CConstaterende datUrk
Koppel je AI →
Document · PDF

Integraal Huisvestingsplan 2025-2045

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente UrkBij agendapunt: Vaststellen Integraal huisvestingsplan 2025-204514.675 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties

Beleidsuitgangspunten In de haalbaarheidsfase van een project is het van belang om, in geval van voorfinanciering door de gemeente, richtinggevende huurafspraken te maken en tussen partijen te laten vastleggen in een intentie-/ samenwerkingsovereenkomst. 7.

Tariefstelling. In de haalbaarheidsfase wordt per project gekeken welke kosten er zijn voor de realisatie van de additionele vierkante meters voor kinderopvang. Deze kosten worden in de huurtarieven van de kinderopvang verdisconteerd. In het geval dat het eigendom ligt bij de school, en de school daarmee optreedt als verhuurder naar de kinderopvangorganisatie, brengt de gemeente de financiering hiervan in rekening bij de school. De school beheert, onderhoudt en verhuurt aan een door haar zelf te kiezen contractpartij.

20

21

5. Analyse en opgaven

het aantal vierkante meters dat beschikbaar is: de brutovloeroppervlakte (bvo).

In dit hoofdstuk worden de huisvestingsopgaven per school benoemd. Eerst wordt een toelichting gegeven op de leerlingenprognose en de gebouwkwaliteit.

Opmerking: dit is een genormeerde ruimtebehoefteberekening. In de praktijk zijn er efficiënte en minder efficiënte gebouwen. Als een school bijvoorbeeld veel gangen heeft, of een grote aula, kan er een genormeerd ruimteoverschot zijn, terwijl dit niet zo wordt ervaren. Er is relatief immers minder effectieve onderwijsruimte. Ook wordt in de praktijk gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot medegebruik of verhuur van ruimten. In het IHP is vanwege het beleidsrijke karakter ruimte voor nuance op de resultaten uit deze ruimtebehoefteberekeningen.

5.1 Leerlingenprognose In de grafieken in deze paragraaf zijn de leerlingenprognoses van de gemeente Urk te zien voor respectievelijk het PO, VO en SBO. De grafieken geven een beeld van hoe de leerlingenaantallen zich in de komende jaren naar verwachting gaan ontwikkelen. De prognoses komen voort uit de opdracht die de gemeente Urk aan ABF-research heeft gegeven. In het PO is vanaf 2024 tot 2044 een toename in het aantal leerlingen van circa 15% zichtbaar. In het VO blijven de leerlingenaantallen de komende jaren relatief stabiel. In het SBO wordt een stijging van het aantal leerlingen verwacht. Dit is in lijn met wat de schoolbesturen in het SBO aangeven. Echter is het een bekend gegeven dat aantallen SBO-leerlingen moeilijk te voorspellen zijn.

Naast het inzichtelijk maken van eventuele ruimtetekorten is de capaciteitsanalyse van belang omdat een eventueel ruimteoverschot de schoolbesturen geld kost voor exploitatie en onderhoud. Schoolbesturen ontvangen een vergoeding voor materiële instandhouding op basis van het aantal leerlingen en niet op basis van het aantal m² in een school. Bovendien vormen ruimteoverschotten een risico voor de gemeente. Als een gebouw geheel leeg komt te staan, zal de eigenaar (het schoolbestuur) dit terug willen geven aan de gemeente. Daarnaast dient de gemeente (op basis van de verordening) te voorzien in oplossingen voor ruimtetekorten, waarmee kan worden verwezen naar leegstand.

5.3 Gebouwkwaliteit Op basis van de verordening is alleen de bouwkundige staat een formeel toetsingscriterium, zie bijlage IV. Voor het IHP is het echter niet alleen de vraag of een pand een goed gebouw is, maar of een pand een goed schoolgebouw is. In de beoordeling van het gebouwenbestand is daarom naast de bouwkundige staat ook gekeken naar onderwijskundige functionaliteit.

Figuur 1: ontwikkeling van geprognosticeerde leerlingenaantallen PO, VO, SBO

5.2 Capaciteitsanalyse Voor alle gebouwen is de beschikbare capaciteit voor het onderwijs geanalyseerd, zie bijlage IV. De capaciteitsanalyse maakt een ruimtetekort of -overschot per gebouw inzichtelijk. De ruimtebehoefte van het onderwijs wordt bepaald door de leerlingen¬telling en de prognose te vertalen naar ruimtebehoefte (op basis van de criteria in de verordening). Deze ruimtebehoefte wordt vergeleken met

Voor de gebouwkwaliteit zijn de uitkomsten aangehouden van de onderzoeken die zijn uitgevoerd voor het Vastgoedplan gemeente Urk (2023). Deze uitkomsten geven een goed beeld van de gebouwkwaliteit, duurzaamheid en eventuele benodigde ingrepen nu en in de toekomst. Om de onderwijskundige kwaliteiten van de schoolgebouwen te toetsen zijn er interviews gehouden met de betreffende schooldirecteuren. Middels deze gesprekken is er een beeld geschetst van de huidige onderwijskundige kwaliteit van de diverse schoolgebouwen. De combinatie van de duurzaamheidsonderzoeken en de individuele interviews met de schooldirecteuren vormen de basis voor de opgavenontwikkeling.

22

Bij het besluit tot vervanging middels (ver)nieuwbouw/renovatie is bij de opgavenontwikkeling ook gekeken naar de afwegingscriteria. Partijen kunnen ook besluiten om op elementniveau (bijvoorbeeld binnenmilieu) los van het natuurlijk vervangingsmoment te investeren.

5.4 Scholenlandschap De diverse scenario’s worden onderbouwd aan de hand van de gebouwkwaliteit en onderwijskundige kwaliteit, de capaciteitsanalyse en overige afwegingscriteria. De scenario’s en prioritering zijn tot stand gekomen in samenspraak met de school¬besturen. Er wordt nog geen afweging gemaakt ten aanzien van (ver)nieuwbouw, renovatie of opheffing (c.q. samenvoeging). Dit vereist bij de uitvoering van het IHP per locatie een gedegen afweging middels haalbaarheidsonderzoeken. De huidige situatie binnen de gemeente Urk is weergegeven middels een scholenlandschap.

23

24

25

6. Opgaveontwikkeling 6.1 Lopende projecten

Conform bovenstaande is het voorstel om De Regenboog te verhuizen naar de locatie waar nu De Vuurbaak gehuisvest is. Dit is een relatief nieuw gebouw. De exacte invulling van het pand dient nader afgestemd te worden (ook in relatie tot de toenemende behoefte aan kinderopvang).

Brede school De Driemaster In de Zeelheldenwijk wordt de nieuwe school De Driemaster gerealiseerd. Dit gebouw zal een basisschool van Rehoboth, kinderopvang en een nevenvestiging van de Zonnebloemschool (speciaal onderwijs) huisvesten.

Door de verhuizing ontstaat de mogelijkheid om de indeling van het gebouw te optimaliseren voor de Rehoboth-scholen. Afhankelijk van de totale ruimtebehoefte is er eventueel ruimte voor kinderopvang (IKC-vorming).

6.2 Termijn 1 (2025-2028)

Termijn

Gebouwmaatregel

2025-2028

Onderzoek inpassing

Koningin Wilhelminaschool

Obadja school Termijn

Gebouwmaatregel

2025-2028

Nieuwbouw

De Koningin Wilhelminaschool blijft behouden op de huidige locatie. Wel wordt rekening gehouden met een mogelijk onderzoek naar de inpassing van de Regenboog op deze locatie.

De Obadjaschool is op dit moment tijdelijk in De Ark gehuisvest. Er is reeds een aanvraag voor nieuwe huisvesting ingediend bij de gemeente. De Obadjaschool krijgt vervangende nieuwbouw in de Zeeheldenwijk. De Vuurbaak, locatie De Regenboog Termijn

Gebouwmaatregel

2025-2028

Renovatie

Uitgangspunt is dat De Vuurbaak verhuist naar de huidige locatie van De Regenboog. In 2014 is het gebouw gerenoveerd; er zijn toen meerdere ruimten toegevoegd, screens geïnstalleerd ter verbetering van het binnenklimaat en de ventilatie is aangepast. Momenteel (2024) wordt het binnenklimaat als onprettig ervaren. Het schoolplein is onlangs vernieuwd en de school wordt goed onderhouden. Het gebouw is overzichtelijk, maar er zijn beperkingen in de mogelijkheden voor buitenschoolse opvang. De Regenboog, locatie De Vuurbaak Termijn

Gebouwmaatregel

2025-2028

Onderzoek inpassing Figuur 2: nieuwe situatie

26

Ds. E. Du Marchie van Voorthuysenschool Termijn

Gebouwmaatregel

2025-2028

Renovatie

De school is gehuisvest in een verouderd gebouw dat onderwijskundig (te weinig kleine ruimten), bouwkundig/technisch en op het gebied van duurzaamheid/ exploitatie niet voldoet aan de gestelde ambities. Het schoolbestuur is genoodzaakt om veel te investeren in het gebouw om de ergste problemen (tijdelijk) op te lossen. Het gebouw dateert uit 1987 en is zowel technisch als onderwijskundig toe aan vernieuwbouw/renovatie. De Ds. E. Du Marchie van Voorthuysenschool dient op korte termijn grondig gerenoveerd te worden. Petrus Dathenusschool Termijn

Gebouwmaatregel

2025-2028

Vernieuwen dak

2029-2032

Onderzoek opstarten naar efficiënter ruimtegebruik (intern)

De Petrus Dathenusschool is een relatief nieuwe school. Er is veel geïnvesteerd in het onderhoud en de verbetering van het binnenklimaat. De huidige staat van het dak is echter problematisch; het dak dient op korte termijn vervangen te worden. Qua ruimte heeft de Petrus Dathenusschool te kampen met een inefficiënte plattegrond waardoor het onderwijs te kampen heeft met een tekort aan lokalen en kleinere (instructie)ruimten. Johannes Calvijnschool Termijn

Gebouwmaatregel

2025-2028

Onderzoek opstarten naar efficiënter ruimtegebruik (intern)

De Johannes Calvijnschool is gehuisvest in een goed functionerend en relatief nieuw schoolgebouw. Recent (2024) is er een nieuw klimaatsysteem geplaatst. Uitgaande van de verordening is er voldoende ruimte binnen de school, echter wordt er wel gebruik gemaakt van tijdelijke huisvesting. Dit heeft mede te maken met het maatwerk onderwijs dat gegeven wordt op deze locatie.

De wens van het schoolbestuur is enerzijds het opheffen van de tijdelijke huisvesting en anderzijds het inpandig aanpassen van de school om te voorzien in meer kleinere ruimten (ten behoeve van het geven van passend en specifiek onderwijs aan kleinere groepen leerlingen). Gezien de omvang van het huidige gebouw, dient onderzocht te worden wat er (inpandig) mogelijk is. De gemeente en het schoolbestuur blijven hierover in overleg.

6.3 Termijn 2 (2029-2032) Berechja College Termijn

Gebouwmaatregel

2029-2032

Renovatie of nieuwbouw

Het Berechja College zit momenteel in een gebouw dat niet flexibel is en nauwelijks aangepast kan worden aan de visie en de onderwijseisen/-wensen van de school. Onlangs is een onderzoek uitgevoerd naar de bouwkundige en onderwijskundige staat van het gebouw. Daaruit blijkt dat vervangende nieuwbouw of renovatie nodig is voor het Berechja College. De ambitie is om kinderopvang toe te voegen in dit gebied op Urk. Frits Bodeschool Termijn

Gebouwmaatregel

2029-2032

Renovatie of nieuwbouw

De school heeft te maken met een ruimtetekort en veiligheidsproblemen (verkeers-kundig). Ook is er een klimaatprobleem; ’s zomers is het te warm. De veiligheids-problemen en het ruimtetekort dienen op korte termijn opgelost te worden. Het gesignaleerde ruimtetekort (op basis van rapportage ABF-research 2022) wordt momenteel niet zo ervaren. Na de realisatie van de nieuwe school in de Zeeheldenwijk dient opnieuw gekeken te worden naar de ruimtebehoefte. Om deze reden is het aan te raden om deze school pas na ingebruikname van brede school De Driemaster te vernieuwen. De school werkt nauw samen met bso Fantaziehuis. Bij eventuele renovatie of nieuwbouw dient rekening gehouden te worden met optimalisatie van de bsoruimte.

27

Cornelis Zeemanschool Termijn

Gebouwmaatregel

2025-2028

Renovatie

De Cornelis Zeemanschool heeft op dit moment een ruimtetekort. Dit tekort wordt als problematisch ervaren en er is reeds aangegeven bij de gemeente dat hier (op korte termijn) een oplossing voor gevonden moet worden. De prognoses van ABF-research 2022 laten een dalend aantal leerlingen zien wat, gecombineerd met de realisatie van de nieuwe school in de Zeeheldenwijk, het ruimtetekort met de tijd naar verwachting zal oplossen. Gezien de leeftijd van het gebouw is het op termijn noodzakelijk om het gebouw te vernieuwen middels renovatie of nieuwbouw te realiseren. Prinses Beatrixschool Termijn

Gebouwmaatregel

2029-2032

Renovatie of nieuwbouw

De Prinses Beatrixschool heeft te maken met een ruimtetekort. Dit wordt mede veroorzaakt doordat er op deze locatie ook cluster 3-onderwijs aangeboden wordt. De verwachting is dat met de realisatie van de nieuwe school in de Zeeheldenwijk een deel van dit tekort wordt opgelost. Er zijn tot op heden veel investeringen gedaan ten behoeve van de kwaliteit van het gebouw. Dit zijn echter veelal tijdelijke oplossingen die op termijn toe zijn aan vernieuwing (een en ander afhankelijk van ontwikkelingen in relatie tot de Zeeheldenwijk).

mogelijk een verbinding te maken tussen het Zorg & Welzijn-onderwijs van het Berechja College, het primair onderwijs van de Groen van Prinstererschool en de toenemende vraag naar kinderopvang. Het NT2-onderwijs is in dit gebouw ondergebracht. Of dat zo blijft, hangt af van de beschikbare ruimte. De definitieve locatie van de nieuwkomersschool zal door het bestuur van schoolvereniging Rehoboth worden vastgesteld bij ingebruikname van brede school De Driemaster. Dr. Maarten Lutherschool Termijn

Gebouwmaatregel

2033-2044

Renovatie of nieuwbouw

Er heeft in 2010 een renovatie plaatsgevonden waarbij onder andere alle kozijnen en ramen zijn vervangen en luchtverwarming is toegepast (inclusief WTW). Het binnenklimaat is op orde en de onderhoudsstaat van de school is goed. De wens is om middels een interne verbouwing meer kleine (instructie)ruimten te realiseren om zodoende het gebouw beter op de onderwijskundige visie te laten aansluiten. Gezien de recente renovatie is het echter niet wenselijk om dit op korte termijn te doen. Na de afschrijvingstermijn van de aanpassingen (>10 jaar) is renovatie of nieuwbouw aan de orde (een en ander afhankelijk van ontwikkelingen in relatie tot de Zeeheldenwijk).

6.4 Termijn 3 (2033-2044) Groen van Prinstererschool Termijn

Gebouwmaatregel

2033-2044

Renovatie of nieuwbouw

Het huidige gebouw voldoet aan het profiel van de school. In 2024 is in het kader van de SUVIS-regeling het binnenklimaat aangepakt. Het binnenklimaat in de school is optimaal en voldoet aan minimaal Frisse Scholen klasse B. Gezien de leeftijd van het gebouw is er op termijn wel vernieuwing nodig. De ambitie is om kinderopvang toe te voegen in dit gebied op Urk. Hierbij is het

28

6.5 Overig Harmpje Visser en Kentalis Enkschool Harmpje Visser en Kentalis Enkschool zijn gehuisvest in een nieuw gebouw. Het gesignaleerde ruimtetekort wordt naar alle waarschijnlijkheid opgelost door de realisatie van brede school De Driemaster in de Zeeheldenwijk. Pieter Zandt Op dit moment sluit het gebouw aan bij de onderwijsvisie. Echter is de verwachting dat er in de toekomst meer kleine ruimten nodig zijn om de aansluiting bij de onderwijsvisie te behouden. Uit de ruimtebehoefteberekening blijkt dat er een verwacht tekort is van 380 m2. Gemeente en schoolbestuur onderzoeken hoe het gebouw verduurzaamd kan worden. Dit is ook opgenomen in de Vastgoednota die is opgesteld door de gemeente Urk. Hierin is budget opgenomen voor de verbetering van het binnenklimaat van Pieter Zandt.

6.6 Samenvatting De figuur op de volgende pagina toont de projecten per termijn. Grijs gemarkeerde projecten zijn maatwerkafspraken tussen gemeente en schoolbestuur en vallen buiten de huisvestingsverordening

29

Figuur 3: overzicht projecten per termijn

30

7. Financiële vertaling

Deze uitgangspunten gaan verder dan het wettelijk verplichte kwaliteitsniveau. De argumentatie daarvoor is als volgt:

De in hoofdstuk 6 gepresenteerde scenario’s voor het VO, PO, (V)SO en SBO worden in dit hoofdstuk voorzien van een financieel kader.

»

BENG is onvoldoende om (voor onderwijshuisvesting) de klimaatdoelstelling van 95% CO2-reductie in 2050 te halen. De gebouwen van nu zullen naar alle waarschijnlijkheid voor 2050 ENG moeten zijn. Om investeringen in de toekomst te voorkomen is de keuze gemaakt om direct ENG te realiseren.

»

In aansluiting op de visie en ambities van gemeente en schoolbesturen is het HEVO kwaliteitsadvies Frisse Scholen toegevoegd. Gezonde huisvesting van leerlingen en leraren is een randvoorwaarde voor een goed schoolgebouw. Het concept van Frisse Scholen omvat de onderwerpen energie, lucht, temperatuur, licht en geluid. Met name het belang van een goede luchtkwaliteit en mogelijk¬heden voor voldoende ventilatie zijn gedurende de coronapandemie duidelijk geworden. Ook de andere aspecten zoals temperatuur, licht en geluid zijn belangrijk voor een gezond binnenklimaat en daarmee voor een prettige en gezonde omgeving waar leerlingen en leraren veel uren op een (school)dag doorbrengen.

»

Onderdelen van de omschreven kwaliteitsambities komen eveneens ten goede aan de geformuleerde visie en de integrale definitie van duurzaamheid: gezonde, circulaire, exploitabele en toekomstbestendige schoolgebouwen. Schoolgebouwen waarin verschillende onderwijsvisies een plek kunnen krijgen, die aanpasbaar zijn naar de toekomst en waar een comfortabele ontwikkelomgeving verzekerd is.

7.1 Gewenste kwaliteit Met behulp van de kostenconfiguratoren van HEVO (door PO-raad en VO-raad erkende instrumenten ter bepaling van de investeringskosten) zijn de geldende investeringsniveaus per vierkante meter bepaald. Daarbij is aangesloten bij de visie. De gewenste kwaliteit is in dit IHP bepaald op basis van de bouwstenen (zie bijlagen II en III voor een uitgebreidere toelichting op energieprestaties en kwaliteitsniveau).

Om niet alleen aan de wettelijke verplichting te voldoen maar om ook voor toekomstbestendige, langdurig bruikbare onderwijsgebouwen te zorgen is de realisatie van deze kwaliteitsuitgangspunten belangrijk en toekomstgericht. Naast deze kwaliteitsuitgangspunten voor het gebouw is door de schoolbesturen en de gemeente Urk ook de duidelijke ambitie uitgesproken om groene en blauwe buitenruimten te realiseren (zie bouwsteen 3, duurzaamheid). Deze ambitie is nog niet financieel vertaald, aangezien de kosten hiervoor sterk afhankelijk zijn van de gekozen uitwerking en de omvang van de buitenruimten. Er wordt aanbevolen de uitgangs¬punten hiervoor in gezamenlijkheid met schoolbesturen en gemeente af te stemmen.

31

7.2 Total Cost of Ownership

regio Urk. Risico’s ten aanzien van de bouwkosten zijn ook te vinden in de algemene prijsontwikke¬ling van bouwprojecten in Nederland en de regio Urk. De kostenconfigurator gaat uit van normale marktomstandigheden voor wat betreft beschikbaarheid van materialen en inschrijvingen van aannemers bij projecten.

De gemeente en de schoolbesturen hebben de intentie uitgesproken om gezamenlijk de gewenste kwaliteit te realiseren. Daarbij streven de schoolbesturen ernaar om binnen hun financiële mogelijkheden een bijdrage aan de projecten te leveren volgens de principes van TCO. Hierbij maken schoolbesturen gebruik van de vergoeding voor materiële instand-houding (mi-vergoeding) die zij ontvangen van het rijk. De gewenste kwaliteit wordt bijvoorbeeld gefinancierd vanuit een verwacht exploitatievoordeel (op energiekosten) gedurende een deel van de levensduur van het gebouw en een besparing op onderhoud aan het bestaande gebouw voorafgaand aan een nieuwbouwopgave (besparing op investeringen in de lopende meerjarenonderhoudsplanning). De schoolbesturen geven aan dat zij aan de voorkant voorzichtig willen zijn in het toezeggen van bijdragen aan TCO. Daarvoor zijn de volgende argumenten benoemd: »

De aanzienlijke tekorten op de vergoeding voor materiële instandhouding.

»

De onzekerheid over het overheidsbeleid ten aanzien van de vergoeding voor materiële instandhouding.

»

De positieve effecten van één nieuw gebouw zijn benodigd voor de negatieve exploitatie van de gehele portefeuille.

»

De hoogte van de onderhoudskosten voor ENG-gebouwen is nog onvoldoende gebenchmarkt.

»

De beperkte eigen financiële middelen en liquiditeit.

Indien er afspraken worden gemaakt ten aanzien van beheersvorm, eigendomsverhouding, samenwerking, exploitatie en financiële geldstromen, dient het effect van deze afspraken op TCO te worden onderzocht. Bijvoorbeeld in het geval dat het schoolbestuur een deel van zijn materiële instandhoudingsvergoeding afdraagt aan de gemeente indien de gemeente eigenaar is.

7.3 Uitgangspunten financiële vertaling onderwijs De overzichten op de volgende pagina’s (tabel 5 en 6) tonen de stichtingskosten. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1.

De kostenconfigurator uit 2024 is gehanteerd. De investeringsbedragen inclusief btw zijn met 3,5% geïndexeerd naar prijspeil 1 januari 2025. Periodieke indexatie op basis van de BDB-index als basis voor de financiële vertaling van dit IHP is noodzakelijk. Het prijsniveau is gebaseerd op de

2. In de stichtingskosten zijn ook diverse honoraria en vaste aanvullende kosten opgenomen. Daarbij is rekening gehouden met de volgende kosten: honoraria (voor ontwerpteamleden: architect, installatieadviseur, constructeur, adviseur bouwfysica en projectmanager; niet voor interne projectleider gemeente), aansluitkosten, heffingen, verzekeringen, beperkte risicoverrekening en onvoorzien. De aanvullende kosten zijn gebaseerd op een eenvoudig gebouw met een compacte gebouwvorm en een daarbij passende voorbereidings- en uitvoeringsplanning. 3.

Bijkomende kosten die locatiegebonden zijn of anderszins niet vallen onder de bouwkosten en bijkomende kosten voor de realisatie van een schoolgebouw zijn niet opgenomen in de financiële vertaling. Per opgave komen er nog diverse kosten bij, wat sterk kan verschillen afhankelijk van de context. De kosten waarmee rekening moet worden gehouden zijn onder andere kosten voor tijdelijke huisvesting, grondkosten, locatiegebonden kosten, kosten voor bouwrijp maken, sloopkosten en asbestsanering, interne kosten voor gemeente/schoolbestuur bijvoorbeeld voor adviezen of projectbegeleiding, kosten voor organisatorische ondersteuning, voorfinanciering kinderopvang, inrichtingskosten (losse inrichting) en verhuiskosten. Ook financieringskosten zoals rentekosten, startkosten of faseringskosten zijn niet opgenomen. Deze kosten kunnen hoog oplopen, zeker als tijdelijke huisvesting benodigd is. Gemiddeld gezien betreft het op een totale opgave van een gemeente (dus over alle schoolgebouwen berekend) 20% van de investeringskosten uit het IHP. Het kan echter zijn dat voor het ene schoolgebouw slechts 10% nodig is en dat het andere schoolgebouw 50% aan extra kosten met zich meebrengt. Dit is met name afhankelijk van de noodzaak tot tijdelijke huisvesting. Deze zijn in dit IHP geschat op 20%. Per opgave worden deze na het IHP nader gespecificeerd en onderbouwd in een haalbaarheidsonderzoek.

4. Er is voor de ruimtebehoefte bij de doorrekening van de investeringskosten uitgegaan van het geprognosticeerde leerlingenaantal in 2039 uit de prognose van ABF-research van 2022; de prognoses worden jaarlijks geactualiseerd. In een haalbaarheidsonderzoek, voorafgaand aan het afgeven van een voorbereidingskrediet, wordt het leerlingenaantal nogmaals herijkt.

32

5.

Binnen de financiële vertaling zijn de verwachte indicatieve investeringskosten per periode van 4 jaar opgenomen.

6. Vooralsnog is voor de investeringskosten voor iedere vervangingsen uitbreidingsopgave uitgegaan van nieuwbouw. In een haalbaarheidsonderzoek zal de afweging tussen (ver)nieuwbouw en renovatie plaatsvinden en worden de daadwerkelijke kosten in beeld gebracht. 7.

Het streven is om projecten te realiseren in de termijn waarin de projecten zijn genoemd. Indien er op projectniveau vertraging ontstaat in een of meerdere projecten, blijft het mogelijk om andere projecten parallel op te pakken.

7.4 Overzicht investeringskosten schoolgebouwen In het onderstaande overzicht, tabel 5, worden indicatieve investeringskosten inclusief btw prijspeil 1 januari 2025 (exclusief kosten voor onderzoek naar verduurzamings¬maatregelen) per termijn weergegeven. Stichtingskosten

Bijkomende kosten

Termijn 1

€ 12.204.555

€ 2.670.911

Termijn 2

€ 4.350.204

€ 8.870.041

Termijn 3

€ 10.338.574

€ 2.067.715

€ 66.893.332

€ 13.608.666

Totaal

€ 80.501.999

Tabel 5: overzicht indicatieve investeringskosten per termijn

33

Tabel 6: overzicht stichtingskosten per termijn en per scenario (inclusief BTW)

34

7.5 De interpretatie van de investeringskosten uit dit IHP In het IHP en het daaropvolgende onderwijshuisvestingsbeleid zijn de kwaliteitsuitgangspunten taakstellend. Deze zijn in samenspraak tussen gemeente en schoolbesturen vastgesteld. De gemeente maakt zich hard voor deze kwaliteits¬uitgangspunten, die zijn omschreven in de visie op onderwijshuisvesting. Het IHP geeft vervolgens een doorkijk naar wat dit betekent voor de investeringskosten. Deze investeringskosten zijn gepresenteerd in de vorm van kengetallen en zijn indicatief. Het doel van het investeringskostenoverzicht in paragraaf 7.4 is om de gemeente en de schoolbesturen inzicht te geven in de financiële omvang van de opgave en hen te helpen bij de voorbereiding van deze opgave. Na afronding van het IHP worden voor de individuele projecten, op het moment dat deze actueel worden, haalbaarheidsonderzoeken uitgevoerd. In deze haalbaarheids¬onderzoeken worden de investeringskosten opnieuw berekend, nu op basis van projectspecifieke kengetallen. In deze fase wordt immers duidelijk voor hoeveel leerlingen en hoeveel vierkante meter daadwerkelijk gebouwd wordt, op welke locatie, in hoeveel bouwlagen etc. Na het haalbaarheidsonderzoek zijn naast de kwaliteitsuitgangspunten uit het IHP ook de berekende investeringskosten taakstellend. Op basis hiervan wordt het definitieve krediet verstrekt.

Vervolgens kan het project daadwerkelijk starten met de definitiefase en daarna de ontwerpfase. Het kan voorkomen dat op basis van investeringskostenramingen en/of aanbestedingen gedurende de realisatie van de opgave het taakstellend budget ontoereikend blijkt te zijn. In dit geval is het mogelijk om het benodigd budget te herijken en terug te gaan naar de gemeenteraad. Dit kan alleen als duidelijk onderbouwd kan worden dat het taakstellend budget uit het haalbaarheidsonderzoek ontoereikend is om de taakstellende kwaliteitsuitgangspunten te realiseren.

35

8. Vervolg IHP Bij de uitvoering van het IHP dient rekening gehouden te worden met een aantal processtappen en uitgangspunten.

investeringskosten en geïnventariseerde risico’s inclusief een raming van locatiegebonden en project¬specifieke kosten. »

De financiering van energieneutraliteit te concretiseren.

»

Na vaststelling van het IHP starten gemeente en schoolbesturen met het opstellen van een uitvoeringsprogramma. Dit programma bestaat uit twee hoofdonderdelen:

Participatie en inspraak te organiseren voor doelgroepen als kinderopvang, maatschappelijke partners, leerlingen, leraren, ouders, bedrijven en omwonenden.

»

Aandacht te besteden aan gebiedsontwikkeling en vergroening van de buitenruimten.

1.

Afspraken programmaniveau: het inrichten van een organisatie en het maken van procesafspraken voor de realisatie van het uitvoeringsprogramma (1e termijn). Hierin worden onder andere de eisen aan de haalbaarheidsonderzoeken vastgelegd, de methode van evaluatie en monitoring van projecten en de borging van kwaliteit en planning. Ook worden hierin afspraken gemaakt over de (financiële) uitgangspunten voor een haalbaarheidsonderzoek en het afgeven van kredieten door de gemeente. Ook kan er een uniforme wijze waarop gemeente en schoolbesturen samenwerken in de realisatie van projecten ontwikkeld worden. Daarbij worden gezamenlijke keuzes gemaakt over de mate van regie en autonomie van beide partijen, van initiatief- tot realisatiefase. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het inbouwen van toetsen instemmingsmomenten voor de gemeente op het moment dat het schoolbestuur bouwheer is.

»

De verantwoordelijkheid voor het bouwheerschap te bepalen.

»

Een goed uitgangspunt te bieden om een Programma van Eisen op te starten.

2. Afspraken projectniveau: er wordt een programmering gemaakt voor de volgordelijkheid van projecten. Denk aan beschikbare locaties, tijdelijke huisvesting en het bundelen van projecten op onderdelen zoals haalbaarheidsonderzoek, Programma’s van Eisen, techniek en/of aanbestedingen. Dit is een verdere uitwerking van paragraaf 7.4, overzicht investeringskosten schoolgebouwen.

8.1 Opstellen uitvoeringsprogramma en haalbaarheidsonderzoek

Als het uitvoeringsprogramma is vastgesteld, kan gestart worden met de initiatieffase van projecten door haalbaarheidsonderzoeken uit te voeren. In de haalbaarheids¬onderzoeken worden projecten geconcretiseerd en geactualiseerd. Dit is de fase voordat een project wordt opgestart. De haalbaarheidsonderzoeken hebben als doel om: »

Definitieve leerlingenaantallen per project te bepalen.

»

Een definitieve keuze te maken tussen (ver)nieuwbouw of renovatie.

»

Een haalbaarheidsonderzoek inzichtelijk te krijgen met daarin de bekende

Concreet dienen de volgende stappen te worden ondernomen naar aanleiding van het IHP: »

Opstellen van het uitvoeringsprogramma als benoemd in deze paragraaf, binnen de gemeente ook bekend als huisvestingsprogramma.

»

Bespreken van de stand van zaken rondom realisatie van het IHP in het OOGO.

»

Opstarten initiatieffase projecten voorfase en periode 0-5 jaar.

»

Opstarten definitiefase en Programma’s van Eisen.

»

Opstarten ontwerpfase.

»

Aanbesteding en realisatie.

»

Exploitatie- of gebruiksfase.

8.2 Risicoparagraaf Dit IHP is opgesteld onder de wet- en regelgeving zoals deze geldt op het moment van opstellen daarvan. Echter, wet- en regelgeving is onderhavig aan voortschrijdend inzicht; zo ook de wetgeving met betrekking tot het huisvestingsstelsel voor het funderend onderwijs in Nederland. Bij (substantiële) wijzigingen van bijvoorbeeld het genoemde stelsel, de Algemene Uitkeringen van het gemeentefonds, de wijze van bepalen van normbedragen, wijzigingen ten aanzien van Bbl, bouwkosten, energieakkoorden of enig andere substantiële ontwikkeling, kan het nodig zijn om dit IHP (op onderdelen) aan te passen aan de dan geldende realiteit en mogelijkheden.

36

8.3 Richting geven aan duurzaamheid en binnenklimaat Door vaststelling van het IHP krijgen schoolbesturen zicht op de vervangingstermijnen van hun gebouwen. Dit stelt schoolbesturen in staat om vanuit hun verantwoordelijk¬heid voor onderhoud en exploitatie te investeren in duurzaamheid en het binnen¬klimaat. Daarbij kan met name worden ingezet op duurzaamheidsmaatregelen waarbij de terugverdientijden de vervangingstermijn niet overschrijden. Zo gaan investeringen in duurzaamheid niet ten koste van middelen voor onderwijs. Ook kunnen school¬besturen het binnenklimaat verbeteren. De tussentijdse verduurzaming en verbetering van schoolgebouwen is daarmee een verantwoordelijkheid van de schoolbesturen; dit kan worden verwerkt in de meerjarenonderhoudsplanning van de gebouwen. Voor onderzoek en aanpassing van het binnenmilieu heeft de gemeente formeel geen zorgplicht. Gemeente kiest ervoor een reservering op te nemen voor het uitvoeren van nadere onderzoeken ten behoeve van het binnenmilieu in een aantal gebouwen.

37

38

39

Bijlage I Dit hoofdstuk gaat in op de beleidskaders die gelden voor het IHP: de wettelijke taak van gemeenten en schoolbesturen op het gebied van onderwijshuisvesting en relevante ontwikkelingen. Zorgplicht Gemeenten hebben op het gebied van onderwijshuisvesting de zogeheten zorgplicht. De onderwijswetgeving stelt dat een gemeente dient te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het primair onderwijs (PO), (voortgezet) speciaal onderwijs ((V)SO) en voortgezet onderwijs (VO). De voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is zijn vastgelegd in de wetgeving. Daarbij gaat het onder andere om (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en herstel van constructiefouten. Het onderhoud (binnen- en buitenkant) en de exploitatie van schoolgebouwen is de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Renovatie is (vooralsnog) niet wettelijk geregeld. Hetzelfde geldt voor vernieuwbouw. Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs De uitvoering van de zorgplicht wordt geregeld via een juridisch instrument, de verordening. Op grond van de Gemeentewet (artikel 149), de Wet op het primair onderwijs (artikel 102), de Wet op de expertisecentra (artikel 100) en de Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 76) is de gemeenteraad verplicht bij verordening een regeling vast te stellen.

De verordening bevat de basis van het onderwijshuisvestings¬beleid en regelt uitgangspunten voor onder andere de voorzieningen die schoolbesturen jaarlijks kunnen aanvragen bij een gemeente, criteria voor het toetsen van deze aanvragen en procedurele afspraken. Eigendom Schoolbesturen hebben het (juridisch) eigendom van een schoolgebouw met de daarbij behorende ondergrond. Dit houdt in dat een schoolbestuur als eigenaar van een schoolgebouw en ondergrond juridisch aansprakelijk is. Als een schoolbestuur geen gebruik meer maakt van het gebouw, valt het gebouw om niet terug in het juridisch eigendom van de gemeente. De reden hiervoor is dat de gemeente het gebouw en de ondergrond heeft bekostigd. De gemeente heeft dus het economisch claimrecht. Schoolbesturen kunnen vanwege hun positie een gedeelte van het gebouw in medegebruik (voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden) geven aan instellingen die uit de openbare kas worden bekostigd met een ideëel doel. Verhuren is mogelijk

als de gemeente daar, met inachtneming van de verordening, voorafgaand toestemming voor geeft. Kinderopvang Op 1 januari 2018 is de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk in werking getreden. Daarbij zijn kinderopvang en peuterspeelzalen geharmoniseerd, waardoor men tegenwoordig spreekt van peuteropvang. Voor de peuteropvang is daarbij een landelijk kwaliteitskader ingevoerd dat grotendeels gelijk is aan de kinderopvang. De GGD is aangesteld als toezichthouder op de kwaliteit voor zowel de kinderopvang als peuterspeelzalen. Daarnaast is er met de invoering van de Wet OKE voor gemeenten een verplichting gekomen om voldoende aanbod vroeg- en voorschoolse educatie (VVE) te realiseren, waarbij de financiële drempels voor ouders van doelgroepkinderen zo laag mogelijk moeten zijn. Huidig stelsel De huidige rolverdeling (waarbij gemeenten verantwoordelijk zijn voor nieuwbouw en schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor onderhoud, aanpassing en exploitatie) vertoont tekortkomingen. Het stelsel biedt beide partijen theoretisch de mogelijkheid om de eigen uitgaven te beperken. Gemeenten kunnen eigen uitgaven beperken door relatief goedkope gebouwen neer te zetten, met als gevolg hoge onderhouds- en exploitatiekosten. Schoolbesturen kunnen de eigen uitgaven beperken door weinig te investeren in onderhoud en eerder nieuwbouw aan te vragen bij de gemeente.

Daarbij komt dat een aantal zaken, zoals bekostiging als gevolg van aangescherpte eisen in het Bbl en maatschappelijk wenselijke voorzieningen waaronder op het gebied van duurzaamheid, en de voorziening renovatie/ vernieuwbouw, niet geregeld zijn. Wetsvoorstel stelselwijziging Op 15 december 2016 hebben de PO-raad, de VO-raad en de VNG een gezamenlijk voorstel gestuurd aan toenmalig staatssecretaris Sander Dekker om de tekortkomingen in het huidige stelsel voor onderwijshuisvesting op te lossen. Het uitgangspunt van dit voorstel is dat gemeenten en schoolbesturen een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de (kwaliteit van de) huisvesting van scholen. Op 9 mei 2018 is het verder uitgewerkte voorstel gepubliceerd door PO-raad, VO-raad en VNG. Inmiddels is het voorstel ook formeel door de VNG goedgekeurd. Het voorstel is in 2018 formeel aan de minister aangeboden.

40

Het voorstel pleit voor aanpassing van het stelsel om een aantal van de geconstateerde tekortkomingen op te heffen. Daarbij worden de nadelen van de scheiding van de financiële middelen zoveel mogelijk opgeheven. Gemeenten en schoolbesturen komen in een meer gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar. Belangrijke elementen uit het voorstel zijn: »

De in de wet beschreven jaarcyclus voor aanvragen onderwijshuisvesting wordt vervangen door een langere periode, waarin gemeenten na overleg met betrokken schoolbesturen het huisvestingsbeleid en het investeringsprogramma voor een periode van 4 jaar vastleggen in een meerjarenprogramma (IHP), met een doorkijk tot ten minste het 16e jaar.

»

De mogelijkheid om renovatie als volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw in te kunnen zetten. Renovatie moet worden opgenomen als voorziening in de wet. Renovatie dient daarbij te leiden tot een startsituatie (of startconditie) die in functioneel en kwalitatief opzicht gelijkwaardig is aan nieuwbouw en gericht is op levensduurverlenging van ten minste 25 jaar.

»

Het investeringsverbod voor het PO en (V)SO wordt zodanig aangepast dat het overeenkomt met de betreffende bepalingen uit de Wet op het voortgezet onderwijs. PO- en (V)SO-besturen krijgen daarmee de mogelijkheid om in huisvesting te investeren.

»

De concretisering van het Huisvestingsvoorstel van de sectorraden en de VNG gaat uit van het handhaven van de huidige financieringsstromen. Aanvullend kan de versoepeling van het investeringsverbod leiden tot een gezamenlijke financiering die de kwaliteit van onderwijshuisvesting kan vergroten dan wel het moment van investeren kan vervroegen.

Op het gebied van de te behalen doelstellingen is de opdracht aan de sectoren om: »

Te komen tot een gebouwgebonden CO2-reductie van 49% in 2030 ten opzichte van de situatie in 1990.

»

Te komen tot een gebouwgebonden CO2-reductie van 95% in 2050 ten opzichte van de situatie in 1990.

Naast de doelstellingen op het gebied van CO2-reductie, hebben de beide sectorraden daaraan toegevoegd dat een duurzaam schoolgebouw een schoolgebouw is dat optimaal ten dienste staat van het onderwijs dat erin aangeboden wordt. Een goed binnenklimaat resulteert in een hoger leerrendement en minder ziekteverzuim. Een schoolgebouw is daarmee niet alleen duurzaam voor wat betreft de CO2-uitstoot of het energieverbruik; het is een gebouw dat aansluit bij de onderwijskundige visie van de school, past bij het aantal leerlingen en toekomstbestendig is bij veranderingen. De doelstellingen zijn als volgt: Doelstelling

Referentiejaar 1990

CO2-reductie 2030

49,0%

CO2-productie 2030

51,0%

CO2-reductie 2050

95,0%

CO2-productie 2050

5,0%

Vooruitlopend op de kaders van de vigerende wetgeving streeft de gemeente Urk ernaar mee te gaan met deze ontwikkeling. Ontwikkeling klimaatakkoord In het klimaatakkoord is vastgelegd dat de PO-raad en de VO-raad sectorale routekaarten, behorende bij de klimaatopgave, dienen door te rekenen naar een CO2-arme gebouwenvoorraad. HEVO heeft deze doorrekening uitgevoerd. Deze doorrekening richt zich enerzijds op de effectiviteit van mogelijke scenario’s op de totale reductie van gebouwgebonden CO2-productie en anderzijds op de kosten-effectiviteit van de verschillende maatregelen die op de gebouwenvoorraad kunnen worden toegepast.

41

Bijlage II: energieprestaties Onderstaand de verschillende definities van energieprestaties van gebouwen: BENG (bijna energieneutraal gebouw) Bij een BENG-gebouw worden gebouwgebonden energieverbruik en energieopwekking met elkaar vergeleken. Een BENG-gebouw kent een hoger energieverbruik in verhouding tot de energieopwekking. Door de toepassing van de norm NTA8800 wordt getoetst of het gebouw voldoet aan de BENGeisen, die sinds 1 januari 2021 wettelijk verplicht zijn. ENG (energieneutraal gebouw) Het gebouw heeft volgens NEN 7120 een EPC van nul. Alleen het gebouwgebonden energieverbruik op jaarbasis telt mee en is nul1. NOM (Nul op de Meter) Om een NOM-gebouw te realiseren moet er naast de energie die benodigd is voor de gebouwgebonden installaties ook gekeken worden naar het algemeen energieverbruik door de gebruikers. Bij een NOM-gebouw zijn het totale energie-verbruik en energieopwekking in balans. Door verschillen in de kosten voor inkoop van energie en vergoeding voor teruglevering aan het net kent een NOM-gebouw alsnog kosten voor energie. Klimaatneutraal Klimaatneutraal wil zeggen dat bepaalde activiteiten (al dan niet binnen een bepaald gebied of op een bepaalde plek) geen positief of negatief effect hebben op het klimaat.

Het begrip ‘klimaatneutraal’ wordt vooral gebruikt om aan te geven dat bepaalde activiteiten geen negatief effect hebben op het klimaat, waarmee men wil zeggen: geen emissie van CO2 en andere broeikasgassen2.

1 2

https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/algemene-begrippen https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/algemene-begrip pen

42

Bijlage III: kwaliteitsadvies Frisse Scholen

43

Bijlage IV: capaciteitsanalyse

44

45

46

47

48

49

50

51

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Urk&id=b176c127-6380-4d8f-bf2a-423feb832f8e