Toelichting Bijlage 15 Archeologisch bureauonderzoek.pdf
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK BINNENDIJKS BEDRIJVENTERREIN TE URK
Archeologisch bureauonderzoek Binnendijks Bedrijventerrein te Urk Opdrachtgever
Gemeente Urk Postbus 77 8320 AB Urk
Rapportnummer 1
Versienummer
Datum
11053.001 1 5 februari 2020
Vestiging
Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl
Opsteller
drs. J. Holl
Paraaf
Kwaliteitscontrole
drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
11053.001
Toponiem
Binnendijks Bedrijventerrein
Opdrachtgever
Gemeente Urk
Gemeente
Urk
Plaats
Urk
Provincie
Flevoland
Kadastrale gegevens
Gemeente Urk, sectie D, nummers 2141-2143, 2145-2146. 2148-2151, 2154-2156, 2158, 2162-2173, 2178-2179
Omvang plangebied
circa 107 ha
Kaartblad
20F (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X = 171.400, Y = 517.500
Bevoegde overheid
Gemeente Urk Postbus 77 8320 AB Urk
ARCHIS3
4771098100
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
T: 0527- 689970 E: gemeente@urk.nl
Archeoregio NOaA
Flevolands kleigebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Zwolle/ Provinciaal Archeologisch Depot Flevoland
Uitvoerder
Econsultancy, drs. J. Holl
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Urk een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Binnendijks Bedrijventerrein te Urk in de gemeente Urk. De initiatiefnemer heeft het plan om het plangebied in te richten als bedrijventerrein. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van de beschikbare geologische en archeologische gegevens bevinden zich enkele rivierduinen in het uiterste noorden van het plangebied. Op deze duinen geldt een hoge kans op archeologische resten uit het Mesolithicum en Neolithicum. Resten uit het Mesolithicum kenmerken zich voornamelijk door clusters van haardkuilen en oppervlaktehaarden, aangevuld met vuursteenstrooiingen. Uit het Neolithicum kunnen bovendien afvalkuilen, grafkuilen en paalkuilen voorkomen, aangevuld met vuursteen en/of aardewerk. Huisplattegronden zijn in de Noordoostpolder onder andere bekend uit de late Swifterbant periode (3.900-3.400 v.Chr.).
De archeologische resten uit de perioden Paleolithicum tot en met Neolithicum worden verwacht in de top van het Pleistocene zand, met name op en rond de dekzandkoppen of rivierduinen. De meeste vondsten zijn te verwachten in de intacte podzolbodem. Archeologische sporen worden verwacht direct onder de podzolbodem en tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Op basis van het bureauonderzoek bevindt het dekzand zich in het grootste deel van het plangebied op circa -8,5 tot -10,5 m NAP. Vermoedelijk is dit gebied nooit aantrekkelijk voor bewoning geweest en werd de voorkeur gegeven aan de dekzandkopjes en rivierduinen. Bovendien waren reeds aan het begin van het Neolithicum de delen dieper dan -7,5 m NAP met veen bedekt waardoor deze niet bewoonbaar waren. In het noorden van het plangebied liggen enkele rivierduinen die tot in het VroegNeolithicum vermoedelijk nog boven het veen uitstaken. Op deze duinen kunnen resten uit het Paleo, Meso- en Vroeg-Neolithicum verwacht worden. Hierbij dient opgemerkt te worden dat rivierduinen een grillig reliëf hadden en dat niet geheel uitgesloten kan worden dat in het overige deel van het plangebied rivierduinen aanwezig zijn. Dit kan alleen bepaald worden door middel van booronderzoek.
Archeologische resten worden in het noorden van het plangebied verwacht op een diepte variërend tussen circa -4,8 m NAP tot circa -8,0 m NAP, hoewel een ondiepere ligging niet uitgesloten kan worden. Vanaf het Midden-Neolithicum raakte vermoedelijk het gehele plangebied met veen bedekt. Resten vanaf deze periode worden daarom niet verwacht. In aanvulling op bovenstaande kunnen in het gehele plangebied resten van scheepswrakken en andere water-gerelateerde resten voorkomen uit de Nieuwe tijd. Het gaat hierbij echter om toevalsvondsten die niet door middel van prospectief onderzoek opgespoord kunnen worden. De verwachting op dergelijke resten wordt daarom laag geacht. Een uitzondering hierop vormt een locatie in het zuiden e van het plangebied, waarvan reeds bekend is dat hier een schip uit de 18 eeuw ligt. Deze ligt op circa 45 cm –mv. Advies Binnen het onderzoeksgebied kunnen verschillende advieszones worden onderscheiden. Geadviseerd wordt om hierbij de bij de beleidsadvieskaart van de gemeente Noordoostpolder gehanteerde adviezen te hanteren. Ter plaatse van de AMK-terreinen binnen het plangebied is reeds vastgesteld dat een vindplaats aanwezig is. Geadviseerd wordt om binnen AMK-terrein 15796 geen bodemingrepen dieper dan 30 cm –mv uit te voeren. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd de vindplaats
Rapport 11053.001 versie 1
nader te onderzoeken door middel van een waarderend proefsleuvenonderzoek met doorstart naar opgraving. AMK-terrein 12539 betreft een scheepswrak, waarvan de ligging op basis van de beschikbare documentatie is ingetekend in figuur 13. Geadviseerd wordt om binnen een bufferzone van 50 m rondom het scheepswrak (waarbij een bufferzone van circa 120x100 m ontstaat), geen bodemingrepen dieper dan 30 cm –mv uit te voeren. Indien dit niet mogelijk blijkt, wordt geadviseerd om het scheepswrak te onderzoeken door middel van een archeologische opgraving. Voor enkele zones in het noorden van het plangebied, waar rivierduinen in de ondergrond verwacht worden, wordt geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te voeren met een boordichtheid van 6 boringen per ha. Voor het overige deel van het plangebied, waarvoor een lage verwachting geldt, wordt een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van 3 boringen per ha geadviseerd. Geadviseerd wordt om te boren tot minstens 50 cm in de top van de C-horizont (diepteligging varierend tussen circa 1 m –mv in de delen met hoge verwachting tot 4,5 à 7,0 m –mv in de zone met lage verwachting). Gezien de grote diepte wordt geadviseerd om hierbij gebruik te maken van een mechanisch boorsysteem (aqualock-boringen).
Rapport 11053.001 versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
3
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 8 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 11 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 15
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 17
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 18 BRONNEN .......................................................................................................................................... 20
Rapport 11053.001 versie 1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Geraadpleegd historisch kaartmateriaal en luchtfoto’s Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Noordoostpolder Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Foto van de verkenning (2002) van het binnen het plangebied gelegen scheepswrak Situering van het plangebied op een luchtfoto uit 1947 Situering van het plangebied binnen de topografische kaart van 1955 Situering van het plangebied binnen de topografische kaart van 1962 Advieskaart
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus
Rapport 11053.001 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Urk een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Binnendijks Bedrijventerrein te Urk in de gemeente Urk (zie figuur 1 en 2). De initiatiefnemer heeft het plan om het plangebied in te richten als bedrijventerrein. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2). Uitgaande van de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in januari en februari 2020 door drs. J. Holl (senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog).
2 2.1
BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 2 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 2
Beschikbaar via www.sikb.nl.
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 1 van 20
2.3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Flevoland; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Urk; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter 3 rondom het plangebied. Het plangebied, circa 107 ha, ligt direct ten zuiden van Urk en wordt begrensd door de Domineesweg (N352) in het noorden, de Zuidermeerdijk in het westen, de Zuidermeerweg in het oosten en de gemeentegrens met de gemeente Noordoostpolder in het zuiden (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 20 F, (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van de onderzoekslocatie X = 171.400, Y = 517.500. Op basis van AHN-beelden bevindt het maaiveld zich op 3,8 à 4,4 m –NAP. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. De onderzoekslocatie is grotendeels in gebruik als bouwland.
In het oosten en noorden bevinden zich enkele boerderijerven en in het zuiden staan twee windmolens. Het uiterste noordwesten is in gebruik als bedrijfsterrein. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart
3
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 2 van 20
maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen de ‘Beheersverordening Landelijk gebied’, vastgesteld door de gemeente Noordoostpolder op 21 maart 2016. In dit bestemmingsplan zijn geen aparte dubbelbestemmingen voor archeologie vastgelegd, maar de gemeente Noordoostpolder heeft de archeologische basis- en beleidsadvieskaart vastgesteld als gemeentelijk toetsingskader. Aangezien het plangebied recentelijk is toegevoegd aan de gemeente Urk is deze nog niet opgenomen in de gemeentelijke verwachtingskaart van de gemeente Urk. Op de verwachtingskaart van de 4 gemeente Noordoostpolder (zie figuur 4), waar het plangebied tot voor kort deel van uitmaakte, ligt het plangebied grotendeels binnen beleidscategorie WA-8 (dekzandgebied onder -5 m NAP). In deze 2 gebieden is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 10.000 m en dieper dan 100 cm –mv. Dit onderzoek dient in eerste instantie te bestaan uit verkennend booronderzoek met drie boringen per ha en op basis van de resultaten eventueel een karterend booronderzoek uit te voeren (20 boringen per ha met 15 cm boor). Twee locaties in het noorden liggen binnen beleidscategorie WA-3 (rivierduinen) met hieromheen beleidscategorie WA-5 (buffer rondom rivierduinen).
In deze gebieden is archeologisch onderzoek 2 noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 500 en 2.500 m en dieper dan respectievelijk 30 en 50 cm –mv. Dit onderzoek dient in eerste instantie te bestaan uit verkennend booronderzoek met zes boringen per ha en op basis van de resultaten eventueel een karterend booronderzoek uit te voeren (20 boringen per ha met 15 cm boor). Voor één van deze rivierduinen geldt eveneens beleidscategorie WA-1 (AMK-terreinen). Voor dergelijke terreinen is altijd een archeologisch onderzoek nodig en dit onderzoek dient te bestaan uit een proefsleuvenonderzoek of, indien de locatie al gewaardeerd is, een opgraving. Voor een locatie in het zuiden van het plangebied geldt beleidscategorie WA-2 (scheepswrakken). 2 Voor dergelijke zones geldt een vrijstellingsgrens van 100 m en 30 cm –mv. Voor deze locatie geldt echter eveneens beleidscategorie WA-1 (AMK-terreinen), waarvoor een proefsleuvenonderzoek dan wel een opgraving vereist is. Bodeminformatie De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstel5 len (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen.
Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. In aanvulling hierop is de bodematlas van de Provincie Flevoland ge6 raadpleegd. Binnen het onderzoeksgebied zijn verschillende verontreinigende activiteiten uitgevoerd. Het betreffen bestrijdingsmiddelenopslag, een bovengrondse dieseltank, opslag van aromatische koolwaterstoffen en een petroleum- of kerosinetank aan de Domineesweg 27, een bovengrondse dieseltank, bovengrondse petroleum- of kerosinetank en opslag van aromatische koolwaterstoffen aan de Domineesweg 29 en bestrijdingsmiddelenopslag, een ondergrondse dieseltank en bovengrondse petroleum- of kerosinetank aan de Zuidermeerweg 51. 4
Ten Anscher et al., 2018. Bodemloket. 6 Bodematlas Provincie Flevoland. 5
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 3 van 20
Voor de Zuidermeerweg 49 is in 2009 een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, waarbij diverse verontreinigende activiteiten zijn vastgesteld, namelijk een ondergrondse dieseltank tussen 1974 en 1986, een bovengrondse hbo-tank tussen 1974 en 1991, opslag van alifatische koolwaterstoffen en een dieselpompinstallatie vanaf 1974, bestrijdingsmiddelopslag en tractorpetroleumpompinstallatie vanaf 1991 en aardappelgroothandel vanaf 1998. Aan de Domineesweg 31 is in 1993 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten onbekend zijn. Aan de Domineesweg 27, 29 en 31 en de Zuidermeerweg 51 bevinden zich gebouwen met deels asbestverdacht golfplaat. 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de inrichting van een bedrijfsterrein gepland, ten behoeve van visserij en de maritieme sector. De exacte inrichtingsplannen zijn in dit stadium nog niet bekend. Bij het ontwikkelen van het bedrijventerrein bestaat de kans dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie7
noorden: Fm. v. Naaldwijk, Lp. v. Walcheren / Fm. v. Nieuwkoop; zeeklei en -zand met inschakelingen van veen (Na7) zuiden: Fm. v. Naaldwijk, Lp. v. Walcheren op Fm. v. Nieuwkoop; zeeklei op veen (Na8)
Geomorfologie8
Vlakte van geij-afzettingen (2M72)
Bodemkunde9
Grotendeels kalkhoudende vlakvaaggronden met 5-8% lutum en een U16-cijfer van 120-180 (zeer fijn, kleihoudend zand), met zavel- of kleidek van 15-40 cm (kSn13A), zuiden: kalkhoudende vlakvaaggronden in uiterst fijn zand, met zavel- of kleidek van 1540 cm (kZn10A), uiterste noordwestpunt: kalkrijke poldervaaggronden in lichte klei, profielverloop 5 (Mn35A)
Grondwatertrap
Grotendeels VI, strook langs westen: IV
7
TNO, 2010. Wageningen Environmental Research, 2017. 9 Publieke Dienstverlening Op de Kaart. 8
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 4 van 20
10
Landschappelijke ontwikkeling De ondergrond in de Noordoostpolder is voor een groot deel ontstaan in het Pleistoceen. In deze periode wisselden ijstijden en warmere tussenperioden elkaar af. Tijdens het Saalien, de voorlaatste ijstijd (circa 370.000 - 130.000 jaar geleden), raakte de noordelijke helft van Nederland bedekt met landijs. De vanuit het zuiden komende rivieren moesten afbuigen naar het westen, direct langs het zuiden van het landijs, waarbij het oerstroomdal van de Vecht ontstond. Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 115.000 – 11.600 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet. Binnen het oerstroomdal van de Vecht werden ook in het Weichselien nog rivierafzettingen gesedimenteerd, behorend tot de Formatie van Kreftenheye. Deze worden gerekend tot het Laagterras. In de tweede helft van het Weichselien heersten er zeer koude, periglaciale omstandigheden en was de vegetatie vrijwel geheel verdwenen. Er vonden veel zandverstuivingen plaats, waarbij het zand over grote afstand werd verplaatst. Dit materiaal is afgezet als een deken van fijn, zwak lemig zand afgewisseld met lemige lagen. Het oerstroomdal van de Vecht raakte met een pakket dekzand opgevuld. Het in deze periode, tot circa 13.000 jaar geleden afgezette dekzand wordt Oud Dekzand genoemd. Aan het eind van het Weichselien vonden nieuwe zandverstuivingen plaats.
Het zwak lemige stuifzand uit deze periode wordt aangeduid als Jong Dekzand en vormt in uitgestrekte gebieden zwak glooiende ruggen, welvingen en koppen. In de Noordoostpolder loopt het dekzand vanuit het zuidwesten glooiend op, waarbij de hoogste delen zich in het noordoosten bevinden. In de rivierdalen kon geen dekzand afgezet worden omdat het stromende water dit direct afvoerde. In het laatste millennium van het Weichelien was sprake van een zeer koude en droge periode met vrijwel geen vegetatie. Vanuit de drooggevallen rivierbeddingen stoof zand op, dat werd afgezet als metershoge rivierduinen. Deze liggen in de zuidelijke helft van de Noordoostpolder in enkele westoost gerichte rijen langs de pleistocene beddingen van de Vecht en IJssel. Dergelijke duinen komen in het uiterste noorden van het plangebied voor. Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 11.600 jaar geleden) vond opwarming van het klimaat plaats. Als gevolg van het smelten van de ijskappen steeg de zeespiegel en hiermee het grondwater. Rond 4.900 v. Chr. (Vroeg-Neolithicum) was het gebied lager dan -7,5 m NAP reeds met veen be11 dekt. Op basis van de pleistocene zanddieptekaart bevindt het dekzand zich in het plangebied grotendeels dieper dan -9 m NAP en in enkele zones in het zuidoosten en uiterste noorden dieper dan -8 m NAP. Het uiterste zuidoosten valt nog net binnen een zone met zand tussen -7 en -8 m NAP.
Verwacht wordt daarom dat het plangebied in het Vroeg-Neolithicum reeds (vrijwel) geheel bedekt was met veen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het rivierduinlandschap vaak een grillig reliëf had, waardoor het goed mogelijk is dat zich nog niet in kaart gebrachte rivierduinen binnen het plangebied bevinden. Deze kunnen mogelijk nog langer boven het veen uitgestoken hebben. Rond 1700 v. Chr. (Midden-Bronstijd) waren ook de delen dieper dan -2 m NAP bedekt met veen. Rond het begin van de jaartelling vlakte de grondwater- en zeespiegelstijging af. 12
Op basis van landschapskaarten lag het plangebied rond 4900 v. Chr. reeds in een veengebied met grotendeels rietvegetatie en in het zuidoosten en noorden zeggevegetatie. Het uiterste noordwesten lag binnen open water. Dit deel van de noordoostpolder vormt de zone waar het pleistocene zand het 10
De Mulder et al., 2003 / Ten Anscher et al, 2018. Ten Anscher, 2012. 12 Ibid. 11
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 5 van 20
diepst gelegen is, waardoor dit deel het eerst vernatte. Gedurende het vijfde millennium v. Chr. nam de invloed van de zee toe en werd langs en in de geulen klei afgezet. Rond 4400 v. Chr. ontstonden de Unio-I-oeverwallen langs de Vecht. Het plangebied zelf lag in deze periode vermoedelijk in een veengebied met overwegend rietvegetatie en deels zegge- en galigaanvegetatie. Aan het eind van het vijfde millennium kwam de Noordoostpolder buiten de directe zee-invloed te liggen, als gevolg van het dichtslibben van getijdegeulen. De waterafvoer verslechterde en het riet- en zeggenmoeras breidde zich steeds verder uit. Rond 3700 v. Chr. nam de zee-invloed weer toe en ontstond een getijdegeul boven Urk, wat leidde tot erosie van het veenlandschap. Tussen Urk en Emmeloord ontstond een groot meer, het Unio-II-meer. De Vecht kreeg een nieuwe loop door deze getijdengeul, waardoor de Vechtloop ten zuiden van Urk verlandde. Rond 3400 v. Chr. kwamen de eerste hoogveenvegetaties tot ontwikkeling in de slechts ontwaterde delen van het veengebied. Ook in het zuidoosten van het plangebied ontstond hoogveen. Dit hoogveen breidde zich verder uit, waardoor rond 2600 v. Chr. het gehele plangebied in hoogveengebied lag. Rond 1900 v. Chr. nam de zee-invloed toe, waarbij opnieuw erosie van het veenlandschap plaatsvond, vooral ten noorden van Urk. Hierbij ontstonden verschillende meren.
In het plangebied bleef de hoogveenvegetatie echter gehandhaafd. Hierna nam de zee-invloed weer af en breidde het veen zich uit. Vrijwel de gehele Noordoostpolder was in deze periode met veen bedekt, met uitzondering van enkele zones, zoals de hoogste delen van de zandrug waar Urk op ligt. De verschillende meren groeiden uiteindelijk aaneen tot één groot meer, het Flevomeer, ten noorden en oosten van Urk. In het meer werd detrytus-gyttja afgezet, de Flevomeer Laag. In enkele delen van de Noordoostpolder kon het veen zich handhaven, waaronder binnen het plangebied. Wel raakte het veen regelmatig overstroomd, waarbij klei werd afgezet. In de eerste eeuw n. Chr. kwam het Flevomeer in verbinding te staan met de Waddenzee, waardoor het zoetwatermeer veranderde in een lagune met brak water, het Almere. Hierin werd de Almere Laag afgezet, gelaagde pakketten met een afwisseling van grove detritusresten, verslagen veen, brakke zanden en brakke kleien. Vanaf circa 1200 werd het Almere groter. Het veen werd weggeslagen of overspoeld, waarbij klei werd afgezet. In e enkele locaties, waaronder het huidige plangebied, kon de veenvorming nog doorgaan, tot in de 14 eeuw. Vanaf deze tijd werd de binnenzee aangeduid als Zuiderzee, die rond 1600 haar grootste omvang bereikte. In deze periode lag het plangebied ook in zee en waren nog slechts enkele eilanden over, waaronder Urk en Schokland.
De Zuiderzee-afzettingen bestaan vooral uit klei, maar ook opnieuw afgezet dekzand en duinzand. Na de voltooiing van de Afsluitdijk in 1932 werd de Zuiderzee het IJsselmeer en stopte de sedimentatie van de Zuiderzee-afzettingen. In 1940 werd de dijkring rondom de Noordoostpolder voltooid en viel het gebied droog. 13
DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. In een boring in het midden van het plangebied is de Formatie van Kreftenheye (matig grof zand) op 7,3 m –mv (-11,2 m NAP) aangetroffen. Hierboven bevindt zich een laag dekzand tot 6,6 m –mv (-10,5 m NAP). Hierboven ligt de Basisveen Laag (top 13
Dinoloket.
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 6 van 20
op 6,0 m –mv (-9,9 m NAP) en een dunne kleilaag van de Formatie van Naaldwijk (top op 5,8 m –mv; -9,7 m NAP). De top van het Hollandveen Laagpakket ligt op 3,2 m –mv (-7,1 m NAP). Hierboven bevindt zich zeer fijn, siltig tot kleiig zand van de Formatie van Naaldwijk, vermoedelijk de Zuiderzee14 afzettingen. In het uiterste westen is zand (vermoedelijk dekzand) aangetroffen op 5,3 m –mv (-8,6 m NAP). Hierboven bevindt zich een circa 50 cm dikke kleilaag (Formatie van Naaldwijk) met hierboven een pakket Hollandveen, waarvan de top zich op 2,3 m –mv (-5,5 m NAP) bevindt. Hierboven bevindt zich zwak tot matig siltig zand afgewisseld met enkele kleilagen. Vermoedelijk betreffen dit de Zuiderzee15 afzettingen. In het uiterste zuidwesten bevindt het dekzand zich op 6,6 m –mv (-9,2 m NAP). De top van het hierboven liggende Hollandveen ligt op 4,4 m –mv (-7 m NAP) en hierboven bevindt zich vooral zwak tot 16 matig siltig zand (Zuiderzee-afzettingen). In het uiterste noordoosten is zand (vermoedelijk dekzand) aangetroffen op 4,7 m –mv (-8,6 m NAP). Hierboven bevindt zich Hollandveen tot 2,4 m –mv (-6,3 m NAP). Hierboven is zand (vermoedelijk 17 Zuiderzee-afzettingen) aangetroffen.
In het uiterste noordwesten bevindt zich matig grof zand (Formatie van Kreftenheye) op 9,6 m –mv (13,7 m NAP), met hierboven fijn zand (dekzand) tot 6,4 m –mv (-10,5 m NAP) dat bovenin sterk humeus en sterk siltig is. Hierboven bevindt zich een 30 cm dikke laag Basisveen met hierboven klei van de Formatie van Naaldwijk tot 4,2 m –mv (-8,2 m NAP). De top van het hierboven liggende Hollandveen Laagpakket bevindt zich op 2,6 m –mv (-6,7 m NAP) en hierboven bevindt zich zeer fijn, 18 sterk siltig zand (Zuiderzee-afzettingen). 19
Op basis van het geologische ondergrondmodel DGM v2.2 ligt de top van de Formatie van Kreftenheye in het plangebied op een diepte variërend tussen circa -13 en -10 m NAP. De Formatie van Boxtel fluctueert tussen circa -9,5 m NAP in het zuiden tot -6 m NAP in het noorden. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een vlakte van getij-afzettingen (zie figuur 5). Het grootste deel van de Flevolandse polders vallen binnen deze geomorfologische eenheid. 20
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied.
14
Dino-boornummer B20F0012. Dino-boornummer B20F1235. 16 Dino-boornummer B20F1236. 17 Dino-boornummer B20F0586. 18 Dino-boornummer B20F0002. 19 Dinoloket. 20 AHN. 15
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 7 van 20
Uitgaande van het AHN ligt het maaiveld overwegend op -4,2 à -4,5 m NAP (zie figuur 6). Ter plaatse van de binnen het plangebied gelegen boerderijen is het maaiveld opgehoogd tot -3,5 à -4,0 m NAP. In het bedrijfsterrein in het uiterste noordwesten is het maaiveld tot 3,8 m NAP opgehoogd en op de windmolenlocaties in het zuidwesten tot -2,5 m NAP. Langs het westen loopt de Zuidermeerdijk, met een maximale hoogte van 4,5 m NAP en de bestaande wegen langs het noorden en oosten van het plangebied liggen op -3,5 à -4,0 m NAP. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000; zie figuur 7) is het plangebied grotendeels gekarteerd als kalkhoudende vlakvaaggronden in zeer fijn, kleihoudend zand (kSn13A). Bij de Rijksdienst voor IJsselmeerpolders worden deze gronden lichte zavel A genoemd. Dit zijn zeer jonge gronden met nog nauwelijks bodemontwikkeling. De bovengrond bestaat uit kalkrijke zavel of lichte klei (toevoeging k…). Dit betreft een laag IJsselmeerslik. Langs de Zuidermeerdijk treedt kwel op, waardoor het grondwater hier relatief hoog ligt (strook in het westen van het plangebied, grondwatertrap IV). In het zuiden worden kalkhoudende vlakvaakgronden in uiterst fijn zand (kZn10A) verwacht. Dit zijn in de omgeving van het plangebied sterk gelaagde gronden bestaande uit een afwisseling van uiterst fijn zand en zeer lichte zavel.
De bouwvoor is 15 tot 25 cm dik en kalkrijk en kleiig, deels afgezet tijdens de IJsselmeer-fase. Ook hier komt als gevolg van kwel langs de Zuidermeerdijk grondwatertrap IV voor. In de uiterste noordwestpunt worden kalkrijke poldervaaggronden in lichte klei (Mn35A) verwacht. De bovengrond bestaat over het algemeen uit kalkrijke, lichte klei. Hieronder bevinden zich gelaagde 21 Almere-afzettingen. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf22 goed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 250 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Flevoland De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Flevoland geeft inzicht in de archeologische, historisch-stedenbouwkundige en de historisch-geografische waarden van de regio. Uit het raadplegen van deze kaart is geen aanvullende informatie naar voren gekomen.
21 22
Eilander & Heijink, 1990. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 8 van 20
23
AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het plangebied liggen twee AMK-terreinen (zie bijlage 2 en figuur 8). In het noorden, aan de Domineesweg 27, ligt een terrein van hoge archeologische waarde (AMK-nr. 15796). Dit terrein loopt tevens door richting het noorden (Domineesweg 28, AMK-nr. 15797), maar is vanwege de toenmalige gemeentegrens opgesplitst in twee delen. Dit is een rivierduin, waarop met boringen archeologische resten zijn aangetroffen, namelijk stukjes houtskool en kleine fragmenten vuursteen. In het zuiden van het plangebied bevindt zich eveneens een AMK-terrein van hoge archeologische waarde (Zuidermeerweg, kavel E25; AMK-nr. 12539). Dit betreft een locatie van een scheepswrak. e Dit schip betreft een zeegaand vrachtschip uit Finland en dateert uit het midden van de 18 eeuw. Het is voor het eerst waargenomen tijdens drainagewerkzaamheden in 1955.
Het schip is 23 à 24 m lang en 8 m breed. De stuurboordzijde is grotendeels bewaard gebleven en de bakboordzijde ontbreekt 24 grotendeels. 25
In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied (buffer van 250 m rondom het plangebied) zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage 3 en figuur 8). Twee hiervan betreffen waarderende onderzoeken ter plaatse van de AMK-terreinen 15796 en 26 12539. Ter plaatse van AMK-terrein 15796 is later een booronderzoek uitgevoerd in het kader van 27 actualisatie van de AMK. Hierbij is vastgesteld dat een rivierduin van 200 bij 25 m aanwezig is, met een intacte podzolbodem. In een deel van de boringen is houtskool aangetroffen, met een relatief grote concentratie in het zuiden van het AMK-terrein. In het noordwesten van het AMK-terrein, direct ten oosten van het erf van de Domineesweg 27, bevindt het duin zich op 0,6 à 1,4 m –mv (-4,8 tot 5,4 m NAP). Direct ten oosten hiervan, op 40 m ten oosten van het erf, neemt de hoogte sterk af naar 3,4 m –mv (-7,7 m NAP). In het zuiden van het AMK-terrein, direct ten zuiden van het erf, ligt het rivierduin op 2,0 tot meer dan 3,5 m –mv (-6,3 tot lager dan -8,2 m NAP). Buiten het AMK-terrein, direct ten westen van het erf en circa 10 m ten zuiden van het erf, ligt het duinzand dieper dan 2,9 à 3,5 m – mv (dieper dan -7,1 à -7,8 m NAP). Hier is niet doorgeboord tot in het zand.
Op basis van het onderzoek heeft het AMK-terrein zijn huidige begrenzing gekregen. Tijdens het onderzoek is alleen in het uiterste noorden en uiterste zuiden van het AMK-terrein, en direct hierbuiten, geboord. Hierdoor is het 28 reliëf in het middendeel van het terrein niet duidelijk. Direct ten noorden van het plangebied is een booronderzoek uitgevoerd, waarbij is vastgesteld dat het rivierduin op een diepte variërend tussen 60 en 400 cm –mv ligt, en een vrijwel intact bodemprofiel heeft. Op de hoogste delen ligt een laag met veel houtskool, waarin in negen boringen vuursteenfragmenten zijn aangetroffen. In de boorraai direct ten noorden van het plangebied lag het duinzand 29 relatief hoog, op een diepte van 60 cm –mv in het westen tot 180 cm in het oosten. 23
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Vergane schepen op nieuw land. 25 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 26 Archis zaakidentificaties 2084692100 & 2012828100. 27 Archis zaakidentificatie 2087535100. 24
28 29
Archis zaakidentificatie 2084692100. Archis zaakidentificatie 2114126100.
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 9 van 20
Direct ten noordoosten van het plangebied zijn twee booronderzoeken en een proefsleuvenonderzoek 30 uitgevoerd in het plangebied Schokkerhoek. In de eerste fase van het booronderzoek zijn geen boringen binnen het huidige onderzoeksgebied geplaatst. In de tweede fase zijn de nog niet onderzoch31 te delen alsnog met boringen onderzocht. In de zone direct ten noordoosten van het plangebied zijn drie rivierduinopduikingen aangetroffen op een diepte van 230 à 330 cm –mv. Verder richting het noordoosten lagen de rivierduinen aanzienlijk hoger, met het hoogste punt op 30 cm –mv. Tijdens dit onderzoek is in drie zones (locaties van geplande watergangen) een karterend booronderzoek uitgevoerd, waarvan de dichtstbijzijnde (zone 1) circa 600 m ten noordoosten van het plangebied ligt. Hierbij zijn verspreid over het terrein fragmenten vuursteen aangetroffen. Binnen zone 1 is een proef32 sleuvenonderzoek uitgevoerd, waarbij geen sporen of vondsten zijn aangetroffen. In het IJsselmeer, circa 80 m ten westen van het plangebied, zijn enkele geofysische onderzoeken 33 uitgevoerd. Hierbij zijn (buiten het huidige onderzoeksgebied) enkele scheepswrakken aangetroffen. Ook is vastgesteld dat in het dekzand een intacte podzolbodem aanwezig is, op -9 m NAP, waarin nog resten uit het Paleo- of Mesolithicum kunnen voorkomen.
In één boring lag het Wormer Laagpakket relatief hoog (-6 m NAP).Op de hoog opgeslibte oever kunnen nederzettingen uit het VroegNeolithicum voorkomen. Tijdens een begeleiding 120 m ten noorden van het plangebied is een rivierduin aangetroffen, grotendeels dieper dan 2,5 m –mv. In één zone lag het duin binnen 2 m –mv en is sprake van een intacte bodem. Op de zuidflank van dit duin zijn een haardkuiltje en een mogelijke greppel aangetroffen, 34 vermoedelijk uit de periode Mesolithicum – Vroege-Bronstijd. 35
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn drie vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). 36
Twee van deze meldingen zijn gerelateerd aan de reeds besproken AMK-terreinen. Verder is in het noorden van het plangebied een natuurstenen bijl uit het Neolithicum en een kanonskogel uit de LateMiddeleeuwen aangetroffen. De exacte locatie is onbekend, maar vermoedelijk is dit het rivierduin in 37 het noorden van het plangebied. Buiten het plangebied, maar binnen het onderzoeksgebied (buffer van 250 m rondom het plangebied) 38 zijn vuursteenfragmenten gevonden tijdens booronderzoek (zie vorige paragraaf). Aanvullende informatie Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 21 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 21 (d.d. januari 2020, contactpersoon dhr. D. Velthuizen), maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.
30
Archis zaakidentificatie 4029234100. Archis zaakidentificatie 4606181100. 32 Archis zaakidentificatie 4726304100. 33 Archis zaakidentificaties 4040558100 & 4587714100. 34 Archis zaakidentificaties 2191563100 & 2189677100. 35 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 36 Archis zaakidentificaties 2084692100 & 3064751100. 37 Archis zaakidentificatie 3172165100. 38 Archis zaakidentificatie 2114126100. 31
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 10 van 20
Steunpunt Archeologie en jongen Monumenten Flevoland Voor aanvullende informatie en documentatie over de binnen het plangebied gelegen AMK-terreinen is contact gezocht met het Steunpunt Archeologie en jonge Monumenten Flevoland (d.d. februari 2020, contactpersoon dhr. A.F.L. van Holk & dhr. J. Smale). Naar aanleiding hiervan is het dossier behorende bij het in het plangebied gelegen scheepswrak toegestuurd. Hieruit blijkt het volgende: De bovenkant van het wrak bevindt zich op 45 cm –mv en de onderkant op 2,5 m –mv. Het is geheel e uit naaldhout vervaardigd en gebouwd in het midden van de 18 eeuw (zie figuur 9). Het schip is 20 m lang en 7 m breed. De kwaliteit van het hout is tot 65 cm –mv zeer slecht tot slecht. Hieronder is sprake van middelmatige kwaliteit en vanaf 80 cm –mv is de kwaliteit goed. Het vondstmateriaal bestaat uit vlechtwerk, gele en rode bakstenen, een brok natuursteen, aardewerk, leer, een ijzeren kanonskogel, breeuwsel (vermoedelijk wol), koperen plaatje van een pistool, brokken steenkool, fragmenten van een tondeksel, touwfragmenten en een houten klos. De lading bestond mogelijk uit steenkool. 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. 39
Korte bewoningsgeschiedenis van de omgeving van het plangebied In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. De bewoningsgeschiedenis hangt nauw samen met het onderliggende dekzand- en rivierduinlandschap. Over het (Laat-)Paleolithicum is weinig bekend en in de omgeving van het plangebied zijn slechts enkele vondsten uit deze periode gedaan, onder andere op de zandrug van Schokland en op een dekzandrug bij de Kuinder. Dit betreffen vuurstenen werktuigen van de Tjongercultuur. Uit het Mesolithicum zijn meer vondsten bekend. In deze periode was het Noordoostpoldergebied bijna geheel met loofbos begroeid. Veel vondsten zijn gedaan op rivierduinen in het zuidelijke deel van de polder. Tijdens het Neolithicum was een groot deel van de Noordoostpolder nog een bosgebied met een zandondergrond. De dekzandruggen en rivierduinen vormden in het begin van het Neolithicum gunstige bewoningslocaties. De vindplaatsen uit deze periode horen bij de Swifterbant-cultuur. Hoewel men in eerste instantie nog een mobiele levenswijze had, gingen de mensen zich na enkele eeuwen vestigen in permanente nederzettingen op de hoge locaties in de polder: grote rivierduinen en dekzandruggen.
Circa 500 m ten noorden van het plangebied zijn graven gevonden op een rivierduin, evenals aanwijzingen voor een akkertje. Dit betreft vermoedelijk een tijdelijke nederzetting. Het zuidwesten van de Noordoostpolder, waaronder het plangebied, bestond vermoedelijk uit een veengebied dat ongeschikt was voor bewoning. In het noorden van het plangebied liggen enkele rivierduinen. Op basis van booronderzoek direct ten noorden van het plangebied, op een rivierduin dat deels binnen en deels ten noorden van het plangebied ligt, is het rivierduin op 60 cm –mv (-5,3 m 39
Ten Anscher et al., 2018.
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 11 van 20
NAP) aangetroffen. In het begin van het Neolithicum waren de delen dieper dan -7,5 m NAP met veen bedekt. Het rivierduin zal dus nog enige tijd boven het veen uitgestoken hebben. Deze locaties zullen ook in het Vroeg-Neolithicum nog gunstige vestigingslocaties gevormd hebben. In het MiddenNeolithicum raakten ook de delen dieper dan -5 m NAP met veen bedekt, waardoor deze locaties onbewoonbaar werden. Tijdens het Midden-Neolithicum (Trechterbekercultuur) nam de bewoning in de omgeving van het plangebied sterk af. Als gevolg van verder gaande vernatting werden grote delen onbewoonbaar. Ook de delen die nog boven het veen uitstaken waren, gezien de geïsoleerde ligging omringd door veengebied, weinig aantrekkelijk. Het plangebied was in deze periode vermoedelijk geheel met veen bedekt. In de perioden hierna (Laat-Neolithicum – Romeinse tijd) breidde het veen zich steeds verder uit. Binnen het plangebied worden geen resten uit deze perioden verwacht. Er zijn binnen de Noordoostpolder wel aanwijzingen dat in de IJzertijd en/of Romeinse tijd op het veen gewoond werd. Dergelijke resten zijn echter, als gevolg van latere zee-erosie, geheel verdwenen. e
e
Vanaf de 9 -10 eeuw werd het veengebied ontgonnen vanaf de hoger gelegen gebieden (zoals Urk). Als gevolg van de ontginning en ontwatering klinkte het veen in, wat tot een verslechterde ontwatering leidde. Vanaf het begin van de Nieuwe tijd lag het plangebied in de Zuiderzee en vanaf 1932 in het IJsselmeer. In 1936 is begonnen met de drooglegging van de Noordoostpolder. Dit gebeurde met drie gemalen bij Lemmer, Kadoelen en Urk (gemaal Vissering). Ook werden sluizen aangelegd in de Lemstervaart, Zwolsche Vaart en Urkervaart. Deze vaarten waren al uitgebaggerd voor het droogvallen van de polder. In 1937 is begonnen met de aanleg van de ringdijk, die in 1940 voltooid werd. In 1942 is de Noordoostpolder officieel drooggevallen. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel II.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal en luchtfoto’s
Bron
Periode
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Militaire topografische kaart40 (nettekening)
1830-1850
1:50.000
Water
Rondom Urk is een zandplaat weergegeven, genaamd ‘De Vorm’. Het plangebied ligt direct ten zuiden hiervan
Militaire topografische kaart (Bonnekaart)
1880-1912
1:50.000
Idem
Idem
Militaire topografische kaart (Bonnekaart)
1925-1935
1:50.000
Idem
Geen bijzonderheden
Luchtfoto41
1947
Onontgonnen gebied
Zuidermeerdijk en Zuidermeerweg waren al aanwezig
Luchtfoto42
1949
Sloten in plangebied zijn al gegraven, maar percelen zijn nog niet in cultuur gebracht
Huidige wegen zijn al aanwezig
40
Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). Bodematlas Provincie Flevoland. 42 Ibid. 41
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 12 van 20
Bron
Periode
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Topografische kaart
1955
1:25.000
Zuidelijke percelen zijn in gebruik als rietreservaat en noorden als bouwland
Geen bijzonderheden
43
1960
Bouwland, met boerderijen in noorden en oosten (Domineesweg 27 en 29, Zuidermeerweg 49 en 51), uiterste noordwesten: grasland met gebouw (Domineesweg 31)
Geen bijzonderheden
Topografische kaart
1962
1:25.000
Idem
Geen bijzonderheden
Topografische kaart
1973
1:25.000
Enkele bijgebouwen aan Domineesweg 29 gebouwd
Geen bijzonderheden
Topografische kaart
1988
1:25.000
Enkele nieuwe bijgebouwen aan Domineesweg 29 en 31 en Zuidermeerweg 49, zone in zuidwesten raakt in gebruik als grasland
Geen bijzonderheden
Topografische kaart
1994-1997
1:25.000
Eerdere graslandpercelen in zuidwesten zijn weer in gebruik als bouwland, in noordwesten in huidige bedrijfsgebouw gerealiseerd, direct langs de Zuidermeerdijk in zuidwesten zijn drie windmolen geplaatst.
Geen bijzonderheden
Topografische kaart
2006
1:25.000
In zuidwesten weer deel grasland, Aan Zuidermeerweg 49 is een nieuw bijgebouw geplaatst
Geen bijzonderheden
Topografische kaart
2010
1:25.000
Aan Domineesweg 29 is deel bebouwing gesloopt
Geen bijzonderheden
Topografische kaart
2011
1:25.000
Een bijgebouw aan Zuidermeerweg 49 is gesloopt, graslandperceel weer in gebruik als bouwland
Geen bijzonderheden
Topografische kaart
2014
1:25.000
Groot bijgebouw gerealiseerd aan Zuidermeerweg 49
Geen bijzonderheden
Topografische kaart
2015
1:25.000
Eén van de drie windmolens langs de Zuidermeerdijk is gesloopt en op de akker zijn twee nieuwe windmolens gerealiseerd
Geen bijzonderheden
Luchtfoto
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is het plangebied na de ontginning enkele jaren niet in gebruik geweest (zie figuur 10). Tussen 1949 en 1955 raakte het noordelijke deel van het plangebied in gebruik als bouwland en het zuiden bleef nog enige tijd in gebruik als rietreservaat (figuur 11). In 1956 werden de thans aanwezige boerderijen gerealiseerd en in 1959 werd het bedrijfsgebouw in het noordwesten gebouwd (figuur 12). In de periode hierna zijn nog diverse bijgebouwen gerealiseerd. In het zuidwesten zijn in de jaren ‘90, direct langs de Zuidermeerdijk, drie windmolens geplaatst. In de laatste jaren zijn deze windmolens gesloopt en vervangen voor twee windmolens op de akker nabij de Zuidermeerdijk.
43
Ibid.
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 13 van 20
Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Tot 2012 moest een monument 50 jaar of langer geleden zijn vervaardigd om in het kader van de Monumentenwet voor bescherming in aanmerking te komen. Per 1 januari 2012 is dit criterium vervallen. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. De gemeente legt haar monumentenbeleid vast in de gemeentelijke monumentenverordening. Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de historischgeografische, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940. Deze beschrijvingen zijn samengesteld in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Dit project was een initiatief van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur om een landelijk overzicht te krijgen van de bouwkunst en stedenbouw uit de periode 1850-1940.
Het MIP werd in de periode 1987-1994 uitgevoerd door de provincies en de vier grote steden, in samenwerking met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Binnen de 50 m attentiezone liggen geen rijksmonumenten, geen gemeentelijke monumenten en zes MIP monumenten. MIP-objecten binnen het plangebied zijn de boerderijen aan de Domineesweg 27 (MIP-object 38953) en 29 (MIP-object 38954), evenals de Zuidermeerweg 49 (MIP-object 38961) en 51 (MIP-object 38962). Direct ten noordwesten van het plangebied bevinden zich eveneens twee MIP-objecten, namelijk de boerderij aan de Domineesweg 36 (MIP-object 27650) en een landarbeiderswoning aan de Domineesweg 36a (MIP-object 27661). Bouwhistorische gegevens Bij de gemeentes Urk en Noordoostpolder is bij het gemeentelijk archief een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied (februari 2020, contactpersonen mevr. A. van der Pol (gemeente Noordpolder) en dhr. P. van Veen (gemeente Urk).
Hieruit zijn de volgende gegevens naar voren gekomen: Domineesweg 27 Kapberg gefundeerd op 1 m –mv Woning: geen kelders, funderingsdiepte onbekend Domineesweg 29 Woning: geen kelders, funderingsdiepte onbekend Middenspanningsruimte gefundeerd op beton, op 0,3 m –mv Wagenberging: gefundeerd op betonplaat, op 0,5 m –mv Stallen: gefundeerd op betonplaten, op 0,6 à 0,9 m –mv Mestsilo: betonvloer, aflopend richting het midden, circa 1,5 m –mv Domineesweg 31 Bedrijfsgebouw schapenhouderij: gefundeerd op betonpalen, funderingsbalken op 0,7 m –mv Kapschuur: gefundeerd op betonpalen, funderingsbalken op 0,4 à 0,7 m –mv Huidige bedrijfsbebouwing: gefundeerd op betonpoeren, op 0,7 m -mv
Rapport 11053.001 versie 1
Pagina 14 van 20
Zuidermeerweg 49 Woning: gefundeerd op heipalen, funderingsstroken op 0,7 m -mv Schuur: gefundeerd op betonpoeren, op 0,7 m –mv Berging: funderingsbalken op 0,8 m –mv, onderkant heipalen op 6,8 m –mv Stallen: gefundeerd op betonplaat, op 1,3 m –mv Wagenberging: funderingsbalken op 0,7 m –mv Aardappelbewaarplaats: gefundeerd op heipalen, funderingsstroken op 0,9 m –mv Zuidermeerweg 51 Woning: geen kelders, funderingsdiepte onbekend Aanbouw woning: gefundeerd op heipalen, funderingsstroken op 0,7 m –mv Berging / garage: gefundeerd op heipalen, funderingsstroken op 0,7 m –mv Aardappelbewaarplaats: gefundeerd op heipalen, funderingsstroken op 0,8 m –mv Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange44 bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel III.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Grotendeels laag, enkele zones in noorden: middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen (noorden) of het dekzand (zuiden)
Mesolithicum
Grotendeels laag, enkele zones in noorden: hoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen (noorden) of het dekzand (zuiden)
Neolithicum
Grotendeels geen tot zeer laag, enkele zones in noorden: hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen (noorden)
Bronstijd – VroegeMiddeleeuwen
Zeer laag tot geen
-
-
Late-Middeleeuwen – Nieuwe tijd
Laag (met uitzondering van bekend scheepswrak in zuiden plangebied)
Resten van scheepswrakken
Binnen 2 m -mv
Op basis van de beschikbare geologische en archeologische gegevens bevinden zich enkele rivierduinen in het uiterste noorden van het plangebied. Op deze duinen geldt een hoge kans op archeologische resten uit het Mesolithicum en Neolithicum. Resten uit het Mesolithicum kenmerken zich voornamelijk door clusters van haardkuilen en oppervlaktehaarden, aangevuld met vuursteenstrooiingen. 44
Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ kaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990.
Rapport 11053.001 versie 1
Indicatieve
kaart
Militair
Erfgoed/VEO
Bommen-
Pagina 15 van 20
Uit het Neolithicum kunnen bovendien afvalkuilen, grafkuilen en paalkuilen voorkomen, aangevuld met vuursteen en/of aardewerk. Huisplattegronden zijn in de Noordoostpolder onder andere bekend uit de late Swifterbant periode (3.900-3.400 v.Chr.). De archeologische resten uit de perioden Paleolithicum tot en met Neolithicum worden verwacht in de top van het Pleistocene zand, met name op en rond de dekzandkoppen of rivierduinen. De meeste vondsten zijn te verwachten in de intacte podzolbodem. Archeologische sporen worden verwacht direct onder de podzolbodem en tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Op basis van het bureauonderzoek bevindt het dekzand zich in het grootste deel van het plangebied op circa -8,5 tot -10,5 m NAP. Vermoedelijk is dit gebied nooit aantrekkelijk voor bewoning geweest en werd de voorkeur gegeven aan de dekzandkopjes en rivierduinen. Bovendien waren reeds aan het begin van het Neolithicum de delen dieper dan -7,5 m NAP met veen bedekt waardoor deze niet bewoonbaar waren. In het noorden van het plangebied liggen enkele rivierduinen die tot in het VroegNeolithicum vermoedelijk nog boven het veen uitstaken. Op deze duinen kunnen resten uit het Paleo, Meso- en Vroeg-Neolithicum verwacht worden.