Toelichting Bijlage 15 Archeologisch bureauonderzoek.pdf
Tekst van het document
Hierbij dient opgemerkt te worden dat rivierduinen een grillig reliëf hadden en dat niet geheel uitgesloten kan worden dat in het overige deel van het plangebied rivierduinen aanwezig zijn. Dit kan alleen bepaald worden door middel van booronderzoek. Archeologische resten worden in het noorden van het plangebied verwacht op een diepte variërend tussen circa -4,8 m NAP tot circa -8,0 m NAP, hoewel een ondiepere ligging niet uitgesloten kan worden. Vanaf het Midden-Neolithicum raakte vermoedelijk het gehele plangebied met veen bedekt. Resten vanaf deze periode worden daarom niet verwacht. In aanvulling op bovenstaande kunnen in het gehele plangebied resten van scheepswrakken en andere water-gerelateerde resten voorkomen uit de Nieuwe tijd. Het gaat hierbij echter om toevalsvondsten die niet door middel van prospectief onderzoek opgespoord kunnen worden. De verwachting op dergelijke resten wordt daarom laag geacht. Een uitzondering hierop vormt een locatie in het zuiden e van het plangebied, waarvan reeds bekend is dat hier een schip uit de 18 eeuw ligt. Deze ligt op circa 45 cm –mv. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn.
De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. De rivierduinen zijn deels bebouwd met boerderijen. De hogere delen van deze duinen zijn mogelijk verstoord bij de aanleg van de funderingen van de boerderijen en bijgebouwen. Ter plaatse van het AMK-terrein 15796 is de bebouwing tot maximaal circa 1 m –mv gefundeerd. Hierbij is mogelijk een deel van het duin verloren gegaan. Buiten de hoge delen van de rivierduinen wordt niet verwacht dat verstoring van het archeologisch relevante niveau heeft plaatsgevonden, met uitzondering van beperkte verstoring door heipalen. De bebouwing op de overige erven is gefundeerd op dieptes varierend tussen 0,7 en 1,5 m –mv.
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 16 van 20
3
CONCLUSIE EN ADVIES
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek worden in het uiterste noorden van het plangebied archeologische resten verwacht uit de periode Laat-Paleolithicum – Vroeg-Neolithicum, in de top van rivierduinafzettingen. Deze worden verwacht op een diepte varierend van 60 cm tot enkele meters –mv. Voor een zone ter plaatse van de Domineesweg 27 is reeds bekend dat een vuursteenvindplaats aanwezig is. In het zuiden van het plangebied bevindt zich een e scheepswrak uit de 18 eeuw. Voor het overige deel geldt een lage verwachting. Hoewel niet direct verwacht, is er echter nog wel een kans dat rivierduinen in dit deel van het plangebied liggen. Binnen het onderzoeksgebied kunnen verschillende advieszones worden onderscheiden (zie figuur 13). Geadviseerd wordt om hierbij de bij de beleidsadvieskaart van de gemeente Noordoostpolder gehanteerde adviezen te hanteren. Ter plaatse van de AMK-terreinen binnen het plangebied is reeds vastgesteld dat een vindplaats aanwezig is. Geadviseerd wordt om binnen AMK-terrein 15796 geen bodemingrepen dieper dan 30 cm –mv uit te voeren. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd de vindplaats nader te onderzoeken door middel van een waarderend proefsleuvenonderzoek met doorstart naar opgraving.
AMK-terrein 12539 betreft een scheepswrak, waarvan de ligging op basis van de beschikbare documentatie is ingetekend in figuur 13. Geadviseerd wordt om binnen een bufferzone van 50 m rondom het scheepswrak (waarbij een bufferzone van circa 120x100 m ontstaat), geen bodemingrepen dieper dan 30 cm –mv uit te voeren. Indien dit niet mogelijk blijkt, wordt geadviseerd om het scheepswrak te onderzoeken door middel van een archeologische opgraving. Voor enkele zones in het noorden van het plangebied, waar rivierduinen in de ondergrond verwacht worden, wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te voeren met een boordichtheid van 6 boringen per ha. Voor het overige deel van het plangebied, waarvoor een lage verwachting geldt, wordt een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van 3 boringen per ha verwacht. Geadviseerd wordt om te boren tot minstens 50 cm in de top van de C-horizont (diepteligging varierend tussen circa 1 m –mv in de delen met hoge verwachting tot 4,5 à 7,0 m –mv in de zone met lage verwachting). Gezien de grote diepte wordt geadviseerd om hierbij gebruik te maken van een mechanisch boorsysteem (aqualock-boringen). Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Urk). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 17 van 20
LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Anscher, T.J. ten, 2012: Leven met de Vecht. Schokland-P14 en de Noordoostpolder in het Neolithicum en de Bronstijd. Zutphen (dissertatie UvA). Anscher, T.J. ten, G.H. de Boer, Y.T. van Popta & S. van der Veen, 2018: Erfgoed in de polder! Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Noordoostpolder. Weesp (RAAP-rapport 3155). Arkema, M. & I. Vossen, 2017: Archeologisch bureauonderzoek in het kader van de MER Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland. Heerenveen (Antea Group Archeologie 1026/48). Boer, P.C. de & A.F.L. van Holk, 2005: ‘Eens ging de zee hier tekeer…’; Waarderend veldonderzoek ten behoeve van de Actualisatie van de Archeologische Monumenten Kaart Flevoland 2003-2004. Amersfoort (RACM Rapportage Archeologische Monumentenzorg 121). Bouter, H.E., 2018: Schokkerhoek te Urk, gemeente Urk; Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek. Amersfoort (ADC-rapport, in concept). Bringmans, P.M.M.A., 2019: Rapportage archeologisch proefsleuvenonderzoek Plangebied Zeeheldenwijk te Urk in de gemeente Urk. Swalmen (Econsultancy rapport 8091.002). Eilander, D.A. & W.
Heijink, 1990: Bodemkaart van Nederland 1:50.000; Toelichting bij de kaartbladen 20 West Lelystad (gedeeltelijk), 20 Oost Lelystad en 21 West Zwolle. Wageningen. Goudswaard, B. & S. van den Brenk, 2017: Inventariserend Veldonderzoek (onderwaterfase verkennend) Buitendijkse Haven Urk, IJsselmeer. Amsterdam (Periplus Archeomare Rapport 17A01901). Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Kappel, K. van & A.G. de Boer, 2010: Noordoostpolder, kabeltracé windmolenpark; Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek. Amersfoort (ADC rapport 2150). Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Lil, R. van & S. van den Brenk, 2018: Afgedekte geulen Urk; Onderzoek met subbottom profiler en boringen. Amsterdam (Periplus Archeomare rapport 18A002-01). Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Sueur, C., K.M. van Dijk en J.W. Oudhof 2014: Archeologische beleidskaart Urk, versie 2. Urk. Sueur, C., J.M. Brijker & G. Overmars, 2017: Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Schokkerhoek te Urk, gemeente Urk. Amsterdam (Buro de Brug Rapport B16-275).
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 18 van 20
Teekens, P.C. & H.E. Bouter, 2008: Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek plangebied Zwolsehoek Fase 5 te Urk (prov. Flevoland); Een karterend booronderzoek in combinatie met een archeologische begeleiding t.b.v. de aanleg van enkele wegcunetten en de aanleg van een riolering. Heerenveen (Archeologische Rapporten Oranjewoud 2008/65). TNO, 2010: Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600.000. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zuidhoff, F.S., 2006: Rivierduin “Boons” Kavel E7, Urk; Een waarderend veldonderzoek in de vorm van boringen. Amersfoort (ADC rapport 613). Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 19 van 20
BRONNEN AHN; internetsite, februari 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, februari 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, februari 2020. http://bagviewer.kadaster.nl Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, februari 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodematlas Provincie Flevoland, internetsite, februari 2020. https://www.flevoland.nl/loket/kaarten/bodematlas Bodemloket, internetsite, februari 2020. http://www.bodemloket.nl Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, februari 2020. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, februari 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, februari 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, februari 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, februari 2020. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, februari 2020. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, februari 2020. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, februari 2020. https://www.sikb.nl Vergane schepen op nieuw land; internetsite, februari 2020.
http://www.verganeschepen.nl/index.php VEO Bommenkaart; internetsite, februari 2020. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 20 van 20
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland
Binnendijks Bedrijventerrein te Urk. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
Rapport 11053.001 versie 1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied
Binnendijks Bedrijventerrein te Urk. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 11053.001 versie 1
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied
Binnendijks Bedrijventerrein te Urk. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 11053.001 versie 1
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Noordoostpol45 der
Binnendijks Bedrijventerrein te Urk. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Urk Legenda Plangebied
45
Ten Anscher et al., 2018; legenda op volgende pagina.
Rapport 11053.001 versie 1
Rapport 11053.001 versie 1
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Binnendijks Bedrijventerrein te Urk. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
46
Wageningen Environmental Research, 2017.
Rapport 11053.001 versie 1
46
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Binnendijks Bedrijventerrein te Urk. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
47
AHN
Rapport 11053.001 versie 1
47
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart
48
Publieke Dienstverlening Op de Kaart.
Rapport 11053.001 versie 1
48
Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied
49
Binnendijks Bedrijventerrein te Urk. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied
49
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 11053.001 versie 1
Figuur 9. Foto van de verkenning (2002) van het binnen het plangebied gelegen scheeps50 wrak
50
Aangeleverd door Batavialand.
Rapport 11053.001 versie 1
Figuur 10. Situering van het plangebied op een luchtfoto uit 1947
Binnendijks Bedrijventerrein te Urk.
Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. Situering van het plangebied op een luchtfoto uit 1947 Legenda Plangebied
51
Bodematlas Provincie Flevoland.
Rapport 11053.001 versie 1
Fout!
51
Figuur 11. Situering van het plangebied binnen de topografische kaart van 1955
Binnendijks Bedrijventerrein te Urk. Situering van het plangebied binnen de topografische kaart van 1955 Legenda Plangebied
52
Kadaster Topotijdreis.
Rapport 11053.001 versie 1
52
Figuur 12. Situering van het plangebied binnen de topografische kaart van 1962
Binnendijks Bedrijventerrein te Urk. Situering van het plangebied binnen de topografische kaart van 1962 Legenda Plangebied
53
Kadaster Topotijdreis.
Rapport 11053.001 versie 1
53
Figuur 13. Advieskaart
Binnendijks Bedrijventerrein te Urk. Advieskaart
Rapport 11053.001 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 11053.001 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 11053.001 versie 1
Bijlage 2 AMK nr. 15796
Situering t.o.v. plangebied in noorden plangebied
AMK-terreinen Datering
Waarde en omschrijving
Mesolithicum Neolithicum
Toponiem: Domineesweg 27 Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met sporen van bewoning uit de periode Mesolithicum - Neolithicum. Toelichting omschrijving: Het betreft een rivierduin waarop door middel van boringen is aangetoond dat er archeologische resten aanwezig zijn. Toelichting datering: De datering is gebaseerd op de hoogteligging van het duin en al bekende archeologische vindplaatsen in de Noordoostpolder. Toelichting waardebepaling: Dit monument is onderzocht in het kader van de update AMK Flevoland 2003-2004. Tijdens het booronderzoek zijn kleine stukjes houtskool en enkele zeer kleine stukjes vuursteen gevonden. Off-site informatie: Monument 15797 hoort bij dit monument, maar is vanwege de ligging in een andere gemeente apart aangemaakt. Toponiem: Zuidermeerweg, Kavel E25, Wrak 18 Complex: Scheepvaart Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met daarin het wrak van een zwaargebouwd zeewaardig schip, geheel van naaldhout, waarschijnlijk afkomstig uit Finland. Afmetingen circa 20 m x 7 m. Het hele schip is aan de binnenzijde, tegen de spanten, bekleed met langsscheepse planken (wegering). De datering is midden 18 e eeuw op basis van dendrochronologisch onderzoek (de voorlopige datering was 17 e eeuw). De ingemeten ligging luidt:180 m uit de sloot langs de Zuidermeerweg en 140 m uit de sloot tussen kavel E24 en E25.
Rapport herverkenning NISA uit 2003 vermeldt coördinaten voorschip 171.925/517.268 en achterschip 171.900/517.275. Toponiem: Domineesweg 28 Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met sporen van bewoning uit de periode Mesolithicum - Neolithicum. Toelichting omschrijving: Het betreft een rivierduin waarop door middel van boringen is aangetoond dat er archeologische resten aanwezig zijn. Toelichting datering: De datering is gebaseerd op de hoogteligging van het duin en reeds bekende archeologische vindplaatsen in de Noordoostpolder. Toelichting waardebepaling: Dit monument is onderzocht in het kader van de update AMK Flevoland 2003-2004. Tijdens het booronderzoek zijn kleine stukjes houtskool en enkele zeer kleine stukjes steen gevonden. Off-site informatie: Monument 15796 hoort bij dit monument, maar is vanwege de ligging in een andere gemeente apart aangemaakt.
12539
in zuiden plangebied
Nieuwe tijd
15797
direct ten noorden
Mesolithicum Neolithicum
Rapport 11053.001 versie 1
Bijlage 3
Onderzoeksmeldingen
Zaaknummer (OMnummer) 2084692100 (5587)
Situering t.o.v. plangebied in noorden plangebied
2012828100 (3406)
in zuiden plangebied
2087535100 (7642)
deels overlappend met noorden plangebied
3997387100
overlappend met uiterste noordwesten plangebied
2265970100 (38130)
overlapt met zuiden plangebied
2114126100 (16546)
direct ten noorden
4029234100
direct ten noordoosten
54 55 56 57
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Tollebeek Uitvoerder: Provincie Flevoland Datum: 25-11-2003 Resultaat: Waarderend onderzoek in het kader van actualisatie AMK, betreft AMK-terrein 15796. Dit betreft een rivierduin van 200 m lang en 25 m breed, met een noordoost-zuidwest oriëntatie. De bodem is vrijwel geheel intact, met een podzolprofiel afgedekt met veen, detritus en Almere-afzettingen. In een deel van de boringen is houtskool aangetroffen. In het noordwesten van het AMK-terrein, direct ten oosten van het erf van de Domineesweg 27, bevindt het rivierduin zich op een diepte variërend tussen 0,6 en 1,4 m –mv (-4,8 tot -5,4 m NAP). Direct ten oosten hiervan, op 40 m ten oosten van het erf, neemt de hoogte sterk af naar 3,4 m –mv (-7,7 m NAP). In het zuiden van het AMK-terrein, direct ten zuiden van het erf, ligt het rivierduin op 2,0 tot meer dan 3,5 m –mv (6,3 tot lager dan -8,2 m NAP). Buiten het AMK-terrein, direct ten westen van het erf en circa 10 m ten zuiden van het erf, ligt het duinzand dieper dan 2,9 à 3,5 m –mv (dieper dan -7,1 à -7,8 m NAP). Hier is niet doorgeboord tot in het zand.54 Type onderzoek: onbekend Toponiem: Urk Uitvoerder: particulier Datum: 27-10-2002 Resultaat: Waardestellend onderzoek van scheepswrak met monumentnummer 12539 door het NISA/ROB De onderzoekslocatie is bij benadering weergegeven.
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: E7, E22 Urk Uitvoerder: Provincie Flevoland Datum: 6-10-2004 Resultaat: Rivierduin aangetroffen, aan de Domineesweg 27 (binnen plangebied) en Domineesweg 28 (direct ten noorden van plangebied) zijn kleine stukjes vuursteen opgeboord, met een datering in Meso- of Neolithicum. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland Uitvoerder: Antea Group Archeologie Datum: 22-4-2016 Resultaat: Op het pleistocene oppervlak kunnen resten uit het Paleo- en Mesolithicum voorkomen op de hogere delen van het dekzand. Resten uit het Neolithicum worden vooral verwacht op oeverafzettingen en rivierduinen. 55 Type onderzoek: bureau-/booronderzoek Toponiem: Kabeltracé WMP NOP Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 23-11-2009 Resultaat: In de omgeving van het plangebied liep het tracé door een gebied met lage verwachting, hier zijn geen boringen geplaatst.56 Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Rivierduin Boons Urk Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 28-3-2006 Resultaat: Het rivierduin bevindt zich op 60 tot 400 cm –mv en heeft een vrijwel intact bodemprofiel. Op de hoogste delen bevindt zich in plaats van een natuurlijke A-horizont een laag met veel houtskool, waarschijnlijk een vondstlaag. In negen boringen zijn hierin vuursteenfragmenten aangetroffen. Proefsleuven geadviseerd.
In de meest zuidelijke boorraai (het dichtst bij het huidige plangebied gelegen) lag het duinzand op 60 à 180 cm –mv, waarbij het duinzand het hoogst gelegen was in het westen. 57 Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Schokkerhoek, Urk Uitvoerder: Buro de Brug BV Datum: 17-1-2017
De Boer & Van Holk, 2005. Arkema & Vossen, 2017. Van Kappel & De Boer, 2010. Zuidhoff, 2006.
Rapport 11053.001 versie 1
4606181100
direct ten noordoosten
4726304100
direct ten noordoosten
2317801100 (45198)
direct ten noorden
2025918100 (10127)
direct westen
4040558100
80 meter ten westen
4587714100
80 meter ten westen
2191563100 (27638) / 2189677100 (27389)
120 meter ten noorden
58 59 60 61 62 63
ten
Resultaat: Het middendeel lag binnen zone met lage verwachting, hier is geen booronderzoek uitgevoerd. De dichtstbijzijnde boringen zijn buiten het huidige onderzoeksgebied geplaatst. 58 Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Schokkerhoek, Urk Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 7-5-2018 Resultaat: Aanvulling op 4029234100, waarbij ook de zone met lage verwachting onderzocht is. Hierbij zijn onder andere in de zone direct ten noordoosten van het plangebied drie rivierduinopduikingen aangetroffen, waarvan de top zich op 230 à 330 cm –mv bevindt en de bodemopbouw grotendeels intact was. Verder naar het noordoosten 59 zijn enkele hogere rivierduinen aangetroffen. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Schokkerhoek, Urk Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 14-8-2019 Resultaat: De proefsleuven lagen binnen de zone waar de rivierduinen relatief hooggelegen zijn, buiten het huidige 60 onderzoeksgebied. Er zijn geen archeologische resten aangetroffen.
Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: PArK Urk Uitvoerder: Vestigia BV Datum: 5-9-2011 Resultaat: onbekend Type onderzoek: geofysisch onderzoek Toponiem: IJsselmeerdijken Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 1-9-1995 Resultaat: onbekend Type onderzoek: geofysisch onderzoek Toponiem: Buitendijkse Haven Urk, IJsselmeer Uitvoerder: Periplus Archeomare Datum: 5-4-2017 Resultaat: Op twee locaties zijn objecten met mogelijke archeologische waarde aangetroffen (beide buiten het huidige onderzoeksgebied). Dit bleken later wrakken van vissersboten, waarvan één recent en twee van rond 1900.61 Type onderzoek: geofysisch onderzoek Toponiem: IJsselmeer, Urk Uitvoerder: Periplus Archeomare Datum: 8-2-2018 Resultaat: Onderzoek om Wormer Laagpakket en pleistocene landschap in kaart te brengen. Wormer Laagpakket ligt overwegend op -8 m NAP, afgedekt door Hollandveen. Op deze diepte worden geen resten van de Swifterbant cultuur verwacht. In het Hollandveen kunnen wel resten van visfuiken/visweren, vaartuigen en rituele of andere deposities voorkomen. In één boring ligt het Wormer Laagpakket op -6 m NAP. Op de hoog opgeslibte oevers van deze geul kunnen Swifterbant-nederzettingen voorkomen. Er zijn echter geen aanwijzingen voor bodemvorming of archeologische lagen aangetroffen. In de top van het dekzand is een intacte veldpodzolbodem aanwezig, op circa -9 m NAP.
Hier kunnen nog resten van Laat-Paleolithische of Mesolithische jachtkampen voorkomen.62 Type onderzoek: archeologische begeleiding Toponiem: Zwolsehoek, Urk Uitvoerder: Oranjewoud BV Datum: 1-3-2008 Resultaat: In de ondergrond bevindt zich een rivierduin, grotendeels dieper dan 2,5 m –mv. In één zone komt het duin binnen 2 m –mv voor en is de bodem redelijk intact. Op de zuidflank van het duin zijn twee sporen aangetrof63 fen, een haardkuiltje en een mogelijke greppel, vermoedelijk uit periode Mesolithicum – Vroege-Bronstijd.
Sueur et al., 2017. Bouter, 2018. Bringmans, 2019. Goudswaard & Van den Brenk, 2017. Van Lil & Van den Brenk, 2018. Teekens & Bouter, 2008.
Rapport 11053.001 versie 1
Bijlage 4
Vondstmeldingen
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 3172165100 (48345)
Locatie t.o.v. plangebied in noorden plangebied
Omschrijving Neolithicum : - natuurstenen bijl Late-Middeleeuwen : - kanonskogel
2087535100 (50159)
in noorden plangebied
gevonden tijdens sorteren van aardappelen, exacte locatie onbekend, maar betreft vermoedelijk rivierduin in noorden plangebied Mesolithicum - Neolithicum : - vuursteen afval
3064751100 (60277)
in zuiden plangebied
gevonden tijdens waarderend booronderzoek (2084692100) Nieuwe tijd : - plantaardig, hout scheepsonderdeel
2114126100 (421985)
50 meter ten noorden
datering midden 18e eeuw op grond van dendrochronologie Mesolithicum - Neolithicum : - vuurstenen bewerkingsafval gevonden tijdens booronderzoek (2114126100)
Rapport 11053.001 versie 1
Bijlage 5
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
Rapport 11053.001 versie 1
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').
Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rapport 11053.001 versie 1
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. e e Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. e In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
Rapport 11053.001 versie 1
Bijlage 6
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 11053.001 versie 1
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 11053.001 versie 1
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 11053.001 versie 1