ZHW Toelichting Bijlage 8 Programma van eisen archeologie.pdf
Tekst van het document
Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: • Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied te herkennen? • Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: o de ligging (inclusief diepteligging); o de geologische en/of bodemkundige eenheid; o de omvang (inclusief verticale dimensies); 29
Van Heeringen/Schrijvers/Waugh 2018.
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 21 van 38
o o o o o o o o
het type en de functie van de sites of off-site-patronen; de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia); wat is, indien aanwezig, de ouderdom van de cultuurlaag? bevinden zich afvallagen of dumpzones in de lager veen rond de vindplaats? de vondst- en spoordichtheid; de stratigrafie voor zover aanwezig; de ouderdom, periodisering, type chronologische classificatie; wanneer zijn vindplaatsen in onbruik geraakt?
Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: • Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? Wat is de gaafheid en conservering van de top van de aanwezige rivierduinen? • Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? • Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? • In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? Vraagstelling specialistisch onderzoek Het specialistisch onderzoek dient zich te richtten op het eventuele vervolgonderzoek, het is hierbij van belang om te weten of de vindplaats geschikt is voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysischantropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek. De monsters dienen hiervoor gewaardeerd te worden. 5.4
Aanbeveling
Op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek dient een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied. Met betrekking tot die omgang zijn er drie opties: • behoud in situ (eventueel door archeologie vriendelijk bouwen); • archeologische opgraving; • vrijgeven. Op basis van de onderzoeksresultaten en de aanbeveling dient de bevoegde overheid (de Gemeente Urk) een selectiebesluit te maken. Voor de gemeente Urk geldt dat zij willen streven naar maatwerkoplossingen om behoud in situ mogelijk te maken (archeologie vriendelijk bouwen). Daar waar mogelijk zullen delen van het plangebied met een hoge archeologische verwachting uit (IVO-P) zoveel mogelijk worden ingepast in de ruimtelijke plannen voor de openbare ruimte of zal er worden gezocht naar archeologievriendelijke bouw.
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 22 van 38
6
STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN
6.1
Strategie
In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel een waarderend proefsleuvenonderzoek (IVO-P), een strategie met name geschikt voor de delen van Flevoland waar het zand dicht onder maaiveld ligt.30 Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het proefsleuvenonderzoek kan inzicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. Daar waar een behoudenswaardige vindplaats door de geplande ingrepen voor de openbare ruimte verstoord dreigt te worden, dient een waarderend archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P) plaats te vinden. Het archeologisch proefsleuvenonderzoek wordt in beginsel ruim voorafgaand aan de aan archeologie conflicterende civiele werkzaamheden verricht. Mocht er in de proefsleuvenfase een behoudenswaardige vindplaats worden aangetroffen dan dient er overleg plaats te vinden met de bevoegd gezag (gemeente Urk) over de uitbreiding naar een opgraving of mogelijk behoud in situ. Wanneer de vindplaats behoudenswaardig is en niet kan worden behouden, dient deze te worden opgegraven binnen de contouren van de geplande civiele ontgravingen.
Voor een opgraving dient een nieuw PvE te worden opgesteld dat moet worden goedgekeurd door de bevoegde overheid (gemeente Urk). Het veldteam dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert staat onder dagelijkse leiding (te velde) van een Senior KNA-archeoloog die ervaring heeft met steentijdonderzoek op de met Holocene afzettingen afgedekte pleistocene dekzanden, in de provincie Flevoland of in vergelijkbare regio’s. In het veld wordt de senior minimaal bijgestaan door één KNA-archeoloog of veldtechnicus. De aanleg van het eerste vlak gebeurt door de Senior KNA Archeoloog. 6.2
Methoden en technieken
Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA versie 4.1. Voorwerk • Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS 01); dit is een handleiding voor het onderzoek. • Het doen van de verplichte onderzoeksmelding bij het centrale systeem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed (RCE) door het aanvragen van een onderzoeksmeldingsnummer (OM-NR). • Het PvE wordt door de uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd. Veldwerk archeologische proefsleuven • Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS 02 t/m OS 09. • In de zones waar de werkzaamheden in conflict komen met het archeologische niveau (vindplaats), zal een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) –plaatsvinden. Van de conflictzones in de tracés dient middels proefsleuven minimaal 10% tot 15% van het oppervlak gelijkmatig verspreid te worden onderzocht. De proefsleuven dienen een breedte te hebben van 4,0 m en de geplande locatie
30
Hamburg et al 2014.
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 23 van 38
•
•
•
• • • • • • •
•
•
• • • •
•
van de sleuven dient steeds te worden vastgelegd in een plan van aanpak (PvA) dat moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Het graafwerk wordt uitgevoerd door een machinist die ruime ervaring heeft met archeologisch werk. Er wordt gewerkt met een machine met voldoende capaciteit die is voorzien van een zogenaamde gladde bak (schaafbak indien wenselijk). De proefsleuven worden laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden. Het vanaf de top van het zand tot op het sporenniveau ((B)Chorizont) wordt het vlak machinaal schavend verdiept in dunne plakjes van niet meer dan 5 cm dik (indien vuursteen is aangetroffen). Boven het zand dient tijdens de aanleg wel rekening te worden gehouden met mogelijk aanwezige afvallagen. Bij het aantreffen van een intact bodemprofiel in het zand of afvallagen in het veen tijdens de proefsleuven, dan dient te worden gestart met een zeefonderzoek. Hierbij dient iedere drie strekkende meter één vak van 1,0 x 1,0 m te worden uitgezet en gezeefd. De relevante bodemlagen (A, E en B-horizont/afvallaag) dienen per 5 cm of per horizont met de hand / schep bemonsterd en gezeefd te worden over een zeef met maaswijdte van 3 mm, waarbij alle vondsten, organisch en anorganisch worden verzameld.
Indien bij het handmatig verdiepen vuursteen wordt aangetroffen, wordt een extra vierkante meter handmatig schavend verdiept. Om de zeefvondsten te kunnen registreren, krijgen ze op basis van het vierkante-meter-vak en de laag een uniek nummer, waarvan de hoogte wordt ingemeten met de RTS/GPS. Zodra archeologische sporen worden aangetroffen zal met de hand / schep een leesbaar vlak moeten worden aangelegd. Er wordt uitgegaan van de aanleg van één vlak. Mocht het noodzakelijk zijn om een tweede vlak aan te leggen dan dienen de sporen in het eerste vlak afgewerkt te zijn. De bouwvoor (bruine bovengrond) wordt gescheiden gehouden van de overige grond en als laatste teruggestort. In verband met de mogelijkheid dat de mogelijke vindplaats(en) behouden blijft/blijven, in situ, mag het graafwerk niet destructiever zijn dan strikt noodzakelijk. Archeologisch relevante structuren mogen niet worden verwijderd. Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt.
De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld, met name de administratieve zijde daarvan. Dit omvat tevens het digitale gegevensbeheer van de velddocumentatie. De spoorformulieren worden ingevoerd zodat een database ontstaat van de primaire veldgegevens. Tijdens het onderzoek wordt voldoende materiaal met diagnostische kenmerken verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de bodemlagen. Vondsten gedaan bij de aanleg van de proefsleuven worden in vakken van 5 x 4 m per bodemlaag verzameld. Bij het aantreffen van een vondstenlaag in het pleistocene zand in vakken van 1 x 1 m. Vondsten afkomstig van en uit sporen, worden per spoor en vulling geregistreerd. Bijzondere vondsten dienen apart te worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer te worden geregistreerd. Ook bijzondere deposities binnen sporen worden afzonderlijk geregistreerd door middel van fotografie en tekening. Het materiaal zelf wordt individueel (X-, Y- en Z-waarde) en gescheiden van het overige vondstmateriaal in het spoor verzameld. De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een hierin ervaren medewerker.
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 24 van 38
• Metaalvondsten in het vlak en in sporen worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd. • Bij het waterpassen van het vlak om de 5 m, wordt telkens ook het maaiveld direct buiten de proefsleuven meegenomen. • De verschillende vondstcategorieën worden zodanig verpakt, dat de conditie van het materiaal zo optimaal mogelijk blijft. Registratie vindt plaats op een vondstenlijst. Registratie en inventarisatie van het vondstmateriaal gebeurt direct na afronding van het veldwerk. • Alle aanpassingen van het proefsleuvenonderzoek gebeuren te allen tijde in overleg met de voor het project verantwoordelijke Senior KNA-archeoloog en de bevoegde overheid. 6.3
Omgang kwetsbare vondsten en monsters
Kwetsbare vondsten en monsters dienen behandeld te worden conform OS11/OS11wb en de KNALeidraad “Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal.” 6.4 • •
•
•
• •
•
• • •
•
• •
Structuren en grondsporen Er dient te worden gewerkt conform KNA-specificatie OS03 t/m OS09 (opgraven). De sporen worden getekend; de vlakken op schaal 1:50 en de eventuele coupetekeningen en profielen op schaal 1:20, graven op schaal 1:10. Verder worden de sporen gefotografeerd en wordt de hoogte ten opzichte van NAP bepaald. De vlakken mogen ook met een GPS of Total Station getekend worden. Sporen in het vlak worden gedocumenteerd; de geïdentificeerde sporen worden beschreven en vastgelegd in dag- en weekrapporten en op daartoe geëigende formulieren, conform KNA versie 4.1. Van de aangetroffen sporen wordt een aantal gecoupeerd met als doel de kwaliteit vast te stellen. De sporen worden vooralsnog niet afgewerkt. Als wordt doorgestart naar een archeologische opgraving dan zullen alle sporen moeten worden gecoupeerd en afgewerkt. Greppels en geïsoleerde sporen worden gecoupeerd en gedocumenteerd. Grondsporen die deel uit maken van een (gebouw)structuur of grote concentraties grondsporen dienen daarentegen in eerste instantie alleen (selectief) te worden gecoupeerd en niet te worden afgewerkt. Dit heeft als doel de datering en de conservering zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, waarbij de archeologische resten zoveel mogelijk intact gehouden worden. Dit ter beantwoording van de onderzoeksvragen.
Bij een doorstart naar een opgraving dienen alle sporen te worden gecoupeerd, afgewerkt en uitgewerkt tot het niveau van de beantwoording van de onderzoeksvragen. Haardkuilen worden vanaf een zo hoog mogelijk niveau gecoupeerd en gedocumenteerd. De inhoud van een haardkuil wordt volledig bemonsterd. Indien de haardkuil (bijvoorbeeld aan de onderzijde) een uitermate houtskoolrijke vulling heeft wordt deze apart bemonsterd. Eventuele graven of crematiesporen zijn zeer kwetsbaar wanneer ze eenmaal zijn blootgelegd en dienen dan ook geheel gedocumenteerd en integraal bemonsterd te worden. De coupes dienen individueel gewaterpast te worden. Splitsingen en oversnijdingen van sporen dienen op een dusdanige manier vastgelegd en onderzocht te worden, dat een eventuele fasering vastgesteld kan worden. Vondsten afkomstig uit dergelijke sporen worden per spoor en eventueel daarin te onderscheiden vullingen verzameld. De gevonden lagen, grondsporen en structuren dienen zo mogelijk per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen ze te worden meegenomen in de interpretatie en conclusie(s). De vulling van sporen uit de Steentijd dient te worden gezeefd over een maaswijdte van 3 mm. Kansrijke sporen worden bemonsterd.
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 25 van 38
•
6.5
Bij het aantreffen van bijzondere structuren en sporen te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Lichten
Vanaf het moment dat vondstmaterialen herkend worden tijdens het veldwerk begint de fase van het lichten, verpakken, (tijdelijk) opslaan en conserveren. In de meeste gevallen kan het lichten door het veldteam ter plaatse uitgevoerd worden. In gevallen van kwetsbaar materiaal waarbij direct ernstig informatieverlies kan optreden, dient evenwel een specialist bij de lichting betrokken te worden. Wat betreft de opslag van vondstmateriaal levert een koele en donkere ruimte de meeste stabiliteit op. Voor kwetsbare materiaalgroepen is doorgaans meer nodig om de stabiliteit zo veel mogelijk te garanderen. Voor het behandelen en verpakken van vondsten en monsters ten behoeve van de tijdelijke opslag dienen per kwetsbare materiaalgroep de betreffende subspecificaties binnen OS11 gehanteerd te worden; ook de KNA-leidraad Veldhandleiding archeologie en de KNA-leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal dienen tijdens het veldwerk gehanteerd te worden. Tevens geldt voor alle materiaalcategorieën het advies van de specialist. 6.6
Aardwetenschappelijk onderzoek
Het aardwetenschappelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd door een fysisch-geograaf of een archeoloog met aantoonbare ervaring op de hier verwachte bodem en geologie. Van de proefsleuven dient een lengteprofiel te worden onderzocht op mogelijke verstoringen en aanwezige bewoningsniveaus. Van het lengteprofiel wordt om de 25 m een profielkolom van een 1 m breed tot 30 cm in de schone C-horizont aangelegd en gedocumenteerd. Mochten er tussen de kolommen grote verschillen zitten dan dient het tussenliggende deel aangelegd en gedocumenteerd te worden om overgangen vast te leggen. Er dienen minimaal twee profielopnames per werkput te worden gedocumenteerd. 6.7
Anorganische artefacten
• Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per werkput verzameld. • Archeologisch relevante vondsten en/of vondstvuurstrooïngen en/of clusters artefacten worden ter plaatse ingemeten en voorzien van een X-, Y-, en Z- waarden. • Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA, versie 4.1. • Bij de vondst van bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. • Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten (hoeveelheden, soorten materialen, soorten objecten en/of dateringen en conservering) significant afwijken van wat er verwacht wordt of kan worden, is overleg nodig tussen de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de depothouder, op aangeven van de opdrachtnemer. De depothouder maakt zijn wensen ten aanzien van selectiedeselectie van het onvoorziene materiaal kenbaar aan de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Zo nodig komt ook de omgang met daarmee gemoeide extra kosten aan bod. De opdrachtnemer wordt over de uitkomsten van het overleg geïnformeerd door de bevoegde overheid. Zo nodig informeert de depothouder (/eigenaar) tevens de depotbeheerder.
Binnen twee dagen vanaf het moment van aantoonbaar melden/persoonlijk contact met/bij de depothouder dient een reactie ten aanzien van het wel/niet meenemen van het materiaal door de depothouder te zijn gegeven. Bij het uitblijven van een reactie binnen de afgesproken termijn mogen de overige partijen beslissen of zij het materiaal wel/niet uit het veld meenemen.
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 26 van 38
6.8 • • • •
6.9
Organische artefacten Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA, versie 4.1. De organische artefacten dienen in het veld op zodanige wijze te worden verzameld dat ze na determinatie en uitwerking een antwoord geven op de gestelde onderzoeksvragen. Bij de vondst van bijzondere organische artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking en conservering ter hand wordt genomen. Archeozoölogische en -botanische resten
• Uit relevante en kansrijke contexten kunnen organische monsters genomen worden ten behoeve van analyse door specialisten, met name geschikt voor steentijdonderzoek zijn: pollenanalyse (palynologie), archeobotanie, diatomeeën, mollusken, insecten, chironomideën etc. De monsters worden nog niet gezeefd. In overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever zal worden bepaald of analyse van de monsters noodzakelijk is. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen. • Bij het aantreffen van verbrand of onverbrand (minder aannemelijk) botmateriaal, dient in overleg met de Gemeente Urk een menselijk botspecialist te worden ingeschakeld. Indien het een (crematie) graf betreft, zal in overleg worden bezien wat de beste wijzen van berging en documentatie is. • Niet in anatomisch verband liggend botmateriaal dient te worden verzameld zoals het andere botmateriaal. In anatomisch verband liggende dierlijke skeletten zullen 3D en op coördinaten worden gefotografeerd. Het skelet dient te worden geborgen en eventueel bemonsterd in overleg met een dierlijk botspecialist en de gemeente. 6.10 Overige resten Indien mogelijk worden van relevante sporen of lagen sediment-monsters genomen voor micromorfologisch onderzoek, XRF (fosfaatbepaling) etc.
Deze monsters dienen slechts te worden genomen indien veelbelovende sporen worden aangetroffen. 6.11 Dateringstechieken Belangrijke sporen, die niet met behulp van vondsten kunnen worden gedateerd, kunnen, indien zij organisch materiaal bevatten, met behulp van een 14C-datering worden gedateerd. Daartoe dienen monsters van kansrijke lagen of materialen te worden genomen. Een andere mogelijkheid om de ouderdom vast te stellen, is door middel van Optical Stimulated Luminescence (OSL-datering). 6.12 Bouwstenen Een bouwsteen is gedefinieerd als een logische of logistieke informatie-eenheid van de documentatie van een opgraving. Deze bouwstenen definiëren de wijze van documenteren van de basisgegevens van een specifiek (waarnemings)proces of een specifieke activiteit binnen een archeologisch onderzoek, te weten administratieve (bijvoorbeeld: project en OM-nr) en ruimtelijk-geografische (de positie en ruimtelijke begrenzing). Een bouwsteen, of een combinatie van bouwstenen, kan bijvoorbeeld de
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 27 van 38
vorm hebben van een analoge (papieren) lijst of veldtekening, maar ook van een digitale databasetabel of een kaartlaag in een CAD- of GIS-toepassing. Van de werkzaamheden in het veld dienen dag- en weekrapporten te worden bijgehouden. Tevens dienen sporen op spoorformulieren, vondsten op vondstformulieren, monsters op monsterformulieren, tekeningen op tekeningformulieren en foto’ s op fotoformulieren te worden geregistreerd. 6.13 Beperkingen Vanwege het inventariserende karakter van het proefsleuvenonderzoek mogen grotere structuren niet direct verwijderd worden. Door deze beperking kan mogelijk niet op alle onderzoeksvragen een duidelijk antwoord gegeven worden. Het nader uitwerken van materiaalgroepen en het conserveren van artefacten gebeurt nadat er een selectie- en waarderingsrapport is geschreven waarin de voorgenomen uitwerkingen worden verwoord en beargumenteerd. Uiteindelijke uitwerking en conservering wordt in overleg met en na goedkeuring van de opdrachtgever en de bevoegde overheid gedaan. Aangezien binnen de huidige plannen geen gravend onderzoek is voorzien dieper dan 1,0 á 1,5 m onder maaiveld, is het niet de verwachting dat grondwater een probleem zal vormen bij de uitvoering van het onderzoek.
Bij eventuele proefsleuven op een dieper niveau is het verstandig hiermee voorafgaand aan de werkzaamheden wel rekening te houden en het is wenselijk dit goed op te nemen in het plan van aanpak voor de uitvoering.
7 7.1
UITWERKING EN CONSERVERING Structuren, grondsporen en vondstspreidingen
• De structuren en grondsporen worden zodanig uitgewerkt dat de vraagstelling kan worden beantwoord. • De analyse van de sporen is gericht op het herkennen van structuren, het toekennen van een betekenis aan de individuele sporen en/of structuren, het vinden van patronen in de materiële cultuur en het dateren van de betreffende sporen. • Beschrijving structuren en grondsporen: - verspreiding en diepteligging; - beschrijving aard, fysieke kwaliteit en ouderdom (zo mogelijk). • De aangetroffen lagen, grondsporen en structuren dienen per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen de lagen, grondsporen en structuren te worden meegenomen in de interpretatie en in de conclusie(s). • Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een allesporenkaart voorzien van het landelijke coördinatengrid en topografie. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren. 7.2
Analyse aardewetenschappelijke gegevens
Aardwetenschappelijke analyse vindt indien mogelijk plaats in het veld op basis van het bestudeerde profiel. Deze analyse zal in de regel worden uitgevoerd door de KNA-archeoloog. De veldgegevens van het vlak en de profielen moeten uitgewerkt worden in tekeningen en kaarten met een overzichtelijke codering conform KNA versie 4.1. De bodemlagen moeten duidelijk worden aangegeven in de profielen met daaraan gekoppeld een (globale) datering.
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 28 van 38
7.3
Anorganische artefacten
• De primaire vondstverwerking bestaat uit het wassen van vondsten, het administreren van de vondsten per vondstnummer en het scheiden in verschillende materiaalcategorieën. • De anorganische artefacten dienen te worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd. • Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt. • Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven en gewaardeerd. • De materiaalanalyse wordt verricht door de KNA-materiaalspecialisten. • De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. 7.4
Organische artefacten
• De primaire vondstverwerking bestaat uit het wassen van vondsten, het administreren van de vondsten per vondstnummer en het scheiden in verschillende materiaalcategorieën. • De organische artefacten dienen te worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. • Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd. • Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt. • Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven en gewaardeerd. • De materiaalanalyse wordt verricht door de KNA-materiaalspecialisten. • Niet te determineren metaalklompen of klompen van metaaloxide die in een archeologische context worden gevonden, worden geröntgend ten behoeve van de determinatie, selectie (i.v.m. mogelijke conservering) en screening van de inhoud. • De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. Voordat tot uitwerking kan worden overgegaan dient rekening gehouden te worden met de conservering van voorwerpen van been, gewei, hout en ander plantaardig materiaal.
In het veld al als zodanig herkenbare organische artefacten dienen zo spoedig mogelijk ter consolidering aan een erkend restauratieatelier aangeboden te worden. 7.5
Archeozoölogische en -botanische resten
• Voor de specifieke eisen die aan de uitwerking archeozoölogische en botanische resten worden gesteld, wordt verwezen naar de KNA, versie 4.1. In aanvulling daarop, wanneer het voor het onderzoek relevant is, worden van dateerbare (grond)sporen met mogelijk goed geconserveerd archeologisch materiaal en van relevante vondstlagen (bijvoorbeeld uit beerputten) monsters genomen voor botanisch, 14C, dendrochronologisch en paleo-ecologisch onderzoek. • Van de kwalitatief goede grondmonsters zal een specialist samen met de KNA-archeoloog de monsters scannen op potentie in relatie tot de beantwoording van de vraagstelling. • Na afloop van het veldwerk zal in overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid worden vastgesteld welke monsters dienen te worden geanalyseerd. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen.
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 29 van 38
• De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van botanische resten en/of archeozoölogische resten uit de aangetroffen perioden. • Het specialistenrapport dient (integraal) in de eindrapportage te worden opgenomen en geïntegreerd te worden in beantwoording van onderzoeksvragen en synthese van het onderzoek. 7.6
Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.)
De beeldrapportage van de uitwerking bestaat (minimaal) uit de volgende afbeeldingen: • Uitsnede topografische kaart met de onderzoekslocatie. • Kaarten met de ligging van het plangebied en de belangrijkste structuren en grondsporen. • Alle Sporen Kaart (ASK), weergegeven per periode. • Foto’s of tekeningen van de belangrijkste profielen. • Eventueel coupetekeningen en/of foto’s. • Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten (na overleg met en goedkeuring van de bevoegde overheid). • Toevoegen indien relevant: Een afbeelding van het plangebied met daarop weergegeven de zones die in aanmerking komen voor behoud in situ/vervolgonderzoek en/of vrijgave.
8 8.1
RAPPORTAGE Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eindrapport
• Direct aansluitend aan het veldwerk dient met de uitwerking van de veldgegevens worden begonnen. • Indien archeologische waarden zijn aangetroffen dient er een uitwerkingsplan te worden opgesteld, met kosten van eventueel meerwerk. Dit plan dient voorgelegd te worden aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid ter goedkeuring. • Bij een proefsleuvenonderzoek dient binnen twaalf weken na einde van het veldwerk of de goedkeuring van het uitwerkingsplan een conceptrapport te worden opgeleverd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. 8.2
Procedure toetsing standaard-/conceptrapport door de bevoegde overheid
De gemeente Urk, i.c. zowel de opdrachtgever als het bevoegd gezag, ontvangt een exemplaar van het conceptrapport ter keuring. De op- en aanmerkingen dienen te worden verwerkt en leiden tot de definitieve versie van het rapport. 8.3
Inhoud standaardrapport
Het rapport dient minimaal de volgende onderdelen te bevatten. • Een korte samenvatting van de resultaten van het voorgaand onderzoek. • Een paragraaf waarin staat vermeld wat voor soort plan het betreft, welke ontwikkelingen er gaan plaatsvinden en tot welke diepte verstoring gaat plaatsvinden en in welke fase van de planprocedure het plan zich bevindt. • Een overzichtskaart - met landelijke coördinaten - met de begrenzingen van het plangebied (minimaal 1:25.000).
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 30 van 38
• Een gedetailleerde (overzichts)kaart - met landelijke coördinaten - met de ligging van de proefsleuven (en de eventuele opgraving), waarop de hoofdstructuren van de archeologische sites herkenbaar staan aangegeven. • Een kaart van het plangebied waarop: o het areaal van de archeologische sites staat aangegeven (indien van toepassing) o het areaal van verstoorde bodemprofielen in het plangebied staat aangegeven (waar van toepassing) • Een paragraaf met (verantwoording) methode en technieken. • Een paragraaf met de vraagstelling en de doelstelling van het archeologisch onderzoek. • Een paragraaf over eerder gedane archeologische vondsten in het plangebied of in de nabijheid van het plangebied. • Een paragraaf over de fysische-geografie van het plangebied. • De resultaten van het onderzoek dienen te worden geleverd in de vorm van een standaardrapport inclusief vlaktekeningen (zie hieronder) en indien noodzakelijk profieltekeningen, vondstenlijsten (zie hieronder), sporenlijsten (zie hieronder) en monsterlijsten. • De vlaktekeningen van de proefsleuven - met landelijke coördinaten - waarop de grondsporen (uitgesplitst naar periode) herkenbaar staan afgebeeld inclusief hun nummer. • Relevante coupetekeningen en/of foto’s. • De vondstenlijst waarin per archeologisch artefact (AF) staat aangegeven: 1. het spoor waarin het AF is aangetroffen, 2.
de conserveringstoestand van het AF (verbrand, vorst schade, geërodeerd, et cetera), 3. de determinatie, 4. de datering van het AF en 5. een beschrijving van het AF (l. x b. x h., baksel/materiaal, versiering, bewerkingssporen, etc.). • De sporenlijst waarin staat aangegeven: 1. het soort spoor, 2. de (conserverings-)toestand van het spoor, 3. de datering van spoor en 4. welke vondstnummers erin aanwezig zijn. • Een paragraaf van vindplaatsbeschrijvingen met daarin in ieder geval de volgende thema’s: de omvang en ligging, de datering, de vondstomstandigheden, de aard van de vondsten, de conservering en de diepteligging. • Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten. • De eventuele beperkingen van de toegepaste methode. • Een paragraaf met de antwoorden op de onderzoeksvragen • Een waardering van de nieuwe sites volgens de KNA, versie 4.1. • Een paragraaf met conclusies en aanbevelingen ten aanzien van mogelijk vervolgonderzoek. 8.4
Kwaliteit
• De auteurs zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de rapportage. • Het archeologische onderzoek vindt plaats op basis van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid en maatschappelijk integer handelen. • Aanbevelingen en waardeoordelen van de auteurs zijn onafhankelijk ten opzichte van alle partijen en niet onderhevig aan goedkeuring van de opdrachtgever en/of de bevoegde overheid. • De opdrachtgever kan geen eisen stellen of beperkingen opleggen aan de inhoud, de conclusies en de aanbevelingen. • De bevoegde overheid kan alleen verbeteringen eisen bij aantoonbare tekortkomingen in de wetenschappelijke kwaliteit van de verslaglegging. Wanneer toetsende overheid en auteur tot ver-
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 31 van 38
schillende conclusies komen, worden beide met wetenschappelijke argumentatie in het eindrapport weergegeven. 8.5
Verschijning en oplage standaardrapport
• Het rapport wordt uitgegeven (PDF) door de uitvoerende instantie en in de huisstijl van deze instantie. • Van het conceptrapport wordt één exemplaar aan de gemeente Urk geleverd. De gemeente Urk wordt in de gelegenheid gesteld commentaar te leveren op de rapportage, zowel in haar rol als opdrachtgever als bevoegd gezag. De bevoegde overheid zal het rapport toetsen aan het PvE en de KNA 4.1. • Na verwerking van eventuele op- of aanmerkingen wordt het definitieve rapport aan de opdrachtgever opgeleverd. • De rapportage wordt uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van opmerkingen door de bevoegde overheid definitief opgeleverd. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken. • De resultaten van het onderzoek dienen een brede toegankelijkheid te krijgen. Na het verwerken van opmerkingen zal het eindrapport digitaal worden verstuurd aan de gemeente Urk, het Provinciaal Depot Bodemvondsten Flevoland, de Provincie Flevoland, het RCE, de lokale heemkundekring en de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.
9
(DE)SELECTIE EN CONSERVERING
9.1
Selectie materiaal voor uitwerking
De selectie van vondsten en monsters wordt gedaan in het licht van de vraagstelling, onder verantwoording van de Senior KNA-archeoloog. De gemaakte selectie wordt in het evaluatierapport beschreven, dat dient te worden goedgekeurd door de gemeente Urk. 9.2
Selectie materiaal voor deponering en verwijdering
• Alle organische en anorganische artefacten die hiervoor in aanmerking komen, zoals houten en leren objecten en metalen voorwerpen, dienen te worden geconserveerd. De senior KNAarcheoloog kan een voorstel tot de selectie maken, waarin hij op onderbouwde wijze aangeeft, waarom bepaalde voorwerpen niet hoeven te worden gedeponeerd. Als de gemeente Urk en de Provincie, in haar hoedanigheid als depothouder/eigenaar vondsten, daarmee instemmen, kunnen deze voorwerpen verwijderd worden. Voorwerpen die niet gedeponeerd worden hoeven niet geconserveerd te worden. • Tijdelijke opslag van geselecteerde vondsten dient zo te geschieden dat de kwaliteit ervan niet achteruit gaat. • (Eerste) selectie vindt plaats door de uitvoerende instantie (Senior KNA-archeoloog, dan wel materiaalspecialist). 9.3
Selectie materiaal voor conservering
• In overleg met de bevoegde overheid wordt bepaald welke voorwerpen voor conservering in aanmerking komen. • Voor de conservering gelden bovendien de aanleveringseisen van het Archeologisch Depot van de provincie Flevoland.
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 32 van 38
10
DEPONERING
10.1 Eisen betreffende depot • Alle vondsten zijn vanaf het moment van vinden eigendom van de provincie (artikel 5.7 Erfgoedwet, eigendom van archeologische vondsten). De projectleider kan na de uitwerking het depot voorstellen een deel van de vondsten te selecteren voor definitieve verwijdering uit de collectie, mits wetenschappelijk verantwoord en op advies van een deskundige specialist. De selectie dient representatief te zijn voor het geheel van het verzameld materiaal binnen de aangetroffen materiaalcategorie. Het is wenselijk om van het materiaal dat wordt verwijderd bepaalde basisinformatie te registreren (zoals aantal, gewicht etc.), alvorens het te de-selecteren. Deze representatieve selectie maakt deel uit van het selectierapport en dient altijd ter goedkeuring voorgelegd worden aan depothouder (/eigenaar). Het is aan de beheerder van het depot om over de definitieve verwijdering te beslissen. Opgegraven vondstcomplexen (onderzoekdocumentatie en vondsten) worden zo compleet mogelijk aangeleverd. • De vondsten, monsters en documentatie dienen binnen een periode van 2 jaar na afronding van het veldwerk te worden overgedragen aan het Archeologisch Depot van de Provincie Flevoland, conform de deponeringseisen van het depot en de desbetreffende specificaties van de KNA versie 4.1. • De (eind)resultaten van het onderzoek worden verwerkt in ARCHIS.
10.2 Te leveren product Eind-/tussenproduct is een rapport volgens de vigerende versie van de KNA-specificatie volgens onderstaande bepalingen in dit hoofdstuk van dit PvE. Bij het eindproduct hoort een bewijs (af te geven door de ontvangende instantie) van overdracht van vondsten en documentatie. 10.3 E-depot Conform KNA 4.1 wordt ook een digitale versie van het rapport aangeleverd aan en opgenomen in het zogenaamde E-depot. (www.edna.nl) onder vermelding van het onderzoeksmeldingsnummer.
11
RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN
11.1 Personele randvoorwaarden • Het onderzoek moet worden verricht door een daarvoor gecertificeerd bedrijf conform BRL 4000 en de protocollen 4003 en 4004, onder leiding van personeel dat in het beroepsregister is ingeschreven. • Het veldteam dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert staat onder dagelijkse leiding (te velde) van een Senior KNA-archeoloog die ervaring heeft met steentijdonderzoek op de met Holocene afzettingen afgedekte pleistocene dekzanden, in de provincie Flevoland of in vergelijkbare regio’s. In het veld wordt de senior minimaal bijgestaan door één KNA-archeoloog of veldtechnicus. De aanleg van het eerste vlak gebeurt door de Senior KNA Archeoloog. • De profielen worden opgetekend en uitgewerkt door een fysisch-geograaf / Senior KNA-prospector met relevante fysisch-geografische kennis en ervaring op het gebied van steentijdonderzoek op de met Holocene afzettingen afgedekte pleistocene dekzanden.
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 33 van 38
• De graafwerkzaamheden worden uitgevoerd door een kraanmachinist met ervaring in de archeologie. Indien deze niet voorhanden is, dient de machinist te worden begeleid door een Senior KNAArcheoloog. • De uitwerking en rapportage staat onder leiding van een Senior KNA-archeoloog die ervaring heeft met steentijdonderzoek op de met Holocene afzettingen afgedekte pleistocene dekzanden, in de provincie Flevoland of in vergelijkbare regio’s. • Uitwerking, rapportage deponering dienen te geschieden door materiaal- en specialisten (zoals fysisch-geograaf, fysisch-antropoloog, aardewerkdeskundige, archeozoöloog, archeobotanicus) met aantoonbare ervaring op het gebied van de door hen te onderzoeken materiaalgroep/categorie. 11.2 Overlegmomenten • Na de gunning en voorafgaand aan veldwerk wordt een startbijeenkomst belegd (inzake PvA en opgravingstrategie) met het bevoegd gezag en de opdrachtgever. • Indien tijdens het een vindplaats wordt aangetroffen, wordt direct contact opgenomen met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Vervolgens vindt op korte termijn een bijeenkomst plaats, waarop de archeologisch uitvoerder, de opdrachtgever en de bevoegde overheid een vervolgstrategie bepalen. 11.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie • Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van de KNA, versie 4.1 en dit PvE.
In alle gevallen waarin dit PvE niet voorziet, zijn de procesbeschrijvingen en specificaties in de KNA, versie 4.1 van toepassing. • Het veldwerk wordt uitgevoerd onder leiding van een Senior KNA-archeoloog. • Ten aanzien van de conditie, kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie geldt dat dit in overleg met de bevoegde overheid zal plaatsvinden. De KNA-archeoloog neemt het initiatief voor overleg en evaluatie indien dit nodig is. • Indien de resultaten van het veldwerk niet van dien aard zijn dat er reden is voor het opstellen van een evaluatierapport kan dit achterwege blijven. • Bij de evaluatiefase wordt in een selectierapport een voorstel gedaan voor de te deponeren en te verwijderen vondsten, dat wordt goedgekeurd door de gemeente Urk. In de evaluatie fase wordt de depothouder van de provincie Flevoland het selectierapport (onderdeel van het evaluatierapport) voorgelegd. Pas na goedkeuring van het selectierapport door de depothouder kunnen vondsten en monsters op controleerbare wijze worden verwijderd. Indien na 15 werkdagen geen reactie is gekomen van de depotbeheerder kan het werk zonder goedkeuring voortgezet worden. • Na afloop van het veldwerk wordt een kort (telefonisch) overleg gehouden met de opdrachtgever over de resultaten.
• Te deponeren vondsten en monsters worden ingekrompen tot een minimale hoeveelheid benodigd voor herinterpretatie en/of uitgebreider onderzoek, gebaseerd op wetenschappelijke criteria. • Overleg over de actualisatie van het 3-D model vindt per kwartaal plaats met het bevoegd gezag, de opdrachtgever, de projectleider van de opdrachtnemer. Per kwartaal zal onafhankelijk van wijzigingen in de ontwikkelingsplannen een aangepaste versie van kaart 5 t/m 8 worden gemaakt en als addendum worden toegevoegd aan het PvE. 11.4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen De externe communicatie rondom het archeologisch onderzoek ligt geheel in handen van de opdrachtgever. Vanuit de archeologische uitvoerder zal alle medewerking worden verwacht voor het
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 34 van 38
verschaffen van inhoudelijke informatie die voor de externe communicatie van belang kan zijn. Indien het wenselijk wordt geacht dat er een informatiemoment wordt georganiseerd en de inzet vanuit de archeologische uitvoerder hiervoor niet vanuit de verleende opdracht is te realiseren, dan worden hiervoor eerst aanvullende afspraken gemaakt.
12
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE
12.1 Wijzigingen tijdens het veldwerk • Indien tijdens het veldwerk bijzondere vondsten worden gedaan of (complexe) sporen of structuren worden aangetroffen die niet in het onderzoeksvoorstel zijn voorzien, wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid. In overleg zal dan eventueel kunnen worden gekozen voor een andere aanpak. • Wijzigingen op het PvE worden overlegd met de bevoegde overheid en dienen aantoonbaar voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid en de depothouder. 12.2 Belangrijke wijzigingen Onderstaande belangrijke wijzigingen worden te allen tijde aantoonbaar voorgelegd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid: • Afwijking van de archeologische verwachting, • Wijzigingen van de gehanteerde onderzoeksmethode, • Wijzigingen van de fysieke en/of technische omstandigheden, • Vastleggen overleg- en evaluatiemomenten. 12.3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase en tijdens uitwerking en conservering • Na afloop van het veldwerk wordt contact opgenomen met de opdrachtgever om dit te melden en vindt er indien nodig een voorlopige evaluatie plaats van de behaalde resultaten en de mogelijk aangetroffen archeologische waarden. Tijdens dit overleg bepalen de Senior KNA-archeoloog en de bevoegde overheid samen de verdere strategie bij de uitwerking en stellen ze de noodzaak vast van de analyse van eventuele monsters en van mogelijke laboratoriumdateringen.
• Alle vondsten en uitgewerkte monsters moeten geconserveerd worden aangeleverd aan het archeologisch depot, tenzij schriftelijk en op grond van een selectierapport voor conservering anders is aangegeven door de desbetreffende depothouder. In een conserveringsrapport dient te worden vastgelegd welke vondsten op welke wijze en met welke middelen zijn geconserveerd. • Ten aanzien van de conditie kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie geldt dat dit in overleg met de bevoegde overheid zal plaatsvinden. De KNA-archeoloog neemt het initiatief voor overleg en evaluatie indien dit nodig is.
13
AANVULLENDE EISEN
13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk • De uitvoerdatum en uitvoeringstermijn van het veldwerk wordt in overleg met de opdrachtgever vastgesteld. • De archeologisch uitvoerder dient zorg te dragen voor het aanmelden van het onderzoek bij de RCE uiterlijk 10 dagen voorafgaand aan de start van het veldwerk.
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 35 van 38
13.2 Uitvoeringscondities veldwerk • Toegankelijkheid, vergunningen, betredingstoestemming en bereikbaarheid dienen door de opdrachtgever te worden geregeld. • Tevens draagt de opdrachtgever zorg voor gelegenheid tot het plaatsen van een schaftwagen, een container voor opslag van materiaal en een chemisch toilet. De opdrachtgever verzorgt de contacten met andere belanghebbenden. Tenzij door de opdrachtgever nadere bepalingen zijn gesteld, worden de proefsleuven tijdens of onmiddellijk na het onderzoek gedicht en aangereden volgens met de opdrachtgever gemaakte afspraken. • Additionele deelname van amateurarcheologen aangesloten bij een lokale of regionale/landelijke vereniging op het gebied van de archeologie is welkom, mits onder begeleiding van de archeologische aannemer en tijdens reguliere werkuren. Voorwaarde hieraan is dat ze een positieve bijdrage kunnen leveren aan het veldwerk en/of inhoud van het onderzoek. De aanwezigheid van amateurarcheologen wordt vastgelegd in de dag- en weekrapporten. • Het goedgekeurde PvE dient tijdens het veldwerk op de werklocatie aanwezig te zijn. • De archeologische uitvoerder zorgt dat grote/belangrijke archeologische sporen en resten aan het eind van de dag zijn veilig gesteld voor “schatgravers”. • De opdrachtgever informeert de archeologische uitvoerder over de ligging van kabels en leidingen op de onderzoekslocatie.
• De gravende civieltechnische uitvoerder doet een graafmelding bij het KLIC indien de gegevens van kabels en leidingen niet voorhanden zijn bij de opdrachtgever. • De opdrachtgever verstrekt indien gewenst kopieën van de milieurapporten. • De uitvoerder neemt preventieve maatregelen tegen inbraak en vandalisme. • Opgravingdocumentatie en waardevolle vondsten mogen niet onbeheerd in de keten achterblijven. 13.3 Niet gesprongen explosieven (NGE) en veldgraven Het gebied is hiervoor vrijgegeven en kan in principe veilig worden betreden. Indien er onverhoopt toch nog een NGE worden aangetroffen dan wordt het explosief met een laagje grond en eventueel de bak van de kraan afgedekt. De veldwerkzaamheden dienen te worden gestaakt en afhankelijk van de grootte van het aangetroffen projectiel dient het terrein te worden ontruimd. De politie dient te worden gebeld die een proces-verbaal zal opstellen en de vondst bij de explosievenopruimingsdienst (EOD) zal melden. Afhankelijk van het soort projectiel kunnen daarna de veldwerkzaamheden in een ander deel van het plangebied worden voortgezet of dienen deze te worden gestaakt totdat het projectiel door de EOD is verwijderd. Bij het aantreffen van veldgraven zal het bergings- en identificatieteam van de landmacht worden ingeschakeld. Zij nemen het bergen van het veldgraf over.
o Telefoonnummer (tijdens kantooruren): (033) 466 24 41 o Telefoonnummer (buiten kantooruren): 06-53 41 52 07 o email: bidkl@mindef.nl o https://www.defensie.nl/onderwerpen/berging-en-identificatie-oorlogsslachtoffers/de-bergings-en-identificatiedienst
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 36 van 38
LITERATUUR EN BRONNEN Literatuur Anscher, T.J. ten, 2012. Leven met de Vecht. Schokland-P14 en de Noordoostpolder in het neolithicum en de bronstijd, Zutphen. Anscher, T.J. ten/G.H. de Boer/Y.T. van Popta/S. van der Veen, 2018: Erfgoed in de polder; Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Noordoostpolder. Weesp (RAAP Rapport 3155). Bouter, H.E., 2018 (con.): Schokkerhoek te Urk, gemeente Urk; Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek, Amersfoort (ADC-rapport). Bringmans, P.M.M.A., 2019: Rapportage archeologisch proefsleuvenonderzoek Plangebied Zeeheldenwijk te Urk in de gemeente Urk. Swalmen (Econsultancy Rapport 8091.002). Gemeente Urk, 2020: Gebiedsvisie archeologie Zeeheldenwijk, Urk/Zwolle. Hamburg, T./A. Tol/J. de Moor/Y. Lammers-Keijsers, 2014: Afgedekt verleden: Opsporing, waardering en selectie van prehistorische archeologische vindplaatsen in Flevoland; ’Programma Kennisontwikkeling Archeologie Hanzelijn (Thema 1B), Amersfoort (Archol 244/Earth 49). Heeringen, R.M. van/R. Schrijvers/K.E. Waugh, 2018: Handreiking prospectief onderzoek in Flevoland voor het opsporen en waarderen van vindplaatsen uit de Vroege Prehistorie, Amersfoort (Vestigia-rapport V1372). Holl, 2020a: Beperkt bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Urkerweg te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.003).
Holl, 2020b: Verkennend booronderzoek Pilotstudie Zeeheldenwijk te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.004). Holl, 2020c: Karterend booronderzoek Liander-kabel Zeeheldenwijk te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.004b). Holl, 2020d: Karterend booronderzoek Zeeheldenwijk te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.009). Holl, 2020e: Verkennend booronderzoek; Conflictzones Zeeheldenwijk te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.010a). Holl, 2020f: Aanvullend karterend booronderzoek; Zeeheldenwijk te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.010b). Holl, 2020g: Rapportage proefsleuvenonderzoek Zeeheldenwijk te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.011). Holl, 2020h: Archeologisch bureauonderzoek Binnendijks Bedrijventerrein te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 11053.001).
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 37 van 38
Holl, 2020i: Archeologische quickscan en verkennend en karterend booronderzoek; Liander kabeltracé Urkerweg, Zeeheldenwijk en Domineesweg te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.005). Kiden, P./B. Makaske/O. van de Plassche, 2008: Waarom verschillen de zeepspiegelreconstructies voor Nederland? Grondboor & Hamer ¾, jaargang 62, pp. 54-61. Louwe-Kooijmans, L.P. 2001: Archeologie in de Betuweroute Hardinxveld-Giessendam Polderweg; Een mesolithisch jachtkamp in het Rivierengebied (5500-5000 v. Chr.), Amersfoort (RAM 83). Roorda, I./J. Stover, 2016: Handreiking archeologievriendelijk bouwen, Amersfoort. Sueur, C./J.M. Brijker/G. Overmars, 2017 (con.): Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Schokkerhoek te Urk, gemeente Urk, Amsterdam (Buro de Brug Rapport B16275). Sueur, C./K.M. van der Kant/J.W.M. Oudhof, 2015: Beleidsnota archeologie gemeente Urk, Amsterdam (Buro de Brug Rapporten B09-28). Sueur, C./K.M. van Dijk/J.W. Oudhof 2014: Archeologische beleidskaart Urk, versie 2, Amsterdam. Teekens, P.C./H.E. Bouter, 2008: Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek plangebied Zwolsehoek Fase 5 te Urk (prov. Flevoland); Een karterend booronderzoek in combinatie met een archeologische begeleiding t.b.v. de aanleg van enkele wegcunetten en de aanleg van een riolering, Oranjewoud (Archeologische Rapporten Oranjewoud 2008/65).
Bronnen Archeologisch informatiesysteem Archis3 (RCE), Amersfoort, december 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Nationale Onderzoeksagenda Archeologie 2.0; internetsite, december 2020. http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20
PvE 8091.001 versie 1
Pagina 38 van 38
Kaart 1: Situering van het plangebied binnen Nederland.
Ontwikkeling Zeeheldenwijk te Urk te Urk. Situering van het plangebied binnen Nederland
PVE 8091.001 VERSIE 1
Kaart 2: Detail plangebied.
PVE 8091.001 VERSIE 1
Kaart 3: Luchtfoto van het plangebied.
PVE 8091.001 VERSIE 1
Kaart 4: Uitsnede paleogeografische kaart (5.500 v.Chr.)
PVE 8091.001 VERSIE 1
Kaart 5: 3D-model diepte pleistoceen zand Zeeheldenwijk (bron: gemeente Urk, d.d. 19-06-2020)
PVE 8091.001 VERSIE 1
Bijlage 1: Tabel met de verwachtte aantallen31 Onderzoek
Verwachting
Plangebied Zeeheldenwijk fase 1 te Urk, gemeente Urk
Paleolithicum-Neolithicum
Omvang plangebied
Verwachte aantal m2
88 ha
onbekend
Vondstcategorie
Verwachte aantallen (N)
Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten (handverzameld) Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen
stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk
Monstername
Verwachte aantallen (N)
Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) DNA Dendrochronologisch monster
stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk
31 Aan deze aantallen kunnen geen rechten worden ontleend.
PVE 8091.001 VERSIE 1
100 0 0 0 0 400 100 0 1 1 0 5 5 0 0 0 0 0 0 2 5 0 0 0 1 2 0 0
Bijlage 2: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen
Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen
In PvE voorschrijven “Raadplegen bij PvA”
In PvE voorschrijven “Raadplegen bij veldwerk”
In PvE voorschrijven “Raadplegen bij uitwerking”
nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee
nee nee nee nee nee ja nee nee ja ja ja ja nee nee nee nee nee nee nee
Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
nee nee nee nee nee nee nee nee nee
nee nee nee nee ja ja nee ja nee
Ja Ja Ja ja ja ja ja ja ja
Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) DNA Dendrochronologisch monster
PVE 8091.001 VERSIE 1