CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsinformatiebijeenkomst 30 januari 2024, gemeente Utrecht16.172 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de methodische verantwoording gaan we dieper in op de techniek en analyse waarmee deze resultaten tot stand zijn gekomen.

7

1. Onderwijssegregatie in Utrecht • • • • •

In Utrecht is onderwijssegregatie op basis van inkomen het grootst Onderwijssegregatie in steden is groter dan gemiddeld in Nederland Binnen G4 is onderwijssegregatie naar inkomen in Utrecht en Amsterdam het laagst Onderwijssegregatie naar opleiding in Utrecht vergelijkbaar met Amsterdam en Rotterdam Woonsegregatie verklaart ruim de helft van de onderwijssegregatie in de stad

1.1 Voor welk achtergrondkenmerk is onderwijssegregatie in Utrecht het grootst? In Utrecht is onderwijssegregatie op basis van inkomen het grootst Na inkomen is de onderwijssegregatie op basis van opleiding het grootst is. De onderwijssegregatie op basis van herkomst is het kleinst, zie figuur 1. De Dissimilarity Index in figuur 1 heeft een waarde tussen 0 en 1, waarbij 0 betekent dat er geen segregatie is en 1 betekent dat er volledige segregatie is. Van de Utrechtse kinderen die naar de basisschool gaan in Utrecht én waarvan de ouders tot de laagste of de hoogste 20 procent van de inkomens behoren, zou 63 procent naar een andere school moeten gaan om tot een evenwichtige verdeling te komen. Voor kinderen waarvan de ouders geen startkwalificatie hebben of waarvan de ouders een hbo- of wo-diploma hebben is dit 58%. Voor kinderen waarvan beide ouders in Nederland of beide ouders in het buitenland geboren zijn is dit 51%.

https://infogram.com/1plj2lnmepxem1bqemry6kg0qecz1v62ew5?live

8

1.2 Hoe groot is de onderwijssegregatie in Utrecht ten opzichte van Nederland en andere G4-gemeenten? Onderwijssegregatie in steden is groter dan gemiddeld in Nederland Dat geldt ook voor Utrecht. Dit komt doordat de stad meer divers is dan veel minder verstedelijkte plaatsen, ook naar opleiding, inkomen en herkomst. Hierdoor is er sneller sprake van woonsegregatie. Ook is er in een stad keuze uit meer verschillende scholen in de buurt van huis. Hierdoor is er sneller sprake van schoolkeuzesegregatie. In Nederland is er daarom gemiddeld minder onderwijssegregatie dan in Utrecht (KBA, Kohnstamm Instituut, Oberon & SEOR, 2023). Daarom vergelijken we de mate van onderwijssegregatie in Utrecht ook met de andere G4-gemeenten. Binnen G4 is onderwijssegregatie naar inkomen in Utrecht en Amsterdam het laagst De landelijke monitor laat zien dat de onderwijssegregatie naar inkomen in Utrecht gelijk is aan die in Amsterdam (figuur 2). Dat is lager dan in Rotterdam en Den Haag. Onderwijssegregatie naar inkomen is het hoogst in Den Haag, als we kijken naar de kinderen uit de laagste en hoogste 25 procent inkomensgroepen in Nederland (KBA, Kohnstamm Instituut, Oberon & SEOR, 2023).

https://infogram.com/1prdp0njxm5n6gbg1xnpyjx7x0bmrl99ynl?live

9

Onderwijssegregatie naar opleiding in Utrecht vergelijkbaar met Amsterdam en Rotterdam Binnen de G4 gemeenten is de onderwijssegregatie naar opleiding in Den Haag het grootst (figuur 2). Onderwijssegregatie naar herkomst is in Utrecht hoger dan in Amsterdam en Rotterdam, maar lager dan in Den Haag (KBA, Kohnstamm Instituut, Oberon & SEOR, 2023). Het landelijk onderzoek maakt een vergelijking van de onderwijssegregatie over een periode van vijf jaar. Hieruit is op te maken dat de onderwijssegregatie in Utrecht naar zowel inkomen, opleiding als herkomst is afgenomen sinds schooljaar 2017/2018 (KBA, Kohnstamm Instituut, Oberon & SEOR, 2023).

1.3 Welk deel van de onderwijssegregatie in Utrecht is het gevolg van woonsegregatie in de stad? Woonsegregatie en schoolkeuzesegregatie zijn grofweg te splitsen Schoolkeuze van ouders is een verklaring voor onderwijssegregatie in het basisonderwijs. Een andere reden voor onderwijssegregatie is woonsegregatie: kinderen in de basisschoolleeftijd gaan vaak dichtbij huis, en daarmee voornamelijk binnen de wijk, naar school. In sommige wijken wonen veel gezinnen met vergelijkbare achtergrondkenmerken. Bijvoorbeeld met een laag of juist met een hoog inkomen. Woonsegregatie kan zo een deel van de onderwijssegregatie tussen wijken verklaren – al draagt schoolkeuze voor een school in een andere wijk ook bij aan segregatie tussen wijken. Voor verschillen binnen wijken verklaart schoolkeuze een groot deel van de onderwijssegregatie – al kan er ook binnen wijken nog sprake zijn van woonsegregatie. Bijvoorbeeld als buurten binnen de wijk sterk van elkaar verschillen en deze gescheiden worden door autowegen, spoor of water. Met de Hutchens Index kunnen we onderwijssegregatie splitsen in een stuk ‘verschillen tussen wijken’ en een stuk ‘verschillen binnen wijken’. Dit komt dus niet exact overeen met woonsegregatie en schoolkeuzesegregatie. Ook eventuele andere oorzaken van onderwijssegregatie worden hiermee niet zichtbaar.

Toch helpt de Hutchens Index om onderwijssegregatie door woonsegregatie en schoolkeuzesegregatie grofweg te benaderen op stadsniveau. Voor wijken doen we dit niet. Als we in het vervolg over woonsegregatie spreken, hebben we het over onderwijssegregatie door verschillen tussen wijken. Als we in het vervolg over schoolkeuzesegregatie spreken, hebben we het over onderwijssegregatie door verschillen binnen wijken. Woonsegregatie verklaart ruim de helft van de onderwijssegregatie in de stad Onderwijssegregatie naar inkomen, opleiding en herkomst wordt tussen de 50 en 62 procent verklaard door woonsegregatie (verschillen tussen wijken). Zo’n 38 tot 50 procent van de onderwijssegregatie wordt toegeschreven aan schoolkeuzesegregatie (verschillen binnen wijken). Hoewel de totale onderwijssegregatie naar herkomst het kleinst is (zie figuur 1) is het aandeel schoolkeuzesegregatie hierin het grootst. Precies 50% van de onderwijssegregatie naar herkomst wordt verklaard door verschillen binnen wijken, zie figuur 3. Bij onderwijssegregatie naar inkomen en opleiding speelt woonsegregatie een grotere rol en zien we minder schoolkeuzesegregatie. Onderwijssegregatie naar opleiding wordt 40% verklaard door schoolkeuzesegregatie, bij inkomen is dit 38%. Eventuele effecten van het aanmeldbeleid zijn nog niet zichtbaar in deze cijfers (schooljaar 2020/2021).

In hoofdstuk 3 laten we zien hoeveel elke wijk bijdraagt aan de totale schoolkeuzesegregatie in Utrecht (verschillen binnen wijken). Toch kan er ook binnen wijken sprake zijn van woonsegregatie. Dit zien we vooral als buurten in een wijk erg van elkaar verschillen. Daarom kijken we eerst naar hoe wijken en subwijken van elkaar verschillen, in hoofdstuk 2.

10

https://infogram.com/1p77dmjd9rpnr2az5kq32p0677cn0eggpge?live

11

2. Leerlingen en scholen in de wijk • • • • • • • • •

Utrecht heeft ongeveer evenveel basisscholen als buurten Ruim driekwart van de leerlingen in de binnenstad woont in een andere wijk Ruim duizend kinderen uit Overvecht gaan in een andere wijk naar school Grootste leerlingenstromen in Overvecht, Oost en Zuidwest Nauwelijks leerlingen met twee ouders zonder startkwalificatie in de binnenstad en Noordoost In Overvecht gaan nauwelijks leerlingen naar school met een hoog huishoudinkomen Aandeel leerlingen met twee ouders in het buitenland geboren het grootst in Overvecht Sociaaleconomische positie van huishoudens met schoolkinderen het hoogst in Noordoost Grote verschillen in sociaaleconomische positie binnen Zuidwest

2.1 Hoeveel scholen en leerlingen zijn er per wijk? Utrecht heeft ongeveer evenveel basisscholen als buurten Er zijn in Utrecht 103 basisscholen met in totaal 31.227 leerlingen (2020/2021). Niet in elke buurt is een basisschool, bijvoorbeeld in kleine buurtjes en op bedrijventerreinen. In acht van de 112 Utrechtse buurten wonen geen kinderen in de basisschoolleeftijd. Niet alle kinderen gaan in Utrecht naar school en niet alle leerlingen op school wonen in Utrecht. Met 2% is de in- en uitstroom tussen stad en omliggende gemeenten klein en vrijwel gelijk aan elkaar. In schooljaar 2020/2021 gingen 663 Utrechtse kinderen buiten de stad naar school en kwamen 665 leerlingen naar Utrecht van buiten de stad. Voor het berekenen van segregatiematen kijken we naar Utrechtse kinderen op Utrechtse scholen (30.562 leerlingen) en naar de wijk waarin de school staat. In figuur 4 zien we het aantal basisscholen en leerlingen per wijk. Alleen in dit hoofdstuk rapporteren we apart over de schoollocatie en de woonlocatie van leerlingen. Voor buurten zijn de aantallen scholen of kinderen te klein om over te rapporteren of om uit te splitsen naar achtergrondkenmerken. De achtergrondkenmerken van (ouders van) leerlingen laten we zien voor de 10 wijken, in paragraaf 2.3.

De achtergrondkenmerken op wijkniveau geven meer zicht op verschillen tussen wijken en op de omvang van groepen leerlingen per wijk. Alleen cijfers over de sociaaleconomische positie laten we zien voor de 34 subwijken, in paragraaf 2.4. De sociaaleconomische positie op subwijkniveau geeft meer zicht op verschillen binnen wijken, en daarmee op de kans op woonsegregatie binnen een wijk. Eerst kijken we nog naar de inen uitstroom van leerlingen per wijk, in paragraaf 2.2. Figuur 4: Aantal scholen en aantal leerlingen naar schoollocatie en woonlocatie Aantal scholen

12

Leerlingen op school

Leerlingen in wijk

https://infogram.com/1pnmj9d2y9vpljuz397ggkym3qimlvggzmq?live

2.2 Hoeveel kinderen gaan in een andere wijk naar school? Ruim driekwart van de leerlingen in de binnenstad woont in een andere wijk Gemiddeld in Utrecht komt 17 procent van de kinderen op school uit een andere wijk, zie figuur 5. In de binnenstad ligt dit aandeel veel hoger, daar komt 76% van de kinderen op school uit een andere wijk. Daarna volgen Oost (41%) en Zuidwest (28%). Ook in leerlingenaantallen is de instroom in deze wijken het grootst. Er komen 970 leerlingen van buiten de wijk naar Oost. In Zuidwest zijn dit 955 leerlingen en in de binnenstad 825. Tegelijkertijd vertrekken er nog vrij veel leerlingen uit Zuidwest (534), maar minder vanuit Oost (346) en Binnenstad (138). Hierdoor gaan er in de binnenstad 687 leerlingen meer naar school dan dat er in de wijk wonen. In Oost zijn dit 634 leerlingen en in Zuidwest 421 leerlingen. Toch is er in alle andere wijken ook voldoende schoolcapaciteit (zie figuur 5). De gemeente streeft naar een capaciteit van 112,5 procent (leerlingprognose Utrechtse scholen, 2022). Zo kan een kleine groei in het aantal kinderen binnen een wijk worden opgevangen. Een percentage van 125 procent ziet de gemeente als meer dan voldoende ruimte. Het aandeel kinderen dat binnen de woonwijk naar school gaat is het grootst in Vleuten-De Meern (90%), Leidsche Rijn (86%) en West (86%).

13

https://infogram.com/1prd6vr5yg6x0wagvzq56wz2m3sm7w766j5?live Ruim duizend kinderen uit Overvecht gaan in een andere wijk naar school Als we kijken naar de woonlocatie van leerlingen zien we dat veel kinderen een school in een andere wijk opzoeken vanuit wijken Binnenstad (35%), Overvecht (32%) en Zuid (31%). Toch verlaat een vrij klein aantal kinderen de binnenstad (138) omdat er minder leerlingen wonen dan in andere wijken. In aantallen verlaten de meeste kinderen de wijken Overvecht (1.005), Noordwest (868) en Zuid (702) om naar een school in een andere wijk te gaan. Tegelijkertijd komen er nog vrij veel leerlingen naar Noordwest toe vanuit andere wijken (572), maar minder naar Overvecht (174) en Zuid (152). Hierdoor gaan er in Overvecht 831 kinderen minder naar school gaan dan er in de wijk wonen. In Zuid zijn dat 550 kinderen en in Noordwest 296 kinderen. Als we kijken naar het laatste tabblad in figuur 5 dan zien we dat er juist ook de meeste schoolcapaciteit is in de wijken Overvecht (154%) en Noordwest (148%). Ook in Zuid is voldoende schoolcapaciteit (125%). In Overvecht, Noordoost en Zuid is dus plaats voor veel meer leerlingen op school, terwijl er tegelijkertijd veel kinderen een school in een andere wijk bezoeken.

14

Grootste leerlingenstromen in Overvecht, Oost en Zuidwest De leerlingenstromen tussen wijken laten zien dat ouders ook kiezen voor een scholen buiten de wijk. We kunnen niet precies zeggen welk deel van de onderwijssegregatie dit verklaart en of dit komt door woonsegregatie of schoolkeuze. Schoolkeuze buiten de wijk kan bijdrage aan onderwijssegregatie, maar dat hoeft niet per se. Groepen kinderen kunnen nog steeds samen naar school gaan, ook al doen ze dat in een andere wijk. Ook kan je erg dichtbij huis en toch in een andere wijk naar school gaan, als je vlak bij een wijkgrens woont. Het is natuurlijk net zo goed mogelijk dat voor een school buiten de woonwijk wordt gekozen om andere redenen, waarbij de beweging van leerlingen wel bijdraagt aan onderwijssegregatie. Bestaande verschillen tussen wijken kunnen op deze manier worden versterkt. Dit laat zien dat schoolkeuze ook een rol kan spelen bij het verklaren van verschillen tussen wijken, die we eerder in hoofdstuk 1.3 grofweg hebben toegeschreven aan woonsegregatie. Voor wijken waarin leerlingenstromen groot zijn, verwachten we een grotere kans dat de beweging van leerlingen ook keuzesegregatie omvat. De grootste leerlingenstromen zien we in Overvecht (1.005), Oost (+970) en Zuidwest (+955). De totale beweging van leerlingen is het grootst in Zuidwest (1.489), Noordwest (1.440) en Noordoost (1.366).

De leerlingenstromen laten niet zien of in wijken waar veel kinderen vertrekken, of wijken die juist veel kinderen ontvangen, er ook veel segregatie is. Voor de mate van segregatie per wijk kijken we naar de Dissimilarity Index. Dat doen we in hoofdstuk 3.

2.3 Hoe groot zijn de verschillen in achtergrondkenmerken van groepen kinderen per wijk? Nauwelijks leerlingen met twee ouders zonder startkwalificatie in de binnenstad en Noordoost Hierbij kijken we alleen naar de wijk waar leerlingen naar school gaan, niet naar de wijk waar leerlingen wonen (zie figuur 6). Dit doen we omdat dit de kenmerken en groepen laat zien zoals ze gebruikt zijn om onderwijssegregatie te berekenen. Hier zien we ook verschillen tussen wijken, na het effect van de leerlingenstromen tussen wijken. Het valt op dat de leerlingaantallen voor sommige wijken en groepen klein zijn. In de binnenstad gaan nauwelijks leerlingen naar school met ouders zonder startkwalificatie, afgerond 0%. In Noordoost heeft maar 1% van de leerlingen ouders zonder startkwalificatie. In een situatie zonder onderwijssegregatie naar opleiding heeft elke basisschool in Noordoost ook 1% leerlingen met twee ouders zonder startkwalificatie. In praktijk gaat het dan om hele kleine aantallen leerlingen per school. Een hoge waarde voor onderwijssegregatie raakt in dit geval ook weinig leerlingen. En zelfs met een lage waarde voor onderwijssegregatie komen kinderen met verschillende achtergronden elkaar nog steeds weinig tegen op school, omdat sommige groepen nu eenmaal niet of amper in de wijk naar school gaan.

Dat komt onder andere door woonsegregatie in de stad, maar mogelijk ook door schoolkeuze in een andere wijk. In de binnenstad speelt mee dat er meer leerlingen uit andere wijken naar school gaan dan dat er in de binnenstad wonen, en ook in Noordoost bewegen veel leerlingen over wijkgrenzen. Het effect hiervan op onderwijssegregatie in de wijk weten we niet, omdat wij kijken naar de situatie zoals die is voor leerlingen op school na deze beweging tussen wijken.

15

Figuur 6: Achtergrondkenmerken van ouders van leerlingen per wijk Opleiding

Inkomen

Herkomst

16

https://infogram.com/1pwep3plkz7yn0cv09d1wy929pa9e361kgq?live

In Overvecht gaan nauwelijks leerlingen naar school met een hoog huishoudinkomen Ook is het aandeel leerlingen in Overvecht met een huishoudinkomen dat behoort tot de laagste 20% inkomens in Utrecht het hoogst (57%). Andere wijken met een groot aandeel leerlingen met een laag huishoudinkomen zijn Zuidwest (41%) en Noordwest (36%). In Noordoost (7%) en Vleuten-De Meern (8%) is de groep leerlingen met een laag huishoudinkomen het kleinst. De groepen leerlingen met een hoog huishoudinkomen zijn het grootst in Noordoost (36%) en Oost (36%). De groepen leerlingen met een laag huishoudinkomen zijn het kleinst in Overvecht (1%) en Noordwest (5%). Ook in Overvecht en Noordwest speelt mee dat er zich veel leerlingen over wijkgrenzen bewegen bij het naar school gaan. Voor wijken met erg weinig leerlingen in een bepaalde groep kan het handig zijn om ook te kijken naar de mate van onderwijssegregatie ten opzichte van de middengroep. Dat geldt voor het kijken naar onderwijssegregatie naar inkomen, in Overvecht. Maar ook voor het kijken naar onderwijssegregatie naar opleiding, in de binnenstad en Noordoost. In hoofdstuk 4 gaan we verder in op onderwijssegregatie tussen de middengroep en de uiterste groepen.

Aandeel leerlingen met twee ouders in het buitenland geboren het grootst in Overvecht Naast Overvecht (58%) gaan ook in Zuidwest (47%) een groot aantal leerlingen naar school waarvan beide ouders in het buitenland geboren zijn. Dit aandeel is het kleinst in de binnenstad (6%) en Noordoost (9%). In de binnenstad en Noordoost is het aandeel leerlingen waarvan beide ouders in Nederland zijn geboren dan ook hoog, samen met Vleuten-De Meern. Ongeveer driekwart van de leerlingen in deze wijken heeft ouders die beide in Nederland geboren zijn. In Overvecht is dat 21% en in Zuidwest is dat 34%. Er zijn geen wijken waarbij een van de twee groepen erg weinig leerlingen bevat.

17

2.4 Hoe groot zijn de verschillen in sociaaleconomische positie van huishoudens in wijken en subwijken? Sociaaleconomische positie van huishoudens met schoolkinderen het hoogst in Noordoost De sociaaleconomische positie van huishoudens met schoolgaande kinderen is het laagst in Overvecht (zie figuur 7). Hierbij kijken we alleen naar de woonlocatie van leerlingen, niet naar de wijk waarin leerlingen naar school gaan. Bij de achtergrondkenmerken van ouders hebben we juist gekeken naar de schoollocatie van leerlingen, niet naar de wijk waarin leerlingen wonen (figuur 6). Deze achtergrondkenmerken kunnen we niet laten zien voor alle subwijken, omdat het aantal leerlingen te klein is om uit te splitsen in drie groepen. De gemiddelde sociaaleconomische positie (SES-WOA) van alle huishoudens met schoolgaande kinderen kunnen we wel laten zien voor de hele stad, de wijken én voor de 34 subwijken. Ook is de gemiddelde SES-WOA score van alle huishoudens in elk gebied één makkelijk vergelijkbare score, van laag naar hoog. Om deze redenen gebruiken we ook de gemiddelde SES-WOA score van huishoudens met schoolgaande kinderen om te kijken naar verschillen tussen wijken in de stad en naar verschillen tussen subwijken binnen een wijk.

De sociaaleconomische positie (SES-WOA) van huishoudens heeft overlap op twee van de drie achtergrondkenmerken waarvoor we onderwijssegregatie berekenen, inkomen en opleiding.

18

https://infogram.com/1pgp15zl7m3zmxh96e7j7w5rngtw7k6y6rq?live

19

Grote verschillen in sociaaleconomische positie binnen Zuidwest Ook zien we verschillen in sociaaleconomische positie binnen Zuid. Grote verschillen in sociaaleconomische positie tussen de subwijken van een wijk zijn een indicatie voor woonsegregatie binnen de wijk. Het effect van woonsegregatie binnen een wijk op het ontstaan van onderwijssegregatie kan worden versterkt door barrières tussen subwijken. Natuurlijke en ruimtelijke barrières zoals grote wegen, kanalen en bedrijventerreinen kunnen van invloed zijn op de schoolkeuze. Zeker wanneer kinderen zelfstandig naar school gaan. In alle wijken kunnen dergelijke barrières zijn die eventuele woonsegregatie kunnen versterken. In wijken waar de gemiddelde SESWOA score van subwijken vergelijkbaar is verwachten we hiervan geen grote invloed op onderwijssegregatie. Voor Zuidwest is dat anders. In figuur 3 zien we grote verschillen in sociaaleconomische positie tussen de drie subwijken van Zuidwest (i.e. Dichterswijk, Rivierenwijk; Transwijk; Kanaleneiland). Daarnaast wordt de subwijk met een bovengemiddelde SES-WOA score (Dichterswijk, Rivierenwijk) door het Merwedekanaal gescheiden van de twee subwijken met een beneden gemiddelde SES-WOA score (Transwijk en Kanaleneiland).

Voor kinderen in de subwijk Dichterswijk, Rivierenwijk kan het daarom makkelijker zijn om in een andere wijk naar school te gaan, bijvoorbeeld in de binnenstad of Zuid. Zuidwest is ook de wijk met de meeste beweging van leerlingen over de wijkgrenzen (1.489). De totale mate van onderwijssegregatie in Zuidwest kunnen we niet uitsplitsen in woonsegregatie en schoolkeuzesegregatie, zoals we dat voor de stad doen. Wel berekenen we in welke mate elke wijk bijdraagt aan de totale schoolkeuzesegregatie die we zien in de stad (paragraaf 3.2). Door grote verschillen binnen de wijk kan de bijdrage van Zuidwest aan de totale schoolkeuzesegregatie in de stad in werkelijkheid voor een (groter) deel bestaan uit woonsegregatie binnen de wijk. Hier houden we rekening mee bij het lezen van de resultaten in paragraaf 3.2.

20

3. Onderwijssegregatie per wijk • • • • • •

Onderwijssegregatie naar opleiding het grootst in de binnenstad Onderwijssegregatie naar inkomen veruit het grootst in Zuidwest Onderwijssegregatie naar herkomst het grootst in Zuidwest Zuidwest draagt het meest bij aan schoolkeuzesegregatie naar opleiding in de stad Bijna een derde van de schoolkeuzesegregatie naar inkomen door bijdrage van Zuidwest Ruim een derde van de schoolkeuzesegregatie naar herkomst door bijdrage van Zuidwest

3.1 In welke wijk is de onderwijssegregatie het grootst? Onderwijssegregatie naar opleiding het grootst in de binnenstad Meer dan de helft van de leerlingen in de binnenstad zou van school moeten wisselen om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met ouder(s) zonder startkwalificatie en hbo- of wo-diploma te komen (54%), zie figuur 8. Hierbij is het belangrijk om op te merken dat in de binnenstad nauwelijks leerlingen naar school gaan met ouders zonder startkwalificatie, afgerond 0% (zie paragraaf 2.3). Ook in Noordoost gaan amper kinderen naar school met ouders zonder startkwalificatie (1%). De totale mate van onderwijssegregatie naar opleiding in de binnenstad en Noordoost is daarom minder relevant. Ook zonder deze maat kunnen we stellen dat leerlingen in de binnenstad en Noordoost op school (bijna) geen kinderen tegenkomen met ouders zonder startkwalificatie. Voor deze twee wijken kijken we nog naar de onderwijssegregatie naar opleiding ten opzichte van de groep leerlingen met ouder(s) met een havo/vwo of mbo-2,3,4 diploma in hoofdstuk 4.1. Na Binnenstad zien we de meeste onderwijssegregatie naar opleiding in Zuidwest. In Zuidwest kan de mate van onderwijssegregatie hoger zijn door de grote verschillen binnen de wijk (zie paragraaf 2.4). De totale onderwijssegregatie naar opleiding is het laagst in Overvecht.

21

https://infogram.com/1p06ekz36xejp2feyxpgxn7051cnjgd7z1l?live Onderwijssegregatie naar inkomen veruit het grootst in Zuidwest Ruim driekwart van de leerlingen in Zuidwest zou van school moeten wisselen om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met een laag- en hoog huishoudinkomen te komen (76%). In Zuidwest kan de mate van onderwijssegregatie hoger zijn door de grote verschillen binnen de wijk (zie paragraaf 2.4). Na Zuidwest zien we de grootste onderwijssegregatie naar inkomen in Overvecht. In Overvecht gaan weinig leerlingen naar school met een hoog huishoudinkomen (1%, zie paragraaf 2.3). De totale mate van onderwijssegregatie naar inkomen in Overvecht is daarom minder relevant. Los van de segregatiemaat kunnen we stellen dat leerlingen in Overvecht op school niet veel andere kinderen tegenkomen met een hoog huishoudinkomen. In Noordwest (51%) en West (50%) zou de helft van de leerlingen van school moeten wisselen om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met een laag- en hoog huishoudinkomen te komen. Voor alle andere wijken is dat aandeel kleiner. De totale onderwijssegregatie naar inkomen is het laagst in Oost. Wel is het aandeel leerlingen met ouders met een hoog inkomen in Oost het grootst (36%, zie paragraaf 2.3). Een lage segregatiemaat geeft aan dat deze leerlingen zich met een ongeveer vergelijkbare verhouding verdelen over de basisscholen in Oost.

Onderwijssegregatie naar herkomst het grootst in Zuidwest Ruim twee derde van de leerlingen in Zuidwest zou van school moeten wisselen om tot een evenwichtige verdeling te komen van leerlingen waarvan beide ouders in Nederland geboren zijn en leerlingen waarvan beide ouders in het buitenland geboren zijn (67%). In Zuidwest is ook de onderwijssegregatie naar inkomen (76%) en opleiding (48%) groot. Hierin kunnen de grote verschillen

22

tussen subwijken in Zuidwest een rol spelen (zie paragraaf 2.4). Na Zuidwest is de onderwijssegregatie naar herkomst het grootst in Oost. De onderwijssegregatie naar inkomen in Oost juist het kleinst is van alle wijken. Oost zit in de middenmoot met onderwijssegregatie naar opleiding. De wisselende mate van onderwijssegregatie naar de verschillende achtergrondkenmerken in Oost is opvallend. Het is een tegengesteld patroon dan we zien in Zuidwest of Leidsche Rijn. Zuidwest behoort voor alle achtergrondkenmerken tot de drie wijken met de meeste onderwijssegregatie. Leidsche Rijn behoort voor alle achtergrondkenmerken tot de drie wijken met de minste onderwijssegregatie. In Oost is de instroom van leerlingen uit andere wijken het grootst van alle wijken (+970). Mogelijk speelt schoolkeuzesegregatie daardoor een grotere rol dan in andere wijken. Het kan ook zijn dat er in andere wijken meer samenhang is tussen de verschillende achtergrondkenmerken van groepen kinderen. Bijvoorbeeld doordat op scholen in een wijk de groep kinderen met ouders zonder startkwalificatie ook vaak behoort tot de groep kinderen waarvan de ouders een laag inkomen heeft, terwijl dit op scholen in andere wijken niet of minder het geval is. Deze eventuele samenhang tussen achtergrondkenmerken van groepen kinderen onderzoeken we niet in deze monitor.

Wel zien we dat onderwijssegregatie niet in alle wijken op dezelfde manier voorkomt bij alle achtergrondkenmerken.

3.2 Welke wijken dragen het meest bij aan schoolkeuzesegregatie in Utrecht? Zuidwest draagt het meest bij aan schoolkeuzesegregatie naar opleiding in de stad De totale onderwijssegregatie naar opleiding in Utrecht (DI=0,58) wordt voor 40% verklaard door verschillen binnen wijken (hoofdstuk 1.3). Dit deel hebben we grofweg toegeschreven aan schoolkeuzesegregatie. Deze schoolkeuzesegregatie is in te delen naar een bijdrage per wijk. Als de mate van schoolkeuzesegregatie even groot zou zijn in alle wijken, dan verwachten we dat bijdrage van elke wijk gelijk is aan het aandeel Utrechtse leerlingen dat in die wijk naar school gaat. Van alle schoolkeuzesegregatie in de stad, levert Zuidwest de grootste bijdrage (22%), zie figuur 9. In Zuidwest gaat 11% van de Utrechtse leerlingen naar school. In het geval van Zuidwest kijken we mogelijk ook naar een deel woonsegregatie binnen de wijk, als gevolg van grote verschillen tussen subwijken (zie paragraaf 2.4). De bijdrage van woonsegregatie binnen de wijk kunnen we niet uitrekenen. Na Zuidwest heeft Vleuten-De Meern de grootst bijdrage aan schoolkeuzesegregatie naar opleiding in de stad (15%). Ondanks deze bijdrage aan schoolkeuzesegregatie in Utrecht behoort Vleuten-De Meern tot de drie wijken met de minste onderwijssegregatie naar opleiding (figuur 8).

Hier speelt mee dat 20% van de Utrechtse leerlingen in Vleuten-De Meern naar school gaat.

23

https://infogram.com/1pvkzzly0w63wwaxnz5k5xv3g6brdq5wj1r?live Bijna een derde van de schoolkeuzesegregatie naar inkomen door bijdrage van Zuidwest De totale onderwijssegregatie naar inkomen in Utrecht (DI=0,63) wordt voor 38% verklaard door verschillen binnen wijken (hoofdstuk 1). Dit deel hebben we grofweg toegeschreven aan schoolkeuzesegregatie. Met 32% is de bijdrage van Zuidwest aan verschillen binnen wijken het grootst (figuur 9). In het geval van Zuidwest gaat het hier mogelijk ook om een deel woonsegregatie (zie paragraaf 2.4). De bijdrage van Zuidwest is met 32% fors gezien 11% van de Utrechtse leerlingen hier naar school gaat. Schoolkeuzesegregatie in de stad komt, na Zuidwest, vooral voort uit de wijken West (11%), Leidsche Rijn (11%) en Vleuten-De Meern (11%). In West gaat een kleiner aandeel Utrechtse leerlingen naar school (7%) dan in Leidsche Rijn (17%) en Vleuten-De Meern (20%). Met een gelijke bijdrage van de drie wijken aan schoolkeuzesegregatie in Utrecht lijkt West, met het kleinste aandeel leerlingen, sterker bij te dragen aan schoolkeuzesegregatie naar inkomen dan Leidsche Rijn en Vleuten-De Meern.

24

Ruim een derde van de schoolkeuzesegregatie naar herkomst door bijdrage van Zuidwest De totale onderwijssegregatie naar herkomst in Utrecht (DI=0,51) wordt voor 50% verklaard door verschillen binnen wijken (hoofdstuk 1). Dit deel hebben we grofweg toegeschreven aan schoolkeuzesegregatie. Met 35% is de bijdrage van Zuidwest aan verschillen binnen wijken het grootst (figuur 9). In het geval van Zuidwest gaat het hier mogelijk ook om een deel woonsegregatie (zie paragraaf 2.4). In hoofdstuk 3.1 hebben we gezien we dat Zuidwest tot de wijken behoort met de meeste onderwijssegregatie (figuur 8). Hier zien we dat de wijk daarmee ook de grootste bijdrage levert aan de totale schoolkeuzesegregatie in Utrecht (figuur 9). Dit geldt voor alle achtergrondkenmerken. Na Zuidwest heeft Oost de grootst bijdrage aan schoolkeuzesegregatie naar herkomst in de stad (14%). Oost is ook de wijk die de meeste leerlingen uit andere wijken trekt (970). 41% van de leerlingen in Oost woont in een andere wijk. Schoolkeuzesegregatie kan versterkt worden door veel beweging van leerlingen over wijkgrenzen (zie hoofdstuk 2.2). In totaal gaat 8% van Utrechtse leerlingen in Oost naar school.

25

4. Onderwijssegregatie voor alle groepen leerlingen per wijk • • • • •

Leerlingen met ouder(s) met hbo- of wo-diploma gaan meer gesegregeerd naar school dan leerlingen met ouders zonder startkwalificatie Leerlingen met een laag huishoudinkomen gaan meer gesegregeerd naar school dan leerlingen met een hoog huishoudinkomen Leerlingen waarvan beide ouders in het buitenland geboren zijn gaan iets meer gesegregeerd naar school dan leerlingen waarvan beide ouders in Nederland geboren zijn Hoogste aandeel schoolkeuzesegregatie bij onderwijssegregatie naar herkomst Grote bijdrage van Zuidwest aan schoolkeuzesegregatie in Utrecht

4.1 Tussen welke groepen leerlingen is de onderwijssegregatie het grootst? Leerlingen met ouder(s) met hbo- of wo-diploma gaan meer gesegregeerd naar school dan leerlingen met ouders zonder startkwalificatie In Utrecht zien we meer onderwijssegregatie naar opleiding tussen de groepen ‘havo/vwo, mbo-2,3,4’ en ‘hbo, wo’ (DI=0,40) dan tussen de groepen ‘geen startkwalificatie’ en ‘havo/vwo, mbo-2,3,4’ (DI=0,23). Dit patroon zien we ook in de meeste wijken, behalve in Oost, Zuid en Vleuten-De Meern. In Oost en Zuid is de onderwijssegregatie naar opleiding ongeveer gelijk voor leerlingen met ouders zonder startkwalificatie en voor leerlingen met ouder(s) met een hbo- of wo-diploma. In Vleuten-De Meern gaan leerlingen met ouders zonder startkwalificatie meer gesegregeerd naar school dan leerlingen met ouder(s) met een hbo- of wo-diploma. In de binnenstad en Noordoost gaan nauwelijks leerlingen naar school met ouders zonder startkwalificatie (zie hoofdstuk 2.3). Hierdoor is de totale mate van onderwijssegregatie naar opleiding voor deze wijken minder relevant (zie hoofdstuk 3.1). Daarom kijken we voor deze twee wijken naar de onderwijssegregatie naar opleiding tussen de groepen ‘havo/vwo, mbo-2,3,4’ en ‘hbo, wo’, zie de blauwe staven in figuur 10.

De binnenstad is de wijk met de op een na hoogste mate van onderwijssegregatie naar opleiding tussen deze groepen (DI=0,35), na Zuidwest (DI=0,44). Daarmee blijft onderwijssegregatie naar opleiding in de binnenstad hoger dan in de meeste andere wijken. Oost blijft in de middenmoot met onderwijssegregatie naar opleiding tussen de groepen ‘havo/vwo, mbo-2,3,4’ en ‘hbo, wo’.

26

https://infogram.com/1pkrnnped6jlm0f9x79ejx0p72b3vpx6xx9?live Leerlingen met een laag huishoudinkomen gaan meer gesegregeerd naar school dan leerlingen met een hoog huishoudinkomen In Utrecht zien we meer onderwijssegregatie naar inkomen tussen de groepen ‘laag – midden’ (DI=0,44) dan tussen de groepen ‘midden – hoog’ (DI=0,29). Dit patroon wisselt sterk per wijk. In de helft van de wijken gaan juist leerlingen met een hoog huishoudinkomen meer gesegregeerd naar school dan leerlingen met een laag huishoudinkomen. In Overvecht gaan nauwelijks leerlingen naar school met een hoog huishoudinkomen (zie hoofdstuk 2.3). Hierdoor is de totale mate van onderwijssegregatie naar inkomen voor Overvecht minder relevant (zie hoofdstuk 3.1). Daarom kijken we voor Overvecht naar de onderwijssegregatie naar inkomen tussen de groepen ‘laag’ en ‘midden’ (DI=0,25), zie de gele staven in figuur 10. Hieruit blijkt dat Overvecht in de middenmoot zit met onderwijssegregatie naar inkomen tussen de groepen ‘laag’ en ‘midden’. Dit neemt niet weg dat leerlingen in Overvecht op school niet veel andere kinderen tegen zullen komen met een hoog huishoudinkomen (zie hoofdstuk 3.1).

27

Leerlingen waarvan beide ouders in het buitenland geboren zijn gaan iets meer gesegregeerd naar school dan leerlingen waarvan beide ouders in Nederland geboren zijn In Utrecht zien we iets meer onderwijssegregatie naar herkomst tussen de groepen ‘1 ouder – 2 ouders in het buitenland geboren’ (DI=0,31) dan tussen de groepen ‘0 ouders – 1 ouder in het buitenland geboren’ (DI=0,24). Het verschil in onderwijssegregatie naar herkomst ten opzichte van de groep ‘1 ouder’ is minder groot dan bij onderwijssegregatie naar opleiding en inkomen. Ook de totale mate van onderwijssegregatie naar herkomst in Utrecht is iets minder groot dan de onderwijssegregatie naar opleiding en inkomen (hoofdstuk 1.1). Per wijk zien we verschillen de mate van onderwijssegregatie ten opzichte van de groep ‘1 ouder’. In Zuidwest gaan leerlingen waarvan beide ouders in Nederland geboren zijn meer gesegregeerd naar school dan ouders waarvan beide ouders in het buitenland geboren zijn (DI=0,50). In Oost is dit andersom (DI=0,48). In beide wijken is de totale maat van onderwijssegregatie naar herkomst groter dan in andere wijken (zie hoofdstuk 3.1).

4.2 Hoeveel woonsegregatie en onderwijssegregatie zien we in de middengroep? Hoogste aandeel schoolkeuzesegregatie bij onderwijssegregatie naar herkomst Bij onderwijssegregatie naar herkomst zien we het hoogste aandeel schoolkeuzesegregatie van alle kenmerken. Ook ten opzichte van de middengroep zien we hier het grootste aandeel schoolkeuzesegregatie. Het grootste aandeel schoolkeuzesegregatie zien we tussen de groepen ‘0 ouders in het buitenland geboren’ en ‘1 ouder in het buitenland geboren’ (61%). De schoolkeuzesegregatie tussen de groepen ‘1 ouder in het buitenland geboren’ en ‘2 ouders in het buitenland geboren’ (50%) is gelijk aan de schoolkeuzesegregatie tussen uiterste groepen (50%). Bij onderwijssegregatie naar opleiding zien we een groter aandeel schoolkeuzesegregatie tussen de groepen ‘geen startkwalificatie’ en ‘havo/vwo, mbo-2,3,4’ (54%). De schoolkeuzesegregatie tussen de groepen ‘havo/vwo, mbo-2,3,4’ en ‘hbo, wo’ (41%) is ongeveer gelijk aan de schoolkeuzesegregatie tussen uiterste groepen (40%). Voor onderwijssegregatie naar inkomen zien we juist een groter aandeel schoolkeuzesegregatie tussen de groepen met een midden- en hoog huishoudinkomen (49%). De schoolkeuzesegregatie tussen de groepen met een laag- en midden huishoudinkomen (38%) is gelijk aan de schoolkeuzesegregatie tussen uiterste groepen (38%).

28

https://infogram.com/1pn9egny6mgg60tzkrz1z00dyrcmyqwpz10?live

4.3 Welke wijken dragen het meest bij aan schoolkeuzesegregatie ten opzichte van de middengroep? Grote bijdrage van Zuidwest aan schoolkeuzesegregatie in Utrecht In de bijdrage van wijken aan schoolkeuzesegregatie in de stad zien we voor de middengroep hetzelfde patroon als voor uiterste groepen, in hoofdstuk 3.2. In Zuidwest zien we een hoge mate van segregatie naar alle achtergrondkenmerken en daarmee is ook de bijdrage van Zuidwest aan de totale schoolkeuzesegregatie in de stad groot (hoofdstuk 3). In Zuidwest kan de mate van onderwijssegregatie hoger zijn door de grote verschillen binnen de wijk (zie paragraaf 2.4). Als we kijken naar de middengroep dan zien we ook in Zuidwest een grote bijdrage aan onderwijssegregatie door verschillen binnen wijken. Dit zien we terug bij alle achtergrondkenmerken (figuur 12). Aan schoolkeuzesegregatie naar opleiding in Utrecht heeft ook Vleuten-De Meern een grote bijdrage. In Vleuten-De Meern gaat 20% van de leerlingen naar school, wat een verklaring is voor de grotere bijdrage van deze wijk. In Oost zien we een grote bijdrage aan schoolkeuzesegregatie naar herkomst.

29

Dat blijkt grotendeels voort te komen uit de bijdrage aan schoolkeuzesegregatie tussen de groepen ‘1 ouder in het buitenland geboren’ en ‘2 ouders in het buitenland geboren’. De bijdrage aan schoolkeuzesegregatie tussen de groepen ‘0 ouders in het buitenland geboren’ en ‘1 ouder in het buitenland geboren’ is veel kleiner.

https://infogram.com/1pg6mx0zl1wgn3h93x97g9qmkkhwpdd5qxe?live

30

Methodische verantwoording In de Methodische verantwoording bespreken we een aantal relevante methodologische keuzes die we gemaakt hebben. Daarnaast lichten we toe hoe we tot de drie indelingen naar achtergrondkenmerken gekomen zijn. Daarbij bespreken we achtereenvolgens voor opleiding, inkomen en herkomst wat de inhoudelijke argumenten zijn om naar de gekozen groepen te kijken. Hierbij geven we aan in welke mate de keuzes zorgen voor vergelijkbaarheid met andere onderzoeksresultaten. Wanneer spreken we van een grote mate van onderwijssegregatie? Bij het lezen van de resultaten gebruiken we geen vuistregel om aan te geven of we een bepaalde waarde op deze index veel of weinig onderwijssegregatie vinden. Hier kiezen we voor omdat de waarde van de Dissimilarity Index afhangt van de indeling van de groepen die we kiezen. Als we bijvoorbeeld een andere inkomensverdeling zouden kiezen dan zien we een andere waarde voor de Dissimilarity Index. Zo wordt de Dissimilarity Index waarschijnlijk lager door de 30% hoogste en laagste inkomens te kiezen. In dat geval worden minder extreme inkomensverschillen vergeleken, waardoor de gevonden mate van onderwijssegregatie lager zal zijn. En de Dissimilarity Index wordt waarschijnlijk hoger door bijvoorbeeld de 10% hoogste en laagste inkomens te kiezen.

In dat geval worden juist extreme inkomensverschillen vergeleken, waardoor de gevonden mate van onderwijssegregatie hoger zal zijn. Een vaste grenswaarde voor veel of weinig onderwijssegregatie vinden we daarom niet passend. In andere publicaties, bijvoorbeeld door de Inspectie van het Onderwijs, wordt dit soms wel gedaan. Volgens Massey & Denton (1993) is een Dissimilarity Index van 0-0,3 lage segregatie, 0,3-0,6 gemiddelde segregatie en van 0,6-1 hoge segregatie. In deze monitor hebben wij ervoor gekozen om geen grenswaarden te gebruiken, maar om de Dissimilarity Index in Utrecht te duiden door te vergelijken met Nederland en andere G4-gemeenten. Je kunt bij een gelijke definitie van groepen wel segregatie tussen wijken, gemeenten of verschillende schooljaren vergelijken. Daardoor zien we of onderwijssegregatie in een wijk hoger of lager is dan in andere wijken of steden. Als de onderwijssegregatie bekend is voor meerdere jaren dan kunnen we ook zien of deze toeneemt of afneemt. Waarom gebruiken we voor alle achtergrondkenmerken een drie-indeling? Bij het berekenen van de mate van segregatie met segregatie indices, worden steeds twee groepen vergeleken. Het is belangrijk dat deze groepen een groot genoeg aantal leerlingen hebben om een goede vergelijking te kunnen maken.

Het is daarom niet wenselijk om leerlingen naar de achtergrondkenmerken in te veel (kleine) groepen op te splitsen. Het streven is steeds geweest om de groepen zo te bepalen, dat er twee groepen zijn die sterk van elkaar verschillen, omdat hier segregatie zich het sterkst laat zien (Boterman, 2019; SCP, 2021). Zo zijn we gekomen tot een aantal driedelingen, waarbij we steeds uitrekenen in welke mate de meeste verschillende groepen samen naar school gaan. Opleiding De sociale scheidslijn waarlangs segmentatie zich in de Nederlandse samenleving aftekent is in sterke mate gebaseerd op opleiding (De Lange, Tolsma & Wolbers, 2014). Er is een kloof tussen mensen zonder startkwalificatie en hbo-/wo-opgeleiden op het vlak van de arbeidsmarkt, huwelijksmarkt, woonsituatie, gezondheid, vrijetijdsbesteding, waarden en normen, politieke belangstelling en maatschappelijke participatie. Onderwijssegregatie naar opleiding is in Nederland al jaren hoog en stabiel (Inspectie van het Onderwijs, 2022). Hierdoor is de opleiding van ouders van leerlingen een belangrijk achtergrondkenmerk om te onderzoeken wat de mate van onderwijssegregatie in Utrecht is. Hiervoor kijken we naar de opleiding van de ouders van kinderen die in Utrecht naar school gaan. Om groepen kinderen te vergelijken is de volgende driedeling gemaakt: • Beide ouders hebben geen startkwalificatie

31

• •

Eén of beide ouders hebben een havo/vwo of mbo-2,-3,-4 diploma Eén of beide ouders hebben een hbo- of wo-diploma

Dit is een veelgebruikte drie-indeling. Het CBS publiceert de basisstatistieken voor opleiding in de beroepsbevolking onder andere in deze drie-indeling (CBS Statline). De gekozen indeling sluit ook aan bij de indeling die gebruikt is in de landelijke segregatie monitor (KBA, Kohnstamm Instituut, Oberon, & SEOR, 2023) en de indeling die gebruikt wordt in onderzoek naar onderwijssegregatie in de gemeente Amsterdam en Rotterdam (Spijker et al., 2020; Vogel & Roode, 2021). Daarom zijn de uitkomsten voor onderwijssegregatie naar opleiding tussen de verschillende gemeenten en de landelijk cijfers zoveel mogelijk vergelijkbaar. Kleine afwijkingen in de gevormde groepen kunnen zijn ontstaan door eventuele verschillen in de methode van imputeren. Inkomen Voor de indeling naar inkomen kijken we naar het gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen van de huishoudens van kinderen die in Utrecht naar school gaan. Ook hierin is een indeling in drie groepen gemaakt: • Laagste 20% inkomens • Middelste 60% inkomens • Hoogste 20% inkomens Er is gekozen om te kijken naar de 20 procent laagste, 60 procent middelste en 20 procent hoogste inkomens. Hiermee kunnen we naar relatief grote inkomensverschillen kijken en tegelijk een voldoende groot aantal leerlingen per groep waarborgen. Beide uiterste groepen bevatten namelijk altijd 20 procent van de inwoners van Utrecht.

Wanneer we voor landelijk geijkte cijfers hadden gekozen, dan waren de uitkomsten wellicht beter vergelijkbaar geweest met ander onderzoek. Tegelijk waren er ook nieuwe problemen ontstaan omdat de inkomensverdeling in Utrecht niet het gemiddelde voor Nederland volgt. In Utrecht zijn er meer inwoners met een hoog inkomen en laag inkomen en minder inwoners met een gemiddeld inkomen dan in Nederland gemiddeld (Utrecht in Cijfers, 2020). Het past bij het doel van deze monitor om specifiek naar de Utrechtse situatie te kijken. De gebruikte 20-60-20% inkomensindeling sluit aan bij ander onderzoek naar onderwijssegregatie (Inspectie van het Onderwijs, 2020). Daarnaast wordt er ook gebruik gemaakt van een indeling in de 25 procent laagste, 50 middelste en 25 procent hoogste inkomens (Boterman, 2019; KBA, Kohnstamm, Oberon & SEOR, 2023). Een nadeel van de 25-50-25% inkomensindeling voor deze monitor is dat deze indeling verder af ligt van maatstaven die gebruikt worden om een laag inkomen aan te geven. In Utrecht kijken we bijvoorbeeld naar het aandeel huishoudens met een inkomen tot 125% van het wettelijk sociaal minimum (WSM), wat zo’n 15% van de huishoudens betreft in 2020 (Utrecht in Cijfers).

De groep huishoudens (met én zonder kinderen) in Utrecht met de 20% laagste inkomens komt ongeveer overeen met de groep huishoudens met een inkomen tot 150% van het wettelijk sociaal minimum (CBS Statline). Huishoudens met kinderen hebben gemiddeld een hoger huishoudinkomen dan huishoudens zonder kinderen (Utrecht in Cijfers). Ongeveer 12% van de meerpersoonshuishoudens heeft in 2020 een inkomen tot 150% van het wettelijk sociaal minimum (CBS Statline). Met gebruik van een 20-60-20% inkomensindeling is het waarschijnlijk dat er een aandeel kinderen uit huishoudens met [lage] middeninkomens is meegenomen in de groep kinderen in huishoudens met de laagste 20% inkomens. Door een 25-50-25% inkomensindeling te gebruiken zou de categorie ‘laagste inkomens’ een groter aandeel kinderen in huishoudens met middeninkomens omvatten. Daarnaast zou het gebruik van een 25-50-25% inkomensindeling ook niet direct leiden tot een-op-een vergelijkbaar resultaat met landelijke studies omdat wij de inkomensindeling ijken op de situatie in Utrecht, en niet de landelijke inkomensverdeling gebruiken. Om deze redenen is besloten in deze monitor gebruik te maken van een 20-60-20% inkomensindeling. Herkomst Voor de indeling naar herkomst kijken we naar het geboorteland van de ouders van kinderen die in Utrecht naar school gaan. Hierin is de volgende indeling in drie groepen gemaakt:

32

• • •

Beide ouders zijn in Nederland geboren Eén ouder is in Nederland geboren en één ouder is in het buitenland geboren Beide ouders zijn in het buitenland geboren

Hiermee sluiten we aan bij de nieuwe indeling naar herkomst die het CBS in 2021 geïntroduceerd heeft. In deze indeling speelt generatie geen rol en kijken we alleen naar het geboorteland van de ouders van kinderen. Ook in ander recent onderzoek naar onderwijssegregatie is gebruik gemaakt van deze indeling (KBA et al., 2023). Missende data en imputatie opleiding van ouders De gegevens over de opleiding van ouders bij het CBS zijn niet voor iedereen volledig. Voor de gebruikte dataset was bij 18 procent van de kinderen onbekend wat de behaalde opleiding van een van de ouders was. CBS beschrijft dat deze gegevens niet compleet willekeurig ontbreken: Het gaat met name om ouders die in het buitenland geboren zijn, ouders die een particuliere opleiding hebben gevolgd en ouders van hogere leeftijd (Arts et al., 2021). We hebben er daarom voor gekozen om de missende gegevens te imputeren. Zo kan vertekening van de resultaten beperkt worden. We hebben multipele imputatie met Markoff Chain Monte Carlo simulaties uitgevoerd. In meerdere iteraties schatten we door middel van logistische regressie de opleiding van de ouders. Dit proces wordt een aantal keren herhaalt.

Voor de predictoren in het logistische regressie model hebben we gekeken naar de correlatie van de kenmerken in de dataset en steeds per soort kenmerk het kenmerk met zoveel mogelijk cases en een zo hoog mogelijke correlatie gekozen. In totaal hebben we 15 kenmerken geselecteerd. Bij een hoger aantal predictoren is de toename in voorspellende kracht van het model vaak verwaarloosbaar (Buuren, 2018). Door naar de variatie tussen de schattingen te kijken van de verschillende iteraties, geven we een beeld geven van de betrouwbaarheid van de schattingen. Een vuistregel voor het te kiezen aantal iteraties is dat dit gelijk is aan het percentage missende data (Buuren, 2018). We hebben daarom gekozen voor 18 iteraties. Wanneer we de opleiding van ouders categoriseren naar de driedeling waarmee we de segregatie indexen hebben berekend (geen startkwalificatie; havo/vwo, mbo-2,3,4; hbo, wo), zien we dat er nauwelijks verschillen zijn tussen de verschillende imputaties. Er is doorgerekend met de opleidingscategorie het vaakste geschat is bij de 18 imputaties. In een aantal gevallen zijn twee opleidingscategorieën even vaak geschat zijn. In dat geval hebben we gekeken naar verhouding in de populatie voor de geschatte driedeling en op basis daarvan de meest waarschijnlijke categorie toegekend.

Bronvermelding en disclaimer: Resultaten in deze monitor, met als aangegeven bron ‘CBS Microdata’, zijn gebaseerd op eigen berekeningen door Gemeente Utrecht en Oberon op basis van niet-openbare microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze microdata zijn onder voorwaarden voor statistisch en wetenschappelijk onderzoek toegankelijk. Voor nadere informatie zie cbs.nl of neem contact op via microdata@cbs.nl.

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=cd3e0329-2768-447e-b86d-d40056efd2ad