CConstaterende datUrk
Koppel je AI →
Document · PDF

ZHW Toelichting Bijlage 8 Programma van eisen archeologie.pdf

Gemeenteraad 20 mei 2021, gemeente UrkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan met verbrede reikwijdte Zeeheldenwijk15.853 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

PROGRAMMA VAN EISEN ONTWIKKELING ZEEHELDENWIJK TE URK GEMEENTE URK

Programma van Eisen Ontwikkeling Zeeheldenwijk te Urk in de gemeente Urk

Opdrachtgever

Gemeente Urk Postbus 77 8320 AB Urk

PvE nummer

8091.001

Versienummer

1

Status

concept

Datum

7 december 2020

Vestiging

Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl

Opsteller

drs. E. Louwe, dr. Patrick M.M.A. Bringmans, drs. J. Holl

Paraaf

Autorisatie

drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Econsultancy Programma van Eisen

Programma van Eisen Locatie

Ontwikkeling Zeeheldenwijk te Urk1

Projectnaam

Ontwikkeling Zeeheldenwijk te Urk

Plaats binnen archeologisch proces ● IVO-P – proefsleuven Opsteller

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

paraaf

Auteur / Senior KNA-archeoloog

drs. E. Louwe Econsultancy b.v. Vestiging Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a, 8013 NE Zwolle T: 038 - 7820540 E: louwe@econsultancy.nl

7-12-2020

Auteur / Senior KNA-archeoloog (specialist steentijdarcheologie)

dr. Patrick M.M.A. Bringmans Econsultancy b.v. Vestiging Swalmen Rijksweg Noord 39, 6071 KS Swalmen T: 0475-504961 E: bringmans@econsultancy.nl

7-12-2020

Auteur / Senior KNA-prospector

drs. J. Holl Econsultancy b.v. Vestiging Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a, 8013 NE Zwolle T: 038 - 7820540 E: j.holl@econsultancy.nl

3-12-2020

Opdrachtgever

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

paraaf

datum

paraaf

Gemeente Urk Dhr. F. Fassotte T: 0527-689868 E: f.fassotte@urk.nl Goedkeuring bevoegde overheid

Naam, adres, telefoon, e-mail Gemeente Urk Postbus 77 8320 AB Urk T: 0527- 689970 E: gemeente@urk.nl

Kennisgeving Depothouder

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

Provinciaal depot Flevoland Mw. T. Heise-Roovers T: 0320-225939 E: tineke.roovers@batavialand.nl

1

in eerdere studies, waarvan wij de conclusies hebben opgenomen in dit PvE, is (tevens) de naam Schokkerhoek gebruikt; dit betreft de naam van het bestemmingsplangebied. De gebiedsontwikkeling ‘Schokkerhoek’, waar het bestemmingsplan zijn naam aan ontleent, is in 2019 gewijzigd in de Zeeheldenwijk.

Econsultancy Programma van Eisen

INHOUDSOPGAVE AFBEELDINGEN, FIGUREN EN BIJLAGEN........................................................................................ 6 1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED ...................................................... 1

2

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK........................................................ 2 2.1 2.2 2.3

Aanleiding ......................................................................................................................... 2 Motivering ......................................................................................................................... 2 Besluit ............................................................................................................................... 3

3

EERDER UITGEVOERDE ONDERZOEKEN ............................................................................. 3

4

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING ...................................................................................... 5 4.1

4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 5

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING.................................................................................. 20 5.1 5.2 5.3

5.4 6

Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context ........................................ 5 4.1.1 Locatie en geplande ingrepen ............................................................................ 5 4.1.2 Paleo-landschappelijke context .......................................................................... 5 4.1.3 Archeologische context ...................................................................................... 8 4.1.4 Eerder onderzoek ............................................................................................. 10 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) ...................................................................... 18 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) ......................................................... 18 Structuren en sporen ...................................................................................................... 18 Anorganische artefacten ................................................................................................. 18 Organische artefacten .................................................................................................... 19 Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten...................... 19 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen ..................................................

19 Gaafheid en conservering .............................................................................................. 20

Doelstelling ..................................................................................................................... 20 Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders ................................................. 20 Onderzoeksvragen ......................................................................................................... 21 5.3.1 Algemeen ......................................................................................................... 21 5.3.2 Waardering en specifieke onderzoeksvragen .................................................. 21 Aanbeveling .................................................................................................................... 22

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN ........................................................................ 23 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11 6.12 6.13

Strategie ......................................................................................................................... 23 Methoden en technieken ................................................................................................ 23 Omgang kwetsbare vondsten en monsters .................................................................... 25 Structuren en grondsporen ............................................................................................. 25 Lichten ............................................................................................................................ 26 Aardwetenschappelijk onderzoek ................................................................................... 26 Anorganische artefacten ................................................................................................. 26 Organische artefacten .................................................................................................... 27 Archeozoölogische en -botanische resten ..................................................................... 27 Overige resten ................................................................................................................ 27 Dateringstechieken .........................................................................................................

27 Bouwstenen .................................................................................................................... 27 Beperkingen.................................................................................................................... 28 8091.001

7

UITWERKING EN CONSERVERING ....................................................................................... 28 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6

8

RAPPORTAGE ......................................................................................................................... 30 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

9

Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eindrapport ...................... 30 Procedure toetsing standaard-/conceptrapport door de bevoegde overheid ................. 30 Inhoud standaardrapport ................................................................................................ 30 Kwaliteit .......................................................................................................................... 31 Verschijning en oplage standaardrapport ....................................................................... 32

(DE)SELECTIE EN CONSERVERING ..................................................................................... 32 9.1 9.2 9.3

10

Structuren, grondsporen en vondstspreidingen ............................................................. 28 Analyse aardewetenschappelijke gegevens .................................................................. 28 Anorganische artefacten ................................................................................................. 29 Organische artefacten .................................................................................................... 29 Archeozoölogische en -botanische resten ..................................................................... 29 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) .............................................. 30

Selectie materiaal voor uitwerking .................................................................................. 32 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering....................................................... 32 Selectie materiaal voor conservering ............................................................................. 32

DEPONERING .......................................................................................................................... 33 10.1 Eisen betreffende depot ................................................................................................. 33 10.2 Te leveren product .......................................................................................................... 33 10.3 E-depot ........................................................................................................................... 33

11

RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN ............................................................. 33 11.1 11.2 11.3 11.4

12

Personele randvoorwaarden .......................................................................................... 33 Overlegmomenten .......................................................................................................... 34 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie ........................................................ 34 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen ........................................................... 34

WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE ........................................ 35 12.1 Wijzigingen tijdens het veldwerk ..................................................................................... 35 12.2 Belangrijke wijzigingen ................................................................................................... 35 12.3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase en tijdens uitwerking en conservering ..... 35

13

AANVULLENDE EISEN ............................................................................................................ 35 13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk ....................................................... 35 13.2 Uitvoeringscondities veldwerk ........................................................................................ 36 13.3 Niet gesprongen explosieven (NGE) en veldgraven ...................................................... 36

LITERATUUR EN BRONNEN............................................................................................................. 37

8091.001

AFBEELDINGEN, FIGUREN EN BIJLAGEN Afbeeldingen Afbeelding 1. Afbeelding 2. Afbeelding 3. Afbeelding 4. Afbeelding 5. Afbeelding 6. Afbeelding 7. Afbeelding 8. Afbeelding 9.

Pleistocene dieptekaart Ten Anscher et al., 2018. Resultaten verkennend booronderzoek (Bouter, 2018). Boorlocaties karterend booronderzoek (Bouter, 2018) Werkputten van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek. Bron: Bringmans, 2019. Resultaten verkennend booronderzoek langs Urkerweg. Bron: Holl, 2020d. Boorpuntenkaart karterend booronderzoek, geprojecteerd op bestaande 3D-model. Bron: Holl, 2020b. Resultaten karterend booronderzoek, geprojecteerd op destijds vigerende 3D-model. Bron: Holl, 2020d Resultaten aanvullend karterend booronderzoek. Bron: Holl, 2020f. Resultaten verkennend en karterend booronderzoek Urkerweg 62.

Kaarten Kaart 1: Situering van het plangebied binnen Nederland. Kaart 2: Detail plangebied. Kaart 3: Luchtfoto van het plangebied. Kaart 4: Uitsnede paleogeografische kaart (5.500 v.Chr.) Kaart 5: 3D-model diepte pleistoceen zand Zeeheldenwijk Bijlagen Bijlage 1: Tabel met de verwachtte aantallen Bijlage 2: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen

8091.001

1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED

Projectnaam

8091.001

Provincie

Flevoland

Gemeente

Urk

Plaats

Urk

Toponiem

Ontwikkeling Zeeheldenwijk te Urk

Kaartbladnummer

20F

Coördinaten

NW: 171.850/518.780 NO: 172.300/519.220 ZW: 171.850/518.320 ZO: 172.725/518.120

Archeologische beleidskaart Urk

Het plangebied ligt volgens de theoretische archeologische beleidskaart Urk in een zone met deels een hoge, deels middelhoge en deels een lage archeologische verwachting

CMA/AMK-status

n.v.t.

Archis-monumentnummer

n.v.t.

Archis-waarnemingsnummer

2853722100

Oppervlakte plangebied

ca. 80 ha

Oppervlakte onderzoeksgebied

Onbekend, keuze voor maatwerk

Huidig grondgebruik

Bouwland

Voorgenomen bodemingrepen

Bouw woonwijk

NAP-hoogte maaiveld

4,20 m -NAP

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 1 van 38

2

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK

2.1

Aanleiding

Binnen Plangebied Zeeheldenwijk, gelegen ten zuiden van de bebouwde kom van het huidige Urk, zal een nieuwe woonwijk inclusief infrastructuur worden gerealiseerd door de Gemeente Urk (i.c. zowel de opdrachtgever als het bevoegd gezag). De Gemeente Urk zal de woonwijk in twee fasen gaan ontwikkelen en heeft in het kader van de omgevingsvergunning opdracht gegeven tot het opstellen van een programma van eisen (PvE) voor de Zeeheldenwijk. Dit PvE betreft de fase van proefsleufonderzoek, indien hiertoe op basis van bureauonderzoek, verkennend en karterend booronderzoek wordt overgegaan, conform de Gebiedsvisie Archeologie Zeeheldenwijk.2 Het plangebied is opgedeeld in deelgebied 1 en deelgebied 2. In deelgebied 1 bestaan de meest ingrijpende verstoringen uit rioleringen, waterpartijen en woningbouw. Voor deelgebied 2 zijn de plannen in dit stadium nog niet bekend. Voor de Gemeente Urk zullen maatwerkoplossingen om behoud in situ mogelijk te maken (conform landelijk beleid), de voorkeur genieten boven archeologisch waarderend onderzoek en eventuele opgraving. Daar waar mogelijk zullen delen van het plangebied met een hoge archeologische verwachting uit (IVO-P) zoveel mogelijk worden ingepast in de ruimtelijke plannen of zal er worden gezocht naar archeologievriendelijke bouw.

Als leidraad hierbij zal de ‘Handreiking archeologievriendelijk bouwen’ van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) worden gebruikt.3 2.2

Motivering

Binnen het plangebied is een rivierduincomplex gelegen met een hoge verwachting voor het voorkomen van archeologische resten uit de periode Mesolithicum - Neolithicum. De reeds verrichte archeologische vooronderzoeken hebben uitgewezen dat met name op de flanken van de rivierduinen deels intacte podzolbodems aanwezig zijn.4 Tevens zijn afvallagen in het veen op de flanken van rivierduinen te verwachten. Aanvullend verkennend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek hebben uitgewezen dat de hoogste delen van de rivierduinen in grote mate zijn afgetopt / verstoord. Het vooronderzoek (verkennend en karterend) is en wordt uitgevoerd op basis van het stappenplan in de gebiedsvisie van de zeeheldenwijk. Hierbij worden de te onderzoeken gebieden aangewezen op basis van een 3D-model waarin conflictzones, zones waar archeologische resten bedreigd kunnen worden door de bodemingreep, worden vastgelegd. De actualisatie van het 3D-model vindt per kwartaal plaats met het bevoegd gezag, de opdrachtgever en de projectleider van de opdrachtnemer. Per kwartaal zal (on)afhankelijk van wijzigingen in de ontwikkelingsplannen een aangepaste versie het model worden gemaakt. Op dit moment is alleen nog het model van de pleistocene ondergrond (zie kaart 5) voor het gehele plangebied opgesteld. Wanneer de plannen voor het gehele plangebied bekend zijn, zal het 3D-model worden uitgebreid met deelgebied 2.

Voor deelgebied 1 zijn de plannen reeds bekend. Hier zijn alle delen waar de top van het duinzand bedreigd wordt door de geplande ingrepen, reeds voldoende onderzocht conform de AMZ-cyclus. Het uit te voeren proefsleuvenonderzoek waarop dit PvE van toepassing is, behelst dus die delen in deelgebied 2 waarvan vooronderzoek (conform Gebiedsvisie Zeeheldenwijk) uitwijst dat dit noodzakelijk is. Ook kan proefsleuvenonderzoek nodig zijn bij eventuele wijziging van de plannen in deelgebied 1.

2

Gebiedsvisie Zeeheldenwijk Urk.

3

Roorda/Stover 2016.

4

Sueur et al 2017; Bouter 2018; Bringmans 2019; Holl 2020a; Holl 2020b.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 2 van 38

In dat geval kan ook aanvullend booronderzoek nodig zijn, waarbij eventueel nieuwe onderzoeksgebieden voor proefsleuvenonderzoek aangewezen kunnen worden. 2.3

Besluit

De Gemeente Urk heeft besloten – daar waar op basis van bureauonderzoek, verkennend en karterend booronderzoek (stappenplan Gebiedsvisie Zeeheldenwijk) een behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangewezen – een archeologisch proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren voorafgaand aan de voorgenomen ontwikkelingen voor de openbare ruimte die archeologisch waardevolle lagen dreigen te verstoren binnen Plangebied Zeeheldenwijk. Wanneer behoudenswaardige archeologische resten worden aangetroffen (conform waardering KNA), zullen deze in situ behouden dienen te worden of zal een archeologische opgraving plaats moeten vinden. Voor een eventuele opgraving zal een aanvullend programma van eisen geschreven moeten worden, dat weer goedgekeurd dient te worden door de gemeente als bevoegd gezag.

3

EERDER UITGEVOERDE ONDERZOEKEN

Soort onderzoek

Verkennend booronderzoek

Uitvoerder

Bureau de Brug

Rapportage (concept)

Sueur, C., J.M. Brijker & G. Overmars, 2017: Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek; Schokkerhoek te Urk, gemeente Urk. Amsterdam (Buro de Brug Rapport B16275).

Soort onderzoek (anti-chronologisch)

Verkennend en karterend booronderzoek

Uitvoerder

ADC

Rapportage (concept)

Bouter, H.E., 2018 (con.): Schokkerhoek te Urk, gemeente Urk; Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek, Amersfoort (ADC-rapport).

Soort onderzoek

Archeologische proefsleuven

Uitvoerder

Econsultancy

Rapportage

Bringmans, P.M.M.A., 2019: Rapportage archeologisch proefsleuvenonderzoek; Plangebied Zeeheldenwijk te Urk in de gemeente Urk, Swalmen (Econsultancy Rapport 8091.002).

Soort onderzoek

Verkennend booronderzoek

Uitvoerder

Econsultancy

Rapportage

Holl, 2020a: Verkennend booronderzoek; Urkerweg te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.003).

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 3 van 38

Soort onderzoek

Verkennend booronderzoek

Uitvoerder

Econsultancy

Rapportage

Holl, 2020b: Verkennend booronderzoek; Pilotstudie Zeeheldenwijk te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.004).

Soort onderzoek

Karterend booronderzoek

Uitvoerder

Econsultancy

Rapportage

Holl, 2020c: Karterend booronderzoek; Liander-kabel Zeeheldenwijk te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.004b).

Soort onderzoek

Verkennend en karterend booronderzoek

Uitvoerder

Econsultancy

Rapportage

Holl, 2020i: Archeologische quickscan en verkennend en karterend booronderzoek; Liander kabel-tracé Urkerweg, Zeeheldenwijk en Domineesweg te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.005).

Soort onderzoek

Karterend booronderzoek

Uitvoerder

Econsultancy

Rapportage

Holl, 2020d: Karterend booronderzoek Zeeheldenwijk te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.009).

Soort onderzoek

Verkennend booronderzoek

Uitvoerder

Econsultancy

Rapportage

Holl, 2020e: Verkennend booronderzoek; Conflictzones Zeeheldenwijk te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.010a).

Soort onderzoek

Karterend booronderzoek

Uitvoerder

Econsultancy

Rapportage

Holl, 2020f: Aanvullend karterend booronderzoek; Zeeheldenwijk te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.010b).

Soort onderzoek

Karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek

Uitvoerder

Econsultancy

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 4 van 38

Rapportage

4

Holl, 2020g: Rapportage proefsleuvenonderzoek Zeeheldenwijk te Urk. Zwolle (Econsultancy Rapport 8091.011).

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING

4.1.1 Locatie en geplande ingrepen en verstoringen Het Plangebied Zeeheldenwijk heeft een oppervlakte van circa 80 ha. Het plangebied ligt ten zuiden van de bebouwde kom van het huidige Urk. Het plangebied is momenteel grotendeels in gebruik als bouwland. Het plangebied valt onder te verdelen in twee deelgebieden (1 en 2). Op basis van de huidige inrichtingsplannen is deelgebied 1 (circa 28 ha) reeds voldoende onderzocht. Zie voor de uitgevoerde onderzoeken paragraaf 4.2.3. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich binnen het plangebied op een hoogte van circa 4,2 m -NAP. In het kader van de ruimtelijke ontwikkeling vindt een veelheid aan werkzaamheden plaats. Binnen deelgebied 1 reiken de werkzaamheden tot maximaal -8,5 m NAP. Voor deelgebied 2 zijn de dieptes van de bodemingrepen nog niet bekend. De werkzaamheden waarbij de relevante archeologische grondlagen in de openbare ruimte met name kunnen worden geroerd, zijn de rioolaanleg voor de nieuwe wijk en het uitgraven van een waterpartijen in het plangebied. De plannen en werkzaamheden voor deelgebied 2, het zuiden van de Zeeheldenwijk, zijn nog niet vastgelegd. Het voornemen is om bij de plannen zoveel mogelijk rekening te houden met de archeologisch relevante grondlagen en zo vroeg mogelijk bij vastgelegde roeringen verkennende en waarderende archeologische onderzoeken te verrichten.

Het onderhavige PvE is van toepassing op eventuele proefsleuvenonderzoek die op basis van deze (nog uit te voeren) vooronderzoeken uitgevoerd dienen te worden. 4.2

Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context

4.2.1 Paleo-landschappelijke context5 De ondergrond in de Noordoostpolder is voor een groot deel ontstaan in het Pleistoceen. In deze periode wisselden ijstijden en warmere tussenperioden elkaar af. Tijdens het Saalien, de voorlaatste ijstijd (circa 370.000 - 130.000 jaar geleden), raakte de noordelijke helft van Nederland bedekt met landijs. De vanuit het zuiden komende rivieren moesten afbuigen naar het westen, direct langs het zuiden van het landijs, waarbij het oerstroomdal van de Vecht ontstond. Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 115.000 – 11.600 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet. Binnen het oerstroomdal van de Vecht werden ook in het Weichselien nog rivierafzettingen gesedimenteerd, behorend tot de Formatie van Kreftenheye. Deze worden gerekend tot het Laagterras. In de tweede helft van het Weichselien heersten er zeer koude, periglaciale omstandigheden en was de vegetatie vrijwel geheel verdwenen. Er vonden veel zandverstuivingen plaats, waarbij het zand over grote afstand werd verplaatst. Dit materiaal is afgezet als een deken van fijn, zwak lemig zand afgewisseld met lemige lagen. Het oerstroomdal van de Vecht raakte met een pakket dekzand opgevuld. Het in deze periode, tot circa 13.000 jaar geleden afgezette dekzand wordt Oud Dekzand genoemd. Aan het eind van het Weichselien vonden nieuwe zandverstuivingen plaats.

Het zwak lemige stuifzand uit deze periode wordt aangeduid als Jong Dekzand en vormt in uitgestrekte gebieden zwak glooiende ruggen, welvingen en koppen. In de Noordoostpolder loopt het dekzand vanuit het zuid5

Bouter 2018 / Holl, 2020h / Ten Anscher et al., 2018.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 5 van 38

westen glooiend op, waarbij de hoogste delen zich in het noordoosten bevinden. In de rivierdalen kon geen dekzand afgezet worden omdat het stromende water dit direct afvoerde. In het laatste millennium van het Weichelien was sprake van een zeer koude en droge periode met vrijwel geen vegetatie. Vanuit de drooggevallen rivierbeddingen stoof zand op, dat werd afgezet als metershoge rivierduinen. Deze liggen in de zuidelijke helft van de Noordoostpolder in enkele westoost gerichte rijen langs de pleistocene beddingen van de Vecht en IJssel. Dergelijke duinen komen ook binnen het plangebied voor (zie kaart 4). Op basis van de uitgevoerde booronderzoeken ligt het pleistocene zand in het grootste deel van het plangebied op een diepte van circa 2 tot 6 m -mv (-6,2 tot -10,2 m NAP; kaart 5). In het noordwesten en zuidoosten zijn enkele opduikingen aanwezig waar het duinzand nabij het maaiveld ligt. De ligging van de rivierduinen op basis van het booronderzoek (zie kaart 5) wijkt iets af van de ligging op de pleistocene zanddieptekaart (afbeelding 1). Uit het booronderzoek is gebleken dat de hoogste zandopduikingen nabij het maaiveld gedeeltelijk zijn verstoord door egalisatiewerkzaamheden, afgraven van het zand, of het omploegen van de bodem.

Aangezien het maaiveld in het plangebied thans tussen -4 en -4,5 m NAP ligt, kan hieruit geconcludeerd worden dat van de hoogste delen van het rivierduin reeds een aanzienlijk deel is afgegraven. Op de overige delen van de rivierduinen en vooral op de flanken is de (podzol)bodem over het algemeen nog vrijwel geheel intact. In de top van dit niveau kunnen bewoningssporen worden aangetroffen. De zandopduikingen zijn in het Mesolithicum en Neolithicum aantrekkelijke locaties geweest voor menselijke activiteit. Het dekzandoppervlak en met name het hoger gelegen rivierduinoppervlak vormde het bewoonbare landschap totdat het uiteindelijk als gevolg van de stijgende zeespiegel, tijdens het Holoceen (vanaf circa 11.600 jaar geleden) vernatte en overgroeid raakte met veen (Formatie van Nieuwkoop). Als gevolg van het smelten van de ijskappen steeg de zeespiegel en hiermee het grondwater. Rond 4.900 v. Chr. (Vroeg-Neolithicum) was het gebied lager dan -7,5 m NAP reeds met veen bedekt. Op basis van het reeds uitgevoerde booronderzoek ligt het pleistocene zand in het grootste deel van het plangebied beneden deze diepte. In het Vroeg-Neolithicum was daarom vermoedelijk sprake van een veengebied met enkele duinkoppen die hier bovenuit staken. In het veen rond de rivierduinen kunnen afvallagen voorkomen die bijzonder rijk zijn aan (organische) vondsten.

Op basis van de relatieve zeespiegelcurve6 raakten de delen lager dan -4 m NAP gedurende het Midden-Neolithicum bedekt met veen, waardoor het gehele plangebied in een veengebied gelegen was.

6

Kiden et al, 2008.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 6 van 38

Afbeelding 1. Pleistocene dieptekaart Ten Anscher et al., 2018 (naar Ten Anscher, 2012)

Op basis van landschapskaarten7 lag het zuidwesten van het plangebied rond 4900 v. Chr. in een veengebied met zeggevegetatie. In de hoogste delen van de rivierduinen in het zuidoosten en noordwesten was sprake van een loofbos en op de iets lagere delen ontstond een moerasbos. Het noordoosten van het plangebied lag binnen open water, namelijk het stroomdal van de Vecht. In dit deel zijn in eerdere onderzoeken8 de rivierduinafzettingen relatief diep aangetroffen (4 tot meer dan 7 -mv / -8,2 tot dieper dan -11,2 m NAP). Deze laaggelegen zone is destijds geïnterpreteerd als een noordzuid georiënteerde geul ten tijde van de vorming van het Almere, maar het lijkt logischer dat hier sprake is van een verlande restgeul van de Vecht. Gedurende het vijfde millennium v. Chr. nam de invloed van de zee toe en werd langs en in de geulen klei afgezet. Rond 4400 v. Chr. ontstonden de Unio-I-oeverwallen langs de Vecht. Tijdens het booronderzoek zijn dergelijke oeverwallen echter niet aangetroffen binnen het plangebied. In enkele zones is onderin het profiel een dunne laag klei met rietresten aangetroffen, het Laagpakket van Wormer. De slappe, ongerijpte kleilagen duiden niet op vroeger bewoonbare oeverafzettingen maar op lagunaire of komafzettingen die onaantrekkelijk waren voor bewoning.

Het plangebied zelf lag in deze periode vermoedelijk in een rietveengebied met op enkele hoge delen een moerasbosvegetatie.

7

Kiden et al, 2008.

8

Sueur et al, 2017 / Bouter, 2018.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 7 van 38

Aan het eind van het vijfde millennium kwam de Noordoostpolder buiten de directe zee-invloed te liggen, als gevolg van het dichtslibben van getijdegeulen. De waterafvoer verslechterde en het riet- en zeggemoeras breidde zich steeds verder uit. Rond 3700 v. Chr. nam de zee-invloed weer toe en ontstond een getijdegeul boven Urk, wat leidde tot erosie van het veenlandschap. Tussen Urk en Emmeloord ontstond een groot meer, het Unio-II-meer. De Vecht kreeg een nieuwe loop door deze getijdengeul, waardoor de Vechtloop ten zuiden van Urk verlandde. Het plangebied lag in een uitgestrekt zeggemoeras. Rond 3400 v. Chr. kwamen de eerste hoogveenvegetaties tot ontwikkeling in de slechts ontwaterde delen van het veengebied, waaronder ten zuiden van het plangebied. Dit hoogveen breidde zich verder uit, waardoor rond 2600 v. Chr. het gehele plangebied in hoogveengebied lag. Rond 1900 v. Chr. nam de zee-invloed toe, waarbij opnieuw erosie van het veenlandschap plaatsvond, vooral ten noorden van Urk. Hierbij ontstonden verschillende meren. In het plangebied bleef de hoogveenvegetatie echter gehandhaafd. Hierna nam de zee-invloed weer af en breidde het veen zich uit. Vrijwel de gehele Noordoostpolder was in deze periode met veen bedekt, met uitzondering van enkele zones, zoals de hoogste delen van de zandrug waar Urk op ligt.

De verschillende meren groeiden uiteindelijk aaneen tot één groot meer, het Flevomeer, ten noorden en oosten van Urk. In het meer werd detrytus-gyttja afgezet, de Flevomeer Laag. In enkele delen van de Noordoostpolder kon het veen zich handhaven, waaronder binnen het plangebied. Wel raakte het veen regelmatig overstroomd, waarbij klei werd afgezet. In de eerste eeuw n. Chr. kwam het Flevomeer in verbinding te staan met de Waddenzee, waardoor het zoetwatermeer veranderde in een lagune met brak water, het Almere. Hierin werd de Almere Laag afgezet, gelaagde pakketten met een afwisseling van grove detritusresten, verslagen veen, brakke zanden en brakke kleien. Vanaf circa 1200 werd het Almere groter en kwam het plangebied ook in het Almere te liggen. Het veen werd weggeslagen of overspoeld, waarbij klei werd afgezet. Vanaf de 14e eeuw werd de binnenzee aangeduid als Zuiderzee, die rond 1600 haar grootste omvang bereikte. In deze periode waren nog slechts enkele eilanden over, waaronder Urk en Schokland. De Zuiderzee-afzettingen bestaan vooral uit klei, maar ook opnieuw afgezet dekzand en duinzand. Na de voltooiing van de Afsluitdijk in 1932 werd de Zuiderzee het IJsselmeer en stopte de sedimentatie van de Zuiderzee-afzettingen. In 1940 werd de dijkring rondom de Noordoostpolder voltooid en viel het gebied droog.

4.2.2 Archeologische context De bewoningsgeschiedenis hangt nauw samen met het onderliggende dekzand- en rivierduinlandschap. Over het (Laat-)Paleolithicum is weinig bekend en in de omgeving van het plangebied zijn slechts enkele vondsten uit deze periode gedaan, onder andere op de zandrug van Schokland en op een dekzandrug bij de Kuinder. Dit betreffen vuurstenen werktuigen van de laat-paleolithische Tjongercultuur (ca. 10.000-9.000 v.Chr.). Uit het Mesolithicum zijn meer vondsten bekend. In deze periode was het Noordoostpoldergebied bijna geheel met loofbos begroeid. Veel vondsten zijn gedaan op rivierduinen in het zuidelijke deel van de polder. Tijdens het Vroeg-Neolithicum was een groot deel van de Noordoostpolder nog altijd een bosgebied met een zandondergrond. Als gevolg van de stijging van de zeespiegel, en hieraan gerelateerd het grondwater, nam de veengroei steeds meer toe. Gedurende het Neolithicum veranderde het zuidwesten van de Noordoostpolder in een veengebied dat grotendeels ongeschikt was voor bewoning. Binnen het plangebied liggen enkele rivierduinen waarvan de hoogste delen direct onder de bouwvoor liggen. In het begin van het Neolithicum waren de delen dieper dan -7,5 m NAP al met veen bedekt geraakt, maar de rivierduinen in het plangebied zullen dus nog boven het veen uitgestoken hebben.

Deze locaties zullen in het verder natte veengebied nog een gunstige vestigingslo-

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 8 van 38

catie gevormd kunnen hebben. In het Midden-Neolithicum raakten door de zeespiegelstijging ook de delen dieper dan -4,0 m NAP met veen bedekt en dus ook alle rivierduinen binnen de Zeeheldenwijk. De dekzandruggen en rivierduinen vormden in het begin van het Neolithicum gunstige bewoningslocaties. De vindplaatsen uit deze periode horen bij de Swifterbantcultuur (5.300 – 3.400 v.Chr.). Hoewel deze cultuur in eerste instantie nog een mobiele levenswijze had, gingen de mensen zich na enkele eeuwen vestigen in permanente nederzettingen op de hoge locaties in de polder: grote rivierduinen en dekzandruggen. Tijdens het Midden-Neolithicum (Trechterbekercultuur) nam de bewoning in de omgeving van het plangebied nog verder af. Als gevolg van verder gaande vernatting werden de grootste delen van het landschap onbewoonbaar. Ook de delen die nog boven het veen uitstaken waren, gezien de geïsoleerde ligging omringd door veengebied, nauwelijks bewoond. Het plangebied was in deze periode geheel met veen bedekt en ongeschikt voor bewoning. In de lange periode hierna (Laat-Neolithicum – Romeinse tijd) breidde het veen zich steeds verder uit. Binnen het plangebied worden daarom geen resten uit deze perioden verwacht.

Er zijn binnen de Noordoostpolder wel aanwijzingen dat in de IJzertijd en/of Romeinse tijd op het veen gewoond werd, in de vorm van verspoelde vondsten in een gebied dat destijds veengebied was (ver weg van de toen nog resterende hoogtes). Dergelijke vindplaatsen zijn echter, als gevolg van latere zee-erosie, bijna geheel verdwenen. Vanaf de 9e-10e eeuw werd het veengebied ontgonnen vanaf de hoger gelegen gebieden (zoals Urk). Als gevolg van de ontginning en ontwatering klinkte het veen in, wat tot een verslechterde ontwatering leidde. Vanaf de Late-Middeleeuwen lag het plangebied in het Almere en later de Zuiderzee en vanaf 1932 in het IJsselmeer. Binnen het plangebied Zeeheldenwijk is één archeologisch monument bekend.9 Het betreft een monument van hoge archeologische waarde (nummer 1693), waarbinnen een rivierduin aanwezig is. Op dit duin zijn resten van de Swifterbant-cultuur aangetroffen. In 1991 is hier een verkenning uitgevoerd, waarbij enkele proefputjes zijn gegraven en enkele boringen geplaatst zijn. Hierbij is een kleine hoeveelheid Neolithisch vuursteen en aardewerk aangetroffen. Kort hierna zijn aanvullende boringen geplaatst, waarbij twee NO-ZW lopende oeverwallen binnen het Wormer Laagpakket zijn aangetroffen, die vermoedelijk voor 5500 BP zijn gevormd. In aanvulling hierop zijn enkele losse waarnemingen geregistreerd.

Het betreft enkele vondsten uit de Nieuwe tijd en een geretoucheerde vuurstenen afslag gedateerd in het Mesolithicum (zaakindet. 2853722100). Het betreft een waarneming uit 1956 waarvan de verwervingswijze en waarschijnlijk de exacte locatie niet bekend is. Ten westen van het plangebied is een archeologische begeleiding van de aanleg van watergangen uitgevoerd (Plangebied Zwolsehoek; zaakindet. 2191563100/2189677100). In de ondergrond bevindt zich ter plaatse een rivierduin, grotendeels dieper dan 2,5 m –mv. In één zone komt het duin binnen 2 m –mv voor en is de bodem redelijk intact. Op de zuidflank van het duin zijn twee sporen aangetroffen, een haardkuiltje en een mogelijke greppel, vermoedelijk uit periode Mesolithicum – Vroege-Bronstijd.10 Op basis van de landschappelijke ontwikkeling (zie boven) was dit duin vanaf het Midden-Neolithicum echter reeds met veen bedekt, waardoor een datering Mesolithicum – Vroeg-Neolithicum waarschijnlijker is.

9

Archis.

10

Teekens/Bouter 2008.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 9 van 38

4.2.3

Eerder onderzoek deelgebied 1

Verkennend en karterend booronderzoek ADC/Buro de Brug In eerste aanleg is binnen het plangebied een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek verricht.11 Hierbij zijn verschillende zones vastgesteld waar rivierduinen voorkomen met een (gedeeltelijk) intacte top.

Afbeelding 2. Resultaten verkennend booronderzoek (Bouter, 2018)

In overleg met de gemeente Urk is besloten om karterend booronderzoek uit te voeren in drie zones waar ingrepen tot in het duinzand gepland waren, zones 1 t/m 3 genoemd (zie afbeelding 3). In deze zones is karterend booronderzoek uitgevoerd. 12 In zone 2 zijn hierbij geen archeologische vindplaatsen aangetroffen en in zones 1 en 3 zijn vuursteenvindplaatsen aangetroffen. De vuursteenvindplaatsen bevinden zich op de flank van rivierduinen, voornamelijk in de podzolbodem (AE en B/BC-horizont) in de top van rivierduinzand. De diepte waarop het vuursteen is aangetroffen varieert tussen de 30 en 440 cm onder maaiveld (4,6 tot 8,7 m –NAP), maar het overgrote deel bevond zich tussen 100 en 300 cm onder maaiveld (4,3 tot 7,3 m –NAP). Uit het vooronderzoek is gebleken dat meer dan 90% van het vuursteen bestaat uit onbewerkte microdebitage (< 1,0 cm), dat niet nader is te determineren. Naar aanleiding van deze resultaten heeft de gemeente Urk besloten om de vuursteenvindplaats in zone 3 in situ te behouden en geen graafwerkzaamheden tot in het archeologisch relevante niveau uit te voeren. In zone 1 was dit niet mogelijk. Vandaar dat in deze zone een proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd. 11

Sueur et al., 2017 / Bouter, 2018.

12

Bouter, 2018.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 10 van 38

Afbeelding 3. Boorlocaties karterend booronderzoek (Bouter, 2018)

Proefsleuvenonderzoek zone 1 Ter plaatse van zone 1 is in 2019 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (afbeelding 4), daar waar het zand / archeologisch niveau op basis van het genoemde 3D-model verstoord dreigde te worden.13 Hierbij zijn twee proefsleuven aangelegd tot de maximale verstoringsdiepte van de geplande werken. In één proefsleuf is hierbij het pleistocene zand niet aangetroffen, omdat het dieper bleek te liggen dan verwacht. In de westelijke helft van proefsleuf 2 is het zand wel aangetroffen. De westelijke top van het rivierduin bleek echter niet meer bewaard als gevolg van afvlakking van het rivierduin. In de top van het Pleistocene zand komt in proefsleuf 2 op één plek – over een lengte van 3 m – een podzolbodem voor. Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische sporen of vondsten aangetroffen.

13

Bringmans, 2019.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 11 van 38

Afbeelding 4. Werkputten van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek. Bron: Bringmans, 2019.

Urkerweg In het uiterste noorden van het plangebied (ten noorden van de Urkervaart; afbeelding 5) is een verkennend booronderzoek uitgevoerd.14 Hierbij is in het grootste deel van deze zone verspoeld dekzand aangetroffen, waarin geen podzolbodem aanwezig was. Hier is sprake van een dekzandvlakte, waarbij het dekzand zich dieper dan 4,5 m -mv (-9 m NAP) bevindt. In het uiterste oosten loopt een geul waar het dekzand dieper dan 8 m -mv (-13,7 m NAP) gelegen is. Dit betreft vermoedelijk een restgeul van de Vecht. In het westen is een rivierduin aangetroffen. In het uiterste westen (buiten het huidige plangebied) ligt dit duin nabij het maaiveld maar binnen het huidige plangebied is sprake van een diepte van 3 à 3,4 m -mv (vanaf -7,4 m NAP). Op basis van de inrichtingsplannen zal het rivierduin binnen het plangebied niet verstoord worden. Buiten het huidige plangebied, nabij de rotonde Urkerweg / Ransuil is een karterend booronderzoek uitgevoerd ter plaatse van het hoogste deel van het rivierduin. 15 Hierbij is in één boring een vuursteenafslag aangetroffen. Deze bevindt zich dieper dan 30 cm onder de maximale verstoringsdiepte, waardoor nader onderzoek hier niet nodig was.

14

Holl, 2020g.

15

Holl, 2020i.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 12 van 38

Afbeelding 5. Resultaten verkennend booronderzoek langs Urkerweg. Bron: Holl, 2020d.

Karterend booronderzoek Liander-kabel In het uiterste westen van het plangebied is reeds een karterend booronderzoek uitgevoerd in het kader van de aanleg van een Liander-kabel (afbeelding 5).16 Dit onderzoek is uitgevoerd op de locatie waar op basis van de eerdere booronderzoeken een rivierduin direct onder de bouwvoor werd verwacht. Uit het booronderzoek bleek echter dat de bodem tot gemiddeld 1 m -mv (-5,5 m NAP) verstoord is. In slechts één boring is een restant van een podzolbodem in de vorm van een verstoorde Bhorizont aangetroffen. Hierin zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.

16

Holl, 2020c.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 13 van 38

Afbeelding 6. Boorpuntenkaart karterend booronderzoek, geprojecteerd op bestaande 3D-model. Bron: Holl, 2020b.

3D-model en verkennend booronderzoek (pilot studie) In aanvulling op het reeds verrichte vooronderzoek door ADC en Buro de Brug 17 is een 3D-model gemaakt ten behoeve van de archeologie in de Zeeheldenwijk op Urk. Om dit 3D-model verder aan te scherpen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd binnen een pilot-gebied in het westen van het plangebied (zie kaart 5; boring 1101 t/m 1122). 18 Hierbij zijn ter plaatse van een zandopduiking in het westen van het plangebied drie raaien dwars over de zandopduiking geplaatst. Gezien de grote verschillen in zanddiepte (tot 2,5 m) met de naastgelegen reeds door ADC uitgevoerde boringen is besloten om op een deel van de boorlocaties van het eerdere onderzoek opnieuw boringen te plaatsen. Ook zijn nog enkele aanvullende boringen geplaatst op locaties met grote reliëfverschillen, om het bestaande grid te verdichten. Op basis van dit booronderzoek is een nieuwe versie van het 3D-model opgesteld (reeds verwerkt in Kaart 5). Karterend booronderzoek conflictzones Op basis van het eerder uitgevoerde onderzoek is door Arcadis een nieuw 3D-model opgesteld, waarin alle zones waar graafwerkzaamheden gepland zijn tot in het pleistocene zand, of tot in een bufferzone 30 cm hierboven, als conflictzone aangemerkt zijn.

Binnen al deze zones is karterend booronderzoek uitgevoerd.19 Hierbij bleek dat de bodem vooral in de hogere delen van de rivierduinen verstoord is tot in de C-horizont, terwijl op de flanken de podzolbodem meestal (deels) intact is. Tijdens het onderzoek zijn twee fragmenten vuursteen en enkele brokjes houtskool aangetroffen. Het vuursteen was niet door mensen bewerkt en het houtskool betreft een secundaire indicator, die ook een natuurlijke oorsprong kan hebben. Op basis hiervan is vastgesteld dat vervolgonderzoek binnen het onderzochte gebied niet nodig is. Wel is vastgesteld dat de hogere delen van de rivierduinen in veel gevallen omvangrijker zijn dan op basis van de eerdere onderzocht gedacht werd. Vandaar dat 17

Sueur et al., 2017; Bouter, 2018.

18

Holl, 2020b.

19

Holl, 2020d.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 14 van 38

geadviseerd is om een nader verkennend booronderzoek uit te voeren om het pleistocene reliëf nader

in kaart te brengen. Afbeelding 7. Resultaten karterend booronderzoek, geprojecteerd op destijds vigerende 3D-model. Bron: Holl, 2020d.

Verkennend booronderzoek aanvulling 3D-model Op basis van het karterende booronderzoek is een nader verkennend booronderzoek uitgevoerd om eventuele aanvullende conflictzones vast te stellen. 20 Op basis van het verkennende booronderzoek is bevestigd dat de conflictzones, waar mogelijke archeologische waarden bedreigd worden door de geplande bodemingrepen, omvangrijker zijn dan verwacht. Vandaar dat aanvullend karterend booronderzoek voor deze nieuwe delen geadviseerd is. Karterend booronderzoek aanvullende conflictzones De aanvullende karterende boringen zijn vooral op de flanken van de rivierduinen geplaatst. 21 Hier was de podzolbodem overwegend nog intact. Tijdens het onderzoek zijn twee fragmenten vuursteen aangetroffen. De vuursteenfragmenten zijn vermoedelijk allebei bewerkt, hoewel dit niet met 100% zekerheid is te zeggen. Aangezien de vuursteenfragmenten in twee naast elkaar gelegen boringen zijn aangetroffen en gezien de aanwezigheid van een intacte podzolbodem in deze boringen is een proefsleuvenonderzoek ter plaatse van deze boringen aanbevolen.

20

Holl, 2020e.

21

Holl, 2020f.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 15 van 38

Afbeelding 8. Resultaten aanvullend karterend booronderzoek. Bron: Holl, 2020f.

Proefsleuvenonderzoek Ter plaatse van de tijdens het karterende booronderzoek aangetroffen vuursteenfragmenten is een proefsleuf aangelegd, waarbinnen twee zeefvakken zijn uitgezet. Binnen deze zeefvakken is het duinzand per laag van 5 cm gezeefd, tot 30 cm in de top van het duin. Hierbij zijn geen archeologische vondsten gedaan. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat geen behoudenswaardige vindplaats in het onderzoeksgebied aanwezig is.22 Conclusie Binnen het plangebied zijn alle conflictzones waar bodemingrepen gepland zijn tot in het archeologisch relevante niveau (met een bufferzone van 30 cm) in kaart gebracht. Deze zones zijn later nog nader begrensd met enkele aanvullende verkennende booronderzoeken. Alle zones binnen deelgebied 1, waar bodemingrepen tot in de top van het rivierduin gepland zijn (inclusief bufferzone van 30 cm), zijn onderzocht door middel van een karterend booronderzoek en deels door proefsleuvenonderzoek. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat ter plaatse van deelgebied 1 geen archeologische vindplaatsen verstoord zullen worden bij de geplande bodemingrepen. Dit betekent niet dat in het geheel geen archeologische vindplaatsen verwacht worden in het plangebied. Deze kunnen nog wel voorkomen op meer dan 30 cm onder de geplande bodemingreep. Het bete22

Holl, 2020g.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 16 van 38

kent ook niet dat deelgebied 1 is vrijgegeven. Bij eventuele planaanpassingen dient daarom opnieuw een afweging gemaakt te worden over de noodzaak van verder archeologisch onderzoek. 4.2.4 Eerder onderzoek deelgebied 2 De eerder besproken verkennende booronderzoeken door Buro de Brug en ADC ArcheoProjecten 23 omvatten vrijwel het gehele plangebied. Hierbij zijn ook binnen deelgebied 2 enkele rivierduinopduikingen vastgesteld. Aangezien de inrichtingsplannen in dit deelgebied destijds nog niet bekend waren, zijn in dit deelgebied nog bijna geen aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Urkerweg De zones ten noorden van de Urkervaart zijn wel reeds grotendeels onderzocht door middel van verkennend en waar nodig deels karterend booronderzoek. Het eerder besproken onderzoek langs de Urkerweg (zie afbeelding 5) valt voor een deel binnen deelgebied 2. 24 Hierbij is binnen deelgebied 2 sprake van een dekzandvlakte, waarbij het dekzand zich dieper dan 4,5 m -mv (-9 m NAP) bevindt. In het uiterste oosten loopt een geul waar het dekzand dieper dan 8 m -mv (-13,7 m NAP) gelegen is. Dit betreft waarschijnlijk de restgeul van de Vecht. Binnen deze zone blijven alle geplande graafwerkzaamheden ruim boven de top van het pleistocene zand en is dus geen archeologisch vervolgonderzoek nodig.

Afbeelding 9. Resultaten verkennend en karterend booronderzoek Urkerweg 62.

23

Sueur et al, 2017 / Bouter, 2018.

24

Holl, 2020a.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 17 van 38

Rondom de Urkerweg 62, direct grenzend aan het plangebied is een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het kader van de aanleg van een leiding. 25 Aangezien de leiding op 1 m -mv aangelegd zou worden, is geboord tot maximaal 1,5 m -mv. Hierbij is in twee boringen een intact podzolprofiel aangetroffen in een rivierduin, op circa 1 m -mv. In de overige boringen is het pleistocene zand niet bereikt. Ter plaatse van de boringen met een podzolprofiel is een karterend booronderzoek uitgevoerd, waarbij geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen. 4.3

Aard en ouderdom van de vindplaats(en)

Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische resten uit het Mesolithicum en Neolithicum hoog. Eventuele sporen en vondsten uit het Mesolithicum zullen van jagers-verzamelaars zijn. De bewoningssporen uit deze periode zullen bestaan uit tijdelijke kampementen (basis-, aggregatie- en jachtkampen). Vanaf het Neolithicum doet geleidelijk aan de landbouw zijn intrede en onder invloed hiervan is steeds meer sprake van permanente nederzettingen met een door de mens ingericht landschap. Voor wat betreft complextypen zou op het dekzand sprake kunnen zijn van bijvoorbeeld nederzettingen (tijdelijk/permanent) en begravingen (inhumatie en crematie). 4.4

Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)

De omvang van de eventueel aanwezige vindplaatsen kan op basis van het reeds uitgevoerde onderzoek niet afgebakend worden. Wel bestaat de verwachting dat eventueel aanwezige sporen van nederzettingen zich met name op de hoger gelegen (delen van de) gave dekzandkoppen / rivierduinen zullen bevinden. Op de hoger gelegen flanken kunnen dus eveneens sporen worden verwacht, die bovendien vaak beter bewaard zijn. Op de flanken van de rivierduinen en dekzandkoppen dient rond een eventuele nederzetting tevens rekening te worden gehouden met mogelijk aanwezige dumpzones in het veen rond de nederzetting. De sporen kunnen zich mogelijk aan de randen van het plangebied ook uitstrekken buiten de grenzen van het plangebied. De begrenzing van vindplaatsen kan tijdens het onderzoek worden bepaald op basis van de aanwezigheid van “harde archeologische indicatoren” zoals antropogene sporen en vondsten als bewerkt vuur- en natuursteen, aardewerk, verbrand bot en verkoolde hazelnootdoppen. De oppervlakte van bekende vindplaatsen uit deze periode varieert van enkele vierkante meters tot een aantal hectare. 4.5

Structuren en sporen

Er moet rekening worden gehouden met het aantreffen van sporen van de Swifterbantcultuur uit het Meso- en Neolithicum op het dekzand / de rivierduinen en zelfs Trechterbeker Cultuur (3.500 v.Chr.) op de hoogste delen. Sporen uit het Mesolithicum kenmerken zich voornamelijk door clusters van haardkuilen en oppervlaktehaarden. Daarnaast kunnen afvalkuilen, grafkuilen en paalkuilen voorkomen. Huisplattegronden zijn in de Noordoostpolder onder andere bekend uit de late Swifterbant periode (3.900-3.400 v.Chr.; vindplaats P14). Ook kunnen resten van vliegtuigen (WOII), schepen en andere water gerelateerde vondsten uit jongere perioden niet uitgesloten worden in boven het pleistocene zand gelegen afzettingen. 4.6

Anorganische artefacten

Indien anorganisch vondstmateriaal wordt aangetroffen is de verwachting dat dit hoofdzakelijk bestaat uit (bewerkt en onbewerkt) vuur- en natuursteen. Uit het vooronderzoek is gebleken dat meer dan 25

Holl, 2020i.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 18 van 38

90% van het vuursteen bestaat uit microdebitage (< 1,0 cm) die niet nader zijn te determineren. De overige fragmenten bestaan uit: zes afslagen, één brok, één kernrandstuk, één kling en één potlid. Ook is een deel (10%) van het vuursteen verbrand. Andere anorganische vondstcategorieën die op steentijd vindplaatsen kunnen worden aangetroffen zijn bijvoorbeeld aardewerk (neolithicum) en oker. 4.7

Organische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen ook vergankelijke objecten van organisch materiaal verwacht worden, zoals been, bot, hout en leer. De kans op het aantreffen van goed bewaarde organische resten in het dekzand is laag. Desondanks moet rekening worden gehouden met het aantreffen van verkoolde resten zoals houtskool, verbrande hazelnootdoppen, verbrand bot etc. In dumpzones rond een eventuele vindplaats is de conservering van organisch materiaal vaak veel beter, door de zuurstofarme condities in het veen vanaf depositie van het vondstmateriaal. Uit vergelijkbare contexten zijn wel goed bewaarde benen en houten objecten verzameld uit de vroege steentijd. Ook moet rekening worden gehouden met kano’s, peddel en visfuiken, maar ook menselijke en dierlijke resten. 4.8

Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetroffen. Waar het grondwater permanent aanwezig is, zijn archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en -botanische resten over algemeen redelijk tot goed geconserveerd. In het veen zal de conservering van dergelijke resten dus redelijk tot goed zijn. In het zand is de conservering van botmateriaal en botanische resten over het algemeen minder. Wel is het zo dat botmateriaal dat gedeponeerd is relatief kort voor het verdrinken van het landschap veel beter bewaard kan zijn. Het graf van Trijntje gevonden op een rivierduin bij Hardinxveld-Giessendam is daar een bekend voorbeeld van.26 4.9

Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen

De archeologische sporen uit de perioden Paleolithicum tot en met Neolithicum worden verwacht in de top van het Pleistocene zand (<400-30 cm –mv; ca. <8,30-4,60 m -NAP), met name op en rond de dekzandkoppen of rivierduinen. De archeologische sporen worden verwacht direct onder de podzolbodem en tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Vondsten zijn te verwachten in de intacte podzolbodem en in het veen op de flank van de rivierduinen indien sprake is van een dumpzone rondom een eventuele nederzetting. Het karterend booronderzoek in zone 1 heeft een vuursteenvindplaats op de flank van de rivierduinen opgeleverd. Het vuursteen is aangetroffen tussen een diepte van 30 tot 440 cm –mv (4,6 tot 8,7 m – NAP). Het overgrote deel van de indicatoren bevond zich tussen 100 en 300 cm –mv (4,3 tot 7,3 m – NAP). De vuursteen artefacten lagen voornamelijk in een podzolbodem (AE en B/BC-horizont) in de top van rivierduinzand. In een paar boringen (53, 69) is ook vuursteen in een laag rivierduinzand waarin geen bodemhorizont was te herkennen. Voor de boven het pleistocene zand (m.u.v. dumpzones in het veen) gelegen afzettingen (tot aan het maaiveld) geldt geen hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten.

Wel dient er in de Noordoostpolder, gezien de ligging in de voormalige IJsselmeer, Zuiderzee en ander voorgangers, rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van vliegtuigen, scheepswrakken of andere water gerelateerde vondsten. 26

Louwe-Kooijmans 2001, 419-33.

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 19 van 38

4.10 Gaafheid en conservering Een deel van de hoogste zandopduikingen (nabij het maaiveld) zijn verstoord geraakt door waarschijnlijk egalisatiewerkzaamheden, afgraven of ploegen. Maar zelfs op de hoogst gelegen zandopduikingen zijn voor een deel nog vrijwel intacte podzolbodems aangetroffen. De mate van intactheid van het podzolprofiel varieert over het gebied. De flanken van de zandopduikingen zijn deels natuurlijk geërodeerd, vermoedelijk door het zeewater in de Zuiderzee-fase. In het centraal-noordelijke deel heeft een getijdengeul zich diep ingesneden in het zand; hier liggende rivierduinen zijn aangesneden en hiermee waarschijnlijk ook archeologisch relevante lagen op de flanken van de rivierduinen. Door de hoge grondwaterspiegel zal in het veen eventueel aanwezig organisch vondstmateriaal – archeozoölogische en botanische resten – goed geconserveerd zijn. In het zand zelf is de is de conservering van organisch materiaal over het algemeen minder goed, maar organische resten gedeponeerd vlak voor de verdrinking van het zandlandschap kunnen beter bewaard zijn gebleven. De precieze gaafheid en conservering van de mogelijke structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten moeten worden uitgewezen door het waarderende archeologische onderzoek.

5

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING

5.1

Doelstelling

Het doel van inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het (nog te verrichten en) reeds verrichte vooronderzoek.27 Het gaat om waarderend gebieds- en vindplaatsgericht onderzoek. Het IVO-P gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Mochten er een archeologische vindplaats worden aangetroffen binnen het plangebied, dan dient deze conform KNA te worden gewaardeerd en dient er een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied tegen het licht van de geplande werkzaamheden. Om zoveel mogelijk aan de archeologische zorgplicht te voldoen, is voor de delen van het plangebied waar geen actief archeologisch onderzoek plaatsvindt een protocol toevalsvondsten opgesteld. Het protocol toevalsvondsten is dus voor de bodemlagen die op basis van het vooronderzoek een lage archeologische verwachting hebben. De doelstelling is om eventueel aanwezige archeologisch relevante sporen en objecten te documenteren en indien nodig te bergen. 5.2

Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders

Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) onder het Flevolands kleigebied, maar gezien het inventariserende karakter van het proefsleuvenonderzoek heeft het niet als primair doel voort te bouwen op de NOaA. 28 Op dit onderzoek kunnen bij doorstart naar een opgraving wel verschillende bovenregionale onderzoeksvragen van de NOaA 2.0 van toepassing zijn. Het onderzoek sluit in het bijzonder aan bij hoofdstuk 11 en 12 (de vroege prehistorie). Eventueel 27

Sueur et al 2017; Bouter 2018.

28

http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20

PvE 8091.001 versie 1

Pagina 20 van 38

aanvullende onderzoeksvragen bij een doorstart naar een archeologische opgraving worden opgenomen in het nieuwe PvE, dat weer dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag (gemeente Urk). 5.3

Onderzoeksvragen

5.3.1 Algemeen Bij het onderzoek dienen de volgende onderzoeksvragen een rol te spelen: • Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? Zo ja, wat is de omvang, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? Meer specifiek zijn er concrete aanwijzingen (vuurstenen of natuurstenen artefacten, aardewerkscherven, botmateriaal) aanwezig die aannemelijk maken dat hier sprake is van steentijdnederzettingen? • Zijn er ook grondsporen, en zo ja, wat is de aard en de datering daarvan? • Uit welke laag of lagen zijn de vondsten en sporen afkomstig? Indien afvallagen in veen aanwezig zijn: wat is de diepteligging van de afvallagen (top, basis), omvang, samenstelling vondstmateriaal, conservering en gaafheid? • Hoe verhoudt de ligging van een eventuele vindplaats zich tot het paleolandschap / toppleistoceen (dekzandkoppen/rivierduinen)? • Wat is de opbouw, het reliëf en de gaafheid van de top van het pleistocene oppervlak? • Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Urk aanscherpen? Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? • Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? • In welke mate zijn de onderzoeksgebieden verstoord? • Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats(en) (licht dit toe)? • Op welke manier dient

bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische resten te worden omgegaan? Is behoud in situ mogelijk, en welke maatregelen dienen hiervoor getroffen te worden? • Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? • Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? • Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten? 5.3.2 Waardering en specifieke onderzoeksvragen De mogelijk aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA versie 4.1, bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt om de methodiek uit de SIKB leidraad ‘Standaard Archeologische Monitoring’ te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit. Daarnaast wordt aanbevolen de ‘Handreiking prospectief onderzoek in Flevoland voor het opsporen en waarderen van vindplaatsen uit de vroege prehistorie’ te raadplegen.29 Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaatsen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Urk&id=68aeeab7-8e58-437d-8578-8d4470b69e1e