Toelichting Bijlage 13 Natuurtoets.pdf
Tekst van het document
Dit veldbezoek moet in het najaar uitgevoerd worden als al het blad van de bomen is en kan gecombineerd worden met het zoeken naar verblijfplaatsen van boommarters en vleermuizen. Als tijdens het veldbezoek nesten worden aangetroffen die geschikt lijken voor soorten met jaarrond beschermde nesten is nader soortgericht onderzoek naar deze soorten nodig. Ook is nader onderzoek nodig naar kerkuil, steenuil, gierzwaluw en huismus in de gebouwen. Het tijdstip en de duur van het onderzoek is per soort verschillend. 31/40
Kenmerk
R001-1271717YKH-V03-nja-NL
Soorten uit categorie 5 De nesten van vogels in deze categorie zijn alleen jaarrond beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden’ dat rechtvaardigen. Er komen in of nabij het plangebied geen categorie 5 soorten voor waarvoor zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden gelden die jaarrond bescherming rechtvaardigen. De ingreep is beperkt qua aard en omvang en voor de soorten die in het plangebied worden verwacht (bijvoorbeeld koolmees en huiszwaluw) blijven in en/of in de omgeving van het plangebied voldoende broedlocaties aanwezig. Tijdens het broedseizoen beschermde soorten De nesten van deze soorten zijn beschermd als ze als broedlocatie in gebruik zijn. In het plangebied zijn geschikte nestlocaties aanwezig voor algemene broedvogels zoals houtduif, kauw, koolmees, wilde eend, meerkoet, fuut, kievit, scholekster en gele kwikstaart. Deze soorten kunnen broeden in de bomen langs de erven; in en langs de watergangen; en op het agrarisch landschap. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen.
Wanneer een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. 6.5.4
Amfibieën
Dichtstbijzijnde waarnemingen van rugstreeppad liggen op minder dan twee kilometer afstand van het plangebied. Rugstreeppad is ook een vrij algemene soort in de Noordoostpolder (LBF, 2019). Er zijn potentieel geschikte voortplantingswateren aanwezig voor rugstreeppad. Ook zijn overwinteringsplaatsen mogelijk op de erven en is functioneel leefgebied aanwezig (foerageergebied en routes) in de omgeving. Bij de werkzaamheden gecreëerde geschikte voortplantingswateren, zoals te zien in Figuur 6.2, kunnen door rugstreeppad gekoloniseerd worden. De werkzaamheden hebben mogelijk tot gevolg: het vernietigen van leefgebied/verblijfplaatsen en het verstoren en/of doden van individuen (Wnb, hoofdstuk 3, artikel 3.5, lid 1, 2 en 4). Soortgericht onderzoek naar rugstreeppad is nodig. Het heeft de voorkeur om het nader onderzoek uit te voeren op basis van kooractiviteit. De meest geschikte periode voor dit onderzoek is vanaf half april tot en met mei en in juli. Twee avondbezoeken zijn nodig in april tot en met mei en in juli nog een avondbezoek om de soort met zekerheid uit te sluiten. Indien rugstreeppad is uitgesloten in het plangebied, dienen amfibieschermen om het plangebied geplaatst te worden. Dit om te voorkomen dat, door de werkzaamheden gecreëerde, geschikte voortplantingswateren in gebruik genomen worden.
32/40
Kenmerk
R001-1271717YKH-V03-nja-NL
Figuur 6.2 Potentieel voortplantingswater voor rugstreeppad
6.5.5 Reptielen Levendbarende hagedis is op circa 4,5 kilometer afstand van het plangebied waargenomen in een woonwijk. Deze soort komt met name voor op heide en hoogveen en in bermen van wegen, open bos, ruig grasland en in duinen. Dit type habitat ontbreekt in het plangebied. Vanwege de afstand tot het plangebied, de tussenliggende Urkervaart en ongeschikt leefgebied is levendbarende hagedis uitgesloten in het plangebied. 6.5.6
Vissen
Houting is waargenomen in het Ketelmeer (NDFF, 2020) en komt verder voor in het IJsselmeer, de benedenrivieren en Nederlandse kustgebieden. De soort heeft dan ook de voorkeur voor rivieren en kustwateren. Dit type habitat ontbreekt in het plangebied. Kwabaal komt voor in rivieren en meren, die niet aanwezig zijn in het plangebied. Negatieve effecten op houting en kwabaal zijn uitgesloten. 6.5.7
Libellen, vlinders en overige ongewervelden
Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied voor de libellen gevlekte witsnuitlibel, noordse winterjuffer, rivierrombout en gevlekte glanslibel. Dit vanwege het ontbreken van een goed ontwikkelde watervegetatie en/of verlandingsvegetatie; kleine plassen; vennen; laagveengebied; grote rivieren; en moerassige plekken. Voor de vlindersoorten grote vos en grote weerschijnvlinder ontbreekt het een bosrijk gebied om te dienen als geschikt leefgebied. Negatieve effecten op libellen, vlinders en overige ongewervelden zijn uitgesloten.
33/40
Kenmerk
R001-1271717YKH-V03-nja-NL
6.5.8 Zorgplicht Ten aanzien van de zorgplicht dient bij kap- en snoeiwerkzaamheden in één richting gewerkt te worden zodat eventueel aanwezige fauna kan ontkomen aan de werkzaamheden. Bij het dempen van sloten kunnen algemene vissen en amfibieën ingesloten en gedood worden. Om dit te voorkomen moeten de volgende maatregelen getroffen worden:
Vissen en amfibieën één richting opdrijven van het werkgebied af, zodat ze kunnen vluchten
Het water in de te dempen delen dient afgevangen te worden van alle aanwezige vissen en amfibieën
Afgevangen soorten dienen uitgezet te worden in de omliggende watergangen
7 Conclusies en aanbevelingen In opdracht van de Gemeente Urk heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet Natuurbescherming voor de realisatie van een binnendijks bedrijventerrein. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de bepalingen als opgenomen in de Wnb, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn van belang? Toetsing aan Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland zijn van belang. Daarnaast zijn ook soortenbescherming en toetsing aan beschermde houtopstanden relevant. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wnb of het Barro? Natura 2000 Het plangebied grenst aan Natura 2000-gebied IJsselmeer. Om die reden zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling getoetst aan de instandhoudingsdoelen voor dit Natura 2000-gebied. Overige Natura 2000-gebieden zijn gelegen op meer dan 3 kilometer afstand. Alleen storingsfactoren met een reikwijdte van meer dan 3 kilometer kunnen hier tot effecten leiden. Alle relevante storingsfactoren zijn in de toetsing beschouwd. Om effecten als gevolg van stikstofdepositie te bepalen is een berekening gemaakt met AERIUS Calculator.
Hieruit blijkt dat effecten in de aanlegfase uitgesloten zijn wanneer deze verspreid over drie jaar wordt uitgevoerd. In de gebruiksfase is ook geen sprake van een effect op een stikstofgevoelig habitattype of leefgebied. Er is in beide fasen geen sprake van een projectbijdrage hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden. Ook als gevolg van de andere storingsfactoren, optische verstoring, verstoring door licht en geluid, zal geen sprake zijn van negatieve effecten op Natura 2000-gebied IJsselmeer. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk. Natuurnetwerk Nederland Het IJsselmeer behoort tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Doordat het plangebied grenst aan het NNN, en externe werking in provincie Flevoland van toepassing is, zijn effecten beschouwd. De mogelijke effecten op dit gebied zijn ook getoetst vanuit het beschermingskader Natura 2000, waar een zwaarder beschermingsregime op rust dan het NNN. Om die reden zijn op het IJsselmeer ook als NNN-gebied geen effecten te verwachten. Ook op overige NNN-gebieden in de omgeving zijn geen negatieve effecten te verwachten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. 34/40
Kenmerk
R001-1271717YKH-V03-nja-NL
Houtopstanden Er zijn beschermde houtopstanden aanwezig in het plangebied. Als deze gekapt worden voor de voorgenomen ontwikkeling, dient er een kapmelding ingediend te worden. Ook is er sprake van een herplantplicht Soorten De beoogde ontwikkeling is mogelijk strijdig met de Wnb vanwege het mogelijk voorkomen van beschermde soorten. Het gaat hierbij om: Rust- en verblijfplaatsen van steenmarter en boommarter
Verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen
Jaarrond beschermde nesten van ooievaar, buizerd, havik, sperwer, boomvalk, ransuil, roek, kerkuil, steenuil, gierzwaluw en huismus Tijdens het broedseizoen beschermde vogelnesten
Leefgebied van rugstreeppad Zorgplicht
Soortgericht onderzoek is nodig (onafhankelijk van de periode van uitvoering) om een effectbepaling te kunnen doen. Als uit nader onderzoek blijkt dat de beoogde ontwikkelingen negatieve effecten hebben op beschermde soorten, zijn mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig. Ook is het mogelijk dat een ontheffing aangevraagd dient te worden naar aanleiding van het nader onderzoek. Steenmarter en boommarter Mogelijk kan boommarter al dan niet worden uitgesloten tijdens een nest- en holtecheck. Dit kan samen met de nest- en holtecheck voor vleermuizen en jaarrond beschermde vogelnesten worden uitgevoerd. Het aantasten van leefgebied en/of verblijfplaatsen van steenmarter en boommarter is verboden (hoofdstuk 3, artikel 3.10, lid 1). Bij het kappen van bomen, snoeien van struiken en het slopen van gebouwen kunnen leefgebied en verblijfplaatsen verloren gaan. Nader soortgericht onderzoek met behulp van cameravallen is nodig. Het onderzoek dient bij voorkeur te worden verricht in de periode mei tot en met augustus met een doorlooptijd van minimaal vier weken. Buiten de actieve periode met minder trefkans, heeft het onderzoek een doorlooptijd van minimaal acht weken. (ODNHN, 2017) Vleermuizen Nader soortgericht onderzoek is nodig naar verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes van gebouw- en boombewonende vleermuizen op de erven.
Het verdient aanbeveling om een gericht veldbezoek uit te voeren om potentiële verblijfplaatsen in bomen al dan niet uit te sluiten. Dit veldbezoek kan gecombineerd worden met het zoeken naar holtes voor boommarter en jaarrond beschermde nesten van vogels in het bladloze seizoen. De werkzaamheden hebben mogelijk tot gevolg: het vernietigen van leefgebied/verblijfplaatsen en het verstoren en/of doden van individuen (Wnb, hoofdstuk 3, artikel 3.5, lid 1, 2 en 4). De beoogde ontwikkeling is dus mogelijk ontheffingsplichtig. Het mogelijk vernietigen van leefgebied/verblijfplaatsen en/of doden van individuen geldt voor de gebouwen op de erven en de bomen in het plangebied. Soortgericht onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen is noodzakelijk. 35/40
Kenmerk
R001-1271717YKH-V03-nja-NL
Het onderzoek naar foerageergebied en vliegroutes kan gecombineerd worden met het onderzoek naar verblijfplaatsen. Het type verblijfplaatsen die mogelijk zijn in het plangebied staan weergegeven in tabel 6.3. De vervolgonderzoeken naar gebouw- en boombewonende vleermuizen dienen volgens de volgende planning te verlopen (NGB, 2017): Gebouwen
In de periode 15 mei - 15 juli zijn drie bezoeken met minimaal 20 dagen tussen elk
bezoek nodig In de periode 15 augustus – 1 oktober gaat het om twee bezoeken met minimaal 20 dagen tussen ieder bezoek
Bomen In de periode 15 mei – 15 juli zijn twee bezoeken met minimaal 20 dagen tussen ieder bezoek nodig
In de periode 15 augustus – 30 september zijn ook twee bezoeken met minimaal 20 dagen tussen ieder bezoek nodig
Vogels Om jaarrond beschermde nesten van ooievaar, buizerd, havik, sperwer, boomvalk, ransuil en roek al dan niet uit te sluiten in het plangebied, dient tijdens een gericht veldbezoek gezocht te worden naar nesten. Dit veldbezoek moet in het najaar uitgevoerd worden als al het blad van de bomen is en kan gecombineerd worden met het zoeken naar verblijfplaatsen van boommarters en vleermuizen. Als tijdens het veldbezoek nesten worden aangetroffen die geschikt lijken voor soorten met jaarrond beschermde nesten is nader soortgericht onderzoek naar deze soorten nodig. Ook is nader onderzoek nodig naar kerkuil, steenuil, gierzwaluw en huismus. Het tijdstip en de duur van het onderzoek is per soort verschillend. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Wanneer een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald.
Rugstreeppad De werkzaamheden hebben mogelijk tot gevolg: het vernietigen van leefgebied/verblijfplaatsen en het verstoren en/of doden van individuen (Wnb, hoofdstuk 3, artikel 3.5, lid 1, 2 en 4). Soortgericht onderzoek naar rugstreeppad is nodig. Het heeft de voorkeur om het nader onderzoek uit te voeren op basis van kooractiviteit. De meest geschikte periode voor dit onderzoek is vanaf half april tot en met mei en in juli. Twee avondbezoeken zijn nodig in april tot en met mei en in juli nog een avondbezoek om de soort met zekerheid uit te sluiten. (BIJ12, 2017) Indien rugstreeppad is uitgesloten in het plangebied, dienen amfibieschermen om het plangebied geplaatst te worden. Dit om te voorkomen dat, door de werkzaamheden gecreëerde, geschikte voortplantingswateren in gebruik genomen worden.
36/40
Kenmerk
R001-1271717YKH-V03-nja-NL
Zorgplicht Ten aanzien van de zorgplicht dient bij kap- en snoeiwerkzaamheden in één richting gewerkt te worden zodat eventueel aanwezige fauna kan ontkomen aan de werkzaamheden. Bij het dempen van sloten kunnen algemene vissen en amfibieën ingesloten en gedood worden. Om dit te voorkomen moeten de volgende maatregelen getroffen worden:
Vissen en amfibieën één richting opdrijven van het werkgebied af, zodat ze kunnen vluchten
Het water in de te dempen delen dient afgevangen te worden van alle aanwezig vissen en amfibieën
Afgevangen soorten dienen uitgezet te worden in de omliggende watergangen
In tabel 6.4 is een samenvatting opgenomen van de toetsing aan de soortenbescherming. Tabel 6.4 Conclusies toetsing soorten- en gebiedsbescherming Soortenbescherming
Effecten
Vervolgstappen
Flora
Geen overtreding artikel
n.v.t.
3.5 of 3.10 Grondgebonden zoogdieren
Mogelijk overtreding artikel
Vervolgonderzoek noodzakelijk
3.10 Vleermuizen
Mogelijk overtreding artikel
Vervolgonderzoek noodzakelijk
3.5 Algemene broedvogels Vogels jaarrond beschermd
Mogelijk overtreding artikel
Broedvogelcontrole bij werkzaamheden in het
3.1
broedseizoen
Mogelijk overtreding artikel
Vervolgonderzoek noodzakelijk
3.1 of 3.5 Amfibieën
Mogelijk overtreding artikel
Reptielen
Geen overtreding artikel
Vervolgonderzoek noodzakelijk
3.5 n.v.t.
3.5 of 3.10 Vissen
Geen overtreding artikel
n.v.t.
3.5 of 3.10 Vlinders, libellen en overige
Geen overtreding artikel
ongewervelden
3.5 of 3.10
Natura 2000-doelen
Effect
Vogelrichtlijnsoort Broedvogels
n.v.t. Vervolgstappen Niet van toepassing
Tijdelijke verstoring, geen
Niet van toepassing
geschikt habitat voor permanente verstoring Niet-broedvogels
Tijdelijke verstoring, maar
Niet van toepassing
geen effect op soorten
37/40
Kenmerk
R001-1271717YKH-V03-nja-NL
8 Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten beschermde soorten, rugstreeppad. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Hennekens, S.M., N.A.C. Smits & J.H.J. Schaminée (2010). SynBioSys Nederland versie 2. Alterra, Wageningen UR. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. LBF, 2019a. Beschermde soorten bij Binnendijks Bedrijventerrein Urk. Rapport LBF 2019-006. Landschapsbeheer Flevoland, Lelystad.
LBF, 2019b. Domineesweg 27, Urk – Ecologisch onderzoek. Rapport LBF 2019-025. Landschapsbeheer Flevoland, Lelystad. LBF, 2020. eDNA-onderzoek naar de waterspitsmuis – Domineesweg Urk. Rapport LBF 2020001. Landschapsbeheer Flevoland, Lelystad. ODNHN, 2017. Wezel, Hermelijn en Bunzing beschermd in Noord-Holland. Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, 2017. Provincie Flevoland, 2016. Verordening Wet natuurbescherming PRB, publicatienr. 5854. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Vleermuisprotocol 2017.
38/40
Kenmerk
R001-1271717YKH-V03-nja-NL
Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl
39/40
Kenmerk
R001-1271717YKH-V03-nja-NL
Bijlage 1
Effectenbeoordeling niet-broedvogels
Niet-broedvogel
Geschikt
Voedsel / dieet
habitat
NDFF
Mogelijk
waarnemingen
beïnvloed?
laatste vijf jaar A005 - Fuut (f)
Ja
Vis
2
Nee
A017 - Aalscholver (s en
Ja
Vis
2
Nee
Nee
Zoetwaterprooien (vissen,
0
Nee
0
Nee
f) A034 – Lepelaar (f)
amfibieën, insecten en andere ongewervelden (voorjaar) IJsselmeer (nazomer) A037 – Kleine zwaan (s)
Nee
Waterplanten en graslanden
A037 – Kleine zwaan (f)
Nee
Waterplanten en graslanden
0
Nee
A702 – Toendrarietgans
Nee
Graslanden/ akkers
0
Nee
Gras en overige vegetarische
0
Nee
0
Nee
0
Nee
1
Nee
Gras en andere plantendelen
0
Nee
(s) A040 – Kleine rietgans (s)
Nee
opties A041 – Kolgans (f)
Nee
Gras en overige vegetarische
A041 – Kolgans (s)
Nee
Gras en overige vegetarische
opties opties A043 – Grauwe gans (s
Nee
en f) A045 – Brandgans (f)
Gras en overige vegetarische opties
Nee
A045 – Brandgans (s)
Nee
Gras en andere plantendelen
0
Nee
A048 – Bergeend (f)
Nee
Kleine schelpdieren, slakjes.
0
Nee
1
Nee
0
Nee
0
Nee
1
Nee
0
Nee
0
Nee
Garnalen en andere kreeftachtigen, wormen, insecten en larven, plantaardig materiaal A050 – Smient (s en f)
Ja
A051 – Krakeend (f)
Ja
bladeren, zaden, wortels van planten, gras en algen bladen, stengels en zaden, tijdens de wintermaanden insecten en weekdieren
A052 – Wintertaling (f)
Nee
Filtert uit water , alsmede wormen, insecten, kreeftachtigen, zaden, grassen en gewassen
A053 – Wilde eend (f)
Nee
Waterplanten, grassen en kleine waterdiertjes
A054 – Pijlstaart (f)
Ja
Filtert uit water plantenzaden, maar hij eet zo ook insecten en kleine visjes
A056 – Slobeend (f)
Nee
Filtert uit water plantaardig en vooral dierlijk plankton en verder
40/40
Kenmerk
R001-1271717YKH-V03-nja-NL
Niet-broedvogel
Geschikt
Voedsel / dieet
habitat
NDFF
Mogelijk
waarnemingen
beïnvloed?
laatste vijf jaar slakjes, kreeftachtigen, insectenlarven, zaden en dergelijke A056 – Tafeleend (f)
Nee
zaden, wortels en waterplanten,
0
Nee
0
Nee
0
Nee
0
Nee
1
Nee
1
Nee
insecten, larven, amfibieën en kleine visjes A061 – Kuifeend (f)
Ja
Schelpdieren, kreeftachtigen, waterplanten
A062 – Toppereend (f)
Ja
Zeegrassen, krabben, vis, slakjes
A067 – Brilduiker (f)
Ja
Mollusken, wormen, insecten en
en schelpdieren kreeftachtigen, kleine vis A068 – Nonnetje (f)
Ja
Vissen, kreeftachtigen, slakken en waterkevers.
A070 – Grote zaagbek (f)
Ja
Vis, ongewervelden, amfibieën,
A125 – Meerkoet (f)
Ja
Waterplanten, waterdieren, gras
2
Nee
A132 – Kluut (f)
Nee
Klein dierlijk voedsel in slik
0
Nee
A140 – Goudplevier (s en
Nee
Wormen en ongewervelden
0
Nee
A151 – Kemphaan (f)
Nee
Insecten, larven, kreeftachtigen,
0
Nee
A151 – Kemphaan (s)
Nee
Insecten, larven, kreeftachtigen,
0
Nee
jong zoogdier/vogel
r) wormen en slakjes wormen en slakjes A156 – Grutto (f)
Nee
Regenwormen en insecten
0
Nee
A156 – Grutto (s)
Nee
Regenwormen en insecten
0
Nee
A160 - Wulp (f)
Nee
wormen, geleedpotigen,
0
Nee
0
Nee
0
Nee
0
Nee
0
Nee
kreeftachtigen, mollusken, bessen en zaden. Soms kleine vis, amfibieën, hagedissen, jonge vogels, muizen. A160 - Wulp (s)
Nee
wormen, geleedpotigen, kreeftachtigen, mollusken, bessen en zaden. Soms kleine vis, amfibieën, hagedissen, jonge vogels, muizen.
A177 – Dwergmeeuw (f)
Nee
Insecten wateroppervlak, vliegende insecten en kreeftachtigen wateroppervlak
A190 – Reuzenstern (s en
Ja
f) A197 – Zwarte stern (f)
Vissen, soms jongen/eieren andere vogels
Nee
Kleine visjes, amfibieën, insecten en regenwormen