CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Aanvulling MER omgevingsvisie Overvecht 20241125

Gemeenteraad 20 februari 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Raadsvoorstel Beleidsnota omgevingsvisie Overvecht 2025 – 204023.794 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Aanvulling plan MER omgevingsvisie Overvecht 2040 | 59

Hoewel sprake is van significante toenames van de geluidsbelasting voor wegen waarlangs reeds sprake is van relatief hoge geluidsbelasting, is er binnen Overvecht langs diverse wegvakken sprake van significante afnames van de geluidsbelasting. Daarom wordt alternatief 2 voor wat betreft geluid als neutraal (0) beoordeeld. Geluidssituatie nieuwe woningen wegverkeer In alternatief 2 worden op diverse locaties binnen Overvecht nieuwe woningen gerealiseerd. De Franciscusdreef en Einsteindreef zijn de wegen met de hoogste geluidsbelasting binnen het gebied. In het gebied tussen de Franciscusdreef en de Einsteindreef zijn circa 1.800 nieuwe woningen beoogd. Ten zuidoosten van de Einsteindreef zijn circa 2.600 nieuwe woningen beoogd. Daarmee wordt meer dan de helft van de nieuwe woningen gerealiseerd op door wegverkeersgeluid hoogbelaste locaties. Daarom wordt de geluidssituatie voor de nieuwe woningen ten gevolge van het wegverkeer als zeer negatief (- -) beoordeeld. Benadrukt wordt dat de geluidsbelasting op de nieuwe woningen in een later planstadium dient te worden getoetst aan de geluidscriteria uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. In beginsel mag de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de gemeentelijke wegen daarbij niet hoger zijn dan de standaardwaarde van 53 dB.

Wanneer sprake is van overschrijdingen van de standaardwaarde, dient de toepassing van geluidsreducerende maatregelen te worden afgewogen. Geluidssituatie nieuwe woningen railverkeer Voor nieuwe woningen geldt voor railverkeersgeluid een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. De 55 dB-contour ten gevolge van het railverkeer ligt ter hoogte van Overvecht op (ten hoogste) circa 250 meter van het spoor. De spoorlijn loopt langs de zuidoostzijde van het plangebied. Binnen het invloedsgebied van de spoorlijn zijn, bij een totale toename van 7.000 woningen in Overvecht, circa 400 woningen voorzien in alternatief 2. Daarmee ligt ongeveer 6% van de woningen binnen het invloedgebied van het spoor. Dit wordt beoordeeld als een beperkt aantal en daarmee zeer positief beoordeeld. Voor de realisatie van nieuwe woningen binnen de geluidszone van het spoor dient in een later planstadium akoestisch onderzoek plaats te vinden waarin de situatie wordt getoetst aan de normen uit de vigerende wetgeving. Geluidssituatie nieuwe woningen industrie In de huidige situatie en autonome ontwikkeling is te lezen dat sprake is van drie potentiële bronnen van industriële geluidhinder: de RWZI, de HWC en Bedrijvengebied Overvecht.

In de huidige situatie en autonome ontwikkeling zijn er geen conflicten, deels omdat bebouwing niet in de buurt van de geluidsbronnen liggen om significante geluidshinder te ervaren als gevolg van deze bronnen.

60

Onder de Omgevingsvisie worden in dit alternatief woningen toegevoegd nabij deze potentiële bronnen van industriële geluidhinder. Hierbij wordt voor de HWC gekeken naar de bouwopgave in Overvecht Centrum. In alternatief 2 betreft dit het onderstaande aantal woningen. Tabel 4.7 Nieuwe woningen in alternatief 2 in de nabijheid van potentiële bronnen van industriële geluidshinder

Potentiële bron industriële geluidshinder

Toe te voegen woningen alternatief 2

Rioolwaterzuiveringsinstallatie

0

Hulpwarmtecentrale (Overvecht Centrum)

2.300

Bedrijvengebied Overvecht

1.000

Totaal

3.300

De hoeveelheid woningen die in de nabijheid van potentiële bronnen van industriële geluidhinder komen te liggen is daarmee fors, echter een stuk lager dan in alternatief 1. Ook hier moet worden opgemerkt dat lang niet alle woningen direct binnen de hindercontouren worden gerealiseerd. In het kader van deze kwalitatieve beschouwing wordt echter beargumenteerd ook voor alternatief 2 naar verwachting sprake is van een zeer negatief effect (- -). Gecumuleerd geluid nieuwe woningen Voor het beoordelen van de gecumuleerde geluidsbelasting komen de beoordelingen van de afzonderlijke geluidsbronsoorten samen. De plannen zorgen voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen op de wegen in de omgeving. Daarmee zijn de plannen met name van invloed op het wegverkeersgeluid en zullen deze effecten ook doorwegen in de gecumuleerde geluidsbelasting. Afhankelijk van de hoogte van de diverse geluidsbronnen zal het effect in meer of mindere mate waarneembaar zijn. Per geluidsbronsoort is de situatie beoordeeld op basis van de beoogde locaties van nieuwe woningen ten opzichte van de geluidsbronnen. Daar waar sprake is van een hoge geluidsbelasting ten gevolge van een bepaalde bron, zal ook de gecumuleerde geluidsbelasting relatief hoog zijn. Met name op door wegverkeersgeluid en industriegeluid hoogbelaste locaties worden nieuwe woningen gerealiseerd.

Daarom is de woningbouw in alternatief 2 ten aanzien van de gecumuleerde geluidsbelasting als zeer negatief (- -) beoordeeld.

Aanvulling plan MER omgevingsvisie Overvecht 2040 | 61

4.5.4 Mitigerende maatregelen

In beide planalternatieven is naar verwachting sprake van significante toenames van de geluidsbelastingen. Daarom dient de toepassing van geluidsreducerende maatregelen te worden afgewogen. Ook voor de realisatie van nieuwe woningen zal de toepassing van geluidsreducerende maatregelen nader moeten worden onderzocht. Naar verwachting zal de geluidsbelasting op de nieuwe woningen hoger liggen dan de standaardwaarden voor wegverkeers-, railverkeers- en industriegeluid uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij het treffen van maatregelen wordt doorgaans de volgende volgorde van prioriteit aangehouden: 1. Bronmaatregelen, zoals verkeers- en wegdekmaatregelen 2. Overdrachtsmaatregelen, zoals het vergroten van de afstand tussen de woning en de weg, schermen en wallen 3. Ontvangermaatregelen, zoals toepassing van gevelwering of ‘dove gevels’; dit zijn gevels zonder te openen delen die grenzen aan een geluidgevoelige ruimte Bronmaatregelen Bij bronmaatregelen kan in dit kader met name worden gedacht aan het toepassen van een geluidsreducerend wegdek. Ten opzichte van een standaard asfaltverharding kan met ‘stil asfalt’ de geluidsbelasting met circa 2 dB tot 3 dB worden teruggebracht. Daarmee kunnen de geluidstoenames mogelijk worden gecompenseerd. Wanneer er op wegen reeds stil asfalt toegepast is, kan echter geen extra geluidsreductie meer worden behaald.

Ook is een geluidsreducerend wegdek niet altijd inpasbaar op kruispuntvlakken en rotondes. Door wringingskrachten van optrekkend en afremmend verkeer wordt het relatief zwakkere geluidsreducerend asfalt sneller kapotgereden. In de praktijk kan het effect daarmee minder groot of nihil zijn. Een andere bronmaatregel is het verlagen van de maximumsnelheid. De aandachtspunten ten aanzien van geluid zijn met name geconstateerd langs de grotere wegen binnen Overvecht (omgeving Franciscusdreef en omgeving Einsteindreef). Op deze wegen geldt een maximumsnelheid van 50 km/u. Langs deze wegen zijn geen snelheidsverlagingen beoogd. Het terugbrengen van de maximumsnelheid van 50 km/u naar 30 km/u zorgt theoretisch voor een afname van de geluidsbelasting van circa 5 dB. In de praktijk kan dit effect echter tegenvallen doordat zonder het treffen van verkeersmaatregelen verkeer deels harder rijdt dan de toegestane 30 km/u. Voor het beter afdwingen van de maximumsnelheid kunnen verkeersremmende maatregelen worden getroffen. Doorgaans worden op 30 km/uwegen elementenverhardingen toegepast. Dit zorgt juist weer voor meer geluid waardoor per saldo het positieve effect van een snelheidsverlaging te niet wordt gedaan door extra geluid als gevolg van meer geluid door het toepassen van een elementenverharding.

Ook kunnen verkeersremmende elementen zoals wegversmallingen en drempels zorgen voor meer optrekkend en afremmend verkeer. Hoewel effecten hiervan niet altijd zijn terug te zien in de absolute hoogte van de geluidsbelasting, kan dit negatieve gevolgen hebben voor de beleving van geluid langs de weg. Ondanks de genoemde kanttekeningen is het te overwegen de maximumsnelheid te verlagen als mitigerende maatregel voor de geluidsbelasting. Ook het toepassen van stille elementenverharding of streetprint kan als mitigerende maatregelen worden overwogen, in plaats van een wegdekverharding van elementen in keperverband (en bij 30 km/h).

62

Overdrachtsmaatregelen Bij overdrachtsmaatregelen moet gedacht worden aan het toepassen van geluidswallen of geluidsschermen. Dergelijke elementen zijn niet altijd inpasbaar in een stedelijke omgeving, vanwege bezwaren van onder meer stedenbouwkundige, verkeerskundige of praktische aard. Bovendien is langs diverse wegen sprake van hoogbouw. Om ook op hogere bouwlagen een geluidsreductie te bereiken, zijn vaak hoge constructies nodig. Ontvangermaatregelen Wanneer bron- of overdrachtsmaatregelen niet kunnen worden toegepast, of onvoldoende effect sorteren moet gedacht worden aan overdrachtsmaatregelen. Dit kan gaan om het vergroten van het geluidsisolerend vermogen van gevels en beglazing, of afschermende constructies aan de gevels van woningen.

4.6 Luchtkwaliteit

In deze paragraaf is een verduidelijking opgenomen bij de effectbeoordeling van luchtkwaliteit in het MER Omgevingsvisie Overvecht. In de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit is de relatie gelegd met de beschikbare concentraties uit de monitoringstool van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Onder de huidige situatie en de autonome ontwikkeling is ingegaan op deze concentraties. Daarmee is de relatie gelegd met de geldende normen en WHO-advieswaarden (Schone Lucht Akkoord). Voor de beschouwde planvarianten zijn geen specifieke luchtkwaliteitsberekeningen uitgevoerd. Op basis van die verandering van het aantal verkeersbewegingen is bepaald in hoeverre langs wegen significante veranderingen van de concentraties verwacht moeten worden. Daarbij is sprake van een andere beoordeling ten opzichte van de indicator verkeer (voorbeeld: een toename van 500 mvt/etm kan vanuit het oogpunt verkeer significant zijn, maar leidt vanuit het oogpunt luchtkwaliteit in beginsel niet tot een significant effect). Een verandering van de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide van 1,2 µg/m³ is als significante concentratieverandering beschouwd. Dit sluit aan bij het begrip ‘niet in betekenende mate’. Een toename van de concentratie van 3% van de norm wordt als verandering gezien die ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Toenames van meer dan 1,2 µg/m³ worden als ‘in betekenende mate’ gezien. In de analyse is een verandering in werkdaggemiddelde intensiteit van 1.500 mvt/etm als grens gehanteerd voor een verandering waarbij mogelijk sprake is van een concentratieverandering groter dan 1,2 µg/m³. In de praktijk is de verandering in concentratie sterk afhankelijk van diverse factoren, zoals het aandeel vrachtverkeer, de mate van doorstroming op een weg, de mate van bebouwing langs de weg en de mate van begroeiing langs de weg. Uit het onderzoek blijkt dat langs diverse wegen een significante toename van de concentraties voor luchtkwaliteit verwacht moeten worden. Hoewel langs een aantal wegen een negatief effect verwacht wordt ten aanzien van luchtkwaliteit, wordt nog altijd ruim aan de normen uit de omgevingswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (eerder: Wet milieubeheer; normen zijn overgenomen in Bkl) voldaan. Aan de WHO-normen, waaraan

Aanvulling plan MER omgevingsvisie Overvecht 2040 | 63

de gemeente Utrecht wil voldoen, wordt niet voldaan. Aangezien sprake is van een significante toename van NO2, PM10 en PM2,5 zijn zowel alternatief 1 als alternatief 2 als negatief (-) beoordeeld. Uit de concentratiegegevens uit de monitoringstool van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit blijkt dat de concentraties langs wegen in Utrecht zowel in de huidige situatie als de toekomstige (autonome) situatie hoger liggen dan de WHO-advieswaarden uit 2021. Dit is dus een aandachtspunt dat niet direct aan de plannen gerelateerd is. Ook zonder uitvoering van de plannen is sprake van hogere concentraties dan de advieswaarde. In de rapportage zijn de maximale concentraties opgenomen op basis van de beschikbare gegevens uit het CIMLK. Gevraagd is tevens de minimale concentraties inzichtelijk te maken. De minimale en maximale concentraties zijn opgenomen in navolgende tabel. Tabel 4.8 Concentraties luchtverontreiniging per zichtjaren 20121 2n 2023

Concentraties luchtverontreiniging

Zichtjaar 2021

Zichtjaar 2023

Jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2)

16 – 33 µg/m³

12 – 20 µg/m³

Jaargemiddelde concentratie fijn stof PM10

17 – 20 µg/m³

15 – 18 µg/m³

Jaargemiddelde concentratie fijn stof PM2,5

9 – 12 µg/m³

7 – 9 µg/m³

4.7 Stikstofdepositie

In haar advies gaat de Commissie voor de mer in op enkele punten rond stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In deze paragraaf wordt een verduidelijking gegeven op de wijze van effectbeoordeling voor stikstofdepositie. De sterk negatieve beoordeling van de indicator stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in het MER Omgevingsvisie Overvecht is gebaseerd op huidige wetgeving voor vergunningen, waarbij de grenswaarde op 0,01 mol per hectare per jaar ligt. Ondanks dat de Omgevingsvisie geen vergunningentraject is, geeft de grenswaarde van 0,01 wel een kader. Omdat de toenames van stikstofdepositie van de Omgevingsvisie 0,06 t/m 0,22 zijn wordt dit dus als zeer negatief bestempeld. De Commissie mer stelt dat op basis van totale achtergronddepositie op de Oostelijke Vechtplassen de éxtra stikstofdepositie als gevolg van Omgevingsvisie Overvecht relatief klein is. Dat is juist, maar (1) het projecteffect is in relatie tot de totale achtergronddepositie altijd klein en (2) hiermee verdwijnt het bovenstaande kader, en wordt de grenswaarde van wat als acceptabele toevoeging van stikstofdepositie kan worden gezien arbitrair. Uitgangspunt voor de effectbeoordeling in het planMER is dat als gevolg van de bouw van woningen (en sloop om ruimte te maken voor nieuwbouw) en de extra verkeersgeneratie die dit als gevolg heeft zorgt voor negatieve effecten.

De Commissie mer stelt dat er ook moet worden gekeken naar maatregelen vanuit de Omgevingsvisie die bijdragen aan vermindering van stikstofuitstoot en hoe die maatregelen doorwerken naar stikstofuitstoot van individuele bewoners. Deze maatregelen (stimuleren OV en fiets) zijn echter al meegenomen in het verkeersmodel dat input is geweest voor de berekeningen van de stikstofdepositie.

64

Een berekening van de relatieve stikstofdepositie per inwoner is niet gebruikelijk bij ruimtelijke besluiten en bij een MER. Dit past ook niet bij de grenswaarde zoals in de voorgaande alinea beschreven. Daarbij is een dergelijke analyse erg ruw en zal leiden tot een globale inschatting van de toe- of afnames van stikstofdepositie, met een grote foutmarge. Dit geeft geen aanvullende informatie voor de besluitvorming over de Omgevingsvisie. Daarom is voor deze aanvulling op het MER geen berekening uitgevoerd van de relatieve toe- of afname van stikstofdepositie per inwoner.

4.8 Gezondheid

Ten aanzien van het thema gezondheid beschouwt de Commissie mer dat de beoordeling die is samengesteld uit drie indicatoren, namelijk sport en bewegen, groen in de wijk en sociale cohesie op een vrij beperkte manier is gebeurd. Ter verduidelijking willen wij aangeven dat er in het MER bewust voor is gekozen om de andere thema’s zoals hittestress, luchtkwaliteit en geluid niet nogmaals bij het hoofdstuk gezondheid te laten terugkomen om dubbeltellingen te voorkomen. Als toch gekeken wordt vanuit een breder perspectief, dan valt op dat alternatief 1 meer woningen worden gebouwd op enkele plekken met geluidsoverlast en mindere luchtkwaliteit. De verdichting op de Einsteindreef, waar wordt gebouwd in de bestaande hoofdgroenstructuur, heeft naar verwachting een negatief effect in het kader van geluid en luchtkwaliteit. Daarnaast is de hoeveelheid woningen die in de nabijheid van potentiële bronnen van geluidhinder komen te liggen (waaronder de RWZI, HWC en bedrijvengebied Overvecht) in alternatief 1 flink hoger dan in alternatief 2. Bovendien worden bij alternatief 1 circa 900 nieuwe woningen gerealiseerd binnen de geluidscontouren van het spoorweglawaai tegenover circa 350 woningen bij alternatief 2. Het effect van het verkeersbeleid om het verkeer uit de buurten te weren is meegenomen onder de beoordeling van de geluidssituatie langs wegen.

Enerzijds levert dit een positief effect op, maar anderzijds ook een negatief effect door verschuiving van verkeer en toename in verkeer ten gevolge van nieuwe ontwikkelingen. Zoals aangegeven in de paragraaf geluid zullen geluidsreducerende maatregelen moeten worden afgewogen. Ook voor de realisatie van nieuwe woningen nabij bestaande geluidsbronnen zal in beide planalternatieven de toepassing van geluidsreducerende maatregelen moeten worden afgewogen om geluidsoverlast te verminderen. Voor wat betreft de andere facetten voor een gezonde stedelijke leefomgeving, zoals tabaksverkoop, voedselomgeving en binnenmilieu, vinden wij deze niet binnen de scope van een Omgevingsvisie vallen. Deze aspecten gaan over meer dan alleen de fysieke leefomgeving waarop een Omgevingsvisie en bijbehorend MER zich op richten. Daarom zijn deze laatste aspecten ook niet opgenomen in de beoordeling van het MER.

Aanvulling plan MER omgevingsvisie Overvecht 2040 | 65

4.9 Circulariteit

De Commissie mer merkt op dat in de onderbouwing van deze beoordeling de suggestie wordt gewekt dat met de hoeveelheid sloop Overvecht meer circulair wordt, omdat er dan meer materialen hergebruikt kunnen worden. Hieronder volgt een toelichting bij deze beoordeling. Van een volledig circulaire samenleving of circulaire economie is sprake als geen nieuwe grondstoffen meer nodig zijn. Dat gaat over slopen en bouwen van gebouwen, maar ook over afval, voedsel, water en energie. De Omgevingsvisie gaat in op de gewenste fysieke leefomgeving van Overvecht in 2040 en beschrijft daarom welke keuzes gemaakt worden over slopen en bouwen van woningen, over water en energie, maar gaat niet over afval en voedsel. Het MER geeft een beoordeling in het MER van verschillende thema’s en indicatoren die te maken hebben met circulariteit. Dit zijn naast hergebruik bestaand materiaal, ook indicatoren over water, aandeel duurzame energie, totaal energieverbruik)en ook CO2-uitstoot. Specifiek voor de indicator gebruik bestaand materiaal wordt bij beide onderzochte alternatieven in het MER en ook in de Omgevingsvisie Overvecht uitgegaan van sloop van gebouwen. De sloop van deze woningen kan negatieve effecten met zich meebrengen in het kader van bijvoorbeeld CO2-uitstoot, maar biedt wel een kans voor het hergebruiken van materialen voor nieuwe bebouwing.

Ook het vergroenen van de openbare ruimte kan ervoor zorgen dat verhardingen, in de vorm van tegels, stenen, asfalt, enzovoorts, beschikbaar komen om opnieuw toe te passen. In de Omgevingsvisie wordt benoemd dat de gemeente tracht terughoudend te zijn met het slopen van gebouwen. De gemeente kan hiervoor gebruiken van haar eigen ‘Utrechtse leidraad bij sloop of renovatie’. Door nieuwbouw aanpasbaar en flexibel in gebruik te maken hoeft op langere termijn minder gesloopt te worden. Door het vrijkomen van herbruikbaar materiaal en door nieuwe gebouwen flexibel in gebruik te maken treedt naar verwachting een positief effect op voor het gebruik van bestaand materiaal ten opzichte van de referentiesituatie (+). Voor CO2uitstoot wordt echter een negatief effect (- -) verwacht bij de twee onderzoeksalternatieven en de Omgevingsvisie. Verder zal het lastig zijn om de ambitie te halen voor Overvecht van 100% circulair in 2050. In de Omgevingsvisie wordt wel het volgende benoemd: “We zijn terughoudend met het slopen van gebouwen en kiezen voor materialen en ontwerpen die zo min mogelijk belastend zijn voor het milieu.” Maar er worden geen aanvullende maatregelen beschreven naast het bestaande beleid van gemeente Utrecht rond circulariteit. De uiteindelijke sloop en bouw in Overvecht zal door verschillende projectontwikkelaars, woningcorporaties en anderen worden uitgevoerd.

De gemeente Utrecht is ondertekenaar en ambassadeur van Het Nieuwe Normaal waarmee opdrachtgevers en opdrachtnemers afspraken kunnen maken over circulaire prestaties. De gemeente kan de prestatieniveaus van Het Nieuwe Normaal gebruiken hiervoor. Deze prestatieniveaus worden in de tijd aangescherpt richting een circulaire economie in 2050. Aangezien er veel materiaal nodig is om de ontwikkeling te realiseren zal het een grote uitdaging zijn voor de ontwikkelaars en eigenaren om deze ambities te behalen.

66

4.10 Eindtabel milieueffecten op basis van aanvullende milieu-informatie Op basis van het advies van de Commissie mer is voor enkele milieuthema’s een verduidelijking opgenomen of een aanvulling op de milieu-informatie uit het MER Omgevingsvisie Overvecht. Op enkele indicatoren van het thema natuur zorgt dit voor een wijziging in de effectbeoordeling. De aanvulling op referentiesituatie en de effectbeoordeling voor het thema natuur zorgt voor beschermde soorten en biodiversiteit een aanpassing van de beoordeling. Bij beschermde soorten wordt alternatief 1 neutraal tot licht negatief (0/-) beoordeeld ten op zichte van de referentiesituatie en alternatief 2 neutraal (0) beoordeeld. Daarnaast volgt een aanpassing op de beoordeling van biodiversiteit. Ervan uitgaande dat de referentiesituatie al slechter wordt dan de huidige situatie door autonome afname van de biodiversiteit, wordt verwacht dat de alternatieven 1 en 2 beide zorgen voor een positief effect (+) voor de biodiversiteit. Het verschil tussen beide alternatieven (met name gericht op de wijze van verdichting en de hoeveelheid extra groen) is te klein om op basis van het hier gehanteerde toetsingskader onderscheidend te zijn voor alle biodiversiteit in heel Overvecht. Derhalve blijft de beoordeling voor beschermde gebieden voor beide alternatieven staan.

Ten aanzien van geluid heeft de nieuwe data op basis van het wettelijk kader van de Omgevingswet geleid tot een aangepaste effectbeschrijving en -beoordeling. Dit is meegenomen in de effectentabel (tabel 7.1). Voor het thema cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit is een aanvulling op de referentiesituatie en de effectbeschrijving gedaan, maar blijft de beoordeling hetzelfde zoals in het MER Omgevingsvisie Overvecht. Voor de thema’s verkeer, stikstofdepositie, luchtkwaliteit, gezondheid en circulariteit is in desbetreffende paragrafen een verduidelijking opgenomen op de methode of wijze van effectbeoordeling. Ook voor deze thema’s blijft de effectbeoordeling hetzelfde als in het MER Omgevingsvisie Overvecht is beschreven.

Aanvulling plan MER omgevingsvisie Overvecht 2040 | 67

Indicatoren

Beoordelingsparameter

Effectbeoordeling alternatief 1

Effectbeoordeling alternatief 1

+

-

-

-

+

+

+

+

+

-

Thema: Verkeer Verkeersafwikkeling

Verschuiving van autoverkeer

Kruispunten

Doorstroming op kruispuntniveau

Wijze van verplaatsing

De mate waarin de modal split ten gunste van OV en fiets verschuift

Routes fiets en voetganger

Kwaliteit van langzaam verkeerroutes

Verkeersveiligheid

Verkeersveiligheid

Thema: Geluid Geluidssituatie langs wegen

Waarneembare toename geluidbelasting wegverkeer (o.b.v. verkeersintensiteiten)

-

0

Geluidssituatie nieuwe woningen wegverkeer

Beschouwing van het aantal woningen dat binnen de geluidcontouren van wegverkeer ligt

--

--

Geluidssituatie nieuwe woningen railverkeer

Beschouwing van het aantal woningen dat binnen de geluidcontouren van het spoor ligt

+

++

Geluidssituatie nieuwe woningen industrie

Beschouwing van het aantal woningen dat binnen de geluidcontouren van industrie ligt

--

--

Gecumuleerd geluid nieuwe woningen

Beschouwing van gecumuleerd geluid

--

--

-

-

Thema: Luchtkwaliteit Luchtkwaliteit

68

Significante toe- of afname van NO2, PM10 en PM2,5 (o.b.v. verkeersintensiteiten)

Indicatoren

Beoordelingsparameter

Effectbeoordeling alternatief 1

Effectbeoordeling alternatief 1

0/-

0

Thema: Natuur en biodiversiteit Beschermde soorten

Aanwezigheid van beschermde soorten in plangebied

Beschermde gebieden

Aantasting wezenlijke kenmerken en waarden Natuurnetwerk Nederland

0

0

Beschermde gebieden

Depositie van stikstof in mol/ hectare /jaar op stikstof gevoelige habitattypen Natura 2000-gebieden

--

--

Kansen om biodiversiteit te vergoten

+

+

Sport en bewegen

Mate waarin de omgeving sport en bewegen bevordert

+

++

Groen in het gebied

Het aandeel en kwaliteit van groen (en bomen) in het gebied

+

+

Sociale cohesie

Aanwezigheid van maatschappelijke voorzieningen en plekken voor ontmoeting

+

++

+

++

-

-

Biodiversiteit

Thema: Gezondheid

Thema: Bodem en water Bodemkwaliteit

Aanwezigheid van bodemverontreinigingen

Ondergronds ruimtegebruik

Intensiviteit gebruik ondergrond

Grondwater

Impact van grondwaterstand op bebouwing en vice versa

0

0

Waterkwaliteit

Impact bebouwing op waterkwaliteit

+

+

Waterkwantiteit

Impact bebouwing op waterkwantiteit

+

+

Waterveiligheid

Overstromingsrisico

0

0

Aanvulling plan MER omgevingsvisie Overvecht 2040 | 69

Indicatoren

Beoordelingsparameter

Effectbeoordeling alternatief 1

Effectbeoordeling alternatief 1

0

0

Thema: Klimaatadaptatie Hittestress

Fysiologisch hittestressniveau

Droogte

Potentieel maximaal neerslagtekort

+

+

Wateroverlast

Waterdiepte bij hevige bij van 80 millimeter in 2 uur

+

+

-

-

-

-

0

0

0

-

+

+

0

0

+

0

++

+

+

+

Thema: Omgevingsveiligheid Omgevings-veiligheid

Groepsrisico en plaatsgebonden risico

Thema: Archeologie en cultuurhistorie Archeologie

Behoud archeologische waarden

Cultuurhistorie

Behoud cultuurhistorische waarden

Thema: Ruimtelijke kwaliteit Belevingswaarde

Structuur

Belevingswaarde

Identiteit

Belevingswaarde

Herkenbaarheid

Gebruikswaarde

Samenhang

Gebruikswaarde

Diversiteit aan functies en aanbod

Gebruikswaarde

Bruikbaarheid

70

Indicatoren

Beoordelingsparameter

Effectbeoordeling alternatief 1

Effectbeoordeling alternatief 1

+

+

-

-

+

+

--

--

--

--

+

+

++

+

+

+

Thema: Energie Energietransitie

Aandeel duurzame energie

Energietransitie

Totaal energieverbruik

Thema: Circulariteit Circulariteit

Hergebruik bestaand materiaal

Thema: CO2-uitstoot CO2-uitstoot

Verandering inwonersaantal

CO2-uitstoot

Sloop- en bouwwerkzaamheden

CO2-uitstoot

Openbaar vervoer

CO2-uitstoot

Ontmoedigen gemotoriseerd verkeer

CO2-uitstoot

Verduurzamen woningen

Aanvulling plan MER omgevingsvisie Overvecht 2040 | 71

4.11 Reflectie op Omgevingsvisie Gevoeligheidsanalyse omgevingsvisie

De twee alternatieven (gebundelde verdichting en gespreide verdichting) zijn gekozen om de uitersten van milieueffecten in beeld te brengen en had niet tot doel om één van de twee alternatieven te kiezen. Om een beeld te krijgen van de effecten van de ontwerp-omgevingsvisie is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd. Hierbij is op hoofdlijnen gekeken naar het verschil in effecten tussen onderzoeksalternatief 1 en de ontwerp-omgevingsvisie. De conclusies van deze gevoeligheidsanalyse zijn opgenomen in hoofdstuk 10 van het MER. Hierin is geconcludeerd dat voor alle thema’s behalve natuur de effecten van de omgevingsvisie op hoofdlijnen overeen komen met de effecten van onderzoeksalternatief 1. Voor natuur werd de ontwerp-omgevingsvisie minder negatief beoordeeld dan alternatief 2, omdat er in de omgevingsvisie duidelijker wordt aangegeven waar bepaalde groentypologieën worden verwacht.

Effecten wijzigingen in omgevingsvisie naar aanleiding van zienswijzen

De definitieve omgevingsvisie is op een aantal punten aangepast ten opzichte van de ontwerp-omgevingsvisie. Voor het MER zijn dit de mogelijk relevante wijzigingen: ࡟ De knips tussen de buurten om doorgaand autoverkeer door de buurten te weren worden vervangen door mogelijk aanvullende maatregelen om doorgaand verkeer te verminderen, waarbij we afhankelijk van de ontwikkelingen gaan kijken wat er precies nodig is. ࡟ De groenberekening is aangepast. Effectverwachting wijziging type verkeersmaatregelen Deze paragraaf beschrijft wat de verwachte effecten op de uitkomsten kunnen zijn als de harde knips uit de ontwerp-Omgevingsvisie vervangen worden door twee soorten ingrepen, te weten: 1. Herinrichting van Station t/m Carnegiedreef van de autovrije centrale as (alleen openbaar vervoer, fiets en voetganger); 2. Aanvullende maatregelen in de buurten (noodzaak, type en locatie) later te bepalen. Verkeerskundig is hierbij aangegeven dat dit een beperkte concessie doet aan (de snelheid van) de mobiliteitstransitie. Immers het autogebruik binnen de wijk blijft voor korte verplaatsing (eerst) mogelijk. Daarmee zal deze aanpassing ten opzichte van de eerdere varianten naar verwachting dicht(er) bij de autonome (referentie) situatie zitten.

Immers er zal enerzijds minder verdringend effect zijn en anderzijds is er natuurlijk wel een beperkte toename van verkeer als gevolg van het toevoegen van nieuw programma. De effecten met betrekking tot railverkeer en industrie zullen door aangepaste verkeersmaatregelen niet beïnvloed worden. Voor zowel de geluidsituatie van nieuwe woningen wegverkeer als gecumuleerd geluid nieuwe woningen wordt geen significante verandering verwacht en zeker geen onderscheid tussen alternatief 1 en 2.

72

Het enige effect dat mogelijk gaat wijzigen is het effect Geluidsituatie langs wegen. Immers door de knips minder hard en of gefaseerd in te voeren zal het positieve effect van de ingrepen minder zijn dan van de hardere knips, maar ook zal het verdringend effect beperkter zijn. Daarom zal het verkeersbeeld en de geluidseffecten voor beide alternatieven naar verwachting op de meeste beschouwde wegen dicht(er) bij de autonome situatie komen te liggen dan met de hardere knips. Het is hierdoor dat de scores voor beide varianten nog steeds rond “0” zullen bedragen op dit onderdeel. Verder zal het daarmee de totale beoordeling niet wezenlijk beïnvloeden. Verduidelijken groenberekeningen De groenberekeningen zijn verduidelijkt zodat de gegevens in de omgevingsvisie inzicht bieden in de groenberekeningen

Vergelijking groenberekeningen omgevingsvisie met het MER

In het MER wordt beschreven dat in alternatief 1 2,17 ha groenblauwe routes kunnen worden toegevoegd, terwijl in alternatief 2 6,05 ha groenblauwe routes toegevoegd kunnen worden. Daarnaast staat in het MER dat er bij alternatief 1 14,25 ha en bij alternatief 2 13,68 ha buurt- en wijkgroen toegevoegd kan worden. De varianten zijn conceptueel en bewust vrij extreem getekend om de hoeken van het speelveld te verkennen. Het verschil in groenblauwe routes: Het grootste verschil in oppervlakte ontstaat doordat in alternatief 2 de bebouwing langs de NRU wordt verwijderd en de kavels worden vergroend, om het landschap maximaal de stad in te trekken. In alternatief 1 wordt daarnaast alleen de Carnegiedreef versmald en vergroend. In alternatief 2 worden naast de Carnegriedreef ook de Einsteindreef en de Brailledreef versmald en vergroend. In de Beleidsnota omgevingsvisie Overvecht kiezen we voor het sterk vergroenen van de kavels langs de NRU, zonder functies te verplaatsen ten gunste van groen. De wijkwegen worden smaller, groener en beter oversteekbaar. De Carnegiedreef transformeert deels in een autovrije parkstrook. Het verschil in wijk en buurtgroen/parken: Bij wijk en buurtgroen gaat alternatief 1 van iets meer groen uit dan alternatief 2 maar zijn de verschillen over het totaal gezien niet onderscheidend. Wel zit er verschil in de achterliggende uitgangspunten.

In beide alternatieven vindt verdichting binnen de buurten plaats. ࡟ Alternatief 1 concentreert verdichting langs de HOV-as en het stationsgebied. Dit maakt het mogelijk om het landschappelijke netwerk door te trekken in de buurten. Het groen waaiert landschappelijk door de buurten en zijn er vloeiende overgangen tussen de verschillende groentypologieën. De buurten zijn in alternatief 1 over het algemeen groter dan in alternatief 2. ࡟ In alternatief 2, waarbij verdichting over de hele wijk is verspreid, is er veel meer contrast tussen compacte buurten met harde randen en het omliggende groen. Hier wordt het groen tussen de buurten vrijgespeeld (deels door bestaande bebouwing op te heffen en door vergroening). In alternatief 2 is daarnaast meer groen mogelijk door het vergroten van het Vechtzoompark door vergroenen/opheffen van verharding en bebouwing langs het Zandpad.

Aanvulling plan MER omgevingsvisie Overvecht 2040 | 73

De Beleidsnota omgevingsvisie Overvecht lijkt meer op alternatief 1 dan op alternatief 2. We maken meer verschil in vergroening per type buurt waardoor een genuanceerder beeld ontstaat. Ook wordt in de beleidsnota uitgegaan van het opheffen van straatparkeerplaatsen en het verplaatsen van straatparkeerplaatsen naar gebouwde voorzieningen. Dit levert een veel sterkere vergroening op van de buurten (19 ha inclusief de stadsparken) Conclusie: In alternatief 2 is dus meer groen mogelijk door het extreem vergroenen langs de NRU, het Vechtzoompark en tussen de buurten. De beleidsnota kiest voor terughoudendheid met sloop en stelt daarom geen grootschalige verwijdering van bebouwing voor langs de NRU. Alternatief 1 biedt meer groen verweven door de wijk door stedelijke verdichting te concentreren op specifieke plekken.

74

5. Monitoring en vervolgproces 5.1 Inleiding

De monitoring van milieueffecten binnen de omgevingsvisie Overvecht is gericht op het kunnen evalueren van de impact van geplande ruimtelijke ontwikkelingen op het milieu. Dit proces helpt bij het waarborgen dat de doelen van de omgevingsvisie in balans blijven met het behoud van een gezonde leefomgeving. Door middel van meetbare indicatoren worden (milieu)aspecten in de gaten gehouden. Het doel is om afwijkingen vroegtijdig te signaleren en bij te sturen, zodat de ontwikkeling van Overvecht duurzaam en milieuvriendelijk verloopt.

5.2 Monitoring en indicatoren

De doelstellingen van de Omgevingsvisie worden tijdens de uitvoeringsfase gevolgd met al beschikbare monitoringsinstrumenten en indicatoren. We onderscheiden daarbij de volgende fases. Afhankelijk van de eerder genoemde factoren kunnen de genoemde jaartallen en fase per ontwikkeling nog wijzigen. 1. Nu (tot circa 2030): deze ontwikkelingen zijn al gestart of kunnen op korte termijn starten. 2. Straks (t/m circa 2035): eerdere ontwikkelingen zijn randvoorwaardelijk om hiermee te kunnen starten. 3. Later (t/m circa 2040): voor deze ontwikkelingen zijn meerdere andere ontwikkelingen randvoorwaardelijk. 4. Na 2040: geen onderdeel van omgevingsvisie, wel nu al rekening mee houden. Na iedere fase rapporteren we de voortgang van de Omgevingsvisie.

Outcome niveau

Daarbij sluiten we aan bij de monitor Samen voor Overvecht. Samen met bewoners, professionals en ondernemers begon een paar jaar geleden de wijkaanpak ‘Samen voor Overvecht’. Deze wijkaanpak staat voor het werken aan een wijk waar bewoners samen prettig leven. Die aantrekkelijk is voor (nieuwe) bewoners, bezoekers en ondernemers. Een wijk waar iedereen meetelt en mee kan doen. De wijkaanpak betekent onder andere dat we extra geld steken in onderwijs, werk, zorg,veiligheid en de openbare ruimte. Jaarlijks wordt de voortgang op de vijf ambities en wijkbreed gevolgd en geduid in kenniskringen. Het gaat daarbij om de volgende 5 ambities (1) Plezierig wonen in een meer gemengde wijk, (2) Perspectief voor de jeugd versterken, (3) Veilige buurten, (4) Zorg en ondersteuning dichtbij en op maat en (5) Meedoen en Ondernemen. De Omgevingsvisie Overvecht wil iets doen voor een van de doelen van de wijkaanpak: plezierig wonen in een meer gemengde wijk. We willen graag dat bewoners het beter krijgen. Dat doen we door te houden wat goed is en te verbeteren wat dat nog niet is. ‘Plezierig wonen’ betekent

Aanvulling plan MER omgevingsvisie Overvecht 2040 | 75

bijvoorbeeld dat je een woning kunt vinden die bij je past, dat je kunt verhuizen als je een groter of kleiner huis nodig hebt, en dat je, zodra je de voordeur uitgaat, in een prettige omgeving bent waar je je veilig voelt. Indicatoren zijn vastgesteld in november 2019 als onderdeel van het actieprogramma Samen voor Overvecht. Veel indicatoren zijn van toepassing op de Omgevingsvisie Overvecht.

Output niveau

Daarbij sluiten we in eerste instantie aan bij het MPR en de monitoring waarin gevolgd wordt of we op koers liggen met de doelen uit de RSU.

Indicatoren

In onderstaande tabel staan alle indicatoren die op te nemen zijn in huidige monitoringsinstrumenten. De indicatoren zijn gekozen op basis van doelstelling en strategie. Benoemde indicatoren geven nooit een-op-een aan of het doel is gehaald of niet. Het zichtbaar maken van voortgang en de verantwoording hierop gaat breder dan alleen de terugkoppeling op de indicatoren. Het gaat om een combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve informatie en dit duiden met partners, professionals en inwoners in de stad. Om zo gezamenlijk zicht te houden op de beweging en bij te sturen wanneer nodig. maar wel in diversiteit aan beschermde soorten. Doelstelling

Effectindicatoren

Bron

Thema: Groen en blauw verbeteren en versterken Nieuwe parkruimte, Straten verwijderen uit parken

Aantal hectare groen

Stadsbedrijven/Ruimte en bewerking door onderzoek en advies (Utrecht monitor)

Idem

% inwoners dat tevreden is over het groen in de buurt, % inwoners dat tevreden is over het park in de buurt, % inwoners dat tevreden is over de speelgelegenheid

Samen voor Overvecht

Opschalen van het openbaar vervoer (HOV), verbetering verkeersveiligheid, betere verbindingen binnen de wijk en met de rest van de stad voor lopen, fietsen en OV

Iedereen (jong en oud) kan veilig deelnemen aan het verkeer- Vraag: hoe veilig voel je je in het verkeer Vraag: kun je deelnemen zoals je dat wil

Bestaande vragen in inwonersenquete - 2- jaarlijks

Idem

Het aandeel en kwaliteit van groen (en bomen) in het gebied

Ongevallenstatistiek jaarlijks

Idem

Aanwezigheid van maat-schappelijke voorzieningen en plekken voor ontmoeting

Tellingen

Thema: Veilig en verbonden

76

Doelstelling

Effectindicatoren

Bron

Thema: Ruimte voor groei en behoud 5.000 woningen, 3.000 werkplekken, herinrichting stadsentrees Einsteindreef/Fransiscusdreef/ Carnegiedreef/Zamenhofdreef, gelijkvloerse kruising Einsteindreef/Carnegiedreef, herinrichten openbare ruimte bedrijventerrein

Aantal toegevoegde woningen

CBS/Utrecht in Cijfers (Afd. onderzoek en advies)

Idem

Aantal toegevoegde woningen

PAR/ Onderzoeken advies

Idem

Verdeling segmenten sociale huur, middensegment en duur Verdeling woningen qua oppervlakte

Utrecht in Cijfers (Afd. onderzoek en advies)

Thema: Verschillend en voor iedereen Divers woningaanbod, stedelijke ontwikkelling rondom station, toegankelijke banen, koesteren bestaande voorzieningen, toegankelijke banen, versterking sport en speelruimtes, meer ruimte voor veldsport, maatschappelijke voorzieningen

% woningen naar eigendomsverhouding en prijssegment (aandeel sociale huur, sociale huur via particuliere verhuur, midden huur, dure huur, betaalbare koop, en dure koop)

Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), BghU, RWU, WoON2018, bewerking gemeente Utrecht, Utrecht in Cijfers (Afdelng onderzoek en advies)

Idem

Aantal sociale huurwoningen is minimaal gelijk. Bij nieuwbouw voor ouderen/jongeren is buurtvoorrang ingezet.

Utrecht in Cijfers (Afd. onderzoek en advies) Monitoring prestatieafspraken (afd. wonen)

Idem

Normen per beleidsveld, vaak uitgedrukt in m2

Koersdocument leefbare stad en maatschappelijke voorzieningen

Thema: Duurzaam en toekomstbestendig Duurzaam en toekomstbestendig bouwen, vervangingsopgave riolering, natuurinclusieve bebouwing, duurzame energie en warmte, circulariteit, hittestress

m2 groen, 2m afgekoppeld riool, strekkende meters hemelwaterriool.

Visie water en riolering-GRP (voortgangsprogramma)

Idem

% schaduw op loop- en fietsroutes, % schaduw op loop- en fietsroutes, koele plek van 200m2 op max. 200m afstand van de woning

Visie klimaatadaptatie/Stedelijk Doelenkader

Idem

Natuurinclusieve bebouwing

Salderingsboekhouding SMP, meetnetten voor Urbane sooren (MUS en VleerMUS).

Aanvulling plan MER omgevingsvisie Overvecht 2040 | 77

Doelstelling

Effectindicatoren

Bron

Thema: Duurzaam en toekomstbestendig (vervolg) Circulair bouwen (Duurzaam en toekomstbestendig bouwen)

Milieuprestatie Gebouw (MPG). in €MKI / m2 BVO / jaar (wettelijk verplicht bij nieuwbouw en renovatie van woningen en kantoren)

Bbl. Visie Utrecht Circulair 2050 Is gemonitord in Duurzaamheidsverslag 2023

Idem

Materiaalgebonden CO2 uitstoot in kg CO2eq/m2. (Paris Proof Indicator, volgt uit MPG berekening.)

Het Nieuwe Normaal (HNN)

Idem

Duurzaam materiaalgebruik. Massapercentage hergebruikt of hernieuwbaar materiaal.

Coalitieakkoord Visie Utrecht Circulair 2050 Beleidsnota Utrecht Circulair 2030 (vast te stellen Het Nieuwe Normaal (HNN) Stedelijk Doelenkader

Circulaire openbare ruimte

Milieukosten Indicator (MKI). in €MKI / m2 BVO / jaar

Uitvoeringsprogramma MVOI Het Nieuwe Normaal (HNN)

Natuurinclusieve bebouwing

verblijfplaatsen in gebouwen

salderingsboekhouding SMP

Idem

populatiegrote en trend gebouwbewonende soorten.

Meetnetten voor Urbane sooren (MUS en VleerMUS)

Thema: Gezondheid

78

Inwoners ademen schonere lucht in en ondervinden minimale geluidshinder.

% Utrechters dat vaak overlast van lawaai ervaart (IE2021: 38%).

We voorkomen zoveel mogelijk gezondheidsschade als gevolg van hittestress en zon.

% Utrechters dat een zes of hoger geeft voor de mogelijkheid om bij hitte verkoeling in de eigen woning te vinden (GM 2022: 72%).

Idem

Natuurinclusieve % Utrechters dat een zes of hoger geeft voor demogelijkheid om bij hitte verkoeling in de tuin en/of de buurt te vinden (GM 2022: 71%).

Gemeente Utrecht Ontwikkelorganisatie Ruimte omgevingsvisieovervecht@utrecht.nl Projectteam Omgevingsvisie Overvecht November 2024

productcode xxxx

Utrecht.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=262728e7-da93-4246-b7a3-d91ce1437c9a