 1.0 uitgewerkt tot zoekgebieden voor zon- en windenergie en tot een Regionale Structuur Warmte (RSW).
RES 1.0 | Regio U16 | Inleiding
Voor de Regionale Energiestrategie (RES) van de regio U16 nemen we de doelen uit het Klimaatakkoord als uitgangspunt. We dragen met de RES bij aan het behalen van de landelijke doelstellingen van twee tafels: elektriciteit en gebouwde omgeving. Concreet betekent dit dat de regio U16 bijdraagt aan het opwekken van 35 TWh elektriciteit op land. En dat we binnen de regio U16 afspreken hoe we bovengemeentelijke warmtebronnen gaan ontwikkelen en gebruiken voor het verduurzamen van de gebouwde omgeving.
belichten we in hoofdstuk 6 de governance van de RES U16 en zetten we uiteen hoe we na de vaststelling van de RES 1.0 verder werken aan de energietransitie.
De meest duurzame energie is energie die niet hoeft te worden opgewekt. Besparen vinden we als regio daarom van groot belang. Dat wil zeggen isolatie van gebouwen, energiezuinigere productieprocessen en apparaten en energiezuiniger vervoer. Besparing organiseren de deelnemende overheden voor een belangrijk deel buiten de RES om. Energiebesparing in de lokale gebouwde omgeving wordt bijvoorbeeld behandeld in de gemeentelijke transitievisies warmte (TVW’s). Onze RES 1.0 richt zich hoofdzakelijk op het omschakelen naar duurzame technieken met energiebronnen in de regio. Daarbij beperken we zoveel mogelijk de impact op de omgeving hiervan. Dit doen we door bijvoorbeeld maximaal in te zetten op zon-op-dak, rekening te houden met het effect op mens en milieu en ervoor te zorgen dat eenieder mee kan doen. Bijvoorbeeld door betaalbaarheid van warmteoplossingen en een streven naar 50% lokaal eigendom bij windmolens en zonnevelden. Zo gaan we duurzaam voorzien in onze warmteen elektriciteitsvraag.
|
13
1.3 Kader U16 Ambitie elektriciteit Onze bijdrage aan de landelijke doelstelling voor 2030 voor het opwekken van duurzame elektriciteit bedraagt 1,8 TWh. Deze ambitie is gelijk aan de ambitie uit de Ontwerp-RES en ligt binnen de bandbreedte uit de Startnotitie, die we hebben vastgesteld op basis van de energiebehoefte en de verwachte landelijke verdeling. Natuurlijk stopt de elektriciteitsopgave niet in 2030. De overstap naar het duurzaam opwekken van elektriciteit en het gebruik van duurzame warmtebronnen gaat door tot 2050. Voor de periode van 2030 tot 2040 onderzoeken we gezamenlijk welke ambitie we willen vaststellen en hoe we deze gaan invullen. Technieken Elektriciteit We zoeken naar oplossingen die binnen onze invloedsfeer en binnen de mogelijkheden van de
1
14
regio liggen. Voor de elektriciteitsbehoefte richten we ons op het opwekken van grootschalige duurzame elektriciteit uit zon en wind. Deze technieken zijn momenteel haalbaar (technical readiness level is hoog) en op grote schaal in te zetten voor de opwek van duurzame elektriciteit. Hiermee kunnen deze op korte termijn een bijdrage leveren aan onze doelstellingen. Bij elektriciteit uit zon gaat het om zowel zon op veld als zon op dak. Gelet op afspraken in het Nationaal Klimaatakkoord voor zon op dak rekenen we alleen grootschalige projecten met een omvang van meer dan 15 kWp mee (vanaf circa zestig panelen). Elektriciteit uit zon op kleinere daken telt wel mee voor de landelijke doelstelling, maar niet voor de doelstelling van de RES1. Bij elektriciteit uit wind gaat het in de RES alleen over wind op land. In het Klimaatakkoord zijn grote ambities opgenomen voor wind op zee, namelijk 49 TWh, maar deze ambitie staat los van onze RES. Regionale Structuur Warmte en gemeentelijke Transitievisies Warmte De regionale warmtevraag moet ingevuld worden met warmte uit duurzame bronnen. In de regio zijn hiervoor de eerste stappen gezet. In transitievisies warmte (TVW’s) leggen alle gemeenten in 2021 vast wat hun aanpak is, welk tempo zij hanteren in de overstap naar aardgasvrij en welke warmteoplossingen per wijk, buurt of gebied het meest voor de hand liggen.
Regionaal werken de gemeenten waar nodig samen. Binnen de RES noemen we het deel dat over warmte gaat de Regionale Structuur Warmte (RSW). Gemeenten maken samen afspraken over het ontwikkelen en gebruiken van bovengemeentelijke warmtebronnen. In hoofdstuk 4 lichten we dit verder toe. Afwegingskaders van Nationaal Programma RES Het Nationaal Programma RES heeft alle RES-regio’s vier kaders meegegeven waarmee de verschillende belangen worden afgewogen bij het uitwerken van de regionale ambities. Die afweging is nodig om tot een uitvoerbare RES te komen. • Kwantiteit. De opgave voor de opwek van hernieuwbare elektriciteit voor alle regio’s samen is 35 TWh op land tot 2030. De opgave voor de periode daarna is nog niet bepaald. De regio’s kunnen zelf de verhouding tussen zon en wind kiezen. De regio U16 levert een bijdrage van 1,8 TWh aan de landelijke opgave. Voor warmte leveren de regio’s een RSW op. Die biedt onder andere inzicht in de warmtevraag en het warm-
Indien de doelstelling van 35 TWh verhoogd wordt zal deze extra opgave allereerst ingevuld worden met Wind op Zee en kleinschalig zon. Inspanningen die leiden tot meer dan 7 TWh kleinschalig zon op dak, tellen in het geval dat de landelijke doelstelling van 35 TWh wordt verhoogd wel mee.
|
te-aanbod en een beschrijving van de mogelijkheden voor een nieuwe bovengemeentelijke warmte-infrastructuur. • Ruimtelijke kwaliteit. De opgaven voor elektriciteit en warmte moeten worden vertaald naar zoekgebieden en locaties. Maar ruimte is schaars. In de regio U16 is veel van onze ruimte al belegd met functies, zoals natuur, woningbouw en bedrijventerreinen. De energietransitie concurreert met andere functies (zoals natuur, woningbouw en bedrijventerreinen), andere opgaven en andere belangen die om ruimte vragen. Niet alles kan zomaar overal. Voor de energietransitie moeten regio’s daarom keuzes en afwegingen maken in samenhang met andere opgaven. Daarbij is het belangrijk om te streven naar een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing van verschillende functies. Bij de energietransitie gaat het onder andere om ruimte voor: - Windmolens en zonnevelden; - Installaties voor warmtebronnen zoals geothermie en bio-vergisting; - Het aanpassen en uitbreiden van de infrastructuur voor elektriciteit, gas en warmte (denk aan middenspanningsstations, boosters voor groen gas en aan warmtenetten); - Het opslaan en/of converteren van elektriciteit (bijvoorbeeld buurtaccu’s of centrales die elektriciteit omzetten in duurzame gassen of andersom); - Het onder- of bovengronds opslaan van warmte. • Bestuurlijke en maatschappelijke betrokkenheid.