Agendabundel
Tekst van het document
Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2 Voorwerp van de belasting
1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak. 2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 3. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2. Als voor met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c.
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f.
openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i.
werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
j.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
k.
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
l.
begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
2. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5 Belastingtarieven 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting: 0,4151% b. de eigenarenbelasting: i. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,0806% ii. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,5140%
Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7 Termijnen van betaling 2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand
volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 3. In afwijking van het eerste lid moeten de aanslagen, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, worden betaald in maximaal tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand later. 4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 8 Overgangsbepaling De 'Verordening onroerende-zaakbelastingen 2025 gemeente Utrecht’ vastgesteld bij raadsbesluit van 12 december 2024 (Gemeenteblad van Utrecht 2024, nr. 529741), wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 9, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 9 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
Artikel 10 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: 'Verordening onroerende-zaakbelasting 2026 gemeente Utrecht’. Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van datum. De griffier, Miguel Israel De burgemeester, Sharon A.M. Dijksma
Commissie Veiligheid, Bestuur en Financiën Dossiernummer
4917
Vertrouwelijk
Nee
Vergaderdatum
11 december 2025
Agendapunt
3.3
Titel
Raadsvoorstel Gedragscode burgemeester en wethouders 2025
ID
5145
Behandelend ambtenaar
Nicole Temmink
Telefoon E-mail
nicole.temmink@utrecht.nl
Datum collegebesluit Geocodering
Stad Utrecht
Thema
Bestuur en ondersteuning
Portefeuillehouder
Burgemeester Dijksma
Beleidsveld
Bestuurlijke zaken
Referendabel
Nee
Reden niet referendabel
Sub b: Raadsvoorstel tot vaststelling of wijziging van rechtspositionele regeling.
Raadsadviseur (lijst)
Florien Bouts/Juridische zaken, Ombudszaken/0629098240
Behandelvoorstel Resultaat commissiebehandeling Resultaat raadsbehandeling Geagendeerd
Vergaderdatum
Commissie Veiligheid, Bestuur en
11 december 2025
Financiën Voorgesteld besluit
Gedragscode voor burgemeester en wethouders gemeente Utrecht
De raad van de gemeente Utrecht Gelet op artikel 41c, tweede lid, artikel 69, tweede lid en artikel 15, derde lid, van de Gemeentewet Besluit vast te stellen de volgende Gedragscode voor burgemeester en wethouders gemeente Utrecht.
Hoofdstuk 1 Het voorkomen van belangenverstrengeling Collegeleden staan midden in de maatschappij en hebben oog voor wat er leeft en speelt. In hun werk houden zij altijd het algemeen belang voor ogen en gaan zij actief en uit zichzelf belangenverstrengeling tegen. Zij mogen hun invloed en stem niet gebruiken om een persoonlijk belang veilig te stellen van zichzelf, een ander, of een organisatie waarmee zij een persoonlijke betrokkenheid hebben.
Artikel 1.1 Onthouden deelname beraadslaging en stemming 1. Collegeleden onthouden zich van deelname aan de beraadslaging en stemming als er sprake is van een situatie in strijd met artikel 58 en 28 Gemeentewet. 2. Als collegeleden ingevolge het eerste lid niet deelnemen aan de beraadslaging en de stemming, melden zij dit voorafgaand aan de behandeling van het agendapunt aan de voorzitter en vermelden zij op welke wijze de besluitvorming hun in het bijzonder aangaat. Collegeleden beïnvloeden de besluitvorming in dat geval ook niet op andere manieren. Het onthouden van deelname aan de beraadslaging en stemming wordt aangetekend in de besluitvorming. 3. Collegeleden die in de vergadering aanwezig zijn en voor wie artikel 58 en artikel 28 Gemeentewet niet van toepassing zijn, kunnen zich in onderling overleg onthouden van beraadslaging en/of stemming, indien meedoen aan de beraadslaging of stemming nadelige effecten zou hebben of ongewenste beeldvorming zou oproepen. 4. Collegeleden die familie- of vriendschapsbetrekkingen of anderszins persoonlijke betrekkingen heeft met een aanbieder van diensten aan de gemeente, onthoudt zich van deelname aan de besluitvorming over de betreffende opdracht.
Artikel 1.2 Melden van nevenfuncties en lidmaatschappen 1. Collegeleden leveren de gemeentesecretaris bij aanvang van hun ambt de informatie aan over nevenfuncties die zij bekleden en voor zover de wet daartoe verplicht, daaruit voortkomende inkomsten, die op grond van artikel 41b en artikel 67 Gemeentewet openbaar gemaakt moeten worden. Ook melden zij de lidmaatschappen die relevant zijn met het oog op hun ambt. Als zij gedurende hun ambt nieuwe functies of nieuwe relevante lidmaatschappen aanvaarden of de omstandigheden met betrekking tot bestaande functies of lidmaatschappen wijzigen, wordt de informatie die hierop betrekking heeft direct aangeleverd bij de gemeentesecretaris. Ook toekomstige functies en lidmaatschappen worden gemeld, op het moment dat het collegelid er kennis van heeft. 2. De informatie betreft in ieder geval: a. de omschrijving van de functie of het lidmaatschap;
b. de organisatie waarvoor de functie wordt verricht of waarvan het collegelid lid is; c.
per wanneer de functie wordt verricht of het lidmaatschap is gestart;
d. het tijdsbeslag van de functie of het lidmaatschap; e. of het al dan niet een functie of lidmaatschap betreft die voortvloeit uit het ambt; f.
of de functie bezoldigd of onbezoldigd is;
g. indien de functie bezoldigd is en voor zover de wet daartoe verplicht: wat daaruit de inkomsten zijn. 3. Voor functies uit hoofde van het ambt (ambtsgebonden nevenfuncties/q.q) worden alle vergoedingen, waaronder de onkostenvergoedingen, in de gemeentekas gestort. Daartegenover staat dat de collegeleden de werkelijke kosten in rekening brengen. 4. Een functie is een functie uit hoofde van het ambt als wordt voldaan aan ten minste een van de volgende criteria: a. aanbeveling, voordracht, keuze of benoeming geschiedt door de raad of door het college; b. het betreft een functie in een orgaan waarin de gemeente deelneemt of waar zij deel van uitmaakt; c.
collegeleden kunnen de nevenfunctie niet blijven bekleden als zij uit de hoofdfunctie vertrekken;
d. er is een aantoonbaar belang voor de gemeente dat de nevenfunctie door een gemeentebestuurder wordt vervuld; e. vanuit een nevenfunctie is men benoemd, aangewezen of gekozen in een andere nevenfunctie die voldoet aan een of meer van de bovenvermelde criteria. 5. Het voornemen tot aanvaarding van een nieuwe nevenfunctie wordt overeenkomstig de wet gemeld aan de raad. 6. Collegeleden vervullen geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van hun ambt, in het bijzonder wanneer sprake is van botsende belangen of verantwoordelijkheden. 7. De gemeentesecretaris legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is openbaar en via internet beschikbaar.
Artikel 1.3 Melden van financiële belangen 1. Collegeleden doen bij de gemeentesecretaris opgaaf van hun relevante en significante financiële belangen (zoals aandelen, opties en derivaten) in ondernemingen waarmee de gemeente zakendoet of waarin de gemeente een belang heeft. Ook een tijdens het ambt ontstaan financieel belang dient opgegeven te worden. 2. De informatie betreft in ieder geval:
a. een omschrijving van het belang (aard en omvang); b. de organisatie waarin het financiële belang bestaat; c.
de aanvangsdatum van het financiële belang.
3. De gemeentesecretaris legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is openbaar en via internet beschikbaar.
Artikel 1.4 Afspraken bij verboden handelingen en verboden overeenkomsten 1. Collegeleden die voornemens zijn een handeling te verrichten of een overeenkomst aan te gaan als mogelijk bedoeld in de artikelen 41c, 69 en 15 lid 1 Gemeentewet, bespreken dit voornemen in het college. 2. Als het collegelid het nodig acht ontheffing te vragen als bedoeld in artikel 15 lid 2 Gemeentewet, dan ondersteunt de gemeentesecretaris bij het aanvragen van de ontheffing.
Artikel 1.5 Afspraken over functies na aftreden 1. De bestuurder handelt in de uitoefening van zijn ambt niet zodanig dat hij vooruitloopt op een functie na aftreden. 2. De bestuurder bespreekt met de burgemeester het voornemen tot aanvaarding van een functie na aftreden, wanneer er bij die functie sprake is van een (schijn van) belangenverstrengeling. 3. De bestuurder wordt de eerste twee jaar na de beëindiging van zijn betrekking uitgesloten van het tegen betaling verrichten van werkzaamheden voor de gemeente op het terrein van zijn voormalige portefeuille. Hieronder vallen ook werkzaamheden via een (andere) rechtspersoon, waarbij hij een overwegende feitelijke zeggenschap heeft. Van de werkzaamheden zijn het raadsen wijkraadslidmaatschap en een dienstbetrekking bij de gemeente uitgezonderd. De burgemeester kan in bijzondere gevallen uitzonderingen toestaan op deze bepaling als toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. 4. De bestuurder wordt gedurende de eerste twee jaar na beëindiging van zijn betrekking uitgesloten van het optreden als bemiddelaar, lobbyist of tussenpersoon in zakelijke contacten met de gemeente binnen zijn voormalige portefeuille. 5. Het college draagt de (oud-) burgemeester of een (oud-) wethouder niet eerder dan een jaar na aftreden voor als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij.
Onder verbonden partij wordt verstaan hetgeen hieronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
Hoofdstuk 2 Geschenken, uitnodigingen en buitenlandse dienstreizen Collegeleden mogen hun invloed en stem niet laten kopen of beïnvloeden door gekregen of in het vooruitzicht gesteld geld, goederen, diensten of uitnodigingen.
Artikel 2.1 Omgang met geschenken, faciliteiten en diensten
1. Collegeleden accepteren geen geschenken, faciliteiten of diensten als hierdoor de verwachting kan bestaan of had moeten bestaan dat een tegenprestatie wordt gevraagd of dat anderszins hun onafhankelijke positie wordt aangetast. 2. Collegeleden kunnen incidentele geschenken met een (geschatte) waarde van ten hoogste € 50 behouden. 3. Geschenken of vergoedingen die collegeleden uit hoofde van zijn ambt ontvangt met een (geschatte) waarde van meer dan € 50 worden, als zij niet worden teruggestuurd, eigendom van de gemeente. 4. Collegeleden melden de gemeentesecretaris als zij geschenken, faciliteiten of diensten ontvangen van derden met een geschatte waarde van €50 of meer. De gemeentesecretaris legt hiervoor een openbaar register aan. Ook geschenken met een waarde onder de €50 kunnen collegeleden daarin laten opnemen. 5. Geschenken worden niet op het huisadres ontvangen.
Artikel 2.2 Uitnodigingen 1. Collegeleden accepteren lunches/diners, excursies, evenementen, recepties en andere uitnodigingen alleen als dat behoort tot de uitoefening van hun ambt, hun aanwezigheid functioneel is en de aard van de uitnodiging niet bovenmatig is. 2. Bij twijfel over de vraag of uitnodigingen voldoen aan de normen uit het eerste lid, overleggen collegeleden in het college. 3. Uitnodigingen die niet passen binnen de kaders zoals opgenomen in lid 1 worden geacht privé en voor eigen rekening te zijn.
Artikel 2.3 Internationale reizen 1. Collegeleden die het voornemen hebben uit hoofde van hun ambt of uit hoofde van een ambtsgebonden nevenfunctie een internationale reis (daaronder valt ook een reis naar de landen van het Koninkrijk in de Caraïben en de BES eilanden) te maken of worden uitgenodigd voor een internationale reis of werkbezoek op kosten van derden, hebben vooraf toestemming nodig van het college. De betreffende collegeleden verschaffen voor de besluitvorming informatie over het doel van de reis, het gekozen vervoersmiddel, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het gezelschap, de geraamde kosten en de wijze waarop van de reis verslag wordt gedaan. Het gemeentelijk belang van de reis is doorslaggevend voor de besluitvorming. 2. Internationale werkbezoeken tot 750 kilometer vanaf Utrecht worden per (snelle) trein afgelegd, waarbij het college de bevoegdheid heeft (in incidentele gevallen) af te wijken van deze richtlijn, bijvoorbeeld vanwege reisduur. Bij afstanden groter dan 750 kilometer wordt de CO2-uitstoot van vluchten standaard gecompenseerd. Per vliegtuig mag in beginsel niet in de eerste klasse (of daarmee vergelijkbare klasse) worden gereisd. Slechts voor zover de omstandigheden daartoe noodzaken staat het college een collegelid toe om met een hogere klasse te reizen.
De compensatie van de CO2-uitstoot, wanneer toch gevlogen wordt, wordt in de reiskosten voor de betreffende buitenlandse reis meegenomen. 3. Lid 1 is niet van toepassing op werkbezoeken aan Europese instellingen.
4. Het ten laste van de gemeente meereizen van de partner van een collegelid naar en in het buitenland is uitsluitend toegestaan wanneer dit gebeurt op uitnodiging van de ontvangende partij en het belang van de gemeente daarmee gediend is. Het meereizen van de partner wordt bij de besluitvorming betrokken. 5. Het anderszins meereizen naar en in het buitenland van derden op kosten van de gemeente is niet toegestaan, tenzij het meereizen aantoonbaar in het belang is van de gemeente. De overwegingen hiertoe worden schriftelijk vastgelegd. 6. Het verlengen van een buitenlandse dienstreis voor privédoeleinden moet betrokken worden bij de besluitvorming. De extra reis- en verblijfkosten komen volledig voor rekening van het collegelid. 7. De gemeenteraad wordt geïnformeerd over internationale reizen die vanuit het ambt en vanuit ambtsgebonden nevenfuncties worden gemaakt, daarbij wordt het reistype nader toegelicht. 8. De gemeentesecretaris legt een register aan waarin staat wat de bestemming, het doel, de duur van de reis en het reistype is (geweest) en wat daarvan de (beoogde) kosten zijn voor de gemeente. Het register is openbaar en via internet beschikbaar.
Hoofdstuk 3 Gemeentelijke voorzieningen Collegeleden gaan op een behoedzame manier om met gemeentelijke faciliteiten en financiële middelen die hun ter beschikking staan en gebruiken die alleen waar ze voor zijn bedoeld.
Artikel 3.1 Gebruik van voorzieningen Collegeleden houden zich aan de regels voor het gebruik van algemene interne voorzieningen. Collegeleden gebruiken gemeentelijke voorzieningen en eigendommen alleen waarvoor zij zijn bedoeld.
Artikel 3.2 Onkostenvergoedingen en declaraties De in redelijkheid door collegeleden gemaakte noodzakelijke onkosten worden vergoed. Collegeleden houden zich aan de regels die gelden voor onkostenvergoedingen en declaraties. Zij declareren geen zaken die door de onkostenvergoedingen worden gedekt.
Artikel 3.3 Gebruik ICT-middelen Collegeleden houden zich bij gebruik van de ICT-middelen van de gemeente aan het protocol automatiseringsmiddelen. Daarbij is van belang dat: a. b. c. d. e.
gegevensdragers niet onbeveiligd en onbewaakt worden achtergelaten; wachtwoorden niet worden gedeeld; collegeleden hun digitale devices niet uitlenen aan anderen, ook niet tijdelijk; alleen zakelijke email wordt gebruikt voor hun werkzaamheden; documenten met (herleidbare) persoonsgegevens enkel door middel van een beveiligde e-mail met externe personen worden gedeeld in overeenstemming met de eisen die de wet stelt.
Artikel 3.3 Gebruik dienstauto
Collegeleden mogen de dienstauto met chauffeur gebruiken voor vervoer voor woon-werkverkeer, zakelijk gebruik en ambtsgebonden nevenfuncties. Kosten voor het gebruik van openbaar vervoer en de belastingvrije kilometervergoeding voor woon-werkverkeer, zakelijk gebruik en ambtsgebonden nevenfuncties worden vergoed. In geval van twijfel over de toepassing van dit artikel bespreken collegeleden dit in het college.
Hoofdstuk 4 Omgang met informatie Collegeleden gaan zorgvuldig en correct om met de informatie waarover zij beschikken. Daar hoort ook bij dat zij niet met opzet een feitelijk onjuiste voorstelling van zaken geven over gebeurtenissen in en rond de gemeente.
Artikel 4.1 Geheimhoudingsplicht 1. Collegeleden die de beschikking krijgen over gegevens waarvan zij het geheime karakter kennen of waarvan zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat ze onder geheimhouding zullen gaan vallen, zijn verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behalve als de wet hen tot mededeling verplicht. 2. Geheime informatie wordt door collegeleden veilig gebruikt en bewaard.
Artikel 4.2 Gebruik informatie voor eigen gewin 1. Collegeleden maken niet voor eigen gewin of voor het gewin van een ander gebruik van (nog) niet-openbare informatie waar zij als collegeleden over beschikken. 2. In uitlatingen in of op (sociale) media houden collegeleden de eer en het aanzien van de gemeente hoog.
Hoofdstuk 5 Omgangsvormen Collegeleden gaan binnen en buiten de vergaderzaal op respectvolle wijze om met elkaar, raadsleden, ambtenaren en inwoners. Zij onthouden zich, ook in de privésfeer, van gedragingen die schadelijk zijn of kunnen zijn voor de eer en het aanzien van de gemeente.
Artikel 5.1 Omgangsvormen 1. Collegeleden bejegenen elkaar, de raadsleden, de griffier, de gemeentesecretaris, andere ambtenaren en inwoners op correcte wijze zowel mondeling, schriftelijk als in de (sociale) media. Zij blijven ver weg van pestgedrag, seksuele intimidatie, discriminatie, agressie en geweld. Ook ‘op de persoon spelen’, grof taalgebruik en ongefundeerde beschuldigingen van strafbaar gedrag aan het adres van ambtenaren, collegeleden, raadsleden of inwoners zijn ongewenste omgangsvormen. 2. Vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid bewaken en bevorderen collegeleden actief de sociale veiligheid in het college en in de organisatie. Dat doen collegeleden door zelf het goede voorbeeld te geven en elkaar aan te spreken op ongewenst gedrag. Collegeleden kunnen elkaar hierbij ondersteunen. 3. Als collegeleden ongewenst gedrag van andere collegeleden, ambtenaren of raadsleden ervaren (hebben), kunnen zij zich wenden tot de vertrouwenspersoon voor advisering en ondersteuning.
Artikel 5.2 Omgangsvormen in vergadering 1. Collegeleden houden zich tijdens de college-, raads- en commissievergaderingen aan de toepasselijke Reglementen van Orde voor college, raad en commissies. 2. Collegeleden spreken in het debat in raads- of commissievergaderingen via de voorzitter. 3. Collegeleden kunnen de voorzitter wijzen op een (mogelijk) grensoverschrijdende bejegening.
Artikel 5.3 Gebruik sociale media en e-mail Collegeleden gaan bewust om met sociale media en e-mail. Zij gaan zorgvuldig om met het delen van informatie, zijn zich ervan bewust dat gedragsregels ook online gelden en maken duidelijk vanuit welke rol zij spreken.
Hoofdstuk 6 Overige afspraken Artikel 6.1 Gedragscode als leidraad Als leidraad voor het handelen van collegeleden, kan de gedragscode steun bieden bij het maken van afwegingen. Maar elke situatie is weer anders en er zullen altijd weer leemtes of onduidelijkheden zijn. Daarom is het belangrijk om als collegeleden met elkaar in gesprek te blijven over de inhoud en toepassing van de gedragscode en de onderliggende waarden. Op voorstel van de burgemeester maakt het college in ieder geval afspraken over de periodieke bespreking van het onderwerp integriteit in het algemeen en van de gedragscode in het bijzonder.
Artikel 6.2 Toezicht op naleving 1. De collegeleden zelf, maar ook de raad, zien erop toe dat de collegeleden de gedragscode van het college naleven. 2. Bij vermoedens van een integriteitsschending of bij ervaren ongewenst gedrag, geldt het 'Protocol vermoeden integriteitsschending' respectievelijk het 'Protocol ongewenst gedrag'.
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 7.1 Intrekking De ‘Gedragscode voor burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht 2018’ (zoals vastgesteld op 5 juli 2018) wordt ingetrokken.
Artikel 7.2 Geadresseerden Deze gedragscode is van toepassing op de individuele collegeleden en op de bestuursorganen college van B&W en burgemeester.
Artikel 7.3 Evaluatie Minimaal een keer per bestuursperiode evalueert de raad de gedragscode op actualiteit, functioneren en of deze naar behoren wordt nageleefd. Het college wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven op de eigen gedragscode.
Artikel 7.4 Inwerkingtreding
Deze gedragscode treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking.
Artikel 7.5 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: 'Gedragscode voor burgemeester en wethouders gemeente Utrecht'. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van <datum>. De burgemeester, Sharon A.M. Dijksma De griffier, Miguel Israel
Algemene toelichting
Inleiding Goed bestuur is integer bestuur. Zonder integer bestuur zal het vertrouwen in de democratische rechtsstaat ondermijnd raken en het draagvlak voor de naleving van wetten en regels verdwijnen.
Integriteit van burgemeester en wethouders (hierna ook: collegeleden) verwijst naar de zorgvuldigheid die zij moeten betrachten bij het invullen van hun rol in de democratische rechtsstaat. Vertrekpunt daarbij is de eed of belofte die zij bij hun benoeming afleggen. Daarin verklaren collegeleden hun plichten “naar eer en geweten” te zullen vervullen. Deze gedragscode geldt niet alleen voor de burgemeester en de wethouders als individuele collegeleden maar ook voor de bestuursorganen: het college van B&W en de burgemeester.
Deze gedragscode helpt collegeleden invulling te geven aan deze woorden. Ze bevat een nadere invulling en concretisering van de wettelijke regels. Daarnaast bevat ze kernbegrippen en onderlinge afspraken die bedoeld zijn als houvast en toetssteen. Zo vormt de gedragscode een beoordelingskader bij twijfel, vragen en discussies. De gedragscode bevat ook afspraken over gewenste onderlinge omgangsvormen. Een respectvolle omgang tussen collegeleden, raadsleden en ambtenaren, met behoud van eigen politieke inhoud en stijl, is immers niet alleen gewenst op individueel niveau, maar ook een voorwaarde voor het optimaal functioneren van het college in het democratisch samenspel. Daarnaast is het van groot belang voor het vertrouwen van inwoners in de Utrechtse democratie. De wettelijke grondslag voor deze gedragscode is artikel 41c lid 2 en artikel 69 lid 2 in combinatie met artikel 15 lid 3 Gemeentewet. Het rechtskarakter van de gedragscode is dat van een interne regeling. Dat wil niet zeggen dat de gedragscode vrijblijvend is. Collegeleden kunnen op correcte naleving worden aangesproken en zij dienen zich over de naleving ervan te verantwoorden naar elkaar, naar de burgemeester, naar de raad en naar inwoners van de gemeente Utrecht.
Om die reden zijn in Utrecht ook handelingsprotocollen opgesteld, waarin staat hoe te handelen bij twijfel of vermoedens van integriteitsschendingen en wat je kan doen als je ongewenst gedrag ervaart. Uiteindelijk geldt: integriteit moet je doen. Een integriteitsbeleid dat alleen op papier bestaat is een dode letter. Daarom is het goed als het handelen van collegeleden regelmatig onderwerp van gesprek is, juist ook onderling. Deze gedragscode biedt daar een kader voor en biedt handvatten voor kritische reflectie.
Utrechtse waarden
Verantwoordelijkheid Met macht komt verantwoordelijkheid. Collegeleden tonen zich bewust dat hun positie in onze democratische rechtsstaat met zich meebrengt dat zij bereid zijn over hun handelen verantwoording af te leggen, naar elkaar, naar de raad en naar de inwoners toe. Bij hun handelen stellen zij de kwaliteit van het openbaar bestuur centraal.
Zorgvuldigheid Op collegeleden moet men kunnen rekenen. Zij stellen het belang van Utrecht voorop. Collegeleden handelen zodanig dat organisaties en inwoners op gelijke wijze en met respect worden bejegend en dat belangen van partijen op correcte wijze worden afgewogen. In het samenspel met de ambtelijke organisatie en de raad handelen collegeleden met respect voor ieders rol en hanteren zij correcte omgangsvormen.
Openheid Collegeleden handelen transparant en leggen over hun handelen proactief verantwoording af. Bij twijfel over wat juist is om te doen, zijn zij open en bespreken zij dilemma’s.
Meer dan regels Integriteit is meer dan het respecteren van de juridische kaders. Het is ook belangrijk dat collegeleden aan de buitenwereld kunnen uitleggen waarom zij tot keuzes komen. Collegeleden zijn zich bewust van het feit dat hun handelen binnen en buiten het Stadhuis en het Stadskantoor van invloed is op hoe inwoners en bedrijven naar de gemeente kijken en daarmee van invloed is op het vertrouwen in de gemeente. Schending van integriteitsnormen of publieke discussie daarover brengen niet alleen schade toe aan individuele politieke ambtsdragers, maar ook aan het collectief dat zij vertegenwoordigen: de gemeente Utrecht.
Toelichting per hoofdstuk Hoofdstuk 1
Bij veel besluiten die het college neemt, kan direct of indirect een persoonlijk belang van collegeleden in het geding zijn. Dat is inherent aan wonen, werken en recreëren in Utrecht. Een persoonlijk belang hebben bij besluiten is op zichzelf niet doorslaggevend bij de vraag of sprake is van belangenverstrengeling. Een collegelid dient zich volgens de wet alleen van beraadslaging en stemming te onthouden als hij - naast een persoonlijk belang - ook een onmiddellijk of actueel belang bij een aangelegenheid heeft. Onder omstandigheden kan het handiger zijn om niet deel te nemen aan de besluitvorming, als dit nadelige effecten zou hebben of ongewenste beeldvorming zou kunnen oproepen. De ‘schijn tegen’ hebben kan – ondanks dat er juridisch geen belemmeringen zijn – toch problematisch zijn.
Voorbeeld Ben je jarenlang in het onderwijs werkzaam geweest, dan ligt het misschien voor de hand om onderwijs in portefeuille te hebben. Maar als je als wethouder met het schoolbestuur om tafel moet waar je tot voor kort onderdeel van was of waarvoor je hebt gewerkt, dan kan het handig zijn om je afzijdig te houden van het dossier. Nadelige effecten of ongewenste beeldvorming kunnen zo worden vermeden. Dat is een vorm van bestuurlijke hygiëne. Hetzelfde geldt voor het wijkwethouderschap van je eigen wijk of ruimtelijke ontwikkelingen in de stad waar je zelf direct belanghebbende bent. Let wel: het moet gaan om bijzondere gevallen, wanneer een duidelijk verband bestaat (of kan worden gelegd) tussen bestuurlijke besluitvorming en eigen belangen.
“Middellijk” Overigens moet je je ook van beraadslagen en meestemmen onthouden als het persoonlijk belang van bloed-- of aanverwanten of een andere intensieve persoonlijke relatie in het geding is.
Meer dan regels Naast de juridische kaders, waarbinnen zoals hierboven beschreven, niet snel sprake is van belangenverstrengeling, speelt ook de buitenwereld een rol. Die kijkt vaak kritisch mee. Het is belangrijk dat collegeleden aan inwoners en media kunnen uitleggen dat hun persoonlijk belang geen invloed heeft op de besluitvorming. Publieke discussie hierover kan immers afbreuk doen aan het vertrouwen in een collegelid en de gemeente. Het collegelid maakt in de eerste plaats zelf de afweging of het zich dient te onthouden van een stemming of beraadslaging. Twijfel je? Bespreek het dan in het college en vraag advies.
Transparantie Om discussie te voorkomen hebben we in de Utrechtse politiek afgesproken steeds proactief transparant te maken in hoeverre bepaalde besluiten jou ook persoonlijk aangaan, welke financiële belangen mogelijk meespelen en wat jouw nevenfuncties zijn (artikel 41b en 67 Gemeentewet).
Ook toekomstige nevenfuncties die bij jou al bekend zijn (over zes maanden word je voorzitter van de Fietsersbond, of penning- meester bij de tennisclub), meld je in het register. Zo zijn we open over toekomstige privébelangen die nu al een rol kunnen spelen bij publieke besluiten.
Melden financiële belangen Belangenverstrengeling ligt ook op de loer als je financiële belangen hebt bij een organisatie of onderneming die een relatie met de gemeente heeft of kan krijgen, en waarover de gemeente besluiten neemt. Voorbeelden zijn besluiten over bestemmingsplannen, aanbestedingen, subsidieverstrekking, verlenen van advies- en onderzoeksopdrachten. In dat geval is het goed melding te maken van jouw financiële belangen - of die van je partner of een intensieve persoonlijke relatie. Het begrip ‘financieel belang’ moet ruim worden opgevat. Een deelneming in een bedrijf of onderneming valt hieronder, maar ook het bezit van effecten, bouwgrond, onroerend goed. Zulke financiële belangen kunnen een rol gaan spelen bij afwegingen die je maakt over bijvoorbeeld bestemmingsplannen of grondverkopen. Ook negatieve financiële belangen, zoals schulden uit hypothecaire vorderingen, kunnen relevant zijn.
Verboden handelingen en overeenkomsten Tot slot bevat de gedragscode ook afspraken die betrekking hebben op artikel 15 Gemeentewet. Daarin staan handelingen en overeenkomsten die collegeleden niet mogen verrichten of aangaan. Het gaat dan met name om situaties waarin je wederpartij bent en dus tegenover de gemeente komt te staan. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de stichting waarvan je voorzitter bent, een pand wil kopen of huren van de gemeente. In sommige gevallen is een ontheffing mogelijk. In andere gevallen werpt artikel 15 geen belemmeringen op: bijvoorbeeld als je als inwoner zelf bezwaar hebt tegen een besluit van de gemeente. Omdat er veel uitzonderingen en nuances zijn, willen we hier zorgvuldig mee omgaan. De afspraak is om bij twijfel advies in te winnen in het college.
Artikel 1.5 Dit artikel beoogt te voorkomen dat de oud-bestuurder kennis en contacten opgedaan uit hoofde van zijn functie als bestuurder van de gemeente, na beëindiging van zijn betrekking bij de gemeente gebruikt voor commercieel of persoonlijke doeleinden. De reikwijdte van dit artikel is niet beperkt tot de oud-bestuurder die een eenmanszaak heeft of als zzp’er werkzaamheden voor de gemeente verricht, maar strekt zich tevens uit tot die situaties waarin de oud-bestuurder overheersende feitelijke zeggenschap heeft over de werkzaamheden die ten behoeve van de gemeente worden verricht. Daarbij is de juridische (rechts)vorm waarin de werkzaamheden worden verricht geen relevante maatstaf. Zo geldt dit artikel ook voor de oud-bestuurder die werkzaam is bij een BV en hij overheersende feitelijke zeggenschap heeft over de werkzaamheden ten behoeve van de gemeente. Van ‘overheersend’ zal geen sprake zijn, als de oud-bestuurder lid is van een meerkoppige directie en daarmee slechts enige invloed heeft. Uit het criterium ‘feitelijk’ vloeit voort, dat niet slechts een formele functie van de oud-bestuurder onder deze bepaling valt, maar alleen de omstandigheid dat de oud-bestuurder daadwerkelijk overheersende invloed uitoefent op de uitvoering van de werkzaamheden.
Het bedrijf waar de oudbestuurder werkzaam wenst te zijn, kan interne maatregelen treffen om de feitelijke en overheersende invloed van de oud-bestuurder op de werkzaamheden voor de gemeente te beperken.
Wettelijk kader Artikel 41b en 67 Gemeentewet (nevenfuncties) Artikel 36b en 68 Gemeentewet (onverenigbare functies) Artikel 41c, 69, 15 Gemeentewet (verboden handelingen en overeenkomsten) Artikel 58 en 28 Gemeentewet (onthouden deelname aan beraadslaging en stemming)
Hoofdstuk 2 Geschenken en uitnodigingen kunnen een sluiproute naar beïnvloeding zijn. Uitgangspunt bij de regels over geschenken, faciliteiten, diensten en uitnodigingen is dat kleine attenties en attenties die een functioneel doel hebben mogen worden aangenomen. Voor de publieke verantwoording en het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling, meld je attenties met een (geschatte waarde) vanaf €50 aan de secretaris, voor opname in het register. Komt door het geschenk je onafhankelijke positie of oordeelsvermogen in het geding, dan weiger je het geschenk.
Voorbeeld Gaat het om een bloemetje omdat je bijvoorbeeld een lezing hebt gegeven, dan is dat geen probleem. Krijg je korting in een restaurant, bij het onderhoud van je fiets of advertentieruimte in de lokale krant van een gulle gever, dan is de vraag gerechtvaardigd of daarmee verwachtingen voor een tegenprestatie, nu of in de toekomst, worden gewekt. De precieze grens is soms moeilijk te trekken: bij geschenken is de waarde meestal redelijk in te schatten, bij uitnodigingen geldt dat we vooral met elkaar nagaan of ingaan op de uitnodiging passend is voor het ambt. Ben je als wethouder uitgenodigd om bij de feestelijke opening van een nieuw sportcomplex te zijn, maar ontvang je ook een gratis seizoenkaart, dan kan dit overmatig zijn en een reden om met de organisatie in gesprek te gaan over de uitnodiging. Als collegelid kun je het beste zelf inschatten of een geschenk of uitnodiging een functioneel doel heeft. Je kunt dit eventueel toelichten in het register.
Wettelijk kader Artikel 41a en 65 Gemeentewet (eed of belofte)
Hoofdstuk 3
Wettelijk kader Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers Regeling rechtspositie burgemeester en wethouder
Hoofdstuk 4 Geheime informatie is informatie waar formeel geheimhouding is opgelegd (op grond van de artikelen 87, 88 en 89 Gemeentewet). Collegeleden zijn dan wettelijk verplicht tot geheimhouding. Daarnaast zijn er situaties waarin je redelijkerwijs moet begrijpen dat informatie waarover je beschikt, (nog) niet bestemd is voor de openbaarheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om informatie waarover het college van B&W nog tot geheimhouding kan besluiten. Of informatie die je onder embargo hebt ontvangen en die de volgende dag openbaar wordt gemaakt.
Onjuiste informatie Een respectvolle omgang met elkaar en met informatie is een vereiste om met elkaar tot een werkelijk debat te komen op basis van feiten. Verspreid daarom niet bewust onjuiste informatie en controleer bronnen.
Wettelijk kader Artikel 54 Gemeentewet (beslotenheid) Artikel 87, 88, 89 en 292 Gemeentewet (geheimhouding) Artikel 169 Gemeentewet (informatieplicht)
Hoofdstuk 5 Iedereen heeft recht op een sociaal veilige werkomgeving, ook collegeleden. Los van de gevolgen van grensoverschrijdend gedrag op individueel niveau, zijn correcte omgangsvormen van collegeleden van fundamenteel belang voor het goed functioneren van de democratie. Een respectvolle omgang met elkaar en met informatie is een vereiste om met elkaar tot een werkelijk debat te komen op basis van feiten. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat juist in een omgeving waar strijd is om ideeën, een veilige omgeving noodzakelijk is om heersende aannames te bevragen en minderheidsstandpunten te kunnen horen. Dat is essentieel voor een zorgvuldige besluitvorming.
De manier waarop het college en de raad onderling en met elkaar omgaan is van invloed op de geloofwaardigheid van de politiek. Het goede voorbeeld geven, ook in de privésfeer, is daarbij de norm. Politiek is debatteren, en kan daarbij ook een arena van strijd en emotie zijn. Daar mogen verschillen worden uitvergroot. Daarbij geldt wel: we houden de ogen op de bal, niet op de persoon.
Elkaar aanspreken Collegeleden hebben onderling en richting de organisatie een verantwoordelijkheid. Zij geven het voorbeeld en treden op als andere collegeleden andermans grens overschrijdt. Hierbij geldt dat ingrijpen gewenst is als je ziet dat iemand zich onveilig voelt, ook als jij zelf het niet voelt. Ook wordt het gewaardeerd als je bij twijfel navraag doet of je iemands grens hebt gerespecteerd. Dat heeft de voorkeur boven het onbesproken laten en mogelijk ongewenst gedrag stilzwijgend goedkeuren.
Sociale media Collegeleden hebben in toenemende mate te maken met agressie, belediging of persoonlijke bedreiging op sociale media. Dit kan van grote invloed zijn op de gevoelens van veiligheid, de ervaren werkdruk en daarmee het functioneren van het college als geheel. Daarom is het belangrijk dat je zelf ver van dit gedrag blijft, of dit corrigeert. Ook is het collegiaal en zeer ondersteunend om voor elkaar op te komen als je iets dergelijks ziet gebeuren, bijvoorbeeld onder jouw account. Aandachtspunten bij het gebruik van sociale media zijn: • • • • • • •
•
Je bent zelf verantwoordelijk. Bij twijfel, plaats dan geen bericht. Blijf alert bij het mixen van je persoonlijke leven met je politieke werk. Maak duidelijk vanuit welke rol je spreekt. Geef nooit geheime of vertrouwelijke informatie van de gemeente prijs. Verstuur geen vertrouwelijke stukken via sociale media. Realiseer je dat internet blijvend is; gegevens blijven vaak voor altijd vindbaar. Wees je bewust dat online verklaringen ook juridische gevolgen kunnen hebben, net als dat bij de traditionele media het geval is. Besef dat ongepaste reacties de reputatie kunnen schaden van zowel de gemeente als van jezelf. Beleefdheid en het respecteren van privacy is belangrijk. Zet geen foto’s van anderen online zonder hun toestemming. Plaats geen privégegevens online en wees terughoudend in het noemen van namen. Gedragsregels zijn ook online van toepassing.
Wettelijk kader Artikel 52 Gemeentewet (reglement van orde) Reglement van Orde college van B&W Utrecht
Hoofdstuk 6 Op gezette tijden wordt de tekst van de gedragscode tegen het licht gehouden: voldoen de formuleringen nog? Over welke onderwerpen worden de meeste vragen gesteld? Zijn de praktijkvoorbeelden voldoende herkenbaar? Is er behoefte aan een themabijeenkomst of andere vormen van gesprek? Op die manier blijft de gedragscode een levend document. Belangrijk is dat erop wordt toegezien dat de gedragscode daadwerkelijk wordt nageleefd. Deze legt immers de voorwaarden vast waaraan het handelen van collegeleden minimaal moet voldoen. Het toezien op de naleving van de gedragscodes is niet alleen een verantwoordelijkheid van de raad, maar ook een onderlinge verantwoordelijkheid van de collegeleden. Bijzondere rollen zijn weggelegd voor onder andere de gemeentesecretaris (als adviseur) en de burgemeester (als hoeder van de bestuurlijke integriteit).
Voorstel aan de gemeenteraad
Raadvoorstel Gedragscode voor burgemeester en wethouders gemeente, Protocol herstel onderlinge omgang bij ongewenst gedrag en Protocol vermoeden integriteitsschending Beleidsveld Organisatieonderdeel Opsteller Kenmerk Vergaderdatum Raad Referendabel Geheim
Bestuurlijke Zaken Mens en Organisatie Nicole Temmink 33009260 Volgt Nee (artikel 1:2 lid 2 onder Verordening raadgevend referendum) Nee
Het college van burgemeester en wethouders stelt de raad voor te besluiten: 1. Het raadsvoorstel ‘Gedragscode voor burgemeester en wethouders gemeente Utrecht’ vast te
stellen, waarin afspraken staan over: a. Het melden van mogelijk conflicterende privébelangen, waaronder ook nevenfuncties en financiële belangen; b. Afspraken over het aanvaarden van functies na het aftreden, waarbij de termijn dat een gewezen bestuurder geen tegen betaling werkzaamheden mag verrichten bij de gemeente is verruimd van 1 naar 2 jaar; c. Het aannemen van geschenken en regels omtrent (buitenlandse) reizen; d. De omgang met informatie; e. De omgang met elkaar.
2. Het ‘Protocol herstel onderlinge omgang bij ongewenst gedrag’ vast te stellen, waarin de te volgen procedure is vastgelegd bij ongewenst gedrag en hoe de onderlinge omgang te herstellen.
3. Het ‘Protocol vermoeden integriteitsschending’ vast te stellen, waarin de te volgen procedure is vastgelegd als er een vermoeden is van een integriteitsschending.
Burgemeester en wethouders van Utrecht,
de secretaris,
de burgemeester,
Samenvatting De raad wordt verzocht in te stemmen met een vernieuwde versie van de gedragscode voor de burgemeester en wethouders. De huidig geldende gedragscode is vastgesteld in 2018 en daarmee verouderd ten aanzien van de huidige standaarden rondom het bestuurlijke integriteitsbeleid. De gedragscode is aangevuld en verduidelijkt ten opzichte van de gedragscode uit 2018. Daarnaast wordt de raad gevraagd in te stemmen met een wijziging van het “protocol herstel onderlinge omgang bij ongewenst gedrag” en het “protocol vermoeden integriteitsschending”. Deze protocollen zijn eerder aangenomen door de raad maar zijn aangepast zodat deze ook van toepassing zijn op collegeleden. Daarnaast zijn er enkele verduidelijkende wijzigingen aangebracht.
Context Aanleiding De huidige ‘gedragscode bestuurlijke integriteit’ voor de burgemeester en wethouders stamt uit 2018. Sindsdien is het landelijk integriteitsbeleid ten behoeve van het openbaar bestuur herzien, verduidelijkt en op punten uitgebreid. De voorliggende, herziene gedagscode is aangepast naar de laatste wet- en regelgeving en uitgebreid met aanvullende bepalingen met betrekking tot integriteit en onderling gedrag. Hierbij is gekeken naar actuele gedragscodes en het laatste integriteitsbeleid. Door de gedragscode vast te stellen beschikken de collegeleden over actuele handvatten hoe om te gaan met de democratische en bestuurlijke verantwoordelijkheid. Met een actuele gedragscode worden burgemeester en wethouders optimaal ondersteund bij dilemma’s over integriteit. De gedragscode is aangepast naar actuele ontwikkelingen in wetgeving, integriteitsbeleid en de Utrechtse praktijk. Ook liggen twee protocollen voor ter vaststelling, waarin de te doorlopen procedures bij een vermoeden van een integriteitsschending of ervaren ongewenst gedrag zijn uitgeschreven. Zo zijn de mogelijke stappen, rollen en verantwoordelijkheden in deze situaties transparant en vooraf duidelijk. De gemeenteraad heeft bij het vaststellen van de eigen gedragscode een protocol ongewenst gedrag en vermoeden integriteitsschending vastgesteld. Deze waren echter niet van toepassing op collegeleden.
Er is voor de helderheid en eenduidigheid in het meldproces voor gekozen de werkwijze voor collegeleden zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij de werkwijze zoals vastgesteld voor de gemeenteraad. De protocollen zijn aangevuld en aangepast zodat deze ook van toepassing zijn op de burgemeester en wethouders. Het protocol vermoeden integriteitsschending. Er is op dit moment geen protocol vermoeden integriteitsschending voor collegeleden. De raad heeft in 2024 een dergelijk protocol voor raadsleden vastgesteld. Het protocol stelt vooraf heldere procedures vast bij het bestaan van een integriteitsschending. Het voorliggende protocol sluit aan bij het al eerder vastgestelde protocol voor raadsleden en is aangepast zodat het ook van toepassing is op collegeleden. Het vooraf vaststellen van heldere procedures bij het bestaan van een vermoeden van een integriteitsschending, voorkomt dat procedurele afspraken zelf – ten tijde van een incident onderwerp van conflict of politiek worden. Het protocol herstel onderlinge omgang bij ongewenst gedrag. Er is op dit moment geen protocol herstel onderlinge omgang bij ongewenst voor collegeleden. De raad heeft in 2024 een dergelijk protocol voor raadsleden vastgesteld. Het protocol stelt vooraf heldere procedures vast bij ervaren ongewenst gedrag.
Het protocol heeft als doel het bespreekbaar maken van het ervaren ongewenste gedrag, en of en hoe een voor beide betrokkenen gewenste situatie kan worden bereikt. Zo kunnen dergelijke situaties sneller naar tevredenheid van alle betrokkenen worden afgehandeld. Juridische context De gemeenteraad is bevoegd de gedragscode vast te stellen op basis van artikel 41c, tweede lid, artikel 69, tweede lid en artikel 15 derde lid van de Gemeentewet. De externe adviseur integriteit van de gemeenteraad (Peter Schokker, bureau BING) heeft advies gegeven over actuele wetswijzigingen en goede voorbeelden van andere gedragscodes.
2
Beslistermijn Er is geen specifieke beslistermijn voorzien. Het is echter wenselijk de nieuwe gedragscode en protocollen op korte termijn vast te stellen om zo spoedig mogelijk een duidelijk, geactualiseerd handelingsperspectief te bieden voor collegeleden. Beoogd effect De gedragscode is een interne regeling, en is – voor zover het geen reflectie is van wettelijke bepalingen – niet juridisch bindend. De gedragscode is dan ook bedoeld als leidraad voor het handelen van collegeleden en als startpunt voor het onderlinge gesprek over de inhoud en toepassing van integriteitsnormen en omgangsvormen. De protocollen beogen vooraf duidelijkheid te bieden over de te volgen procedures bij vermoedens van integriteitsschendingen en ervaren ongewenst gedrag. Eerdere besluitvorming en informatievoorziening aan de raad In 2018 is de gedragscode voor het laatst herzien. De gemeenteraad heeft kenbaar gemaakt integriteit een belangrijk onderwerp te vinden in het gesprek tussen gemeenteraad en college. Zo nam de gemeenteraad in februari 2024 een motie aan met het verzoek een tweejaarlijks gesprek te organiseren tussen gemeenteraad en college over integriteit. Dat gesprek heeft in januari 2025 plaatsgevonden. In 2024 heeft de gemeenteraad de eigen gedragscode vernieuwd en daarbij ook een protocol ongewenst gedrag en een protocol vermoeden integriteitsschending vastgesteld.
Deze zijn niet van toepassing op collegeleden.
Beslispunten, Argumenten en Kanttekeningen/Risico’s Beslispunt 1
De ‘Gedragscode voor burgemeester en wethouders gemeente Utrecht’ vast te stellen, waarin afspraken staan over: a. Het melden van mogelijk conflicterende privébelangen, waaronder ook nevenfuncties en financiële belangen; b. Afspraken over het aanvaarden van functies na het aftreden, waarbij de termijn dat een gewezen bestuurder geen tegen betaling werkzaamheden mag verrichten bij de gemeente is verruimd van 1 naar 2 jaar; c. Het aannemen van geschenken en regels omtrent (buitenlandse) reizen; d. De omgang met informatie; e. De omgang met elkaar.
Argumenten 1.1
De gedragscode bevat duidelijkere afspraken over het melden van mogelijk conflicterende privébelangen, waaronder ook nevenfuncties (artikel 1.2) en financiële belangen (artikel 1.3). Zowel de bepalingen als de toelichtingen zijn verduidelijkt t.o.v. 2018.
1.2
De gedragscode verruimt de termijn dat een gewezen bestuurder geen tegen betaling werkzaamheden mag verrichten bij de gemeente van 1 naar 2 jaar (artikel 1.5). Dit ‘lobbyverbod’ wordt aangepast om ongeoorloofde beïnvloeding te voorkomen en sluit beter aan bij de actuele ontwikkelingen.
1.3
De gedragscode bevat afspraken over gewenste omgangsvormen in en buiten de vergaderzaal maar zijn ten opzichte van de gedragscode uit 2018 aangevuld met een bepaling over omgang met sociale media (H5). Dit sluit aan bij het sociale media protocol van de gemeente.
Beslispunt 2
Het ‘Protocol herstel onderlinge omgang bij ongewenst gedrag’ vast te stellen, 3
waarin de te volgen procedure is vastgelegd bij ongewenst gedrag en hoe de onderlinge omgang te herstellen. Argumenten 2.1
Het vooraf vaststellen van heldere procedures bij het bestaan van een vermoeden van een integriteitsschending, voorkomt dat procedurele afspraken zelf – ten tijde van een incident - onderwerp van conflict of politiek worden. Dit waarborgt een betere afhandeling van meldingen over ongewenst gedrag en versterkt de werking van het lokaal bestuur.
2.2
Het protocol is erop gericht de rechten van alle belanghebbenden (melder, betrokkene) te beschermen, volgens de principes van onschuldpresumptie, hoor en wederhoor en proportionaliteit. Dit schept duidelijkheid naar zowel de melder als de betrokkene waardoor meldingen over ongewenst gedrag beter afgehandeld kunnen worden.
2.3
Het protocol sluit aan bij het al eerder vastgestelde protocol voor raadsleden, wat de eenduidigheid en helderheid van de te volgen procedures verbetert. Deze eenduidigheid en helderheid in procedures versterkt voor alle betrokkenen het rolbegrip bij de afhandeling van meldingen over ongewenst gedrag.
Beslispunt 3
Het ‘Protocol vermoeden integriteitsschending’ vast te stellen, waarin de te volgen procedure is vastgelegd als er een vermoeden is van een integriteitsschending.
Argumenten 3.1
Het vooraf vaststellen van heldere procedures bij ervaren ongewenst gedrag voorkomt dat procedurele afspraken zelf – ten tijde van een incident - onderwerp van conflict of politiek worden. Dit waarborgt een betere afhandeling van meldingen over (vermeende) integriteitsschendingen en versterkt de werking van het lokaal bestuur.
3.2
Het protocol heeft als doel het bespreekbaar maken van het ervaren ongewenste gedrag, en of en hoe een voor beide betrokkenen gewenste situatie kan worden bereikt. Zo kunnen dergelijke situaties sneller naar tevredenheid van alle betrokkenen worden afgehandeld.
3.3
Het protocol is erop gericht de rechten van alle betrokkenen te beschermen Bij (vermeende) integriteitsschending is het van belang dat de rechten van zowel de melder als diegene op wie de melding ziet zijn gewaarborgd. Dit versterkt de werking van het lokale bestuur en voorkomt oneerlijke procedures waarin partijen onnodig worden benadeeld.
3.4
Het protocol sluit aan bij het al eerder vastgestelde protocol voor raadsleden, wat de eenduidigheid en helderheid van de te volgen procedures verbetert. Deze eenduidigheid en helderheid in procedures versterkt voor alle betrokkenen het rolbegrip bij de afhandeling van meldingen over (vermeende) integriteitsschendingen.
Financiën Dit voorstel heeft geen financiële consequenties.
4
Vervolg Nadat de raad de gedragscode heeft vastgesteld wordt deze gepubliceerd in het Gemeenteblad op overheid.nl en treden de nieuwe gedragscode en protocollen in werking. Elke 2 jaar wordt er een gesprek georganiseerd tussen de gemeenteraad en het college over integriteit waarbij de gedragscode en de protocollen als leidraad kunnen dienen.
Samen stad maken ‘Gemeente aan zet’ van toepassing, er is niet samengewerkt met Utrechters voor dit voorstel.
Communicatie Naast publicatie op overheid.nl wordt de gedragscode ook op de website van de gemeente gepubliceerd. De protocollen worden verspreid onder de belanghebbenden zoals genoemd in artikel 1 van de protocollen.
Niet-Referendabel De Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht is niet van toepassing omdat dit een raadsvoorstel betreft raadsbesluiten over het intern functioneren en werkwijze van de raad, commissies, rekenkamer en ombudsloket, alsmede alle daarmee samenhangende regelementen en verordeningen (artikel 1:2 lid 2 onder o Verordening raadgevend referendum Utrecht).
Bijlagen Bijlagen besluitvorming: - Gedragscode voor burgemeester en wethouders gemeente Utrecht - Protocol vermoeden integriteitsschending - Protocol ongewenst gedrag Bijlagen informatief -
5
Protocol vermoeden integriteitsschending Dit protocol geldt wanneer sprake is van een vermoeden van niet-integer handelen en dit vermoeden betrekking heeft op het handelen van een raadslid, een commissielid, de burgemeester, een wethouder, een bestuurder van de Rekenkamer, de (plaatsvervangend) Ombudsman van de gemeente Utrecht of een lid van de Referendumcommissie. Het protocol geeft duidelijkheid over het proces wanneer melding wordt gedaan van een vermoeden van een integriteitsschending of een klacht over ervaren ongewenst gedrag. Daarnaast geeft het protocol duidelijkheid over de in dit proces betrokken personen. Ook worden met het protocol waarborgen gegeven voor de geldende principes van proportionaliteit en subsidiariteit en de toepassing van hoor en wederhoor. Wanneer een vermoeden van een integriteitsschending wordt gemeld dat voldoende concreet is, kan daar een vooronderzoek naar worden ingesteld. Op grond van de uitkomsten hiervan vindt een afweging plaats of een integriteitsonderzoek gerechtvaardigd is. Een integriteitsonderzoek is bedoeld om de feiten over het vermeende niet-integer handelen te achterhalen en te komen tot een onderbouwd oordeel over de gegrondheid van het vermoeden. Artikel 1 Reikwijdte en begripsbepalingen 1.
Dit protocol is van toepassing op raadsleden, commissieleden, burgemeester en wethouders, de bestuurders van de Rekenkamer, de (plaatsvervangend) Ombudsman van de gemeente Utrecht en de leden van de Referendumcommissie. 2. In deze regeling wordt verstaan onder: • Gedragscodes: Gedragscode voor raadsleden en commissieleden gemeente Utrecht en de gedragscode voor burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. • Integriteitsschending: een gedraging die in strijd is met het handelen als ‘goed bestuurder’, ‘goed volksvertegenwoordiger’ en/of ‘behoorlijk bestuur’, waaronder in elk geval begrepen wordt het handelen of nalaten in strijd met de wet of handelen of nalaten in strijd met de afspraken en waarden uit de toepasselijke gedragscodes. • Melder: eenieder die melding doet van een vermoeden van een integriteitsschending door een raadslid, een commissielid, de burgemeester, een wethouder, een bestuurder van de Rekenkamer, een (plaatsvervangend) bestuurder van het Utrechts Ombudsloket en/of een lid van de Referendumcommissie. • Betrokkene: het raadslid, het commissielid, de burgemeester, de wethouder, de bestuurder van de Rekenkamer, de (plaatsvervangend) bestuurder van het Utrechts Ombudsloket en/of het lid van de Referendumcommissie over wie de melding is gedaan. • Het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de raad.
• Vertrouwenspersoon: de persoon die door de gemeente is benoemd als (externe) vertrouwenspersoon of een persoon die door melder of betrokkene is gevraagd op te treden als vertrouwenspersoon. 3. In het geval de melding is gedaan door de griffier of de gemeentesecretaris, of de inhoud van de melding zich (mede) op de griffier respectievelijk de gemeentesecretaris richt, dan worden hun werkzaamheden zoals omschreven in dit protocol uitgevoerd door hun plaatsvervangers. 4. Meldingen over de burgemeester worden schriftelijk gedaan bij loco-burgemeester. De locoburgemeester treedt in de plaats van de burgemeester, zoals beschreven in dit protocol, als de melding de burgemeester zelf betreft, en kan zich desgewenst laten ondersteunen door de gemeentesecretaris. De loco-burgemeester kan indien de eerste screening hiertoe aanleiding geeft (het kabinet van) de Commissaris van de Koning informeren over de opdracht voor een onafhankelijk feitenonderzoek en zo nodig betrekken voor hulp of advies. 5. De burgemeester kan vanuit zijn wettelijke taak als bevorderaar van bestuurlijke integriteit ook door eigen waarneming of door berichtgeving van buitenaf kennisnemen van een vermeende 1
integriteitsschending. In die gevallen maakt de burgemeester een schriftelijke vastlegging, waarin de burgemeester beschrijft wat de aanleiding is om een eerste screening uit te voeren. De uitvoering van de eerste screening vindt plaats conform de in dit protocol opgenomen stappen. Artikel 2 Het inwinnen van advies 1. Als raadsleden, commissieleden, de burgemeester, wethouders, bestuurders van de Rekenkamer, (plaatsvervangend) bestuurders van het Utrechts Ombudsloket of leden van de Referendumcommissie twijfelen over een aangelegenheid die betrekking heeft op de integriteit van henzelf, kunnen zij advies vragen aan de burgemeester, de griffier (voor de raadsorganen) dan wel de gemeentesecretaris (voor het college) en de coördinator integriteit. Raadsleden, commissieleden, de burgemeester, wethouders, bestuurders van de Rekenkamer, (plaatsvervangend) bestuurders van het Utrechts Ombudsloket of leden van de Referendumcommissie worden aangemoedigd om integriteitsdilemma's en twijfels over het (voorgenomen) handelen van een andere hiervoor genoemde persoon te bespreken met de betreffende persoon zelf. Is dit redelijkerwijs geen optie of bestaat er verschil van inzicht, dan kan advies worden ingewonnen bij de burgemeester, de griffier, de gemeentesecretaris dan wel de coördinator integriteit. 2.