CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Energie(transitie), Duurzaamheid, Vastgoed en Wonen (2022-2026) 5 februari 2026, gemeente Utrecht40.040 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Bodem Indiener stelt dat niet in de planregels is verzekerd dat alle vervolgonderzoeken bekend moeten zijn voordat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd en aanvullend onderzoek nodig is voordat de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.

Reactie De relevante bodemonderzoeken moeten bekend zijn wanneer de omgevingsvergunning wordt aangevraagd, niet wanneer de omgevingsplanwijziging wordt vastgesteld. Uit het bodemonderzoek blijkt dat er voldoende inzicht is in de bodemkwaliteit en dat er geen verwachting is dat sprake is van verontreinigingen die de locatie ongeschikt maken voor het beoogde gebruik. Het is juist dat voor het aanvragen van de omgevingsvergunning alle vervolgonderzoeken (voor chemische bodemkwaliteit) bekend moeten zijn. Voordat de

14

werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd is aanvullend onderzoek nodig om bodemverontreiniging aan te tonen of uit te sluiten. In het geval van verontreiniging moeten maatregelen worden getroffen. Het omgevingsplan is hiermee uitvoerbaar. g.

Archeologie Het is voor indiener onduidelijk of er naast het kabeltracé zoals opgenomen op de plankaart nog een ander tracé bestaat. Hierbij wordt verwezen naar een kaartje uit het Plan van aanpak IVO-O archeologie van Antea Groep van 12 juli 2024 (bijlage 7 bij het Omgevingsplan).

Reactie De kaart waarnaar wordt verwezen door indiener geeft niet het definitieve tracé weer. Het definitieve tracé is te zien op de verbeelding behorend bij de omgevingsplanwijziging. h.

Participatie Indiener stelt dat vanwege het gebrekkige participatietraject de gemeenteraad helemaal geen inzicht heeft verkregen in de belangen van het consortium. Reeds daarom zijn de belangen van de grondeigenaren onvoldoende betrokken in de besluitvorming.

Reactie Het consortium is betrokken geweest bij de locatiekeuze in het voortraject. Daarnaast heeft het consortium kunnen participeren en hebben ze van de mogelijkheid gebruik gemaakt om een zienswijze in te dienen. Zodoende heeft het consortium zijn belangen kenbaar kunnen maken. Conclusie Op grond van deze zienswijze wordt artikel 4.4 van de regels gewijzigd en op onderdelen de motivatie. In paragraaf 3.1 is de wijziging precies beschreven.

15

3 Wijzigingen in het ontwerp 3.1 Wijzigingen door zienswijzen 3.1.1. Externe veiligheid windturbine 3.1.1.1 Toelichting van de wijziging Aangehaald in beide zienswijzen 3.1.1.2 Wijziging Op grond van deze zienswijze wordt paragraaf 4.1.1 van de motivering als volgt aangevuld en wordt ter verduidelijking onderstaande afbeelding ingevoegd: De voorkeurslocatie van het hoogspanningsstation houdt rekening met de maximale werpafstand bij nominaal toerental waarbuiten geen negatieve invloed van een windturbine te verwachten is (Handreiking Risicozonering Windturbines, 2020), te weten 245 meter. Hierbij is uitgegaan van de tiphoogte van de windturbine ten oosten van het hoogspanningsstation.

Toegevoegd in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 4. 3.1.2

Gebodsbepaling artikel 4.4

3.1.2.1 Toelichting van de wijziging Het consortium heeft in haar zienswijze gewezen op een onzorgvuldigheid in de gebodsbepaling uit artikel 4.4. Naar aanleiding van de onzorgvuldigheid wordt artikel 4.4 aangepast. 3.1.2.2 Wijziging Artikel 4.4 van de regels wordt als volgt gewijzigd: 4.4 Activiteiten die geboden zijn Binnen 3 jaar na de inwerkingtreding van het plan inbedrijfsname van het hoogspanningsstation zal het landschappelijke inpassingsplan uit Bijlage 10 worden aangelegd en in stand worden gehouden.

16

3.1.3

Aanvulling paragraaf 5.2 van de motivering (magneetvelden)

3.1.3.1 Toelichting van de wijziging Het consortium heeft in haar zienswijze gevraagd om een extra motivering ten aanzien van het mogelijke effect van magneetvelden op toekomstige ontwikkelingen van Rijnenburg. Naar aanleiding hiervan is paragraaf 5.2 van de motivering aangepast. 3.1.3.2 Wijziging In hoofdstuk 5.2 van de motivering wordt de volgende tekst ingevoegd: In Nederland zijn geen wettelijke normen gesteld voor de blootstelling aan magneetvelden die ontstaan bij een hoogspanningsverbinding. In Nederland geldt een voorzorgbeleid voor magneetvelden. Dit beleid richt zich op het zo veel mogelijk voorkomen van langdurige blootstelling. TenneT volgt dit advies op bij de bouw van een hoogspanningsverbinding of -station met technische maatregelen die magneetvelden bij de bron verkleinen. We noemen dat bronmaatregelen. Het voorzorgsbeginsel waarbij blootstelling aan magneetvelden als gevolg van hoogspanningsverbindingen idealiter niet boven 0,4 microtesla uitkomt geldt alleen voor bovengrondse hoogspanningskabels. De kabels worden ondergronds aangelegd. TenneT neemt hierbij voldoende bronmaatregelen. De sterkte van een magneetveld hangt af van de diepte en de manier waarop de kabels in de grond liggen, bijvoorbeeld naast elkaar of in driehoek. De ondergrondse kabels van TenneT worden in een driehoek gelegd zodat magneetvelden minimaal zijn.

Ook liggen de kabels meer dan vijf meter onder de grond. De loop van toekomstige HOV-verbindingen in Rijnenburg zijn nog niet exact bekend. Eventuele effecten van magneetvelden op toekomstige HOV-verbindingen of andere onderdelen van het scenario ‘Klein Rijnenburg’ worden niet verwacht omdat de bronmaatregelen van TenneT de magneetvelden minimaliseert op 1 meter boven maaiveld. Aangezien de bovengrondse hoogspanningsverbindingen verdwijnen en op de ondergrondse verbindingen de nodige bronmaatregelen worden getroffen zullen de magneetvelden netto gezien substantieel afnemen.

3.2 Ambtshalve wijzigingen 3.2.1

Planrealisatie

3.2.1.1 Toelichting van de wijziging Naar aanleiding van gesprekken met de grondeigenaren is besloten de motivering verder aan te scherpen op het onderdeel van de grondverwerving. 3.2.1.2 Wijziging In paragraaf 4.1.1 van de motivering wordt na het kopje ‘locatiekeuze projectgebied’ de volgende tekst ingevoegd: Planrealisatie Het doel van de initiatiefnemer TenneT is om de gronden minnelijk te verwerven voor de realisatie van het hoogspanningsstation. Het is noodzakelijk dat TenneT de gronden verwerft. Een eventueel beroep op ‘zelfrealisatie’ door betrokken grondeigenaren is hier niet aan de orde. Grondeigenaren worden niet in staat geacht tot zelfrealisatie conform de voorgestane invulling met een 150 kV hoogspanningsstation te komen. TenneT moet ook eigenaar zijn van de gronden waarop zij hun assets bouwen om veiligheid en leveringszekerheid te kunnen garanderen. TenneT, als netbeheerder, hanteert het beginsel van veiligheid en leveringszekerheid. Dit betekent dat TenneT streeft naar een betrouwbare elektriciteitsvoorziening voor iedereen, waarbij veiligheid van mensen en installaties voorop staat. TenneT beheert het hoogspanningsnet en zorgt ervoor dat dit veilig en betrouwbaar functioneert, zodat consumenten en bedrijven altijd over elektriciteit kunnen beschikken.

17

In het geval dat niet binnen afzienbare tijd overeenstemming wordt bereikt met grondeigenaren over de verwerving dan is in het uiterste geval onteigening in beeld. Deze wijziging van het Omgevingsplan, voor de realisatie van een hoogspanningsstation (inclusief landschappelijke inpassing), zal uiteindelijk als grondslag voor zo'n onteigening kunnen dienen.

3.2.2

Aanpassing verbeelding tracé

3.2.2.1 Toelichting van de wijziging Initiatiefnemer TenneT heeft het ondergronds hoogspanningsleidingentracé lopend door de gemeente Nieuwegein bijgesteld waardoor de aansluitpunten van het tracé bij de gemeente Utrecht ter hoogte van de Rijksweg A2 en het Amsterdam Rijn Kanaal navenant bijgesteld dienen te worden. 3.2.2.2

Wijziging

Op de verbeelding is het verloop van het leidingentracé en de bijbehorende beschermingszone bij de gemeentegrens met Nieuwegein op de A2 en over het Amsterdam Rijn Kanaal tussen de gemeentegrenzen met Nieuwegein aangepast. Het betreft een ondergeschikte wijziging. 3.2.3

Aanpassing landschappelijk inpassingsplan

3.2.3.1 Toelichting van de wijziging Een geactualiseerde versie van het landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd. Het betreft een marginale aanpassing. De situering van één boom is verplaatst in verband met veiligheidsoverwegingen. 3.2.3.2 Wijziging De geactualiseerde versie van het landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd als bijlage 10 van de motivering. 3.2.4

Aanpassing regels Bedrijf - Nutsvoorziening

3.2.4.1 Toelichting In de regels bij de functie Bedrijf – nutsvoorziening ontbraken nog duidelijke bouwregels voor het bouwen, m.n. voor het bouwen van gebouwen. De regels zijn aangevuld met 2.3 Regels voor bouwen. De rest is doorgenummerd. 3.2.4.2

Wijziging

De regels van artikel 2 Bedrijf – Nutsvoorziening worden vervangen door de volgende regels Artikel 2

Bedrijf - Nutsvoorziening

2.1 Doel van de functie Locaties met de functie Bedrijf - Nutsvoorziening zijn bedoeld voor een hoogspanningsstation van maximaal 150 kiloVolt (kV) en de daarbij behorende voorzieningen voor de aansluiting op het hoogspanningsnet. 2.2 Activiteiten die bij de functie passen Activiteiten die passen bij het doel zijn toegestaan, zoals het realiseren, gebruiken en in stand houden van een beheergebouw, tuinen, erven, parkeervoorzieningen, paden, wegen, ontsluitingen en groen. 2.3 Regels voor bouwen

18

1. 2. 3.

Er is 1 hoofdgebouw met maximaal vloeroppervlakte van 400 m2 en bouwhoogte van 4 meter toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen maximaal 10 meter hoog zijn; In afwijking van de regel onder 2 mag de bouwhoogte van een bliksempiek maximaal 20 meter bedragen.

2.4 Activiteiten die niet mogen Het opslaan van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 meter op onbebouwde gronden is verboden. 3.2.5

Natuurtoets

3.2.5.1 Toelichting Er is een nader ecologisch onderzoek (september 2025) uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn verwerkt in de motivatie. 3.2.5.2 Wijziging Motivatie is bij hoofdstuk 5, paragraaf 5.10 Natuurbescherming tekstueel geactualiseerd voor wat betreft aangetroffen soorten. Aan de motivatie is een bijlage 14 met het nader ecologisch onderzoek toegevoegd.

3.3 Ondergeschikte verbeteringen -

De toegangsweg naar het station is op een enkel ondergeschikt onderdeel aangepast. De reden hiervoor is een betere aansluiting op de bestaande wegenstructuur. Het perceel van het Hoogspanningsstation is op de verbeelding beter op de kadastrale begrenzing gelegd.

19

4 Toelichting 4.1 Wat is een vaststellingrapport?

Het vaststellingrapport hoort bij een raadsbesluit over de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan. Het is een onderdeel van dat raadsbesluit. In het vaststellingrapport staan: • een samenvatting van de zienswijzen en de reactie van de gemeente daarop en • een verantwoording van wat er bij de vaststelling verandert aan de ontwerpwijziging die ter inzage heeft gelegen. Verantwoording van de wijzigingen betekent dat in het rapport wordt uitgelegd welke veranderingen er zijn en waarom die nodig zijn. De toelichting op de wijziging wordt ook verwerkt in de artikelsgewijze toelichting en in de motivering. De wijzigingen die in paragraaf 3.3 ‘Ondergeschikte verbeteringen’ staan, worden niet uitgelegd. Dat zijn verbeteren van spelfouten, verbetering van de formulering of een aanpassing van de artikelsgewijze toelichting of van de motivering.

4.2 De vaststellingsprocedure

Voordat de gemeenteraad een wijziging van het omgevingsplan vaststelt, krijgt iedereen de gelegenheid geven om zijn mening over het ontwerp van die wijziging te geven. De gemeente doet dat door bekend te maken dat een ontwerp bekeken kan worden. De wet noemt dat ‘ter inzage leggen’1. In de bekendmaking staat ook wanneer, binnen welke termijn, zienswijzen ingediend kunnen worden. Een zienswijze is een brief of een digitaal formulier waarin iemand opschrijft wat hij of zij van de ontwerpwijziging vindt. De termijn voor het indienen van zienswijzen duurt altijd 6 weken. Als iemand buiten de termijn een zienswijze indient, bestaat de kans dat de gemeente er niet meer op kan reageren. De gemeenteraad leest de zienswijze die te laat is ingediend natuurlijk wel. Na afloop van de termijn van terinzagelegging bereidt de gemeente de vaststelling voor. Het opstellen van het vaststellingsrapport hoort daarbij. Het college van burgemeester en wethouders doet een voorstel aan de gemeenteraad om de wijziging vast te stellen. De gemeenteraad kan besluiten om de indieners van zienswijzen de gelegenheid te geven om hun zienswijze tijdens een raadsinformatiebijeenkomst toe te lichten. Op zo’n bijeenkomst kunnen de raadsleden vragen stellen aan indieners en ook aan ambtenaren die bij de vaststellingsprocedure van de wijziging van het omgevingsplan betrokken zijn.

Na bespreking van het voorstel in de raadscommissie Ruimtelijke Ordening en Grondzaken, stelt de gemeenteraad de wijziging vast of verwerpt het voorstel van het college. De termijn voor het indienen van zienswijzen duurt altijd 6 weken. Als iemand buiten de termijn een zienswijze indient, bestaat de kans dat de gemeente er niet meer op kan reageren. Het college leest de zienswijze die te laat is ingediend natuurlijk wel. Na afloop van de termijn van terinzagelegging bereidt de gemeente de vaststelling voor. Het opstellen van het vaststellingsrapport hoort daarbij. Het college stelt het omgevingsplan vervolgens vast.

4.3 Wijze van beoordeling van zienswijzen

Een zienswijze bevat de mening van een indiener. De meningen in een zienswijze of de zienswijze zelf zijn nooit goed, fout, gegrond of ongegrond. Elke zienswijze wordt zorgvuldig bestudeerd, om te bekijken of het ontwerp aangepast moet worden. Als een zienswijze vragen bevat, worden die in dit vaststellingsrapport zo mogelijk beantwoord. 1 Artikel 16.29 en 16.30 van de Omgevingswet, artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

20

Als een zienswijze niet aan de wettelijke eisen voldoet, krijgt de indiener, als haar of zijn adres bekend is, de gelegenheid om daar alsnog voor te zorgen.

4.4 Privacy

In dit rapport worden alleen de geanonimiseerde samenvattingen van zienswijzen opgenomen. In verband met de privacy van indieners worden de zienswijzen niet openbaar gemaakt2. Burgemeester en wethouders en de gemeenteraad krijgen wel van alle zienswijzen een kopie toegestuurd, zodat zij de volledige zienswijze kunnen lezen en bijvoorbeeld kunnen nagaan waar de indiener woont.

2 Artikel 3.1 in samenhang met artikel 5.1 van de Wet open overheid.

21

TAM-Omgevingsplan

TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg Ontwerp, november 2025

TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1

Werking van dit plan

4

Hoofdstuk 2

Functies

5

Artikel 2

Bedrijf - Nutsvoorziening

5

Artikel 3

Beschermende

5

Artikel 4

Groen

5

Artikel 5

Verkeer - Verblijfsgebied

6

Hoofdstuk 1

Inleiding

9

functie - Leiding - hoogspanning

1.1

Aanleiding en doelstelling

9

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

9

1.3

Geldende plannen

10

1.4

Juridische aspecten

10

1.5

Leeswijzer

11

Hoofdstuk 2

Relevante beleidskaders

2.1

Rijksbeleid

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

2.3

Gemeentelijk

2.4

Conclusie

Hoofdstuk 3

13 13

beleid

16 21 27

Bestaande situatie

29

3.1

Beschrijving

van het plangebied

29

3.2

Beschrijving

van de bestaande functies in het plangebied

29

3.3

Conclusie

Hoofdstuk 4

Planbeschrijving

29

31

4.1

Projectbeschrijving

31

4.2

Verkeer en openbare ruimte

34

Hoofdstuk 5

Onderzoek en randvoorwaarden

37

5.1

Inleiding

37

5.2

Magneetvelden

37

5.3

Bedrijven en milieuzonering

38

5.4

Milieueffectrapportage

39

5.5

Geluidhinder

40

5.6

Omgevingsveiligheid

42

5.7

Ontplofbare Oorlogsresten

44

5.8

Luchtkwaliteit

46

5.9

Bodem

48

5.10

Natuurbescherming

51

5.11

Bomen

59

5.12

Water en klimaatadaptatie

60

5.13

Archeologie

66

5.14

Kabels en leidingen

68

5.15

Circulariteit

72

5.16

Conclusie

73

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

75

Utrecht

6.1

Economische

6.2

Maatschappelijke

6.3

Handhaving

Hoofdstuk 7

uitvoerbaarheid

75

uitvoerbaarheid

75 76

Juridische plantoelichting

79

7.1

Inleiding

79

7.2

Inleidende regels (hoofdstuk 1 van de regels)

79

7.3

Functies (hoofdstuk 2 van de regels)

80

7.4

Bijlagen bij de regels

81

Bijlagen motivering

83

Bijlage 1

Quickscan

85

Bijlage 2

Stikstofonderzoek

129

Bijlage 3

Voortoets ecologie stikstof

183

Bijlage 4

Weging van het waterbelang

267

Bijlage 5

Milieu hygienisch Vooronderzoek Bodem

323

Bijlage 6

Bureauonderzoek Archeologie

353

Bijlage 7

Inventariserend Veldonderzoek Archeologie

395

Bijlage 8

Akoestisch onderzoek

411

Bijlage 9

Vooronderzoek OO

477

Bijlage 10

Landschappelijke inpassing Onderstation Oudenrijn TenneT Movares

547

Bijlage 11

Mer-beoordeling Oudenrijn

601

Bijlage 12

Bomeninventarisatie

647

Bijlage 13

Wateroverlast

675

Bijlage 14

Nader ecologisch onderzoek

685

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

3

Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Werking van dit plan

Werkingsgebied

De regels in dit plan zijn van toepassing op de locaties, waarvoor de geometrisch bepaalde planobjecten zijn opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0344.BPTAMTENSTAOUDRIJN-VA01. 1.2 1. 2. 3. 4.

1.3 1. 2.

1.4 1.

Afstemming met het omgevingsplan Dit plan maakt deel uit van het omgevingsplan. De regels in hoofdstuk 2 van dit plan zijn functieregels in de zin van het omgevingsplan. De begrippen in hoofdstuk 1 en de bouw- en gebruiksregels in hoofdstuk 2 zijn aanvullend van toepassing op de begrippen uit hoofdstuk 1, de bouwregels uit hoofdstuk 4 en de gebruiksregels uit hoofdstuk 6 van het omgevingsplan. Als een begrip uit dit plan afwijkt van het hetzelfde begrip uit het omgevingsplan, dan gaat het begrip uit dit plan voor.

Afstemming met het tijdelijk deel van het omgevingsplan De regels in dit plan en de verbeelding bij die regels treden in de plaats van de regels en de verbeelding in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, voor zover deze betrekking hebben op hetzelfde werkingsgebied. In afwijking van sub 1 geldt dat de regels over de hoogspanningsleidingen en de daarbij behorende belemmeringsstroken zoals bedoeld in artikel 3, voor zo ver niet gelegen binnen de functie Groen, Bedrijf-Nutsvoorziening of Verkeer-Verblijfsgebied, niet in de plaats treden van functieregels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan maar deze regels aanvullen.

Begrippen In aanvulling op artikel 1.1 van het omgevingsplan gelden voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan de volgende begripsbepalingen: a. plan Het TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg dat bestaat uit het GML-bestand NL.IMRO.0344.BPTAMTENSTAOUDRIJN-VA01. b. besluitgebied van dit TAM-omgevingsplan Het besluitgebied waarvan de geometrisch bepaalde begrenzing is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0344.BPTAMTENSTAOUDRIJN-VA01. c. omgevingsplan Het omgevingsplan van de gemeente Utrecht.

4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

Utrecht

Hoofdstuk 2 Artikel 2 2.1

Functies

Bedrijf - Nutsvoorziening

Doel van de functie

Locaties met de functie Bedrijf - Nutsvoorziening zijn bedoeld voor een hoogspanningsstation van maximaal 150 kiloVolt (kV) en de daarbij behorende voorzieningen voor de aansluiting op het hoogspanningsnet. 2.2 1. 2. 2.3

Activiteiten die bij de functie passen Activiteiten die passen bij het doel zijn toegestaan, zoals het realiseren, gebruiken en in stand houden van een beheergebouw, tuinen, erven, parkeervoorzieningen, paden, wegen, ontsluitingen en groen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen maximaal 10 meter hoog zijn met uitzondering van een bliksempiek met een maximale hoogte van 20 meter. Activiteiten die niet mogen

Het opslaan van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 meter op onbebouwde gronden is verboden.

Artikel 3 3.1

Beschermende functie - Leiding - hoogspanning

Doel van de functie

Locaties met de beschermende functie 'Leiding - Hoogspanning' zijn mede bedoeld voor een ondergrondse hoogspanningsleiding van maximaal 150 kV, en een bijbehorende belemmeringenstrook. 3.2

bescherming van de functie

Op de te beschermen locatie zijn de volgende regels van toepassing: 1. 2. 3.3

activiteiten grondwerk, slopen en bouwen zijn verboden zonder omgevingsvergunning; de regel in lid 1 geldt niet voor een activiteit die nodig is voor het beheer en onderhoud van de beschermende functie. Activiteiten die niet mogen

Het opslaan van stoffen die één of meer van de volgende eigenschappen hebben is verbonden: ontplofbaar, zeer licht ontvlambaar of licht ontvlambaar.

Artikel 4 4.1

Groen

Doel van de functie

Locaties met de functie Openbaar groen zijn bedoeld voor groen dat bijdraagt aan: 1. 2. 4.2

de vergroting van de leefbaarheid en van een gezond leefklimaat; het behoud en de verbetering van de biodiversiteit, zoals het bieden van voedsel en schuilgelegenheid aan dieren. Activiteiten die bij de functie passen

Activiteiten die passen bij het doel zijn toegestaan zoals het realiseren, gebruiken en in stand houden van groen, oppervlaktewater en waterberging. 4.3

Activiteiten die niet mogen

De volgende activiteiten zijn in ieder geval verboden: 1. 2.

het bouwen, gebruiken en in stand houden van gebouwen; het realiseren en gebruiken van parkeergelegenheid voor motorvoertuigen;

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

5

3. 4. 5. 4.4

het aanleggen van ontsluitingswegen voor aangrenzende functies; activiteiten die bomen aantasten; activiteiten die de biodiversiteit aantasten, met uitzondering van gebruik van het groen dat op een locatie normaal is. Activiteiten die geboden zijn

Binnen 3 jaar na de inbedrijfsname van het hoogspanningsstation zal het landschappelijke inpassingsplan uit Bijlage 10 worden aangelegd en in stand worden gehouden.

Artikel 5 5.1

Verkeer - Verblijfsgebied

Doel van de functie

Locaties met de functie Verkeer - Verblijfsgebied zijn bedoeld voor verblijf in de openbare ruimte, langzaam verkeer, gemotoriseerd verkeer, groen en water, en de bijbehorende voorzieningen. 5.2

Activiteiten die bij de functie passen

Activiteiten die passen bij het doel zijn toegestaan, zoals het aanleggen, gebruiken en in stand houden van rijwegen, voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, bruggen, duikers, parkeerplaatsen, standplaatsen, kleine gebouwde parkeervoorzieningen voor fietsen, geluidwerende voorzieningen, speelvoorzieningen en kunstobjecten.

6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

Utrecht

Motivering wijzigingsbesluit

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

7

8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

Utrecht

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doelstelling

Aanleiding Op steeds meer plaatsen in Nederland heeft het elektriciteitsnet zijn maximale capaciteit bereikt. Dat komt onder andere door de snelle opkomst van zonnepanelen, elektrisch vervoer en de elektrificatie van de industrie. Op dit moment kan het elektriciteitsnet van TenneT de grote vraag naar het transporteren van elektriciteit niet overal aan en is sprake van volle netten of congestie. Hierdoor moeten onder andere bedrijven, uitbreidingen van bedrijven en nieuwe woningbouwlocaties langer wachten op een aansluiting. Om ervoor te zorgen dat iedereen ook in de toekomst stroom blijft krijgen en ontwikkelingen zoals woningbouw, de warmtetransitie en elektrische mobiliteit mogelijk te maken is een uitbreiding van het elektriciteitsnet nodig. De komende jaren worden nieuwe hoog- en middenspanningsstations bijgebouwd, bestaande stations opgewaardeerd en nieuwe (vaak ondergrondse) kabelverbindingen aangelegd om het net toekomstbestendig te maken. De aanleg van een nieuw hoogspanningsstation in Oudenrijn draagt bij aan het verminderen van de netcongestie en is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: De 16 Utrechtse gemeenten (U16) hebben in de Regionale Energie Strategie (RES) een ambitie vastgelegd om duurzame opwekking van energie te realiseren. De projecten zijn o.a.

het energielandschap Rijnenburg en Reijerscop, waar windmolens en zonnepanelen worden geplaatst die aangesloten moeten worden op het net. Het energieaanbod en de energievraag rond Utrecht groeit. Met de realisatie van het nieuwe hoogspanningsstation wordt meer capaciteit gecreëerd om aan de vraag te kunnen voldoen. De polder Rijnenburg is in beeld voor woningbouw. Om toekomstige woningen en bedrijven in de polder van energie te voorzien, wordt met het nieuwe hoogspanningsstation alvast rekening gehouden met deze mogelijkheid. Het hoogspanningsstation zal met ondergrondse kabelverbindingen worden aangesloten op het bestaande net. De bovengrondse verbinding die in de huidige situatie aanwezig is wordt hiermee overbodig en zal worden verwijderd. Doelstelling De hoofddoelstelling van het TAM-omgevingsplan (verder: het plan) is de bouw en het gebruik van een hoogspanningsstation inclusief het aanleggen van ondergrondse verkabeling planologisch-juridisch mogelijk te maken.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt aan de westkant van Utrecht in de polder Rijnenburg. Het plangebied is gelegen op een perceel aan de Heycopperkade in de gemeente Utrecht. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Op dit moment bestaat het gebied uit grasland en akkerbouw (mais). Aan de noordzijde grenst het plangebied aan het perceel van de woning aan de Heycopperkade 1. Ten Westen van het plangebied ligt het bestaande hoogspanningsstation van Stedin en een tijdelijke zorglocatie van het Leger des Heils met bijbehorende barakgebouwen aan de Heycopperkade 2b. Aan de zuid- en de oostzijde bestaat het gebied uit grasland en sloten en grasland en de watergang 'Middelwetering', Het nieuwe hoogspanningsstation wordt in noordelijke richting verbonden met het station Utrecht Lage Weide (zie 2a op figuur 1). Ook wordt het nieuwe hoogspanningsstation verbonden met het Stedin station (zie 2c op figuur 1). De nieuw aan te leggen kabelverbinding naar station Nieuwegein loopt vanaf het station in zuidelijke richting naar de Ringkade en vervolgens parallel aan de Ringkade in oostelijke richting achter de daar gevestigde agrarische bedrijven tot aan de gemeentegrens met Nieuwegein (zie 2b op figuur 1). Op het grondgebied van Nieuwegein is de kabelverbinding al planologisch voorbereid.

Het kabeltracé dat moet worden aangelegd bij het Amsterdams Rijnkanaal (zie 4 op figuur 1) valt onder het grondgebied van de gemeente Utrecht. Het kabeltracé valt onder het grondgebied van de gemeente Utrecht, daarom moet ook voor dit deel van het tracé het omgevingsplan worden gewijzigd.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

9

Figuur 1. 1: nieuw hoogspanningsstation; 2a: ondergrondse verkabeling, 2b: ondergrondse verkabeling; 2c: ondergrondse verkabeling; 3: huidige bovengrondse bekabeling; 4: ondergrondse bekabeling.

1.3

Geldende plannen

Dit plan vervangt voor de locatie van het plangebied, voor zo ver bepaald in Artikel 1, de volgende bestemmingsplannen die deel uitmaken van het tijdelijke deel van omgevingsplan van de gemeente Utrecht. Bestemmingsplan Rijnenburg, Utrecht

Vastgesteld door Raad 2015-03-05

Onherroepelijk Ja

1.4

Juridische aspecten

1.4.1

Het TAM-omgevingsplan is een wijziging van het omgevingsplan

Elke gemeente moet op grond van de Omgevingswet alle regels over de leefomgeving in het omgevingsplan van de gemeente opnemen. Op het moment dat dit plan is opgesteld, is het technisch nog niet mogelijk om tegelijkertijd een aantal wijzigingen van het omgevingsplan in procedure te brengen. Omdat we niet willen dat ontwikkelplannen hierdoor onnodig vertraging oplopen betekent dat de gemeente ontwikkelplannen één voor één in procedure brengt, met veel vertraging als gevolg. Daarom heeft het Rijk gezorgd voor een Tijdelijke Administratieve Maatregel (TAM), die de gemeente toestaat om het omgevingsplan te wijzigen met een “TAM-IMRO-omgevingsplan”. Dat is een plan technisch in de vorm van een bestemmingsplan dat met de standaardcoderingen IMRO wordt opgesteld. Het TAM-omgevingsplan geldt juridisch wel als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente. De gemeente moet te zijner tijd het TAM-omgevingsplan omzetten in het “echte” omgevingsplan. 1.4.2

Omgevingsvergunningen en het omgevingsplan

Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet kunnen burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verlenen voor een activiteit als het omgevingsplan voor die activiteit een omgevingsvergunning verplicht stelt of als die activiteit in strijd is met de regels van het omgevingsplan. In artikel 4.5 van het omgevingsplan staat bijvoorbeeld voor het bouwen een omgevingsvergunning vereist is. Een aanvraag van de omgevingsvergunning wordt getoetst aan de regels, beoordelingsregels genoemd, van het omgevingsplan. Voor het bouwen staan die beoordelingsregels in hoofdstuk 4 van het omgevingsplan. De beoordelingsregel in artikel 4.7 van 1 0 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

Utrecht

het omgevingsplan komt erop neer dat het bouwen moet passen binnen het doel van de functie, dus in het geval van dit plan de regels die in hoofdstuk 2 zijn opgenomen. Burgemeester en wethouders verlenen de omgevingsvergunning als de aanvraag voldoet aan de beoordelingsregels van het omgevingsplan, dus ook aan de regels van hoofdstuk 2 van dit plan. Als de aanvraag in strijd is met het omgevingsplan of op grond van de beoordelingsregels van het omgevingsplan moet worden afgewezen, kan de omgevingsvergunning misschien toch verleend worden op grond van de regels van het Rijk in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die omgevingsvergunning wordt in de wet 'omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit', afgekort: bopa, genoemd. Om aan die regels te voldoen moet vaak uitgebreid onderzoek worden gedaan en moeten veel aspecten beoordeeld worden. De gemeente moet voor de toets van zo'n aanvraag dus regels van het Rijk en van de provincie toepassen en ook beoordelen of aanvraag past bij het gemeentelijke beleid. Bij het opstellen van de regels en de aanwijzing van locaties en functies in dit plan is rekening gehouden met de beoordelingsregels in het omgevingsplan. De regels in dit plan vervangen de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en deels worden de regels uit het tijdelijk omgevingsplan aangevuld.

Ook vullen de regels uit dit plan de regels van het definitieve omgevingsplan aan. 1.4.3

Vergunningvrij bouwen

In sommige gevallen is voor het bouwen geen omgevingsvergunning nodig. Dat geldt bijvoorbeeld voor het bouwen van bijgebouwen (schuurtjes) of aanbouwen achter of naast een huis die voldoen aan de eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving en aan de regels van hoofdstuk 4 van het omgevingsplan. In hoofdstuk 4 van het omgevingsplan staat dan in de beoordelingsregels dat in afwijking van artikel 4.5 geen omgevingsvergunning nodig is.

1.5

Leeswijzer

De toelichting van dit TAM-omgevingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Hoofdstuk 2 bevat de beschrijving van de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande situatie. Onder andere de ruimtelijke structuur, de historische ontwikkeling van het gebied en de beschrijving van de aanwezige functies worden hier beschreven. In hoofdstuk 4, de planbeschrijving, worden de mogelijkheden die het plan biedt aan de toekomstige ontwikkelingen beschreven. De diverse noodzakelijke onderzoeken ten aanzien van bijvoorbeeld milieuaspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 7 komt de juridische toelichting op de planregels aan bod. In de bijlagen zijn de onderzoeken en het landschappelijke inpassingsplan te vinden waar in de toelichting naar wordt verwezen.

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

11

1 2 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

Utrecht

Hoofdstuk 2 Relevante beleidskaders 2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie (2020)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is in september 2020 vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening als structuurvisie en geldt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet als de Nationale Omgevingsvisie. De NOVI is de eerste integrale nationale beleidsvisie conform de Omgevingswet en is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De Visie De NOVI bevat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een groot aantal opgaven, op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De NOVI biedt daarbij een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Omgevingskwaliteit is daarbij het kernbegrip. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak waarbij overheden en maatschappelijke organisaties met regie vanuit het Rijk integrale afwegingen maken. Toelichting In de toelichting worden 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving beschreven en de daarbij horende opgaven waarvoor het Rijk zich gesteld ziet. Steeds wordt per belang het huidige beleid gekoppeld en wordt de opgave gesteld die met het belang samenhangt.

Uitvoeringsagenda In de uitvoeringsagenda staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda is onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen opgenomen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. Het Rijksbeleid is vertaald in de Omgevingswet en in de vier Algemene Maatregelen van Bestuur: het Omgevingsbesluit (Ob), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Daarnaast is regelgeving van het Rijk opgenomen in bruidsschatregels. De gemeente Utrecht kan vooral aan de volgende nationale belangen een bijdrage leveren: 1.

bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 4. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 5. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 6. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 7. beperken van klimaatverandering; 8. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 9. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 10. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 11. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 12. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 13. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. De NOVI benoemt vier prioriteiten De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: 1.

ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

13

2. 3. 4.

duurzaam economisch groeipotentieel bevorderen; zorgen voor sterke en gezonde steden en regio's; stimuleren van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Omgevingsinclusieve benadering Centraal in de te maken belangenafwegingen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Hierbij wordt aangesloten bij de integrale opvatting van het begrip fysieke leefomgeving uit de Omgevingswet en wordt de noodzaak van een integrale afweging benadrukt. Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is het spanningsveld tussen beschermen en ontwikkelen. Een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving houdt in, dat ontwikkeling van de leefomgeving samen gaat met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. Afwegingsprincipes Beschermen en ontwikkelen gaan niet altijd en overal samen (en zijn soms onverenigbaar), maar ze kunnen elkaar ook versterken. Om dit afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. 2. 3.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. Kenmerken & identiteit van een gebied staan centraal. De optimale balans tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Plangebied Op het gebied van energie is de ambitie dat Nederland in 2050 honderd procent duurzaam is en dat we duurzame energie zo goed mogelijk in onze leefomgeving ingepast hebben. Om dit te bereiken wordt onder andere ingezet op windenergieparken en veel meer zonnepanelen. Het hoogspanningsstation betekent een uitbreiding van het elektriciteitsnet en draagt daarmee bij aan de eerste drie prioriteiten van het Rijk. Het uitbreiden van het elektriciteitsnet is van belang om ervoor te zorgen dat iedereen ook in de toekomst stroom kan blijven krijgen en om ontwikkelingen zoals de warmtetransitie en elektrische mobiliteit mogelijk te maken. Hiermee sluit het plaatsen van het hoogspanningsstation bij aan de integrale prioriteit van het Rijk voor klimaatadaptatie en energietransitie, het duurzaam economisch groeipotentieel en sterke en gezonde steden en regio's. In de NOVI wordt aandacht gevraagd voor de kwaliteit van de leefomgeving bij de inpassing van energie-infrastructuur. In 4.2.2 wordt ingegaan op de manier waarop hier bij de inpassing van het hoogspanningsstation rekening mee is gehouden. 2.1.2

Beleidsadvies over magneetvelden

De Europese Unie heeft in 1999 blootstellingslimieten, bestaande uit basisrestricties en daarvan afgeleide referentieniveaus, aanbevolen (PbEG L 199/59, 1999). De basisrestricties mogen niet worden overschreden. Als de blootstelling lager is dan de referentieniveaus kan ervan worden uitgegaan dat de basisrestricties niet worden overschreden. Voor magnetische velden die met de elektriciteitsvoorziening samenhangen, bedraagt het referentieniveau 100 microtesla voor leden van de gehele bevolking. De EU-aanbeveling is gebaseerd op de aanbevelingen van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP). De aanbevelingen van ICNIRP zijn gebaseerd op wetenschappelijk vastgestelde effecten van magnetische velden die tijdens of kort na blootstelling optreden. Vrijwel alle Europese landen baseren hun beleid voor bescherming van de bevolking op het referentieniveau van 100 microtesla uit de EU-aanbeveling. De Gezondheidsraad heeft in 2000 aangegeven dat er een zwak, maar statistisch significante associatie valt waar te nemen tussen het vóórkomen van leukemie bij kinderen en het zich langdurig bevinden in de nabijheid van een hoogspanningslijn. Het bestaan van een causale relatie tussen het vóórkomen van leukemie en het zich bevinden in de nabijheid van hoogspanningslijnen is wetenschappelijk niet aangetoond.

Dit is voor de rijksoverheid aanleiding geweest om voorzorgbeleid met betrekking tot hoogspanningslijnen en het magneetveld te formuleren. Het voorzorgbeleid houdt kort gezegd in dat, als een activiteit potentieel schadelijke effecten kan 1 4 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

Utrecht

hebben, maatregelen ter voorkoming of beperking van die potentiële effecten niet achterwege mogen worden gelaten op de enkele grond dat wetenschappelijk onzeker is of die effecten daadwerkelijk zullen optreden. In 2023 is een nieuwe versie van het voorzorgbeleid opgesteld. Hoogspanningsstations vallen ook onder het nieuwe voorzorgbeleid. De afstand maatregel (0,4 microteslaT contour) geldt echter nog steeds alleen bij tracés van nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen, dan wel bij wijzigingen in bestaande plannen of van bestaande hoogspanningslijnen. Het beleidsadvies is erop gericht om in die situaties zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij personen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). Het gaat hierbij om woningen, scholen, kinderdagverblijven, crèches, verpleegtehuizen en instellingen voor mensen met een beperking (gezamenlijk aangeduid als: gevoelige functies). Uit het beleidsadvies volgt niet dat geen enkele gevoelige bestemming binnen de magneetveldzone mag komen te liggen.

Op grond van het beleidsadvies en het daarin verwoorde redelijkerwijs criterium, acht de rijksoverheid het aanvaardbaar dat in geval van kleinschalige concentraties van gevoelige bestemmingen, gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldzone komen te liggen. Hierover moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt. Een stapeling van negatieve milieufactoren kan in dat geval aanleiding zijn om over te gaan tot het weg bestemmen van de gevoelige bestemming(en) of het treffen van extra voorzorgen of maatregelen. Wat betreft hoogspanningsstations stelt het beleid dat het treffen van bronmaatregelen structureel onderdeel wordt van de taken en werkzaamheden van netbeheerders. Tussen de netbeheerders en het ministerie is afgesproken dat de bronmaatregelen genomen dienen te worden bij nieuwbouw en bij aanpassing van stations. In het interne beleid van TenneT is opgenomen dat bij nieuwbouw of wijziging van hoogspanningsstations proportionele bronmaatregelen uit Bijlage 2 van het voorzorgbeleid getroffen dienen te worden. Vanaf 1 oktober 2023 dienen de proportionele bronmaatregelen genomen te worden. In het ontwerp moet een beschouwing worden uitgevoerd waarin wordt geanalyseerd of het mogelijk is om “significante bronnen van magneetvelden” op afstand van gevoelige bestemmingen te plaatsen.

Als uit de analyse volgt dat de bronmaatregel proportioneel is dan kan de bronmaatregel uitgevoerd worden. Voor zover deze van toepassing zijn, zijn deze in het ontwerp opgenomen. Conclusie De ontwikkeling van het hoogspanningsstation sluit aan bij de doelstellingen en het beleid dat door het Rijk is vastgesteld. Zie ook paragraaf 5.2 voor een uitgebreide toelichting over magneetvelden. 2.1.3

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Bkl staan regels ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland/de Natura 2000-gebieden, de elektriciteitsvoorziening, de uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet, de veiligheid rond Rijksvaarwegen, de verstedelijking in het IJsselmeer en de bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament. In het Bkl staan verder regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Daarmee zijn ook wetten en besluiten die betrekking hebben op omgevingsaspecten zoals geluid, omgevingsveiligheid, behoefte enzovoorts geregeld. Het Bkl geldt voor het Rijk en alle decentrale overheden.

De hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat, zijn: waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl); het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, Rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

15

Artikel 5.129g van het Bkl stelt via de Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) regels over het aantonen nut en noodzaak en het onderzoeken van binnenstedelijke mogelijkheden bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Zie hiervoor de uitwerking onder paragraaf 2.1.3. Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en Rijkswegen. In hele bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders de minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Plangebied Er bestaan voor dit plangebied geen relevante Rijksinstructieregels uit het Bkl. 2.1.4

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' worden toegepast. Stedelijk ontwikkeling Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Daarbij geldt er voor woningbouwprojecten dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij andere stedelijke functies in de vorm van een terrein is de ondergrens 'in beginsel' 500 m2. Dus met een ruimtebeslag van minder dan 500 m2 is er 'in beginsel' geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Daarvoor moet worden beoordeeld of het plan een nieuw of groter beslag op de ruimte toelaat. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, het plan op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Om te kunnen beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van een groter beslag op de ruimte moet niet gekeken worden naar wat er daadwerkelijk gebouwd is, maar naar wat het omgevingsplan planologisch toestaat aan bebouwing.

Ook verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit waarbij is afgeweken van het omgevingsplan, moeten daarin meegenomen worden. Van belang is dus in hoeverre het plan in vergelijking met de vorige regeling: functies wijzigt; een groter beslag op de ruimte mogelijk maakt, of; een combinatie van een ontwikkeling met een nieuw of groter planologisch ruimtebeslag en een functiewijziging is natuurlijk ook mogelijk. Er moet worden bekeken of het hele plan een stedelijke ontwikkeling is, als bedoeld in artikel 5.129g Bkl. Plangebied Of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet het voornemen vergeleken worden met voornoemde definitie van een stedelijke ontwikkeling. Volgend uit jurisprudentie wordt een nieuw hoogspanningsstation niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling beschouwd (zie uitspraak van 26 april 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1123 Hollands Kroon). Een toetsing aan de Ladder is dus niet aan de orde.

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1

Omgevingsvisie provincie Utrecht en Omgevingsverordening provincie Utrecht

Op 1 april 2021 is de Omgevingsvisie provincie Utrecht in werking getreden. In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie er in 2050 uitziet. De Omgevingsvisie geeft richting aan de toekomstige en fysieke leefomgeving. Dit is alles op, boven en onder de grond en inclusief de sociale aspecten zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. In de omgevingsverordening staan de regels en instructieregels die daarvoor nodig zijn. Provincie Utrecht geeft bij de onderstaande 7 thema's de provinciale belangen aan die verplichtingen met zich meebrengen. Dat geeft al een doorkijk naar deze instructieregels. Om voor te sorteren op de toekomst richt de omgevingsvisie zich op een aantal ontwikkelingen: extra woningen die gebouwd moeten worden; toename van werkgelegenheid; toename van verkeer; energietransitie; 1 6 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

Utrecht

klimaatverandering; verandering in de landbouw; versterking van natuur en recreatief groen. De provincie Utrecht vindt het daarbij belangrijk om de bestaande kwaliteiten te behouden, te versterken en in balans te laten zijn met deze ontwikkelingen. De ruimte voor ontwikkelingen is beperkt, terwijl de vraag naar ruimte groot is. Uitwerking beleid in 7 thema's De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving en voor het mogelijk maken van lokale afwegingen als een veilige en gezonde leefomgeving daarbij gebaat is. Het beleid voor de gezonde en veilige leefomgeving is beschreven in 7 thema's. Stad en land gezond Dit thema gaat over milieu, gezondheid, recreatie en toerisme. De provincie Utrecht wil graag voor de woon-, werk-, en leefgebieden bereiken dat deze gezond zijn en uitnodigen tot bewegen. In en rondom steden en dorpen moeten voldoende groene gebieden zijn om te recreëren. Klimaatbestendig en waterrobuust Dit thema gaat over een duurzaam en robuust bodem- en watersysteem, een klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving en een perspectief voor bodemdalingsgebieden. De provincie Utrecht wil graag bereiken dat er bescherming is tegen overstromingen, een tekort aan zoetwater of de gevolgen van extreem weer (wateroverlast en hitte).

Duurzame energie Dit thema gaat over het stimuleren van energiebesparing en het opwekken van duurzame energie uit wind, zon, bodem en water. Vitale steden en dorpen Dit thema gaat over ruimte voor wonen en leven en ruimte voor werken en winkelen. De provincie Utrecht wil graag bereiken dat nieuwe woningen en bedrijven vooral komen op plekken binnen de bebouwde kom. Ook is het belangrijk dat deze plekken goed bereikbaar zijn met de trein, bus, tram en fiets. Prioritaire locaties voor grootschalige integrale ontwikkeling zijn onder meer Leidsche Rijn, Utrecht Centraal Station (Beurskwartier/Lombokplein en Merwedekanaalzone), Lunetten-Koningsweg en Utrecht Science Park/Rijnsweerd. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar Dit thema gaat over een goed bereikbare provincie, ontwikkeling bij knooppunten en optimalisatie van netwerken, wegen, OV en fiets. De provincie Utrecht wil graag bereiken dat er nieuwe verbindingen voor openbaar vervoer en (snel)fietspaden komen tussen de woon-, werk-, en leefgebieden. Daarbij moet er beter gebruik gemaakt worden van bestaande wegen. Levend landschap, erfgoed en cultuur Dit thema gaat over aantrekkelijke landschappen en een toegankelijke cultuur en waardevol erfgoed. De provincie Utrecht wil graag bereiken dat veel mensen kunnen genieten van de landschappen, waterlinies, forten, kastelen en buitenplaatsen.

Ook is belangrijk dat het cultuuraanbod (zoals festivals en musea) meegroeit met het aantal inwoners. Toekomstbestendige natuur en landbouw Dit thema gaat over een robuuste natuur met hoge biodiversiteit en een duurzame landbouw. De provincie Utrecht wil graag bereiken dat de natuur wordt beschermd en nieuwe natuurgebieden worden aangelegd die elkaar verbinden. Verder worden boeren geholpen om een omslag te maken naar kringlooplandbouw. Alle thema's moeten in samenhang bekeken worden. Dat betekent dat niet alles overal kan. Met het uitgangspunt slim combineren en concentreren kan de groei van inwoners en bedrijven en een gezonde leefomgeving in balans blijven. Het concentreren richt zich bijvoorbeeld op het bouwen van nieuwe woningen dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Op die manier blijft er op andere plekken voldoende ruimte voor bewegen, groen, water en natuur. Op 1 januari 2024 is de omgevingsverordening van de Provincie Utrecht in werking getreden. De omgevingsverordening bevat onder andere instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Op 1 maart is de eerste wijziging van deze omgevingsverordening vastgesteld. De laatste versie is gewijzigd op 1 september 2024.

De opbouw van de Omgevingsverordening ziet er als volgt uit: er staan instructieregels over ontwikkelingen die met water te maken hebben in; instructieregels die zien op grondwaterbeheer; instructieregels ten aanzien van bereikbaarheid; instructieregels die zien op windenergie, zonne-energie en biomassa; instructieregels ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland (NNN), Groene contour en bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

17

Weidevogelkerngebieden; instructieregels over werelderfgoed en kwaliteit van landschappen; instructieregels over agrarische bedrijven; en instructieregels over stedelijke functies in stedelijk of landelijk gebied, recreatie en stiltegebieden. Uitvoering In drie regio's werkt de provincie Utrecht het beleid verder uit. De samenhang tussen de thematische ambities krijgt hier aandacht. Voor Utrecht is de regio U16 van belang. In deze uitwerking gaat het over de verstedelijkingsstrategie. De verwachting is dat er tot 2040 in de regio ongeveer 99.000 tot 125.000 extra woningen nodig zijn. Na 2040 tot 2050 is er verdere ruimte voor woningbouw onder meer over ontwikkelingen langs de A12 tussen knooppunten Lunetten en Oudenrijn en het benutten van bestaande OV-knooppunten in de regio. Plangebied Omgevingsvisie In de verwezenlijking van alle bovenstaande zeven ambities speelt verduurzaming een cruciale rol. Minder C O2 uitstoot draagt onder andere bij aan een gezonde stad door minder luchtvervuiling, maar verbetert ook de klimaatbestendigheid van de provincie. Door de rol van energie transformators in de opslag en het transport van duurzame energie worden aan alle bovenstaande ambities, in meer en mindere mate, voldaan voor dit plan. Verduurzaming Van de zeven bovenstaande deelambities, is de deelambitie duurzame energie het meest relevant voor dit plan.

De provincie Utrecht ambieert om uiterlijk in 2050 CO2 -neutraal te zijn. Om dit te bereiken zet de provincie in op energiebesparing en het opwekken van duurzame energie. Een tweede ambitie is dat er voor 2030 minimaal 55% van het elektriciteitsgebruik in de provincie Utrecht hernieuwbaar wordt opgewekt. De provincie omschrijft dan ook de noodzaak tot het vrijkomen van meer ruimte voor het opwekken van duurzame energie. Het gaat hier om plek voor het opwekken van onder andere windenergie, zonne-energie en bio-energie. Het opwekken van duurzame energie wordt een grote ruimtevrager en de provincie vindt het belangrijk dat deze ruimte ook vrijgegeven wordt. Daarnaast moet deze hernieuwbare energie ook opgeslagen en getransporteerd worden. Samen met de desbetreffende partners zet de provincie in op het proactief en tijdig uitbreiden van deze netwerkcapaciteit. Gelet op de grensoverschrijdende functie neemt de provincie de regierol in de regionaal te realiseren energie-infrastructuur. De provincie wil inzetten op het creëren van meer ruimte voor het opslaan en transporteren van elektriciteit. Deze ambitie stelt nieuwe eisen aan het energienetwerk. De bouw van het hoogspanningsstation zorgt voor uitbreiding van het energienetwerk en draagt daarmee bij aan de geambieerde energietransitie. Dit maakt dat het onderhavige project past binnen de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht.

Omgevingsverordening De provincie heeft in de Omgevingsverordening beleid opgenomen voor de ruimtelijke invulling van de kernrandzone, landelijk gebied, bijzondere landschappen en gebieden waar risico bestaat op overstromingen. Voor deze aanduidingen gelden instructieregels vanuit de verordening. In dit beleid wordt uitgegaan van het toevoegen van stedelijke functies in deze omgeving. Of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet het voornemen vergeleken worden met voornoemde definitie van een stedelijke ontwikkeling. Volgend uit jurisprudentie wordt een nieuw hoogspanningsstation niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling beschouwd (zie uitspraak van 26 april 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1123 Hollands Kroon). De gewenste ontwikkeling is nodig om in de toekomst te kunnen voorzien in de vraag naar elektrisch vermogen in de omgeving. Dit is van belang voor een goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk. De locatiekeuze is weloverwogen tot stand gekomen, waarbij verschillende belangen afgewogen zijn. Indien gekozen zou worden voor een andere locatie zijn er hogere maatschappelijke kosten voorzien en is er sprake van een complexere uitbreiding. Terwijl de ontwikkeling niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling dient wel aandacht te worden besteed aan de ruimtelijke kwaliteit.

Om die reden is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (Bijlage 10, zie ook paragraaf 4.2.2). Hiermee wordt een optimale inpassing van het hoogspanningsstation in de omgeving geborgd. Het hoogspanningsstation valt binnen een van de vijf door de provincie benoemde bijzondere landschappen (Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug), namelijk Landschap Groene Hart. Daarmee moet worden voldaan aan artikel 7.11 van de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht. 1 8 bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

Utrecht

Figuur 2: Ligging plangebied in het groene hart

Voor het landschap Groene Hart moeten de volgende kernkwaliteiten worden behouden (artikel 7.11 Omgevingsverordening provincie Utrecht): a. b. c. d.

openheid; (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); landschappelijke diversiteit; rust & stilte.

Bij ontwikkelingen in het landschap van het Groene Hart staat het bevorderen van de diversiteit op het schaalniveau van de verschillende typen landschap centraal. Daarbij dienen de kernkwaliteiten gerespecteerd en benut te worden om de contrasten tussen de verschillende typen landschap te behouden. Enkel en alleen het accent leggen op rust en stilte doet geen recht aan het Groene Hart. Het waarborgen van rust vraagt ook het bieden van ruimte voor vormen van dynamiek. Daarbij ligt de focus op het vergroten van de contrasten in rust en dynamiek tussen de agrarische landschappen van de velden en de dynamische landschappen van de oude stroomruggen. Om de kernkwaliteiten te behouden, moet de realisatie van het hoogspanningsstation zorgvuldig worden gepland en uitgevoerd: De beoogde ontwikkeling moet zo worden gerealiseerd dat de openheid van het landschap niet wordt verstoord. Dit wordt gedaan door het hoogspanningsstation met ondergrondse kabelverbindingen aan te sluiten op het bestaande net. De beoogde ontwikkeling moet zo worden uitgevoerd dat het veenweidekarakter en de landschappelijke diversiteit behouden blijft. De ruimtelijke kwaliteit van de huidige polder kan gekenmerkt worden als een typische veenweideontginning. De identiteit van het open slagenlandschap wordt gekenmerkt door een open en groenrijk karakter.

Het is herkenbaar als een typisch polderlandschap, met een strakke verkavelingsstructuur en duidelijk zichtbare slootpatronen. Daarnaast dragen kleine bosjes en erfbeplantingen bij aan het landschappelijke beeld. De verkaveling in het gebied vertoont een duidelijke noord-zuidoriëntatie, waarbij rechte sloten langs de kavels lopen en de weilanden iedere 50 à 100 m zijn doorkruist met een watergang. De hoofdinfrastructuur van watergangen en wegen volgt een oost-west verloop. De strakke noord-zuidstructuur van de polder wordt op sommige plaatsen onderbroken door randwegen en haaks daarop lopende waterwegen. Langs de oost-west georiënteerde linten bevinden zich enkele boerderijen en bebouwing. Hoogteaccenten worden gevormd door lintbebouwing, incidenteel bomen langs de sloten, bosschages op de kavels, boerderijen met erfbeplanting en hoogspanningsmasten. Ten westen van de locatie ligt een eendenkooi. De landschappelijke inpassing maakt gebruik van karakteristieke elementen uit de omgeving om bestemmingsplan "TAM-omgevingsplan TenneT station Oudenrijn, Rijnenburg" (ontwerp)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=8f67d1b1-2b59-436b-a8c5-67834e1b3752