CConstaterende datUtrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

8. Bijlages Lucht FloraFauna Quickscan Bodem Bezonning Groenplan

Gemeenteraad 20 november 2025, gemeente UtrechtBij agendapunt: Bindend Advies Laan Sarajevo / Berlijnplein30.841 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Receptor Id

Naam

X

Y

Conc NO2

NO2 Ou

Conc PM10

PM10 Od

Conc PM2,5

Achtg NO2

Achtg PM10

Achtg PM2,5

63 Wolfgang Pauliweg

133231

456668

22.8

82

22.1

10

13.7

18.3

21.4

13.4

616804 Wolfgang Pauliweg

133095

456988

31.6

100

23.7

13

14.3

18.3

21.4

13.4

15849687 Wolfgang Pauliweg

133172

456841

31.7

100

23.5

13

14.2

18.3

21.4

13.4

614208 Wolfgang Pauliweg

133035

457093

28.3

93

22.4

11

13.5

17.8

20.8

12.9

616161 Wolfgang Pauliweg

132990

457170

26.0

89

22.6

11

13.8

16.4

21.1

13.2

616217 Wolfgang Pauliweg

132946

457247

24.9

87

22.4

11

13.7

16.4

21.1

13.2

15709343 Wolfgang Pauliweg

133241

456778

25.7

88

22.5

11

13.8

18.3

21.4

13.4

615530 Wolfgang Pauliweg

132901

457324

24.3

85

22.3

11

13.7

16.4

21.1

13.2

15849680 Zagresstraat

133380

456439

21.0

79

21.8

10

13.6

18.3

21.4

13.4

2 Zagresstraat

133405

456439

21.0

79

21.8

10

13.6

18.3

21.4

13.4

31-31

Juni 2021

Quickscan Soortbescherming

LRC oost te Utrecht

In opdracht van: Gemeente Utrecht Projectnummer: 2021-113

© 2021 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Randweg 30 4104 AC Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87

Tekst: Veldonderzoek: Foto’s: Foto voorblad:

Bouwveld G13, met op de achtergrond de Hogeweidebrug.

Projectnummer: Wijze van citeren:

2021-113

In opdracht van: Contactpersoon:

Gemeente Utrecht

Datum: Ondertekening: Paraaf:

22-6-2021

2021. Quickscan soortbescherming LRC oost – Gemeente Utrecht. Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR2021-113.

Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving.

Door de inzet van conform de wet ecologisch deskundigen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.

Inhoud

1.

2.

3.

4.

Aanleiding ..................................................... 3

4.6.

Amfibieën ................................................ 26

1.1.

Situatie ....................................................... 3

4.7.

Reptielen ................................................. 26

1.2.

Beschrijving van het plangebied ................ 3

4.8.

Ongewervelden ....................................... 26

1.3.

Probleemstelling ........................................ 3

4.9.

Paddenstoelen ......................................... 27

1.4.

Geldigheid onderzoek ................................ 4

5.

Beschrijving bouwvelden ................................ 5

Mitigatie soortbescherming .......................... 28 5.1.

Zorgplicht................................................. 28

5.2.

Algemene broedvogels ............................ 28

2.1.

Bouwveld E9 .............................................. 5

2.2.

Bouwveld F8 en F9 (direct aangrenzend) .. 7

2.3.

Bouwveld F12 (a, b) ................................. 10

6.1.

Beantwoording onderzoeksvragen ......... 30

2.4.

Bouwveld G11 .......................................... 12

6.2.

Conclusie ................................................. 30

2.5.

Bouwveld G12 .......................................... 13

6.3.

Kansen voor natuur ................................. 30

2.6.

Bouwveld G13 .......................................... 15

2.7.

Bouwveld G15 (a, b, c) ............................. 16

7.1.

Literatuur ................................................. 32

2.8.

Bouwveld H8 (a, b) ................................... 18

7.2.

Websites .................................................. 33

2.9.

Bouwveld I5 ............................................. 20

Bijlage A.

Wettelijk kader ................................. 34

Onderzoeksmethode .................................... 21

6.

7.

Conclusie en advies ...................................... 30

Literatuurlijst ............................................... 32

Wet Natuurbescherming...................................... 34

3.1.

Literatuuronderzoek ................................ 21

Zorgplicht ............................................................. 34

3.2.

Veldonderzoek ......................................... 21

Natura 2000-gebieden ......................................... 34

3.3.

Effectenanalyse ........................................ 21

Soortbescherming ................................................ 35

Soortbescherming ........................................ 22

Beschermde houtopstanden ................................ 37

4.1.

Vaatplanten ............................................. 22

Ontheffing, vergunning of vrijstelling .................. 38

4.2.

Grondgebonden zoogdieren .................... 23

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ........................ 38

4.3.

Vleermuizen ............................................. 23

Bijlage B.

Overzicht algemene vrijstellingen ...... 42

4.4.

Vogels....................................................... 24

Bijlage C.

Nederlandse vleermuissoorten.......... 43

4.5.

Vissen ....................................................... 25

Bijlage D.

Ecologisch deskundige ...................... 44

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

1

Samenvatting

De gemeente Utrecht is bezig met het ontwikkelen van Leidsche Rijn Centrum Oost. De huidige werkzaamheden omvatten het bouwrijp maken van de bouwvelden om de ontwikkeling van bebouwing e.d. mogelijk te maken. Dergelijke ingrepen kunnen negatieve effecten veroorzaken op ter plaatse voorkomende beschermde natuurwaarden Tijdens de Quickscan zijn behalve algemene broedvogels geen onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten aangetroffen in het plangebied. Wel zijn er enkele vrijgestelde soorten aangetroffen zoals haas en kunnen vrijgestelde soorten als bruine pad gebruik maken van de bouwvelden. Met betrekking tot de algemene broedvogels en vrijgestelde soorten is het noodzakelijk om mitigerende maatregelen uit te voeren om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen. Het is niet noodzakelijk een aanvullend onderzoek naar beschermde soorten uit te voeren. Wel is er in het gebied potentie voor soorten van de Utrechtse soortenlijst, bij uitvoer zal hier rekening mee moeten worden gehouden. Tabel 1 | Samenvatting soortbescherming met aanwezigheid, effecten en vervolgstappen per soortgroep Soortgroep

Effecten

Vervolgstappen

Vaatplanten

Nee

Geen

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Geen

Vleermuizen

Nee

Geen

Vogels met jaarrond beschermd nest

Nee

Geen

Algemene broedvogels

Mogelijk overtreding artikel 3.1

Werken buiten broedseizoen

Vissen

Nee

Geen

Amfibieën

Nee

Geen

Reptielen

Nee

Geen

Ongewervelden

Nee

Geen

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

2

1. Aanleiding

1.1.

Situatie

De gemeente Utrecht is sinds begin 2017 bezig met het ontwikkelen van Leidsche Rijn Centrum Oost. De huidige werkzaamheden omvatten het bouwrijp maken van de bouwvelden om de ontwikkeling van bebouwing e.d. mogelijk te maken. Dergelijke ingrepen kunnen negatieve effecten veroorzaken op ter plaatse voorkomende beschermde natuurwaarden1. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming of andere wet- of regelgeving overtreden. De volgende beschermingsregimes zijn voor onderhavig project van belang: • Soortenbescherming. In Bijlage A vindt u meer informatie over de Wet natuurbescherming en overige relevante wetgeving. Voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden is een onderzoek uitgevoerd naar het mogelijke voorkomen van beschermde natuurwaarden middels een verkennend natuurwaardenonderzoek (Quickscan). Het doel van dit onderzoek is om te onderzoeken of er door het uitvoeren van de werkzaamheden een overtreding van de Wet natuurbescherming of andere wet- en regelgeving is te verwachten. En zo ja, wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de vigerende wet- en regelgeving uit te voeren? In onderhavig rapport worden de kaders, uitvoering, resultaten en effectbeoordeling van deze toetsing beschreven.

1.2.

Beschrijving van het plangebied

Het plangebied Leidsche Rijn Centrum Oost ligt tussen Leidsche Rijn Centrum, het Amsterdam-Rijnkanaal, de Vleutensebaan en de (deels nog te realiseren) wijk Leeuwesteyn. In en rondom het plangebied zijn braakliggende terreinen, wegverharding, ruigte en watergangen aanwezig.

In Figuur 1.1 wordt een overzicht van het onderzoeksgebied gegeven. In Hoofdstuk 2 wordt een overzicht van de bouwvelden met impressie per bouwveld gegeven.

1.3.

Probleemstelling

Om goed voorbereid te zijn op eventueel noodzakelijke maatregelen of een vergunning of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming geeft een Quickscan Wet natuurbescherming antwoord op de volgende onderzoeksvragen: Soortbescherming • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? • Ondervinden aanwezige beschermde soorten of soorten van de Utrechtse soortenlijst negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? • Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? • Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? • Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren. Uiteindelijk wordt daarmee de vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren?

1

Beschermde soorten: alle onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten in de provincie Utrecht.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

3

1.4.

Geldigheid onderzoek

Deze Quickscan is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve

veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn”. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in paragraaf 1.1. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden.

Figuur 1.1 | Overzicht onderzoeksgebied

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

4

2. Beschrijving bouwvelden

2.1.

Bouwveld E9

Dit bouwveld is afgegraven en heeft enkel ruderale pioniervegetatie, bestaande uit o.a. brandnetel (Urtica dioica), hondsdraf (Glechoma hederacea), klein hoefblad (Tussilago farfara) en smeerwortel (Symphitum officinale) aan de randen van het bouwveld.

Figuur 2.1 | Bouwveld E9

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

5

Afbeelding 2.1.1

Afbeelding 2.1.2

Afbeelding 2.1.3

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

6

2.2.

Bouwveld F8 en F9 (direct aangrenzend)

Deze bouwvelden liggen aaneengesloten en zijn grotendeels afgegraven. De bouwvelden hebben enkel ruderale vegetatie op de taluds. Langs het bouwveld F9, aan de noordoostelijke zijde, is een sloot aanwezig met een goed ontwikkelde oevervegetatie. Hier groeit onder andere pluimzegge (Carex paniculata) en grote lisdodde (Typha latifolia). Er is potentie voor soorten van de Utrechtse lijst zoals de grote kattenstaart (Lythrum salicaria) en de grote wederik (Lysimachia vulgaris L). In de sloot was een meerkoetpaar (Fulica atra) aan het foerageren, maar een nest is niet aangetroffen.

Figuur 2.2 | Bouwveld F8

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

7

Figuur 2.3 | Bouwveld F9

Afbeelding 2.3.1

Afbeelding 2.3.2

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

8

Afbeelding 2.3.3

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

9

2.3.

Bouwveld F12 (a, b)

Dit bouwveld bestaat grotendeels uit een goed ontwikkelde kruidenvegetatie, met name langs het fietspad. In de westelijke helft is er een zand/substraat groeve bijna helemaal zonder vegetatie, met uitzondering van de steile helling. Boven naast het fietspad is een middelgrote kale plek met zeer verspreide vegetatie. Soorten die op deze locatie vastgesteld zijn: gewone veldsla (Valerianella locusta), grote klaproos (Papaver rhoeas), heermoes (Equisetum arvense), reigersbek (Erodium cicutarium), zachte ooievaarsbek (Geranium molle) en zandraket (Arabidopsis thaliana). Aan de top van de helling tussen de groeve en de boerderij is een fazantvrouwtje (Phasianus colchicus) aangetroffen die mogelijk op het nest zat. Een sloot met weinig vegetatie loopt langs de Oude Vleutenseweg.

Figuur 2.4 | Bouwveld F12 (a, b)

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

10

Afbeelding 2.4.1

Afbeelding 2.4.2

Afbeelding 2.4.3

Afbeelding 2.4.4

Afbeelding 2.4.5

Afbeelding 2.4.6

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

11

2.4.

Bouwveld G11

Dit bouwveld bestaat uit een vrij groen veld bestaande uit goed ontwikkelde ruderale vegetatie. In dit bouwveld is een groeilocatie van grote kaardebol (Dipsacus fullonum) aanwezig. Daarnaast o.a. zilverschoon (Potentilla anserina).

Figuur 2.5 | Bouwveld G11

Afbeelding 2.5.1

Afbeelding 2.5.2

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

12

2.5.

Bouwveld G12

Bouwveld G12 lijkt zeer veel op bouwveld F9 en in het veld is de begrenzing tussen deze twee bouwvelden lastig te onderscheiden.

Figuur 2.6 | Bouwveld G12

Afbeelding 2.6.1

Afbeelding 2.6.2

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

13

Afbeelding 2.6.3

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

14

2.6.

Bouwveld G13

Dit bouwveld lijkt in soortensamenstelling erg op het aangrenzende bouwveld G12.

Figuur 2.7 | Bouwveld (G13)

Afbeelding 2.7.1

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

15

2.7.

Bouwveld G15 (a, b, c)

Op deze bouwplaats ligt momenteel een tijdelijke parkeerplaats die het grootste deel van het bouwveld beslaat. Daarnaast groeit er een kenmerkend ruderale pioniervegetatie met onder andere veel speerdistel (Cirsium vulgare). Ten oosten van G15 ligt een sloot met veel bomen en struiken omheen, o.a. zwarte els (Alnus glutinosa), gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), es (Fraxinus excelsior), schietwilg (Salix alba), braam (Rubus fruticosus), zwarte vlier (Sambucus nigra) en rode kornoelje (Cornus sanguinea L.). In deze bosschage kunnen algemene broedvogels tot broeden komen, zoals merel (Turdus merula) en tjiftjaf (Phylloscopus collybita).

Figuur 2.8 | Bouwveld G15 (a, b, c)

Afbeelding 2.8.1

Afbeelding 2.8.2

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

16

Afbeelding 2.8.3

Afbeelding 2.8.4

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

17

2.8.

Bouwveld H8 (a, b)

Bouwveld H8 is grotendeels afgegraven zonder vegetatie. Voor de rest is er een verspreide ruderale vegetatie te vinden met o.a. grote weegbree (Plantago major).

Figuur 2.9 | Bouwveld H8 (a, b)

Afbeelding 2.9.1

Afbeelding 2.9.2

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

18

Afbeelding 2.9.3

Afbeelding 2.9.4

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

19

2.9.

Bouwveld I5

Dit bouwveld bestaat uit een redelijk groen veld bestaande uit goed ontwikkelde ruderale vegetatie. Vastgestelde soorten bestaan uit: herderstasje (Capsella bursa-pastoris), hoenderbeet (Lamium amplexicaule) en grote ereprijs (Veronica persica).

Figuur 2.10 | Bouwveld I5

Afbeelding 2.10.1

Afbeelding 2.10.2

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

20

3. Onderzoeksmethode

Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hiermee is de ecologische waarde van het plangebied onderzocht door middel van een literatuuronderzoek en een veldinventarisatie. Op deze manier wordt het voorkomen bepaald van beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.

3.1.

Literatuuronderzoek

Voor het literatuuronderzoek naar soorten beschermd onder de Wnb en de Utrechtse soortenlijst is o.a. gebruik gemaakt van verspreidingsgegevens uit het archief van Bureau Viridis, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen en vrij beschikbare verspreidingsgegevens van soortenorganisaties gebruikt. De gebruikte bronnen staan vermeld in hoofdstuk 8. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het mogelijke voorkomen van deze soorten.

3.2.

Veldonderzoek

Bureau Viridis heeft op 5-5-2021 een veldbezoek uitgevoerd. Bij het veldbezoek is op basis van geografische ligging, terreingesteldheid en expert judgement beoordeeld of in en rond het plangebied beschermde natuurwaarden kunnen voorkomen of dat er voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is.

3.3.

Effectenanalyse

De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen gegevens van beschermde soorten zijn geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoering van de werkzaamheden mogelijk verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Als blijkt dat er beschermde natuurwaarden zijn die mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven in onderhavige rapportage. Wanneer mogelijk worden alternatieven of mitigerende maatregelen voorgesteld om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten. Indien de aanwezigheid van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft wordt dit aangeven in de toetsing.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

21

4. Soortbescherming

Dier- en plantensoorten zijn verdeeld in drie categorieën en worden in meer of mindere mate beschermd: • Vogelrichtlijnsoorten, hieronder vallen alle inheemse vogelsoorten (artikel 3.1); • Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5); • Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10). Per wetsartikel gelden een aantal verbodsbepalingen die mogelijk overtreden worden bij de geplande ingreep. Bij ruimtelijke ingrepen houdt dit hoofdzakelijk verband met de bescherming van nesten, bescherming van verblijfplaatsen en voortplantingsbiotoop en verbod op het doden of verwonden van beschermde soorten. Op deze verbodsbepalingen gelden enkele uitzonderingen. Zo is provinciaal een vrijstellingslijst vastgesteld met daarop een aantal soorten waarvoor deze verbodsbepalingen niet gelden. Ook kan er in specifieke gevallen gewerkt worden volgens een ministerieel goedgekeurde gedragscode waarin voorschriften opgenomen zijn om de effecten te beperken. Naast de verbodsartikelen voor de soorten en gebieden geldt ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.11) voor álle inheemse dier- en plantensoorten, inclusief de niet beschermde en vrijgestelde soorten. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade aan in het wild levende soorten en gebieden. Deze zorgverplichting geldt voor alle hieronder beschreven soortgroepen en zal daarom niet nog eens per soortgroep worden beschreven.

In het volgende hoofdstuk worden algemene mitigerende maatregelen beschreven om aan de zorgplicht te voldoen. Hieronder worden de resultaten van het literatuuronderzoek en veldonderzoek per soortgroep besproken. Per soortgroep is een effectenbeoordeling opgenomen waarin helder beschreven wordt of er negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten zijn en, indien van toepassing, of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen.

4.1.

Vaatplanten

Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF en op basis van terreingesteldheid worden geen beschermde vaatplanten verwacht in het plangebied. Er zijn tijdens het veldbezoek ook geen beschermde vaatplanten aangetroffen. Het plangebied bestaat uit braakliggende terreinen met voornamelijk ruderale soorten. Beschermde vaatplanten hebben zeer specifieke habitateisen en groeien voornamelijk op voedselarme, kalkhoudende bodem. In een stedelijke omgeving als deze zijn dergelijke soorten niet verwachten. Op bouwveld G11 is een groeilocatie van de grote kaardebol aanwezig. Langs de sloot is tijdens het eerste onderzoek bij bouwveld F9 potentie vastgesteld voor twee soorten van de Utrechtse soortenlijst: grote kattenstaart en grote wederik, hoewel deze tijdens dit eerste veldbezoek niet zijn aangetroffen. Bij een tweede bezoek op 3 augustus 2021, in het kader van een veldbezoek aan een nabijgelegen bouwlocatie is de sloot nogmaals onderzocht. Tijdens dit bezoek is de aanwezigheid van grote kattenstart en grote wederik uitgesloten. Effectbeoordeling vaatplaten Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat onder de Wnb beschermde vaatplanten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Negatieve effecten op beschermde soorten vaatplanten zijn daarom uitgesloten.

Een nader onderzoek naar beschermde vaatplanten is daarom niet noodzakelijk. Op basis van het onderzoek zijn negatieve effecten op soorten van de Utrechtse soortenlijst niet uit te sluiten. In de plannen dient rekening te worden gehouden met de groeiplaats van gewone kaardebol (bouwveld G11. Conclusie vaatplanten Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied geen beschermde vaatplanten aanwezig zijn.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

22

• Op bouwveld G11 is een groeilocatie van grote kaardebol aanwezig, geadviseerd wordt om: o de groeilocatie van deze soort te behouden, o de groeilocatie voorzichtig af te graven en op een andere locatie terug te brengen o De zaden van de soort te verzamelen en deze op een nieuwe locatie in de buurt uit te zaaien Op deze manier kan de groeilocatie van de soort behouden worden. Geschikte alternatieve locaties zijn de groenstrook aan de oostzijde van het plangebied, of op locaties waar de ontwikkelingen inmiddels zijn afgerond en groenstroken zijn gerealiseerd. De uiteindelijke locatie zal in overleg met de gemeente Utrecht bepaald moeten worden.

4.2.

Grondgebonden zoogdieren

Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF is alleen het voorkomen bekend van algemene grondgebonden zoogdieren als konijn en haas die voorkomen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Deze soorten staan op een lijst met soorten die in de Provincie Utrecht vrijgesteld zijn van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (Bijlage B). Beschermde grondgebonden zoogdieren zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen en worden op basis verspreidingsgegevens en het aanwezige biotoop, braakliggend terrein, niet verwacht. Er zijn bijvoorbeeld geen gebouwen of bomen aanwezig die nestplaatsen kunnen bieden aan bijvoorbeeld eekhoorn of steenmarter. Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde grondgebonden zoogdieren (met uitzondering van enkele vrijgestelde soorten als haas of konijn) in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde grondgebonden zoogdieren. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Een nader onderzoek naar beschermde grondgebonden zoogdieren is niet noodzakelijk. Conclusie grondgebonden zoogdieren Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat:

• Negatieve effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren uitgesloten zijn. • Er rekening gehouden moet worden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming).

4.3.

Vleermuizen

Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied vleermuizen verwacht kunnen worden. Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Vaste verblijfplaatsen Vleermuizen zijn globaal te verdelen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en boombewonende soorten zoals rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en watervleermuis (Myotis daubentoni). Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, achter dakbeschot en in schoorstenen etc.). Andere soorten zoals de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten. Uit de literatuur (NDFF) is bekend dat in de omgeving o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), laatvlieger (Eptesicus serotinus) en rosse vleermuis voorkomt.

Er zijn geen gebouwen of bomen aanwezig die verblijfplaatsen kunnen bieden aan gebouwbewonende en/of boombewonende vleermuizen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn daarom uitgesloten. Vliegroutes Om zich van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. De gewone dwergvleermuis gebruikt bijvoorbeeld vaak bomenrijen om zich te oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen. Vleermuizen moeten dan een

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

23

alternatieve route gebruiken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een significant negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben. Het verdwijnen van een essentiële vliegroute leidt zo tot het niet meer functioneren van een verblijfplaats. Dergelijke essentiële vliegroutes zijn strikt beschermd. In het plangebied is geen sprake van doorlopende lijnvormige elementen. Essentiële vliegroutes zijn daarom in het plangebied uitgesloten. Foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is strikt beschermd. Het is uitgesloten dat er essentieel foerageergebied aanwezig is in het plangebied.

Vanwege de afwezigheid van bijvoorbeeld bosschages of waterpartijen zal het gebied hoogstens sporadisch gebruikt worden door vleermuizen om boven te foerageren. In de omgeving zijn geschiktere structuren zoals bomen en water aanwezig als potentieel foerageergebied. Effectbeoordeling vleermuizen Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen met zekerheid uit te sluiten. Essentiële vliegroutes en foerageergebied zijn eveneens uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikte structuren. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op vleermuizen. Een nader onderzoek naar vleermuizen is daarom ook niet noodzakelijk.

• Het uitgesloten is dat in het plangebied verblijfplaatsen van boom- of gebouwbewonende vleermuissoorten aanwezig zijn. • Er geen essentiële vliegroutes aanwezig zijn in het plangebied. • Het plangebied als foerageergebied door vleermuizen gebruikt kan worden, echter niet als essentieel foerageergebied.

4.4.

Vogels

Voor vogels wordt in de Wet natuurbescherming onderscheid gemaakt tussen soorten met een jaarrond beschermde nestplaats en algemene broedvogels waarvan de nesten uitsluitend beschermd zijn gedurende de periode waarin deze in gebruik zijn (zie Tabel A in Bijlage A). In het plangebied is bekeken of er jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels aanwezig (kunnen) zijn. Ook is gezocht naar nesten van en geschikte nestgelegenheid voor algemene broedvogels. Jaarrond beschermde nestplaatsen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied voor. Het betreft buizerd (Buteo buteo), huismus (Passer domesticus) gierzwaluw (Apus apus), grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea), ooievaar (Ciconia ciconia), roek (Corvus frugilegus) en sperwer (Accipiter nisus). De bouwvelden bieden geen potentie voor vogels met jaarrond beschermde nesten, deze broeden ofwel in gebouwen of in hoge bomen of boomgroepen. Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Jaarrond beschermde nesten zijn dan ook uitgesloten. Algemene broedvogels In de omgeving komen verschillende algemene broedvogels voor. In het plangebied en de directe omgeving zijn waarnemingen bekend van o.a.

fazant (Phasianus colchicus), graspieper (Anthus pratensis), kleine plevier (Charadrius dubius), putter (Carduelis carduelis) en torenvalk (Falco tinnunculus) (NDFF). Tijdens het veldwerk zijn geen vogels of nesten van vogels in het plangebied aangetroffen. Veel soorten broeden in struweel of bosschages die enkel aanwezig buiten de begrenzing van de bouwvelden, zo kunnen bij bouwveld G15 in de bosschages langs de sloot merel en tjiftjaf (Utrechtse soortenlijst) tot broeden komen.

Conclusie vleermuizen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat:

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

24

Op bouwveld F12 was vermoedelijk een nestlocatie van fazant aanwezig, mogelijk kan deze soort ook op omliggende bouwvelden in hogere vegetatie tot broeden komen. Effectbeoordeling vogels Negatieve effecten op jaarrond beschermde nestplaatsen zijn uitgesloten omdat geschikte biotopen voor dergelijke nestplaatsen ontbreken. Nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten is niet noodzakelijk. Negatieve effecten op nesten van algemene broedvogels zijn niet op voorhand uit te sluiten. Tijdens het veldbezoek was één nest van een fazant aanwezig. Dit nest is ten tijde van het opstellen van het rapport vermoedelijk niet meer in gebruik, en over het algemeen genomen hebben fazanten slechts één broedsel per jaar. Het is echter zeer waarschijnlijk dat de jonge, niet vliegvlugge jongen zich nog op het bouwveld bevinden. Tevens is het mogelijk dat er andere nog wel in gebruik zijnde nesten van de fazant aanwezig zijn op een van de bouwvelden. In gebruik zijnde nesten zijn beschermd onder de Wet Natuurbescherming. Wanneer er werkzaamheden worden uitgevoerd terwijl er kuikens of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn kunnen negatieve effecten optreden. Om negatieve effecten op in gebruik zijnde nesten van algemene broedvogels te voorkomen dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden zoals vermeld in hoofdstuk 5.

Wanneer de bosschages bij bouwveld G15 verwijderd worden voor de ontwikkeling zijn negatieve effecten op nestlocaties van tjiftjaf en merel niet uit te sluiten. Conclusie vogels Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied geen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. • Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten zijn uitgesloten. • Er binnen het plangebied algemene broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten tot broeden kunnen komen, waarvan de nesten tijdens werkzaamheden in het broedseizoen vernield kunnen worden of ernstige verstoring tot hetzelfde effect leidt. Tevens kunnen aanwezige niet vliegvlugge kuikens bij de werkzaamheden gedood worden. Dit is een overtreding van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1, lid 1 en 2.

• Mitigerende maatregelen zijn noodzakelijk, de mitigerende maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 5. • Het verwijderen van de bosschages bij bouwveld G15 kan negatieve effecten veroorzaken op de nestlocaties van tjiftjaf en merel, de broedlocaties gaan daarbij verloren. In het kader van de Utrechtse soortenlijst dienen er in dat geval vervangende nestlocaties aangeboden te worden. Het aanplanten van struiken en bomen rondom de nieuwe bebouwing zal deze soorten voorzien van nieuwe nestlocaties, hiermee zal voldaan worden aan de vereiste compensatie

4.5.

Vissen

In het plangebied is bij bouwveld F9 een sloot aanwezig. Hoewel vissen ten tijde van de Quickscan niet aangetroffen zijn bij bemonstering, kan niet uitgesloten worden dat deze niet aanwezig zijn. Beschermde soorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Er is specifiek gelet op beschermde vissen als de grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) tijdens het veldbezoek, maar het habitat voldoet niet aan de eisen van de soort wegens onder meer het ontbreken van een rijke (onder)watervegetatie en een gevarieerde oevervegetatie. De bodem van de te dempen watergang bestaat ook niet uit zand of stevige klei met een voldoende dikke sliblaag. In het plangebied zijn in het geheel geen geschikte biotopen voor beschermde vissen aanwezig. Bittervoorn (Rhodeus amarus) en kleine modderkruiper (Cobitis taenia) van de Utrechtse soortenlijst kunnen mogelijk wel voorkomen in aanwezige sloot. Effectbeoordeling vissen Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde vissen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde vissen is niet noodzakelijk. Bittervoorn en kleine modderkruiper zijn algemene soorten die in de omgeving veel voorkomen.

Door het dempen van de sloot gaat leefgebied van deze soorten verloren. Daarom dient in de nieuwe situatie rekening te worden gehouden met het leefgebied van deze soorten zodat voldoende leefgebied behouden blijft. Dit kan gaan om behoud van de potentiële locatie of door het terugbrengen van evenveel biotoop voor de

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

25

betreffende soorten. Ook moet bij het eventuele dempen van een watergang rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Conclusie vissen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • Er in het plangebied geen beschermde vissen aanwezig zijn. • Negatieve effecten op de Utrechtse soorten bittervoorn en kleine modderkruiper zijn door het eventuele dempen van de sloot niet uitgesloten. In de nieuwe situatie dient daar rekening mee te houden door behoud van het potentiële leefgebied of door het terugbrengen van evenveel biotoop voor de betreffende soorten. Er dient wel rekening gehouden moet worden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Zie hoofdstuk 5.

4.6.

Amfibieën

Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF komen beschermde amfibieën in de omgeving van het plangebied voor, waaronder gewone pad (Bufo bufo), bruine kikker (Rana temporaria) en kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris). Deze soorten zijn beschermd onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming, maar deze soorten zijn door Provincie Utrecht vrijgesteld van de verboden in de Wet natuurbescherming (Bijlage B). Andere beschermde amfibieën worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Beschermde amfibieën komen voornamelijk voor in veen- of heidegebieden, in schone vennen, poelen en vijvers en in uiterwaarden. Dergelijk gebied is niet in het plangebied aanwezig. Effectbeoordeling amfibieën Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde amfibieën (met uitzondering van enkele vrijgestelde soorten) in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde amfibieën. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet

natuurbescherming). Een nader onderzoek naar beschermde amfibieën is niet noodzakelijk. Conclusie amfibieën Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied geen beschermde amfibieën aanwezig zijn. • Er rekening gehouden moet worden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Zie hoofdstuk 5.

4.7.

Reptielen

Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF en op basis van terreingesteldheid worden geen beschermde reptielen verwacht in het plangebied. De meeste reptielensoorten houden zich vooral op in geleidelijke overgangssituaties tussen natuurlijke biotopen in bos, - heide- en veengebieden. Ringslangen komen veel voor nabij watervoerende elementen zoals oevers van grote waterpartijen en poelen. Al deze biotopen zijn in het plangebied niet aanwezig. Effectbeoordeling reptielen Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde reptielen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde reptielen. Een nader onderzoek naar beschermde reptielen is daarom ook niet noodzakelijk. Conclusie reptielen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied geen beschermde reptielen aanwezig zijn.

4.8.

Ongewervelden

Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF en op basis van terreingesteldheid worden geen beschermde ongewervelden verwacht in het plangebied. Beschermde ongewervelde diersoorten, zoals dagvlinders en libellen, stellen namelijk zeer specifieke eisen aan hun biotoop. In het plangebied zijn geen geschikte biotopen voor deze soorten aanwezig. Zij worden daarom ook niet verwacht. Op de Utrechtse soortenlijst staan nog enkele soorten wilde bijen en de wijngaardslak. De wijngaardslak komt in de omgeving niet voor en is uit te sluiten op basis van verspreiding. Op basis van de

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

26

terreingesteldheid is het voorkomen van de wilde bijen van de Utrechtse soortenlijst uitgesloten. Binnen het plangebied bevinden zich geen geschikte voortplantingslocaties voor de soorten. Tevens zijn deze soorten gespecialiseerd in specifieke plantfamilies of specifieke plantgenus voor de stuifmeelbehoefte. Bij de sloot bij bouwveld F9 is potentie voor grote kattenstaart en grote wederik, deze planten worden door de kattenstaartbij (Melitta nigricans) en gewone slobkousbij (Macropis europaea) gebruikt voor de voedselvoorziening. Echter is de potentie voor deze soorten slechts beperkt tot één sloot binnen het gehele plangebied. Gezien het ontbreken van geschikte voortplantingslocaties én voldoende aanbod kan het voorkomen van de wilde bijen van de Utrechtse soortenlijst daarmee worden uitgesloten.

werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde ongewervelden. Een nader onderzoek naar beschermde ongewervelden is daarom ook niet noodzakelijk. Conclusie ongewervelden Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied geen beschermde ongewervelden aanwezig zijn.

4.9.

Paddenstoelen

Op de Utrechtse soortenlijst zijn ook paddenstoelen meegenomen, die geen wettelijke bescherming genieten. De paddenstoelen op de Utrechtse soortenlijst stellen specifieke eisen aan hun omgeving. Geschikte biotopen komen niet voor op de bouwvelden. De aanwezigheid van deze soorten worden uitgesloten.

Effectbeoordeling ongewervelden Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde ongewervelden in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

27

5. Mitigatie soortbescherming

Onderstaand is per soort(groep) beschreven met welke mitigerende maatregelen er invulling wordt gegeven aan het voorkomen dan wel te verminderen van negatieve effecten op zowel soort- als populatieniveau.

5.1.

Zorgplicht

In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 de algemene zorgverplichting opgenomen. In dit artikel is beschreven dat eenieder verplicht is om voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De algemene zorgplicht geldt te allen tijde bij het uitvoeren van werkzaamheden, ongeacht of deze te typeren zijn als ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud en ongeacht of er beschermde soorten aanwezig zijn. Dit laatste wil dus zeggen dat ook als er geen beschermde soorten voorkomen de algemene zorgverplichting toch in acht genomen dient te worden. Hiervoor dienen algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze algemene mitigerende maatregelen zijn onderstaand beschreven. • Werkzaamheden in het plangebied dienen met de minste schade voor aanwezige planten en dieren uitgevoerd te worden. • Wees alert op dieren in het plangebied. Wacht tot dieren zelfstandig het gebied hebben verlaten. • Werk vanuit het midden van het plangebied naar de rand, of werk langzaam in één werkrichting zodat verstoorde dieren de mogelijkheid hebben om het plangebied te verlaten. Draag er tevens zorg voor dat de richting waarin de dieren moeten vluchten voldoende beschutting of leefgebied biedt. • Verlichting is alleen aan wanneer dat functioneel noodzakelijk is.

De verlichting wordt voldoende afgeschermd en alleen op het werk gericht. Gebruik alleen verlichting met een naar beneden gerichte lichtbundel. • Er dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande wegen en paden.

5.2.

Algemene broedvogels

Veel broedvogels zijn opportunisten die weinig eisen stellen aan hun omgeving. Alle vogelnesten zijn beschermd als ze in gebruik zijn. Algemene broedvogels zijn niet standvastig, ze kunnen ieder jaar op een andere plek broeden en zijn weinig kieskeurig. Soorten die tot broeden kunnen komen in of nabij het plangebied zijn o.a. fazant, merel en houtduif. Onderstaande maatregelen en aandachtspunten moeten in acht worden genomen ten aanzien van algemene broedvogels om een overtreding van artikel 3.1, lid 2 te voorkomen. • Er kunnen in het plangebied algemene vogels tot broeden komen. Deze vogelnesten zijn uitsluitend beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn, dat wil zeggen de broed- en nestperiode; • De broedperiode loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd; • Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verwijderen of verstoren van in gebruik zijnde nesten in de broed- en nestperiode.

Voor verlaten nestplaatsen geldt dit niet; • Het is in dit kader aan te bevelen om de werkzaamheden voor zover dat mogelijk is buiten de broedperiode om uit te voeren; • Indien dit niet mogelijk is, dient het plangebied voorafgaande aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor vogels om tot broeden te komen; • Het plangebied dient tot aan de start van de werkzaamheden ongeschikt gehouden te worden voor de vestiging van broedvogels door het kort houden van alle aanwezige vegetatie; • Indien het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken en/of het plangebied broedvrij te houden, dient het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een ecologisch deskundige (Bijlage D) gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedende vogels; • Wanneer er geen vogels nestelen kan er begonnen worden met de ingreep. Bij aantreffen van een broedgeval in het plangebied wordt een

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

28

rustzone afgezet door een ecologisch deskundige en wordt de locatie met rust gelaten tot de jongen zijn uitgevlogen. Er mogen geen werkzaamheden in de directe zone rond een nest plaatsvinden. De omvang van deze zone wordt door de begeleidend ecoloog bepaald. Eventueel kan er met schermen gewerkt worden die visuele verstoring en/of verstoring door geluid naar een broedgeval beperken.

5.3.

Utrechtse soortenlijst

Hieronder worden nogmaals de voorgestelde maatregelen in het kader van de Utrechtse soortenlijst herhaald: • Op bouwveld G11 is een groeilocatie van grote kaardebol aanwezig, geadviseerd wordt om: o de groeilocatie van deze soort te behouden, o de groeilocatie voorzichtig af te graven en op een andere locatie terug te brengen o De zaden van de soort te verzamelen en deze op een nieuwe locatie in de buurt uit te zaaien

Op deze manier kan de groeilocatie van de soort behouden worden. Geschikte alternatieve locaties zijn de groenstrook aan de oostzijde van het plangebied, of op locaties waar de ontwikkelingen inmiddels zijn afgerond en groenstroken zijn gerealiseerd. De uiteindelijke locatie zal in overleg met de gemeente Utrecht bepaald moeten worden. • Het verwijderen van de bosschages bij bouwveld G15 kan negatieve effecten veroorzaken op de nestlocaties van tjiftjaf en merel, de broedlocaties gaan daarbij verloren. In het kader van de Utrechtse soortenlijst dienen er in dat geval vervangende nestlocaties aangeboden te worden. Het aanplanten van struiken en bomen rondom de nieuwe bebouwing zal deze soorten voorzien van nieuwe nestlocaties, hiermee zal voldaan worden aan de vereiste compensatie. •

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

29

6. Conclusie en advies

6.1.

Beantwoording onderzoeksvragen

Om na te gaan of door de geplande ingrepen in het plangebied verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming al dan niet overtreden worden, worden de onderzoeksvragen onderstaand beantwoord.

•

Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten is niet noodzakelijk.

6.2. Onderstaande beantwoording van de onderzoeksvragen geldt voor alle onderzochte bouwvelden, tenzij gespecificeerd. •

Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ja, het is niet uit te sluiten dat algemene broedvogels tot broeden kunnen komen in het plangebied. Andere beschermde soorten zijn uitgesloten in het plangebied. Vanuit de Utrechtse soortenlijst is niet uitgesloten dat grote wederik en grote kattenstaart groeiplaatsen hebben langs de watergang en bittervoorn en kleine modderkruiper voorkomen in de watergang. Daarnaast is kunnen merel en tjiftjaf broeden in de directe omgeving van het bouwveld G15. •

Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? Ja, wanneer de werkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen kunnen algemene broedvogels en in gebruik zijnde nesten verstoord en/of vernietigd worden door de geplande werkzaamheden, tevens kunnen niet vliegvlugge kuikens van fazant gedood worden. Dit is een overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. •

Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Ja, door het nemen van de juiste mitigerende maatregelen worden negatieve effecten voorkomen. Deze mitigerende maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 5.

Conclusie

Uiteindelijk is hiermee de uiteindelijke vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren? Met inachtneming van de in hoofdstuk 4 beschreven mitigerende maatregelen, zijn negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde soorten uitgesloten. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek.

6.3.

Kansen voor natuur

Er liggen kansen om de bebouwing en de omgeving daarvan geschikt te maken voor vleermuizen en broedvogels door natuurinclusief te bouwen. Daarnaast kan met de inrichting van de terreinen rekening gehouden worden met voldoende groen. Zo kunnen in plaats van gazons kruidenrijke velden tot ontwikkeling komen, en kunnen groenstroken langs wegen en fietspaden ingericht worden als groene linten met bomen, ondergroei en kruiden. Natuurinclusief bouwen klinkt misschien ingewikkeld, maar dat is het niet. Soms is wat ruimte achter het dakbeschot of onder de dakpannen al voldoende om verblijfplaatsen te creëren voor vogels en vleermuizen. Het gaat dus ook niet ten koste van het woongenot of de isolatie van het huis. Voor vleermuizen is het plaatsen van (duurzame) inbouwkasten, het openlaten van holle delen van muren (spouw) waartoe een invliegopening leidt, of het plaatsen van afwerking zoals boeiboorden waar ruimte achter openblijft. In de regel is alle bebouwing hoger dan 3 m geschikt. Voor gierzwaluwen is het plaatsen van nestkasten voldoende, omdat

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

30

foerageerlocaties op grote afstand van nestplekken kunnen liggen. De nestkasten dienen op minimaal 3 meter hoogte te worden geplaatst en voldoende vrije ruimte te hebben om in- en uit te kunnen vliegen. Voor huismussen kunnen ook nestplekken worden gerealiseerd. Daarnaast moet in de nabije omgeving wel worden gezorgd voor voldoende schuilplekken in hagen of andere dichte groene structuren, en idealiter zijn er (kleine) waterpartijen aanwezig die voor

drinkwater zorgen. Meer informatie is te vinden op https://www.bouwnatuurinclusief.nl/ of https://www.checklistgroenbouwen.nl/. Desgewenst kan Bureau Viridis u adviseren in de mogelijkheden om natuurinclusief te werken of samen met u kijken welke biodiversiteit verhogende maatregelen mogelijk zijn.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

31

7. Literatuurlijst

7.1.

Literatuur

Bat Habitat key, 2018. Bat Roosts in Trees. A guide to identification and assessment for tree-care and ecology professionals. Pelagic Publishing, Exeter. Broekhuizen, S., Klees, D. en Müskens G. 2010. De steenmarter. Zoogdiervereniging. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Korsten, E. & Brekelmans, F., 2014, Massaal in winterslaap, Stadswerk Magazine, 07/2014, pp. 40 - 42 Limpens, H.G.J.A. 2012. Slopen restaureren renoveren nieuwbouw na-isolatie: Vleermuisvriendelijk bouwen, Zoogdiervereniging. Limpens, H. G.J.A. & J. Regelink, 2017. Cursus vleermuizen en Planologie, Zoogdiervereniging. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Sendor, T., 2002. Population ecology of the pipistrelle bat (Pipistrellus pipistrellus Schreber, 1774): the significance of the year-round use of hibernacula for life histories. Philipps-Universität, Marburg. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2018. Vogelatlas van Nederland. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen.

Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht.

SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Gjerde, L., 2004. Methods in surveying advertisement calling Vespertilio murinus L., 1758, and notes on its fall distribution in Europe. Le Rhinolophe 17:127132.

Šuba, J. & D. Vietniece & G. Pētersons, 2010. The particoloured bat Vespertilio murinus in Rīga (Latvia) during autumn and winter. Environmental and Experimental Biology 8:93-96

Kleukers, R.M.J.C., E.J. van Nieukerken, B. Odé, L.P.M. Willemse & W.K.R.E. van Wingerden, 1997. De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch

Voortman, T., & Bakker, G., 2020. Spatial and temporal variation in maternity roost site use of common pipistrelles Pipistrellus pipistrellus (Mammalia: Chiroptera) in Rotterdam. Deinsea 19:1-16

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

32

Zagmajster, M., 2003. Display song of parti-coloured bat Vespertilio murinus Linnaeus, 1758 (Chiroptera, Mammalia) in southern Slovenia and preliminary study of its variability. Natura Sloveniae 5(1):27-41.

7.2.

Websites

Verspreidingsatlas planten Via www.verspreidingsatlas.nl/planten Nationale Databank Flora en Fauna Via www.ndff-ecogrid.nl/

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

33

Bijlage A. Wettelijk kader Wet Natuurbescherming

Natura 2000-gebieden

De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft als doel bescherming, herstel en ontwikkeling van natuur zonder stijging van de lasten voor bedrijven en burgers. Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de Provincies. Deze decentralisatie houdt in dat de provincies nu o.a. verantwoordelijk zijn voor het toetsen van ontheffingsaanvragen. RVO is het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing of vrijstellingen voor activiteiten en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk.

De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden.

Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden als afzonderlijke hoofdstukken opgenomen, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen.

Zorgplicht Voor alle Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten (mét en zonder beschermstatus) is de zorgplicht van kracht (artikel 1.11). De zorgplichtbepaling houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt aan Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurmonumenten en in het wild levende planten en dieren, evenals voor hun directe leefomgeving dergelijke handelingen achterwege laat, mitigerende maatregelen neemt of compenserende maatregelen neemt.

Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er mogelijk sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en/of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Deze toetsing kan bestaan uit drie onderdelen; • Voortoets; • Passende Beoordeling; • ADC-toets. Voortoets Middels een Voortoets wordt onderzocht of de ingrepen (significant) negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen binnen de Natura 2000-gebieden. De Voortoets bestaat uit een beschrijving van het plan of project, de te verwachten effecten binnen en buiten het Natura 2000-gebied, en een analyse of daarbij (mogelijkerwijs) sprake is van significante effecten. In deze analyse mogen mitigerende en compenserende maatregelen niet meegenomen worden (Zie Kader 1, Mitigerende en compenserende maatregelen). Indien niet kan worden uitgesloten dat er significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen optreden moet een Passende Beoordeling worden opgesteld.

Indien er zeker geen significant negatief effect is te verwachten dan is er geen vergunning nodig, bij het indienen van een aanvraag

Ecologisch Adviesbureau Viridis | QS Soortbescherming LRC Oost – Gemeente Utrecht

34

wordt er een besluit tot afwijzing genomen door het bevoegd gezag. Kader 1 | Mitigerende en compenserende maatregelen

Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die de schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit een plan of project voortvloeien, voorkomen of verminderen. Het doel van dergelijke maatregelen is het voorkomen van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied. Compenserende maatregelen zijn maatregelen die de aantasting (significante effecten) op de aangewezen habitats en -soorten in een natura 2000-gebied als gevolg van een project of plan compenseren. Passende beoordeling Indien uit de Voortoets blijkt dat er een kans is op een significant negatief effect, dient er een Passende Beoordeling uitgevoerd te worden. Tijdens het vaststellen van de mogelijk negatieve effecten mogen mitigerende maatregelen wél meegewogen worden in de beoordeling, compenserende maatregelen niet. Indien uit deze toetsing blijkt de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aangetast worden kan een vergunning worden verleend en kan het plan vastgesteld worden. Blijkt er echter dat er werkelijk sprake is van mogelijk significante effecten dan wordt een vergunning alleen afgegeven indien er geen Alternatieven zijn, er Dwingende redenen van groot openbaar belang zijn en er Compensatie plaatsvindt: de ADC-toets.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Utrecht&id=357b1291-9bca-4c5d-a89e-d5f011ca1943