CConstaterende datUrk
Koppel je AI →
Document · PDF

Integraal Huisvestingsplan 2025-2045

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente UrkBij agendapunt: Vaststellen Integraal huisvestingsplan 2025-204514.675 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Integraal Huisvestingsplan 2025-2044 7 april 2025

Inhoudsopgave Voorwoord

3

Inhoudsopgave

2

1. 1.1 1.2 1.3

Inleiding Doelstelling Aanpak Leeswijzer

3 3 3 3

2. 2.1 2.2

Landelijke en lokale ontwikkelingen Landelijke context Uitdagingen voor Urk

4 4 4

3. 3.1 3.2 3.3

Onderwijslandschap gemeente Urk Primair onderwijs Voortgezet onderwijs (Voortgezet) speicaal onderwijs/speciaal basisonderwijs

5 5 5 5

4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

Visie en beleidsambities Visie op onderwijshuisvesting Bouwsteen 1: beleid en regie Bouwsteen 2: Kwaliteit Bouwsteen 3: duurzaamheid Bouwsteen 4: capaciteit Bouwsteen 5: samenwerking Bouwsteen 6: (I)KC-beleid

7 7 8 10 12 14 16 18

5. 5.1 5.2 5.3 5.4

Analyse en opgaven Leerlingenprognose Capaciteitsanalyse Gebouwkwaliteit Scholengemeenschap

22 22 22 22 23

6. 6.1 6.2 6.3

Opgavenontwikkeling Lopende projecten Termijn 1 Termijn 2

26 26 26 27

6.4 6.5 6.6

Termijn 3 (2033-2044) Overig Samenvatting

28 29 29

7. 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5

Financiële vertaling Gewenste kwaliteit Total Cost of Ownership Uitgangspunten financiële vertaling onderwijs Overzicht investeringskosten schoolgebouwen De interpretatie van de investeringskosten uit dit IHP

31 31 32 32 33 35

8. 8.1

Vervolg IHP Opstellen uitvoeringsprogramma en haalbaarheidsonderzoek Risicoparagraaf Richting geven aan duurzaamheid in binnenklimaat

36 36

8.2 8.3

36 36

Bijlage I: wettelijke en beleidskaders

40

Bijlage II: energieprestaties

42

Bijlage III: kwaliteitsadvies Frisse Scholen

43

Bijlage IV: capaciteitsanalyse

44

2

1. Inleiding

»

Biedt een meerjarenperspectief waarop het eigen (investerings)beleid van de schoolbesturen kan worden afgestemd.

De gemeente Urk heeft samen met schoolbesturen en kinderopvangorganisaties voorliggend Integraal Huisvestingsplan (IHP) opgesteld voor de huisvesting van het primair onderwijs (PO), voortgezet onderwijs (VO), speciaal onderwijs (SO), het speciaal basisonderwijs (SBO) en kinderopvang (kinderdagverblijf, peuteropvang en buitenschoolse opvang). In dit plan worden de kaders vastgesteld waarbinnen de gemeente Urk, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties samenwerken aan goede, toekomstbestendige huisvesting. Goede onderwijshuisvesting is immers een randvoorwaarde voor goed onderwijs.

»

Vormt het beleidskader voor het onderwijshuisvestingsbeleid voor de periode 2025-2044. Het IHP wordt elke 4 jaar herijkt, zodat het beleidskader blijft aansluiten bij de vragen en behoeften van dat moment. De eerste twee termijnen van het IHP omvatten een periode van 8 jaar.

De noodzaak tot samenwerking komt primair voort uit de gedeelde verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting; de gemeente heeft een zorgplicht voor onderwijshuisvesting voor onder andere nieuwbouw en uitbreiding en schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud en de exploitatie. In dit IHP zijn de verantwoordelijkheden van de gemeente en de schoolbesturen op elkaar afgestemd.

1.2 Aanpak Het IHP is samen met gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties ontwikkeld. Daarbij zijn gezamenlijk de volgende stappen doorlopen: »

Stap 1: om te komen tot een gezamenlijke visie zijn in diverse bijeenkomsten met de schoolbesturen, kinderopvangorganisaties en gemeente ambities gedefinieerd en wensen geïnventariseerd.

»

Stap 2: het gebouwenbestand van de onderwijshuisvesting en huisvesting van de kinderopvangorganisaties in de gemeente Urk is in beeld gebracht. Er zijn een capaciteitsanalyse en een kwaliteitsanalyse uitgevoerd. Deze zijn met de partijen gedeeld en vastgesteld.

»

Stap 3: op basis van de analyse van het gebouwenbestand en aanvullende afwegingscriteria gebaseerd op de visie zijn opgaven geformuleerd.

»

Stap 4: op basis van de opgaven is een financiële vertaling gemaakt. Vervolgens zijn de fasering én de financiering van de realisatie van de visie en de opgave bepaald.

»

Stap 5: de output uit alle stappen is samengebracht in dit Integraal Huisvestingsplan 2025-2044.

1.1 Doelstelling Het IHP bepaalt op basis van visie, gerichte analyse, opgavenontwikkeling en financiële vertaling de kaders waarbinnen de gemeente Urk, samen met de schoolbesturen, investeert in de onderwijshuisvesting. Een strategisch IHP stelt gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn toekomstbestendige keuzes te maken en een proactief (investerings)beleid te voeren. Het IHP geeft voor de eerste twee termijnen, twee keer 4 jaar (2025-2028 en 2029-2032) concreet aan wat de opgave is en geeft een doorkijk voor de langere termijn (2033-2044). In aanvulling op de werkwijze (uitsluitend) op basis van de verordening, voegt het IHP een proactief onderwijshuisvestingsbeleid toe. In formele zin laat de gemeente hiermee zien op welke wijze zij haar zorgplicht, op grond van de taak die zij heeft in het voorzien van huisvesting voor het funderend onderwijs, wenst in te vullen (zie bijlage I voor extra informatie over de beleidskaders op het gebied van onderwijshuisvesting). Het IHP: »

Stelt gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn strategische keuzes te maken en proactief beleid te voeren.

1.3 Leeswijzer Na dit eerste inleidende hoofdstuk, komen in hoofdstuk 2 landelijke en lokale ontwikkelingen aan bod. Hoofdstuk 3 beschrijft het onderwijslandschap van de gemeente Urk. Hoofdstuk 4 gaat in op de visie en beleidsambities. Hoofdstuk 5 beschrijft de analyse en opgavenontwikkeling die in hoofdstuk 6 wordt gebruikt voor de opgave ontwikkeling. Hoofdstuk 7 voorziet de opgaven uit hoofdstuk 6 van financiële uitgangspunten en een financiële vertaling. In hoofdstuk 8 zijn een aantal processtappen en uitgangspunten vermeld waar rekening mee dient te worden gehouden bij de uitvoering van het IHP.

3

2. Landelijke en lokale ontwikkelingen 2.1 Landelijke context Op landelijk niveau krijgt onderwijshuisvesting steeds meer aandacht. In het rapport van de Rijksbouwmeester uit 20091 werd reeds geconstateerd dat de gebouwenvoorraad in het funderend onderwijs sterk verouderd is, vaak een slecht binnenklimaat heeft en niet duurzaam is. In 2011 concludeerde ook het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat het binnenmilieu in de scholen vaak onder de maat is; uit verschillende onderzoeken kwam naar voren dat de CO2-concentraties in Nederlandse scholen vaak te hoog zijn. In 2016 concludeerde de Algemene Rekenkamer2 daarnaast dat het tempo waarin schoolgebouwen worden vervangen te laag is; schoolgebouwen staan gemiddeld 69 jaar voordat ze vervangen worden. In het onderzoek van de Algemene Rekenkamer is ook de tevredenheid van leraren over hun schoolgebouwen onderzocht. Leraren bleken ontevreden te zijn over een aantal aspecten van de huisvesting; zij vonden vooral de temperatuur en de luchtkwaliteit onvoldoende. Ook gaf een meerderheid van de ondervraagde leraren aan dat het schoolgebouw geverfd, opgeknapt of gerenoveerd moet worden.

Mede door de coronapandemie is ook het onderwerp gezonde gebouwen in een stroomversnelling terechtgekomen. Zo is de realisatie van gezonde scholen met een groen plein eromheen van steeds groter belang om bewegend leren te stimuleren. In 2021 heeft er op landelijk niveau ook nog een Interdepartementaal Beleidsonderzoek5 plaatsgevonden waarin, los van de opgave, er ook forse kritiek is geuit op het functioneren van het stelsel. Die kritiek bestond uit de volgende punten: er zijn geen eenduidige eisen voor onderwijshuisvesting, er is een gebrek aan koppeling tussen bouwkosten en budgetten, er is onvoldoende expertise bij schoolbesturen en gemeenten en het ontbreekt aan een gesloten beleidscyclus door met name een gebrek aan toezicht, monitoring en evaluatie.

2.2 Uitdagingen voor Urk Deze uitdagingen op het gebied van onderwijshuisvesting gelden deels ook voor Urk. Alhoewel uit de bouwjaren is af te lezen dat Urk ten opzichte van het landelijke beeld een relatief jong gebouwenbestand heeft, zijn er een aantal locaties die ouder zijn dan 40 jaar, of de komende 10 jaar die leeftijd bereiken. Daarnaast is een deel van de bestaande schoolgebouwen nog niet volledig duurzaam (bijna energieneutraal of energieneutraal) of nog niet ‘fris’ (optimaal binnenklimaat).

Ook in het onderzoek uit 2020 door McKinsey3 naar de algemene staat van het onderwijs in Nederland wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de onderwijshuisvesting; gemeenten geven ondanks hogere eisen en gestegen bouwkosten nog een vergelijkbaar bedrag uit aan onderwijshuisvesting als in 2009.

Verder wensen gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties nog verder invulling te geven aan de samenwerking tussen kinderopvang en basisscholen in hetzelfde gebouw.

Tegelijkertijd stelt de sectorale routekaart voor het klimaatakkoord hoge eisen aan de duurzaamheid en het tempo van de uitvoering van de vervangingsopgave4 ; de uitgaven moeten verdubbelen van circa € 21 miljard bij ongewijzigd beleid naar circa € 42 miljard.

Alleen door samenwerking tussen gemeente en schoolbesturen kunnen deze uitdagingen in de komende jaren worden aangegaan en kunnen met de beschikbare middelen de beste keuzes worden gemaakt. Daarbij staan bij het opstellen van dit IHP steeds de Urker kinderen centraal; zij hebben recht op goed onderwijs in goede schoolgebouwen.

Daarnaast heeft binnenklimaat de laatste jaren ook veel aandacht gegenereerd. De coronapandemie heeft duidelijk gemaakt dat luchtkwaliteit en een goed binnenmilieu belangrijke onderdelen zijn van goede huisvesting. De noodzaak tot ‘Frisse Scholen’ en voldoende ventileren heeft dan ook topprioriteit binnen de schoolgebouwen. 1 2 3 4

Rapport ‘Gezond en goed. Scholenbouw in topconditie’, Rijksbouwmeester, Den Haag, 2009 Schoolgebouwen primair en voortgezet onderwijs: de praktijk gecheckt, Algemene Rekenkamer (2016) Een verstevigd fundament voor iedereen, McKinsey (2020) Sectorale routekaart voor verduurzaming van schoolgebouwen in het primair en voortgezet onderwijs, PO-raad, VOraad en VNG

5

IBO Onderwijshuisvesting funderend onderwijs, Een vak apart - Een toekomstbestendig onderwijshuisvestingsstelsel (2021)

4

3. Onderwijslandschap gemeente Urk Dit hoofdstuk biedt inzicht in het onderwijsaanbod in de gemeente Urk. Het gaat hier om het PO, VO, (V)SO en SBO. Het aanbod van de verschillende soorten onderwijs wordt in dit hoofdstuk ingedeeld als volgt: »

Primair onderwijs

»

Voortgezet onderwijs

»

Speciaal onderwijs

3.1 Primair onderwijs De scholen in de gemeente Urk in het primair onderwijs verschillen onderling van denominatie, omvang en onderwijsconcept. Het PO in de gemeente wordt verzorgd door drie schoolbesturen. Deze bieden basisonderwijs aan volgens bijvoorbeeld het leerstofjaarklassensysteem, daltononderwijs, unitonderwijs of montessorionderwijs. De schoolbesturen bieden onderwijs aan aan 3.024 leerlingen (ABF-research 2022), verdeeld over 12 schoollocaties. Schoolbestuur

Sector

Aantal scholen

Aantal leerlingen

%

Rehoboth

PO

7

2.014

67%

Reformatorisch Basisonderwijs Urk

PO

4

849

28%

Florion

PO

1

161

5%

12

3.024

100%

Schoolbestuur

Sector

Aantal scholen

Aantal leerlingen

%

1.175

100%

3.3 (voortgezet) speciaal onderwijs/speciaal basisonderwijs Het (V)SO en SBO in de gemeente Urk wordt aangeboden door twee schoolbesturen (Rehoboth en SO-Zwolle). De schoolbesturen bieden onderwijs aan aan 60 leerlingen van binnen en buiten de gemeente (ABF-research 2022). Het gaat hierbij alleen om het SO (4 12 jaar). Daarnaast biedt Pieter Zandt inclusief onderwijs aan, specifiek voor cluster 4-leerlingen. Dit betreft gemiddeld zo’n 40 leerlingen per jaar, verspreid over verschillende niveaus. Hoewel deze leerlingen officieel zijn ingeschreven in reguliere klassen, volgen zij het onderwijs niet fysiek in deze klassen. Schoolbestuur

Sector

Aantal scholen

Aantal leerlingen

%

Rehoboth

SBO

2

8

13%

SO-Zwolle

SBO

1

52

87%

60

100%

Tabel 3: overzicht onderwijslandschap Urk (V)SO, SBO

Tabel 1: overzicht onderwijslandschap Urk PO

3.2 Voortgezet onderwijs Het VO in de gemeente Urk wordt aangeboden door twee schoolbesturen (Berechja College en Pieter Zandt) en biedt onderwijs aan aan 1.175 leerlingen (ABF-research 2022), verdeeld over 2 schoollocaties. Schoolbestuur

Sector

Aantal scholen

Aantal leerlingen

%

Berechja College

VO

1

606

52%

Pieter Zandt

VO

1

569

48%

5

6

4. Visie en beleidsambities Dit hoofdstuk behandelt de visie op onderwijs en onderwijshuisvesting en de beleidsambities van dit IHP. Na de visie worden de beleidsambities van de gemeente en de schoolbesturen benoemd.

4.1 Visie op onderwijshuisvesting De gemeente Urk, de schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties streven gezamenlijk naar een toekomstbestendig onderwijslandschap. Het doel is om kinderen in de gemeente Urk de best mogelijke kansen te bieden in hun ontwikkeling en hen voor te bereiden op de toekomst. Daarbij is het van belang dat het onderwijsaanbod toegankelijk, divers en goed gespreid is en aansluit op de vraag van de maatschappij. De gemeente Urk en de schoolbesturen willen dit faciliteren door toekomstbestendige onderwijshuisvesting te realiseren middels het IHP, met als basis het principe van rentmeesterschap. ‘Vanuit de opdracht in Gods woord om deze aarde te bouwen en te bewaren, zijn we rentmeesters. Er zitten twee kanten aan rentmeesterschap, een economische en een ecologische. Aan de ene kant bouwen we en streven we naar een maximaal rendement. En aan de andere kant bewaren we en zijn we zuinig op de schepping.’ Duurzaamheidsvisie Urk 2020 Toekomstbestendige onderwijshuisvesting is een randvoorwaarde voor goed onderwijs. Hierbij gaat onderwijs en onderwijshuisvesting niet alleen over scholen, maar ook over andere plaatsen waar kinderen leren en zich ontwikkelen. Denk aan: kinderopvang, stages bij bedrijven, schoolpleinen en de omgeving. Deze gebouwen dienen de vorm van onderwijs die wordt gegeven maximaal te faciliteren.

gevraagd van onderwijsgebouwen. Bovendien leidt de maatschappelijke noodzaak tot verduurzaming tot hogere prestatie-eisen. Daarbij gaat duurzaamheid voor de gemeente en de schoolbesturen zeker niet alleen over energiebesparing en CO2-reductie, maar ook over een integrale visie op duurzaamheid waarbij gezondheid, circulariteit en functionaliteit een rol spelen. Tegelijkertijd ligt er een behoorlijke financiële en organisatorische uitdaging bij de realisatie van de plannen uit het IHP. Het traject om te komen van initiatieffase tot realisatie van onderwijshuisvesting is kostbaar en complex en vraagt veel van de gemeente en de schoolbesturen. Samenwerking en durven zijn de sleutelwoorden. De gemeente en de schoolbesturen hebben deze algemene visie verder geconcretiseerd in zes thema’s die zijn verankerd in bouwstenen voor beleid: 1.

Beleid en regie.

2. Kwaliteit. 3.

Duurzaamheid.

4. Capaciteit. 5.

Samenwerking.

6. (I)KC-beleid. Het zijn beleidsuitgangspunten op verschillende thema’s. De visie vormt samen met de bouwstenen een belangrijke basis voor het IHP. Het IHP is erop gericht om, binnen de randvoorwaarden van de gemeente (financieel, ruimtelijk en organisatorisch) en schoolbesturen (onderwijsinhoudelijk, financieel en organisatorisch), deze uitgangs¬punten zoveel als mogelijk te realiseren. De bouwstenen geven richting aan het IHP en daarmee kan er worden gestuurd op een toekomstbestendig onderwijslandschap.

De onderwijshuisvesting staat dan ook niet op zichzelf, maar staat in verbinding met de maatschappij. Onderwijsfuncties zijn maatschappelijke voorzieningen en dragen bij aan de sociale cohesie in de gemeente Urk. Het combineren van onderwijshuisvesting met andere maatschappelijke partners biedt kansen voor de gemeente en de schoolbesturen. De visie op onderwijs van de gemeente en de schoolbesturen stelt ook eisen aan de betreffende onderwijshuisvesting. Veranderingen in onderwijsvisies, -concepten en samenwerking maken dat er steeds meer flexibiliteit wordt

7

4.2 Bouwsteen 1: beleid en regie Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen met elkaar samen de regie voeren op het gebied van onderwijshuisvesting. 1.

Vaststellen van het IHP. Het IHP komt tot stand in een IHP traject met de schoolbesturen en gemeente, waarbij de kinderopvangorganisaties als partners betrokken worden tijdens het opstellen van de visie en het beleid. Onderwijs en kinderopvang op Urk vormen immers een belangrijke maatschappelijke opdracht waar gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties gezamenlijk invulling aan willen geven. Het OOGO, het College van B&W en de gemeenteraad stellen het IHP vast voor 8 jaar met een doorkijk tot aan 2044. Het IHP wordt om de 4 jaar herijkt en waar nodig geactualiseerd. De actualisatie duurt circa een half jaar.

2. Het IHP gaat mee met het voorstel van de PO-raad, VO-raad en VNG om IHP’s in de wetgeving te verankeren. In de geest van de nieuwe wet wordt een investeringsplan vastgesteld, niet alleen voor de eerste termijn (4 jaar), maar ook voor de tweede termijn (eerste 8 jaar), waar gemeente en schoolbesturen zich aan committeren (coalitie-overstijgend). Aanvullend functioneert het IHP als intentie en doorkijk voor de lange termijn. Schoolbesturen en gemeente spreken af enkel af te wijken van de afspraken in het IHP op grondslag van zwaarwegende motivatie, wijzigingen in weten regelgeving of (noodzakelijke) actualisatie van gegevens. 3. Het IHP is het investeringskader voor de onderwijshuisvesting en geeft voor de komende 20 jaar een indicatie van benodigde investeringen. Het IHP wordt gezien als investeringskader om een mate van flexibiliteit te behouden. Tevens wordt de prioritering van de projecten opgenomen. Er worden reserveringen getroffen in de gemeentelijke begroting voor het financieren van de projecten. 4. Na vaststelling van het IHP wordt een uitvoeringsprogramma opgesteld voor een termijn van 8 jaar. In het uitvoeringsprogramma worden afspraken gemaakt over de samenwerking op programma- en projectniveau. Door te kiezen voor een termijn van 8 jaar worden voor een langere periode dan één raadsperiode afspraken vastgelegd.

Dit biedt meer zekerheid voor schoolbesturen ten aanzien van toekomstige investeringen in schoolgebouwen, zodat zij hun onderhoud hier op af kunnen stemmen. In het uitvoeringsprogramma worden volgens jaarprogramma’s projecten nader geconcretiseerd en wordt beslag gelegd op de reserveringen in de begroting.

5. Per project verleent de gemeenteraad definitief het krediet. Zodra het project actueel wordt, zal het getoetst worden aan de gehanteerde randvoorwaarden uit het IHP. Een dergelijke toets wordt vaak gedaan middels een haalbaarheids¬onderzoek, ook wel businesscase genoemd. Indien nodig worden vervolgens de randvoorwaarden uit het IHP (zoals leerlingenprognoses en budgetten) geactualiseerd (inclusief indexatie, conform de systematiek zoals beschreven in de financiële paragraaf) en wordt het definitieve krediet bij de gemeenteraad aangevraagd. De gemeente Urk schaart zich achter het principe van de betrouwbare overheid en hecht grote waarde aan het nakomen van de vastgestelde afspraken. 6. Het IHP prevaleert voor het aanvragen van voorzieningen boven de verordening en vervangt de aanvraagprocedure voor nieuwbouw en overige voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen (artikel 2.a lid 1 t/m lid 8 van de verordening). Dat betekent dat het IHP en de hierin genoemde bedragen en termijnen leidend zijn voor de uitvoering van projecten. Er zijn echter uitzonderingen, zoals de kosten voor huisvesting voor een nieuw te stichten school, kosten voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair (artikel 2.a lid 1, lid 6 en lid 7 van de verordening) of spoedaanvragen door onvoorziene omstandigheden.

Op dergelijke onvoorziene omstandigheden na, is de afspraak dat er geen gebruik wordt gemaakt van de route via de verordening maar dat reserveringen getroffen worden op basis van het IHP en dat deze gebruikt worden voor realisatie van de beoogde projecten. Aanvragen voortkomend uit het IHP worden impliciet geacht een aanvraag te zijn op grond van de verordening. Dit wordt ook op deze wijze in de verordening vastgelegd. De verordening wordt aangepast op basis van het IHP en dient als vangnet. 7.

Renovatie en vernieuwbouw als extra voorzieningen (en wellicht andere gebouwmaatregelen). Het IHP is in lijn met het voorstel van PO-raad, VOraad en VNG om renovatie op te nemen als voorziening door de gemeente. a.

In de huidige situatie zijn gemeenten alleen verantwoordelijk voor vervangende nieuwbouw als een gebouw aan het einde van zijn levensduur is (onder andere artikel 2 verordening). Door renovatie en vernieuwbouw op te nemen als voorziening ontstaat de mogelijkheid om bij een gebouw dat aan het einde van zijn levensduur is ook renovatie of vernieuwbouw toe te passen.

b. Renovatie is een integrale levensduurverlengende ingreep in het gebouw, waarmee de levensduur van het gebouw met ten minste 25 jaar wordt verlengd.

8

c.

Levensduurverlenging met 40 jaar wordt vernieuwbouw genoemd. Een verlenging van de levensduur betekent niet enkel de verlenging van de bouwkundige levensduur. Het betreft ook de functionele levensduur. De definitie van de functionele levensduurverlenging wordt bepaald op basis van de kennis op het moment van investeren. Wordt gekozen voor renovatie of vernieuwbouw, dan dient een duidelijke relatie gelegd te worden met het behalen van de klimaatdoelstellingen van Parijs (zie bouwsteen 3, duurzaamheid).

d. Er wordt beoogd om in het IHP ook afspraken te maken over ingrepen ter verbetering van ventilatie en/of duurzaamheid. In het geval van ventilatie en het binnenklimaat gaat het om verbeteringen die dermate urgent zijn dat ze niet kunnen wachten tot het moment waarop de school in aanmerking zou komen voor nieuwbouw, vernieuwbouw of renovatie. Als signaal voor een urgente ingreep worden de normen op basis van het geldende Bbl en aanvullende richtlijnen vanuit de Gezondheidsraad gehanteerd.1 In het geval van duurzaamheid gaat het in eerste instantie om maatregelen ter beperking van het energieverbruik en de CO2-uitstoot (zie bouwsteen 3). Deze verbeteringen in ventilatie en duurzaamheid zijn kostbaar. Omdat schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor groot onderhoud en exploitatie, en gemeenten voor onder andere nieuwbouw en vernieuwbouw, ontstaat de vraag wie deze ingrepen financiert, omdat deze op de grens liggen van groot onderhoud en vernieuwbouw. Bij voorkeur wordt geïnvesteerd op natuurlijke vervangingsmomenten, maar dat is bij urgentie niet altijd mogelijk. Gemeente en schoolbesturen zullen in overleg moeten treden over deze gevallen. De financiering van ingrepen in binnenklimaat en duurzaamheid valt buiten het kader van dit IHP, en zal in lijn met de Vastgoednota van de gemeente Urk moeten plaatsvinden.

Voor projecten die binnen de eerste periode van 8 jaar vallen worden bij de uitwerking van de scenario’s de verbeteringen voor duurzaamheid en ventilatie integraal meegenomen. 8. In lijn met voorgaande projecten en het gedachtegoed dat het onderwijs op Urk een gezamenlijke, maatschappelijke opgave is, wordt het bouwheerschap gezamenlijk opgepakt. Dit houdt in dat er per project gekeken wordt wat de beste verdeling is van taken en verantwoordelijkheden tussen de gemeente en het schoolbestuur. Dit in goed overleg met elkaar. 1

Eindrapportage Beeld van ventilatie op scholen in het funderend onderwijs in Nederland, LCVS d.d. 1 oktober 2020 (https://open.overheid.nl/repository/ronl-67bc2dd7-9ac2-4038-a05b-92f07e94a8f7/1/pdf/Eindrapport%20Lande lijk%20Coordinatieteam%20Ventilatie%20op%20Scholen.pdf)

9

4.3 Bouwsteen 2: kwaliteit Deze bouwsteen geeft aan welke kwaliteitsambities de gemeente Urk en de schoolbesturen nastreven op het gebied van onderwijshuisvesting. 1.

Onderwijskundige functionaliteit: nieuwe en gerenoveerde schoolgebouwen dienen onderwijsconcepten goed te faciliteren en dienen aan te sluiten bij het onderwijsconcept van de school van dat moment (ruimtelijkfunctioneel). De onderwijskundige visie is de basis en het vertrekpunt voor de opzet van het gebouw. Indien de onderwijsvisie vraagt om extra ruimte (meer m²’s brutovloeroppervlak dan genormeerd), dan is dit bespreekbaar, mits goed onderbouwd. Uitgangspunt is maatwerk ten behoeve van het kind. Daarnaast dienen ook andere functies in samenhang met onderwijs goed gefaciliteerd te worden. Denk aan kinderopvang, buitenschoolse opvang (IKC-vorming) of jeugdzorg, maar ook aan de verbinding met de wijk.

2. Inclusief onderwijs en toegankelijkheid: de schoolgebouwen dienen de mogelijkheid te bieden tot het faciliteren van inclusief en passend onderwijs, maar ook waar nodig voor het jonge risico kind (JRK). Hierbij wordt aangesloten op het DURF!-programma om een veilige, gezonde en kansrijke omgeving te creëren voor ieder kind. Dit houdt in dat gebouwen onder andere ruim van opzet zijn (maatwerk voor ieder kind, zie punt 1, onderwijskundige functionaliteit), beschikken over een lift en leerlingen met een beperking/gedragsstoornis kunnen ontvangen. Een toegankelijke omgeving is een omgeving waar kinderen en volwassenen zich zelfstandig door het gebouw kunnen bewegen, zonder hulp van derden. Toegankelijkheid betekent ook dat het gebouw geschikt is voor diverse gebruikersgroepen; hierbij hoort het streven naar meer samenwerking tussen primair onderwijs en speciaal onderwijs of tussen het onderwijs en zorg-/wijk¬voorzieningen (zie bouwsteen 5, samenwerking). Hierbij staat de doorgaande leerlijn (0 tot vakbekwaam, ongeveer 18 jaar) centraal. Voor de kwaliteit van de schoolgebouwen leidt dit tot de aanwezigheid van multifunctionele ruimten die door diverse gebruikers voor verschillende doeleinden kunnen worden ingezet. Hierdoor ontstaan specialistische centra gebaseerd op samenwerking, zorg en inclusie die passen bij de identiteit van het onderwijs en de omgeving. 3.

Gezondheid: een schoolgebouw draagt bij aan de gezondheid van gebruikers. Een gezond binnenklimaat is van zeer groot belang voor de kwaliteit van een schoolgebouw. Ook een hoge verblijfskwaliteit draagt bij aan een gezond gebouw waar leerlingen en leraren graag zijn.

4. Flexibiliteit: binnen het scholenlandschap op Urk wordt er tevens ingezet op flexibiliteit. Hierbij gaat het om interne flexibiliteit, maar ook om transformatie-mogelijkheden (adaptief vermogen) van het vastgoed. Flexibiliteit kan ook worden ingezet om ruimtetekorten en ruimteoverschotten op te lossen door de mogelijkheid van het op- en afschalen van gebouwen. Zeker in het kader van kansen voor leerlingen, lerarentekorten en de inclusieve gedachte, dient het flexibel organiseren van het onderwijs op Urk het uitgangspunt te zijn. 5. Multifunctioneel gebruik: de gebouwen dienen optimaal gebruikt te worden. Multifunctioneel gebruik leidt tot een hogere bezetting en daarmee een duurzaam gebruik van de gebouwen. Dit vraagt wel om aandacht voor afspraken ten aanzien van beheersvorm, eigendomsverhouding, samenwerkingsafspraken, exploitatie en financiële geldstromen. Dergelijke afspraken dienen te volgen uit de inhoudelijke afspraken die aan de samenwerking ten grondslag liggen. Met name het faciliteren van functies voor IKC’s is een belangrijk onderdeel van de gebouwkwaliteit. Hoe dergelijke functionaliteiten gefaciliteerd worden (zowel qua financiën als beheer) is te zijner tijd onderwerp van gesprek tussen gemeente en schoolbesturen. Ook kan er gekeken worden naar samenwerkingen met en multifunctioneel gebruik door culturele instellingen. 6.

Locatie: om als een ‘spil in de wijk’ te functioneren, zijn goede locaties voor scholen een belangrijke randvoorwaarde. Het schoolgebouw dient passend te zijn bij en in de omgeving. Zo kan een school bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van gebieden. Belangrijke thema’s bij een goede locatie zijn: bereikbaar¬heid, veiligheid, voldoende buitenruimte en voldoende parkeermogelijkheden, evenals sociale veiligheid. Met name voor scholen met een regiofunctie is een (verkeerskundig) goede bereikbaarheid essentieel. Dat geldt voor PO-scholen met een unieke denominatie, evenals voor de VO-scholen en voor het SO, VSO en SBO. Daarbij dient de bereikbaarheid op verschillende manieren, zoals te voet, met de fiets of auto, op een veilige manier mogelijk te zijn. 7.

Ruimte voor sport en bewegen: daarbij gaat het niet alleen om sporthallen en gymzalen, maar ook om ruimte voor bewegend leren in en om de scholen op eigen terrein. Het schoolterrein en de ruimte voor sport en beweging dienen, net als het schoolgebouw zelf, aan te sluiten op de onderwijskundige visie. Ook hier geldt dat er waar mogelijk gezocht wordt naar maatwerk voor ieder kind. Per locatie wordt onderzocht of er voldoende sportfaciliteiten zijn c.q. ruimte is (in de directe omgeving en op eigen terrein) en wat er haalbaar is binnen de contouren van de

10

huidige bebouwing/het huidige perceel. Uitgangspunt voor het IHP is dat minimaal twee van de drie lesuren in een goed uitgeruste gymzaal (of andere sportfaciliteit zoals een zwembad/bewegingsbad) plaats kunnen vinden. Daarnaast wordt door de keuze van samenwerkingspartners ook het bewegen na schooltijd gestimuleerd. Naast de capaciteit zijn de afstand tot en veilige bereikbaarheid van de sportfaciliteit relevant, omdat grote afstanden kunnen leiden tot verlies van onderwijstijd. Conform de vigerende verordening dient er een sportfaciliteit binnen 1 km loopafstand gelegen te zijn voor PO-scholen en binnen 2 km loopafstand voor VO-scholen.

11

4.4 Bouwsteen 3: duurzaamheid

aangewend. In de praktijk wordt hier wisselend mee omgegaan1. Vanaf circa 2025 is het wetsvoorstel erop gericht het bestaande investeringsverbod op te heffen (zie bijlage I). In het VO is geen investeringsverbod, het VSO is hier een uitzondering op (hiervoor geldt wel een investeringsverbod). Naast financiële investeringen dient bij de realisatie van vernieuwbouw en nieuwbouw ook stilgestaan te worden bij passieve maatregelen die de kwaliteit van de huisvesting bevorderen. Er kan gedacht worden aan het bouwen van passieve gebouwen2 of het vergroenen van gebouwen en terreinen om voor natuurlijke koeling te zorgen. Na vaststelling van het IHP dient de keuze projectspecifiek in de uitwerking van het scenario onderzocht te worden.

Het realiseren van duurzame schoolgebouwen is een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Daarbij wordt het begrip duurzaamheid breder gedefinieerd dan energiebesparing en CO2-reductie. Duurzaamheid gaat ook over exploitatieverlagende maatregelen, Total Cost of Ownership (TCO), gezondheid, functionaliteit en betaalbaarheid. 1.

Aansluiten op doelstellingen gemeentelijk beleid en klimaatakkoord: het IHP sluit aan op de doelstellingen die geformuleerd zijn in het landelijk klimaatakkoord en de sectorale routekaart: 55% CO2-reductie in 2030 en 95% CO2-reductie in 2050, aangevuld met de Duurzaamheidsvisie Urk. Middels het IHP wil de gemeente via de vernieuwing van verouderde schoolgebouwen invulling geven aan de Duurzaamheidsvisie Urk en specifiek aan de verduurzamingsopgave voor het onderwijs. Daarnaast zal via de Vastgoednota tussentijdse verduurzaming van schoolgebouwen worden gefaciliteerd, in cofinanciering met de schoolbesturen. Het IHP sluit aan op de vier pijlers uit de Duurzaamheidsvisie Urk: energie, circulaire economie, klimaatadaptatie en mobiliteit. De ambitie is om bij vernieuwing of vervanging van schoolgebouwen energieneutrale schoolgebouwen te realiseren, waarbij gemeente en schoolbesturen afspraken maken over een mogelijk gezamenlijke investering hierin. Het streven is om de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten om de doelstellingen te halen. Vanuit ervaring wordt bij voorkeur op natuurlijke vervangingsmomenten geïnvesteerd: nieuwbouw en/of renovatie.

2. Mogelijk zijn de schoolbesturen bereid vanuit TCO mee te investeren in schoolgebouwen. Daarbij levert een schoolbestuur een extra bijdrage vanuit het gezamenlijk belang van extra kwaliteit en optimale exploitatie om een nog functioneler en prettiger gebouw te realiseren. Eventuele investeringen door het schoolbestuur dienen altijd in lijn te zijn met regelgeving vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. TCO wordt benaderd vanuit voorbeeldfunctie, investering en jaarlasten van een gebouw. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de beperkte middelen van gemeente en schoolbesturen en het huidige investeringsverbod in het PO, artikel 148 WPO. Deze bepaling in het PO is als amendement in de wet toegevoegd om te voorkomen dat de voor onderwijs bedoelde middelen voor oneigenlijke doelen kunnen worden

3. Energieneutraliteit: er wordt bij nieuwbouw en vernieuwbouw gestreefd naar energieneutrale schoolgebouwen (ENG). Daarbij wordt er voor nieuwbouw een hogere ambitie uitgesproken dan het Bbl per 1 januari 2021, dat uitgaat van bijna energieneutrale gebouwen (BENG - voor een toelichting op het verschil zie bijlage II). Het realiseren van duurzame gebouwen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de gemeente en schoolbesturen. Er wordt per project gekeken wat maximaal haalbaar is en wat iedereen hiervoor kan inbrengen. Uitgangspunt is dat er per project gekeken wordt naar de balans tussen ‘sober en doelmatig’ bouwen en rentmeesterschap. Bij renovatie (zie bouwsteen 1 voor uitgangspunten renovatie) wordt beoogd om deze energieprestatie zoveel mogelijk te realiseren. Voor renovatie geldt minimaal de ambitie voor BENG. 4. Optimum ‘Frisse Scholen’: bij nieuwbouw, vernieuwbouw en renovatie zijn alle Frisse Scholen-thema’s relevant (lucht, licht, temperatuur, geluid en energie), waarbij bijzondere aandacht besteed wordt aan het binnenmilieu. Voorbeeld is dat alleen frisse lucht in de warmer wordende zomers niet voldoende is, er dient ook gekoeld te kunnen worden. De kracht ligt in de optimale afstemming en integratie van deze thema’s om te komen tot zo duurzaam mogelijke gebouwen.

Deze duurzame gebouwen leiden tot een kwalitatief goed leef- en leerklimaat voor leerlingen en medewerkers. Hierbij is het uitgangspunt Frisse Scholen klasse B, het streven is echter een 1

Dit naar aanleiding van uitspraken van toenmalig staatssecretaris Dekker bij de behandeling van het wetsvoorstel ‘overheveling onderhoud buitenkant’.

‘Bij nieuwbouw is het niet toegestaan dat een bestuur een bijdrage levert aan de nieuwbouw van een school voor dat deel waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Dus het kan niet zo zijn dat de gemeente maar een deel van de vergoeding betaalt en het bestuur de rest laat betalen. De gemeente moet minimaal de normvergoeding zoals die in de eigen huisvestingsverordening is vastgelegd vergoeden. Het bedrag moet ook zodanig zijn dat kan worden voldaan aan de eisen uit het Bbl. Het schoolbestuur mag wel boven deze normen investeren in het gebouw om bijvoorbeeld een lager energieverbruik of beter binnenklimaat te realiseren. Hierbij geldt dat het een redelijk bedrag betreft dat binnen een redelijke termijn kan worden terugverdiend.’ 2 Bij passief bouwen wordt er uitgegaan van goede isolatie, kierdichting en daarmee een grote beperking van warmte verlies en warmtebehoefte zonder het comfort in het binnenmilieu te beperken.

12

optimale balans tussen de verschillende thema’s. Het kwaliteitsadvies is in bijlage III opgenomen. 5. Voorbeeldfunctie, materialisering en circulariteit: duurzame gebouwen en de omgeving dragen bij aan het duurzaamheidsbewustzijn van gebruikers (leerlingen, leraren etc.) en de inwoners van Urk door duurzaamheidsmaatregelen zichtbaar te maken. Ten aanzien van circulariteit wordt ernaar gestreefd bewust om te gaan met de toegepaste materialen en waar mogelijk gebruik te maken van natuurlijke, ecologisch vriendelijke en/of herbruikbare materialen die een lange levensduur kennen. In het geval van nieuwbouw wordt gelet op de basisprincipes van circulariteit, zoals de toekomstige losmaakbaarheid van de gebouwelementen. Conform de Duurzaamheidsvisie Urk is het streven om voor alle gebouwen een materialenpaspoort te realiseren en circulair (en waar mogelijk modulair) te bouwen. Tevens is de (bouw /installatie)technische kwaliteit van de schoolgebouwen uitstekend en onderhoudsvriendelijk. Dit zorgt ervoor dat gebouwen lang meegaan.

duurzaamheid niet ten koste van middelen voor onderwijs. Ook kan in samenspraak tussen de gemeente en de schoolbesturen het binnenklimaat verbeterd worden door bijvoorbeeld het inzetten van de (huidige en/of toekomstige) SUVIS-regelingen.

6. Groene en blauwe buitenruimten: de buitenruimten worden zo verhard als nodig maar ook zo groen en blauw als mogelijk vormgegeven. Groene en blauwe buitenruimten laten kinderen kennismaken met de natuurlijke elementen en hebben een verkoelende werking. Daarnaast worden elementen die ‘bewegend leren’ en sportiviteit bevorderen bewust ingezet. Naast het groen in de buiten¬ruimten spelen onderwerpen als het bevorderen van biodiversiteit (bijvoorbeeld door het plaatsen van verblijfplaatsen voor insecten en dieren) en waterbestendigheid (bijvoorbeeld door regenwaterinfiltratie) een belangrijke rol. 7.

Meetbaarheid van duurzaamheid: in het kwaliteitsniveau voor nieuwbouw, vernieuwbouw en renovatie wordt duurzaamheid ook geconcretiseerd. Onder punt 3 zijn de doelstellingen voor nieuwbouw, vernieuwbouw en renovatie geformuleerd. Zie ook bijlage II voor de definitie van deze doelstellingen.

8. Duurzaamheid in bestaande gebouwen: door vaststelling van het IHP krijgen gemeente en schoolbesturen zicht op de vervangingstermijnen van hun gebouwen Dit stelt hen in staat om vanuit de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor onderhoud en verduurzaming te investeren in exploitatie¬verlagende maatregelen en het binnenklimaat (een en ander conform de Duurzaamheidsvisie Urk). Daarbij kan met name worden ingezet op duurzaamheidsmaatregelen waarbij de terugverdientijden de vervangingstermijn niet overschrijden. Zo gaan investeringen in

13

4.5 Bouwsteen 4: capaciteit

deze verschillen per type onderwijs. In het geval van (V)SO en SBO dient gekeken te worden naar de daadwerkelijke en verwachte vraag en het daadwerkelijke en verwachte aanbod. Hierbij dient afstemming met het samenwerkingsverband gezocht te worden. Voor alle typen onderwijs is een maatwerkbesluit nodig over de toekomst-bestendigheid van een kleine school waarbij alle aspecten meegewogen worden (bijvoorbeeld laatste school van een denominatie of onderwijsconcept of enige school in een solitair gelegen wijk of kern). Een mogelijke oplossing voor de levensvatbaarheid van kleine scholen is het vormen van scholeneilanden of de gezamenlijke huisvesting van (kleine) scholen met maatschappelijke organisaties.

Deze bouwsteen geeft aan hoe wordt omgegaan met capaciteit van de onderwijs-huisvesting in de gemeente Urk. Daarbij gaat het om een optimale afstemming tussen vraag en aanbod. 1.

Binnen de gemeente Urk is er een goed onderwijsaanbod. Er is een spreiding van onderwijsconcepten, denominaties en onderwijsniveaus over de gemeente. De wens is dit te behouden en te versterken. Aanvullend is het streven om ook onderwijs aan nieuwkomers te faciliteren (NT2-leerlingen).

2. Nieuwkomers- en NT2-onderwijs. De instroom van NT2-leerlingen evenals de schommelingen in de aantallen immigranten zijn lastig te voorspellen. Uitgangspunt is dat deze leerlingen na één of twee jaar NT2onderwijs worden opgenomen op de verschillende scholen in het reguliere onderwijs. Schoolbesturen bepalen gezamenlijk op welke locatie(s) NT2onderwijs wordt aangeboden. 3. Urk is één voedingsgebied. Op Urk wordt er niet of nauwelijks gekeken naar wijken. Urk is één voedingsgebied met geringe afstanden tussen de diverse onderwijslocaties. Om deze reden dient er altijd gekeken te worden naar de totale capaciteit (per schoolbestuur) die aanwezig is op Urk. Indien mogelijk wordt middels doorverwijzen en herverdeling de beschikbare ruimte optimaal ingezet om ieder kind een passende leeromgeving te bieden. ‘Geen kind van Urk af.’ 4. Uitgangspunt is dat voor ieder kind een passende plek beschikbaar is. Voor het PO betekent dit dat kinderen zo thuisnabij mogelijk naar school kunnen gaan. In iedere wijk dient een school te zijn, maar er hoeft niet in iedere wijk een school van iedere denominatie aanwezig te zijn. Scholen van het VO, het (V)SO en het SBO, maar ook scholen met een specifiek onderwijsconcept hebben een regiofunctie. Deze scholen zijn niet gebonden aan een bepaalde plek binnen de gemeente.

Er dient echter wel bijzondere aandacht te zijn voor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van deze regioscholen. Voor het (V)SO vindt afstemming over de locaties en het onderwijsaanbod plaats binnen het samenwerkingsverband. 5. Bij investeringen in schoolgebouwen gaan schoolbesturen en de gemeente in gesprek over de toekomstbestendigheid van de locatie. De lokale opheffingsnorm heeft daarbij een signaalfunctie. In het PO is deze norm 181 leerlingen per school. De landelijke opheffingsnormen gelden voor het VO conform artikel 107 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

6. De schoolbesturen streven naar een omvang van een school die past bij de vraag. Hiermee wordt bedoeld dat er geen ‘ideale’ schoolgrootte bestaat voor een school in de gemeente Urk. Het gaat niet zozeer om de omvang, maar om kwaliteit. Er dient zowel ruimte te zijn voor gewenste kleinschaligheid als voor de ambitie om een gezamenlijke campus te ontwikkelen met betrokken ketenpartners. Schoolbesturen maken daarbij zelf de afweging of de kwaliteit bij een bepaalde omvang gegarandeerd kan worden. Dit kan betekenen dat er verkend moet worden of er meer ruimte gerealiseerd moet worden dan door de verordening voorgeschreven. Dit in lijn met en als stimulans voor het inclusieve denken van de onderwijsinstellingen. Voor het PO is aangegeven dat de omvang ook afhankelijk is van het voedingsgebied (hoeveel kinderen wonen er in een wijk of kern). Aangezien het VO vaak een regiofunctie heeft, bepalen de vraag en de praktische organisatie van het onderwijs de ideale schoolgrootte. Voor het (V)SO/SBO is benoemd dat waar mogelijk gestreefd wordt naar inclusief en passend onderwijs (onderwijs dat past). Daarnaast wordt de spreiding in het speciaal onderwijs met name bepaald door het regionale aanbod. Bedrijfseconomische redenen worden in alle gevallen meegewogen. 7.

Het streven is een optimale afstemming tussen vraag en aanbod. Daarbij gaat het direct ook om het voorkomen van leegstand en ruimtetekorten bij scholen. Daarvoor zijn een aantal instrumenten geformuleerd (in willekeurige volgorde): a.

Verhuur of medegebruik van ruimten kan, na toestemming van de gemeente, een oplossing zijn voor een ruimteoverschot. De inkomsten van school¬besturen voor onderhoud en exploitatie zijn afhankelijk van het aantal leerlingen. Bij leegstand moet een schoolbestuur met minder inkomsten hetzelfde aantal vierkante meters onderhouden. Ook afstoten van leegstand kan een mogelijkheid zijn. 14

b. Verwijzen is ook mogelijk. Dit betreft het in medegebruik geven van leegstand in een school aan een school met een ruimtetekort. In het PO geven school¬besturen aan deze situatie te willen voorkomen omdat het onderwijskundig minder wenselijk is, bijvoorbeeld als er een doorgaande leerlijn is gecreëerd in een IKC. Indien er wel wordt verwezen, dient dit passend te zijn voor de specifieke situatie. 8. Investeer zo minimaal mogelijk in tijdelijke huisvesting. Het realiseren van tijdelijke huisvesting is erg kostbaar en moet waar dat mogelijk is worden voorkomen. De ambitie is dat er gekeken wordt naar de inzet van bestaande en toekomstige leegstand ten behoeve van tijdelijke huisvesting.

15

4.6 Bouwsteen 5: samenwerking In deze bouwsteen komt de relatie van onderwijshuisvesting met andere voorzieningen aan bod. Daarbij wordt ingegaan op samenwerkingsmogelijkheden. 1.

Centrale gedachte: bij alle vormen van samenwerking en onderwijshuisvesting staat ‘durven’ centraal. Durven om nieuwe samenwerkingen aan te gaan en durven om het kind centraal te zetten, zonder hierbij de eigen identiteit te verliezen. Samen staan de scholen immers voor de ontwikkeling van de kinderen op Urk. Hierbij is ook maatschappelijke participatie van belang. Samenwerking tussen gemeente, schoolbesturen en de maatschappij zorgt er immers voor dat de doelstellingen behaald worden. De kernwoorden hierbij zijn (conform Duurzaamheidsvisie Urk): a.

Samenbinden: zoeken naar gemeenschappelijke belangen.

b. Vroegtijdig: niet direct een plan presenteren, maar betrokkenen de kans geven om mee te denken en mee te doen. c.

Transparantie en vertrouwen: samenwerken vanuit een gelijke kennisbasis, partijen mogen elkaar niet verrassen.

d. Gezamenlijke verantwoordelijkheid: iedereen doet mee en deelt in de verantwoordelijkheid.

gewaarborgd). Inhoudelijke samenwerking biedt voordelen op het gebied van kennisuitwisseling. Gebouwelijke samenwerking kan de inhoudelijke samenwerking faciliteren en exploitatievoordelen bieden (delen van ruimten). Hierbij is het wel van belang dat de keuzevrijheid van de leerlingen, ouders en school(besturen) blijft bestaan. 4. Er wordt ingezet op het behouden en uitbreiden van samenwerking tussen PO en kinderopvang (kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang; dit worden ook wel partners voor IKC’s genoemd). Daarbij worden pedagogiek en didactiek op elkaar afgestemd: a.

De samenwerking tussen PO en IKC-partners kan verschillende vormen aannemen. Er zijn verschillende manieren van integratie tussen onderwijs en kinderopvang. Er is ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de lokale situatie en met alle geïnteresseerde partners.

b. De basis voor een IKC is het realiseren van een leerlijn van 0-12 jaar. Het realiseren van kinderopvang voor 0-2-jarigen is afhankelijk van de behoefte van een wijk en de sociaal-maatschappelijke factoren.

2. Doorgaande leerlijn stimuleren: door in te zetten op een doorgaande leerlijn (0 tot vakbekwaam), door samenwerkingen tussen kinderopvang, primair onderwijs, speciaal basisonderwijs, voortgezet (speciaal) onderwijs en maatschappelijke organisaties aan te gaan, wordt het onderwijsaanbod op Urk completer en toekomstbestendig. Hierbij wordt tevens ingespeeld op het bieden van maatwerk voor elke leerling en het verminderen van (onwenselijke) doorverwijzingen. Het voorkomen van een breuk in de ontwikkeling is het uitgangspunt. Denk hierbij ook aan het bevorderen van de VVE in aansluiting op het PO, SBO/SO.

5. Samenwerking onderwijs en maatschappelijke partners: gemeente en schoolbesturen zoeken in het uitwerken van de projecten naar samenwerking tussen het onderwijs en overige maatschappelijke partners (multifunctionele centra - MFC’s) om te voorzien in de onderwijs- en wijkbehoeften, zoals bijvoorbeeld het faciliteren van het taalbeleid, burgerschap, therapeuten, wijkteam, bibliotheek, jeugdhulp, sportorganisaties, culturele partners etc. (sport, spel en cultuur). Er wordt daarbij tegemoetgekomen aan de sociaal-maatschappelijke rol van een school voor de wijk/kern en er wordt ingespeeld op de ambitie om een doorgaande leerlijn te realiseren van 0 tot vakbekwaam. Door middel van een rijke schooldag richt de school zich op de ontwikkelingen binnen de wijk en de schoolpopulatie. Deze functie kan per wijk/kern en per school anders worden ingevuld. Er is ruimte om per school maatwerk te leveren, passend bij de lokale situatie.

3. Samenwerking betekent dat scholen gebouwen delen met partners (bijvoorbeeld kinderopvang, jeugdzorg, (maatschappelijke) wijkvoorzieningen). Samenwerking kan zowel inhoudelijk als gebouwelijk worden vormgegeven, waarbij gebouwelijke samenwerking bij voorkeur volgt op de inhoudelijke samenwerking om deze extra te versterken (waarbij er ook gekozen kan worden om naast elkaar maar niet in elkaar over te gaan; hierbij wordt eventuele gewenste kleinschaligheid

Daarbij wordt er actief op ingezet om de onderwijsgebouwen vanuit de maatschappelijke verantwoordelijkheid voor passende functies in de avonduren, weekenden of gedurende vakantieperiodes open te stellen. Dit vraagt om goede afspraken over beheer, onderhoud, exploitatie en verantwoordelijkheid voor het leegstandsrisico. Er wordt hiermee aangesloten op het reeds opgestarte DURF!-programma.

e.

Maatwerk: elk project is uniek en vraag om een op maat gesneden pak.

16

DURF werkt nauw samen met plaatsgenoten en organisaties die een rol spelen in het leven van Urker jongeren. Denk bijvoorbeeld aan onderwijs, welzijn, zorg en veiligheid. We zoeken met elkaar: wat hebben onze jongeren nodig om te groeien in een kansrijke, veilige en gezonde omgeving. Inwoners van Urk leven in een positieve en gezonde omgeving, waar iedereen erbij hoort. In deze omgeving luisteren we naar elkaar en is er vertrouwen om een goed gesprek te voeren met elkaar. We starten bij de omgeving van kinderen van nu en groeien mee met deze doelgroep, want jong geleerd is oud gedaan. De ambitie is dat de Urker jeugd opgroeit in een veilige, gezonde en kansrijke omgeving. Alles wat dát in de weg staat gaan we verbeteren, eensgezind en met respect voor elkaars verschillen. Zodoende creëren we een positieve leefomgeving voor jongeren. Deze omgeving draagt bij aan gezond, kansrijk en veilig opgroeiende jeugd en helpt te voorkomen dat jongeren gaan drinken, roken of drugs gaan gebruiken. 6. De samenwerking tussen SO en VSO/SBO dient gestimuleerd te worden. Deze ontwikkelingen dienen in het kader van inclusief en passend onderwijs verder uitgebreid te worden. 7.

De samenwerking tussen VO en VSO dient gestimuleerd te worden. Deze ontwikkelingen dienen in het kader van inclusief en passend onderwijs verder uitgebreid te worden.

8. Samenwerking PO en SBO is deels al aanwezig op Urk: Deze samenwerking dient verder gestimuleerd en uitgebreid te worden. Het streven is ieder kind op Urk een plek te kunnen geven, passend bij de diverse onderwijsconcepten van de verschillende scholen. 9. Samenwerking PO, VO en vaardigheid/competentiegericht onderwijs: een actieve samenwerking tussen PO en VO (en verder) kan in de vorm van 0 tot vakbekwaam bevorderd worden (sterk techniekonderwijs). Hierbij wordt ook actief gezocht naar partners in de bedrijvensector. 10. Samenwerking onderwijs.

SO/SBO,

VSO

en

vaardigheid/competentiegericht

17

4.7 Bouwsteen 6: (I)KC-beleid 1.

Ambitie en visie (I)KC’s. Schoolbesturen en kinderopvang zetten in op het behouden, versterken en waar nodig uitbreiden van samenwerking tussen PO en kinderopvang (peuteropvang en buitenschoolse opvang). De samenwerking richt zich op de afstemming van een gezamenlijke pedagogische en didactische visie van het reguliere basisonderwijs en de kindpartner. De gemeente Urk onderschrijft het belang van IKContwikkeling en wil, ondanks dat dit geen wettelijke taak van de gemeente is, bij opgaven vanuit het IHP huisvesting voor kinderopvang bij scholen faciliteren. Uiteraard is de bereidheid van de kinderopvangorganisaties om voor een langdurige periode een huurovereenkomst af te sluiten hierbij een vereiste.

2. Ruimtelijke component (I)KC’s: gezamenlijke huisvesting van scholen en kindpartners is het streven, mits er een gezamenlijke inhoudelijke (I)KC-visie onder ligt. Er kunnen echter situaties zijn waarin gezamenlijke huisvesting een pre is maar geen voorwaarde. Per project vanuit het IHP dient er in de haalbaarheid¬sfase gekeken te worden of het wenselijk is om kindpartners te huisvesten in hetzelfde gebouw als de school. Aanvullend dient per project getoetst te worden of de toevoeging van kindpartners mogelijk is op het beoogde perceel (zowel ruimtelijk als stedenbouwkundig). Indien dit niet het geval is, wordt er in overleg gezocht naar mogelijke (ruimtelijke) oplossingen of het aanscherpen van de ruimtevraag.

Beleidsuitgangspunten Gemeente en schoolbesturen bouwen of renoveren bij voorkeur conform de (I)KC-gedachte. Een kindcentrum (KC) of integraal kindcentrum (IKC) is een voorziening voor kinderen tussen de 0 en 12 jaar. »

De samenwerking tussen primair onderwijs en kinderopvang kan hier een doorgaande leerlijn waarmaken. Kinderen tussen de 0 en 12 jaar doorlopen hun ontwikkeling in één gebouw of in een netwerk van voorzieningen. Bij het vormen van een (I)KC wordt op voorhand goed nagedacht over samenwerkingsvormen en partners. Het meest voorkomend is om per school met één opvangorganisatie in een schoolgebouw samen te werken. Dat maakt het makkelijker om een succesvolle doorgaande leerlijn te realiseren.

»

Op het moment dat projecten voor (I)KC’s van start gaan is het raadzaam om bij de planvorming rekening te houden met prognoses van de kinderopvang-organisaties en te anticiperen op de mogelijkheid dat kinderopvang in de toekomst meer toegankelijk zal zijn.

»

Met een (I)KC-beleid worden afspraken gemaakt over het verhuur/ beheer, leegstandsrisico, aanbod en financiën/garantstelling. Een en ander in lijn met de geldende wet- en regelgeving (Didam-arrest) en het beleid van de gemeente Urk.

3. (I)KC-beleid. Als onderwijs en kinderopvang zich onder één dak willen huisvesten krijgen de betrokken partijen te maken met huisvestingsvraagstukken ten aanzien van financiering, eigendom, huurafspraken en tariefstelling. Hier dienen op voorhand duidelijke afspraken over geformuleerd te worden om verwarring of discussie te voorkomen. De gemeente heeft een zorgplicht om te voorzien in huisvesting voor het onderwijs maar niet voor kinderopvang. Kinderopvangorganisaties worden wettelijk gezien als commerciële organisaties die de gemeente niet mag bevoordelen ten opzichte van andere commerciële organisaties. De gemeente heeft zich als economisch eigenaar in relatie tot medegebruik en verhuur te houden aan de Wet Markt en Overheid. De Wet Markt en Overheid is een hoofdstuk (4b) binnen de Mededingingswet en bevat vier gedragsregels. Deze gedragsregels omschrijven onder andere dat overheden alle kosten die zij maken voor een dienst moeten doorberekenen in de prijs.

18

Dit geldt dus ook bij verhuur van ruimten aan kinderopvangorganisaties. Voorliggend beleid richt zich op nieuwe situaties die ontstaan bij nieuwbouw, vernieuwbouw of renovatie van schoolgebouwen. De verhuur aan kinderopvang¬organisaties in bestaande situaties valt buiten de scope van deze afspraken. Voor bestaande situaties kan worden teruggevallen op de Wet op het primair onderwijs en de bepalingen over verhuur en medegebruik in de Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs van de gemeente Urk. Beleidsuitgangspunten In de haalbaarheidsfase van een project worden, op basis van een onderzoek naar de verschillende mogelijkheden, afspraken gemaakt over de financiering van aanvullende ruimten voor kinderopvang. Hierbij is het uitgangspunt dat de financiering voor de gemeente kostenneutraal is.

4. Financiering. In het geval dat de kinderopvang financiert zijn de volgende onderwerpen van toepassing: a.

»

De kapitaallast wordt binnen een redelijke termijn terugverdiend uit de huurinkomsten. Vanwege de huidige bezuinigingen heeft de gemeente geen financiële ruimte om het kinderopvangdeel binnen het IKC voor te financieren. Voorfinanciering, waarbij de gemeente een bedrag voorschiet, vraagt om directe middelen die momenteel niet beschikbaar zijn. Als alternatief kan de gemeente garantstelling bieden. Dit houdt in dat de gemeente garant staat voor een lening die door derden ten behoeve van het kinderopvangprogramma wordt afgesloten. Hierdoor kan de betreffende organisatie tegen gunstige voorwaarden financiering verkrijgen. Garantstelling brengt geen directe kosten met zich mee voor de gemeente, maar alleen een verplichting in het geval dat de lening niet wordt terugbetaald.Met garantstelling kan de ontwikkeling van het IKC doorgang vinden zonder dat dit de gemeentelijke begroting direct belast. Hiervoor zijn wel duidelijke afspraken nodig om risico’s te beheersen.

5. Eigendom. Bij exclusief gebruik door kinderdagverblijf en/of bso zijn er, mede in relatie tot de financiering van de ruimten voor kinderopvang, de volgende mogelijkheden voor het eigendom van deze ruimten: »

Kinderopvangorganisatie financiert de eigen ruimten en wordt daarmee eigenaar van het eigen gedeelte. In een gezamenlijk gebouw met de school wordt dit vertaald in een kadastrale splitsing (twee-onder-eenkapconstructie) of een vereniging van eigenaren (appartementsrechten) met de school.

»

Gemeente eigenaar. De gemeente financiert en is dan verhuurder van de ruimten. Het Didam-arrest speelt hierbij een rol, zie onderstaande kanttekening.

»

Schoolbestuur/schoolbesturen zijn eigenaar, de gemeente financiert de ruimten voor kinderopvang voor. Schoolbestuur/schoolbesturen dragen de huurinkomsten ter dekking van de kapitaallasten af aan de gemeente.

De kinderopvangorganisatie maakt met de bouwheer afspraken over de betrokkenheid van de ondernemer bij het ontwerp en de realisatie van de kinderopvangruimten. Deze afspraken worden contractueel vastgelegd.

b. De kinderopvangorganisatie participeert risicodragend in het totale proces van ontwerp en realisatie (aanbestedingsrisico, meer-/ minderwerk e.d.). In het geval dat de gemeente financiert wordt gesproken over voorfinanciering, omdat het doel is dat de kapitaallasten volledig door huuropbrengsten worden terugverdiend, en de financiering voor gemeente kostenneutraal is. De volgende punten zijn van toepassing: »

Het gaat om exclusief gebruik van ruimten door een kinderopvangorganisatie.

»

Het beoogde gebruik is beargumenteerd aan de hand van een behoefteonderzoek.

»

De aanvullende m²’s worden, in het geval het schoolbestuur eigenaar is, onttrokken aan het onderwijs (conform artikel 110 WPO, lid 5).

Beleidsuitgangspunten Bij elk project (vanuit het IHP) wordt in de haalbaarheidsfase bepaald wat de toekomstige eigendomssituatie van een (I)KC wordt.

19

Kanttekening: op 26 november 2021 en 15 november 2024 heeft de Hoge Raad uitspraken gedaan in de zaak Didam. Het eerste arrest heeft betrekking op een casus in de gemeente Montferland omtrent (onderhandse) verkoop van onroerend goed. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de gemeente, als ze een onroerende zaak wil verkopen, aan potentiële gegadigden de mogelijkheid moet bieden om mee te dingen. Dat moet vanuit objectieve, toetsbare en redelijke criteria plaatsvinden.

hebben gezamenlijk de intentie om de huur voor langere tijd te laten voortbestaan. Als er toch een capaciteitsvraagstuk ontstaat voor het onderwijs gaan partijen, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid, gezamenlijk in gesprek en op zoek naar een passende oplossing. b. Bij volgtijdelijk gebruik door bso wordt uitgegaan van medegebruik in plaats van verhuur. De gemeente wordt jaarlijks geïnformeerd over het volgtijdelijk gebruik. Ook kunnen gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties in gesprek gaan over de mogelijkheid om een beroep te kunnen doen op ruimten voor bso die in eigendom zijn van de kinderopvangorganisatie en waar overdag ruimte is voor onderwijs als er een capaciteitsvraagstuk ontstaat. Daarnaast onderschrijven gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties het belang van de bso in het kader van een aanbod voor de gehele dag. De bso maakt vaak gebruik van gemeenschappelijke ruimten, die bij groei van het onderwijs gevorderd of ingezet kunnen worden. Dit houdt in dat de bsofunctie niet langer kan worden ingevuld. Gemeenten, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties streven daarom naar oplossingen voor capaciteitsgebrek waarbij de bso-functie niet hoeft te wijken.

Dit heeft ook gevolgen voor IKC’s. Als de gemeente het juridisch eigendom van de ruimten voor kinderopvang behoudt (en dus niet overdraagt aan het schoolbestuur zoals in de reguliere situatie) is een aanbesteding noodzakelijk. Dit kan onwenselijk zijn omdat schoolbesturen al samenwerkingen hebben met bestaande kinderopvangorganisaties waarbij de pedagogiek en de didactiek op elkaar zijn afgestemd. 6. Bij de huurafspraken van huisvesting voor kinderopvang speelt de wijze waarop wordt omgegaan met huurbescherming en het onderscheid tussen medegebruik en verhuur een rol: a.

Bij exclusief gebruik door kinderopvang kan, aanvullend op de onderwijs-ruimte, extra capaciteit worden gerealiseerd die valt onder een huurcontract met een kostendekkend tarief. Er wordt uitgegaan van langjarige huurcontracten van minimaal 10 jaar. Dit is echter alleen mogelijk als de gemeente eigenaar is van dit aanvullende gedeelte en verhuurt aan de kinderopvang. Het Didam-arrest speelt dan een rol en is er geen vrije keuze van samenwerkingspartners. Als het schoolbestuur eigenaar blijft wordt de ruimte gerealiseerd onder de WPO, en wordt artikel 110 WPO, lid 5 van toepassing verklaard. Het gedeelte waar de kinderopvang gebruik van maakt wordt daarmee blijvend niet meer voor het onderwijs gebruikt, maar er is geen sprake van huurbescherming. De gemeente zal de ruimten echter niet vorderen voor het onderwijs, wat in die zin toch enige bescherming biedt. In tegenstelling tot de wet waarin geen ontruimingsbescherming wordt geboden, hanteren gemeente en schoolbesturen in de praktijk het uitgangspunt dat de huur pas wordt opgezegd aan het einde van het lopende schooljaar. Artikel 110 WPO, lid 7 en lid 8, bepaalt dat het schoolbestuur de betreffende ruimten steeds voor een periode van 3 jaar, met mogelijkheid voor verlenging met steeds 3 jaar, mag verhuren. Dit houdt in dat ruimten van de kinderopvang door de gemeente niet gevorderd zullen worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Urk&id=b176c127-6380-4d8f-bf2a-423feb832f8e