Programma van Eisen brandweerkazerne Urk.pdf
Tekst van het document
Referentie: 1688602-0005.1.0.
brandweerkazerne in Urk te allen tijde 24 uur, 7 dagen per week en 365 dagen per jaar klaar staat om burgers te voorzien van de basisbrandweerzorg. In de huidige situatie kan de vrijwillige brandweer van Urk deze garantie bieden. Echter, in heel Nederland staat de vrijwillige brandweer onder druk. Om ook in de toekomst deze garanties te kunnen blijven bieden, bestaat de wens om nu al rekening te houden met extra ruimte ten behoeve van twee slaapplekken voor een beperkte gekazerneerde bezetting van de essentiële functies. Totdat deze ruimten ingericht dienen te worden als slaapvoorziening kunnen deze ruimten gebruikt worden als flexibele kantoorruimte. Door de slaapvoorziening logisch te positioneren ten opzichte van de sportvoorziening kan de douche ook gebruikt worden na het sporten. Flexibele schuifwand: ten behoeve van maximale flexibiliteit richting de toekomst is het wenselijk om beide leslokalen te kunnen combineren met de kantine door middel van een flexibele schuifwand. Spiegelwand: minimaal een van de wanden in de sportruimte uitvoeren als een spiegelwand. Huiskamervoorziening: momenteel maakt de huiskamervoorziening onderdeel uit van de kantine.
Om maximale flexibiliteit te garanderen indien brandweerkazerne Urk overgaat naar een gekazerneerde bezetting bestaat de wens grenzend aan de kantine een aparte huiskamervoorziening te realiseren (loungeplek van minimaal 20m²). Overkapping: een gedeelte van het oefenterrein voorzien van een overkapping. Hierdoor kunnen ook in extreme weersomstandigheden oefeningen en cursussen doorgang vinden (mogelijk kan hier in het kader van duurzaamheid een combinatie worden gevonden met een luifel). Extra parkeerplaatsen: het realiseren van extra parkeerplaatsen op de openbare groenstrook aan de voorzijde van de kazerne, twee daarvan uitvoeren met een laadpaal.
Pagina 22 van 39
6. Technisch Programma van Eisen 6.1. Doel en gebruik technisch Programma van Eisen Het globaal technisch PvE omschrijft de technische eisen waaraan het gebouw, het terrein en het uitrustingsniveau van de huisvesting dienen te voldoen. Naast de eerder in paragraaf 2.3 algemene voorschriften die voor het ontwerp van toepassing zijn (zoals het Bouwbesluit), wensen de opdrachtgever en de gebruiker zijn eisen ten aanzien van de technische prestaties op een aantal gebieden nader te specificeren. Dit met als doel een document te presenteren dat voor de ontwerpende partijen voldoende houvast maar ook vrijheid biedt voor goede oplossingen binnen deze gevraagde prestaties die in het bijzonder van belang zijn voor de opdrachtgever en de gebruiker. Het technisch PvE behandelt de volgende onderdelen: Normen, richtlijnen en duurzaamheid ambitie. Bouwfysische prestaties. Bouwkundige prestaties. Werktuigbouwkundige prestaties. Elektrotechnische prestaties. Vaste inrichting. Losse inrichting. Terrein.
Drank- en Horecawet. Het gebruiksbesluit. De eisen van de plaatselijke nutsbedrijven. EG-wetgeving en –regelgeving. Toegankelijkheid van het gebouw overeenkomstig het Handboek voor Toegankelijkheid. HACCP voor de keuken. Politiekeurmerk Veilig wonen.
Eisen die onder de hierboven genoemde regelgevingen vallen, worden inhoudelijk niet benoemd.
6.1.2 Kwaliteitsniveau Uitgangspunt voor de kwaliteit van de nieuwe huisvesting is het actuele Bouwbesluit, aangevuld met de specifiek vermelde eisen in dit PvE.
6.2. Duurzaamheid en circulariteit
6.1.1 Wet- en regelgeving
De gemeente Urk heeft de verplichting om een duurzame brandweerkazerne te maken. Dit komt voort uit de wet- en regelgeving gemeentelijke gebouwen en de voorbeeldfunctie die de Rijksoverheid oplegt aan de Nederlandse overheidsinstanties. De wettelijke kaders ten aanzien van duurzaam bouwen zijn: BENG (verplicht per 1 januari 2021). Erkende maatregelenlijst. Bouwbesluit. Gasloos.
Het (technisch) ontwerp zal aan alle relevante wet- en regelgeving en overige overheidsvoorschriften moeten voldoen. Binnen dit kader vallen onder andere: Wet milieubeheer (Wm). Waterwet. Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet; www.arbobesluit-vo.nl). Wet Geluidshinder (Wgh). Gemeentelijke bouwverordening. Vigerend bestemmingsplan c.q. Wet op de Ruimtelijke Ordening. Bouwbesluit, inclusief alle geldende NEN-normen (www.Bouwbesluitonline.nl). Ministeriële richtlijnen.
Naast de wettelijke kaders ten aanzien van duurzaam bouwen heeft de gemeente Urk een aantal ambities geformuleerd. De wensen en ambities met betrekking tot de nieuwe brandweerkazerne zijn: Energieneutraal bouwen (ENG). Ecologisch bouwen. Losmaakbaarheid. Afvalloos. Hoge mate van reductie milieubelasting materiaalgebruik. 100% bouwmaterialen met lage emissie (schadelijke en vluchtige stoffen).
Referentie: 1688602-0005.1.0.
Pagina 23 van 39
Zoveel mogelijk sluiten materialenkringloop levenscyclus/duurzaamheidskenmerken. Waar mogelijk circulair bouwen (circulaire economie/ecologisch bouwen). Gebruik materialenbank/materialenpaspoort.
Energie De wettelijke eis is bijna energieneutraal gebouw (BENG). De gemeente Urk en Veiligheidsregio Flevoland hebben de ambitie uitgesproken voor energieneutraal bouwen (ENG). Aan de hand van het TRIAS-Energetica moet het ontwerpteam de juiste afwegingen maken om aan deze ambitie te kunnen voldoen. Vanzelfsprekend zal de nieuwbouw ‘gasloos’ zijn.
Afvalloos en losmaakbaarheid zijn twee gebouw gebonden principes die tijdens de ontwerpfase centraal staan. Wens: Energieneutraal Bouwen (ENG) als eis in plaats van Bijna Energieneutraal Bouwen (BENG)
Trias Energetica
Circulariteit (ecologisch bouwen) In de gehele levenscyclus van het gebouw dient de materialenkringloop zoveel mogelijk gesloten te worden door de toepassing van natuurvriendelijke/biobased, niet-vervuilende en recyclebare of gerecyclede materialen die onderdeel zijn van circulaire ketens. Om dit te bereiken moet er in het ontwerpproces, de bouwfase en de gebruiksfase gestuurd worden op toepassing van circulaire principes. Tevens moet het materialenpaspoort opgesteld en bijgehouden worden. Nieuwe materialen en producten hebben een duurzaamheidskeurmerk, wat garandeert dat er geen vergiften in aanwezig zijn, of gebruikt zijn voor de vervaardiging. Het nieuwe gebouw en het terrein bestaat uit een materialenbank als onderdeel van een circulair systeem en is een bron van onderdelen en materialen die te zijner tijd eenvoudig elders toegepast kunnen worden.
Referentie: 1688602-0005.1.0.
Pagina 24 van 39
6.3. Bouwfysische prestaties 6.3.1 Thermische gebouweigenschappen Het klimaat in een ruimte wordt in thermisch opzicht bepaald door de luchttemperatuur, de stralingstemperatuur, de luchtvochtigheid en de luchtbeweging. Het gebouw dient zodanig te worden ontworpen, dat in het gebouw geen koude of warmte (of tocht) ervaren wordt die zodanig is dat het functioneren van de gebruiker daardoor beperkt wordt. Er mogen geen hinderlijke temperatuurverschillen ontstaan. Het ontwerp moet zo zijn dat te hoge temperaturen in de zomer zoveel mogelijk beperkt blijven door het op de juiste manier toepassen van bouwmassa, zonwering en ventilatie.
6.3.2 Geluidtechnische gebouweigenschappen De ruimten in het gebouw dienen zodanig te zijn ingericht en vormgegeven dat zij, gerelateerd aan de activiteiten waarvoor de ruimten zijn bestemd, een optimale akoestiek garanderen bij een lage en een hoge bezettingsgraad. De spraakverstaanbaarheid dient daarbij speciale aandacht te krijgen in ruimten waarin voor grotere groepen gesproken wordt. Een goede spraakverstaanbaarheid is onder meer te bereiken door het voorkomen van hinderlijke reflecties, resonanties en echo’s en door toepassing van geluidsabsorberend materiaal. Externe geluidbelasting De geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie moet voldoen aan het Bouwbesluit.
Interne geluidsisolatie Onderstaande minimaal vereiste luchtgeluidsisolatiewaarden (R’W) tussen genoemde ruimten zijn van toepassing: Omschrijving Tussen kantoorachtige ruimten onderling Vloeren techniekruimten en andere ruimten Overige vloeren
R’W in dB(A) 38 55 50
Tabel 6.3 Interne geluidsbelasting LAeg in dB(A)
Ruimteakoestiek De akoestiek van ruimten wordt voor een groot deel bepaald aan de hand van de nagalmtijd. Er wordt voor de grote ruimten van uitgegaan dat er voldoende geluidsabsorberend materiaal in de vorm van zachte materialen aanwezig is. In de onderstaande globale tabel is voor een aantal ruimten de eis in bandbreedte voor de nagalmtijd aangegeven (meting conform NEN 5077). Omschrijving Kantoorachtige ruimten Vergader- en instructieruimten Verkeersruimten
in seconden 0,5 - 0,7 0,5 - 0,7 0,8 - 1,0
Tabel 6.1 Nagalmtijd in seconden.
Interne geluidbelasting Het maximaal toelaatbare geluidsdrukniveau (LAeq in dB(A)) als gevolg van installatiegeluid mag in de volgende ruimten de genoemde waarden niet overschrijden: Omschrijving Kantoren, leslokalen en after action review ruimte Verkeersruimten Sanitaire ruimten Uitruk gerelateerde ruimten Technische ruimten Tabel 6.2 Interne geluidsisolatie R’w in dB(A)
Referentie: 1688602-0005.1.0.
LAeq in dB(A) 35 40 45 45 70
In alle verblijfsruimten moet de spraakverstaanbaarheid gewaarborgd blijven. De korte nagalmtijd is ook in de verkeersruimten van groot belang.
6.3.3 Zoninval, daglicht en uitzicht Aan verblijfsruimten worden vanuit het Bouwbesluit en de Arbo-regelgeving eisen gesteld ten aanzien van daglichttoetreding en uitzicht. Uitgangspunt is het beperken van energiegebruik (door kunstverlichting) en het creëren van een optimale werkomgeving door optimalisatie van daglichttoetreding. Overmatige zontoetreding dient voorkomen te worden. Kantoorruimten en vergaderruimten aan de zonzijde worden van zonwering voorzien, maar de voorkeur heeft het dit te vermijden door locatie aan de noord(-oost en -west)kant van het gebouw. De remise zodanig voorzien van daglichttoetreding dat het gebruik van kunstlicht wordt beperkt.
Pagina 25 van 39
6.4. Bouwtechnische prestaties
6.4.2 Buitenwanden
In deze paragraaf worden de prestatie-eisen gegeven voor de bouwkundige elementen. Als algemeen uitgangspunt wordt gehanteerd dat de functionaliteit, de flexibiliteit en de vrije indeelbaarheid van het gebouw zo weinig mogelijk tot niet belemmerd dienen te worden door de constructie.
Aan de buitenwanden worden hoge eisen gesteld ten aanzien van materiaaldichtheid, luchtdichtheid, vormvastheid, thermische eigenschappen en geluidseisen. De te reinigen en te onderhouden delen van de gevel dienen met inzet van eenvoudig materieel bereikbaar te zijn. De gevels zelf dienen over vorm- en materiaalvastheid eigenschappen te beschikken, zodat van veroudering geen of beperkt sprake is.
De toe te passen materialen en afwerkingen dienen zoveel als mogelijk te bestaan uit natuurvriendelijke/biobased/circulaire materialen. De financiële haalbaarheid ervan zal in het ontwerpproces nader onderzocht moeten worden. Daarbij dienen de toe te passen materialen en afwerkingen onderhoudsvriendelijk te zijn: Voorkomen van details die een bovengemiddelde vervuiling met zich meebrengen (bijvoorbeeld stofnestvorming op ‘lastige’ plekken of vervuiling als gevolg van neerslag dat zich in gevoelige materialen ‘vreet’). De te reinigen en te onderhouden delen van het gebouw dienen met inzet van eenvoudig materieel bereikbaar te zijn. Slimme positionering en honoreren van de ruimterelaties zorgen voor een efficiënt onderhoudsproces.
6.4.1 Constructie De draagconstructie dient zodanig te worden ontworpen dat de functionaliteit en de herindeelbaarheid zo min mogelijk worden belemmerd. Scheiding van draagconstructie en inbouwpakket is daarbij van belang.
Aandachtspunten buitenwanden, buitenwandafwerking en buitenwandopeningen: De gevels dienen slag- en stootvast te worden uitgevoerd. Het glasoppervlak dient geoptimaliseerd te worden in relatie tot de invallende zonnewarmte, warmteverliezen, daglicht- en uitzichtaspecten. Te openen delen in de verblijfsruimten zijn vereist. Daarbij dient er rekening mee gehouden te worden dat bij gewijzigde indeling van de kantoorruimten deze functionaliteit zoveel mogelijk behouden blijft. Indien noodzakelijk dienen de zonbelaste transparante geveldelen voorzien te worden van buitenzonwering. Aan de zonzijden dient een maximale ZTA-waarde van 0,3 aangehouden te worden. De remise wordt uitgevoerd met elektrisch bestuurbare overheaddeuren of klapdeuren. Overhead-/klapdeuren zijn voorzien van automatische sluitfunctie door middel van sensoren en stoplicht. Waterdichtheid dient te voldoen aan de NEN 2778. Kitvoegen dienen vermeden te worden.
Wens: de constructie demontabel detailleren in het kader van de circulaire economie. Wens: Gevels moeten demontabel zijn en op elementniveau vervangbaar. De constructiehoogte moet zodanig zijn dat de geëiste vrije hoogte in samenhang met de voor de installaties benodigde hoogte kan worden gerealiseerd. Bij het bepalen van de vereiste constructiehoogte en de vereiste hoogte (boven het plafond) voor de installaties moeten de architect en de adviseurs zorg dragen voor een optimaal ontwerp van gebouw, constructie en installatie, waarbij de functionele eisen en de totaalkosten dienen te worden afgewogen. Ten aanzien van de benodigde hoogte boven de plafonds voor de installaties wordt met name aandacht gevraagd voor voldoende ruimte(reservering) voor toekomstige aanpassingen van de installaties en de bereikbaarheid in het kader van beheer en onderhoud in de toekomst.
Referentie: 1688602-0005.1.0.
6.4.3 Binnenwanden Voor binnenwanden gelden de volgende eisen: Dragende wanden zoveel mogelijk situeren ter plaatse van trappen en sanitaire groepen, waarvan verwacht wordt dat de functie vrijwel niet zal wijzigen. Voor niet-dragende wanden gebruik maken van wanden met optimale flexibiliteit ten aanzien van verplaatsbaarheid en herbruikbaarheid, voor zover mogelijk en wenselijk ten aanzien van functionaliteit. Niet-dragende wanden boven het plafond doorzetten tot aan de bouwkundige vloer, ter voorkoming van omloop- en overspraakgeluid.
Pagina 26 van 39
Voor de keuze tussen steenachtige en lichte systeemwanden zal rekening moeten worden gehouden met het gebruik/de functie. Flexibele, verplaatsbare wanden zoals panelenwanden in de aansluiting tussen de vergaderruimten. Waar nodig worden de wanden van achterhout voorzien, dit nader uitwerken in de ontwerpfase. Zoveel mogelijk rekening houden met wifi-doorlatendheid.
Binnenwandopeningen Waar deuren tegen wanden, kolommen etc. kunnen slaan, vloerstoppen of stootrubbers aanbrengen. Stompe massieve deuren toepassen, afgestemd op de specifieke eisen van de wand en/of ruimten waarin deze toegepast worden. Deuren moeten stootvast zijn en afgewerkt met onderhoudsvrij materiaal. De afwerking van een binnendeur moet glad en goed afwasbaar zijn. De binnendeuren dienen een minimale breedte te hebben van 900 mm. Bij intensief te gebruiken deuren of bij bijzondere functies is de dagmaat groter, denk hierbij onder andere aan de hoofdentree, magazijnen en het mindervalidentoilet. Binnenwandafwerkingen Bij de keuze van de wandafwerking dient het onderhoudsaspect (reinigbaarheid) te worden betrokken in relatie tot de functie van de ruimte. De wanden van de sanitaire ruimten voorzien van wandtegels of een andere waterdichte en eenvoudig reinigbare wandafwerking tot aan plafond. Rond uitstortgootstenen wordt ruimschoots voorzien in een tegelwand. Indien toegepast, pleisterwerk voldoende sterk uitvoeren en voorzien van goed te reinigen afwerking. De wanden dienen makkelijk reinigbaar en (indien van toepassing) overschilderbaar te zijn of voorzien te kunnen worden van een andere afwerking. Systeemwanden voldoende robuust uitvoeren; deze dienen bestendig te zijn tegen stoten en trappen. Uitwendige hoeken afronden.
Bij systeemwanden en pleisterwerk hoekbeschermers toepassen. Toepassen van rvs hoekstijlen bij hoeken en deurkozijnen ten aanzien van voorkomen van beschadigingen door regelmatig transport van opslagrekken.
Referentie: 1688602-0005.1.0.
6.4.4 Hang- en sluitwerk
Politiekeurmerk is van toepassing, klasse zwaar. Dit stelt onder meer eisen aan buitendeuren en ramen, evenals aan het terrein en de omgeving. Het sluitplan, tijdens de ontwerpfase, in overleg met de opdrachtgever en de gebruiker opstellen. Alle deuren voorzien van een gelijksluitend elektronisch gecertificeerd sleutelsysteem. In het sleutelplan is eenvoudig op persoonsniveau de autorisatie voor de verschillende werkruimten in te regelen. Het sleutelplan dient integraal uitwisselbaar te zijn met het bestaande sleutelplan van andere kazernes binnen Veiligheidsregio Flevoland (Salto-systeem). Hang- en sluitwerk moet passen bij de zwaarte van de deur (deuren afhangen met minimaal drie scharnieren of paumelles) en berekend op zwaar en intensief gebruik. Buitendeuren voorzien van windvanger en deurstopper (+ vastzethaak/kikker). Specifieke deuren voorzien van deugdelijke deurdranger met sluitvertraging.
6.4.5 Vloeren In de Voorontwerp-fase dient de constructeur de vloerbelastingen voor alle ruimten en gebouwfuncties uit te werken en te verifiëren met de opdrachtgever en de gebruiker. In basis moet voor de aan te houden vloerbelasting worden uitgegaan van het Bouwbesluit, echter met inachtneming van de flexibiliteitseisen. Er dient minimaal met de volgende waarden rekening te worden gehouden. Omschrijving
Belasting in kN/m²
Remise Werkplaatsen
verkeersklasse 30 5,0
Technische ruimten Daken
5,0 1,25
Overige ruimten
4,0
De keuze van de vloerafwerking wordt in de Voorontwerp-fase afgestemd tussen ontwerper en gebruiker, waarbij rekening moet worden gehouden met geldende voorschriften en het toepassingsgebied.
Pagina 27 van 39
Aandachtspunten vloerafwerking: Bij de keuze van de vloerafwerking dienen de stroefheidsklasse, reinigbaarheid, krasvastheid, akoestische effecten, gezondheidsaspecten (allergieën) en duurzaamheid in relatie tot de functie van de ruimte als uitgangspunt te worden gehanteerd. De vloerafwerking in vergader- en kantoorruimten dient een hoge slijtvastheid en een goede stroefheid te hebben. Tevens dient deze bij te dragen aan de gevraagde akoestische eisen en antistatisch en geschikt te zijn voor het berijden met rolstoelen en kleine wagentjes (koffie, magazijngoederen, schoonmaak). In het gebouw géén stofdorpels toepassen. Bij de overgang tussen de verschillende vloerafwerkingen dient rekening te worden gehouden met de eisen ten aanzien van mindervalidentoegang. Alle vloeren op de begane grond moeten antislip zijn (ook met water erop) en zijn eenvoudig te reinigen (borstelen/dweilen/trekken). De vloeren van de remise, opslag oefenmiddelen en milieubezwarende middelen moet voorzien zijn van een vloeistofdichte vloer. Toepassen van schrobputjes of schrobgoten in de remise. Schoonloopmatten toepassen ter plaatse van de ingangen. Voor de trap gelden de volgende eisen: De afwerking dient een hoge slijtvastheid en een goede stroefheid te hebben.
Bij de keuze van de afwerking dienen onderhoudsvriendelijkheid, reinigbaarheid, krasvastheid en duurzaamheid als uitgangspunten te worden gehanteerd. Bij de afwerking dient rekening te worden gehouden met de akoestische werking.
6.4.6 Daken De keuze van de dakvloer dient integraal beoordeeld en afgewogen te worden op basis van onder andere de bouwfysische aspecten, constructieve aspecten, duurzaamheid en de bouwkosten. De studie en het advies dienen ter besluitvorming te worden voorgelegd aan de opdrachtgever. De daken dienen gedimensioneerd te worden op belasting voor wind, sneeuw, water en door verlaagde plafonds (indien van toepassing), eisen aan beloopbaarheid en belasting door montage van installatievoorzieningen zoals zonnepanelen en/of gebruikersvoorzieningen. In de
Referentie: 1688602-0005.1.0.
Voorontwerp-fase dient de constructeur de belastingen hiervoor uit te werken en te verifiëren met opdrachtgever. De locatie en belasting van specifieke installatievoorzieningen bepalen tijdens het ontwerpproces. In het algemeen geldt voor het dak het volgende: Zwaardere daken hebben een hogere milieubelasting, maar ook een beter warmte-accumulerend vermogen. Daarom hebben daken van steenachtige materialen normaliter de voorkeur (en systeemvloeren boven ter plaatse gestort beton). Het toepassen van stalen daken ter plaatse van de kantoren en dergelijke dient om reden van warmteaccumulatie voorkomen te worden. Onderzocht moet worden of een biobased/houten constructie inclusief dakvloer haalbaar is. Als er op het dak installaties komen, moeten deze met tegelpaden (breed minimaal 0,6 m) bereikbaar zijn. Het dak moet van binnenuit bereikbaar zijn. Blijvend afschot van ten minste 15 mm per strekkende meter. Dakopstanden voldoende hoog, ten minste 120 mm. De daken constructief geschikt maken voor de plaatsing en het beheer van zonnepanelen. De dakranden moeten zijn voorzien van valbeveiligingen volgens de checklist ‘Veilig onderhoud op of aan gebouwen 2012’. Voor de dakafwerking zijn de isolatie en de waterdichte afdichting van belang.
Tevens is van belang een niet-brandbare dakisolatie toe te passen en rekening te houden met veiligheidsaspecten voor het werken op het dak en de daarop aangebrachte voorzieningen. Het soort dakbedekking is afhankelijk van de ondergrond en de functie, maar zal mede in het kader van de duurzaamheidsdoelstellingen integraal afgewogen moeten worden op aspecten als de levensduur, kosten, garanties, deugdelijkheid, onderhoud etc. Qua milieubelasting is het het meest interessant om een losliggende dakafwerking toe te passen met ballast. Als ballast kan gekozen worden voor grind. Op het gehele systeem van dakbedekking dient ten minste een verzekerde dakgarantie van 25 jaar gegeven te worden. Voor het hele systeem van dakbedekking dient een dakadvies opgesteld te worden door een erkend en onafhankelijk dakspecialist, inclusief keuringen tijdens de bouwfase.
Pagina 28 van 39
Algemene eisen daklichten: Eventueel aan te brengen lichtkoepels en lichtstraten dienen minimaal dubbelwandig en in slagvast materiaal uitgevoerd te worden. Koepels dienen inbraakwerend gemonteerd te worden.
6.4.8 Bestrating De bestrating dient geschikt te zijn voor verkeersklasse 30. Bestrating ter plaatse van de wasplaats en het oefenterrein vloeistofdicht uitvoeren. Belijning in de bestrating opnemen ter plaatse van de parkeervakken en het uitrukterrein.
Algemene eisen toegankelijkheid dak: Indien er in het ontwerp een dakterras en/of balkon wordt toegepast dat toegankelijk is voor het personeel en/of bezoekers van de brandweerkazerne, dan dient de afwerking en beveiliging van die locatie te voldoen aan de Bouwbesluiteisen en eisen omtrent toegankelijkheid. De vloerafwerking uitwerken voor permanente beloop door mensen en mindervaliden inclusief het plaatsen van los meubilair en plantenbakken.
6.4.7 Plafondafwerking Bij de keuze van de plafondafwerking dient een integrale afweging gemaakt te worden van onder andere de aspecten akoestische kwaliteit, esthetische kwaliteit, bereikbaarheid van installaties, flexibiliteit, kosten, reinigbaarheid, kwetsbaarheid en onderhoud. De hoogten van de ruimten dienen gerelateerd te zijn aan de omvang en de functie van de ruimten. De kwaliteit en de vormgeving van de plafonds en plafondafwerkingen dienen aan te sluiten bij de specifieke gebruiksfunctie van de ruimte. Ruimten waarin verlaagde plafonds worden toegepast bij voorkeur eenvoudig plaatselijk demonteerbaar uitvoeren ten behoeve van bereikbaarheid van installaties boven het plafond en vervangingsonderhoud van plafonddelen. Het plafondsysteem voorzien van bandrasters met drukschotten boven het plafond die voldoen aan de gestelde (akoestische) eisen. In ‘natte’ ruimten dienen waterbestendige plafonds te worden toegepast. In de overige ruimten (gangen, kantoren, vergaderruimten, kantine etc.) worden systeemplafonds toegepast. Bij de toe te passen plafondafwerking dient aandacht te worden besteed aan de akoestische werking.
Referentie: 1688602-0005.1.0.
Pagina 29 van 39
6.5. Werktuigbouwkundige prestaties 6.5.1 Algemeen In deze paragraaf is aangegeven welke prestatie-eisen voor de opdrachtgever en de gebruiker van toepassing zijn. De werktuigbouwkundige installaties dienen te voldoen aan de volgende criteria: Een comfortabel werkklimaat. Inregelbaarheid van temperatuur en lucht op ruimteniveau. Aanpasbaar ten aanzien van het gebruik van het gebouw en de herindeelbaarheid. Energiezuinige toepassingen met een laag onderhoudsbudget. De opstelling van de installaties moet zodanig zijn dat controle en onderhoud eenvoudig uitvoerbaar zijn. De uitvoering dient conform de voorwaarden van nutsbedrijven, keuringsinstituten, overheid etc. te zijn.
minimale gevelopeningen in combinatie met beperkte koeling kunnen deze GTO uren positief beïnvloeden. Bij aanvang van het voorlopig ontwerp dient bepaald te worden voor welke ruimten de GTO eis geldt en wat de maximale GTO uren zijn. Daarnaast dient ook vastgesteld te worden welk referentiejaar van toepassing is voor de berekening. Als ondergrens geldt de RA2008T5.
6.5.3 Relatieve vochtigheid Een relatieve vochtigheid van 30% tot 70% wordt als behaaglijk ervaren. Een relatieve vochtigheid kleiner dan 30% geeft een te droge lucht en kans op kleine irritaties (bijvoorbeeld prikkende ogen). Omdat deze situaties zich normaal gezien niet voordoen, worden geen voorzieningen in de installaties opgenomen voor het corrigeren van de relatieve vochtigheid.
6.5.4 Binnenriolering 6.5.2 Ontwerptemperaturen De installaties mede ontwerpen op een verlaagde nachttemperatuur gebaseerd op een optimaal opstookprogramma vanuit de regelinstallatie. Het ontwerp moet zodanig zijn dat te hoge temperaturen in de zomer zoveel mogelijk beperkt blijven door het op de juiste manier toepassen van bouwmassa, zonwering en ventilatie. Op basis van kengetallen van andere brandweerkazernes bedragen de aanbevolen normtemperaturen:
Alle sanitaire toestellen dienen water-, lucht- en stankdicht aangesloten te zijn op een afvoerleidingsysteem dat aangesloten wordt op het gemeentelijk rioleringssysteem. Er dienen zowel olieafscheiders als vetvangputten geplaatst te worden in de afvoerleidingen de wasplaats. Daar waar noodzakelijk voor het efficiënt schoonmaken van de betreffende ruimten, worden schrobputten geplaatst. De remise dient te worden voorzien van afvoergoten.
6.5.5 Hemelwaterafvoer Omschrijving
Ontwerp binnentemperatuur
Kantoren, leslokalen, kantine, verkeersruimten en centrale hal Keuken
20°C
Remise en werkplaatsen en toiletten Omkleedruimte en doucheruimte Technische ruimten / magazijn / berging
15°C 22°C 10°C
18°C
Bovenstaande temperaturen zijn minimum binnentemperaturen voor de wintersituatie. Voor ruimten die vanuit hun functioneel gebruik voor langere perioden achtereen worden gebruikt geldt in de zomersituatie een maximum gewogen temperatuur overschrijding (GTO). Door bouwkundige voorzieningen, zoals buitenzonwering en
Referentie: 1688602-0005.1.0.
Als binnen het gebouw hemelwaterafvoeren worden opgenomen, moeten deze plaatselijk dampdicht en akoestisch worden geïsoleerd, zodat ze voldoen aan de akoestische eisen van het gebouw. Het hemelwaterafvoersysteem dient uitgevoerd te worden conform de NTR 3216 en NEN 3215. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van de afvoer van hemelwater dient nader te worden onderzocht.
6.5.6 Waterinstallatie Voor de waterinstallatie moet er een waterleidingnet worden aangelegd vanaf de watermeter tot aan de diverse sanitaire aansluitpunten. De sanitaire toestellen, inclusief de wastafels en de uitstortgootstenen, behoren tot de gebouwgebonden
Pagina 30 van 39
installaties.
6.5.8 Sanitaire voorzieningen
In de directe nabijheid van alle sanitaire toestellen en kranen dienen stopkranen te worden voorzien. Daarnaast dient de leidingwaterinstallatie voorzien te zijn van de benodigde beveiligingen c.q. maatregelen (keerkleppen) ten aanzien van het openbare drinkwaterleidingnet, een en ander conform vigerende wet- en regelgeving.
De volgende uitgangspunten worden gehanteerd: Closetcombinaties uitvoeren als vrijhangende closetpotten Urinoircombinaties met schaamschotten. Roestvaststalen wastroggen met koud en warm water. Eén wastafel per twee toiletten en/of urinoirs. Uitstortgootsteen met koud en warm water in de werkkasten. Douchekoppen met koud en warm water. Laarzenschrobmachine in de remise. Wastrog voor vuile uitrusting na uitruk.
Het waterleidingsysteem dient zodanig te worden ontworpen dat delen hiervan, af te stemmen op inrichting en gebruik, onafhankelijk kunnen worden afgesloten zonder dat dit consequenties heeft voor de goede werking van de brandslanghaspels.
Alle kranen en douchekoppen, waar mogelijk is, uitvoeren in een waterbesparende uitvoering. Rekening houden met de eisen ten aanzien van het voorkomen van de ontwikkeling van de legionellabacterie.
Het eventueel gebruik van grijswatersystemen dient nog nader onderzocht te worden.
In de mindervalidentoiletten (alleen voor bezoekers of ook separaat voor personeel) dienen daarvoor bestemd sanitair, een en ander conform het Handboek voor Toegankelijkheid, te worden opgenomen. De combinatie dient te bestaan uit: Een verhoogde closetpot; Een laaghangend reservoir; Twee armsteunen (opklapbaar); Een invalidenwastafel; Een neerklapbare spiegel; Een doktersmengkraan (met warm water); Een signalering; Bediening met trekkoord langs alle wanden.
De tapwaterinstallaties moeten worden aangebracht conform de voorschriften in NEN 1006, waterwerkbladen, en rekening houdend met de aanvullende eisen van het waterleidingbedrijf.
Legionellapreventie Ten behoeve van preventie tegen besmetting van het drinkwater met de legionellabacterie dienen koudwaterleidingen zo ver mogelijk verwijderd gemonteerd te worden van verwarmingsleidingen. Koudwaterleidingen en verwarmingsleidingen mogen niet in dezelfde schacht ondergebracht worden zonder geïsoleerde scheiding. Omdat de brandweer niet dagelijks gebruik maakt van de douches dient te worden voorzien in een automatisch gestuurd en controleerbaar legionella beheer systeem; Daarnaast dient conform de wet- en regelgeving een risico-inventarisatie en legionellabeheersplan door een gecertificeerd bedrijf worden opgesteld;
6.5.7 Brandbestrijding Het gebouw dient te beschikken over de brandblusvoorzieningen die noodzakelijk zijn uit oogpunt van brandveiligheid conform het wettelijke (Bouwbesluit) en brandweereisen.
Referentie: 1688602-0005.1.0.
Bij de keuze van het sanitair dient rekening gehouden te worden met Schoonmaakmogelijkheden. De kwaliteit van het sanitair dient te zijn afgestemd op de functie en uitstraling van het gebouw. De sanitaire toestellen dienen bij voorkeur van keramisch materiaal te zijn. De spoelvoorzieningen zijn in een waterbesparende uitvoering.
Pagina 31 van 39
6.5.9 Liftinstallatie Wens: Een voor mindervaliden toegankelijke lift met een draagvermogen van 1.000 kg, gebaseerd op een vervoerscapaciteit van 15% in 5 minuten. Deze lift moet zich op een logistiek logische plek bevinden, bijvoorbeeld in de nabijheid van de kantine.
6.5.10 Gasinstallatie Voor de nieuwbouw geldt het uitgangspunt dat er geen gas of andere fossiele brandstoffen worden toegepast.
6.5.11 Perslucht Werklucht: in de werkplaatsen en remise wordt, daar waar nodig, een perslucht (werklucht) installatie aangebracht ten behoeve van aansluiting op de voertuigen en het werken met luchtgereedschap.
6.5.12 Warmteopwekking en -distributie Warmteopwekking dient centraal voor het gehele gebouw plaats te vinden, het principe van warmteopwekking dient dusdanig gekozen te worden dat dit de gestelde eisen ten aanzien van minimumtemperaturen en de duurzaamheidsambitie eenvoudig bereikt. In het kader van een comfortabel werkklimaat zal in de Voorontwerp-fase onderzocht moeten worden of koeling noodzakelijk is. In het beginsel wordt uitgegaan van beperkte koeling, inclusief de serverruimte. Geen gebruik maken van aardgas of andere fossiele brandstoffen.
veiligheidsregio Flevoland uitwisselbaar en wordt er flexibiliteit gerealiseerd met het oog op de aanschaf van nieuwe voertuigen. De keuken zal worden voorzien van een afzuigkap. De uitrukgarderobe en de waterongevallenruimten dient te worden voorzien van aanvullende afzuiging/ventilatie ten behoeve van het drogen van gebruikte uitrukkleding.
6.5.14 Regeltechniek De gebouwinstallaties worden aangestuurd door een intelligente thermostaat om efficiënt energiegebruik te stimuleren. In een bedieningspaneel op een nader te bepalen positie in het gebouw dient signalering te worden opgenomen ten behoeve van storing- en onderhoudsmeldingen alsmede bedieningsschakelaars voor overwerk en dergelijke. Alle bedieningen en signalering ten behoeve van de gebruiker zijn duidelijk en gebruikersvriendelijk. Gebruiker moet lokaal toegang hebben tot regelinstallatie zonder afhankelijk te zijn van derden. Verdere eisen met betrekking tot de regelinstallatie dienen in de Voorontwerp-fase in nader overleg te worden bepaald.
6.6. Elektrotechnische prestaties Alle elektrotechnische installaties moeten onverkort voldoen aan de geldende voorschriften, richtlijnen en NEN-normen van overheid en gebruikers van het gebouw. Tevens dienen zij te voldoen aan aansluitvoorwaarden van nutsbedrijven, keuringsinstituten etc.
6.5.13 Ventilatie en luchtbehandelingsinstallaties In de Voorontwerp-fase zal in samenspraak met de installatieadviseur onderzocht worden welk type ventilatie-en luchtbehandelingsconcept het beste bij de gebruiksfunctie past. Bij gebruik van gebalanceerde ventilatie is het van belang om hoog rendement warmteterugwinning toe te passen.
De afzuiging van de uitlaatgassen in de remise wordt voorzien van een centraal aangestuurde afzuiging die in werking treden op het moment dat de overheadpoorten worden geopend. De afzuiging wordt gestuurd doormiddel van een tijdsschakelaar en sensoren (CO-detectie). Hierdoor zijn voertuigen binnen
Referentie: 1688602-0005.1.0.
De installaties moeten onderhouds- en milieubewust worden ontworpen met een hoge graad van bedrijfszekerheid. De opzet en materiaalkeuze van de installaties moet eenvoudig en kwalitatief verantwoord zijn. Ten aanzien van de installaties wordt er een onderscheid gemaakt tussen gebouwgebonden en procesgebonden installaties. Gebouwgebonden installaties zijn de installaties die een normaal gebruik van het gebouw mogelijk maken. Procesgebonden installaties zijn installaties die niet primair het algemeen functioneren van het gebouw betreffen, maar die specifiek gebruik binnen een gegeven ruimte mogelijk maken.
Pagina 32 van 39
Per ruimte is voor de verschillende aansluitingen in de aantallen voorzien die een normaal gebruik van die ruimte mogelijk maken. In de navolgende paragrafen wordt in globale zin omschreven welke elektrotechnische voorzieningen dienen te worden opgenomen.
6.6.1 Centrale elektrotechnische voorzieningen Voor de centrale elektrotechnische voorzieningen gelden de volgende eisen: Middenspanningsruimte bij voorkeur buiten het gebouw plaatsen in verband met brandgevaar. Per verdieping moet een onderverdeelinrichting worden geïnstalleerd. Verdeelinrichtingen dienen eenvoudig zonder verplaatsing uitbreidbaar (minimaal 20%) te zijn. De verdeelinrichtingen in makkelijk toegankelijke ruimten plaatsen. De werkplekken moeten flexibel van opzet zijn. In relatie tot deze eis moet worden onderzocht welke werkplekken worden aangesloten via wandgoten, energiezuilen of vloerpotten. De locatie hiervan zal met het ontwerp nader worden uitgewerkt. In de verdeelinrichtingen dient een nader te bepalen reservecapaciteit aan groepen te zijn. Tevens dient een nader te bepalen reservecapaciteit aan voedingskabels te zijn opgenomen. Er dient een stelsel aanwezig te zijn van horizontale en verticale kabelwegen, voorzien van scheidingsschotten voor krachtstroom, zwakstroom en communicatie-installaties. Alle kabelwegen dienen een nader te bepalen reservecapaciteit te hebben. De bekabeling dient zoveel mogelijk in aaneengesloten kabelwegen te worden aangelegd en in looproutes halogeenvrij te zijn. Computers en de server dienen op een aparte groep te zitten. De keuken dient op een aparte groep te zitten.
Vanuit de hoofdverdeelinrichting worden lokale verdeelinrichtingen per gebouwdeel alsmede de schakel- en verdeelinrichtingen van de diverse gebouwinstallaties gevoed. Schakel- en verdeelinrichtingen moeten zo zijn ontworpen dat er bij de oplevering in de kasten ten minste een nader te bepalen reserveruimte aanwezig is. De elektrische installaties dienen gevoed te worden vanaf een hoofdlaagspanningsverdeler. Vanaf deze verdeler dienen de onderverdeelkasten voor licht- en kracht-
Referentie: 1688602-0005.1.0.
installaties te worden gevoed. Bemetering van het energieverbruik per verdieping en installatiedeel toepassen (kWh), zodat inzicht kan worden geboden in huishoudelijk gebruik en procesgebruik. Voor de lichtinstallatie dienen onderverdeelkasten te worden gerealiseerd per bouwlaag, per bouwdeel en voor de verkeersruimten. Er dient een centrale veiligheidsaarding conform de NEN 1010 te worden aangebracht. De licht- en krachtinstallaties moeten op afzonderlijke hoofdverdeelinrichtingen worden aangesloten. De installaties dienen te voldoen aan de NEN 1010 en de NEN 3140. Noodstroom Het gebouw dient te worden voorzien van een noodstroomaggregaat met no-break. In overleg met de opdrachtgever en de gebruiker dient bepaald te worden welke voorzieningen op het noodstroomaggregaat worden aangesloten. Bij uitval van de reguliere stroomvoorziening dienen in ieder geval de primaire functionaliteit met betrekking tot de patchruimte en de uitruk gewaarborgd te zijn. Het percentage van het nominaal vermogen van het noodstroomaggregaat dient via een inventarisatie van de bedrijfskritische installatieonderdelen nader te worden vastgesteld. In de Voorontwerpfase moet door de installatieadviseur onderzocht worden of de huidige noodstroomvoorziening van het gemeentehuis voldoet als noodstroomvoorziening voor de brandweerkazerne en of deze verplaatst kan worden naar de brandweerkazerne.
6.6.2 Krachtstroom Krachtstroom toepassen ten behoeve van: Regelkasten, de werktuigbouwkundige installaties en brandweergerelateerde installaties. Luchtbehandelingskasten en dergelijke. Overheaddeuren. Werkplaats. Buitenterrein.
6.6.3 Bliksembeveiliging De regelgeving vereist geen bliksembeveiliging. Vanwege het risico van het uitvallen van essentiële functies is het toepassen van bliksemafleiding wel te adviseren.
Pagina 33 van 39
6.6.4 Verlichtingssterkte/armaturen
Van de installatieadviseur wordt verwacht dat hij, samen met de (interieur)architect, in de VO- en DO-fase een lichtplan maakt met een integrale afweging van aspecten zoals uitstraling, lichtkwaliteit, verlichtingsniveau, sfeer, regelbaarheid, (individuele) bedienbaarheid, onderhoud, kosten, energieverbruik, aanpasbaarheid etc.
Bij systeemplafonds dienen energiezuinige duurzame en circulaire led inbouwarmaturen aangebracht te worden, in de overige situaties kunnen opbouwarmaturen worden overwogen.
De noodverlichtingsarmaturen dienen te worden gevoed met onderhoudsvrije accu’s en dienen een hoog rendement te hebben (circa 75%), zodat met een minimumaantal armaturen kan worden volstaan. De nood-/oriëntatieverlichtingsinstallatie dient in decentrale en zelftestende uitvoering te zijn aangebracht. Een deel van de noodverlichting moet ’s nachts branden als nacht- en beveiligingsverlichting. De vluchtwegindicatie-armaturen moeten zijn voorzien van genormaliseerde pictogrammen. De noodverlichting dient te worden uitgevoerd conform de NEN-EN 1838.
Normwaarde van de minimale op het werkblad / de vloer te meten verlichtingssterkte:
6.6.6 Buitenverlichting Omschrijving
Lichtsterkte niveau (Lux)
Kantoren en leslokalen Verkeersruimten
500 150
Centrale hal Kantine - vergaderruimte
400 200 - 400
Keuken
200
Remise en werkplaatsen Sportruimte Sanitaire ruimten Technische ruimten / magazijn / berging
300 300 150 250
Schakelingen Kantoren, overlegruimten en sanitaire ruimten worden voorzien van aanwezigheidsschakelingen met een veegpuls. Voor vergaderruimten is de aanwezigheidssensor te overrulen middels een aan/uit-schakelaar. De verlichting is daarbij daglichtgestuurd, waardoor bij voldoende daglicht het kunstlicht niet wordt ingeschakeld.
6.6.5 Noodverlichting Voor de noodverlichting gelden de volgende eisen: In het gebouw dient, conform regelgeving, een nood/oriëntatieverlichtingsinstallatie te worden aangebracht.
Referentie: 1688602-0005.1.0.
In verband met de functionaliteit, sociale veiligheid en inbraakbeveiliging wordt nabij entrees, poorten terrein, uitrukdeuren, fietsenstallingen en parkeerplaatsen buitenverlichting aangebracht. Tevens wordt een gedeelte van het achterterrein voorzien van verlichting van voldoende sterkte om avondoefeningen mogelijk te maken. De kunstmatige verlichting aan en rondom het gebouw heeft een zodanig niveau dat een optimale uitvoering van het bedrijfsproces mogelijk is en er geen hinder door verblinding of reflectie ontstaat. Het aanlichten van het gebouw voorzien van, voor het gebruik geschikte, kunstmatige verlichting, een en ander te ontwerpen in samenhang met de aanwezige openbare verlichting.
6.6.7 Aansluiting voorzieningen en schakelmateriaal Het gebouw moet worden voorzien van voldoende, veilig, uniform, gebruiksvriendelijk schakelmateriaal en aansluitpunten. De exacte bepaling van locatie, aantal, capaciteit en typen wandcontactdozen en aansluitpunten dat per ruimte benodigd is, moet worden vastgesteld aan de hand van de geldende richtlijnen, voorschriften en in samenspraak met de gebruiker, opdrachtgever en ontwerpende adviseurs. De plaats van contactdozen mag geen belemmering vormen bij de inrichting van ruimten. De montagehoogte van contactdozen in algemene ruimten moet circa 300 mm boven het vloerniveau zijn daar waar niet in een wandgoot of energiezuil geplaatst. In technische ruimten moeten contactdozen worden uitgevoerd in slagvast (spatwaterdicht) materiaal.
Pagina 34 van 39
6.6.8 Communicatie-installatie
6.6.11 Camerabewaking
Onderzocht dient te worden op welke wijze de verschillende communicatie-installaties zo efficiënt mogelijk kunnen worden gecombineerd. Uitgangspunt is een universeel bekabelingssysteem toepassen voor data en telefoon. Het systeem en de server dienen afgestemd te zijn op het regionale netwerk van veiligheidsregio Flevoland.
Voorlopig uitgangspunt is dat bij alle toegangen tot het gebouw en het buitenterrein camera’s geplaatst dienen te worden. Noodzakelijkheid dient nader te worden onderzocht en in een later stadium definitief te worden vastgesteld.
6.6.12 Toegangscontrole Enkele minimale uitgangspunten ten aanzien van infrastructuur zijn als volgt: Iedere werkplek moet zijn voorzien van 2x UTP (CAT6) en 4x WCD. Voor presentaties en vergaderingen zijn de voorzieningen voor audio-, video- en multimediavoorzieningen opgenomen in het ontwerp. Hiertoe data-aansluitingen aanbrengen voor een computer en beamer en overige randapparatuur, evenals 230V aansluitingen. De kazerne is voorzien van een glasvezelverbinding. Het volledige gebouw van wifi voorzien (gasten- en medewerkersnetwerk). Tevens dient in overleg met de gebruiker te worden bepaald waar vaste datapunten voorzien dienen te worden nabij de kantoren en remise. (capaciteit geschikt voor ten minste 30 digitale middelen). Het wifi netwerk maakt communicatie met de mobiele data terminals van de voertuigen mogelijk. De kantine en leslokalen worden voorzien van een eenvoudige geluidsinstallatie met microfoonfunctie. Het mindervalidentoilet zal worden voorzien van een oproepinstallatie. Rekening houden met een vaste telefoonaansluiting voor eventuele alarmdoormeldingen.
6.6.9 Brandmeld- en ontruimingsinstallatie Nader onderzoek is vereist of, als gevolg van de geldende wettelijke eisen en richtlijnen (NEN 2535, NEN 2575, NEN 2654) en de eisen van de brandweer en verzekeraar, een gecertificeerde brandmeld- en ontruimingsinstallatie vereist is.
De entreedeuren van de remise en de terreinpoorten dienen te worden voorzien van elektronisch toegangsbeheersysteem, corresponderend met het regionale systeem van Veiligheidsregio Flevoland (Salto). De overige zones/ruimten van het gebouw dienen voorzien te zijn van een elektronische toegangscontrole, waarbij het mogelijk moet zijn om personen voor bepaalde ruimten te autoriseren.
6.6.13 Verkeersregelinstallatie De voertuigen van de brandweer zijn uitgerust met een KAR-systeem, waarmee de ontsluiting van het terrein en de remise kan worden bediend en, indien noodzakelijk, de verkeerslichten in de openbare ruimte in geval van een uitruk.
6.6.14 Signaleringslichten De overheaddeuren ten behoeve van uitrukmaterieel worden voorzien van stop- en signaleringslichten (rood-groen). Deze verlichting gaat uit wanneer de deur volledig gesloten of geopend is. Tevens dienen de poorten van de uitrukgarage toe worden voorzien van sensoren die controleren of er een voertuig staat. Het landelijke C2000-systeem stuurt de poorten open, maar alleen als er een voertuig staat. Na uitruk dienen de poorten automatisch of manueel gesloten te worden. Signaleringslichten (rood-groen) bij alle poorten binnen en buiten. Bij terugkomen: poorten van de remise te openen via C2000 systeem (KAR) vanuit de auto. Dit geldt tevens voor de schuifpoorten in het hekwerk rond het terrein.
6.6.10 Inbraakbeveiligingssysteem Door middel van passief infrarood detectoren (PIR) zal in een gedeeltelijke bewaking van inbraakgevoelige ruimten en het buitenterrein worden voorzien. Dit systeem dient te voldoen aan de eisen van het communicatiesysteem voor hulpdiensten (C2000).
Referentie: 1688602-0005.1.0.
6.6.15 Signaleringssysteem/informatieverstrekking bij uitruk Alarmen via de centrale worden op vier manieren in de brandweerpost verspreid: Lichtkranten behorende bij het C2000-systeem in de omkleedruimte. Paging systeem (dit is landelijk, en wordt door de Veiligheidsregio zelf voorzien).
Pagina 35 van 39
Via het omroepsysteem. Monitor ten behoeve van brandweerrooster in de remise. (Precom)
Aandacht voor voorzien van flitslichten, zodat ook bij werken met gehoorbescherming duidelijk wordt dat er sprake is van een alarm. Met name in de centrale werkplaats, buitenterrein en remise.
Referentie: 1688602-0005.1.0.
Pagina 36 van 39
6.7. Vaste inrichting
6.9. Vaste inrichting terrein
6.7.1 Keukeninrichting
Onderstaande vaste terreininrichting maakt onderdeel uit van dit PvE: Overdekte fietsenstalling met rijwielrekken. Drie vlaggenmasten. Terreinafscheiding inclusief elektrisch bediende toegangspoort(en). Terreinverlichting. Oefenverlichting. Overige oefenvoorzieningen (nader te bepalen). CCTV Camera’s
De keuken, welke dient te voldoen aan de HACCP-criteria, bevat een keukenblok inclusief: Omschrijving Spoelbak Koelkast Vriezer Afzuigkap Magnetron (combi) Kookplaat (2 pits) Vaatwasser Friteuse
Aantal 1 1 1 1 1 1 1 1
6.7.2 Bewegwijzering
Eenvoudige bewegwijzering en naamplaatbordjes (uitwisselbaar systeem). Een verwijzingsbord bij de ingang. Vaste tekst “brandweer” en logo op of aan het gebouw ontwerpen.
6.7.3 Vaste gebruikersvoorzieningen
In de kantine dient een barmeubel te worden voorzien. Aan de wand gemonteerde garderobehaken met legplateau voor hoeden. Werkbladen aan wanden van werkplaatsen.
6.8. Losse inrichting De losse inrichting wordt door de gebruiker nader bepaald en is niet opgenomen in dit technisch PvE. Losse inrichting die onderdeel uitmaakt van dit PvE: garderoberekken voor uitrukkleding en lockers; zitbanken inclusief kledingrekken ten behoeve van de omkleedruimten toiletrolhouders, toiletborstels en spiegels; in de doucheruimten zitbankjes, kledinghaken en een planchet.
Referentie: 1688602-0005.1.0.
Pagina 37 van 39
BIJLAGEN Bijlage 1: oppervlaktestaat materieel Bijlage 2: Ruimtestaat gebouw Bijlage 3: Ruimtestaat terrein Bijlage 4: Ruimtestaat gebouw (wensen) Bijlage 5: Ruimtestaat terrein (wensen)
Referentie: 1688602-0005.1.0.
Pagina 38 van 39
Colofon Uitgave: Datum:
HEVO B.V. 24 juni 2021
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Contact Statenlaan 8 5223 LA 's-Hertogenbosch
Postbus 70501 5201 CB 's-Hertogenbosch
T +31 (0)73 6 409 409 info@hevo.nl www.hevo.nl
www.rpmbyhevo.nl
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Niets uit deze uitgave mag zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van HEVO B.V. worden gekopieerd, noch aan derden ter inzage worden gegeven
Referentie: 1688602-0005.1.0.
Pagina 39 van 39