CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Ruimte 11 juni 2026, gemeente Utrecht28.379 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bundel - Commissie Ruimte van 11 juni 2026 1

Opening

2

Vaststellen van de agenda van 11 juni 2026

3

Raadsvoorstel Delegatie besluiten Omgevingswet, uitbreiding 2026 Wethouder: Schilderman, Beleidsterrein: Ruimtelijke Ordening Indicatieve behandeltijd: 30 minuten Het college stelt voor een aantal bestaande delegatiebesluiten op basis van de Omgevingswet bij elkaar te brengen in 1 raadsbesluit en op enkele onderdelen te verruimen. Dossier 5161 voorblad Raadsvoorstel Delegatiebesluiten Omgevingswet, uitbreiding 2026 Delegatiebesluit Omgevingswet Informatieve toelichting bij Delegatiebesluit Omgevingswet

4

Raadsvoorstel Aanwijzingsbesluit buitenplanse omgevingsplanactiviteiten met verplichte participatie Wethouder: Schilderman, Beleidsterrein: Ruimtelijke Ordening Indicatieve behandeltijd: 45 minuten Het college stelt voor de gevallen aan te wijzen waarin participatie en overleg verplicht is voordat de initiatiefnemer een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit (BOPA) indient. Dossier 5255 voorblad Raadsvoorstel Aanwijzingsbesluit buitenplanse omgevingsplanactiviteiten met verplichte participatie Aanwijzingsbesluit buitenplanse omgevingsplanactiviteiten met verplichte participatie

5

Raadsbrief Uitkomsten vervolgonderzoek HOV oversteek Lombokpark Wethouder: Schilderman, Beleidsterrein: Ruimtelijke Projecten: Groot Merwede Indicatieve behandeltijd: 60 minuten De brief beschrijft de uitkomsten en consequenties n.a.v. vervolgonderzoek. Gelet op eerdere besprekingen, wordt uitgegaan van behoeft van bespreking van deze raadsbrief met de wethouder en onderling. Raadsbrief Uitkomsten vervolgonderzoek HOV oversteek Lombokpark Rapportage Arcadis Analyse veiligheid overwegen Lombokplein Utrecht

6

Stilgevallen verbouwing MFA De Musketon Wethouder: De Vries, Beleidsterrein: Vastgoed Indicatieve behandeltijd: 60 minuten Geagendeerd door: Gert Dijkstra (EenUtrecht), Dirk-Jan van Vliet (D66), Charlotte Passier (Volt), Bert van Steeg (CDA) en Titus Stam (GroenLinks/PvdA) Naar aanleiding van de beantwoording van de schriftelijke vragen over de toekomst, renovatie en verduurzaming van De Musketon willen wij met het college en andere partijen in de raadscommissie in debat over de stilgevallen verbouwing van De Musketon. Hoewel het college de urgentie van renovatie zegt te onderschrijven, blijven er zorgen over de voortgang, de lange doorlooptijd, de financiële (on)duidelijkheid, en de rol van bewoners en gebruikers in het vervolgproces.

De agenderende fractie(s) willen daarom graag de volgende vragen inbrengen: ·Hoe kan het dat de raad al in 2018 geld beschikbaar stelde voor De Musketon, maar er na meer dan zeven jaar nog steeds geen vastgesteld plan ligt? Waarom is de financiële dekking voor De Musketon niet expliciet doorgeschoven of geactualiseerd in de recente programmabegroting? Kan het college inzichtelijk maken wat de financiële gevolgen zijn van zeven jaar uitstel, onder andere door bouwkostenstijging, onderhoud, tijdelijke oplossingen en leegstand? Erkent het college dat niet-beslissen hier aantoonbaar geld kost? Hoe is het college voornemens om dit proces voortvarend nu vlot te trekken en welke rol krijgen bewoners en gebruikers daarin (insteek samenwerkingsplan)? Dossier 5311 voorblad Beantwoording SV2025 nr 199 over Op weg naar een vernieuwd Musketon Raadsbrief stand van zaken modernisering De Musketon

Commissie Ruimte Dossiernummer

5161

Vergaderdatum

11 juni 2026

Agendapunt

3

Titel

Raadsvoorstel Delegatie besluiten Omgevingswet, uitbreiding 2026

Geagendeerd

Vergaderdatum

Commissie Ruimte

16 april 2026

Commissie Ruimte

11 juni 2026

Voorstel aan de gemeenteraad

Delegatie besluiten Omgevingswet, uitbreiding 2026 Beleidsveld Organisatieonderdeel Opsteller Kenmerk Vergaderdatum Raad Referendabel Geheim

Ruimtelijke ordening Ruimte, afdeling Omgevingsrecht Wim van Gelder 34073951 Volgt Ja Nee

Het college van burgemeester en wethouders stelt de raad voor te besluiten: 1. Het bijgevoegde delegatiebesluit te nemen, waarin a. eerdere delegatiebesluiten worden samengebracht in één besluit; b. in artikel 3 een kader wordt gegeven dat in de plaats komt van de voorwaarde dat een wijziging ‘beleidsarm’ is; c. enige redactionele correcties zijn doorgevoerd en d. de eerder genomen delegatiebesluiten om een wijziging van het omgevingsplan vast te stellen of een voorbereidingsbesluit te nemen worden verruimd, zodat ook in de volgende gevallen delegatie mogelijk wordt: i. de wijziging bestaat uit het overzetten van regelingen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, van hoofdstuk 22 van het omgevingsplan (de ‘bruidsschat’), van een TAM(Tijdelijke Alternatieve Maatregel)-omgevingsplan naar het omgevingsplan of van een regeling van een ontwikkelfunctie uit hoofdstuk 3 van het omgevingsplan naar een functie voor het planologische beheer; ii. de wijziging bestaat uit het intrekken van een TAM(Tijdelijke Alternatieve Maatregel)omgevingsplan of van een bestemmingsplan of beheersverordening die inmiddels definitief vervangen is door een regeling in het (definitieve) omgevingsplan; iii.

het voorbereidingsbesluit is nodig om activiteiten tegen te houden die onwenselijk zijn in verband met de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan, zonder de beperking dat die wijziging een gebiedsontwikkeling betreft. 2. De volgende delegatiebesluiten in te trekken: a. het beslispunt 1 van het raadsbesluit Delegatie wijziging omgevingsplan en bindend advies bij afwijkvergunningen van 2 november 2023; b. het beslispunt 2 van het raadsbesluit Wijziging Utrechts Planproces van 14 november 2024; c. het beslispunt 3 van het raadsbesluit Mandaatbesluit voor bevoegdheid tot nemen merbeoordelingsbeslissing, delegatie van voorbereidingsbesluiten voor ontwerp wijziging omgevingsplan van 14 november 2024. Ondertekening

Samenvatting Met dit besluit breidt de gemeenteraad de delegatie van de bevoegdheid om het omgevingsplan te wijzigen uit met enkele nieuwe categorieën van wijzigingen die nodig zijn voor het opbouwen of het onderhoud van het omgevingsplan. Het besluit verduidelijkt de voorwaarden waaronder het college van de gedelegeerde bevoegdheid gebruik kan maken. Het delegatiebesluit geeft het college ook de bevoegdheid om een voorbereidingsbesluit te nemen als dat nodig is voor wijzigingen die niet over een gebiedsontwikkeling gaan.

Context Aanleiding De Omgevingswet wil een vereenvoudiging van de regels en een betere raadpleegbaarheid van die regels. In de huidige situatie met bestemmingsplannen, een bruidsschat, TAM-omgevingsplannen en een omgevingsplan zijn beide doelstellingen niet haalbaar. Om de opbouw van het omgevingsplan te versnellen heeft de gemeenteraad een omgevingsplanwijziging waarmee een bestemmingsplan “beleidsarm” wordt omgezet naar het omgevingsplan gedelegeerd aan het college (raadsbesluit 2 november 2023 (delegatie en bindend advies)). Nu zo’n wijziging voor de eerste keer gemaakt wordt blijkt dat er behoefte is aan een duidelijker kader, een kader dat “beleidsarm” in concrete termen vertaalt. Daarnaast is een verruiming van de delegatie aan te bevelen om het omgevingsplan actueel te houden. De gemeenteraad heeft ook nog enkele andere delegatiebesluiten over het omgevingsplan genomen. De gedelegeerde bevoegdheid om een voorbereidingsbesluit te nemen is nu beperkt tot het weren van ongewenste activiteiten in de gebieden waar een wijziging omgevingsplan voor een gebiedsontwikkeling wordt voorbereid. De eerste omzetting van bestemmingsplannen naar het omgevingsplan (geen gebiedsontwikkeling) leert dat het ook wenselijk kan zijn om voor een dergelijke wijziging een voorbereidingsbesluit te nemen.

Juridische context Op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan (artikel 2.4 van de Omgevingswet) delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Artikel 4.14, vijfde lid, van de Omgevingswet, staat de gemeenteraad toe om het nemen van een voorbereidingsbesluit (artikel 4.14, eerste lid, van de Omgevingswet) te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Beslistermijn Er is geen specifieke beslistermijn voorzien. Beoogd effect De delegatie van omgevingsplanwijzigingen: • ondersteunt de versnelling van het opnemen van regels uit het tijdelijke omgevingsplan naar een definitief omgevingsplan; • verlaagt de werkdruk van de raad voor het doorvoeren van “technische” omgevingsplanwijzigingen; • verlaagt de ambtelijke voorbereidingskosten; • ondersteunt een snellere verbetering van de raadpleegbaarheid van het omgevingsplan. De delegatie van het voorbereidingsbesluit kan een ongewenste doorkruising van nieuwe regels in het omgevingsplan voorkomen. Het nieuwe besluit maakt beter zichtbaar welke bevoegdheden van de Omgevingswet de gemeenteraad onder welke voorwaarde heeft overgedragen.

Eerdere besluitvorming door en informatievoorziening aan de raad Op 2 november 2023 heeft de gemeenteraad onder meer besloten (raadsbesluit delegatie vaststellen omgevingsplan) om de volgende typen beleidsarme, technisch-juridische wijzigingen en wijzigingen waarbij er geen beleidsruimte is wijzigingen van het omgevingsplan te delegeren: a. het overzetten van regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan of uit verordeningen naar het omgevingsplan;

2

b. het opnemen van een regel in het omgevingsplan die op grond van een instructieregel van het Rijk of van de provincie verplicht is en waarbij de gemeente geen beleidsvrijheid heeft om de inhoud van de regel te bepalen; c. het een op een verwerken van een activiteit die via een omgevingsvergunning is vergund in het omgevingsplan; d. het herstellen en verbeteren van ondergeschikte fouten in de regels of op een kaart; e. het verwerken van rechterlijke uitspraken in het omgevingsplan waarbij de gemeente geen beleidsvrijheid heeft; f. het verwerken van inzichten uit nieuw onderzoek naar archeologie in de locatieaanduiding van archeologische waarden. Dit besluit is ondergebracht in de artikelen 2 en 3 van het voorgestelde delegatiebesluit. Op 14 november 2024 heeft de gemeenteraad in verband met het gewijzigde Utrechts Planproces besloten (raadsbesluit wijziging Utrechts Planproces) om voor Kanaleneiland, Transwijk en de Merwedekanaalzone (met uitzondering van deelgebied 5, 2e fase) het vaststellen van de NvU en de wijzigingen van het omgevingsplan te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Dit besluit is ondergebracht in artikel 4 van het voorgestelde delegatiebesluit.

Op 14 november 2024 heeft de gemeenteraad ook besloten (raadsbesluit delegatie voorbereidingsbesluit) om het nemen van een voorbereidingsbesluit voor een wijziging van het omgevingsplan die een gebiedsontwikkeling mogelijk maakt te delegeren, als dat nodig is om een aanvraag omgevingsvergunning te kunnen weigeren die past in het geldende omgevingsplan maar niet in de beoogde ontwikkeling. Dit besluit is ondergebracht in artikel 5 van het voorgestelde delegatiebesluit. Op 4 december 2025 heeft de gemeenteraad voor een tijdige plaatsing van tijdelijke (nood)stroomgeneratoren op bedrijventerrein Strijkviertel besloten (raadsbesluit delegatie stroomgeneratoren Strijkviertel) de wijziging van het omgevingsplan te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Het college heeft inmiddels de betreffende omgevingsplanwijziging vastgesteld, zodat dit delegatiebesluit geen werking meer heeft.

Beslispunten, Argumenten en Kanttekeningen/Risico’s Beslispunt 1

Het bijgevoegde delegatiebesluit te nemen, waarin a. eerdere delegatiebesluiten worden samengebracht in één besluit; b. in artikel 3 een kader wordt gegeven dat in de plaats komt van de voorwaarde dat een wijziging ‘beleidsarm’ is; c. enige redactionele correcties zijn doorgevoerd en d. de eerder genomen delegatiebesluiten om een wijziging van het omgevingsplan vast te stellen of een voorbereidingsbesluit te nemen worden verruimd, zodat ook in de volgende gevallen delegatie mogelijk wordt: i. de wijziging bestaat uit het overzetten van regelingen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, van hoofdstuk 22 van het omgevingsplan (de ‘bruidsschat’), van een TAM(Tijdelijke Alternatieve Maatregel)-omgevingsplan naar het omgevingsplan of van een regeling van een ontwikkelfunctie uit hoofdstuk 3 van het omgevingsplan naar een functie voor het planologische beheer; ii. de wijziging bestaat uit het intrekken van een TAM(Tijdelijke Alternatieve Maatregel)-omgevingsplan of van een bestemmingsplan of beheersverordening die inmiddels definitief vervangen is door een regeling in het (definitieve) omgevingsplan;

3

iii.

het voorbereidingsbesluit is nodig om activiteiten tegen te houden die onwenselijk zijn in verband met de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan, zonder de beperking dat die wijziging een gebiedsontwikkeling betreft.

Argumenten 1.1

De besluiten die op grond van de gedelegeerde bevoegdheid genomen worden hebben geen of vrijwel geen gevolgen voor burgers of bedrijven. Het uitgangspunt van dit voorstel is dat de gemeenteraad zelf de regels vaststelt die gevolgen hebben voor burgers of burgers. De gedelegeerde bevoegdheid gaat dus over besluiten die zorgen voor de opbouw van het omgevingsplan op grond van geldende regels en geldend beleid. In dit voorstel zijn de besluiten in artikel 2 onder f en g kunnen wel gevolgen hebben voor burgers. Dat zijn wijzigingen die de rechter oplegt of wijzigingen die het Rijk of de provincie eisen in de vorm van instructieregels. Als de gemeenteraad daarbij geen ruimte krijgt om de inhoud van de regel te bepalen, dan is het efficiënter om de wijziging door het college te laten afhandelen. Het delegatiebesluit zet de lijn van het delegatiebesluit van 2 november 2023 voort en bevat dus de besluiten over wijzigingen waarop de gemeenteraad geen invloed heeft en die om die reden aan het college kunnen worden gedelegeerd.

1.2

De wijzigingen van het omgevingsplan die de gemeenteraad aan het college delegeert versnellen de wijzigingen die het raadplegen van het omgevingsplan makkelijker maken en verlagen de kosten van die besluiten. Het delegeren van de besluiten die het omgevingsplan vullen draagt bij aan een snellere opbouw van het omgevingsplan. Het zijn besluiten die de rechtspositie van burgers niet of nauwelijks aantasten, namelijk het overzetten van bestemmingsplannen of verordeningen en het verwerken van omgevingsvergunningen; deze wijzigingen heeft de gemeenteraad al gedelegeerd. Het delegatiebesluit voegt soortgelijke wijzigingen toe: het overzetten van een TAM-omgevingsplan en het vertalen van ontwikkelfuncties in standaardfuncties voor het planologische beheer van de gemeente. Ook het intrekken van een bestemmingsplan of TAM-omgevingsplan dat overgezet is in het omgevingsplan is een technisch besluit dat de raadpleegbaarheid van het omgevingsplan verhoogt (zie argument 1.3).

1.3

Het delegatiebesluit bevat ook het intrekken van plannen, wat de raadpleegbaarheid aanzienlijk verbetert. Als een regeling door een nieuwe regeling wordt vervangen, dan is die oude regeling niet meer geldig. Door het samenspel van oude bestemmingsplannen, waaronder parapluplannen (dat zijn plannen die in combinatie met het onderliggende bestemmingsplan gelden), beheersverordeningen, waaronder paraplubeheersverordeningen en TAM(Tijdelijke Alternatieve Maatregel)omgevingsplannen en het nieuwe omgevingsplan, levert de landelijke website soms te veel informatie, waardoor het voor de raadpleger van het omgevingsplan niet meer duidelijk is welk plan nu geldt. De enige oplossing hiervoor is om een plan dat ten onrechte nog te zien is in te trekken. Het is niet efficiënt om de gemeenteraad te belasten met dit soort intrekkingsbesluiten.

1.4

Een verbreding van de delegatie van het voorbereidingsbesluit kan ongewenste doorkruising van een consequente opbouw van het omgevingsplan voorkomen. Het delegatiebesluit van 14 november 2024 beperkte de bevoegdheid tot ontwikkelplannen. Nu de eerste wijzigingen die bestaan uit het omzetten van bestemmingsplannen worden voorbereid, wordt duidelijk dat het raadzaam kan zijn om ook bij dergelijke wijzigingen een voorbereidingsbesluit te nemen. Het beste moment, zowel strategisch als qua efficiency, is het moment waarop het college besluit om een ontwerp ter inzage te leggen. Op dat moment kan het 4

college de risico’s op ongewenste ontwikkelingen goed inschatten en het besluit over het ontwerp en het voorbereidingsbesluit inhoudelijk en procedureel precies op elkaar afstemmen. Daarmee kunnen nieuwe activiteiten die bijvoorbeeld de eenheid in regelgeving zouden kunnen doorkruisen geweerd worden. Het delegatiebesluit bepaalt expliciet dat de wijziging geen beleid uitvoert dat nog niet door de gemeenteraad is vastgesteld. Het komt namelijk voor dat een voorbereidingsbesluit wenselijk is om een beleidswijziging die de gemeenteraad nog moet vaststellen te vrijwaren van initiatieven die daarmee in strijd zijn. Een dergelijk geval valt niet onder dit delegatiebesluit. De gemeenteraad zal zelf moeten vaststellen of de beleidswijziging vraagt om de wijziging van het omgevingsplan met voorbeschermingsregels. Zo’n geval deed zich in het verleden bijvoorbeeld voor bij het vraagstuk van de wenselijkheid om de vestiging van flitsbezorgers in winkels toe te staan. 1.5

Het voorheen geldende kader ‘beleidsarm’ is in het delegatiebesluit vertaald in een duidelijkere beschrijving die met de in het besluit opgenomen afwijkingsmogelijkheden een duidelijk kader vormt. Bij het eerdere delegatiebesluit heeft de gemeenteraad als voorwaarde meegegeven dat de omzetting van een oude naar een nieuwe regeling ‘beleidsarm’ moest zijn. In de praktijk blijkt dat die term niet duidelijk genoeg is. Als de gemeenteraad bijvoorbeeld beleid heeft vastgesteld over het splitsen van woningen dat nog niet verwerkt was in de woonbestemming van een bestemmingsplan, is dan het vertalen van die woonbestemming in een functie die aan het splitsen voorwaarden verbindt op grond van het beleid wel ‘beleidsneutraal’? Artikel 3 heeft als doel om een duidelijker kader te geven. In lid 1 is ‘beleidsarm’ als volgt verwoord: de nieuwe regeling in het omgevingsplan is een zo nauwkeurig mogelijke vertaling van de oude regeling of van de vergunde situatie. Maar “zo nauwkeurig mogelijk” kan heel strak worden uitgelegd, al gauw strakker dan wat met ‘beleidsarm’ bedoeld is. Daarom staan is in lid 2 een opsomming van gevallen waarin de nieuwe regeling mag afwijken van de oude, onder de voorwaarde dat de afwijking de bestaande belangen niet onevenredig doorkruist.

De onderdelen a en b van lid 2 bieden de mogelijkheid om de nieuwe regels aan te vullen op grond van bestaand beleid of van een bestaande routine (beleidsregels). Onderdeel c is nodig als de oude regeling niet past in het systeem van de wet en er dus een alternatief voor de oude regeling bedacht moet worden. Onderdeel d is bedoeld om in gelijke gevallen dezelfde regels te laten gelden. Het kan bijvoorbeeld zijn dat in een bestemmingsplan dat in de wijk Ondiep geldt andere regels zijn verbonden aan de bestemming van een basisschool dan in een bestemmingsplan voor de wijk Vleuterweide. Bij het overzetten van dergelijke regels streven we naar uniformiteit in plaats van te kiezen voor een stapeling van uitzonderingen. Onderdeel e gaat over een ontwikkellocatie die inmiddels uitontwikkeld is. Voor ontwikkellocaties gelden vaak globale regels om de bouwer flexibiliteit te geven bij het invullen van het gebied. Na realisatie is die flexibiliteit niet meer nodig en vaak ook niet wenselijk. Het planologische beheer van de locatie kan beter met de op beheer gerichte functies van het omgevingsplan geregeld worden. Daarmee ontstaat ook weer uniformiteit: in dezelfde gevallen gelden dezelfde regels.

1.6

Omdat de uitbreiding van de gedelegeerde bevoegdheid en de eerdere delegatiebesluiten zijn samengevoegd in één delegatiebesluit, is eenvoudig na te gaan welke bevoegdheden gedelegeerd zijn. De gemeenteraad heeft diverse delegatiebesluiten genomen (zie beslispunt 2). Die besluiten zijn nu samengevoegd in één besluit, in een format dat door meer gemeenten is gebruikt en dat aansluit op de manier waarop besluiten op

5

overheid.nl worden gepubliceerd. De artikelen van het besluit zijn nu ook toegelicht. Kanttekeningen/Risico’s 1.1

De gemeenteraad heeft door dit delegatiebesluit minder zicht op de opbouw van het omgevingsplan. Als de gemeenteraad zelf een wijziging van het omgevingsplan vaststelt, zullen de raadsleden als vanzelf kennisnemen van de inhoud en van de manier waarop het omgevingsplan opgebouwd wordt.

Beslispunt 2

De volgende delegatiebesluiten in te trekken: a. het beslispunt 1 van het raadsbesluit Delegatie wijziging omgevingsplan en bindend advies bij afwijkvergunningen van 2 november 2023; b. het beslispunt 2 van het raadsbesluit Wijziging Utrechts Planproces van 14 november 2024; c. het beslispunt 3 van het raadsbesluit Mandaatbesluit voor bevoegdheid tot nemen mer-beoordelingsbeslissing, delegatie van voorbereidingsbesluiten voor ontwerp wijziging omgevingsplan van 14 november 2024.

Argumenten 2.1

De intrekking van besluiten is nodig voor de besluiten die op overheid.nl zijn gepubliceerd. Als een besluit niet officieel is ingetrokken, blijft het als geldend besluit zichtbaar op overheid.nl. In dat geval krijgt degene die de gemeentelijke besluiten wil bekijken verwarrende informatie. De intrekking lost dit probleem op.

Financiën Dit voorstel heeft geen directe financiële consequenties. De uitvoeringsgerichte en technische omzettingen van de regels worden gedekt uit het programma Ontwikkelen en Wonen voor iedereen: budget omgevingsplan of als het projectgerichte wijzigingen zijn voor een gebiedsontwikkeling ten laste van het projectbudget.

Vervolg Het college zal de gemeenteraad jaarlijks rapporteren welke besluiten met de gedelegeerde bevoegdheid genomen zijn.

Samen stad maken Er heeft geen participatie plaatsgevonden over dit voorstel, omdat het om interne besluitvorming gaat.

Communicatie Er is geen aanvullende communicatie voorzien.

(Niet)Referendabel De Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht is van toepassing.

Bijlagen Bijlagen besluitvorming - Delegatiebesluit Omgevingswet Bijlagen informatief -

6

Delegatiebesluit Omgevingswet gemeente Utrecht De raad van de gemeente Utrecht; -

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van <datum>; gelet op:

artikel 2.8 van de Omgevingswet;

artikel 4.14, vijfde lid, van de Omgevingswet.

Overwegende: •

dat een voortvarende opbouw van het omgevingsplan nodig is om de doelstelling van de Omgeviingswet, het verhogen van het gebruiksgemak, te realiseren,

•

dat delegatie kan bijdrage aan een efficiëntere besluitvorming.

Besluit het volgende:

Artikel 1 Definities In dit besluit wordt verstaan onder: a.

b. c.

delegatie: “het overdragen door een bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van

besluiten aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent” (artikel 10.13 van de Algemene wet bestuursrecht);

ontwikkelfunctie: een functie, onder de Wet ruimtelijke ordening ook bestemming genoemd, die op een locatie nieuwe gebouwen of nieuwe activiteiten toestaat; regeling: regels en de daarbij horende werkingsgebieden;

d.

TAM-omgevingsplan: wijziging van het omgevingsplan die als Tijdelijke Alternatieve Maatregel

e.

tijdelijk deel van het omgevingsplan: bestemmingsplannen, beheersverordeningen en hoofdstuk

f. g. h.

gepubliceerd is in de vorm van een bestemmingsplan;

22 van het omgevingsplan (“de bruidsschat”), regelingen die op grond van de wet of van de

Invoeringswet van die wet zijn aangewezen om tijdelijk deel uit te maken van het omgevingsplan;

verordening: een door de gemeenteraad vastgestelde verordening met regels die op grond van de wet in het omgevingsplan thuishoren;

werkingsgebied: de locatie waar een regel geldt; wet: de Omgevingswet.

Artikel 2 Delegatie omgevingsplanwijziging voor onderhoud van het omgevingsplan De bevoegdheid om een wijziging van het omgevingsplan vast te stellen op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet wordt gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders in de volgende gevallen en onder de voorwaarden die in artikel 3 staan: a.

de wijziging zet een regeling over van het tijdelijke deel van het omgevingsplan of uit hoofdstuk

b.

de wijziging zet een regeling over van een TAM-omgevingsplan;

c.

de wijziging zet een regeling over van een ontwikkelfunctie uit hoofdstuk 3 van het

22 van het omgevingsplan;

omgevingsplan;

d.

de wijziging zet een regeling over van een verordening;

e.

de wijziging voert artikel 4.17 van de wet uit door een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een voortdurende buitenplanse omgevingsplanactiviteit in overeenstemming te brengen met het omgevingsplan;

f.

de wijziging verwerkt een uitspraak van de rechter in het omgevingsplan;

g.

de wijziging neemt een regeling in het omgevingsplan op die op grond van een instructieregel van het Rijk of van de provincie verplicht is en waarbij de gemeente geen beleidsvrijheid heeft om de inhoud van de regeling te bepalen;

h.

de wijziging herstelt en verbetert kennelijke fouten in een regeling;

i.

de wijziging verwerkt inzichten uit nieuw onderzoek naar archeologie in de werkingsgebieden van archeologische waarden.

Artikel 3 Voorwaarden aan omgevingsplanwijziging op grond van artikel 2a tot en met 2e

1.

Een wijziging die in artikel 2 onder a tot en met e genoemd wordt voldoet aan de voorwaarde dat de nieuwe regeling in het omgevingsplan een zo nauwkeurig mogelijke vertaling is van de oude regeling of van de vergunde situatie.

2.

De wijziging mag in de volgende gevallen afwijken van de voorwaarde die in lid 1 staat, als de afwijking de bestaande belangen niet onevenredig doorkruist: a.

de nieuwe regeling voert ruimtelijke beleid uit dat de gemeenteraad heeft vastgesteld;

b.

de nieuwe regeling neemt beleidsregels over die door het college zijn vastgesteld;

c.

de nieuwe regeling bevat een aanpassing die op grond van de wet nodig is;

d.

de nieuwe regeling bevordert dat in gelijke gevallen dezelfde regels gelden;

e.

de nieuwe regeling bevat regels voor het planologische beheer van een afgeronde

ontwikkeling, waarbij de gerealiseerde bebouwing met de daarbij horende activiteiten als uitganspunt voor de nieuwe regels geldt in plaats van de regels van de ontwikkelfunctie.

Artikel 4 Delegatie omgevingsplanwijziging voor de uitvoering van een project 1.

Voor de volgende twee deelgebieden zowel het vaststellen van de Nota van Uitgangspunten als wijzigingen van omgevingsplannen wordt gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders: a.

Kanaleneiland en Transwijk (beleidsnota/omgevingsvisie voor een deelgebied, vastgesteld

b.

Merwedekanaalzone (beleidsnota/omgevingsvisie voor een deelgebied deel 2, vastgesteld

op 1 december 2022)

op 7 oktober 2021), waarbij voor Merwedekanaalzone, deelgebied 5, fase 2 geen delegatie aan het college wordt verstrekt.

2.

[gereserveerd]

Artikel 5 Delegatie bevoegdheid om een voorbereidingsbesluit te nemen

De bevoegdheid om een voorbereidingsbesluit te nemen op grond van artikel 4.14, vijfde lid, van de wet,

wordt gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders, als dat nodig is om activiteiten tegen te houden die onwenselijk zijn in verband met de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan en de wijziging geen beleid uitvoert dat nog niet door de gemeenteraad is vastgesteld.

Artikel 6 Overzicht genomen besluiten Het college verstrekt de gemeenteraad eenmaal per jaar een overzicht van de krachtens delegatie genomen besluiten.

Artikel 7 Intrekking De volgende delegatiebesluiten worden ingetrokken: a.

het raadsbesluit Delegatie vaststellen omgevingsplan en bindend advies bij afwijkvergunningen,

b.

het raadsbesluit Wijziging Utrechts Planproces, beslispunt 2 van 14 november 2024;

c.

het raadsbesluit Mandaatbesluit voor bevoegdheid tot nemen mer-beoordelingsbeslissing,

beslispunt 1, van 2 november 2023;

delegatie van voorbereidingsbesluiten voor ontwerp wijziging omgevingsplan, beslispunt 3, van 14 november 2024.

Artikel 8 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking vijf weken na bekendmaking in het gemeenteblad.

Artikel 9 Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als Delegatiebesluit Omgevingswet gemeente Utrecht. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van <datum>. De burgemeester, Sharon A.M. Dijksma De griffier, Miguel Israel

Informatieve toelichting bij Delegatiebesluit Omgevingswet Utrecht Algemeen Met dit besluit breidt de gemeenteraad de delegatie van de bevoegdheid om het omgevingsplan te wijzigen uit met enkele nieuwe categorieën van wijzigingen die nodig zijn voor het opbouwen of het onderhoud van het omgevingsplan. Het besluit verduidelijkt de voorwaarden waaronder het college van de gedelegeerde bevoegdheid gebruik kan maken. Het delegatiebesluit geeft het college ook de bevoegdheid om een

voorbereidingsbesluit te nemen als dat nodig is voor wijzigingen die niet over een gebiedsontwikkeling gaan.

Het uitgangspunt van dit voorstel is dat de gemeenteraad zelf de regels vaststelt die gevolgen hebben voor burgers of burgers. De gedelegeerde bevoegdheid gaat dus over besluiten die zorgen voor de opbouw van het omgevingsplan op grond van geldende regels en geldend beleid.

In dit voorstel zijn de besluiten in artikel 2 onder f en g kunnen wel gevolgen hebben voor burgers. Dat zijn wijzigingen die de rechter oplegt of wijzigingen die het Rijk of de provincie eisen in de vorm van

instructieregels. Als de gemeenteraad daarbij geen ruimte krijgt om de inhoud van de regel te bepalen, dan is het efficiënter om de wijziging door het college te laten afhandelen.

Het delegatiebesluit zet de lijn van het delegatiebesluit van 2 november 2023 voort en bevat dus de

besluiten over wijzigingen waarop de gemeenteraad geen invloed heeft en die om die reden aan het college kunnen worden gedelegeerd. Artikelsgewijs Artikel 2 Dit artikel is grotendeels een voortzetting van een eerder delegatiebesluit van de gemeenteraad: het

raadsbesluit Delegatie vaststellen omgevingsplan en bindend advies bij afwijkvergunningen (beslispunt 1) van 2 november 2023. Alleen de onderdelen b, c en j van artikel 2 zijn daaraan toegevoegd.

In artikel 2 en 4 staan de gevallen waarin de gemeenteraad een wijziging van het omgevingsplan delegeert aan het college van burgemeester en wethouders. De gevallen die in artikel 2 staan zijn: 1.

wijzigingen die nodig zijn voor de opbouw van het omgevingsplan (de gevallen a tot en met d);

2.

verplichte wijzigingen (de gevallen e tot en met g);

3.

verbetering van fouten (h);

4.

actueel houden van de regeling die archeologische waarden beschermt (i);

5.

actueel houden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (j).

Delegatie van een wijziging van het omgevingsplan aan het college heeft als voordeel dat de procedure korter is, dat de raadsagenda niet onnodig belast wordt en dat de ambtelijke kosten lager zijn. Het

uitgangspunt van dit voorstel is dat de gemeenteraad zelf de regels vaststelt die gevolgen hebben voor

burgers. In dit voorstel zijn de besluiten onder 2 daarop een uitzondering. Op de inhoud van die besluiten heeft de gemeenteraad geen invloed en daarom kunnen ook die besluiten net zo goed door het college worden genomen.

Bij de invoering van de Omgevingswet zijn bestemmingsplannen, beheersverordeningen en de

zogenoemde ‘bruidsschat’ bij wet onderdeel van het omgevingsplan geworden. De gemeente moet die

onderdelen voor 1 januari 2032 opnemen in het omgevingsplan. Ook regels uit verordeningen die over de leefomgeving gaan (artikel 1, onderdeel d) moeten worden overgezet. Voor de raadpleegbaarheid van het omgevingsplan is het van belang om de wijzigingen die hierboven onder 1 staan zo snel mogelijk uit te voeren. De Omgevingswet stelt andere eisen aan regels dan de voorheen geldende Wet ruimtelijke

ordening, maar over het algemeen kunnen de oude regels omgezet worden in omgevingsplanregels die

inhoudelijk gelijk zijn. In dat geval verandert er feitelijk niets en daarom kan de gemeenteraad dergelijke wijzigingen beter overdragen aan het college.

Ook bij het overzetten van regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan (artikel 2, onderdeel a; dat zijn de regels die het Rijk heeft overgedragen aan de gemeente, ook wel ‘de bruidsschat’ genoemd), bij het

vertalen van een TAM-omgevingsplan (artikel 2, onderdeel b) of een ontwikkelfunctie (artikel 2, onderdeel c) of bij het omzetten van een regeling uit een verordening verandert er meestal niets. Ook dan kan de gemeenteraad het besluit om het omgevingsplan te wijzigen delegeren aan het college.

Onderdeel e van artikel 2 gaat over ontwikkelingen die met een buitenplanse omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit worden toegestaan. De Omgevingswet bepaalt dat de gemeenteraad

vergunningen voor afwijkactiviteiten binnen vijf jaar moet verwerken in het omgevingsplan. Als na

besluitvorming op de vergunning nogmaals een besluit genomen moet worden over aanpassing van het omgevingsplan, is sprake van dubbele besluitvorming over hetzelfde onderwerp. Het vertalen van

verleende omgevingsvergunningen is een administratieve handeling en leent zich dus goed voor delegatie. Hetzelfde geldt voor de andere besluiten die onder 2 vallen (artikel 2, onderdelen f en g). Die gaan over

een verandering van landelijke of provinciale regelingen die moeten doorwerken in het omgevingsplan. Als de gemeente geen beleidsvrijheid heeft bij de implementatie is de wijziging slechts een administratieve handeling.

De onderdelen die hierboven onder 3 tot en met 5 (artikel 2, onderdelen h t/m j) genoemd worden bevatten besluiten die nodig zijn om het omgevingsplan actueel en correct te houden. Voor de

onderbouwing van gebiedsontwikkelingen wordt meestal archeologisch onderzoek gedaan. Uit het

onderzoek kan blijken dat op een locatie helemaal geen archeologische resten aanwezig zijn of dat dat de kans op het vinden van dergelijke resten groter is dan eerder werd aangenomen. In dat soort gevallen is het wenselijk om de resultaten van het onderzoek te verwerken in het omgevingsplan, zodat het omgevingsplan actueel blijft.

Het intrekken van een deel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan heeft juridisch helemaal geen

effect, maar voorkomt verwarring over welke regel nu geldt. In sommige gevallen vervalt een regeling die vervangen is door een nieuwe regeling automatisch, maar als dat niet gebeurt is het intrekken van het oude besluit nodig. Artikel 3 Bij het eerdere delegatiebesluit heeft de gemeenteraad als voorwaarde meegegeven dat de omzetting van

een oude naar een nieuwe regeling ‘beleidsarm’ moest zijn. In de praktijk blijkt dat die term niet duidelijk genoeg is. Als de gemeenteraad bijvoorbeeld beleid heeft vastgesteld over het splitsen van woningen dat nog niet verwerkt was in de woonbestemming van een bestemmingsplan, is dan het vertalen van die

woonbestemming in een functie die aan het splitsen voorwaarden verbindt op grond van het beleid wel ‘beleidsneutraal’? Artikel 3 heeft als doel om een duidelijker kader te geven.

In lid 1 is ‘beleidsarm’ als volgt verwoord: de nieuwe regeling in het omgevingsplan is een zo nauwkeurig mogelijke vertaling van de oude regeling of van de vergunde situatie. Maar “zo nauwkeurig mogelijk” kan

heel strak worden uitgelegd, al gauw strakker dan wat met ‘beleidsarm’ bedoeld is. Daarom staan is in lid

2 een opsomming van gevallen waarin de nieuwe regeling mag afwijken van de oude, onder de voorwaarde dat de afwijking de bestaande belangen niet onevenredig doorkruist.

De onderdelen a en b van lid 2 bieden de mogelijkheid om de nieuwe regels aan te vullen op grond van

bestaand beleid of een bestaande routine (beleidsregels). Onderdeel c is nodig als de oude regeling niet past in het systeem van de wet en er dus een alternatief voor de oude regeling bedacht moet worden.

Onderdeel d is bedoeld om in gelijke gevallen dezelfde regels te laten gelden. Het kan bijvoorbeeld zijn dat in een bestemmingsplan dat in de wijk Ondiep geldt andere regels zijn verbonden aan de bestemming van een basisschool dan in een bestemmingsplan voor de wijk Vleuterweide. Bij het overzetten van dergelijke

regels streeft de gemeente naar uniformiteit in plaats van te kiezen voor een stapeling van uitzonderingen. Onderdeel e gaat over een ontwikkellocatie die inmiddels uitontwikkeld is. Voor ontwikkellocaties gelden

vaak globale regels om de bouwer flexibiliteit te geven bij het invullen van het gebied. Na realisatie is die

flexibiliteit niet meer nodig en vaak ook niet wenselijk. Het planologische beheer van de locatie kan beter met de op beheer gerichte functies van het omgevingsplan geregeld worden. Daarmee ontstaat ook weer uniformiteit: in dezelfde gevallen gelden dezelfde regels. Artikel 4 De leden in dit artikel bevatten de delegatiebesluiten die de gemeenteraad heeft genomen om de uitvoering van projecten te bespoedigen.

In lid 1 is het raadsbesluit Wijziging Utrechts Planproces (beslispunt 2) van 14 november 2024, met de

delegatie van wijzigingen van het omgevingsplan voor Kanaleneiland, Transwijk en de Merwedekanaalzone (met uitzondering van deelgebied 5, 2e fase) te delegeren. Lid 2 is gereserveerd voor nieuwe projecten. Artikel 5 Dit artikel is grotendeels een voortzetting van een eerder delegatiebesluit van de gemeenteraad: het

raadsbesluit Mandaatbesluit voor bevoegdheid tot nemen mer-beoordelingsbeslissing, delegatie van

voorbereidingsbesluiten voor ontwerp wijziging omgevingsplan (beslispunt 3) van 14 november 2024. De gemeenteraad kan op grond van artikel 4.14 van de wet een voorbereidingsbesluit nemen dat aan het omgevingsplan voorbeschermingsregels toevoegt. De voorbeschermingsregels “strekken ertoe te

voorkomen dat de locatie minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van het doel van de regels” (artikel 4.14, tweede lid). Met die regels kan de gemeente voorkomen dat projecten vergund moeten worden die in strijd zijn met een omgevingsplanwijziging die in voorbereiding is. De

voorbeschermingsregels gelden voor maximaal anderhalf jaar. Delegatie van het nemen van een

voorbereidingsbesluit op grond van artikel 4.14, vijfde lid, van de wet, heeft een praktisch voordeel. Het college kan tegelijk met een besluit over de terinzagelegging van de ontwerpwijziging van het

omgevingsplan een voorbereidingsbesluit nemen en zo voorkomen dat er een periode is waarin het

ontwerp wel bekend is gemaakt, maar er nog geen beschermende regels gelden. Delegatie is dus zowel efficiënt als effectief.

Het eerdere delegatiebesluit betrof alleen de zogenoemde wijzigingen omgevingsplan voor een

gebiedsontwikkeling. Maar ook de op beheer gerichte wijzigingen of wijzigingen die thematisch beleid uitvoeren kunnen regels bevatten die beschermd moeten worden tegen ongewenste ontwikkelingen. Het komt ook voor dat een voorbereidingsbesluit wenselijk is om een beleidswijziging die de

gemeenteraad nog moet vaststellen te vrijwaren van initiatieven die daarmee in strijd zijn. Een dergelijk

geval valt niet onder dit delegatiebesluit. De gemeenteraad zal zelf moeten vaststellen of de

beleidswijziging vraagt om de wijziging van het omgevingsplan met voorbeschermingsregels. Een

voorbeeld: enige jaren geleden waren er ineens een aantal initiatieven om “flitsbezorging” in winkelpanden te vestigen. Het college heeft de gemeenteraad toen voorgesteld om met een voorbereidingsbesluit

dergelijke initiatieven voorlopig te blokkeren, zodat er tijd kwam om de wenselijkheid van die initiatieven te onderzoeken. Er was op dat moment nog geen wijziging van het omgevingsplan in voorbereiding.

Commissie Ruimte Dossiernummer

5255

Vergaderdatum

11 juni 2026

Agendapunt

4

Titel

Raadsvoorstel Aanwijzingsbesluit buitenplanse omgevingsplanactiviteiten met verplichte participatie

Geagendeerd

Vergaderdatum

Commissie Ruimte

16 april 2026

Commissie Ruimte

11 juni 2026

Voorstel aan de gemeenteraad

Aanwijzingsbesluit buitenplanse omgevingsplanactiviteiten met verplichte participatie Beleidsveld Organisatieonderdeel Opsteller Kenmerk Vergaderdatum Raad Referendabel Geheim

Ruimtelijke Ordening / Samen Stad Maken Vergunningen, Toezicht en Handhaving Stijn te Wierik 34119224 Volgt Ja Nee

Het college van burgemeester en wethouders stelt de raad voor te besluiten: 1. Het ‘Aanwijzingsbesluit buitenplanse omgevingsplanactiviteiten met verplichte participatie gemeente Utrecht’ vast te stellen, waarin bij een omgevingsvergunning die afwijkt van regels uit het omgevingsplan (een BOPA: buitenplanse omgevingsplanactiviteit) samenwerking verplicht wordt gesteld in de volgende gevallen: a. BOPA's waar bindend advies van de raad voor nodig is; b. Wijzigen van gebruik van een locatie, bij: maatschappelijke voorzieningen, horecaactiviteiten categorie A1, A2 of B, seksbedrijf, logies verstrekken, horecaterras, parkeervoorzieningen, sportvoorzieningen, bouwwerken met een bruto vloeroppervlakte meer dan 600 m2; c. Het bouwen van een of meer nieuwe hoofdgebouwen, niet zijnde woningen; d. Het bouwen van gebouwen en bouwwerken voor de woonfunctie, vanaf twee woningen. 2. Na minimaal een jaar van inwerkintreding van het verplicht stellen van samenwerking bij een BOPA bij de gevallen uit de lijst een kwalitatieve evaluatie uit te voeren, die bestaat uit: a. Analyseren of de lijst in huidige vorm compleet is, of dat er gevallen moeten worden toegevoegd of worden verwijderd; b. Evalueren van de impact op de werkdruk en het effect op de leges; c.

De invloed van de verplichte samenwerking op de kwaliteit en snelheid van het vergunningenproces, en deze evaluatie mee te nemen in de reguliere voortgangsmomenten van Samen stad maken.

Burgemeester en wethouders van Utrecht,

de secretaris,

de burgemeester,

Samenvatting De Omgevingswet (artikel 16.55, Ow) stelt dat de gemeenteraad gevallen kan aanwijzen waarin participatie van en overleg met derden verplicht is voordat de initiatiefnemer een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit (BOPA) indient. Voorstel is te kiezen voor verplichte samenwerking (participatie genoemd in de Omgevingswet) bij BOPA-gevallen met impact op de fysieke leefomgeving én waarbij een belanghebbende beïnvloedingsruimte kan hebben. De BOPA's waar een bindend advies van de raad voor nodig zijn, stellen we in dit voorstel voor om hier altijd onder te laten vallen. Daarnaast geldt dit voor de volgende categorieën: • Wijzigen van gebruik van een locatie, bij: maatschappelijke voorzieningen, horeca-activiteiten categorie A1, A2 of B, seksbedrijf, logies verstrekken, horecaterras, parkeervoorzieningen, sportvoorzieningen, bouwwerken met een bruto vloeroppervlakte meer dan 600 m2 • Het bouwen van een of meer nieuwe hoofdgebouwen, niet zijnde woningen • Het bouwen van gebouwen en bouwwerken voor de woonfunctie, vanaf twee woningen

Context Aanleiding ‘’Werken in de geest van de Omgevingswet’’ betekent onder andere dat gemeentes samenwerking (participatie genoemd in de Omgevingswet) kunnen vormgeven bij omgevingsvergunningen. Voor BOPA's is nog geen besluit genomen hoe om te gaan met deze. Dat zijn de aanvragen voor een omgevingsvergunning, waarbij er geen sprake is van een UPGtraject en die buiten de kaders van het bestaande omgevingsplan vallen. Gemeentes kunnen besluiten bij welke BOPA's samenwerking verplicht is bij een aanvraag. Het doel van dit voorstel is om een logische en werkbare lijst met BOPA’s vast te stellen, waarbij samenwerking met Utrechters verplicht wordt gesteld voor de initiatiefnemer. In dit voorstel wordt gesproken over samenwerking in plaats van participatie, zoals in lijn met beleidsnota Samen stad maken – Geen Utrecht zonder U en verordening samenwerking, participatie en inspraak. In het raadsvoorstel ‘verordening samenwerking, participatie en inspraak’ is aan de raad aangekondigd dat voor het verplicht stellen van samenwerking binnen de BOPA separate besluitvorming zal plaatsvinden. Voor het opstellen van dit raadsvoorstel is contact geweest met andere gemeentes om te leren welke BOPA's zij hebben aangewezen voor verplichte samenwerking.

Met dit raadsvoorstel wordt voorgesteld om te kiezen voor verplichte samenwerking bij BOPA-gevallen en dit te doen voor gevallen met impact op de fysieke leefomgeving én waarbij een belanghebbende beïnvloedingsruimte kan hebben. Hiervoor zijn alle BOPA-aanvragen van afgelopen jaar doorgenomen en bekeken welke type BOPA's impact hebben op de fysieke leefomgeving én voldoende beïnvloedingsruimte is. Juridische context Uit artikel 16.55, lid 7, Omgevingswet blijkt dat de gemeenteraad gevallen kan aanwijzen waarin participatie verplicht is voordat een aanvraag om een BOPA kan worden ingediend. De verplichte participatie moet van enige betekenis zijn. Het hangt af van de aard van het project en de impact op de omgeving wat er in redelijkheid aan participatie gedaan moet worden. Ook mag participatie niet achterwege blijven. Het besluit kan als participatie niet van enige betekenis is, of achterwege is gebleven vernietigd worden. Beslistermijn De gemeenteraad kan sinds 1 januari 2024 (inwerkingtreding Omgevingswet) een lijst met buitenplanse omgevingsplanactiviteiten vaststellen waarbij participatie verplicht is. Hier hangt geen verplichte beslistermijn aan vast. Beoogd effect Na dit raadsbesluit is het voor initiatiefnemers bij de voorgestelde BOPA-gevallen verplicht om samen te werken met Utrechters voor het indienen van hun aanvraag.

Het samenwerkingsproces en wat zij inhoudelijk hebben opgehaald moeten zij bij hun aanvraag inzichtelijk maken. Op die manier worden 2

de belangen van Utrechters dus meegenomen in de afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Dit sluit aan bij de doelstelling uit de beleidsnota Samen stad maken – Geen Utrecht zonder U dat Utrechters meer zeggenschap hebben over de plannen en de uitvoering in hun stad. Eerdere besluitvorming en informatievoorziening aan de raad 2 November 2023 Raadsbesluit Invulling bevoegdheden Omgevingswet delegatie wijziging omgevingsplan en bindend advies bij afwijkvergunningen 14 November 2024 Wijziging Utrechts planproces Juni 2024 Beleidsnota Samen stad maken – Geen Utrecht zonder U April 2025 Verordening samenwerking, participatie en inspraak gemeente Utrecht

Beslispunten, Argumenten en Kanttekeningen/Risico’s Beslispunt 1

Het ‘Aanwijzingsbesluit buitenplanse omgevingsplanactiviteiten met verplichte participatie gemeente Utrecht’ vast te stellen, waarin bij een omgevingsvergunning die afwijkt van regels uit het omgevingsplan (een BOPA: buitenplanse omgevingsplanactiviteit),samenwerking verplicht wordt gesteld in de volgende gevallen: a. BOPA's waar bindend advies van de raad voor nodig is; b. Wijzigen van gebruik van een locatie, bij: maatschappelijke voorzieningen, horeca-activiteiten categorie A1, A2 of B, seksbedrijf, logies verstrekken, horecaterras, parkeervoorzieningen, sportvoorzieningen, bouwwerken met een bruto vloeroppervlakte meer dan 600 m2; c. Het bouwen van een of meer nieuwe hoofdgebouwen, niet zijnde woningen; d. Het bouwen van gebouwen en bouwwerken voor de woonfunctie, vanaf twee woningen.

Argumenten 1.1

Hiermee krijgen Utrechters meer formele zeggenschap, daar waar het relevant is, en wordt de stem van Utrechters meegenomen in de plannen. Met impact op de fysieke leefomgeving wordt bedoeld dat een aanvraag een substantieel effect zal hebben op de ruimte waarin mensen wonen, werken en recreëren. Met beïnvloedingsruimte wordt bedoeld dat er ruimte is om iets van de aanvraag te vinden ten opzichte van de gemeentelijke belangenafweging én dat er aanpassingen mogelijk zijn aan de plannen om het passender te maken voor de fysieke leefomgeving. Dit sluit aan bij het doel van beleidsnota Samen stad maken – Geen Utrecht zonder U, waarin we meer zeggenschap voor Utrechters willen. Ook bij besluitvormingsprocessen bij een BOPA wordt hiermee geborgd dat samenwerking verplicht is bij bepaalde gevallen en dat de stem van Utrechters dus meegewogen wordt in de belangenafweging om een aanvraag goed te keuren. In deze belangenafweging worden meerdere factoren meegewogen. Daarnaast is het vaststellen van participatieverplichte activiteiten in lijn met de voorgestane rol van participatie onder de Omgevingswet.

1.2

Door vooraf BOPA’s aan te wijzen voor verplichte samenwerking wordt duidelijkheid gecreëerd voor de initiatiefnemer/aanvrager. Voor alle andere omgevingsvergunningen geldt geen samenwerkingsplicht. De lijst met gevallen van verplichte samenwerking is zo concreet mogelijk geformuleerd, waardoor een initiatiefnemer al voor het indienen van een vergunning duidelijkheid heeft of hij hiervoor verplicht moet samenwerken met Utrechters. Hierdoor ontstaan er zo min mogelijk verrassingen na het indienen 3

van de aanvraag. Om de initiatiefnemers op weg te helpen, wordt een richtlijn uitgewerkt. Hiermee worden de initiatiefnemers geholpen met het uitdenken van hun samenwerking met de stad en geven wij als gemeente richting wat wij hierin van hen verwachten. Het gaat hierbij dus om het behapbaar houden van de samenwerking, die in verhouding staat tot desbetreffende aanvraag. 1.3

Hiermee wordt samenwerking alleen verplicht gesteld wanneer er sprake is van zowel impact op de fysieke leefomgeving als beïnvloedingsruimte voor de belanghebbenden, waardoor de behandeling ervan werkbaar kan worden uitgevoerd zonder aanzienlijke impact op de leges. Door samenwerking alleen verplicht te stellen wanneer er sprake is van zowel impact op de fysieke leefomgeving als beïnvloedingsruimte voor de belanghebbenden, wordt gestreefd om het toetsen ervan uit te voeren binnen de huidige bezetting. Daarmee wordt het effect op de leges voor alle aanvragers van een vergunning zoveel mogelijk beperkt. Extra verplichte samenwerking bij aanvragen zou tot meer beoordelingsuren en dus extra bezetting bij VTH leiden, wat vervolgens voor hogere legesbedragen voor alle vergunningenaanvragers in Utrecht zorgt. Tot slot helpt het opstellen van richtlijnen bij welke gevallen samenwerking nodig is, bij de werkbaarheid van de lijst. Deze richtlijnen zorgen ervoor dat zo min mogelijk inhoudelijke beoordeling bij de indiening van een vergunning noodzakelijk is.

1.4

Met deze lijst, bestaande uit gevallen met impact op de fysieke leefomgeving en met beïnvloedingsruimte, wordt schijnparticipatie voorkomen. Van schijnparticipatie kan bijvoorbeeld sprake zijn bij het plaatsen dakkapel, waar onvoldoende beïnvloedingsruimte is, een horeca-categorie D2, waarbij relatief weinig impact op de fysieke leefomgeving is. Aanvragen moeten vergund worden als deze binnen de regels passen. De complete dakkapel kan niet ter discussie worden gesteld door omwonenden. Ook bij deze gevallen wordt gestimuleerd om in contact te zijn met de omgeving, maar hierbij gaat het meer om proactief informeren. Hieronder wordt per categorie met een concreet voorbeeld en argumenten aangegeven, waarom de categorie op de lijst is opgenomen: • BOPA's die voor bindend advies naar de raad moeten: In deze categorie valt bijvoorbeeld een zonnepark. Een zonnepark wordt vaak niet als fraai ervaren, omdat het landschap verandert. Bovendien kunnen directe omwonenden geluidshinder ervaren door de omvormers. Naast dat er beïnvloedingsruimte aanwezig is (betere landschappelijke inpassing en afstanden tussen de zonnepanelen), maakt dat samenwerking bij zonneparken zinvol is. • Het wijzigen van het gebruik op een locatie in strijd met het omgevingsplan: In deze categorie valt bijvoorbeeld een discotheek. Een discotheek heeft een grote impact op de fysieke leefomgeving.

Doordat de deuren tot laat open zijn, kan er geluidsoverlast voor omwonenden ontstaan. Verder kan op drukke avonden veel verkeersbewegingen rondom de discotheek ontstaan. Daarnaast kan samenwerking met belanghebbenden bij de aanvraag van een discotheek invloed hebben op het definitieve plan. Bijvoorbeeld het verplaatsen van de entree of de fietsrekken. • Het bouwen van een hoofdgebouw niet zijnde een woning: In deze categorie valt bijvoorbeeld een bedrijfsgebouw. Afhankelijk van het bedrijf, kan zo een bedrijfsgebouw voor nieuwe verkeersbewegingen zorgen. Bijvoorbeeld personeelsauto's rond spitstijden of het laden en lossen van vrachtwagens. Ook is er sprake van beïnvloedingsruimte, zoals meedenken over de personeelsingang.

4

•

Het bouwen van een gebouw, vanaf twee woningen: bijvoorbeeld een appartementencomplex met 15 extra appartementen. Een appartementencomplex zorgt voor stedelijke verdichting en kan leiden tot schaduwwerking en verlies van privacy voor omwonenden. Bovendien is er beïnvloedingsruimte aanwezig: denk aan het meedenken over de landschapsinrichting of groenvoorzieningen rondom het appartementencomplex.

Hieronder volgen drie voorbeelden met argumenten waarom het voorbeeld niet op de lijst is opgenomen: • Horeca categorie D2: In deze categorie valt bijvoorbeeld een theehuis. Zo heeft een theehuis relatief weinig impact op de directe fysieke leefomgeving. De openings- en sluitingstijden zijn overdag. Daarnaast zijn de drukke momenten op tijdstippen dat de directe omgeving ook naar school, werk of andere activiteiten gaan. • Het bouwen van een enkele woning: zoals een losse woning op een kavel. De impact op de omgeving is relatief beperkt, er ontstaan weinig verkeersbewegingen en minimaal extra geluid. Daarnaast is de beïnvloedingsruimte beperkt. De kavel staat tenslotte vaak al aan een openbare weg, waardoor het ontwerp na gesprekken met de omgeving doorgaans niet aanzienlijk wordt aangepast. • Het plaatsen van een dakkapel: Aanvragen moet de gemeente vergunnen als deze binnen de regels passen. De complete dakkapel kan niet ter discussie worden gesteld door omwonenden. Alleen het stuk waardoor de dakkapel een BOPA is geworden, bijvoorbeeld een stukje van de dakkapel te hoog of te lang. De beïnvloedingsruimte is hierdoor beperkt, waardoor schijnparticipatie in de hand wordt gewerkt als de gemeente bij deze gevallen verplichte samenwerking gaat eisen. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor een uitbouw, enkele woning of een parkeerplaats met maar een paar parkeerplekken.

In de toelichting van ‘Lijst met gevallen waarvoor samenwerking verplicht is bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit' staan nog meer voorbeelden voor de verschillende categorieën. Kanttekeningen/Risico’s 1.1

Er wordt meer van initiatiefnemers gevraagd. Afhankelijk van de aanvraag, moeten initiatiefnemers op dit moment al verschillende gegevens en informatie aanleveren. De inzet voor het samenwerken met Utrechters en het weergeven van hoe ze dit hebben gedaan, kan hier dus bij komen. Deze inzet vinden we als gemeente Utrecht echter essentieel om op die manier de zeggenschap van meer Utrechters mee te nemen in onze (ambtelijke) besluitvorming. In de huidige praktijk is het soms zo dat grotere initiatieven al samenwerken met de stad en dat zij hier dus al (deels) aan voldoen. Er wordt geprobeerd het overvragen van initiatiefnemers zoveel mogelijk te voorkomen door samenwerking niet standaard verplicht te stellen, maar een afweging te maken wanneer deze het meest relevant is. Daardoor is er dus geen samenwerking verplicht op het moment dat de impact op de fysieke leefomgeving klein is óf als er weinig beïnvloedingsruimte is. Daarbij wordt in de richtlijn voor samenwerking bij een initiatief nog uitgewerkt wat de gevraagde mate van samenwerking is bij een aanvraag en zullen er voorbeelden worden gegeven.

5

1.2

Door beoordeling van de participatie-uitkomsten kunnen vertragende discussies ontstaan tussen initiatiefnemer en de beoordelaar van de vergunningsaanvraag. Bij een aanvraag kan er discussie ontstaan of de aanvraag wel/niet voldoet aan de samenwerkingsverplichtingen. Bijvoorbeeld over de mate van samenwerking. Daarom is een strakke lijst met zo min mogelijk discussieruimte op voorhand belangrijk. Om de initiatiefnemers op weg te helpen, wordt een richtlijn uitgewerkt. Hiermee worden de initiatiefnemers geholpen in het uitdenken van hun samenwerking met de stad en geven wij als gemeente richting wat wij hierin van hen verwachten. Het gaat hierbij dus om het behapbaar houden van de samenwerking, die in verhouding staat tot desbetreffende aanvraag. We proberen dit risico te beperken door samenwerking alleen verplicht te stellen wanneer deze het meest relevant is: op het moment dat er relatief veel impact op de fysieke leefomgeving is en er beïnvloedingsruimte is.

1.3

De manier van samenwerken wordt niet inhoudelijk beoordeeld. Aangezien samenwerking onder de Omgevingswet alleen een aanvraagvereiste is, kan het niet inhoudelijk worden beoordeeld en is het geen weigeringsgrond. Er kan enkel gecontroleerd worden of er is voldaan aan de criteria zoals genoemd in de aanleiding: i. Als samenwerking verplicht is, worden er zorgen, wensen en aandachtspunten actief opgehaald door een initiatiefnemer. Informatie delen is geen samenwerking ii. De initiatiefnemer gaat (fysiek of online) in gesprek met belanghebbenden over de inpassing van het plan in de fysieke leefomgeving ter verbetering van het plan in de BOPA-aanvraag iii. De initiatiefnemer maakt bij de aanvraag inzichtelijk hoe welke input is opgehaald en wat dit heeft veranderd aan de plannen. iv. De initiatiefnemer maakt bij de aanvraag inzichtelijk hoe de initiatiefnemer de verwerking van de input heeft teruggekoppeld aan de belanghebbenden. v. De inzet van de initiatiefnemer moet in verhouding staan tot de impact van en beïnvloedingsruimte bij de plannen. Deze criteria worden nader uitgewerkt tot een werkzame lijst voor de beoordelaars van de vergunning.

1.4

Er is enkel beïnvloedingsruimte op de onderdelen die buiten het omgevingsplan vallen. Sommige plannen vallen grotendeels binnen de kaders van het omgevingsplan, maar wijken op enkele aspecten af. Hierbij is te denken aan de hoogte van een gebouw dat afwijkt van de maximale bouwhoogte zoals genoemd in het omgevingsplan. Hierdoor wordt de aanvraag beoordeeld als een BOPA, terwijl enkel dit aspect afwijkt van het toegestane kader uit het omgevingsplan. Hierbij is het niet eerlijk om input te vragen aan belanghebbenden over het gehele plan. Door input te vragen over het gehele plan ontstaan verkeerde verwachtingen bij belanghebbenden, wat schijnparticipatie in de hand werkt. Daarom worden hier handvatten aan de initiatiefnemer gegeven met een hulpmiddel hoe deze de samenwerking kan vormgeven.

Beslispunt 2

Na minimaal een jaar van inwerkintreding van het verplicht stellen van samenwerking bij een BOPA bij de gevallen uit de lijst een kwalitatieve evaluatie uit te voeren, die bestaat uit: a. Analyseren of de lijst in huidige vorm compleet is, of dat er gevallen moeten worden toegevoegd of worden verwijderd. b. Evalueren van de impact op de werkdruk en het effect op de leges. c. De invloed van de verplichte samenwerking op de kwaliteit en snelheid van het vergunningenproces. 6

en deze evaluatie mee te nemen in de reguliere voortgangsmomenten van Samen stad maken. Argumenten 2.1

Door een regelmatige evaluatie kunnen de gevallen in de lijst worden aangepast naar aanleiding van praktijkervaringen De gevallen in de lijst zijn uiteenlopend. Zo is de impact op de fysieke leefomgeving en de beïnvloedingsruimte verschillend bij de realisatie van bijvoorbeeld een parkeergarage, horecaterras of sportvoorziening. Door de evaluatie wordt er geanalyseerd of de gevallen logisch op elkaar aansluiten, of dat er gevallen negatief uitspringen. Bijvoorbeeld dat samenwerking bij één van de gevallen niet of nauwelijks leidt tot veranderingen van plannen.

2.2

Het effect van de lijst op de kwaliteit en snelheid van besluitvorming kan pas onderzocht worden als er zeker een jaar met de lijst gewerkt is. Door Utrechters in een vroeg stadium bij plannen te betrekken, kan het draagvlak voor besluiten worden vergroot. Dit kan zorgen voor betere kwaliteit van besluitvorming, waardoor er minder zienswijzen worden ingediend of minder vaak bezwaar wordt gemaakt. Pas na een periode van minimaal een jaar na vaststelling van de lijst, weten wij of dit ook geldt voor de opgenomen gevallen. Door middel van ervaringsonderzoek wordt nagegaan of de kwaliteit van de besluitvorming is verbeterd en of er invloed is op de snelheid van besluitvorming.

Financiën Dit voorstel heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. De kosten voor samenwerking tussen de aanvrager en betrokkenen worden door de aanvrager betaald. Met de kosten voor extra werkzaamheden wordt in de tarieven in de legesverordening omgevingsvergunningen 2027 rekening gehouden. De financiële impact van de extra werkzaamheden is op voorhand niet in te schatten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=249d8455-dcb3-4a07-9c3f-a4dba09d00a5