Ruimtelijke onderbouwing evenwichtige toedeling van Functies aan Locaties Westwal 2 (concept)
Tekst van het document
Naar aanleiding van de PAK verontreiniging is er een verdiepend onderzoek op de locatie uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 2. [Dit onderzoek loopt nog]. 4.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3 Cultuur en erfgoed Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Aan de hand van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland is geïnventariseerd welke cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn:
t ep
nc co Afbeelding 4.1: Cultuurhistorische waardenkaart Flevoland, projectgebied aangeduid met blauwe cirkel (Bron: Provincie Flevoland)
Zoals te zien op de kaart valt het projectgebied in een Provinciaal Archeologisch en Aardkundig Kerngebied (PArK). Er zijn vier PArK’en, te weten: Rivierduingebied Swifterbant, UNESCO-monument Schokland, Urk en omgeving en Omgeving Kuinderschans en Kuinderburchten. De archeologische waarden in samenhang met aardkundige en landschappelijke waarden moeten in de PArK’en volledige in stand blijven. Archeologische waarden in PArK’en mogen niet worden ‘geroerd’ ofwel worden aangetast. Aanvullend hierop neemt Flevoland met zijn gebiedspartners in PArK’en maatregelen om de achteruitgang in kwaliteit van archeologische waarden, bijvoorbeeld als gevolg van verdroging en verzuring, te stoppen of te vertragen. De voorliggende ontwikkeling tast geen aardkundige en landschappelijke waarden aan die waardevol zijn voor het historische en culturele karakter van het dorp Urk. In paragraaf 4 wordt er getoetst aan het aspect archeologie.
4.4 Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische 25
begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Zoals beschreven in hoofdstuk 2 paragraaf 1.2 gelden er twee archeologische dubbelbestemmingen op de locatie. Er is onderzoek vereist wanneer een ontwikkeling groter dan 250 m² is, en dieper dan 50 cm het maaiveld in gaat. Naar aanleiding hiervan wordt een archeologisch onderzoek uitgevoerd op de locatie. Het onderzoek is gericht op het vaststellen danwel uitsluiten van mogelijk aanwezige archeologische waarden in de bodem. Het volledige rapport is als bijlage 3 toegevoegd aan de motivering [Dit onderzoek loopt nog].
4.5 Ecologie 4.5.1
Gebiedsbescherming
4.5.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.5.1.1 Natura 2000-gebieden
nc co
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
t ep
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
4.5.1.3 Houtopstanden Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Omgevingswet als bepaald in artikel 11.111 van het Bal. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. Op basis van dit artikel kan tevens een herplantplicht gelden. • •
De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000 m²); De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
26
4.5.2
Situatie projectgebied
4.5.2.1 Natura 2000-gebieden Het projectgebied bevindt zich op circa 13 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Gelet op de ruimte afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Om dit te beoordelen, is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. BJZ.nu heeft voor deze ontwikkeling een AERIUS-berekening uitgevoerd; deze is bijgevoegd als bijlage 4 van de motivering. Uit de stikstofberekening blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie op stikstofgevoelige natura 2000 gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. 4.5.2.2 NNN-gebieden Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) hoort, bevindt zich op 650 meter van het projectgebied. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van enige aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. 4.5.2.3 Houtopstanden
4.5.3
nc co
In het projectgebied worden geen houtopstanden, die voldoen aan de criteria uit artikel 11.111 Bal, negatief beïnvloed. Soortenbescherming
4.5.3.1 Wettelijk kader
• •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
t ep
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 4.5.3.2 Situatie projectgebied Er is voor dit project een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 5 toegevoegd aan de motivering. Uit het onderzoek blijkt dat er geen negatieve effecten zijn verwacht op flora- en fauna als gevolg van de ontwikkeling. In eerste instantie is er aangeraden om buiten het broedseizoen te werken. Het terrein is in februari volledig gerooid en bouwrijp gemaakt. Door deze planning is voorkomen dat algemene broedvogels zich op de locatie gingen vestigen. Hierbij is de specifieke zorgplicht nauwlettend gevolgd. Omdat de locatie direct aan een drukke weg ligt, zijn de aanwezige vogels in de omgeving al gewend aan lawaai en beweging. Dankzij deze gewenning konden de werkzaamheden zonder problemen worden voortgezet tijdens het broedseizoen. Tijdens het hele proces is er scherp opgelet of er vogels buiten de normale periode gingen broeden. Er zijn geen actieve nesten aangetast of verwijderd, waardoor de wettelijke regels voor natuurbescherming steeds zijn nageleefd.
27
4.5.4
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.
4.6 Externe veiligheid 4.6.1
Wettelijk kader
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
nc co
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk; Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik; Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven; Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik.
4.6.2
Situatie in en bij het projectgebied
t ep
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Aan de hand van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen en aandachtsgebieden in de nabijheid van de beoogde ontwikkeling:
28
nc co
Afbeelding 4.2: Omgevingsveiligheid Westwal 2 (Bron: Atlas Leefomgeving)
Er bevinden zich geen aandachtsgebieden, risicobronnen of plaatsgebonden risico’s op het projectgebied; de voorliggende ontwikkeling introduceert ook geen nieuwe risicobron in de omgeving.
4.6.3
Conclusie
t ep
De uitbreiding voorziet in een koelinstallatie met circa 1200 kg CO₂ (R744) als koudemiddel. Wat betreft het plaatsgebonden risico (Art. 5.11 Bkl) wordt door de beperkte hoeveelheid en de aard van het koudemiddel (niet-toxisch bij deze volumes) voldaan aan de veiligheidsafstanden. Er is daardoor geen risicocontour die beperkingen oplegt aan de omgeving. Daarnaast zijn er ten aanzien van de aandachtsgebieden (Art. 5.15 Bkl) geen aandachtsgebieden van toepassing die ruimtelijke beperkingen opleveren, aangezien CO₂ onbrandbaar en niet-explosief is. De veiligheid is hiermee gewaarborgd.
Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
4.7 Water 4.7.1 Algemeen
Het watertoetsproces dat sinds november 2003 wettelijk verplicht is door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening, komt onder de Omgevingswet terug als 'Weging van het waterbelang'. De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In de waterparagraaf van het ruimtelijk plan staat hoe er binnen het plan omgegaan wordt met de waterhuishouding. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn. Er zijn drie mogelijke procedures voor de weging van het waterbelang. De effecten van het plan op de waterhuishouding bepalen welke procedure geldt. Bij de procedure geen waterschapsbelang kan de weging volledig digitaal doorlopen worden. De korte procedure is voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande 29
consequenties voor de waterhuishouding. Bij de korte en normale procedure is informeel vooroverleg met Waterschap Zuiderzeeland nodig. 4.7.2 Beleidskader De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier samengevat opgenomen. 4.7.2.1 Internationaal De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). 4.7.2.2 Nationaal Het rijksbeleid gaat over ruimte voor water, over het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Zo is de kern van Waterbeleid 21ste eeuw (WB21) dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Hierin worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • •
Vasthouden, bergen en afvoeren en Schoonhouden, scheiden en zuiveren.
nc co
De Omgevingswet vervangt vele wetten en gaat uit van een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, milieukwaliteit, natuur, bodem én water. Alle ambities en keuzes over het beheer, beschermen en benutten van de leefomgeving staan in omgevingsvisies en omgevingsplannen die gemeenten en provincies opstellen. Deze komen in de plaats van de bestaande structuurvisies en bestemmingsplannen. Belangrijk onderdeel van het ruimtelijk proces is de participatie van alle belanghebbenden. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Hierin zijn de verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten vastgelegd. De Waterwet is nagenoeg geheel opgegaan in de Omgevingswet.
4.7.2.3 Regionaal
t ep
Het beleid dat in omgevingsvisies over water en ruimte is opgenomen worden door het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten uitgewerkt in programma's. Hierin staan vastgestelde korte termijnmaatregelen om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken. Waar in de omgevingsvisie vooral een integrale benadering van belang is, richten programma's zich vaak op slechts één of enkele onderdelen van de fysieke leefomgeving. Centraal staat het werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is.
Gemeente Urk is gelegen binnen het plangebied van de Stroomgebiedsvisie Flevoland. In de watervisie voor 2015 wordt het plangebied aangeduid als een gebied met een vitaal watersysteem. Voor de gemeente Urk zijn de wateropgaven onderverdeeld in een aantal generieke maatregelen en in de resterende wateropgave. De generieke maatregelen houden onder andere in: afvoerblokkering in natuurgebieden; vasthouden van water in natuurgebieden en landbouwgebied; realisatie van duurzame oevers. Oplossingsrichtingen voor de resterende wateropgave zijn onder andere bergen in open water en efficiënt uitmalen. 4.7.2.4 Waterschap Zuiderzeeland Waterschappen nemen regels over waterstaatswerken op in de Waterschapsverordening. Hierin is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren, de zogenaamde waterstaatswerken. Ook bevat het regels over het beheer en onderhoud. Vanaf januari 2024 heeft deze de Keur en de Algemene regels bij de Keur vervangen. In haar Watervisie verbindt Waterschap Zuiderzeeland waterthema's en maatschappelijke opgaven met elkaar. Hierin staan een waterrobuuste, klimaatbestendige inrichting centraal. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak.
Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid.Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen 30
het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaat bestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgen ook in de toekomst voor voldoende water bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater. 4.7.2.5 Gemeente Noordoostpolder De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (d.d. april 2006). Als aanvulling op dit plan hebben waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke 'Maatwerkovereenkomst stedelijk water' ondertekend. Hierin staan afspraken over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. Waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder hebben begin 2019 samen het Watertakenplan Noordoostpolder 2019-2024 vastgesteld. 4.7.3 Situatie plangebied
nc co
Voor deze ruimtelijke ontwikkeling is een digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage 6). Er zijn drie mogelijke procedures voor de weging van het waterbelang. De effecten van het plan op de waterhuishouding bepalen welke procedure geldt. Bij de procedure geen waterschapsbelang kan de weging volledig digitaal doorlopen worden. De korte procedure is voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. Bij de korte en normale procedure is informeel vooroverleg met Waterschap Zuiderzeeland nodig. Voor het ruimtelijk plan zijn drie beleidsthema's van toepassing: Waterveiligheid, Voldoende water en Schoon water. Deze worden per beleidsthema nader uitgewerkt. Op basis van inhoudelijke beoordeling van de ontwikkeling is de normale procedure van toepassing voor de weging van het waterbelang. Thema waterveiligheid
Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een primaire, regionale of overige waterkering. Voor deze onderdelen zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Thema voldoende water
t ep
Wat betreft wateroverlast is het streefbeeld dat het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, op orde is en het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het waterschap streeft als uitgangspunt naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat voldoet aan de normering voor wateroverlast. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. Het plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 4% van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd. Deze bergingsnorm geldt op grond van de Beleidsregel Compensatie toename verharding en versnelde afvoer. Bij de hantering van de bergingsnorm gaat het om het benodigde oppervlak open water op streefpeil. Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen worden bij voorkeur in het eigen plangebied gevonden. Als dit niet mogelijk is, wordt dichtbij het projectgebied compensatie gezocht.
Dit moet binnen hetzelfde peilgebied zijn of eventueel benedenstrooms. De compensatie wordt vóór aanleg van de verharding gerealiseerd. De reeds aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. De situatie van het beheergebied begin 2013 is de nulsituatie, en de compensatieplicht geldt voor de netto toename van het verhard oppervlak vanaf deze nulsituatie. Genoemde beleidsregel wordt herzien met een verwachte vaststelling rond 2027. Daarbij wordt ook de bergingsnorm geactualiseerd in lijn met de meest recente KNMI-klimaatscenario's en neerslagstatistieken. De bestaande bergingsnorm maakt dan plaats voor een methodiek in de vorm van een universele norm die toepasbaar is voor open water én alternatieve waterberging. Voor een klimaatbestendige leefomgeving, nu en
31
in de toekomst, is voldoende ruimte voor water cruciaal. In dit licht vraagt het waterschap initiatiefnemers uitdrukkelijk om nu al uit te gaan van de adviesbergingsnorm, die is gebaseerd op KNMI-klimaatscenario's van 2023 en bijbehorende neerslagstatistiek: 10,2 m³/100 m² toename verhard oppervlak. [Berekening en tekening watercompensatie volgen] Thema schoon water Voor een goede oppervlaktewaterkwaliteit is het streefbeeld dat het grond- en oppervlaktewater leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden biedt voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische en ecologische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Conform de Omgevingswet is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen te brengen in oppervlaktewateren. In bestaande en nieuwe watersystemen wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen van hemelwater worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Daarnaast geldt het principe 'vasthouden, bergen en afvoeren' om afwenteling (wateroverlast) te voorkomen.
nc co
Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat schoon en vervuild hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd, maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Bij voorkeur gebeurt dit door infiltratie in de bodem. Als infiltratie niet kan, dan gebeurt dit door lozing in oppervlaktewater, waarbij vervuild hemelwater vooraf gezuiverd wordt. Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon hemelwater af te koppelen van het rioolstelsel, waarbij het ombouwen van bestaande gemengde stelsels naar gescheiden stelsels een sterke voorkeur heeft.
t ep
Onder schoon hemelwater wordt onder andere verstaan: hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1.000 voertuigen per etmaal, hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen, hemelwater van daken of bebouwing waarbij geen voor het watersysteem schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt, hemelwater van onverhard terrein en hemelwater van centrumgebieden (met uitzondering van marktterreinen). Als het afstromend hemelwater hier niet aan voldoet, gelden op grond van art. 2.12 van de Waterschapsverordening emissiegrenswaarden voor afstromend hemelwater van parkeerterreinen met meer dan 50 parkeerplaatsen en van wegen met meer dan 1.000 vervoersbewegingen per etmaal. Deze emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als het hemelwater een bodempassage doorstroomt die voldoet aan de richtlijnen in de Kennisbank Stedelijk Waterbeheer van Stichting RIONED. Aan lozingen in oppervlaktewater als gevolg van uitlogende bouwmaterialen kunnen bovendien aanvullende voorwaarden worden gesteld. In het voorliggende geval wordt er geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen.
Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet ook rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap wordt vroegtijdig betrokken voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem. Op basis van het overleg met het waterschap is de benodigde omgevingsvergunning verleend voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor het goed omgaan met afvalwater geldt als streefbeeld dat het waterschap door middel van regulering of behandeling van afvalwater zorgt dat negatieve effecten van menselijke activiteiten op de waterkwaliteit zoveel mogelijk teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater wordt voorkomen. Daarbij geldt een voorkeursvolgorde: lozingen in oppervlaktewater voorkomen, afvalwater vergaand hergebruiken, aansluiten op riolering, afvoeren per as, opslaan en gelijkmatig verspreiden over akkerland, of lokaal zuiveren (IBA) en lozen in oppervlaktewater. Bij het afvoeren van afvalwater via de openbare riolering naar een rioolwaterzuivering (AWZI) geldt de randvoorwaarde dat de inrichting van de riolering in een plangebied wordt afgestemd op de infrastructuur van de gemeente en het waterschap.
Aan lokaal zuiveren en lozen van huishoudelijk afvalwater worden minimale afstandscriteria tot de openbare riolering en emissiegrenswaarden gesteld in de Waterschapsverordening. Hiervoor gelden strengere eisen bij lozing in oppervlaktewater met bijzondere bescherming op grond van de 32
Omgevingswet. De lozingsroute van het huishoudelijke afvalwater wordt aangesloten op de bestaande afwatering van de Westwal 2. Het gaat hierbij om een privaat rioleringssysteem dat op het bedrijventerrein is aangelegd en dat aansluit op het publieke rioleringssysteem van de gemeente Urk. Deze lozingsroute is van voldoende omvang voor de verwachte kantooreenheden. Ten behoeve van een goed functionerend watersysteem is het streefbeeld een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het gewenste oppervlaktewaterwaterregime mogelijk. In het hele beheergebied streeft het waterschap ernaar dat de aanwezige functies worden gefaciliteerd door goed en voldoende water. Randvoorwaarden zijn onder meer een watersysteem met grote peilvakken, waarbij nieuwe ontwikkelingen aansluiten op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar watergangen met een minimum aantal duikers of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden, zodat het systeem goed beheerbaar is. De benodigde watercompensatie van tenminste [x]m² maakt deel uit van het reeds vergunde en aangelegde oppervlaktewater rondom de visveiling.
4.7.4 Conclusie Wordt nog aan getoetst.
4.8 Verkeer en Parkeren
nc co
4.8.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd, conform de richtlijnen van de parkeernota van de gemeente Urk: Verstedelijkingsgraad: Matig stedelijk Stedelijke zone: Rest bebouwde kom
t ep
• •
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval wordt van het gemiddelde uitgegaan. 4.8.2
Parkeerbehoefte
De initiatiefnemer heeft een parkeerbehoefte besproken met de parkeercommissie van de gemeente Urk. basis hiervan is het benodigde maatwerk, gezien er meer behoefte is aan vrachtwagenparkeerplaatsen dan autoparkeerplaatsen. Deze berekening is bijgevoegd als bijlage 7 van de motivering. De parkeerbehoefte is volgens de parkeernormen van de gemeente Urk 170 parkeerplaatsen. In de parkeerberekening is uiteengezet waarom hier van afgeweken kan worden; bepaalde functies worden dubbel gebruikt, of worden in de praktijk niet gebruikt. Er worden in totaal 123 parkeerplaatsen gerealiseerd. In de praktijk zullen vrachtwagens gebruik kunnen maken van de nieuwe parkeerplaatsen die aan de westzijde van het perceel worden gerealiseerd. Hiermee wordt er aan de parkeerbehoefte van de voorliggende ontwikkeling voldaan. 4.8.3
Verkeersgeneratie en ontsluiting
Voor de verkeersgeneratie is een berekening aangeleverd door de initiatiefnemer; deze is als bijlage 7 bijgevoegd bij de motivering. Hieronder is beknopt weergegeven wat de (beoogde) verkeersgeneratie is in 1997, 2016, 2025 en 2027: 33
t ep
nc co Afbeelding 4.3
Uiteenzetting verkeersbewegingen visveiling (bron: LCU)
Zoals te zien in de tabel is de totale verkeersgeneratie afgenomen door de jaren heen. Dit heeft te maken met de krimp van de vloot van de vissector, evenals het stroomlijnen van de logistieke keten, grotere vrachtwagens, en de schaalvergroting van de vissector. Dit zorgt voor een afname in verkeersbewegingen van met name vrachtbewegingen. Om toch aan volume te komen wordt er gefocust op diepvries, waar de generatie vanuit vrachtverkeer vandaan komt. Er worden in totaal 1.598 meer verkeersbewegingen verwacht in 2027, waarvan er 886 voor de diepvries zijn. Per weekdagetmaal zijn dit 886 verkeersbewegingen /260 weekdagen = 3,4 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Deze toename in verkeer door de ontwikkeling is goed op te vangen door de omliggende infrastructuur. Ook is er voldoende ruimte aan de diepvries voor vrachtwagens om veilig te lossen en te draaien. 4.8.4
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
34
4.9 Milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-m.e.r. verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Bij de project-m.e.r.-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als is besloten dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt, wordt in ieder geval verwezen naar: 1. 2.
de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
nc co
Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob
Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1.
2. 3.
t ep
het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project; b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
Hoewel de uitbreiding van de vissector wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling, blijkt uit de besproken omgevingsaspecten dat er geen grote nadelige gevolgen zijn voor de omgeving. Omdat de nieuwe ontwikkelingen op grotere afstand van woonwijken plaatsvinden en de ontwikkelingen planologisch aanvaardbaar zijn op de locatie (minus de bouwhoogte) worden mogelijke nadelen voor de leefomgeving op laag ingeschat. De effecten op het milieu zijn hierdoor beperkt en aanvaardbaar. Een aanmeldnotitie-m.e.r. is dan ook niet aan de orde voor dit project.
35
5. Uitvoerbaarheid 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid (vooroverleg / inzage / participatie) 5.1.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Vanwege de omvang en eventuele impact op de omgeving hebben de initiatiefnemers van dit project twee informatieavonden georganiseerd. Bij deze waren enkele omwonenden aanwezig, evenals een aantal bedrijven uit de omgeving. Hierbij werd het plan verkondigd en uitgelegd, en was er ruimte voor vragen en opmerkingen vanuit het publiek op deze uitbreiding. Het verslag van deze avonden is meegenomen als bijlage 8 van de motivering. Voor de eerste informatieavond zijn de volgende partijen op komen dagen: Bewoners aangrenzende woningen:
nc co
• • • •
Domineesweg 32A Domineesweg 32B Domineesweg 32C Domineesweg 32D
Omliggende bedrijven:
EUB Bedrijfswagengarage JP Schilderwerken Top Fish Seafood Flevopallets Quotter B.V. Neerlandia Urk B.V. Brouwer Transport Esso Westwal Urk Rederij L. de Boer & Zonen B.V.
t ep
• • • • • • • • •
Tijdens de bespreking werden praktische vragen gesteld over het ontwerp, zoals de plek van de ingang en de bouwhoogte aan de straatkant. Daarnaast werd er gevraagd of er in de toekomst ook ruimte aan andere bedrijven verhuurd kan worden, hoe het zit met het geluid van de vriesinstallaties en de opslag van warm afvalwater. Tot slot waren er complimenten voor het geplande chauffeursverblijf en werd het hele plan een mooie aanvulling voor Urk genoemd. In de antwoorden werd toegelicht dat een ingang aan de voorkant en direct hoog bouwen aan de straatkant niet worden goedgekeurd door de gemeente; daarom is er gekozen voor een getrapte bouwvorm. Kotra wordt de hoofdhuurder, maar er is ook plek voor andere bedrijven. Geluidsoverlast van de koeling wordt voorkomen door het transport aan de andere kant te houden, de machinekamer inpandig te maken en verdampers op het dak te plaatsen. Tot slot wordt alle restwarmte opgevangen voor hergebruik in de verwarming, eventueel gekoppeld aan het warmtenet.
36
5.2 Economische uitvoerbaarheid Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat in artikel 8.13, 8.14 en 8.15 relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten worden verhaald, is de bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie (artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
t ep
nc co 37
6. Conclusies evenwichtig toedeling van functies aan locaties LCU Urk is voornemens een diepvries opslag met kantoorunits te realiseren om de veranderende vraag naar verse vis te bedienen. Hiermee krijgt de bestaande visveiling de nodige impuls om duurzaam te kunnen blijven groeien. In de voorliggende motivering is aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
t ep
nc co 38
7. Voorsortering opname BOPA in omgevingsplan Het voornemen is al passend binnen de bestaande bestemming en het huidig bouwvlak. Het past enkel niet binnen de aangegeven bouwregels. De bouwhoogte van deze ontwikkeling wordt maximaal 18,7 meter hoog.
t ep
nc co 39
Bijlagen Bijlage 1 Bodem Bijlage 2 Bodemonderzoek PAK Bijlage 3 Archeologie Bijlage 4 AERIUS Bijlage 5 Quickscan natuurwaarden Bijlage 6 Water
nc co
Bijlage 7 Verkeer en parkeren Bijlage 8 Participatie
t ep 40