15. 30 oktober 2020 Ruimtelijke onderbouwing Sophialaan 7 te Utrecht, BRO.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Sophialaan 7 te Utrecht Gemeente Utrecht
Ruimtelijke onderbouwing Sophialaan 7 te Utrecht Gemeente Utrecht
Rapportnummer:
211X09785_3
Concept:
30 oktober 2020
Definitief
--
Opdrachtgever:
M-Tech Nederland B.V. namens De Trip B.V. De heer H. Neelen
Projectteam BRO:
Roeland Mathijsen, Jochem Rietbergen
Trefwoorden:
--
Bron foto kaft:
www.detrip.eu
Beknopte inhoud:
Afwijking bestemmingsplan mogelijk maken activiteiten De Trip
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan
2 2 3 4
2.BELEIDSMATIGE ONDERBOUWING 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Gemeentelijk beleid
6 6 7 8
3.BESTAANDE SITUATIE EN PLANBESCHRIJVING
12
4.UITVOERINGSASPECTEN 4.1 M.e.r.-plicht 4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.3 Geluidhinder 4.4 Geurhinder 4.5 Ecologie 4.6 Bodem 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Externe veiligheid 4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.10Waterhuishouding 4.11Verkeer en parkeren
14 14 14 16 17 18 19 19 21 23 24 24
5.UITVOERBAARHEID 5.1 Financiële uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
25 25 25
BIJLAGEN Bijlage 1: Besluit Provincie Utrecht aanmeldingsnotitie Bijlage 2: Nadere onderbouwing milieucategorie De Trip Bijlage 3: Advies RUD milieucategorie Bijlage 4: Second opinion DCMR milieucategorie
26 27 28 29 30
1
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Door De Trip BV, hierna: De Trip, is een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aangevraagd en ook verleend in november 2015. Deze omgevingsvergunning van november 2015 ziet op het oprichten van keerwanden waar diverse bulkgoederen kunnen worden opgeslagen. Welke bulkgoederen ingenomen mogen worden door De Trip is vastgelegd in de melding Activiteitenbesluit welke ingediend is op 11 maart 2015 (kenmerk: Ap7920ykwqb) en gewijzigd op 25 mei 2018. Gemeente Utrecht heeft met de beschikking van 12 juli 2019 met kenmerk HZ-WABO-19-05299 de geluidsvoorschriften van deze meldingen vastgelegd. Op 30 mei 2016 is een omgevingsvergunningsaanvraag ingediend met een in bijlage 14 opgenomen ruimtelijke onderbouwing. Deze ruimtelijke onderbouwing is vervangen op 24 januari 2018 door de Ruimtelijke onderbouwing van BRO met nummer 211X09785_1. Deze huidige ruimtelijke onderbouwing vervangt de voorgaande ruimtelijke onderbouwingen. Bovendien bevat deze huidige ruimtelijke onderbouwing de navolgende wijzigingen zijn: • • • •
intrekken activiteit puinbreken intrekken activiteit vuiloverslagstation voor wat betreft inname van gemengd afval geen inname van gemengd afval en RKG-slib en beperktere opslag van gevaarlijk bouw- en sloopafval geen incidentele aanvoer van schepen in de avond- en nachtperiode
De huidige situatie valt onder milieucategorie 4.1 (zie melding en aanvulling daarop). De toekomstige (vergunningplichtige) bedrijfssituatie is gelet op het advies van RUD Utrecht van 15 en 19 februari 2016 ook te scharen onder milieucategorie 4.1 (zie bijlage 3 en 4). Rondom het industrieterrein is een geluidzone vastgesteld. De gezamenlijke bijdrage van alle bedrijven mag op deze zonecontour niet meer bedragen van 50 dB(A) etmaalwaarde. Ook mogen de vastgestelde hogere grenswaarden van 55 dB(A) ter plaatse van gevels aan de Amsterdamsestraatweg niet worden overschreden. Ieder bedrijf dat zich vestigt op het industrieterrein moet aantonen dat hieraan wordt voldaan.
2
1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied De Trip is gelegen aan Sophialaan 7 en 31 in het noordwesten van Utrecht en maakt onderdeel uit van bedrijventerrein De Lage Weide. Voorheen waren Gipsbouw B.V. en Eurosalt gevestigd aan de Sophialaan 7 en 31. Gipsbouw betrof een bedrijf dat gipsblokken produceerde en Eurosalt dat strooizout opsloeg ten behoeve van gladheidsbestrijding in Nederland. Direct ten noorden van het plangebied loopt het Amsterdam-Rijn kanaal. Direct aan de west en zuidoostelijke kant liggen andere bedrijven. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Utrecht, sectie E, perceelnummers 520, 535, 536 (gedeeltelijk), 579 en 695 (gedeeltelijk).
Figuur 1.1: (Globale) ligging plangebied (Bron: Bing Kaarten)
3
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Lage Weide’ van de gemeente Utrecht (vastgesteld 17 juli 2014). In dit bestemmingsplan is het plangebied bestemd als ‘Bedrijventerrein’ met een bouwvlak en zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ en ‘Waterstaat – Waterkering’ toegekend (zie figuur 1.2). Tevens geldt de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 4.1’ en binnen het bouwvlak diverse maatvoeringeisen, waaronder een maximum bebouwingspercentage (60%) en maximum bouwhoogte (24 meter). Tot slot gelden de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – industrieterreinzone’ en ‘wetgevingszone – afwijkingsgebied – 1’ ter plaatse van de locatie. Ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ worden bedrijven tot en met categorie 4.1 rechtstreeks toegestaan. De huidige situatie valt onder milieucategorie 4.1 (zie melding en aanvulling daarop). De toekomstige (vergunningplichtige) bedrijfssituatie valt ook onder milieucategorie 4.1,. In het huidige bestemmingsplan is onder artikel 3 lid 3.5 onder b en e opgenomen: 3.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: b. nieuwe geurrelevante inrichtingen zijn niet toegestaan e.
oprichting, uitbreiding en wijziging van inrichtingen en/of installaties als bedoeld in bijlage C of D van het Besluit milieueffectrapportage, zoals geldend ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan, waarbij de betreffende drempelwaarde genoemd in kolom 2 van de betreffende onderdelen worden overschreden, zijn niet toegestaan. De huidige activiteiten vallen onder categorie D.18.1 van de bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage. Tevens worden de activiteiten van de Trip beschouwd als geurrelevant omdat deze niet zijn opgenomen in bijlage 6 behorende bij de planregels. Ten behoeve van de afwijking van het bestemmingsplan moet worden aangetoond dat met de voorgenomen bedrijfsvoering sprake is van een goede ruimtelijke ordening en passen binnen milieucategorie 4.1. Onderhavige document voorziet in de planologische aanvaarbaarheid van de activiteiten welke plaatsvinden en beoogd zijn bij De Trip te onderbouwen.
4
Figuur 1.2: Vigerend bestemmingsplan plangebied (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
5
2.
BELEIDSMATIGE ONDERBOUWING 2.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Die ambitie is vertaald in doelen voor de middellange termijn tot 2028. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. De bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland dient met de nieuwe structuurvisie gekeerd te worden. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Eén van de 13 nationale belangen is ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10). Doorwerking plangebied Het onderhavige plan bevindt zich niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkelingen van landsbelang. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig initiatief voldoet aan de gestelde eisen uit de SVIR. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang.
In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Onderhavig plan voorziet niet in een ruimtelijke ontwikkeling van nationaal belang. Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de eisen uit het Barro. Ladder voor duurzame verstedelijking Per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder in werking getreden. Hierin wordt de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet
6
binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Concreet betekent dit dat onderzoek naar het actuele en regionale aspect van de behoefte en Trede 3 komt te vervallen. Daarnaast wordt de mogelijkheid geboden om de laddertoets ‘door te schuiven’ naar een uitwerkings- of wijzigingsplan, mits dit voorafgaand is bepaald door het bevoegd gezag. Doorwerking plangebied De Ladder is pas van toepassing op plannen voor bedrijventerreinen, die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit geval is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er wordt namelijk niet voorzien in de toevoeging van een gebouw, enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Daarbij wordt met dit initiatief ingespeeld op een interne herstructurering van bestaande processen binnen het bedrijf. Er is geen sprake van nieuw ruimtebeslag en daardoor ook geen stedelijke ontwikkeling zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1 van het Bro. Geconcludeerd wordt dat de Ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen hoeft te worden.
2.2 Provinciaal beleid Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 en Verordening 2013 De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS) is op 4 februari 2013 vastgesteld. Bij de PRS is een Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (PRV) gemaakt. Van beide plannen zijn de herijkingen in december 2016 vastgesteld. In december 2017 is de Verordening nogmaals herijkt met betrekking tot kantoren. De structuurvisie geeft aan wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling. De verordening zorgt voor de doorwerking van de structuurvisie naar de gemeenten. Een van de aspecten waarvoor een herijking plaatsgevonden heeft, is het aspect ‘bedrijventerreinen’. Circa een kwart van de Utrechtse werkgelegenheid is gebonden aan bedrijventerreinen. Het gaat om activiteiten in onder andere de industrie en logistieke dienstverlening. Deze activiteiten zijn niet of nauwelijks te mengen met andere functies door hun effecten op de omgeving (aard bebouwing, uitstoot, geluid, verkeersdruk). Het is voor een diversificatie van de Utrechtse economische structuur van belang dat voldoende van dergelijke locaties in verschillende segmenten beschikbaar blijven; van terreinen met een prestigieuze uitstraling tot louter functionele terreinen.
Door regionale samenwerking kan het aanbod van bedrijventerreinen beter worden afgestemd op de vraag. Doorwerking plangebied Hoofddoel van de provincie is om binnenstedelijke ontwikkeling te bevorderen waar mogelijk. Dit betekent voldoende ruimte bieden voor het functioneren en versterken van een vitale en innovatieve regionale economie. Met dit initiatief wordt ingespeeld op een interne herstructurering van bestaande processen binnen het bedrijf. Hiermee wordt aangesloten op het gedachtegoed van de provinciale structuurvisie, het versterken van een bestaand bedrijf en daarmee bedrijventerrein Lage Weide.
7
De Verordening gaat enkel in op de sturing omtrent uitbreiding of herstructurering van complete bedrijventerreinen. De Verordening gaat niet in op de interne herstructurering van een enkel bedrijf. Geconcludeerd wordt dat ook voldaan wordt aan de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (herijking 2016-2017).
2.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Utrecht 2015 – 2030 Voor de stad Utrecht is op 1 juli 2004 de Structuurvisie Utrecht 2015-2030 vastgesteld. In de structuurvisie zijn de gewenste toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen van de stad Utrecht beschreven. De structuurvisie Utrecht beschrijft de gewenste ruimtelijke invulling van de stad Utrecht op middellange en lange termijn. De structuurvisie is een middel om grip te krijgen op de stedelijke ontwikkeling. Lopende programma's en projecten worden daartoe met elkaar en met de gewenste stedelijke ontwikkeling in verband gebracht. Mede gebaseerd op de positie van de stad in regionaal en Randstedelijk verband vloeien hier de hoofdlijnen uit voor het stedelijk ruimtelijk beleid. Uitwerkingen daarvan voor wijken buurtniveau zijn vervolgens noodzakelijk voor nadere concretisering van deze hoofdlijnen. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen in het gebied aangeduid als ‘bedrijventerrein’. Per bedrijventerrein is nader ingegaan op de gewenste gebiedsontwikkeling, zo ook voor de Lage Weide. De druk op het bedrijventerrein de Lage Weide is groot. Hierbij is het belangrijk om de bestaande bedrijven niet te vergeten, maar juist te behouden. Er dient gezocht te worden naar slimme combinaties van functies, waaronder ook op bedrijventerreinen.
In dit geval vindt een interne herstructurering van het bedrijf De Trip plaats om zo bestaande, maar ook toekomstige processen zo optimaal mogelijk in te zetten en hiermee een toekomstbestendig bedrijf, passend in haar omgeving, te realiseren. Geconcludeerd wordt dat hiermee wordt aangesloten op het gedachtegoed uit de gemeentelijke structuurvisie. Groenstructuurplan Utrecht (2017) en Bomenbeleid Utrecht (2009, evaluatie 2016) Gemeente Utrecht heeft een groenstructuurplan voor de periode 2007-2030 vastgesteld in 2007 ter behoud en ontwikkeling van de kwaliteiten van het stedelijk groen als onderdeel van een kwalitatief hoogstaand woon- en vestigingsklimaat. Het college van B en W heeft het groenstructuurplan bijgewerkt in het groenstructuurplan 2017. In de nieuwe versie ligt de nadruk meer op: • Hoe we groen inzetten voor de gezonde stad. • Hoe groen ons helpt om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Het groenstructuurplan Utrecht is verder uitgewerkt in het bomenbeleid. Doorwerking plangebied De Trip ligt in een gebied dat is aangeduid als ‘groenarme wijk’ in het groenstructuurplan. Er worden geen verdere ambities in beide beleidsstukken voor het directe plangebied beschreven. Het groenstructuurplan en bomenbeleid vormen dan ook geen belemmering voor onderliggend bestemmingsplan.
8
De Utrechtse Erfgoedagenda (2013) De Utrechtse Erfgoedagenda is in 2013 vastgesteld. Utrecht heeft veel erfgoed. Van bewoningssporen uit de bronstijd tot naoorlogse bouwkunst in wijken als Kanaleneiland en Overvecht. Utrecht is een van de oudste steden van Nederland en dat is overal terug te vinden. Utrecht is in de afgelopen decennia zo zorgvuldig mogelijk met het erfgoed omgegaan. En zal dit blijven doen. De Utrechtse Erfgoedagenda beschrijft het beleid, de projecten en de aandachtsgebieden met betrekking tot monumenten, archeologie en architectuur- en bouwhistorie en de mate waarin deze objecten toegankelijk zijn voor publiek. Doorwerking plangebied In het plangebied is een archeologische dubbelbestemming opgenomen om archeologische waarden afdoende te beschermen. In het plangebied zijn in de bestaande situatie geen monumenten en of enige cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. In hoofdstuk 4 is het aspect archeologie nader uitgewerkt. Gemeentelijk archeologiebeleid Het gemeentelijk archeologiebeleid heeft tot doel bij te dragen aan de historische beeldvorming over Utrecht en zijn bewoners. Om dit doel optimaal te verwezenlijken vervult de gemeentelijke archeologische dienst een actieve rol.
In het gemeentelijk archeologiebeleid wordt afhankelijk van de archeologische waarde, danwel de archeologische verwachtingswaarde zowel naar boven als naar beneden afgeweken van de algemene vrijstelling voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Doorwerking plangebied In de op de gemeentelijke archeologische waardenkaart aangeduide gebieden waar een onderzoeksverplichting geldt, zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning gevraagd kunnen worden om resten uit het verleden op te sporen en zo nodig veilig te stellen. Binnen deze gebieden gelden voor bepaalde ingrepen en activiteiten een aantal vrijstellingen. In hoofdstuk 4 wordt verder ingegaan op de archeologische waarden in het plangebied. Nota Stallen en Parkeren (2013) De gemeenteraad heeft op 28 maart 2013 de Nota Stallen en Parkeren vastgesteld. Hiermee is het nieuwe parkeerbeleid van kracht. Met de uitwerkingsnota 'Parkeernormen Fiets en Auto' bepaalt de gemeente de benodigde capaciteit van het (fiets)parkeren. Voor de veiligheid, leefbaarheid en aantrekkelijkheid van Utrecht geeft de gemeente meer ruimte aan voetgangers en fietsers. Dit betekent dat er op sommige plekken op straat minder ruimte komt voor geparkeerde auto's.
De gemeente stimuleert auto's om langs de rand van de stad te parkeren: in één van de drie herkenbare grote P+R terreinen, bij NS-stations en andere OV-knooppunten. Als stimulans voor binnenstedelijke ontwikkelingen, en daarmee voor een aantrekkelijke en bereikbare stad zijn de autoparkeernormen in betaald parkeergebied verlaagd. Ook schept de gemeente flexibiliteit door de vrijstellingsmogelijkheden van de parkeernormen te verruimen. Nieuw in de gemeentelijke aanpak is de verplichting om bij nieuwbouw, uitbreiding van bestaande gebouwen of in geval van een functiewijziging ook fietsenstallingen te realiseren. De parkeernormen hebben een bandbreedte, om optimale flexibiliteit en maatwerk te bieden bij de realisatie van bouwplannen.
9
Doorwerking plangebied Er worden geen nieuwe gebouwen gerealiseerd, enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Er vindt ook geen verdere uitbreiding van het bestemmingsvlak en/of bouwvlak plaats. Er is reeds voldoende ruimte binnen het plangebied om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te lossen. De Nota Stallen en Parkeren vormt dan ook geen belemmering voor onderliggend bestemmingsplan. Geluidnota Utrecht 2018-2023 (2019) De Geluidnota Utrecht 2018-2023 is op 5 juli 2019 vastgesteld. Dit beleid gaat over het beperken en minimaliseren van geluidhinder bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in Utrecht. De Geluidnota heeft betrekking op weg-, rail- en industrielawaai. Hiervoor is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. Daarbinnen is echter ook ruimte voor gemeentelijke beleidsvrijheden. In de Geluidnota wordt aangegeven hoe hier mee wordt omgegaan. Doorwerking plangebied De belangrijkste regels uit de Geluidnota zijn met betrekking tot dit initiatief zijn: •
behoud van goed akoestisch woon- en leefklimaat in rustige woonwijken bij bestemmen van nieuwe woningen en bedrijven in elkaars nabijheid. • ook onderwerpen, die meer algemeen onder het begrip "een goede ruimtelijke ordening" vallen, worden in de Geluidnota beschreven. Voor het plangebied is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat aan het wettelijk en gemeentelijk geluidbeleid voldaan kan worden. In hoofdstuk 4 bij geluid wordt nader ingegaan op de geluidssituatie in het plangebied. Beleidsregel geur bestemmingsplan Lage Weide van oktober 2018. Volgens artikel 3.5, aanhef en onder b, van de planregels zijn nieuwe geurrelevante inrichtingen niet toegestaan. Uit de begripsbepaling volgt dat dit artikel niet alleen geldt voor de vestiging van nieuwe geurrelevante inrichtingen, maar ook voor de verandering van (de werking van) een geurrelevante inrichting. Met toepassing van de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid kan vergunning worden verleend om af te wijken van het bepaalde in artikel 3.5, aanhef en onder b, van de planregels. Deze vergunning wordt alleen verleend, indien is aangetoond dat geen overschrijding van de aanvaardbare cumulatieve geurbelasting optreedt.
Bij de beoordeling of geen aantoonbare overschrijding van de aanvaardbare cumulatieve geurbelasting optreedt, wordt getoetst aan de geurcontour, waarbuiten de cumulatieve geurbelasting vanwege de in het plangebied gevestigde bedrijven niet meer mag bedragen dan H=-1 (lichte hinder) als 98 percentiel. In de Beleidsregel geur bestemmingsplan Lage Weide van oktober 2018 is de toetsingsystematiek hiervoor opgenomen. Doorwerking plangebied Voor de activiteiten van de Trip is reeds het geuronderzoek opgenomen in tabel 2.1 van de Beleidsregel geur bestemmingsplan Lage Weide van oktober 2018. Dit betekent dat de activiteiten van de Trip reeds zijn meegenomen in de berekende geurcontour en derhalve geen sprake is van een nieuwe geurrelevante activiteit.
10
Nota externe veiligheid (2007) De Nota externe veiligheid, welke in 2007 is vastgesteld, gaat in op het beleid van de gemeente Utrecht voor de beheersing van risico's als gevolg van het werken met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijf, productielocatie of kantoor) en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De genoemde risico's zijn veiligheidsrisico's voor mensen die zich in de buurt van de inrichting en/of het transport bevinden. De beleidskeuzes hebben betrekking op nieuwe situaties, waarin een risicobron zich vestigt of uitbreidt of een risico-ontvanger, zoals een woning, planologisch mogelijk wordt gemaakt. De randvoorwaarden en regels zijn vertaald in afstandseisen tussen risicobronnen (bedrijven, transportroutes (weg, spoorweg, vaarweg) of buisleidingen) en omgevingsobjecten. De gemeente Utrecht kiest ervoor om geen zwaardere veiligheidseisen op te leggen dan die vermeld staan in de risiconormering van de rijksoverheid. In sommige gevallen biedt de rijksregelgeving ruimte tot afwijken van de normering. In de Nota spreekt de gemeente zich uit om terughoudend om te gaan met de mogelijkheid tot afwijken. Doorwerking plangebied In het plangebied moet rekening gehouden worden met het transport van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen en buisleidingen. In hoofdstuk 4 bij externe veiligheid wordt hierop ingegaan.
Nota Bodembeheerplan 2012 - 2022 'Grondig Werken 3' (2012) In 2012 is de Nota Bodembeheerplan 2012-2022 'Grondig Werken 3' vastgesteld. Het doel van deze Nota bodembeheer 2012-2022 is het beleidsmatig vaststellen van de voorwaarden waaronder grond en baggerspecie op of in de bodem kunnen worden toegepast. Het Besluit bodemkwaliteit kent een generiek en gebiedsspecifiek bodembeleidskader. De gemeente Utrecht heeft zoveel mogelijk het landelijk vastgestelde generieke beleid gevolgd. Alleen om belemmeringen voor hergebruik op basis van lokale omstandigheden zoveel mogelijk weg te nemen, is gebiedsgericht beleid geformuleerd. Dit beleid is vertaald in de geactualiseerde en gebiedsspecifieke Bodemkwaliteitskaart 2011-2021. De Nota bodembeheer 2012-2022 gaat in op verschillende situaties van hergebruik van grond, zoals grond afkomstig van uitgezonderde gebiedsdelen en verdachte locaties evenals grond afkomstig van een andere gemeente. Er zijn procedures beschreven, bijvoorbeeld dat er door middel van vooronderzoek moet worden nagegaan of er sprake is van een lokaal afwijkende bodemkwaliteit. En dat het grondverzet, met uitzondering van enkele gevallen van kleinschalig grondverzet, moet worden gemeld aan het landelijke Meldpunt bodemkwaliteit, die dit dan meldt aan de gemeente Utrecht.
Ten slotte zijn in de Nota bodembeheer de controle en handhaving van het opgestelde beleid beschreven. Doorwerking plangebied In het plangebied vindt geen bestemmingswijziging plaats, enkel de herstructurering van bedrijfsprocessen op bestaand terrein. De milieuhygiënische bodemkwaliteit hoeft dan ook niet verder onderzocht te worden. In hoofdstuk 4 bij bodem wordt hier verder op ingegaan.
11
3.
BESTAANDE SITUATIE EN PLANBESCHRIJVING1 De inrichting van De Trip aan de Sophialaan 7 en 31, voorheen in gebruik door Gipsbouw BV en Eurosalt BV, wordt gebruikt voor de opslag, het opbulken en deels be-/verwerken van goederen, die worden toegepast of vrijkomen in de grond-, weg- en waterbouw en sport en cultuurtechniek met als doel nuttige toepassing. Na het opbulken en be-/verwerken worden de grondstoffen en materialen opnieuw ingezet of ingezet voor nuttige toepassing. In de huidige situatie valt het bedrijf onder het Activiteitenbesluit de aanvraag voor de toekomstige situatie betreft het een vergunningsplichtige situatie. Dit komt onder andere door de inname, op- en overslag en bewerking van grotere en meer afvalstromen die wordt aangevraagd. Het aan- en afvoeren van materialen vindt plaats middels vrachtwagens en schepen. Voor het laden en lossen van de schepen is een kraan in gebruik. De opslag van afvalstoffen vindt gescheiden van elkaar plaats om ongewenste menging en verontreiniging van onverenigbare stromen te voorkomen. De afvalstoffen en grond- en hulpstoffen worden los binnen de inrichting gestort en/of in containers opgeslagen. Dit is afhankelijk van de fysieke eigenschappen van de stoffen, zoals stofvorming, bodembedreigendheid, brandbaarheid geur en schadelijkheid. De voornaamste activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd zijn: •
• •
Opbulken van monostromen (waaronder verdichten) en samenvoegen (waaronder mengen en homogeniseren), waarbij materiaal van gelijke aard en samenstelling naar dezelfde afnemer worden afgezet; Scheiden (bijvoorbeeld zeven grond, ontwateren van baggerspecie); Verkleinen, met name hout en houtachtig groenafval;
Naast genoemde activiteiten vindt ook opslag plaats van machines en materieel, aardolieproducten bedoeld voor inzet op eigen werken elders, de opslag van zout/pekel voor gladheidsbestrijding en handelsdoeleinden alsmede kantooractiviteiten. De meest ingenomen afvalstoffen kunnen door eenvoudige bewerkingen ingezet worden voor nuttige toepassing of vervolgbewerking buiten de inrichting door vergunde vervolgbewerkers. Bij bewerking van de afvalstoffen wordt gebruik gemaakt van apparatuur zoals een shovel, mobiele kraan, verkleiningsapparatuur (houtshredder ) en een scheidingsinstallatie (zeefinstallatie). Het verkleinen van hout en houtachtig groenafval vindt thans plaats met een mobiele shredder die hiervoor tussen keerwanden wordt opgesteld. De beoogde situatie voor De Trip valt onder de volgende SBI-codes en omschrijvingen: • SBI (2008) 41, 42,43 (0,2): bouw-/aannemersbedrijven met bedrijfsoppervlak > 2.000 m2: max. milieucategorie 3.2; van toepassing op ondersteunende activiteiten aanneming, op- en overslag tweede handsbouwmaterialen, bulkstoffen etc. • SBI (2008) 46735, zandhandel, grondbank > 200 m2, max. milieucategorie 3.2, van toepassing op zandhandel en grondbank 1
Bron: Mer-beoordelingsbesluit De Trip
12
• •
SBI (2008) 381 (A) vuilophaaldienst, straatreinigingsbedrijf voor opslag en verkleinen groenafval en SBI (2008) 381 (B) gemeentewerven (afvalinzameldepots): max. milieucategorie 3.1 van toepassing op alle stromen afval (ook van derden)
13
4.
UITVOERINGSASPECTEN 4.1
M.e.r.-plicht
Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet, wanneer hier sprake van is, een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied De beoogde uitbreiding en verandering van de inrichting is genoemd in categorie D18.1 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Dit leidt in dit geval tot een m.e.r.-beoordelingsplicht, waardoor de procedure van paragraaf 7.6 Wet milieubeheer moet worden gevolgd. Op grond hiervan moet een aanmeldingsnotitie worden aangeleverd waarin de belangrijkste milieueffecten worden beschreven, rekening houdend met bijlage III van de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling. In voorliggende document is op basis van de door De Trip aangevraagde activiteiten en capaciteiten inzicht gegeven in de potentiële milieueffecten van de aangevraagde situatie, rekening houdend met de kenmerken van het project (de inrichting), en de plaats, conform bijlage III van de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling.
Provincie Utrecht heeft de aanmeldingsnotitie reeds gecontroleerd en 4 mei 2016 (zie bijlage 1) schriftelijk gecommuniceerd dat de voorgenomen activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. De provincie heeft daarom besloten, gelet op artikel 7.2, eerste lid onder b, in samenhang bezien met artikel 7.17 eerste lid van de Wet milieubeheer, dat het niet noodzakelijk is dat voor het onderdeel milieu ingevolge de Wabo een milieueffectrapport wordt gemaakt.
4.2 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. 2 2
Bedrijven en milieuzonering handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk, uitgave VNG, 2009
14
Richtafstandenlijsten Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven in de VNG-publicatie. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Doorwerking plangebied De huidige situatie valt onder milieucategorie 4.1 (zie melding en aanvulling daarop). De toekomstige (vergunningplichtige) bedrijfssituatie valt ook onder milieucategorie 4.1, onder andere op grond van de verruiming van opslagcapaciteiten van sommige afvalstoffen en de opslag van meer dan 50 ton gevaarlijk afval. Waarbij inname, op- en overslag en bewerking van grotere en meer afvalstromen (ook van derden en ook gevaarlijk afval) ook mogelijk is. Geluid De standaard richtafstand voor een categorie 4.1 bedrijf is 200 meter tot woningen of andere gevoelige bestemmingen voor de vier relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en externe veiligheid).
Deze standaard richtwaarden zijn voor geluid gebaseerd op de grenswaarden voor een rustige woonwijk, bestaande uit grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen: • 45 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode); • 40 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode); • 35 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode). Indien er sprake is van een gemengde omgeving, waarbij bijvoorbeeld een industrieterrein of een drukke verkeersweg in de nabijheid van de woningen ligt, wordt de afstand verkleind.. Ten behoeve van de afwijking van het bestemmingsplan moet voor de geluidsaspecten dus worden aangetoond dat met de voorgenomen bedrijfsvoering kan worden voldaan aan 45 of 50 dB(A) etmaalwaarde op 200 meter afstand. Dan is impact van de inrichting wat geluid betreft vergelijkbaar met een categorie 4.1-bedrijf, zie hiervoor de conclusies in de volgende paragraaf 4.3 Geluidhinder.
15
Geur Er is in en om het gebied reeds sprake van geurhinder door 3 aanwezige bedrijven. Uitgangspunt in het bestemmingsplan is daarom nieuwe geurhinder te voorkomen. Voor nieuwe vestiging zijn hiervoor de volgende uitgangspunten vastgelegd: • Bedrijven waarbij in de lijst van bedrijfsactiviteiten een geurafstand lager dan 100 m is aangegeven, zijn toegelaten (artikel 3.4 onder b). Voor De Trip geldt: SBI(2008) 41, 42,43 (0,2): geurafstand is 10 meter; SBI(2008) 381 (B) gemeentewerven (afvalinzameldepots) geurafstand is 30 meter;
Andere bedrijven zijn alleen toegelaten als ze voldoen aan artikel 3.6.1, dat wil zeggen dat de totale geurbelasting op woningen niet toeneemt. De geurbelasting van De Trip is inzichtelijk gemaakt. Geconcludeerd wordt op basis van het geuronderzoek dat de geurimmissie ter plaatse van woningen ten hoogste 0,5 OUe/m3 als 98-percentiel bedraagt. Dit betekent dat geen of nauwelijks geurhinder vanwege De Trip waarneembaar zal zijn. Dit is ook paragraaf 4.4 van deze ruimtelijke onderbouwing en in het geuronderzoek behorende bij de omgevingsvergunning aanvraag onderzocht en toegelicht. Dit geuronderzoek maakt ook deel uit van de Beleidsregel geur Lage Weide (oktober 2018) dat deel uitmaakt van de vigerende planologische situatie. Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving en dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering niet zorgt voor belemmeringen bij uitvoering van onderhavig initiatief.
4.3 Geluidhinder Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke inrichting en ontwikkeling van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidsbelaste object. De regels van de Wet geluidhinder zijn van toepassing bij het vaststellen van een bestemmingsplan. De normen uit die wet zijn van toepassing bij: • bestemmen van gronden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten als woningen en scholen; • bestemmingen van gronden voor aanleg van nieuwe (gezoneerde) wegen (niet bij woonerven of 30 km/h-wegen); • reconstructie van wegen; • geluidgezoneerde bedrijventerreinen. Als één van bovenstaande situaties aan de orde is, dient er een akoestisch onderzoek te worden gedaan en als het nodig blijkt te zijn kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden aangevraagd. Doorwerking plangebied De gewenste ontwikkeling maakt geen nieuwvestiging van een geluidgevoelig object mogelijk. Hierdoor is geen onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Wel maakt het plangebied onderdeel
16
uit van een geluidgezoneerd bedrijventerrein, een industrielawaaionderzoek is mede daarom uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage in de omgevingsvergunningaanvraag. Bij de inrichting van het terrein is zoveel mogelijk rekening gehouden met de omgeving. Geluidsuitstraling naar woningen wordt zoveel mogelijk voorkomen door het geluidsabsorberend uitvoeren van de keerwand nabij de loskade en het uitvoeren van lawaai makende activiteiten, zoals het shredderen, op grotere afstand en goed afgeschermd van de woningen (tussen de keerwanden en achter het gebouw). Gezien het feit dat de inrichting zich bevindt op het gezoneerde industrieterrein Lage Weide te Utrecht, dient de geluidimmissie (LAr,LT) vanwege de inrichting inpasbaar te zijn binnen de geluidzone. De zonebeheerder (gemeente Utrecht) dient deze toetsing uit te voeren. Vooralsnog lijkt de inrichting inpasbaar, aangezien deze past binnen de gereserveerde geluidruimte voor de kavels waarop de inrichting is gevestigd (voormalige Gipsbouw BV en Eurosalt). De maximale geluidniveaus (LAmax) voldoen ruimschoots aan de gehanteerde normstelling.
Op afstand van 200 m vanaf de inrichtingsgrens in de richting van geluidgevoelige bestemmingen, wordt voldaan aan de toetsingscriteria volgens de VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” voor een bedrijf met milieucategorie 3.2 en daarmee ook aan milieucategorie 4.1 in een rustige omgeving. Hiermee is aangetoond dat de milieu-impact wat betreft geluid vergelijkbaar of kleiner is dan die van een toelaatbaar categorie 4.1-bedrijf, zodat wordt voldaan aan de voorwaarde die geldt bij het toestaan van de afwijking van het bestemmingsplan.
4.4 Geurhinder De specifieke regels omtrent de toelaatbare geuremissie zijn opgenomen in bestemmingsplan Lage Weide. Aangezien in de omgeving al sprake is van geuroverlast. Het uitgangspunt voor de normstelling in het bestemmingsplan is dat er geen extra geurhinder mag worden toegevoegd. Hiervoor wordt uitgegaan van de geurdrempel bij woningen. Doorwerking plangebied In het geuronderzoek is berekend wat de geuremissie is vanwege de aanvoer, het lossen, opslaan, bewerken, verladen en de afvoer van geur emitterende afvalstromen, zoals groenafval en is opgenomen in de cumulatieve geurbelasting van de vastgestelde geurcontour. Op basis van deze rapportage blijkt dat de geurimmissie ter plaatse van woningen ten hoogste 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel bedraagt. Dit betekent dat er geen of nauwelijks geurhinder vanwege De Trip waarneembaar zal zijn. Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de geuremissie vanwege de nieuwe activiteiten in de omgeving overal aan de geurnormen voldoet, nergens de geurdrempel overschrijdt en dus geen aanzienlijk effect veroorzaakt in de omgeving. Een vergelijking met de situatie van voor 2015 is niet mogelijk, omdat hiervoor geen gegevens beschikbaar zijn.
17
4.5 Ecologie Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van (wijzigingen in) een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht en de Provinciale Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017. Doorwerking plangebied Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten de invloedssfeer van door de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op ruim 2,8 kilometer gelegen en betreft de ‘Oostelijke Vechtplassen’. Op basis van de totale activiteiten van De Trip is de stikstofdepositie berekend en is een melding ingediend in het kader van de PAS. Deze berekening heeft betrekking op zowel de activiteiten van de referentie als op die van de uitbreiding. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de totale bijdrage van het project op de in de ruime omgeving gelegen Natura 2000-gebieden maximaal 0,11 mol N/ha/jaar bedraagt in de oostelijke Vechtplassen. Hiervoor is een melding in het kader van de Wnb gedaan. Dit leidt niet tot een significant negatief effect.
De minister heeft de Tweede Kamer geïnformeerd bij brief van 24 april 2020 (kenmerk BPZ / 20120075) op welke wijze de melding die in het kader van de PAS waren ingediend, worden gelegaliseerd. Voor de situatie voor 2015 is de stikstofdepositie ook indicatief bepaald voor de planologisch toegestane situatie voor Gipsbouw BV op basis van de gegevens uit de genoemde akoestische onderzoeken en gebaseerd op de destijds geldende stand der techniek ten aanzien van verbrandingsmotoren. Deze stikstofdepositie is bepaald op 2,09 mol N/ha/jaar, zie bijlagen. Er treedt dus een significante verbetering op en derhalve is geen sprake van significante gevolgen door de activiteiten van de Trip is derhalve ook geen Wnb-vergunning ingevolge artikel 2.7 van de Wnb nodig. Planologische gebiedsbescherming Het plangebied ligt geheel buiten het NatuurNetwerk Nederland zoals deze is vastgesteld op de kaarten van de Verordening. Door de ontwikkeling zullen geen wezenlijke kenmerken van de provinciale groenstructuur worden aangetast. In de planvorming voor het gebied hoeft geen rekening gehouden te worden met planologische bescherming van natuurwaarden.
Soortenbescherming Het terrein wordt reeds intensief gebruikt door De Trip voor opslag, het opbulken, scheiden, verkleinen van diverse (afval)stoffen, maar ook hulpstoffen zoals zout, asfaltreinigingsmiddelen, bouwstoffen, materiaal en dieselolie in mobiele tanks. Gezien het intensieve gebruik wordt niet verwacht dat eventuele flora en fauna verstoord wordt, omdat deze niet aanwezig is. Met betrekking tot soortenbescherming kan geconcludeerd worden dat hier geen sprake van is.
18
4.6 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Doorwerking plangebied Met onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt geen functiewijziging mogelijk gemaakt of een bouwwerk waarin mensen kunnen verblijven. Hiervoor is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Daarnaast is gekeken naar de potentieel bodembelastende activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze zijn getoetst aan de richtlijnen zoals vermeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012. Uit deze analyse blijkt dat bij uitvoering van de genoemde maatregelen een verwaarloosbaar bodemrisico is. Het aspect ‘bodem’ zorgt dan ook niet voor belemmering bij uitvoering van onderhavig initiatief.
4.7 Luchtkwaliteit Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging met (gasvormige) stoffen en verontreiniging van de lucht met stof. Veel stoffen die in de lucht kunnen voorkomen hebben na inademing een schadelijk effect op de gezondheid. Behalve de aard en de concentratie van de stof is de blootstellingsduur bepalend voor het gezondheidseffect. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Deze Wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. De eisen waaraan de luchtkwaliteit moet voldoen zijn opgenomen in titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Conform artikel 5 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit3 (Rbl) dient rekening te worden gehouden met de emissies fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofoxiden (NOx). De grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide luiden als volgt: • Fijn stof (PM10): 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie; 50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde concentratie, die 35 keer per jaar mag worden overschreden. • Ultrafijn stof (PM2,5): jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3.
• Stikstofdioxide (NO2): 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie; 200 µg/m3 als uurgemiddelde concentratie, die 18 keer per jaar mag worden overschreden.
19
Conform de Handreiking Rekenen aan luchtkwaliteit dient getoetst te worden in het jaar waarin de activiteiten worden vergund, terwijl tevens aangegeven moet worden of de beschouwde situatie in de toekomst past binnen de luchtkwaliteitskaders. Doorwerking plangebied Voor wat betreft lucht, kunnen drie verschillende soorten emissies onderscheiden worden, namelijk (grof) stof, emissies Wet luchtkwaliteit en geur. Er is uitgebreid onderzoek gedaan door M-tech naar de verschillende aspecten omtrent luchtkwaliteit. Enkel de belangrijkste conclusies worden vermeld in deze ruimtelijke onderbouwing. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij de aanvraag omgevingsvergunning opgenomen (Grof) stof Het aspect stof betreft visueel waarneembare deeltjes in de lucht. Als gevolg van de activiteiten die binnen de inrichting van de Trip, is de kans op stofvorming aanwezig. De in de inrichting aanwezige stuifgevoelige (afval)stoffen zijn in hoofdlijnen grond, zand, groenafval, bouwstoffen en (strooi)zout. Zowel de opslag als het verladen en verwerken kan leiden tot stofemissie. Binnen De Trip zijn rondom de verwerkings-en opslagplaats van de stuifgevoelige stoffen een betonnen keerwanden aanwezig. Alle rijpaden zijn verhard.
De afvalstoffen worden rechtstreeks uit de vrachtwagens op de grond gestort en met shovels en grijpers recht boven de shredder, zeef of vrachtwagen weer uitgestort, zodat de storthoogte te allen tijde beperkt is. Bij zichtbare stofemissies worden de werkzaamheden stilgelegd en wordt het materiaal besproeid. Strooizout wordt inpandig opgeslagen. Met de getroffen maatregelen wordt voldaan aan de BBT. Binnen de inrichting van De Trip zijn reeds activiteiten vergund waarbij stuifgevoelige stoffen worden verladen, opgeslagen en be-/verwerkt. Door de nieuwe aanvraag worden deze activiteiten uitgebreid, maar door het treffen van maatregelen kan de visuele stofemissie worden voorkomen of zoveel mogelijk beperkt. Tevens is getoetst dat deze maatregelen voldoen aan de Best beschikbare technieken (BBT). Ten opzichte van de situatie van voor 2015 is er wat betreft de zoutopslag geen wijziging. De op- en overslag van grond- en hulpstoffen voor de productie van gipsblokken en kleefpasta waren ook stofgevoelig. Ook de productie zelf had stofgevoelige aspecten, waarvoor verschillende filters waren geplaatst. Geconcludeerd kan worden dat de stofemissie vanwege de inrichting ten opzichte van de referentie (vergunde situatie) groter kan worden, maar dat stofhinder bij de woningen door BBT-maatregelen wordt voorkomen waardoor er geen sprake is van een aanzienlijk effect.
Ten opzichte van de situatie voor 2015 blijft de stofemissie vergelijkbaar, aangezien er in beide gevallen ongeveer evenveel stofbronnen aanwezig zijn. Emissies Wet luchtkwaliteit Aangezien de algemene verwachting is dat de achtergrondconcentraties alleen nog maar afnemen, wordt met de beschouwing van het kalenderjaar 2015 een worst case inzichtelijk gemaakt.
20
Het project is niet opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Dit betekent dat als de bijdrage van een project lager is dan 3% van de grenswaarde, het project voldoet aan de voorwaarden voor NIBM en de bijdrage aan de lokale luchtkwaliteit daarmee verwaarloosbaar is. Op basis van de aangevraagde activiteiten zijn de emissies berekend vanwege de opslag en bewerking van stuifgevoelige (afval)stoffen, het gebruik van materieel en het verkeer op, van en naar de inrichting. De rapportage van het luchtkwaliteitonderzoek is opgenomen als bijlage in de omgevingsvergunningaanvraag. Voor een overzicht van de gehanteerde uitgangspunten, emissiekentallen, bedrijfsduren, normstelling e.d. wordt verwezen naar dit onderzoek. Uit de verspreidingsberekeningen die hierbij zijn uitgevoerd, blijkt dat voor zowel PM10 als PM2,5 en NO2, de jaargemiddelde concentratie ruimschoots voldoet aan de wettelijke eis van 40, 25 resp. 40 µg/m3. De bijdrage van De Trip is nergens groter dan 1 µg/m3, zowel voor NO2, PM2,5 als PM10, waardoor alle bijdrages vanwege De Trip te classificeren zijn als NIBM.
De totale bijdrage van De Trip aan de immissie van PM10 ter plaatse van dichtstbijzijnde woningen is nergens hoger dan 0,5 µg/m3 ten opzichte van de heersende achtergrondconcentratie van 23 à 24 µg/m3; de totale concentratie bedraagt hiermee maximaal 23 à 24 µg/m3. De totale bijdrage van De Trip aan de immissie van PM2,5 ter plaatse van dichtstbijzijnde woningen is nergens hoger dan 0,5 µg/m3 ten opzichte van de heersende achtergrondconcentratie van 14 à 16 µg/m3, waarmee de totale concentratie maximaal 14 à 16 µg/m3 bedraagt; De totale bijdrage van De Trip aan de NOx-immissie ter plaatse van dichtstbijzijnde toetsingspunten bedraagt nergens hoger dan 0,4 µg/m3 ten opzichte van de heersende achtergrondconcentratie van 22 à 26 µg/m3. De totale concentratie bedraagt daarmee 22 à 26 µg/m3. Tevens wordt voor alle parameters ruimschoots voldaan aan het criterium voor het maximale aantal overschrijdingsdagen. De berekende emissies zijn inclusief de reeds vergunde activiteiten. Ten opzichte van de situatie voor 2015 is vergelijking lastig, omdat niet alle emissiebronnen en –gegevens bekend zijn. Verwacht wordt dat de situatie iets verslechtert doordat er meer materieel op het buitenterrein in werking zal zijn (verkleiningsactiviteiten) en er meer vrachtwagens af en aan zullen rijden.
Er wordt ruimschoots aan de grenswaarden van 40 µg/m3 voor PM10 en NOx en 25 µg/m3 voor PM2,5 voldaan. De bijdrage van de gehele inrichting, en daarmee dus ook van de uitbreiding, valt onder de noemer ‘niet-in-betekenende mate’. Er is dus geen aanzienlijk milieueffect op dit onderdeel.
4.8 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Voor ruimtelijke
21
ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Daarnaast wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop.
Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants en winkels. Doorwerking plangebied Interne veiligheid Er vindt slechts zeer beperkte opslag van gevaarlijke stoffen plaats. Deze opslag vindt plaats conform de PGS 15 en 30. Uitsluitend de opslag van gevaarlijke afvalstoffen breidt uit ten opzichte van de referentiesituatie met C-hout en asfalt (waaronder teerhoudend). Dit zijn allemaal vaste stoffen die op vloeistofkerende voorzieningen en onder een afdak worden opgeslagen.
Gezien de extra opslag van brandbaar materiaal (hout) op het buitenterrein, is tevens getoetst of hier verhoogd risico op brandoverslag plaatsvindt. Gezien de omgeving en de onmogelijkheid op basis van
22
het vigerend bestemminsplan om gevoelige bestemmingen direct naast de opslagen te realiseren, is dit risico niet verhoogd. Van (toename van) risico’s vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke of brandbare stoffen is derhalve geen sprake. Dit leidt tot de conclusie dat het onderdeel veiligheid niet leidt tot een negatief milieueffect. Externe veiligheid Er vindt enkel een interne optimalisatie van de bedrijfsprocessen plaats. Er vindt geen uitbreiding van het bestemmings- en/of bouwvlak plaats. Ook vindt geen toename van het aantal personen binnen het plangebied plaats. Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van een toename van het persoonsgebonden en/of groepsgebonden risico. Externe veiligheid vormt geen belemmering bij uitvoering van onderhavig initiatief.
4.9 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.
Archeologie - Doorwerking plangebied Volgens het bestemmingsplan geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Het bestemmingsplan verwijst naar het gemeentelijk beleid omtrent de aan te houden normen omtrent bescherming van eventuele archeologische waarden die daar voorkomen. Zoals in de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is aangegeven geldt een ‘gebied van archeologische verwachting’. Pas wanneer meer dan 1.000 m2 grond geroerd wordt, is archeologisch onderzoek en/of een vergunning noodzakelijk. Er wordt geen bodem geroerd om de beoogde situatie mogelijk te maken. Er worden hierdoor geen (eventuele) archeologische waarden geschaad. Een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Het aspect ‘archeologie zorgt niet voor belemmering bij uitvoering van onderhavig initiatief. Cultuurhistorie - Doorwerking plangebied De provincie ziet cultuurhistorie als een belangrijk element van de identiteit van Utrecht. De provincie Utrecht heeft de Cultuurhistorische Atlas Provincie Utrecht (CHAT) opgesteld om de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot cultuurhistorische waarden van de prehistorie tot heden in kaart te brengen. Het plangebied ligt niet in een gebied dat cultuurhistorische waardevol is of cultuurhistorisch waardevolle elementen bevat.
Het aspect ‘cultuurhistorie’ zorgt dan ook niet voor belemmering bij uitvoering van onderhavig initiatief.
23
4.10 Waterhuishouding Zowel de waterbehoefte als de omvang en aard van de afvalwaterstromen die binnen de inrichting vrijkomen, zijn beperkt. Schoon hemelwater/besproeiingswater van het terrein (inerte opslag, wegen) en daken wordt rechtstreeks op het kanaal geloosd. Het overige bedrijfsafvalwater is vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater en wordt zonder aanvullende voorzieningen op het gemeentelijke riool geloosd. Er is doorgaans weinig water nodig voor de beschreven processen.” Er wordt verder geen verharding toegevoegd aan het plangebied. Er vindt enkel een interne optimalisatie van de bedrijfsprocessen plaats. Daarnaast is rekening gehouden met de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Voor deze bestemming geldt op grond van artikel 18.1 dat behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), de gronden mede zijn bestemd voor het in stand houden en het onderhoud van de waterkering. Binnen deze bestemming mogen daarom uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 2 meter. Dit betekent dat voor het realiseren van de keerwanden van 4 meter hoogte nabij de kade tevens een watervergunning is aangevraagd op 17 augustus 2015. Conclusie Het plan voldoet aan de eisen die gesteld worden aan de waterhuishouding. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.
4.11 Verkeer en parkeren Er wordt in de beoogde situatie niet voorzien in de toevoeging van een gebouw, enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Daarbij wordt met dit initiatief ingespeeld op een interne herstructurering van bestaande processen binnen het bedrijf. Er is geen sprake van nieuw ruimtebeslag en ook geen behoefte voor extra parkeerplaatsen. Er zijn reeds voldoende parkeerplaatsen aanwezig op het terrein. In zowel het geluidsonderzoek als luchtkwaliteitsonderzoek (opgenomen in de aanvraag omgevingsvergunning wordt uitgebreid ingegaan op het aantal verkeersbewegingen in de representatieve bedrijfssituatie (RBS). Voor de verkeersbewegingen verschilt de huidige met de toekomstige situatie niet. In de huidige situatie zijn geen problemen bekend met betrekking tot de verkeersafwikkeling aan de Sophialaan. Aangenomen wordt dat dit voor de toekomst ook geldt. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘verkeer en parkeren’ niet zorgt voor belemmeringen bij uitvoering van onderhavig initiatief.
24
5.
UITVOERBAARHEID 5.1 Financiële uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. De ontwikkeling is hiermee financieel uitvoerbaar. De uitvoering van de ontwikkeling is in handen van een particulier. Met deze partij heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten. Op deze manier is het kostenverhaal voldoende vastgelegd en kan de vaststelling van een exploitatieplan achterwege blijven.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Procedure omgevingsvergunning De aanvraag om de omgevingsvergunning voor de realisatie van een bedrijfsgebouw heeft betrekking op de activiteit bouwen en het opheffen van het strijdig planologisch gebruik. Op de onderhavige aanvraag is ex artikel 2.12 lid 1, onder a, Wabo de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing.
25
BIJLAGEN
Bijlage 1: Besluit Provincie Utrecht aanmeldingsnotitie
Bijlage 2: Nadere onderbouwing milieucategorie De Trip
M-Tech Nederland BV Produktieweg 1G 6045 JC Roermond T: +31(0)475 420 191
info@m-tech-nederland.nl www.m-tech-nederland.nl F: +31(0)475 568 855
M-tech heeft vestigingen in: Dordrecht, Brussel, Gent Hasselt (B), Namen, Roermond
NOTITIE Aan
: RUD Utrecht en gemeente Utrecht
Van
: Hubert Neelen
Onderwerp
: aanvulling De Trip aanvraag omgevingsvergunning onderdeel bouw De Trip (keerwanden) d.d. 17 augustus 2015.
Datum
: 21 oktober 2016
Op basis van het proces-verbaal van de rechtbank Midden-Nederland met zaaknummers UTR 16/3343 en UTR 16/3344 zijn afspraken gemaakt aangaande het opnieuw beschikken op het besluit van 27 juni 2016 met kenmerk b15.4391. In deze notitie worden de navolgende zaken uitgewerkt: 1. flexibiliteit gebouwde keerwanden 2. nadere uitleg functionele behoefte variatie in opslagcapaciteit en grootte van de opslagen 3. onderbouwing milieucategorie Deze notitie betreft een aanpassing van onze aanvulling van 22 oktober 2015, aangevuld met de extra gevraagde informatie en vervangt daarmee de eerdere aanvulling.
1. flexibiliteit gebouwde keerwanden De bij de aanvraag gevoegde tekening aangaande de buitenste keerwanden, gelegen aan de grens van het perceel en aan de zijde van de loswal zijn hard en functioneel nodig om de milieuhinder naar de omgeving te beperken. Alle keerwanden die naar binnen van het perceel zijn geplaatst en de grootte van de vakken weerspiegelen zijn variabel. Zoals uit de aanvraag blijkt zijn de keerwanden opgebouwd uit jumboblokken en kunnen makkelijk worden verplaatst. De wijziging ten opzichte van de bouwaanvraag is in bijgevoegde tekening (bijlage 1) weergegeven.