Agendabundel
Tekst van het document
Op grond van artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voor de voorbereiding van een (facet)bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Op grond van artikel 3:11 Awb heeft dit bestemmingsplan ter inzage gelegen van vrijdag 23 september 2022 tot en met donderdag 3 november 2022 (artikel 3:16 Awb). Tijdens deze periode kon iedereen een zienswijze indienen. Er zijn in deze periode geen zienswijzen ingediend. Nadat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan bekend is gemaakt, staat hiertegen zes weken lang beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (artikel 8.2 lid 2 sub a van de Wro). Op grond van het Besluit milieueffectrapportage (bijlage D, categorie D8.1) is een vormvrije (project)m.e.r.-beoordeling verplicht. Er is hier sprake van vormvrije m.e.r.-beoordeling, omdat de drempelwaarden van deze categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage niet worden overschreden. Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag voor dit m.e.r.beoordelingsbesluit. Het college heeft dit besluit genomen op 13 september 2022. Beoogd effect Het bedrijf in de gemeente Utrecht zal geen gebruik meer maken van laagcalorisch gas wanneer het is aangesloten op het hoogcalorisch gasnet. Bomen (motie 22/74) Binnen en het plangebied in de gemeente Utrecht staan geen bomen.
Zowel binnen als buiten het plangebied in de gemeente Utrecht worden geen bomen gekapt ten behoeve van onderhavige ontwikkeling. Eerdere besluitvorming en informatievoorziening aan de raad
2
Beslispunten, Argumenten en Kanttekeningen/Risico’s Beslispunt 1
Akkoord te gaan met het vaststellingsrapport met daarin het voorstel om de twee volgende ambtshalve wijzigingen in het Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop de Meern Zuid te verwerken: a. Aangepaste ligging nieuwe dubbelbestemming leiding – gas nabij meet- en regelstation Reijerscop; b. Er is een uitbreiding op de bomenparagraaf.
Argumenten 1.1
Er zijn geen zienswijzen ingediend en er zijn twee noodzakelijke ambtshalve wijzigingen aangebracht die een fout in de verbeelding rechtzet en zorgt dat het facetbestemmingsplan in lijn is met de motie bomen (22/74). - Er zijn geen zienswijzen ingediend. - Er is op verzoek van de Gasunie een ambtshalve wijziging doorgevoerd betreffende de dubbelbestemming leiding – gas in de verbeelding. De nieuwe dubbelbestemming komt nabij het meet- en regelstation iets anders te liggen dan aangegeven in de verbeelding die ter inzage heeft gelegen. Dit heeft verder geen gevolgen voor het bestemmingsplan en bijbehorende onderzoeken. - Er is een uitbreiding op de bomenparagraaf. Deze uitbreiding volgt uit de motie bomen (22/74) die toeziet op een accurate informatie over bomenkap binnen de gemeente Utrecht.
Kanttekeningen/Risico's 1.1
Een nieuwe versie van de Aerius berekening is uitgesteld. Waarschijnlijk wordt de nieuwe berekening eind januari 2023 vrijgegeven. Totdat de nieuwe berekening beschikbaar komt, is de gebruikte versie van Aerius berekening de wettelijk voorgeschreven versie. Ondanks de onzekerheid rondom het beschikbaar komen van de nieuwe berekening is ervoor gekozen om het bestemmingsplan Gasleiding Reijercop de Meern Zuid wel al aan te bieden. De jaarlijkse actualisatie van de Aerius berekening is uitgesteld naar eind januari 2023. Omdat het niet zeker is dat de berekening dan ook echt beschikbaar komt, is ervoor gekozen het bestemmingsplan wel al voor te leggen met de huidige (de nu wettelijk voorgeschreven) berekening. Wanneer de berekening beschikbaar komt zal gekeken moeten worden of de conclusies van het stikstofonderzoek veranderen door de nieuwe berekening. De verwachting is dat de getrokken conclusies in stand blijven. Mocht dit niet zo zijn, zal er een nieuwe Aerius berekening moeten worden gemaakt en zal deze ter vervanging worden aangeleverd. Wanneer de berekening pas na behandeling in de raad beschikbaar komt, is een nieuwe berekening niet nodig. De nieuwe berekening van de stikstofdepositie is niet van invloed op andere aspecten van het bestemmingsplan Gasleiding Reijerscop de Meern Zuid.
Beslispunt 2
Het Facetbestemmingsplan Gasleiding Reijerscop de Meern Zuid, dat is vastgelegd in het digitale bestand NL.IMRO.0344.BPFACGASREIJERSDMZ-VA01 vast te stellen, op basis
3
waarvan de aanleg van een ondergrondse gasleiding voor hoogcalorisch gas mogelijk wordt gemaakt. Argumenten 2.1
Hiermee wordt bijgedragen aan het stopzetten van de gaswinning in Groningen. Door het bedrijf aan te sluiten op het buitenlandse (hoogcalorisch) gasnet, kan de (laagcalorische) gaswinning in Groningen verminderd en uiteindelijk stopgezet worden.
Kanttekeningen/Risico's 2.1
De gemeente Utrecht heeft geen invloed op de samenstelling van het buitenlands gas. De gemeente Utrecht heeft geen invloed op de samenstelling van het buitenlands gas. Op de internationale gasmarkt wordt Russisch gas wel zo veel mogelijk geweerd.
Financiën De Gasunie Transport Services betaalt de legeskosten voor het maken van het bestemmingsplan. Eventuele planschade is via een planschadeovereenkomst afgewenteld op de Gasunie.
Vervolg Na vaststelling wordt het vaststellingsbesluit gepubliceerd in het digitale gemeenteblad via officielebekendmakingen.nl en op het internet op de websites utrecht.nl/bestemmingsplan en ruimtelijkeplannen.nl. Het bestemmingsplan wordt samen met het vaststellingsrapport zes weken ter inzage gelegd. Men kan beroep instellen tegen het vaststellingsbesluitbij de Raad van State.
Participatie Er heeft geen participatie plaatsgevonden over dit voorstel. Wel heeft het ontwerpbestemmingsplan zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Communicatie Zie hierboven onder het kopje ‘Vervolg’ op welke wijze er wordt gecommuniceerd over het besluit.
Niet-Referendabel De verordening raadgevend referendum is niet van toepassing. Het betreft een raadsvoorstel inzake de vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan (artikel 3 lid 2 onder f Verordening raadgevend referendum gemeente Utrecht).
Bijlagen Bijlagen besluitvorming - Vaststellingsrapport - Digitaal bestemmingsplan via link naar RO publiceer Bijlagen informatief - Bestemmingsplan in PDF (bestaande uit regels, toelichting en verbeelding)
4
1 Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid_Toelichting.pdf
Bestemmingsplan
Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid Vastgesteld, datum volgt na vaststelling
Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding en doelstelling
5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
7
1.3
Geldende plannen
1.4
Bestemmingsplanmethodiek
10
1.5
Leeswijzer
10
Hoofdstuk 2
8
Relevante beleidskaders
11
2.1
Rijksbeleid
2.2
Provinciaal beleid
13
2.3
Gemeentelijk
15
2.4
Conclusie
Hoofdstuk 3
11 beleid
19
Bestaande situatie, plan en uitvoeringsaspecten
21
3.1
Bestaande situatie
21
3.2
Planbeschrijving
22
3.3
Uitvoeringsaspecten
24
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
4.1
Economische
4.2
Maatschappelijke
Hoofdstuk 5
uitvoerbaarheid uitvoerbaarheid
Juridische plantoelichting
45 45 45
47
5.1
Inleiding
47
5.2
Planvorm
47
5.3
Opbouw regels
47
5.4
Artikelsgewijze
toelichting
2 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
47
Utrecht
Toelichting
bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
3
4 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doelstelling
Als gevolg van de aardbevingen in Groningen werkt de Rijksoverheid aan een zo snel mogelijke afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld. Eén van de maatregelen om dit te realiseren, is de omschakeling van de grootste afnemers van laagcalorisch gas. Dit houdt in dat een groep van negen bedrijven verplicht moet omschakelen naar hoogcalorisch gas of een duurzaam alternatief voor oktober 2022. Gasunie Transport Services (GTS) is verantwoordelijk om deze negen bedrijven aan te sluiten op het hoogcalorisch gasnet. Voor de omschakeling van één van deze bedrijven dient het tracé DN300 van Hoornaar (S-238) tot meet- & regelstation (M&R) Reijerscop (A-107) te worden aangelegd, zodat het bedrijf aangesloten kan worden op het hoogcalorisch gasnet. Het tracé loopt door de volgende zes gemeenten: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Utrecht Montfoort IJsselstein Lopik Vijfheerenlanden Molenlanden
Het nieuwe gasleidingtracé voor hoogcalorisch gas is niet in zijn geheel in overeenstemming met de huidige planologische kaders. Een herziening van de geldende bestemmingsplannen is noodzakelijk. De hoofddoelstelling van dit facetbestemmingsplan is het nieuwe tracé DN300 van Hoornaar (S-238) tot meet- & regelstation (M&R) Reijerscop (A-107) in de gemeente Utrecht planologisch-juridisch mogelijk te maken. Hierbij wordt aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'.
bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
5
Afbeelding 1.1 Tracé Hoornaar - MR Reijerscop (tracé is weergegeven met de rode lijn)
6 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
Utrecht
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied bestaat uit het nieuwe tracé van de gastransportleiding vanaf het meet- en regelstation Reijerscop tot aan de zuidelijke gemeentegrens. In afbeelding 2 is het nieuwe tracé weergegeven zoals het door de gemeente Utrecht loopt. Het plangebied ligt aan de zuidwestkant van de gemeente Utrecht, tegen de gemeente Woerden aan. Aan de zuidkant grenst het aan de gemeente Montfoort.
Afbeelding 1.2 Begrenzing (Bron: Esri & partners)
Afbeelding 1.3 De ligging van het plangebied in de gemeente Utrecht (Bron:Google Earth
bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
7
1.3
Geldende plannen
Het plangebied van dit facetbestemmingsplan heeft betrekking op de hieronder genoemde bestemmingsplannen in de gemeente Utrecht. Bestemmingsplan Vastgesteld door Raad Meet- en regelstation Reijerscop, De 26 april 2018 Meern Zuid Rijnenburg, Utrecht 5 maart 2015 Chw Algemene regels over bouwen 30 november 2017 en gebruik Tabel 1.1 Vigerende bestemmingsplannen Ter plaatse van het leidingentracé gelden Nutsvoorziening, Gemengd en Leiding - Gas.
de
In de onderstaande bestemmingsplannen.
tracé
afbeeldingen
is
het
Onherroepelijk Ja Ja Ja
enkelbestemmingen zichtbaar
Agrarisch,
gemaakt
8 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
in
de
Bedrijf
-
geldende
Utrecht
Afbeelding 1.4 Fragment uit bestemmingsplannen Meet- en regelstation Rijerscop, De Meern Zuid en Rijnenburg, Utrecht
De bovenstaande bestemmingsplannen blijven onverkort van toepassing. Dit facetbestemmingsplan is een aanvulling op de vigerende bestemmingsplannen.
bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
9
1.4
Bestemmingsplanmethodiek
De aanleg en het gebruik van de aardgasleiding wordt mogelijk gemaakt via een partiële herziening van de geldende bestemmingsplannen (hierna: basisplannen). Het gaat om een facetbestemmingsplan waarbij het basisplan en de geldende bestemmingen van toepassing blijven en waarbij uitsluitend de dubbelbestemming Leiding-Gas wordt toegevoegd aan het plan. Voor de overige bestemmingen blijven bovenstaande bestemmingsplannen onverkort van toepassing. Dit facetbestemmingsplan is een aanvulling van de geldende bestemmingsplannen.
1.5
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat de beschrijving van de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande en de toekomstige situatie. Hierin wordt ook getoetst aan de uitvoeringsaspecten. Hoofdstuk 4 gaat in op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 komt de juridische toelichting op de planregels aan bod.
1 0 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 2 Relevante beleidskaders 2.1
Rijksbeleid
2.1.1
Nationale Omgevingsvisie (2020)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. De gemeente Utrecht kan vooral aan de volgende nationale belangen een bijdrage leveren: 1.
bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 4. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 5. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 6. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 7. beperken van klimaatverandering; 8. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 9. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 10. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoet water; 11. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 12. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 13. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. De NOVI benoemt vier prioriteiten De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel bevorderen; zorgen voor sterke en gezonde steden en regio's; stimuleren van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Omgevingsinclusieve benadering Centraal in de te maken belangenafwegingen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Hierbij wordt aangesloten bij de integrale opvatting van het begrip fysieke leefomgeving uit de Omgevingswet en wordt de noodzaak van een integrale afweging benadrukt. Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is het spanningsveld tussen beschermen en ontwikkelen. Een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving houdt in, dat ontwikkeling van de leefomgeving samen gaat met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. Afwegingsprincipes Beschermen en ontwikkelen gaan niet altijd en overal samen (en zijn soms onverenigbaar), maar ze kunnen elkaar ook versterken. Om dit afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik
bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
11
2.
3.
van onze ruimte. Kenmerken & identiteit van een gebied staan centraal. De optimale balans tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Plangebied Het onderhavige bestemmingsplan ondervindt geen belemmeringen vanuit het beleid geformuleerd in de NOVI. 2.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
In de Wet ruimtelijke ordening zijn de besluitmogelijkheden van gemeenten begrensd om nationale belangen te borgen of te beschermen. Wanneer namelijk nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kan een algemene maatregel van bestuur (AMvB) regels stellen over de inhoud van een bestemmingsplan. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, oftewel de AMvB Ruimte) zijn nationale belangen beschreven die om bescherming van het Rijk vragen, zoals bijvoorbeeld de 'erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'. Voor deze belangen is het Rijk namelijk verantwoordelijk. Verder zijn in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) nadere regels opgenomen voor onder andere militaire terreinen, radarverstoringsgebieden, reserveringen voor spoor en wegen en buisleidingen. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden, zoals de gemeente Utrecht, beleidsruimte. Plangebied Het Barro vormt geen beperkingen voor de beoogde ontwikkeling. 2.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro)
Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen, is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Als de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt verstaan 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, en ook de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Plangebied De realisatie van een meet- en regelstation en het nieuwe tracé voor de buisleiding zijn geen stedelijke ontwikkeling in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. 2.1.4
Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035
Het beleid voor buisleidingen op land is verder uitgewerkt in de Structuurvisie Buisleidingen. Deze is op 12 oktober 2012 vastgesteld. Deze Structuurvisie geeft aan langs welke hoofdverbindingen in de toekomst nog nieuwe buisleidingen van nationaal belang voor gevaarlijke stoffen gelegd kunnen worden. Het Rijk wil langs deze verbindingen ruimte hiervoor vrijhouden (buisleidingenstroken). Op een visiekaart zijn de hoofdverbindingen die van nationaal belang aangegeven. Op basis van de hoofdlijnen uit de Structuurvisie kunnen provincies en gemeenten het exacte buisleidingtracé bepalen. De uitwerking ligt dus bij provincies en gemeenten. Uitgangspunt daarbij is zoveel mogelijk bundeling met bestaande buisleiding(-stroken). Plangebied De nieuwe gastransportleiding van Reijerscop naar Hoornaar is niet opgenomen in het nationale beleid voor buisleidingen. Het is een gevolg van de in juni 2020 gewijzigde Gaswet welke voorziet in de omschakeling van verschillende bedrijven van laagcalorisch naar hoogcalorisch gas om de gaswinning in Groningen terug te dringen. Het beleid uit de Structuurvisie Buileidingen vormt geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.
1 2 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
Utrecht
2.1.5
Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb)
De volgende buisleidingen vallen onder de reikwijdte van het Bevb/Revb: aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPA (16 Bar) of meer; aardolieproducten met een uitwendige diameter van 70 mm of meer en een druk van 1.600 kPA of meer (aardolie, aardgasolie, vloeibare aardolieproducten, en derivaten); brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa (16 Bar) of meer; giftige stoffen, (stoffen die zijn geclassificeerd als acuut toxisch) en; specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer (kooldioxide, zuurstof en stikstof). Het Bevb is niet van toepassing op: Leidingen op het continentaal plat of in de territoriale zee. Voor buisleidingen in de mijnbouw geldt een aparte regeling (zie artikel 3 van de Revb); Gasleidingen (<1600 kPa) die deel uitmaken van het gasdistributienet (deze vallen onder de Gaswet); Andere mogelijk planologisch relevante buisleidingen zoals elektriciteits-, afvalwater- en rioolwaterleidingen (zie verder in dit document); Leidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen die deel uitmaken van een inrichting.
Op grond van het Bevb (artikel 14, eerste lid) geeft een bestemmingsplan de ligging weer van de in het plangebied aanwezige buisleidingen alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook bedraagt ten minste vijf meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Alleen voor buisleidingen voor aardgas met een druk van 1.600 tot en met 4.000 kPa (16 tot en met 40 Bar) geldt een belemmeringenstrook van ten minste 4 meter. Naast buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn er nog andere buisleidingen die planologisch relevant worden geacht. Het gaat om leidingen met een (boven)regionale transportfunctie of leidingen die op een andere manier risico's met zich meebrengen voor mens of de leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Er is voor deze leidingen geen sprake van externe veiligheidscontouren. De leidingen vallen niet onder het Bevb. Wel krijgt een dergelijke leiding ter bescherming van de leiding en om beheer en onderhoud niet onmogelijk te maken, een dubbelbestemming ter grootte van de belemmeringenstrook of zakelijk rechtstrook (aan weerszijden van de leiding). In vrijwel alle gevallen wordt hiervoor ook 5 meter aan weerszijden van een buisleiding aangehouden, gemeten vanuit het hart van de buisleiding.
Plangebied Dit bestemmingsplan sluit aan op het Bevb, in die zin dat een belemmeringenstrook aan weerszijden van de leiding is opgenomen voor de nieuwe leiding. Op de externe veiligheidsaspecten wordt in paragraaf 3.3.4 nader ingegaan.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1
Provinciale Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening
Op 10 maart 2021 stelden Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening vast. Beiden zijn in werking getreden op 1 april 2021. De Interim Omgevingsverordening is nodig omdat de Omgevingsverordening alleen onder de Omgevingswet in werking kan treden. Met de Interim Omgevingsverordening kunnen plannen en ambities eerder vormgegeven worden. In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie er in 2050 uitziet. De Omgevingsvisie geeft richting aan de toekomstige en fysieke leefomgeving. Dit is alles op, boven en onder de grond en inclusief de sociale aspecten zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. In de Interim Omgevingsverordening staan de regels en instructieregels die daarvoor nodig zijn. Provincie Utrecht geeft bij de onderstaande 7 thema's de provinciale belangen aan die verplichtingen met zich meebrengen. Dat geeft al een doorkijk naar deze instructieregels. Om voor te sorteren op de toekomst richt de Omgevingsvisie zich op een aantal ontwikkelingen: extra woningen die gebouwd moeten worden; toename van werkgelegenheid; bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
13
toename van verkeer; energietransitie; klimaatverandering; verandering in de landbouw; versterking van natuur en recreatief groen. Provincie Utrecht vindt het daarbij belangrijk om de bestaande kwaliteiten te behouden, te versterken en in balans te laten zijn met deze ontwikkelingen. De ruimte voor ontwikkelingen is beperkt, terwijl de vraag naar ruimte groot is. Uitwerking beleid in 7 thema's De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving en voor het mogelijk maken van lokale afwegingen als een veilige en gezonde leefomgeving daarbij gebaat is. Het beleid voor de gezonde en veilige leefomgeving is beschreven in 7 thema's. 1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Stad en land gezond Dit thema gaat over milieu, gezondheid, recreatie en toerisme. Provincie Utrecht wil graag voor de woon-, werk-, en leefgebieden bereiken dat deze gezond zijn en uitnodigen tot bewegen. In en rondom steden en dorpen moeten voldoende groene gebieden zijn om te recreëren. Klimaatbestendig en waterrobuust Dit thema gaat over een duurzaam en robuust bodem- en watersysteem, een klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving en een perspectief voor bodemdalingsgebieden. Provincie Utrecht wil graag bereiken dat er bescherming is tegen overstromingen, een tekort aan zoet water of de gevolgen van extreem weer (wateroverlast en hitte). Duurzame energie Dit thema gaat over het stimuleren van energiebesparing en het opwekken van duurzame energie uit wind, zon, bodem en water. Vitale steden en dorpen Dit thema gaat over ruimte voor wonen en leven en ruimte voor werken en winkelen. Provincie Utrecht wil graag bereiken dat nieuwe woningen en bedrijven vooral komen op plekken binnen de bebouwde kom. Ook is het belangrijk dat deze plekken goed bereikbaar zijn met trein, bus, tram en fiets. Prioritaire locaties voor grootschalige integrale ontwikkeling zijn onder meer Leidsche Rijn, Utrecht Centraal Station (Beurskwartier/Lombokplein en Merwedekanaalzone), Lunetten-Koningsweg en Utrecht Science Park/Rijnsweerd.
Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar Dit thema gaat over een goed bereikbare provincie, ontwikkeling bij knooppunten en optimalisatie van netwerken, wegen, OV en fiets. Provincie Utrecht wil graag bereiken dat er nieuwe verbindingen voor openbaar vervoer en (snel)fietspaden komen tussen de woon-, werk-, en leefgebieden. Daarbij moet er beter gebruik gemaakt worden van bestaande wegen. Levend landschap, erfgoed en cultuur Dit thema gaat over aantrekkelijke landschappen en een toegankelijke cultuur en waardevol erfgoed. Provincie Utrecht wil graag bereiken dat veel mensen kunnen genieten van de landschappen, waterlinies, forten, kastelen en buitenplaatsen. Ook is belangrijk dat het cultuuraanbod (zoals festivals en musea) meegroeit met het aantal inwoners. Toekomstbestendige natuur en landbouw Dit thema gaat over een robuuste natuur met hoge biodiversiteit en een duurzame landbouw. Provincie Utrecht wil graag bereiken dat de natuur wordt beschermd en nieuwe natuurgebieden worden aangelegd die elkaar verbinden. Verder worden boeren geholpen om een omslag te maken naar kringlooplandbouw.
Alle thema's moeten in samenhang bekeken worden. Dat betekent dat niet alles overal kan. Met het uitgangspunt slim combineren en concentreren kan de groei van inwoners en bedrijven en een gezonde leefomgeving in balans blijven. Het concentreren richt zich bijvoorbeeld op het bouwen van nieuwe woningen dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Op die manier blijft er op andere plekken voldoende ruimte voor bewegen, groen, water en natuur. Uitvoering In drie regio's werkt Provincie Utrecht het beleid verder uit. De samenhang tussen de thematische ambities krijgt hier aandacht. Voor Utrecht is de regio U16 van belang. In deze uitwerking gaat het over de verstedelijkingsstrategie. De verwachting is dat er tot 2040 in de regio ongeveer 99.000 tot 125.000 extra woningen nodig zijn. Na 2040 tot 2050 is er verdere ruimte voor woningbouw onder meer over ontwikkelingen langs de A12 tussen knooppunten Lunetten en Oudenrijn en het benutten van bestaande OV-knooppunten in de regio. Plangebied Het leidingentracé is vooral gelegen in het buitengebied. De regels in de Interim Omgevingsverordening worden door het nieuwe leidingentracé niet doorkruist. Dit bestemmingsplan 1 4 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
Utrecht
ondervindt geen belemmeringen vanuit het beleid en de verordening van de provincie.
2.3
Gemeentelijk beleid
2.3.1 Coalitieakkoord 'Investeren in Utrecht: kiezen voor gelijke kansen, betaalbaar wonen en klimaat' Op 1 juni 2022 is het coalitieakkoord gepresenteerd. In het coalitieakkoord staat aan welke onderwerpen de coalitiepartijen GroenLinks, D66, PvdA, Student&Starter en ChristenUnie de komende jaren in Utrecht willen werken. In Utrecht wordt gebouwd, gewerkt en geleefd. Het gaat goed met veel inwoners. Maar er zijn ook Utrechters die moeite hebben mee te komen in de maatschappij. De coalitiepartijen willen werken aan gelijke kansen, betaalbare woningen en het klimaat: De groeiende ongelijkheid in de stad We zetten een stap extra voor Utrechters die steun in de rug nodig hebben. De aandacht gaat vooral uit naar Utrechters bij wie het niet vanzelf goed gaat. Voor de doelen en maatregelen in het coalitieakkoord geldt het principe 'ongelijk investeren voor gelijke kansen'. Sociale en ruimtelijke vraagstukken gaan hier hand in hand: een prettige en veilige leefomgeving met voldoende voorzieningen, goed onderwijs, een stage of baan en (mentale) gezondheid zijn hierbij allemaal belangrijk. De grote woningnood Met een sociaal volkshuisvestingsbeleid willen we ervoor zorgen dat mensen in onze stad kunnen blijven wonen of kunnen komen wonen. We vinden het belangrijk dat Utrecht een leefbare, betaalbare, duurzame en gezonde stad is en blijft.
Groei is geen doel op zich, het moet duurzaam in balans zijn. Dat betekent dat er ruimte moet zijn voor zowel rust als reuring. Het houdt ook in dat woningen duurzaam, betaalbaar en van goede kwaliteit zijn. En het betekent ook dat er genoeg voorzieningen in de wijken zijn. Het grote tekort aan betaalbare woningen vergroot de ongelijkheid tussen mensen. Daarom grijpen we als overheid in bij grote ongelijkheid op de woningmarkt. Ook hier is extra aandacht voor groepen die niet automatisch de ruimte krijgen, zoals mensen met lage inkomens, studenten, daklozen, starters en ouderen. De klimaatcrisis We kiezen voor stevige maatregelen om een bijdrage te leveren aan het aanpakken van de klimaatcrisis. We benutten alle mogelijkheden voor duurzame energieproductie binnen onze gemeentegrenzen en gaan met bewoners en ondernemers ambitieus aan de slag met energiebesparing. Nieuwbouw is energiezuinig en klimaatadaptief en we gaan actief aan de slag met geothermie en aquathermie. We blijven investeren in lopen, fietsen, openbaar vervoer en elektrisch rijden om de brandstofmotor uit de stad te laten verdwijnen. Daarmee lossen we als stad de klimaatcrisis niet in ons eentje op, maar doen we binnen onze mogelijkheden wel alles om een bijdrage te leveren aan de wereldwijde klimaataanpak.
We geven groen in de stad een flinke impuls en we maken de openbare ruimte zoveel mogelijk publiek toegankelijk. Rond de stad creëren we natuur en landschap van groter formaat met een combinatie van natuur, recreatie en energieproductie. Naast deze 3 grote opdrachten zien we ook veel kansen voor Utrecht. Utrecht is een (veer)krachtige stad. Kennisinstituten, bedrijven en maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met gezondheid voegen zich samen in onze stad en regio. Dit past heel goed bij het doel dat we als gemeente al jaren hebben: gezond stedelijk leven voor iedereen mogelijk maken. Samenwerking met (maatschappelijke) partners op het thema gezondheid is één van de manieren om de grote uitdagingen van onze tijd aan te pakken. Plangebied De beoogde ontwikkeling past binnen het beleid. 2.3.2
Omgevingsvisie Utrecht
In de omgevingsvisie staat wat het gemeentelijke beleid is voor de 'fysieke leefomgeving'. Dit is de omgeving waarin we wonen, werken en recreëren. De ondergrond, de lucht en het water maken deel uit van de leefomgeving, maar ook de gebouwen, bestrating en planten. De omgevingsvisie bevat drie niveaus: 1.
De koers: het beleid voor de lange termijn. Utrecht kiest voor een gezonde groei als koers voor de lange termijn. Utrecht groeit van een gemeente met 340.000 inwoners in 2016 naar ongeveer 455.000 inwoners in 2040. Daarom bouwen we de komende jaren duizenden woningen. Bij het bouwen van nieuwe woningen staan gezondheid, leefbaarheid en duurzaamheid voorop. De gemeente wil de woningen binnen het stedelijk gebied bouwen en daarbij flink investeren in de openbare ruimte en voorzieningen.
bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
15
2.
3.
Thematisch beleid: het gemeentelijke beleid over een bepaald onderwerp. Het thematisch beleid, ook wel sectoraal beleid genoemd, beziet een bepaald aspect van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld geluidhinder, verkeer of bodemkwaliteit. Deze aspecten vertegenwoordigen een belang dat door het gemeentebestuur wordt meegewogen, als het bestuur een besluit neemt over een activiteit die invloed kan hebben op de fysieke leefomgeving. Bij het bouwen van een nieuwe woonwijk, onderzoekt de gemeente of dat wel kan gezien de geluidhinder rond die woonwijk, of het verkeer wel goed afgewikkeld kan worden en of de bodemgesteldheid het bouwen van woningen toelaat. De uitkomst van dat onderzoek kan bijvoorbeeld zijn dat de gemeente het bouwen niet gaat toestaan of onder bepaalde voorwaarden. Gebiedsbeleid: beleid dat alleen in een bepaald gebied geldt. In gebiedsbeleid staat wat de gemeente in een gebied, wijk of buurt wil. De koers en het thematische beleid worden vertaald in beleid voor dat gebied, voor zover dat mogelijk is. Uit het gebiedsbeleid kan afgeleid worden welke veranderingen de gemeente wil toestaan en welke waarden in het gebied behouden moeten blijven.
De omgevingsvisie is digitaal te raadplegen via: www.utrecht.nl/bestuur-en-organisatie/beleid/omgevingsvisie/. Niet alle gemeentelijke beleidskaders hebben betrekking op het plangebied. Hieronder worden daarom alleen de relevante beleidskaders nader toegelicht. 2.3.2.1 De koers Het ruimtelijke beleid voor de langere termijn is vastgesteld in de Ruimtelijke Strategie 2040 'Utrecht dichtbij: de tien-minutenstad' (hierna: RSU 2040). De RSU 2040 is één van de koersdocumenten van de Omgevingsvisie Utrecht. Daarmee maakt de RSU 2040 deel uit van één van de instrumenten van de Omgevingswet, die op 1 juli 2022 in werking treedt. Dat betekent dat de ambities uit de RSU 2040 doorwerken in de regels die vanaf 1 juli 2022 in het omgevingsplan zullen worden vastgelegd. De RSU 2040 is op 15 juli 2021 vastgesteld en bevat uitgangspunten voor een gezonde groei en ontwikkeling van de stad in 2040. In de strategie verbinden we belangrijke thema's met elkaar, zoals mobiliteit, economie, voorzieningen, wonen, energie, groen, sport en ontspanning en werk. Ook is beschreven hoe Utrecht zich kan ontwikkelen tot tien-minutenstad.
Daarmee zorgt de gemeente ervoor dat de groei van het aantal inwoners en woningen in balans blijft met een toename van groen in de stad, met een groei van banen en voorzieningen, met een passende infrastructuur voor verkeer en vervoer en met de ambities op basis van de energietransitie. Om bij de groei de specifieke kwaliteiten van de stad te behouden, kiezen we ervoor een stad te zijn waarin alle belangrijke functies voor dagelijks gebruik dichtbij de woon- en werkomgeving te vinden zijn: Utrecht, de tien-minutenstad. Daarbij zijn twee hoofdstructuren leidend voor het ordenen van de nieuwe plekken in de stad, namelijk de groenstructuur en de mobiliteitsstructuur. Groen, landschap en water in en rond de stad zijn een voorwaarde voor gezonde stedelijke ontwikkeling, voor groenbeleving en recreatie, maar ook voor bijvoorbeeld klimaatadaptatie en biodiversiteit. Daarmee wordt de bestaande stad ook versterkt. Er worden functies toegevoegd en de kwaliteit van de stad wordt verbeterd. We maken de keuze om de groei van de stad op een aantal plekken in de stad te concentreren, waar hoge bouwvolumes worden gerealiseerd. Daarmee verandert Utrecht van een stad met één centrum naar een stad met meerdere centra. Op deze nieuwe knooppunten komen veel verschillende stedelijke functies samen: een mix van wonen, werken, voorzieningen en groen.
Hierdoor beperkt de gemeente ook de groei van het aantal vervoersbewegingen. De Merwedekanaalzone, het Jaarbeursterrein en Leidsche Rijn zijn gebieden waar komende jaren veel gebouwd wordt. Maar er wordt ook gebouwd op kleinere plekken, zoals bij de 2e Daalsedijk en het Kruisvaartterrein. Ook in de binnenstad, het stationsgebied, het Utrecht Science Park, Leidsche Rijn Centrum en Papendorp is ruimte voor extra woningen, winkels en bedrijven. En voor cultuur en maatschappelijke instellingen. Omdat er met de met de ambities van de RSU 2040 veel geld gemoeid gaat, is in de RSU 2040 ook een investeringsstrategie opgenomen. Daarnaast is een uitvoeringsstrategie opgesteld, waarin staat welke ontwikkelingen als eerste plaatsvinden en in welke tijdsvolgorde de stad zich tot 2040 ontwikkelt. Ook heeft de gemeenteraad op 12 maart 2020 het koersdocument Leefbare stad en maatschappelijke voorzieningen vastgesteld. Hierin staan de ontwikkelopgaven voor scholen, sportplekken en andere maatschappelijke voorzieningen. Het document Gezondheid voor iedereen, volksgezondheidbeleid 2019-2023 is ook onderdeel van de koers. Plangebied Dit bestemmingsplan ondervindt geen belemmeringen vanuit het beleid van de koers. 1 6 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
Utrecht
2.3.2.2
Thematisch beleid
2.3.2.2.1 Natuur Groenstructuurplan Utrecht 'Stad en land verbonden' en 'Actualisatie van Groenstructuurplan Utrecht' De gemeente Utrecht wil het groen in de stad voor iedereen bereikbaar houden en de kwaliteit verbeteren. Grote groengebieden en belangrijke groene verbindingen wil de gemeente verder ontwikkelen, verbeteren en beschermen. Groen maakt een stad leefbaar, mooi en het is goed voor het milieu. Woont u in Utrecht? Dan willen we bijvoorbeeld dat u een mooie fietstocht kunt maken langs een groene route. Of dat u kunt ontspannen in een mooi park. Veel groen is ook aantrekkelijk voor bezoekers van de stad. In het groenstructuurplan Utrecht Stad en land verbonden is dit verwoord in 3 ambities: meer groen om de stad sneller naar buiten beter groen in de stad Het groenstructuurplan van 2007 is bijgewerkt in de actualisatie groenstructuurplan Utrecht 2017 – 2030. Naast de 3 ambities ligt de nadruk meer op hoe we groen inzetten voor de gezonde stad. En hoe groen ons helpt om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Dit plan is op 8 maart 2018 door de gemeenteraad vastgesteld. De groei van de stad vraagt om het vastleggen van de plekken die we groen willen houden in en om de stad, zodat bij ontwikkelingen daar rekening mee gehouden kan worden en het groen zoveel mogelijk beschermd kan worden.
Daarnaast vraagt de groei van het aantal inwoners in de stad om ontwikkeling van nieuw groen, goede recreatieve en groene verbindingen en het verbeteren van bestaand groen. De groengebieden die we extra beschermen zijn geselecteerd op basis van ecologische, landschappelijke, recreatieve of cultuurhistorische kwaliteiten. Deze gebieden staan aangegeven op de kaart in het groenstructuurplan. Als in die gebieden plannen zijn waardoor groen verdwijnt, moet de gemeenteraad daar eerst over beslissen. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning toetst de gemeente concreet of deze in de groenstructuur ligt. Plangebied In de visie op de stedelijke groenstructuur Utrecht 2030 is het plangebied weergegeven als opgave voor de uitbreiding van de groene verbinding. In de huidige situatie zijn de gronden in agrarisch gebruik, dit wijzigt niet. De ontwikkeling is niet in strijd met de visie. Bomenbeleid Utrecht (2009) aangevuld september 2018 De nota Bomenbeleid Utrecht is in 2009 vastgesteld. Hierop is een aanvulling gedaan op 27 september 2018 voor een herplantplicht. Een van de belangrijkste doelen van het Utrechtse bomenbeleid is een samenhangende bomenstructuur voor de stad te verbeteren en te ontwikkelen, gebaseerd op cultuurhistorische, ruimtelijke en ecologische uitgangspunten en milieu.
Voor 2030 zet de gemeente in op het behoud en de ontwikkeling van de bomenstructuur. Dit zal gebeuren door twee beleidsdoelstellingen: Waar mogelijk ontbrekende bomen in de bomenstructuur aanvullen om zo een samenhangende structuur te creëren. Dat betekent bij de ruimtelijke plannen in de komende jaren bezien waar bomen kunnen worden toegevoegd om zo de bomenlanen en pleinen te completeren. De bomenstructuur verder verbeteren door extra zorg aan beheer en onderhoud te besteden. Dit kan resulteren in extra zorg bij aanplanting van bomen, bij groeiplaatsen van oudere bomen, bij de verzorging van de bomen in de jeugdfase en bij bomenziekten. Sinds 1 januari 2007 kennen alle gemeentelijke ruimtelijke plannen in de stad een bomenparagraaf. De bomenparagraaf biedt vanaf het begin en in alle fasen van een planproces de mogelijkheid een belangenafweging te maken over de gevolgen van een ruimtelijk plan voor bomen. Plangebied Binnen het plangebied worden geen bomen gekapt ten behoeve van de onderhavige ontwikkeling. Nota Utrechtse soortenlijst (2018) Op 7 juni 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Utrechtse soortenlijst vastgesteld, ter bescherming en stimulering van de voor Utrecht belangrijke plant- en diersoorten en daarmee ter bevordering van de biodiversiteit in de stad.
Onder de bescherming vallen 5 vogelsoorten, 3 vissoorten, 6 soorten wilde bijen, 40 plantensoorten en 10 paddenstoelsoorten. De Utrechtse soortenlijst wordt meegewogen bij de voorbereiding van gemeentelijke ruimtelijke plannen. Bij een gebiedsontwikkeling waarbij de gemeente Utrecht initiatiefnemer is moet naar de aanwezigheid van bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
17
deze Utrechtse soorten onderzoek worden gedaan. Bij gebiedsontwikkelingen van derden wordt dringend geadviseerd om de Utrechtse soortenlijst bij de onderzoeken te betrekken. Plangebied Voor dit bestemmingsplan is onderzoek uitgevoerd naar plant- en diersoorten op de Utrechtse soortenlijst. Zie hiervoor paragraaf 3.3.8 voor meer informatie. In deze paragraaf is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) de beschermde soorten heeft voor het voorliggende plan. De benodigde mitigerende maatregelen worden opgevolgd. 2.3.2.2.2 Erfgoed en cultuurhistorie Archeologie De gemeente Utrecht heeft ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening opgesteld voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen is verwezen naar de verordening en is een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden ook zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen.
Met deze specifieke gebruiksregel is geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig. Plangebied In paragraaf 3.3.10 van dit plan wordt verder ingegaan op de archeologische waarden in het plangebied. Het plangebied is vrijwel volledig gelegen in een veenkomgebied. Er zijn geen relevante archeologische lagen of indicatoren aangetroffen. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 2.3.2.2.3 Bodem, ondergrond en water Nota Bodembeheerplan 2017-2027 'Grondig Werken 4' (2017) en Aanvulling Nota Bodembeheerplan 2017-2027 beleid PFAS (2020) In 2017 is de Nota Bodembeheer 2017-2027 'Grondig Werken 4' vastgesteld. De Nota bodembeheer 2012–2022 is met de voorliggende Nota bodembeheer 2017-2027 geactualiseerd. Utrecht groeit en er wordt zowel in de stad als aan de randen veel gebouwd. Door deze bouwinitiatieven kan de vraag naar bouwgrond periodiek groot zijn.
We willen voorkomen dat deze bouwgrond van elders (vaak over lange afstand) wordt aangevoerd. De aanpak in de Nota Bodembeheer 2017 – 2027 zorgt ervoor dat de benodigde grond duurzaam uit de eigen en uit omliggende gemeenten in de regio kan komen, wat bijdraagt aan een gezonde verstedelijking en een circulaire economie. In 2020 is de Nota uitgebreid met een aanvullende nota over PFAS-stoffen. Daarbij is de ambitie om maximaal voordeel te behalen voor mens en milieu, efficiënter te werken (goedkoper, kortere doorlooptijden) en werk met werk te maken. In de Nota bodembeheer staat hoe beschikbare vrijgekomen grond en baggerspecie op en in de landbodem van de gemeente Utrecht mag worden opgeslagen, hergebruikt of toegepast en welke regels en procedures hierbij gelden. De nota is bedoeld voor professionele partijen. De gemeente Utrecht volgt zoveel mogelijk het algemene landelijke beleid zoals dat is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Dit landelijke beleid past echter niet in elke lokale situatie. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om lokaal beleid toe te staan. In Utrecht speelt, naast de grote vraag naar bouwgrond, mee dat gebiedseigen grond niet altijd kan worden hergebruikt en dat er te weinig hergebruiksmogelijkheden zijn. De lokale gebiedsgerichte invulling sluit aan bij de functie, kwaliteit en ontwikkelingen van een gebied.
De nota is hierdoor ingedeeld in: gebiedsspecifiek beleid, ander gemeentelijk beleid en landelijk beleid. Het gebiedsspecifieke beleid bestaat uit: een uitbreiding van het beheergebied en acceptatie van bodemkwaliteitskaarten uit omringende gemeenten; lokale maximale waarden op gebiedsniveau om zo gebruik te maken van de toegestane kwaliteit die past bij de bodemfunctie. Het betreft enkele wijken van Leidsche Rijn en de gemeentelijke hoofdwegen aan de oostzijde van de stad. Met deze lokale maximale waarden sluiten we aan bij de (toekomstige) woonfunctie van de wijken of industriefunctie van de hoofdwegen; lokale maximale waarden voor de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB's) en organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB's) binnen bepaalde gebieden. Bij beide stofgroepen is met de lokale 1 8 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
Utrecht
maximale waarden aangesloten bij de gebiedseigen kwaliteit; lokale maximale waarden voor het Noorderpark. Aangesloten is bij de gebiedseigen kwaliteit; een strengere eis met betrekking tot het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond; lokale maximale waarden voor de stofgroep PFAS, waarbij de gehele gemeente als één zone wordt beschouwd. Deze waarden gelden voor de bovenste meter. Ander gemeentelijk beleid bestaat uit: strengere onderzoekseisen bij bodemonderzoek en hergebruik van arseenhoudende veenlagen afkomstig van bodemlagen dieper dan 2 meter; een strengere eis met betrekking tot het volumepercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond; regels voor het toepassen van grond met zichtbare asbestdeeltjes (dit is geen verplichting, maar een advies. De gemeente heeft hierin een voorbeeldfunctie en verplicht zichzelf wel); regels voor het toepassen van grond vanuit diepere bodemlagen; tijdelijke uitname van grond bij kabels- en leidingen cunetten (uitgravingen); verminderde onderzoeksinspanning voor gebieden met een verhoogde kans op bestrijdingsmiddelen. Landelijk beleid geldt voor alle andere gebieden en stoffen die niet onder het gebiedsspecifiek beleid of ander gemeentelijk beleid vallen. Plangebied In het bestemmingsplangebied is de bodemkwaliteit onderzocht.
In paragraaf 3.3.7 van dit plan wordt verder ingegaan op de bodemkwaliteit in het plangebied. De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding voor vervolgonderzoek of voor sanerende maatregelen. 2.3.3
Overig gemeentelijk beleid
Nota externe veiligheid (2007) De Nota externe veiligheid, welke in 2007 is vastgesteld, gaat in op het beleid van de gemeente Utrecht voor de beheersing van risico's als gevolg van het werken met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijf, productielocatie of kantoor) en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De genoemde risico's zijn veiligheidsrisico's voor mensen die zich in de buurt van de inrichting of het transport bevinden. De beleidskeuzes hebben betrekking op nieuwe situaties, waarin een risicobron zich vestigt of uitbreidt of een risico-ontvanger, zoals een woning, planologisch mogelijk wordt gemaakt. De randvoorwaarden en regels zijn vertaald in afstandseisen tussen risicobronnen (bedrijven, transportroutes (weg, spoorweg, vaarweg) of buisleidingen) en omgevingsobjecten. De gemeente Utrecht kiest ervoor om geen zwaardere veiligheidseisen op te leggen dan die vermeld staan in de risiconormering van de Rijksoverheid. In sommige gevallen biedt de rijksregelgeving ruimte tot afwijken van de normering. In de Nota spreekt de gemeente zich uit om terughoudend om te gaan met de mogelijkheid tot afwijken. Plangebied In paragraaf 3.3.4 wordt nader op het aspect externe veiligheid ingegaan. Uit het onderzoek blijkt dat er geen PR10-6-contour is en het groepsrisico over de gehele leiding ruim beneden de oriëntatiewaarde ligt.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering.
2.4
Conclusie
Gelet op voorgaande is de conclusie dat het planvoornemen in lijn is met relevant beleid.
bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
19
2 0 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
Utrecht
Hoofdstuk 3 Bestaande situatie, plan en uitvoeringsaspecten 3.1
Bestaande situatie
De gronden zijn in de huidige situatie grotendeels in agrarisch gebruik. Aan de noordkant van het plangebied staat meet- en regelstation Reijerscop. Een meet- en regelstation controleert de gasdruk in de bestaande leiding en kan tevens het transport van gas regelen. In het landschap wordt geen wijziging zichtbaar als gevolg van de aanleg van de leiding.
Afbeelding 3.1 De ligging van het plangebied in de gemeente Utrecht (Bron: Esri & partners)
bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
21
Afbeelding 3.2 De ligging van het plangebied in de gemeente Utrecht (Bron:Google Earth)
3.2
Planbeschrijving
3.2.1
Omschakeling van grootverbruikers naar hoogcalorisch gas
Op 29 maart 2018 heeft het kabinet aangekondigd dat de gaswinning in Groningen zo snel mogelijk volledig wordt beëindigd (Kamerstuk 33 529, nr. 457). Dat is de beste manier om de veiligheid te garanderen en de veiligheidsbeleving in Groningen te verbeteren. In die brief is het basispad geschetst waarlangs de gaswinning uit het Groningenveld wordt beëindigd. Voor het behalen van het basispad is het essentieel dat tenminste de grootste verbruikers (> 100 miljoen Nm3) voor oktober 2022 van het laagcalorisch gas afschakelen (dit betreft nu negen bedrijven). Deze groep vertegenwoordigt een dusdanig verbruik dat omschakelen wezenlijk bijdraagt aan de reductie van de winning uit het Groningerveld en is daarmee essentieel voor het behalen van het basispad. Na afstemming met Eneco Utrecht is besloten dat de omschakeling in 2 fasen uitgevoerd wordt. In juli 2023 wordt Gasontvangstation W-200 Lage Weide omgeschakeld. Aangezien deze datum na de wettelijke omschakeldatum oktober 2022 liggen, heeft Eneco Utrecht hiervoor een ontheffing aangevraagd bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat EZK. Dit betekent concreet dat een groep van negen bedrijven verplicht moet omschakelen naar hoogcalorisch gas of een duurzaam alternatief voor oktober 2022.
Voor deze omschakeling moet een aantal werkzaamheden worden uitgevoerd, waaronder de aanleg van (gedeelten van) gasleidingen om bedrijven aan te kunnen sluiten op het hoogcalorisch gasnet. 2 2 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
Utrecht
3.2.2
Beschrijving tracé en omgeving
Het tracé wordt aangelegd in het kader van de ombouw van delen van het gastransportnet van G-gas (laagcalorisch gas) naar H-gas (hoogcalorisch gas). De aan te leggen leiding betreft een DN300 (diameter 300 mm) en wordt deels in open ontgraving en deels via horizontaal gestuurd boren (HDD) aangelegd (zie afbeelding 3.3). Het tracé loopt van meet- en regelstation (M&R) Reijerscop (A-107) zuidwaarts richting gasontvangststation (GOS) Hoornaar (S-238). Het tracé heeft een lengte van ongeveer 24,6 km. De ligging van het tracé binnen de gemeente Utrecht is weergegeven in afbeelding 1.2 en 1.3.
Afbeelding 3.3 Ligging tracé en werkzaamheden (bron: Anteagroup) De leiding loopt door het buitengebied over voornamelijk agrarische gronden van de gemeenten Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfheerenlanden en Molenlanden. Met de betreffende grondeigenaren waar het tracé doorheen loopt, is een (opstal)overeenkomst afgesloten om dit gedeelte van het tracé te kunnen aanleggen. Voor de kruising met de rivier De Lek wordt een vergunning op grond van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken aangevraagd. Verder kruist het tracé verschillende regionale waterkeringen met een waterstaatkundige functie die in eigendom en beheer zijn van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Rivierenland. De aanleg in deze gronden wordt geregeld met een ontheffing op grond van de Keur Waterkeringen van het Waterschap.
bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
23
3.2.3
Technische beschrijving nieuw tracé
De aan te leggen leiding betreft een DN300 met een druk van 66,2 bar en wordt deels in open ontgraving met een dekking van 1,5 à 1,6 m aangelegd, waarbij tot ongeveer 2,1 à 2,2 m-mv moet worden ontgraven, en verder in HDD's. Ten behoeve van het aanleggen wordt een werkstrook (inclusief de leidingsleuf zelf) met een breedte van in totaal 25 meter aangelegd. Ter plaatse van kruisingen wordt voor het aanleggen van zinker en het maken en aansluitingen van boringen plaatselijk dieper gegraven, tot maximaal 4,0 m-mv. De werkzaamheden vinden gedeeltelijk plaats in watergangen door middel van open ontgravingen. Hierbij kan niet uitgesloten worden dat de bodem, (onderwater)vegetatie en oeverzones aangetast worden. Ten behoeve van open ontgravingen moet grond en vegetatie worden vergraven en verwijderd. Dit betreft voornamelijk grasvegetatie en graslandpolders. De grond die wordt afgegraven wordt per grondlaag gescheiden opgeslagen. Nadat de werkzaamheden klaar zijn, zal de grond zo veel mogelijk in de originele staat worden hersteld. Om constructietechnische en cultuurtechnische redenen moeten de werkzaamheden plaatsvinden in droge bouwputten. In verband met grondwaterstanden moet daarom bemaling worden toegepast.
3.3
Uitvoeringsaspecten
3.3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd. 3.3.2
Kabels en leidingen
Plansituatie Bij het bepalen van het tracé is met een klic-melding rekening gehouden met bestaande kabels en leidingen. Conclusie Bestaande kabels en leidingen in het plangebied vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan. Er zijn geen andere planologisch relevante leidingen aanwezig, dan de bestaande leidingen van de Gasunie. 3.3.3
Milieueffectrapportage
Kader Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken welke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. wordt aangegeven welke activiteiten altijd m.e.r.-plichtig zijn. Bij de activiteiten die in onderdeel D van die bijlage genoemd worden moet beoordeeld worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Uit deze m.e.r.-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Plansituatie In relatie met aardgastransportleidingen is van belang categorie D8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie of CO2-stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën". Er is hier sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, omdat de drempelwaarde van 5 kilometer van deze categorie D8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage niet wordt overschreden.
Daarnaast is in relatie met de voorgenomen werkzaamheden categorie D15.2 uit het Besluit milieueffectrapportage van belang: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater.". Het totale waterbezwaar voor het plan betreft ongeveer 1,7 miljoen m3. Er is hier sprake van m.e.r.-beoordeling, omdat de drempelwaarde van deze categorie D15.2 uit het Besluit 2 4 bestemmingsplan "Facetbestemmingsplan gasleiding Reijerscop, De Meern Zuid" (vastgesteld)
Utrecht
milieueffectrapportage worden overschreden. De voorgenomen activiteit heeft namelijk betrekking op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar. M.e.r.-plicht is niet aan de orde (categorie C15.1), omdat de te onttrekken hoeveelheid minder is dan 10 miljoen m3 per jaar. In dit kader is ook beschouwd of de bestemmingsplannen voor de gastransportleidingen kaderstellend zijn voor deze activiteit van het onttrekken van grondwater. In dat geval zou er een Plan-MER moeten worden opgesteld. Een bestemmingsplan (plan genoemd in kolom 3 in de desbetreffende bijlage van het Besluit milieueffectrapportage) is kaderstellend als het de basis vormt voor het in kolom 4 genoemde besluit. Dat is in dit geval niet de situatie. De onttrekking van grondwater is een tijdelijke eenmalige activiteit die nodig is om de aanleg van de aardgastransportleiding mogelijk te maken. De bestemmingsplannen (voor elke gemeente één) doen geen uitspraak en stellen geen regels over de aanlegmethode en zijn daarvoor ook niet bedoeld. Daarom zijn de bestemmingsplannen voor de activiteit onttrekken van grondwater niet kaderstellend. Een Plan-MER is niet aan de orde.
Verder is van belang dat bij plannen, zoals bestemmingsplannen waarvoor een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is, een Plan-MER nodig is, tenzij wordt voldaan aan artikel 3, lid 1 van het Besluit milieueffectrapportage. Dat is hier het geval: Het gaat om een plan waarbij een gemeente het bevoegd gezag is; De omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente(n) is klein (voor alle zes gemeenten ruim minder dan 0,2%); Uit de voorliggende m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke milieugevolgen zijn. Ook op basis hiervan is een plan-MER niet nodig. De aanmeldingsnotitie voor de m.e.r.-beoordeling (zie bijlage 1) gaat in op de mogelijke negatieve gevolgen voor het milieu. Op basis van de onderzoeken van de verschillende aspecten is de conclusie dat de benodigde (bemalings-)werkzaamheden en het gebruik van het tracé niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leiden. Naar aanleiding hiervan heeft het college op 13 september 2022 besloten voor de aanleg van de gasleiding voor het grondgebied van de gemeente Utrecht geen milieueffectrapport op te stellen. De colleges van de gemeenten Molenlanden, Vijfherenlanden, Lopik, Montfoort en IJsselstein hebben, ieder voor het eigen grondgebied, ook het besluit genomen geen milieueffectrapport op te stellen, zie hiervoor bijlage 2.