CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Volksgezondheid, Onderwijs, Werk en Economie (2022-2026) 20 maart 2025, gemeente Utrecht29.622 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 25

Ambitie en doelstellingen Kinderen en jongeren in Utrecht groeien kansrijk op in een stabiele, gezonde, stimulerende en liefdevolle omgeving. Met onze scholen faciliteren we deze kansrijke omgeving voor kinderen. Dit vraagt om schoolgebouwen die geschikt zijn voor het geven van modern en eigentijds onderwijs. Niet alleen nu, maar ook in de komende jaren. Het beleid voor onderwijshuisvesting draagt daarmee bij aan gezond stedelijk leven voor iedereen in Utrecht. Daaruit vloeit voort dat we met het IHP onderwijs ervoor willen zorgen dat: ‘We moderne en toekomstbestendige huisvesting van scholen realiseren, die voldoende passend en duurzaam is.’ Deze ambitie is uitgewerkt in twee hoofddoelstellingen: 1. Een toereikende capaciteit aan schoolgebouwen en gymzalen. 2. Kwalitatief goede schoolgebouwen en gymzalen.

Een toereikende capaciteit aan schoolgebouwen en gymzalen Wat verstaan we hieronder? Voor elke Utrechtse leerling in het primair onderwijs streven we naar een beschikbare plek in de wijk waar zij wonen. De huisvestingscapaciteit (in vierkante meters) moet derhalve goed aansluiten op het aantal leerlingen dat woont in de wijk. We willen namelijk dat ieder kind in de eigen leefomgeving naar school kan. Dit streven vertaalt zich tevens in de ambitie om in elke nieuwe wijk een schoollocatie voor primair onderwijs te realiseren. In sommige gevallen betekent dit dat er bij aanvang niet direct voldoende leerlingen zijn om de capaciteit volledig te benutten. In dergelijke situaties accepteren we een ingroeimodel, waarbij we mogelijk een tijdelijke locatie of medegebruik moeten inzetten, een deel van het schoolgebouw in de beginfase wordt ingezet voor andere (maatschappelijke) doeleinden of leegstand in de beginfase onvermijdelijk is. Voorafgaand aan elke gebiedsontwikkeling evalueren we zorgvuldig of een nieuw schoolgebouw noodzakelijk en haalbaar is. Daarbij houden we ons aan het principe van de tien-minutenstad. Voldoende huisvestingscapaciteit van scholen verwijst naar de beschikbaarheid van geschikte en veilige fysieke ruimtes die de onderwijsbehoeften van leerlingen en docenten ondersteunen.

En voor het voortgezet onderwijs geldt dat we goed aansluiten op het aantal leerlingen dat woont in de stad, we programmeren stadsbreed. Hiermee geven we invulling aan onze wettelijke taak en aan de lange termijn doelstellingen kansrijk opgroeien en groeien in balans.

Voor elke Utrechtse leerling in het primair onderwijs streven we naar een beschikbare plek in de wijk waar zij wonen. Wij geven invulling aan deze doelstelling door middel van de volgende subdoelstellingen: • Het verminderen van leegstand en efficiënt gebruik van schoolgebouwen o Minimale schoolgrootte en maximeren van het aantal leerlingen aan de capaciteit van het gebouw o Bevorderen multifunctionele faciliteiten en flexibiliteit • We dragen bij aan het vergroten van kansengelijkheid.

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 26

Het verminderen van leegstand en efficiënt gebruik van schoolgebouwen Voor de realisatie van voldoende huisvesting kijken we kritisch naar de bestaande gebouwenvoorraad en het gebruik van de schoolgebouwen, we voorkomen leegstand van schoolgebouwen. Dit doen we jaarlijks aan de hand van de leerlingenprognose. De spreiding van onderwijshuisvesting over de stad is belangrijk, waarbij we de bestaande gebouwen zoveel mogelijk benutten, door de bezettingsgraad te verhogen, voordat we overgaan tot nieuwbouw.

We bouwen geen nieuwe scholen als er binnen de verwijsafstand nog voldoende capaciteit beschikbaar is. Schoolgebouwen moeten zo efficiënt mogelijk worden gebruikt. Dit betekent dat we stevig inzetten op meervoudig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand onder andere door het terugdringen van het aantal kleine schoollocaties. Kleine schoollocaties zijn locaties met minder dan 191 leerlingen in het gebouw. Dit draagt ook bij aan de realisatie van robuuste schoollocaties met idealiter 200 tot 250 (enkele stroom) of met 400 leerlingen (dubbele stroom) per gebouw. Het terugdringen van het aantal té kleine schoollocaties draagt daarmee bij aan het efficiënter inzetten van de beschikbare ruimte in de stad, van beschikbare leraren en financiële middelen.

Wij streven naar efficiënt gebruik van schoolgebouwen door meervoudig ruimtegebruik en het verminderen van het aantal kleine schoollocaties. In herschikkingsgesprekken met de PO schoolbesturen bespreken we op wijkniveau de beschikbare vierkante meters, het aantal té kleine schoollocaties, de leegstand en de leerlingenprognoses per PO schoollocatie. We komen tot herschikkingsafspraken zodat we gebouwen optimaler benutten en de bezettingsgraden van de schoolgebouwen verhogen. Het fuseren c.q. samenwonen en samenwerken van scholen blijft de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen, desondanks dagen we schoolbesturen uit om een passende toekomstvisie neer te leggen voor schoollocaties met relatief weinig leerlingen. De gemeente en schoolbesturen hebben hierin een gedeeld belang. Leegstand is ook voor schoolbesturen erg kostbaar. Schoolbesturen ontvangen namelijk een vergoeding gebaseerd op het aantal leerlingen en de bijbehorende vierkante meters. Als een gebouw groter is dan de vierkante meters waar bekostiging voor is, zijn de besturen zelf verantwoordelijk voor het onderhoud van deze extra meters. Ondanks dat het alternatief aanwenden van leegstand mogelijkheden biedt voor bijvoorbeeld het huisvesten van andere (maatschappelijke) functies of medegebruik van een andere school, brengt leegstand ook onzekerheid met zich voor scholen.

De ruimtes kunnen namelijk gevorderd worden voor andere scholen of doeleinden.

Samen met schoolbesturen voeren we herschikkingsgesprekken met als doel gebouwen optimaler te benutten. Minder marge in schoolgebouwen We hanteren op wijkniveau de volgende definitie van de gewenste capaciteit in het PO (verordening onderwijshuisvesting): Het college reserveert voldoende ruimte voor de huisvesting van scholen in een wijk. De gemeente houdt voor basisscholen op wijkniveau 12,5% maximaal meer gebouwcapaciteit beschikbaar dan op basis van de leerlingenprognose nodig is.

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 27

Uit de wijkanalyses en gesprekken met schoolbesturen blijkt dat we in veel wijken veel overcapaciteit in het PO hebben. Dit betekent dat er voor veel schoollocaties op stads- en wijkniveau meer dan de gewenste 12,5% gebouwcapaciteit beschikbaar is. We streven naar vermindering van leegstand en daarmee een hogere bezetting per schoolgebouw. We willen terug naar 12,5% overcapaciteit per wijk. Dit nemen we mee in de herijking van de verordening. Voor het voortgezet onderwijs is de afspraak met het onderwijsveld dat we stadsbreed programmeren, waarbij we in de capaciteit rekening houden dat de scholen voor voortgezet onderwijs 10% extra leerlingen binnen hun bestaande capaciteit kunnen opvangen. Minimale schoolgrootte en maximeren van het aantal leerlingen aan de bestaande capaciteit De minimale schoolgrootte en maximeren van de capaciteit van scholen zijn met elkaar verbonden, omdat we wijkgericht werken. In afstemming met schoolbesturen is het uitgangspunt dat scholen minimaal 191 leerlingen tellen, gelijk aan de landelijk vastgestelde opheffingsnorm. Dit betekent dat we scholen die onder deze norm liggen niet solitair bezien in het uitvoeringsprogramma, maar als onderdeel van een herschikking.

Schoollocaties met minder dan 191 leerlingen zijn in het uitvoeringsprogramma gemarkeerd als onderdeel van de herschikkingsopgave. We stimuleren samenwerking en fusie om leegstand te verminderen en de bezettingsgraad van schoolgebouwen te verhogen. Met maximeren bedoelen wij dat de grootte van het schoolgebouw (in vierkante meters) leidend is voor het maximaal aantal te huisvesten leerlingen per school. Dit betekent dat er een maximum aan aantal leerlingen komt per schoolgebouw. Een school kan derhalve niet uitbreiden in / met een ander gebouw / met noodlokalen of in een ander schoolgebouw gaan inhuizen ten behoeve van uitbreiding. We bouwen tevens geen nieuwe scholen als bestaande scholen nog (deels) leeg staan, met uitzondering van nieuwe ontwikkelgebieden. Leegstand in schoolgebouwen en tekorten aan onderwijshuisvesting in de wijken zijn daarmee onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Het gevolg hiervan kan zijn dat scholen moeten gaan samenwonen, samenwerken of fuseren.

Dit betekent ook dat een school een beperkt plekken beschikbaar heeft als zij het maximaal aantal leerlingen hebben bereikt en dit ook als uitgangspunt hanteren bij de uitvoering van het aanmeldbeleid De middelen die worden gereserveerd voor verbouwing van een kleine schoollocatie in het uitvoeringsprogramma, kunnen in dat geval worden ingezet voor de huisvesting van samenwonende/samenwerkende of fuserende scholen. Het optimaal benutten van de scholen in de wijk doen we ook om de schaarse middelen huisvesting, personeel en geld optimaal in te zetten. De huidige onderwijscapaciteit van de gebouwen is per wijk inzichtelijk. We zijn en gaan in gesprek met de schoolbesturen over een minimale schoolgrootte en maximeren van de capaciteit van scholen in iedere wijk. In het uitvoeringsprogramma is hier slechts ten dele rekening mee gehouden, omdat de uitkomsten van de herschikkingsgesprekken ten tijde van het opstellen van deze nota nog niet volledig zijn uitgewerkt. Als resultaat van deze gesprekken kunnen wijzigingen in het uitvoeringsprogramma worden opgenomen.

Wij maximeren het aantal leerlingen op basis van de grootte van het schoolgebouw, zodat we uitbreiding voorkomen en het aantal dislocaties verminderen. Bevorderen multifunctionele faciliteiten

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 28

Een belangrijke doelstelling in dit IHP onderwijs is slimmer ruimtegebruik. We stimuleren enerzijds zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik en combineren anderzijds functies binnen één pand.

Met een multifunctionele faciliteit bedoelen wij: “Een gebouw waar verschillende organisaties, overwegend maatschappelijk, hun voorzieningen, producten en diensten aanbieden”. De volgende uitgangspunten gelden bij multifunctioneel ruimtegebruik: • Organisatiedoelen zijn bij voorkeur aan elkaar gerelateerd. • Er is sprake van gezamenlijk gebruik van ruimten. • Er worden geen voorzieningen uitgesloten, tenzij deze (potentieel) conflicteren met het belang, welzijn en veiligheid van het kind. • Het schoolbestuur is juridisch eigenaar en bouwheer indien het aantal functies beperkt (maximaal 3 functies) is en de functies op elkaar aansluiten, bijv. bij een Utrechts Kindcentrum (UK). Door in te zetten op multifunctioneel gebruik van schoolgebouwen zorgen we voor meer ‘leven’ in het gemeentelijk vastgoed gedurende de hele dag, voor meer actief en zichtbaar gebruik, meer (onverwachte) samenwerkingen tussen partijen, en meer verbinding tussen maatschappelijk vastgoed en de buurt. Een multifunctioneel gebouw versterkt samenwerking tussen partijen doordat deze elkaar beter leren kennen. Daarnaast draagt het bij aan de verbondenheid tussen verschillende gemeenschappen zoals leerlingen, ouders, leraren en buurtbewoners. Deze voorzieningen laten we aansluiten bij de behoeften van de bewoners.

Met deze inzet behouden we het voorzieningenniveau en het aanbod van maatschappelijke organisaties voor de wijk en de stad in minder gebouwen en is er efficiënter gebruik van de beschikbare ruimte. Een voorbeeld van een multifunctioneel gebouw is een buurtschool, zoals beschreven in de UOA (deel B van deze beleidsnota). We onderzoeken hierbij onder andere de mogelijkheid tot het realiseren van woningen (eventueel voor docenten) bovenop de school. Tevens stimuleren we de ontwikkeling en behoud van Utrechtse kindcentra (i.r.t. leegstand), binnen de mogelijkheden van de regelgeving. Bij nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen gaan we na welke koppelkansen er zijn om functies binnen gebouwen te combineren. Daarnaast gaan we bij leegstand van schoolgebouwen na of er in dezelfde wijk vraag bestaat naar andere maatschappelijke voorzieningen zoals VE, BSO, een bibliotheek, jongerencultuurhuis of buurthuis. Indien koppelkansen zich voordoen onderzoeken we in samenspraak met onder meer schoolbesturen of er draagvlak is en op financiële haalbaarheid.

We geven invulling aan de multifunctionele faciliteiten door actief te zoeken naar koppelkansen om functies binnen gebouwen te combineren. Samenwerken binnen één gebouw brengt ook uitdagingen met zich mee, bijvoorbeeld op het gebied van beheer en onderhoud. Het gaat om praktische zaken zoals de schoonmaak, toegang tot het schoolgebouw en extra onderhoud dat niet bekostigd wordt. Daarnaast brengt multifunctioneel gebruik extra taken en verantwoordelijkheden met zich mee voor een schooldirecteur en -bestuur, waaronder het sluiten van (huur)overeenkomsten en de administratieve last. Tijdens de realisatie van projecten van het uitvoeringsprogramma vragen deze praktische zaken een zorgvuldige afweging, in overleg met de schoolbesturen. Het samenwerken binnen één gebouw is een breder vraagstuk dan alleen onderwijshuisvesting en daarom kijken we hier binnen de gemeente Utrecht integraal naar (zoals met welzijn en sport). Zoals opgenomen in het uitvoeringsprogramma onderwijshuisvesting 2026-2041, Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 29

zijn we bezig met het ontwikkelen van beleid. Samen met de schoolbesturen wordt invulling gegeven aan multifunctioneel gebruik van schoolgebouwen. Dit vergt nog de nodige verkenning en concretisering, met name op het gebied van rol- en taakverantwoordelijkheden en beheer & exploitatie.

Het vraagstuk van meerdere functies binnen één gebouw omvat meer dan alleen onderwijshuisvesting, daarom kijken we binnen de gemeente Utrecht integraal naar de verbinding met andere beleidsvelden. Flexibiliteit van en in het gebouw Flexibiliteit is het vermogen van een gebouw om met beperkte bouwtechnische ingrepen wijzigingen te ondergaan en functieveranderingen in zich op te nemen (bestaand en nieuwbouw). Een schoolgebouw wordt ontwikkeld voor de langere termijn en daarmee niet per se alleen voor onderwijskundige doeleinden. De behoefte aan ruimte voor maatschappelijke voorzieningen en daarmee inrichting van een gebouw kan in de toekomst veranderen. Met een flexibel gebouw houden we daar op voorhand rekening mee. Het kan zijn dat in de toekomst een andere school gebruik maakt van het gebouw of dat de onderwijskundige visie verandert (verantwoordelijkheid schoolbestuur). In een verdichtende stad kan het ook nodig zijn om een andere functie aan een gebouw te geven, nadat een school ophoudt te bestaan. Flexibiliteit van een gebouw is daarmee gericht op de lange termijn. Bij nieuwbouw, en waar mogelijk renovaties, zetten we daarom in op een flexibel (school)gebouw, zodat het gebouw kan meebewegen met de groei van de stad. Bij het ontwerp van een gebouw kan op verschillende manieren rekening worden gehouden met flexibiliteit.

Hoewel de initiële kosten hoger kunnen zijn, rechtvaardigen de voordelen op lange termijn de investering van een flexibel schoolgebouw. We investeren op deze manier in een moderne en flexibele leeromgeving die voldoet aan de behoeften van leerlingen en leraren. We dragen daarmee bij aan het efficiënt gebruik van schoolgebouwen. Zie voor een uitgebreid advies hieromtrent bijlage 4.04.

Bij nieuwbouw, en waar mogelijk renovaties, zetten we in op een flexibel (school)gebouw, zodat het gebouw kan meebewegen met de groei van de stad. We dragen bij aan het vergroten van kansengelijkheid De gemeente Utrecht zet stevig in op het vergroten van kansengelijkheid. Met onderwijshuisvesting dragen we voor zover mogelijk bij aan deze ambitie. De uitdaging daarbij is dat we vanuit onze wettelijke zorgplicht gelijk moeten handelen in gelijke gevallen en niet zonder nadere motivering kunnen afwijken van ruimtelijke (wettelijke) normen. We willen daarom bijdragen aan deze gemeentebrede ambitie door op basis van de scheidslijnenmonitor een prioritering in de programmering van onderwijshuisvesting aan te brengen. Concreet betekent dit dat een ruime meerderheid van de scholen die op basis van de objectieve criteria op het UVP zijn gekomen en zich bevinden in een van de dertig kwetsbare buurten, in de eerste periode van het IHP onderwijs met voorrang aan bod komt. Meer kansengelijkheid creëren in onderwijshuisvesting gaat dus niet zozeer gepaard met extra middelen, dan wel met het anders verdelen van middelen over de tijd op basis van dit criterium. Dit in samenspraak met de schoolbesturen. Hiermee geven we invulling aan de motie M2024/29 “Zet ook in op het bevorderen van kansengelijkheid in het afwegingskader bij Onderwijshuisvesting”.

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 30

In de eerste twee fases van het uitvoeringsprogramma worden de meeste scholen uit de dertig kwetsbare buurten aangepakt. Daarnaast houden we in de huidige verordening rekening met het vergroten van kansengelijkheid. Bij de toekenning van het aantal vierkante meters is de achterstandscore12 onderdeel van de formule van het berekenen van de ruimtebehoefte van een school. Dit betekent dat scholen met een lage score op sociaal economische status (SES) meer ruimte krijgen voor bijvoorbeeld een ouderlokaal. We willen het tevens mogelijk maken dat in iedere school een bibliotheek kan worden voorzien, binnen de bestaande mogelijkheden. Daarmee bedoelen wij dat in bestaande schoolgebouwen ten eerste wordt gekeken of daar ruimte beschikbaar is om een bibliotheek te voorzien. Als er bijvoorbeeld een lokaal niet in gebruik is kan dat ingericht worden als bibliotheek. Vaak wordt al in samenwerking met de school en bibliotheek gekeken waar er plek is in de school om een dergelijke ruimte in te richten. De wensen en mogelijkheden om een bibliotheek te voorzien zijn uiteenlopend. Zo is het mogelijk om brede verkeersruimtes of gemeenschappelijke ruimtes te gebruiken om boekenkasten te plaatsen, maar kan er ook een ruimte speciaal voor worden ingericht. Bij de eerste optie zijn geen extra vierkante meters nodig, bij de tweede optie kan dit betekenen dat er 100-120m2 extra nodig is.

Hierbij is rekening gehouden met de gelegenheid om er rustig een boek te kunnen lezen. Hierover leest u meer in handboek inrichting van schoolbibliotheken. Bij nieuwbouw kan er in het ontwerp rekening worden gehouden met een ruimte voor een schoolbibliotheek. Deze ruimte is echter nog geen onderdeel van de verordening. We verkennen de mogelijkheden om dit bij aanpassingen van de verordening mee te nemen. Op dit moment zijn er geen financiële middelen beschikbaar om oppervlaktes toe te voegen voor bibliotheken aan zowel bestaande als nieuwe schoolgebouwen. De duurzame verankering van de bibliotheek op school is een ambitie van het ministerie en hier is onlangs onderzoek naar gedaan. Komende periode blijven we monitoren hoe dit concreet (met financiering) verder vorm krijgt.

Kwalitatief goede schoolgebouwen en gymzalen Wat verstaan we hieronder? Kwalitatief goede schoolgebouwen en gymzalen bieden een veilige, gezonde, flexibele en stimulerende omgeving die de onderwijsdoelen ondersteunen en het welzijn van alle gebruikers bevordert. De schoolgebouwen en gymzalen zijn ontworpen met oog voor de behoeften van leerlingen, docenten en ouders, met aandacht voor toegankelijkheid en duurzaamheid. Wij richten ons vooral op de elementen veiligheid, gezondheid (als onderdeel van de wettelijke eisen), inclusie, toegankelijkheid en duurzaamheid. Wij geven invulling aan deze doelstelling door de volgende subdoelstellingen: • Te voldoen aan tenminste de wettelijke eisen (plus een deel bovenwettelijke eisen) • In te spelen op inclusie • Toegankelijkheid te waarborgen • Duurzaamheid te waarborgen

12 De achterstandsscore in hele getallen, zoals gepubliceerd door de Minister, vermenigvuldigd met 7,17%, afgerond op een

heel getal.

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 31

Voldoen aan tenminste de wettelijke eisen (plus een deel bovenwettelijke eisen) De wettelijke eisen voor een schoolgebouw zijn vastgelegd in verschillende wet- en regelgeving, zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving, gezondheids- en veiligheidsnormen, en onderwijs-specifieke richtlijnen. Deze eisen zorgen ervoor dat een schoolgebouw voldoet aan basisbehoeften op het gebied van veiligheid, gezondheid, functionaliteit en toegankelijkheid. Op het gebied van veiligheid en gezondheid moet worden voldaan aan de eisen betreffende brandveiligheid, luchtkwaliteit, verlichting en akoestiek.

Wij zorgen ervoor dat schoolgebouwen voldoen aan alle wettelijke eisen op het gebied van veiligheid, gezondheid, functionaliteit en toegankelijkheid, zoals vastgelegd in wet- en regelgeving. Boven op de wettelijke eisen willen we ook voldoen aan de norm klasse B Frisse Scholen. Een Frisse School is een schoolgebouw (basis- of voortgezet onderwijs) met een laag energieverbruik en een gezond binnenmilieu. In een Frisse School is aandacht voor energie, luchtkwaliteit, temperatuur, licht en geluid. De gekozen norm staat voor een goed binnenmilieu, een lagere energierekening en gaat nader in op de thema’s luchtkwaliteit, temperatuur, licht, geluid en energie in een schoolgebouw. Er zijn drie klassen, waar B staat voor ‘goed’ (c = voldoende, a = uitmuntend). Meerdere schoolbesturen in Utrecht willen hier graag aan voldoen, omdat dit ook zeer wenselijk is voor de kwaliteit van het binnenklimaat voor de gebruikers: de leerlingen en leraren. Wij sluiten ons hierbij aan. Niet alle vereisten van deze sectorale norm maken onderdeel uit van het vigerende Besluit bouwwerken leefomgeving. We maken dus wel expliciet de keuze om dit onderdeel van het te verstrekken normbedrag aan een schoolbestuur te laten zijn. Bij renovatie of nieuwbouw passen we de norm klasse B toe, met uitzondering van de thema’s energie en licht.

Het thema energie scharen wij onder onze duurzaamheidsambitie, maar zien wij niet als onderdeel van de basiskwaliteit. Bij het thema licht is gekozen voor niveau C doordat de daglichttoetreding in bestaande gebouwen moeilijk is aan te passen. Bij renovatie of nieuwbouw van gymzalen voegen we ook iets toe aan het wettelijke minimum. We houden daarbij het advies van de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding (KVLO) aan. Naast andere normen uit het handbroek 2019 betekent dit ook dat bij nieuwbouw gymzalen de afmetingen van onze gymzalen hoger liggen dan het wettelijk minimum. Op deze manier zijn gymzalen voor meerdere binnensporten te benutten en verhogen we de mogelijkheden voor avondverhuur.

Bij renovatie en nieuwbouw van schoolgebouwen passen de frisse scholen klasse B toe. Hierbij is extra aandacht voor luchtkwaliteit, temperatuur, en geluid.

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 32

We spelen in op inclusie Inclusief onderwijs is zowel in de Utrechtse Onderwijsagenda als in dit IHP onderwijs een belangrijke subdoelstelling. We vinden het belangrijk dat kinderen en jongeren samen opgroeien, met en van elkaar leren en met elkaar omgaan. We willen segregatie tegengaan en integratie bevorderen, ook op school. Kinderen gaan zoveel mogelijk thuisnabij naar school. Het inzetten op maximeren van schoolgroottes draagt hier ook aan bij. De opdracht voor het ontwikkelen van inclusief onderwijs komt voort uit de verbeteraanpak passend onderwijs en de route naar inclusief onderwijs die de afgelopen jaren door het ministerie van OCW is ingezet. Nederland heeft zich gecommitteerd aan een aantal internationale verdragen en is daarmee de verplichting aangegaan om toe te werken naar inclusief onderwijs. In het beleidskader Met elkaar voor alle kinderen en jongeren heeft het ministerie van OCW daar nader uitwerking aan gegeven. In het recent gewijzigde Programma van eisen voor schoolbesturen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs van het ministerie van OCW wordt zeer duidelijk dat kinderen recht hebben op inclusie en het daarmee een opdracht is aan zowel schoolbesturen als samenwerkingsverbanden.

Inclusie is een recht voor kinderen en een verantwoordelijkheid voor schoolbesturen en samenwerkingsverbanden, zoals het ministerie van OCW aangeeft. Om vanuit onze rol als gemeente concreet bij te dragen aan de realisatie van de ambitie op inclusief onderwijs in Utrecht, zetten we een drietal stappen. Allereerst zullen we in de toekomst in beginsel voor speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs geen standalone gebouwen realiseren, maar altijd in combinatie met een reguliere school. Dit betekent dat het speciaal onderwijs samen met een

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 33

reguliere school gehuisvest wordt in één pand. Zo kan onderling kennis uitgewisseld worden en komen kinderen in contact met elkaar. Ten tweede ontwikkelen we een wegingskader inclusie om voorstellen voor de in de UOA afgesproken pilots op inclusie te kunnen beoordelen en daarmee in ieder geval twee pilots inclusie in het eerste vier jaar van het IHP onderwijs te realiseren. Ten derde onderzoeken we of en onder welke voorwaarden we extra vierkante meters toevoegen aan een reguliere school ten behoeve van inclusiever onderwijs.

Speciaal (basis) onderwijs bouwen we altijd in combinatie met een reguliere school. We maken ons sterk voor inclusief onderwijs en zorgen er tegelijkertijd voor dat er voldoende plekken voor speciaal onderwijs zijn. We blijven deze plekken realiseren, er zullen altijd kinderen zijn die naar het speciaal onderwijs als zelfstandige voorziening moeten gaan, alleen zullen we deze scholen voortaan samen met regulier onderwijs huisvesten. We waarborgen toegankelijkheid In het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn wettelijke minimum eisen opgenomen voor toegankelijkheid. In Utrecht vinden we dit niet voldoende. Bij nieuwbouw of renovatie van schoolgebouwen passen we de Utrechtse Standaard Toegankelijkheid (UST) toe. Het uitgangspunt is dat alle ruimtes, routes en objecten in een openbaar gebouw in Utrecht toegankelijk zijn voor alle gebouwgebruikers, waarbij bij aanvang van het project beargumenteerd is als ruimtes in uitzonderingsgevallen niet voor alle gebruikers toegankelijk zijn. In de projecten dienen daarom alle ruimtes en de verbindingen tussen de ruimtes te worden weergegeven in een ruimtematrix en een relatieoverzicht of routeschema. Het toepassen van het UST-proces brengt op zichzelf geen meerkosten met zich mee. Veel zaken kunnen in de ontwerpfase worden meegenomen, waarmee het niet per se kostenverhogend hoeft te werken.

Het totaal pakket aan mogelijke benodigde maatregelen om alle ruimten toegankelijk te maken kunnen wel zorgdragen voor extra kosten, waar geen budget voor beschikbaar is gesteld. Het bureau SOLGU kan hiervoor ondersteuning bieden.

Bij nieuwbouw of renovatie van schoolgebouwen in Utrecht passen we de Utrechtse Standaard Toegankelijkheid (UST) toe, waarbij alle ruimtes en verbindingen worden vastgelegd in een ruimtematrix en routeschema. We waarborgen duurzaamheid We stellen onszelf tot doel om zoveel mogelijk schoolgebouwen energieneutraal (ENG) te realiseren. Bij renovatie of monumentale schoolgebouwen is gebleken dat dit niet altijd haalbaar is. Vandaar dat schoolgebouwen (zo dichtbij mogelijk) ENG worden gerealiseerd tijdens renovatie en nieuwbouw: • We dringen het elektra- en gasverbruik terug; • Dit draagt bij aan het terugdringen van de totale CO2-uitstoot, die in 2030 met 55% moet zijn verminderd en in 2050 met 95%. We verwachten dat we 25% van de projecten (nieuwbouw of grootschalige renovatie) ENG kunnen realiseren in plaats van het op Besluit bouwwerken leefomgeving gerichte Bijna Energieneutrale schoolgebouwen (BENG). Bij nieuwbouw of renovatie wordt de doelstelling gehanteerd dat er circulair wordt gewerkt waar mogelijk. Ten tijde van het opstellen van deze nota moet het circulariteitsbeleid nog worden vertaald naar een uitvoeringsprogramma. In het volgende hoofdstuk komen we hier kort op terug. In 2023 heeft de gemeente Utrecht bijvoorbeeld in 2023 de ‘Circulaire Grondstoffencorridor’ gelanceerd. Het doel is Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 34

om meer bouwmaterialen te opnieuw gebruiken binnen de stad Utrecht. Daarvoor gaan marktpartijen en de gemeente samenwerken in een aantal proeven. Deze proeven zijn nu in uitvoering en na evaluatie wordt onderzocht wat dit betekent voor onderwijshuisvesting. Er zijn op dit moment geen financiële middelen beschikbaar binnen het programma onderwijshuisvesting voor circulair bouwen. In bestaande gebouwen worden energetische maatregelen getroffen via het onderhoud. Deze maatregelen verdienen zich binnen de resterende termijn tot renovatie/nieuwbouw terug. Dit doen we niet overal tegelijk. Omdat dat praktisch onhaalbaar is en ook niet logisch. Bij het uitvoeren van energetische maatregelen sluiten we aan bij natuurlijke en logische momenten, bijvoorbeeld geplande onderhoudswerkzaamheden.

We streven naar energieneutrale (ENG) schoolgebouwen, met focus op het verlagen van energieverbruik en CO2-uitstoot, en passen circulaire oplossingen toe waar mogelijk. Schoolgebouwen en -pleinen zijn klimaatadaptief indien dat mogelijk is binnen het normbedrag en aanwezige subsidies. Indien dit niet mogelijk is, wordt toegelicht (in fasedocumenten) waarom dat niet mogelijk is. Groene schoolpleinen leveren een waardevolle bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen. Daarom zetten we ons in om het vergroenen van schoolpleinen te stimuleren. Hoewel de meeste schoolpleinen eigendom zijn van het schoolbestuur, kan het schoolbestuur budget aanvragen om deze pleinen groener te maken. Deze subsidie valt buiten de scope van deze beleidsnota, maar sluit aan bij belangrijke thema’s die hierin worden behandeld. In de brief ‘Nieuw subsidieregeling groenblauwe schoolpleinen’ van 13 januari 2025 vindt u hierover meer informatie. Netcongestie Voor de bouwprojecten onderwijs kan netcongestie voor vertraging en/of extra kosten zorgen. Gelet op de wettelijke taak die de gemeente heeft voor Onderwijshuisvesting zijn wij op zoek naar maatwerkoplossingen voor onze (nieuwbouw) onderwijshuisvestingsprojecten die gepland staan op te leveren tussen 2024 en 2030 (verwachte einde netcongestie). Hiervoor zijn beleidsmatige, operationele en financiële oplossingen nodig.

Voor renovatieprojecten is reeds door het college besloten bij renovaties te kiezen voor aardgasvrijready in plaats van volledig aardgasvrij.

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 35

Relatie beleidsnota onderwijshuisvesting met andere nota’s en visies Het beleid voor onderwijshuisvesting draagt bij aan gezond stedelijk leven voor iedereen in Utrecht. Met de vaststelling van de Ruimtelijke Strategie Utrecht hebben we het uitgangspunt vastgesteld dat in Utrecht woningen, werklocaties, maatschappelijke voorzieningen, sportvoorzieningen en groen dicht bij elkaar liggen, zodat inwoners er gemakkelijk en snel gebruik van kunnen maken. Bovendien dragen we met deze subdoelstelling bij aan de Utrechtse Onderwijs Agenda, aan het thema Flexibel samenwerken en huisvesten. Uiteraard dient er ook invulling te worden gegeven aan de landelijke duurzaamheidsambities. Omdat nog niet alle beleidsvelden nader zijn uitgewerkt, richten we ons eerst op de energietransitie, maar willen we zo snel als mogelijk circulariteit en klimaatadaptiviteit implementeren in de renovatie en nieuwbouw van de schoolgebouwen.

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 36

4. Uitvoeringsprogramma Om te bepalen of en in welk jaartal projecten in het uitvoeringsprogramma (UVP) worden opgenomen is een wegingskader ontwikkeld. Het wegingskader helpt om keuzes te maken tussen diverse en soms tegengestelde uitgangspunten. Vanwege de beperkingen in capaciteit en middelen is het nodig om keuzes te maken en te prioriteren in de fasering van ver- en nieuwbouw van onderwijsvoorzieningen.

(Af)wegingskader In het (af)wegingskader zijn zowel objectieve als beleidsmatige criteria opgenomen. De objectieve criteria zijn gericht op het bepalen of een gebouw op het UVP kan worden geplaatst. Dit is dus stap 1. Als een gebouw op het UVP geplaatst kan worden, gebruiken we beleidsmatige criteria om de inhoud en prioriteit van het project vorm te geven. De beleidsmatige criteria zien vooral toe op de planning voor de gehele looptijd van het IHP onderwijs en de aan te vragen voorziening (nieuwbouw, renovatie, uitbreiding). Het uitvoeringsprogramma is opgesteld op basis van gesprekken met de schoolbesturen, gemeentelijk beleid, landelijke ontwikkelingen en wijkgerichte gesprekken.

Voor stap 1 om te bepalen of een gebouw op het uitvoeringsprogramma kan komen, richten we ons eerst op de objectieve criteria: uitloop MPOHV, bouwjaar, capaciteit versus behoefte en gebiedsontwikkelingen. Objectieve criteria De objectieve criteria zijn eisen die meetbaar en controleerbaar zijn en geven inzicht in de staat van het schoolgebouw, de behoefte, reeds vaststaande ontwikkelingen en nog te realiseren doelen. De gegevens worden niet beschouwd c.q. verwerkt in een bepaalde rangorde, maar zijn objectieve gegevens en vormen daarmee het vertrekpunt van het uitvoeringsprogramma. Op basis van de volgende objectieve criteria is bepaald of een schoolgebouw in aanmerking komt voor het uitvoeringsprogramma: • Meerjarenperspectief onderwijshuisvesting (MPOHV) uitloop: voor een aantal projecten die voorzien zijn in het huidige MPOHV geldt een uitloop naar 2026 en verder. Deze programmering staat vast en is daarom overgenomen in het uitvoeringsprogramma. • Bouwjaar: schoolgebouwen ouder dan 40 jaar. • Capaciteit versus behoefte: de huidige capaciteit van het gebouw (m2 bruto vloeroppervlakte (BVO)) en toekomstige behoefte (o.b.v. leerlingenprognose) moeten op elkaar aansluiten, zowel bij onder- als overcapaciteit. Wij kijken daarbij zowel op stedelijk- als op wijkniveau naar de (toekomstige) behoefte versus de huidige capaciteit van de schoolgebouwen.

• Gebiedsontwikkeling: dit betreft nieuwbouwontwikkelingen van woningen. Soms in nieuwe gebieden buiten de stad (uitbreiding) of herontwikkeling van gebieden binnen de stad (inbreiding). Bij omvangrijke nieuwbouw horen ook nieuwe maatschappelijke voorzieningen, waaronder schoolgebouwen. Als een gebouw aan deze criteria voldoet kan het op het UVP geplaatst worden. Of het daadwerkelijk geplaatst wordt is afhankelijk van de beleidsmatige criteria.

Bij stap 2 om te komen tot het uitvoeringsprogramma zien we toe op beleidsmatige criteria zoals de sociale opgave voor de buurt, ongelijk Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 37

investeren voor gelijke kansen, Utrecht Standaard Toegankelijk, energietransitie, warmtevisie en netcongestie. Beleidsmatige criteria De beleidsmatige criteria hebben een directe relatie met te realiseren maatschappelijke beleidsambities. Deze zijn opgesteld omdat er een direct raakvlak is met onderwijshuisvesting en dit de grondslag is om op het uitvoeringsprogramma te komen. De criteria zijn: • Multifunctioneel gebruik: een schoolgebouw kan worden aangepast op basis van de sociale opgaven en verschilmakers en de behoefte in de buurt, hetgeen maatwerk is. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een extra ontmoetingsruimte of het delen van ruimten (gebruik overdag en avond) Dit kan op initiatief van de school zijn, vanuit de gemeente of op basis van de vraag van een derde (bijvoorbeeld cultuurmakers). • Ongelijk Investeren voor Gelijke Kansen: dit criterium gaat over de locatie in de stad en aansluitend over het al dan niet aan moeten passen van schoolgebouwen om kansengelijkheid te bevorderen. Dit betreft scholen in een buurt of wijk die laag scoort op Sociaal Economische Status of de Leefbarometer (onderdeel van de scheidslijnenrapportage). Bij het programmeren / plannen van de renovatie van een gebouw kan rekening worden gehouden met de plek waar het gebouw in zo’n buurt staat.

• Utrecht Standaard Toegankelijk: deze werkwijze is gericht op het toegankelijk maken van maatschappelijk vastgoed. Met name de programmering van gymzalen is gecombineerd met de mogelijkheden om de toegankelijkheid te verbeteren. In zulke gevallen proberen we zoveel mogelijk werk met werk te maken. • Energietransitie en CO2-impact: het treffen van maatregelen om de CO2-impact af te laten nemen. In 2050 moeten schoolgebouwen een afname van CO2 gebruik hebben gerealiseerd van 95%. Dit is maatwerk per gebouw. • Warmtevisie: in de warmtevisie wordt per wijk aangegeven wanneer er van het gas af gegaan zou kunnen worden. Met investeringen aan schoolgebouwen sluiten we aan op de meerjarige wijkprogrammering warmtevisie, omdat er anders sprake kan zijn van desinvesteringen. • Netcongestie: Netcongestie vormt een steeds groter risico, en dat wordt ook benadrukt in de raadsbrief over dit onderwerp. Het huidige energiesysteem staat onder druk vanwege de groeiende vraag naar elektriciteit en de beperkingen in de capaciteit van het elektriciteitsnet. Dit heeft grote implicaties voor zowel renovatieprojecten als nieuwbouw. In deel C, hoofdstuk 2 wordt dit risico verder toegelicht. Bij renovatie is het uitgangspunt dat gebouwen aardgasvrijready moeten worden opgeleverd13. Deze gebouwen kunnen nu nog niet direct van het gas af. Voor nieuwbouw worden de oplossingen per pand verkend.

Bij stap 1 geldt dat de objectieve criteria geen rangorde ten opzichte van elkaar hebben. In overleg met de schoolbesturen is getoetst welke schoolgebouwen op het UVP moeten komen op basis van één of meerdere van deze criteria. Bij de beleidsmatige criteria lag de focus op de programmering: wanneer komt welk project aan bod. Daarbij is eerst gekeken welke projecten konden bijdragen aan ‘ongelijk investeren voor gelijke kansen’. Deze zijn zoveel als mogelijk in fase 1 en 2 geprogrammeerd. Ook de projecten met de hoogste CO2-uitstoot zijn zo vroeg als mogelijk geprogrammeerd. Vervolgens zijn de projecten aan de andere criteria getoetst. In overleg met de schoolbesturen is de programmering tot stand gekomen, waarbij de gemeente de finale keuze heeft gemaakt.

13 Voor renovatieprojecten is reeds door het college besloten te kiezen voor aardgasvrijready in plaats van volledig aardgasvrij.

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 38

De programmering De grootste uitdaging op het gebied van onderwijshuisvesting is om de groei van de stad te faciliteren met de juiste hoeveelheid onderwijsvoorzieningen. Vanuit het huidige Meerjarenperspectief Onderwijshuisvesting (MPOHV) zijn er reeds veel nieuwe projecten gestart om de groei op te vangen. In de meest recente leerlingenprognoses is duidelijk geworden dat de groei minder snel gaat dan verwacht en dat de verwachte groei voor de komende jaren deels opgevangen kan worden door het inzetten van bestaande leegstand. De herschikkingsgesprekken met de schoolbesturen geven belangrijke input om te komen tot de juiste spreiding en bezetting van het bestaande Utrechtse scholenaanbod. Investeren in bestaande en nieuwe onderwijshuisvesting is nodig om aan toekomstige behoefte en beleidsambities te voldoen. De opgenomen projecten op het uitvoeringsprogramma vormen een noodzakelijk en kritisch onderbouwd geheel. Met deze projecten komen we namelijk tegemoet aan de beschreven uitdagingen. Daarbij is sprake van een basisniveau, dat minimaal noodzakelijk is om deels invulling te kunnen geven aan de ambities van de stad Utrecht. We doen immers wat nodig is (fors aantal projecten), maar het overstijgt het doelmatige niveau niet (hanteren Besluit Bouwwerken Leegomgeving).

Het UVP geeft de planning voor de komende 16 jaar weer voor wat betreft de aan te vragen voorziening (nieuwbouw, renovatie, uitbreiding), het schoolgebouw en het jaartal waarin wordt gestart met het project. Dit is in vier fases ingedeeld: • fase 1: 2026-2029 --> 49 projecten waarvan 24 uit het MPOHV • fase 2: 2030-2033 --> 16 projecten • fase 3: 2034-2037 --> 22 projecten • fase 4: 2038-2041 --> 12 projecten Er zijn 99 projecten opgenomen op het Uitvoeringsprogramma gedurende de volledige looptijd. Het gaat om schoolgebouwen voor primair en voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs, wissellocaties voor tijdelijke huisvesting van scholen (THV), gymzalen en multifunctionele accommodaties (MFA’s).

Er zijn 99 projecten opgenomen op het Uitvoeringsprogramma gedurende de volledige looptijd van 2026 tot en met 2041. Er staat een groot aantal projecten op de planning, waarbij we de uitvoering ervan over de volledige looptijd van het IHP hebben kunnen spreiden. De verdeling in jaarschijven is bewust afgestemd op de capaciteit van de gemeentelijke projectleiders en de schoolbesturen. Toch blijft er een risico dat de beschikbare capaciteit niet altijd toereikend is, mede door de voortdurende dynamiek in de markt. Dit risico wordt verder toegelicht in deel C, hoofdstuk 2. Onderwijs

Aantal

Primair onderwijs (PO)

54

Speciaal onderwijs (SO)

1

Speciaal basisonderwijs (SBO)

2

Voortgezet onderwijs (VO)

10

Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO)

1

Gymzaal

17

Tijdelijke huisvestingslocatie (THV)

10 Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 39

Multifunctionele Accommodatie (MFA)

4

De projecten zijn als volgt verspreid over de stad: Wijk Aantal Binnenstad

7

Leidsche Rijn

3

Noordoost

7

Noordwest

12

Oost

11

Overvecht

14

Vleuten- De Meern

14

West

8

Zuid

9

Zuidwest

14

Een aantal kenmerken lichten we toe: • Er zijn 24 projecten ‘meegenomen’ uit het MPOHV 2016-2025, waarvan de uitvoering doorloopt in de periode van het IHP onderwijs. De grootste oorzaak hiervan is vertraging in de uitvoering. • Er zijn acht monumentale schoolgebouwen opgenomen in het uitvoeringsprogramma. • In het huidige MPOHV waren relatief weinig gymzalen opgenomen omdat deze in het MPOHV veelal nog geen 40 jaar oud waren, daar maken we nu een inhaalslag in. • Voor de MFA’s geldt dat deze in gemeentelijke eigendom zijn. Na ongeveer 20 jaar moeten de installaties worden vervangen. We nemen de investering van deze installaties op in het uitvoeringsprogramma van dit IHP. De dekking hiervoor komt voort uit de onderhoudsvergoeding (MI) die de scholen verstrekken aan de gemeente. • Voor de tijdelijke huisvestingslocaties is gekeken naar de volledige looptijd van het IHP onderwijs. De opgenomen projecten in dit IHP onderwijs zijn daarmee allemaal nodig voor tenminste de looptijd van dit IHP onderwijs en behoeven allen aanpassingen en/of grootschalige renovatie. • Er zijn twaalf schoolgebouwen opgenomen onder de noemer herschikkingsopgave, waarvan het aantal leerlingen van de schoollocatie onder de opheffingsnorm zit. Deze zijn onderwerp van gesprek bij de herschikkingsopgave, waarbij vanuit een stadsbrede blik wordt gekeken naar spreiding en bezetting van schoolgebouwen.

Deze staan op het UVP, zodat we middelen beschikbaar hebben als scholen gaan samenwonen/ samenwerken of fuseren. En dit draagt bij aan het efficiënt gebruik van de schoolgebouwen. Invulling aan integrale beleidsdoelstellingen We geven als volgt invulling aan Ongelijk investeren voor gelijke kansen en het Verduurzamen van de gebouwen. Ongelijk investeren voor gelijke kansen Onderdeel van het kritisch programmeren is dat we ook gekeken hebben naar Ongelijk investeren voor Gelijke Kansen. Van het aantal projecten die zijn gesitueerd in een kwetsbare buurt, wordt een ruime meerderheid van deze projecten opgepakt in fase 1 en fase 2. Een groot deel van deze projecten is dus naar voren gehaald.

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 40

Vermindering CO2-uitstoot We geven invulling aan de Europese opgave om minder CO2-uitstoot te realiseren, door de meeste schoolgebouwen die een hoge CO2-uitstoot hebben op te pakken in fase 1 en fase 2. De realisatie van het uitvoeringsprogramma Tijdens de uitvoering van het programma blijven wij op wijk- en stadsniveau bezien hoe de leerlingenstromen zich ontwikkelen. Dit maakt het mogelijk om flexibel om te gaan met de programmering. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer er sprake is van een toegenomen leegstand bij de ene school binnen een wijk, wordt onderzocht of (ver)nieuwbouw van een andere school in diezelfde wijk nog steeds de beste oplossing is of dat het aanwenden van leegstand een betere oplossing is. Hiermee geven wij tevens invulling aan de Motie Meer samenwerking, minder concurrentie. Gedurende de realisatie van het uitvoeringsprogramma zullen (onvoorziene) ontwikkelingen plaatsvinden en zal beleid verder uitgewerkt worden. Ieder jaar zal daarom het uitvoeringsprogramma geüpdatet worden in de reguliere p&c-cyclus, conform huidige werkwijze. Elke vier jaar dient het IHP onderwijs te worden geactualiseerd en zullen relevante beleidsmatige ontwikkelingen worden opgenomen. Het is belangrijk om te realiseren dat deze flexibele benadering ook inhoudt dat tussentijdse wijzigingen in de uitvoering noodzakelijk kunnen zijn.

Hierbij kan gedacht worden aan aanpassingen in de leerlingenprognoses, budgetten en inzet van dekkingsbronnen. Dit wordt in hoofdstuk 4, voortgang en verantwoording, verder toegelicht. De beschreven criteria in de voorgaande alinea’s worden in ogenschouw genomen als de programmering moet worden aangepast. Het zal altijd maatwerk betreffen, maar de opgaven ’ongelijk investeren voor gelijke kansen’ en verminderen CO2-uitstoot zijn prioriteiten die altijd meegewogen zullen worden bij de herschikkingsopgaven. In hoofdstuk C.4. wordt hier nader op ingegaan. Werkzaamheden tijdens uitvoeringsperiode De komende jaren zal de realisatie van het uitvoeringsprogramma worden opgepakt. Met deze beleidsnota geven we vorm en richting aan de beleidsmatige opgaven voor onderwijshuisvesting. Maar dat wil niet zeggen dat we hiermee ‘klaar zijn’. Onderwijshuisvesting is een dynamische opgave: het onderwijslandschap ontwikkelt zich namelijk altijd; het staat nooit stil. Een aantal zaken vergen hierin de komende jaren nog nadere uitwerking.

Onderwerp De gymzalen en tijdelijke huisvestingslocaties zijn bijna allemaal eigendom van de gemeente Utrecht. We gaan daarom verkennen op welke wijze deze projecten zo efficiënt en effectief mogelijk aanbesteed kunnen worden. Het beleid op inclusiever onderwijs, klimaatadaptieve en circulaire schoolgebouwen moet verder worden ontwikkeld in samenwerking met de betreffende beleidsvelden. Om vervolgens vertaald te worden naar concretere inzichten en kansen voor onderwijshuisvesting. Op dit moment is er nog geen volledig inzicht in de feitelijke leegstand in de schoolgebouwen, ongeacht de eigendomspositie. Voor het goed kunnen meten van de voortgang in het verminderen van de leegstand starten we een onderzoek naar de werkelijke leegstand in schoolgebouwen. Dit vertalen we dan in een nulmeting voor de indicator in dit plan en de programmabegroting. Samen met de schoolbesturen worden de herschikkingsgesprekken / herschikkingsopgaven per wijk afgerond. Dit moeten we vervolgens verwerken in het uitvoeringsprogramma. Prioriteit ligt in ieder geval bij Overvecht, Zuidwest en Noordwest. Deze gesprekken vormen vervolgens een jaarlijks gespreksonderwerp tussen gemeente en schoolbesturen.

Wie gU

gU

SB en gU

SB en gU

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 41

Samen met de schoolbesturen, die doorgaans eigenaar van de schoolgebouwen zijn, willen we ook verkennen op welke onderdelen van de aan te besteden projecten samengewerkt zou kunnen worden. Standaardiseren van een aantal werkzaamheden hierin behoren tot de mogelijkheden. De landelijke ontwikkelingen hieromtrent worden hierin ook meegenomen.

SB en gU

Samen met de schoolbesturen wordt invulling gegeven aan multifunctioneel gebruik van schoolgebouwen (zie bijlage 4 van de beleidsnota). Dit vergt nog de nodige verkenning en concretisering, met name op het gebied van rol- en taakverantwoordelijkheden en beheer SB en gU & exploitatie. De aansluiting met de behoefte van de buurt moet hierin vervolgens worden meegenomen. Er wordt een standaard checklist opgesteld voor het integraal kunnen afwegen van beleidsmatige doelen. Hiermee wordt beoogd dat voor alle op te pakken projecten wordt bepaald in hoeverre een project kan bijdragen aan o.a. een buurtschool, inclusiever onderwijs en multifunctioneel gebruik. We ontwikkelen meetmethoden om de indicatoren te kunnen gaan meten. Daarmee gaan we aan de slag om relevante nulmetingen op te stellen als input voor de indicatoren. Samen met InvestNL, Ruimte-Ok en schoolbesturen geven we invulling aan de landelijke ontwikkelingen met betrekking tot programmatisch werken en standaardiseren van processen in nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen. De verordening onderwijshuisvesting moet worden aangepast uiterlijk Q4 2025, o.a. op basis van de beleidsnota IHP.

gU en SB

gU

SB en gU SB en gU

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 42

C. Monitoren, sturen en verantwoorden 1. Indicatoren

doelstelling

effect-indicator

0-meting

vervolgmeting 1

vervolgmeting 2

Begroting ja/nee

Aantal schoollocaties dat minder dan 191 leerlingen heeft*

er staan 12 schoollocaties met minder dan Bron: Een toereikende administratie 191 leerlingen capaciteit aan op het VGUschoolgebouwe uitvoeringsprogr uitvoeringsprogr amma n en gymzalen amma

2030 – 2 van de 12 kleine scholen zijn herschikt

2041 – tenminste 10 van de 12 kleine scholen zijn herschikt. nee

*dit doen we aan de hand van herschikken. Met herschikken bedoelen we dat we opnieuw kijken naar de verdeling van de leerlingen over de verschillende scholen in de wijk en buurt. We kijken integraal naar de verschillende scholen in de tien wijken in Utrecht, deze wijkportretten (bijlage 4.03) vormen de basis. We kijken naar de verhouding tussen de totale vraag naar huisvesting scholen en het aanbod in de wijk/ buurt. Is er bij de ene school een tekort aan ruimte en tegelijkertijd leegstand in de andere school, dan gaan we in gesprek over ten eerste een samenwerking tussen de scholen. Dit doen we op buurt niveau. Daarbij houden we rekening met het onderwijsconcept dat wordt aangeboden. Het gaat er daarbij tevens om dat we daarmee minder kleine schoollocaties en meer robuuste schoollocaties realiseren. Robuuste schoollocaties zorgen voor een efficiëntere organisatie, draagt bij aan een oplossing voor het lerarentekort. We gaan uit van 10 van de 12 schoollocaties omdat we er rekening mee houden dat er ook redenen zullen zijn dat een school niet kan worden herschikt en toch gerenoveerd/ vervangen moet worden.

Een toereikende capaciteit aan schoolgebouwe n en gymzalen

Leegstand in schoolgebouwe n** Bron: Onderwijsloket

Niet van toepassing

Nader te bepalen

Nader te bepalen

nee

** Eén van de onderdelen om schoolgebouwen efficiënt te gebruiken is dat er zo min mogelijk leegstand moet zijn. Jaarlijks stellen we de leerlingenprognoses op en daarin wordt beschreven of er in wijken een normatief tekort of een overschot aan ruimte is. Middels maximeren van schoolgrootte dragen we hier ook aan bij. Echter wordt er door scholen vaak samengewerkt met BSO en VE. Dit betekent vaak dat er ruimtes in de schoolgebouwen ingezet worden voor kinderen buiten de reguliere schooltijden. Soms is hier sprake van dubbel gebruik van ruimtes, maar soms ook niet. Dit maakt het lastig om de leegstand goed inzichtelijk te Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 43

maken. Daar hoort ook bij dat we een definitie van wat we onder leegstand verstaan, opstellen. Het jaar 2025 willen we daarom gebruiken om een nulmeting op te stellen. Op basis van die nulmeting kunnen we onze streefcijfers beschrijven. We komen hier op terug via een kwartaalbrief onderwijs.

Kwalitatief goede schoolgebouwe n en gymzalen

Voortgang uitvoeringsprogr amma onderwijs – gerealiseerde projecten Bron: Programmabegr In 2026 zijn dit 0 projecten oting

In 2030 zijn 35 van de 99 projecten opgeleverd.

2041 – 88% (87 van de 99 projecten) ja

*** De realisatie van de projecten zoals beschreven in bijlage 4.02 van deze beleidsnota start in het jaar 2026. Voor de komende 16 jaar staan er 99 projecten geprogrammeerd. De streefcijfers betreffen de projecten die gerealiseerd zijn genomen. We beschrijven de streefcijfers per fase, dus per 4 jaar. In 2041 zullen we niet 100% halen, omdat in dat jaar ook projecten in de voorbereidingsfase zijn opgenomen. Opgeleverde projecten die voldoen aan Kwalitatief Utrecht goede Standaard schoolgebouwe Toegankelijk. n en gymzalen 100% 100% nee Bron: Bij elke actualisatie beschrijven we in hoeverre we hier invulling aan hebben kunnen geven. We nemen het nu op in de projectbrieven en gaan er van uit dat alle opgeleverde projecten voldoen aan UST. Op het opleverformulier wordt beschreven welke keuzes zijn gemaakt in de uitvoering en er wordt gemotiveerd als er niet volledig aan UST is voldaan.

Kwalitatief goede schoolgebouwe n en gymzalen

Aantal opgeleverde projecten is een energie neutraal gebouw (ENG) Bron: programma’s en In 2026 zijn dit 0 projecten projecten

In 2030 zijn 14 nieuwbouw (100%) en 5 renovatie (25% van 21) projecten ENG opgeleverd.

In 2041 zijn 19 nieuwbouw en 20 renovatie projecten ENG opgeleverd. Totaal 39%.

ja

**** De realisatie van de projecten zoals beschreven in bijlage 4.02 start in het jaar 2026. We verwachten dat 100% van alle projecten ENG bij nieuwbouw en 25% van de renovatieprojecten wordt opgeleverd. Dit betekent dat het streven is om in 2041 19 nieuwbouw en 20 renovatieprojecten te hebben opgeleverd die energie neutraal zijn.

Kwalitatief goede schoolgebouwe n en gymzalen

Vermindering CO2 uitstoot in exploitatie Bron: nader te bepalen

Niet van toepassing*****

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 44

***** Op dit moment hebben we nog niet van alle scholen die onderdeel zijn van het IHP onderwijs de benodigde gegevens over de CO2 uitstoot ontvangen. Het is nodig om hiervoor een meetinstrument te ontwikkelen. Dit willen we opzetten tijdens fase 1. We werken daarin uit of we dit voor zowel bestaande gebouwen als (ver) bouwprojecten doen, of dat we dat alleen voor de laatste (ver)bouwprojecten doen.

In paragraaf 3 van deel B zijn de doelstellingen beschreven. Daarbij is aangegeven hoe we daar invulling aan geven en bij welke ambitie of welk uitgangspunt we bijdragen. Niet al deze uitgangspunten komen terug in de indicatoren. De indicatoren zoals nu beschreven hebben betrekking op de onderwerpen waar wij als ‘onderwijshuisvesting’ verantwoordelijk voor zijn. Voor de overige uitgangspunten geldt dat we deze evalueren nadat de eerste fase van het IHP onderwijs voorbij is. Dit doen we op deze manier omdat we bij deze uitgangspunten enkel bijdragen, maar we hebben daar geen sturing op en/of verantwoordelijkheid over. We gaan hierop in, in de voortgangsrapportage zoals beschreven in deel C, methodiek.

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 45

2. Risico’s Bij het realiseren en programmeren van Onderwijshuisvesting kunnen verschillende risico’s optreden. In deze paragraaf gaat het om risico's op het niveau van deze beleidsnota en het uitvoeringsprogramma, niet specifiek op projectniveau. Beperkingen op het elektriciteitsnetwerk, oftewel netcongestie, kunnen vertragingen en extra kosten veroorzaken bij de bouw en renovatie van scholen. Onnauwkeurige voorspellingen van leerlingenaantallen kunnen leiden tot capaciteitsproblemen, terwijl stijgende bouwkosten het risico van budgetoverschrijdingen en vertragingen met zich meebrengen. Daarnaast kunnen tekorten aan personeel en materialen de voortgang van projecten belemmeren. Politieke veranderingen kunnen zorgen voor onzekerheid over lopende projecten en beleidsbeslissingen. Bovendien kunnen bezuinigingen leiden tot beperkte financiële middelen, wat de kwaliteit en voortgang van Onderwijshuisvesting kan ondermijnen. Deze risicoanalyse biedt inzicht in deze en andere mogelijke risico’s, evenals de maatregelen die genomen kunnen worden om deze te beheersen. Door deze risico's proactief te adresseren, kunnen we de planning en uitvoering van deze beleidsnota optimaliseren en de continuïteit en effectiviteit van onze Onderwijshuisvesting waarborgen. In de volgende tabel worden de risico's beschreven, samen met de bijbehorende toelichtingen en voorgestelde maatregelen.

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 46

Risico-omschrijving

Toelichting

Maatregelen

Door netcongestie zijn aansluitingen op het elektriciteitsnet niet beschikbaar.

Nieuwbouw- en renovatieprojecten kunnen steeds vaker geen doorgang vinden of niet voldoende verduurzaamd worden. Hierdoor komen projecten stil te liggen en zijn verduurzamingsambities lastiger te realiseren.

Bij renovatie kunnen we het gebouw gasloos-ready maken. Daarnaast houden we in het uitvoeringsprogramma rekening met de planning. Niet alle gebouwen zijn even gevoelig voor netcongestieproblematiek, zoals bijvoorbeeld een aantal gymzalen. Ook worden mogelijkheden tot flexcontracten verkend.

We worden geconfronteerd met bezuinigingen van zowel het rijk als de gemeente, terwijl de bouwkosten blijven stijgen.

Door de bezuinigingen moeten we lastige keuzes maken in het realiseren van ambities. Dit kan de kwaliteit van onderwijsvoorzieningen en de voortgang van bouwprojecten in gevaar brengen.

Steeds vaker worden we geconfronteerd met striktere eisen vanuit de RSU op het gebied van Volksgezondheid en Stedenbouwkundig eisen die per gebied verschillen.

De stedenbouwkundige eisen staan op gespannen voet met een vastgesteld normbedrag voor de realisatie van Onderwijshuisvesting. Dit kan de tijdige beschikbaarheid van onderwijshuisvesting in gevaar brengen en tevens zorgen voor overschrijdingen op projecten.

We passen het ambitieniveau aan en waarborgen de basiskwaliteit. Ondanks de aanpassingen blijven we streven naar extra inspanningen waar mogelijk. Zoals omschreven in deze beleidsnota zijn er echter ambities die we op dit moment niet (volledig) kunnen uitvoeren, zoals inclusief onderwijs en flexibele huisvesting. Door de herijking van de normvergoeding verkleinen we de kans op budgetoverschrijdingen en zorgen we ervoor dat projecten doorgang kunnen vinden. Daarnaast onderzoeken we mogelijkheden om efficiënter te bouwen, zoals het overwegen van gezamenlijke aanbestedingen. Betrek stedenbouwkundige experts bij het begin van het project om de haalbaarheid en naleving van eisen te waarborgen. Overleg met stedenbouwkundige over flexibiliteit in regelgeving om projectefficiëntie te verbeteren.

Veranderende ruimtebehoefte van scholen door de volgende redenen:

Wisselende leerlingenprognoses zorgen voor fluctuaties in de ruimtebehoefte van gebiedsontwikkelingen. Dit

Veranderingen in woningbouw en

In lijn met de Verordening herzien we de prognoses minimaal elke twee jaar. We zorgen voor regelmatige monitoring en passen de

Beleidsnota Onderwijshuisvesting 2026-2041 - 47

woningtypologie veroorzaken steeds wisselende leerlingenprognoses voor gebiedsontwikkelingen. Door de wet 'Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen' kunnen er nieuwe scholen toetreden.

kan resulteren in zowel leegstand als ruimtetekort in onderwijsvoorzieningen. Daarnaast bestaat het risico dat scholen eerder worden opgeleverd dan de woningen, waardoor er mogelijk geen leerlingen beschikbaar zijn wanneer de school klaar is.

capaciteitsplanning voor onderwijshuisvesting hierop aan. Zo zorgen we voor een nauwkeurige afstemming van de behoeften en beschikbare middelen. Daarnaast kunnen de leerlingenprognoses verrijkt worden met nieuwe data zoals uit het aanmeldbeleid.

Door schommelingen in de vraag naar onderwijs ontstaat er een concentratie van leerlingen op populaire scholen.

Nieuwe scholen die we op voorhand niet hebben kunnen programmeren kan de druk op bestaande voorzieningen verder vergroten.

We zijn in gesprek met schoolbesturen om scholen te herschikken, met als doel de onderwijsvoorzieningen efficiënt te gebruiken (minimale schoolgrootte en maximeren van het leerlingenaantal in relatie tot de grootte van het schoolgebouw).

Wanneer een school snel groeit, leidt dit vaak tot een afname in het leerlingenaantal van andere scholen. Dit resulteert in een onevenwichtige verdeling van capaciteit, waarbij sommige scholen te weinig ruimte hebben, terwijl andere te maken krijgen met leegstand. Gebrek aan capaciteit in brede zin. Tekorten aan (gemeentelijk en schoolbestuurlijk) personeel, aannemers en materialen.

Door een tekort aan personeel, aannemers en materialen kunnen projecten mogelijk niet tijdig afgerond worden, wat onvoldoende onderwijshuisvesting tot gevolg kan hebben. Daarnaast kan het ook leiden tot prijsstijgingen, wat projectoverschrijdingen tot gevolg heeft.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=41a94794-4d4c-4354-9dcb-117b04305660