Bijlage A - Planregels herziening Zeeheldenwijk
Tekst van het document
c.
het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
d.
het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen;
e.
het aanbrengen van leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
f.
het ophogen van gronden en aanleggen van (geluids)wallen;
g.
werken en werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of ten gevolge hebben, zoals uitdiepen, draineren en slaan van putten.
17.4.2 Toelaatbaarheid Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in 17.4.1 mag alleen worden verleend, indien door de uitvoering van de werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan, hetzij direct hetzij indirect, te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. Vooraf dient door aanvrager van de omgevingsvergunning een deskundig archeologisch rapport overgelegd te worden waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat: a.
de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
b.
er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
c.
de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
17.4.3 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 17.4.1 is vereist voor werken of werkzaamheden:
a.
die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
b.
die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning;
c.
werken en werkzaamheden die betrekking hebben op plangebieden die niet groter zijn dan 500 m 2 en ingrepen die niet dieper dan 50 cm de bodem verstoren.
65
17.4.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Waarde - Archeologie 5' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van deskundig archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
Artikel 18 Waarde - Archeologie 6 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Archeologie 6 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.
18.2 Bouwregels 18.2.1 Verbod Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders te bouwen of te laten bouwen op de voor Waarde - Archeologie 6 mede bestemde gronden. 18.2.2 Uitzonderingen Het onder 18.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:
a.
de oppervlakte van de bebouwing die daar kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en)niet meer dan 1,5 ha bedraagt, en waarbij de bebouwing de bodem niet dieper dan 50 cm roert (en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst).
18.3 Afwijken van de bouwregels 18.3.1 Afwijking Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het verbod in 18.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits op basis van deskundig archeologisch onderzoek in voldoende mate blijkt dat: a.
de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
b.
er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
c.
de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
18.3.2 Beperkingen Burgemeester en wethouders kunnen de afwijking onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de afwijking verbinden:
a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
b.
de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
66
c.
de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door de burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
18.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.4.1 Vergunningenplicht Het is verboden, op of in de in 18.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
a.
het vergraven en egaliseren van gronden;
b.
het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters;
c.
het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
d.
het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen;
e.
het aanbrengen van leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
f.
het ophogen van gronden en aanleggen van (geluids)wallen;
g.
werken en werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of ten gevolge hebben, zoals uitdiepen, draineren en slaan van putten.
18.4.2 Toelaatbaarheid Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in 18.4.1 mag alleen worden verleend, indien door de uitvoering van de werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan, hetzij direct hetzij indirect, te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. Vooraf dient door aanvrager van de omgevingsvergunning een deskundig archeologisch rapport overgelegd te worden waaruit naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat:
a.
de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of
b.
er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
c.
de archeologische waarden net onevenredig worden geschaad.
18.4.3 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 18.4.1 is vereist voor werken of werkzaamheden: a.
die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
67
b.
die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning;
c.
werken en werkzaamheden die betrekking hebben op plangebieden die niet groter zijn dan 1,5 ha en ingrepen die niet dieper dan 50 cm de bodem verstoren.
18.4.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Waarde - Archeologie 5' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van deskundig archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
68
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 19 Waterstaat - waterstaatkundige functie 19.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waterstaat - waterstaatkundige functie aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor:
a.
watergangen, waterpartijen, oevers en taluds, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, instandhouding en ontwikkeling van daar voorkomende natuur- en landschapswaarden.
met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen.
19.2 Bouwregels Binnen deze dubbelbestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze dubbelbestemming worden gebouwd waarbij de volgende regels gelden: a.
de bouwhoogte van scheepvaarttekens niet meer dan 15 m mag bedragen;
b.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer dan 2,5 m mag bedragen.
19.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 19.2 ten behoeve van het bouwen van bouwwerken ten dienste van de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, met dien verstande dat:
a.
voorafgaande aan de bouw het bevoegde waterstaatsgezag daarover is geraadpleegd;
b.
de waterstaatkundige belangen zich daar tegen niet verzetten.
19.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 19.4.1 Vergunningenplicht Het is verboden, op of in de in 19.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
a.
het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas;
b.
het zaaien of inplanten van bomen en/of andere houtopstanden;
c.
het ontgronden, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden;
d.
het graven, vergraven, verbreden of dempen van watergangen en poelen;
e.
het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, met uitzondering van het
69
aanbrengen van leidingen uitsluitend ten behoeve van de aansluiting van gebouwen op het openbare voorzieningennet.
19.4.2 Toelaatbaarheid Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in 19.4.1 mag alleen worden verleend, indien:
a.
indien door de werken of werkzaamheden of door de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen gevaar of nadeel ontstaat voor de waterstaatkundige functie;
b.
nadat het bevoegde waterstaatsgezag daarover is geraadpleegd.
19.4.3 Uitzonderingen Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 19.4.1 is vereist voor werken of werkzaamheden:
a.
betrekking hebben op stroomgeleidende werken;
b.
noodzakelijk zijn voor het aanbrengen van waterverlichting en bebakeningsvoorwerpen;
c.
het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
d.
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
70
Artikel 20 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 21 Algemene bouwregels 21.1 Bestaande bebouwing Indien de bestaande bebouwing op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan afwijkt van de in de planregels gegeven regels, mag in afwijking van deze regels, de bestaande:
1.
goot- en bouwhoogte;
2.
oppervlakte van een bouwwerk;
3.
oppervlakte van een bouwvlak;
4.
inhoud;
5.
afstanden,
als maximaal toelaatbaar worden aangehouden, mits deze afwijkende maatvoering, inhoud of oppervlakte op een legale wijze bij of krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening, Wet ruimtelijke ordening en -voorzover van toepassing- de Woningwet of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen.
21.2 Hogere waarde geluid Wanneer bij uitwerkingsplannen een besluit hogere waarde geluid moet worden vastgesteld, geldt het volgende: a.
Bij de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning gelden de regels zoals opgenomen in de beleidsregels ‘Aanvaardbaar woon- en leefklimaat’;
b.
Bij de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder a worden de beleidsregels betrokken, zoals die op het moment van indiening van de aanvraag gelden.
Artikel 22 Algemene gebruiksregels 22.1 Gebruik a.
Het is verboden de gronden of opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aan de grond gegeven bestemming;
b.
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt niet verstaan het gebruiken van een bijbehorend bouwwerk bij een woning ten dienste van bewoning door een persoon die vanwege zijn gezondheidstoestand is aangewezen op de niet bedrijfsmatige zorg van een bewoner van de woning;
c.
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van:
1.
gebouwen ten behoeve van een seksinrichting;
71
2.
gebouwen ten behoeve van een internetwinkel met afhaalpunt;
3.
vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woonruimte;
4.
gronden als staanplaats voor onderkomens;
5.
gronden als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen, materialen en producten, voor zo ver niet noodzakelijk in verband met het normale beheer en onderhoud van de gronden;
22.2 Parkeergelegenheid en laad - en losmogelijkheid a.
Bij het beoordelen van een aanvraag omgevingsvergunning voor gebruik, bouwen of afwijken dient, indien de omvang of de bestemming van een gebouw en/of het terrein daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, motorfietsen, fietsen, of andere voertuigen, op eigen terrein in voldoende mate ruimte zijn aangebracht op of onder het gebouw, en/of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw of terrein behoort. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. De parkeergelegenheid bij het beoordelen van een aanvraag omgevingsvergunning voor gebruik, bouwen of afwijken wordt bepaald aan de hand van de Beleidsregels 'Parkeren Urk' zoals deze gelden op het moment van de indiening van de aanvraag;
b.
De onder a bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare auto's. Aan deze eis wordt voldaan door vast te houden aan de richtlijnen en maatvoering conform de Beleidsregels 'Parkeren Urk' of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s);
c.
Indien de bestemming van een gebouw of het terrein aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort;
d.
Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde onder a, b en c:
1.
indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en
2.
voor zover op andere redelijke wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien; en
3.
dient daarbij te voldoen aan de afwijkingsregels als opgenomen in de Beleidsregels 'Parkeren Urk' of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
e.
Ruimte(n) voor het bepaalde onder a, b en c dient, voor zover de aanwezigheid van deze ruimten krachtens deze regels nodig is, beschikbaar te blijven. Ander gebruik wordt aangemerkt als strijdig gebruik met de bestemming.
72
22.3 Ecologisch waardevolle zones a.
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
1. het gebruiken of het laten gebruiken van het op zodanig wijze aanbrengen van openbare verlichting, terreinverlichting, dan wel andere kunstmatige verlichting op gronden en/of aan bouwwerken langs de Urkervaart, niet zijnde vervanging van reeds voor het van kracht worden van dit bestemmingsplan aanwezige verlichting, waardoor de vliegroute van vleermuizen, zijnde de gronden op de verbeelding aangeduid met de aanduiding 'ecologie' niet meer als zodanig zal worden gebruikt; 2. het aanpassen van de oevers waardoor de op de verbeelding aangeduide gronden met de aanduiding 'ecologie' niet meer als zodanig zullen worden gebruikt; b.
Met het oog hierop dient bij het aanbrengen van nieuwe verlichting langs de Urkervaart of het aanpassen van de oevers uit een door een deskundige opgestelde verklaring of rapport te blijken, dat deze verlichting of aanpassingen het leefgebied van de vleermuis, wezel of rugstreeppad niet zodanig zal verstoren, dat het gebruik hiervan afneemt.
22.4 Afwijken van de gebruiksregels 22.4.1 Internetwinkels Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in artikel 21.1 ten behoeve van het toestaan van internetwinkels met afhaalpunt, mits wordt aangetoond dat:
a.
er sprake is van een 'aanvaardbare uitstraling' van de internetwinkel', zoals aangegeven in de beleidsregels 'Internetwinkels';
b.
bij de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder a worden de beleidsregels betrokken zoals die op het moment van indiening van de aanvraag gelden.
Artikel 23 Algemene afwijkingsregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de regels van het plan ten behoeve van:
a.
het aanbrengen van geringe wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bebouwingsgrenzen, voor zover niet zijnde bestemmingsgrenzen, mits het wijzigingen betreft ten behoeve van de praktische uitvoering van het plan, waarbij belangen van derden niet onevenredig worden geschaad, dan wel ter correctie van afwijkingen of onnauwkeurigheden in de analoge verbeelding;
b.
het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van palen en masten, met een hoogte van niet meer dan 12 meter.
c.
het verhogen van het woningaantal per deelgebied met maximaal 10 woningen, mits hierbij het totale aantal woningen voor het totale plangebied het maximum van 1650 woningen niet wordt overschreden.
73
Artikel 24 Algemene wijzigingsregels 24.1 Algemeen Met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, sub a, Wet ruimtelijke ordening kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen voor wat betreft het aanbrengen van geringe wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen, mits het wijzigingen betreft ten behoeve van de praktische uitvoering van het plan, waarbij belangen van derden niet onevenredig worden geschaad, dan wel ter correctie van afwijkingen of onnauwkeurigheden in de verbeelding. 24.1.1 Wijziging aantal woningen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening de hoeveelheid woningen in het plangebied te verhogen tot maximaal 1775 mits:
a.
Er op basis van een geactualiseerde ladderonderbouwing is aangetoond dat er behoefte is aan extra woningen
b.
er als gevolg van een hoger aantal woningen geen belemmeringen optreden voor:
1. de verkeersafwikkeling, met name van en naar de Domineesweg en Urkerweg; 2. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 3. de verkeersveiligheid; 4.de milieusituatie; 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; 6. de sociale veiligheid; 7. de duurzaamheid; 8. externe veiligheid; 9. ecologie. 10. de parkeervoorzieningen
Artikel 25 Overige regels 25.1 Algemene nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering van bebouwing en beplanting in verband met het in acht te nemen van afstanden tot wegen ten aanzien van verkeersveiligheid en in verband met het in acht nemen van afstanden tot watergangen.
25.2 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze gelden op het moment van vaststelling van dit plan.
74
Hoofdstuk 4 Hogere grenswaarden Wet geluidhinder Artikel 26 Hogere grenswaarden verkeerslawaai 26.1 Hogere waarde bestaande woning Met het vaststellen van dit bestemmingsplan wordt, gebruikmakend van artikel 7c, lid 9 van het Besluit uitvoering Crisis en herstelwet, ter hoogte van de volgende bestaande woningen de daarbij aangegeven hogere grenswaarden ingevolge artikel 83, lid 1 van de Wet geluidhinder vastgesteld:
Woning
Maatgevende weg
Hogere grenswaarde (Lden)
Urkerweg 60
Urkerweg (N351)
58 dB
26.2 Overige zone - hogere waarde geluid 58 dB a.
Met het vaststellen van dit bestemmingsplan wordt, gebruikmakend van artikel 7c, lid 9 van het Besluit uitvoering Crisis en herstelwet, ter plaatse van de volgende aanduiding de daarbij aangegeven hogere grenswaarde ingevolge artikel 83, lid 1 van de Wet geluidhinder vastgesteld:
Aanduiding
Maatgevende weg
Hogere grenswaarde (Lden)
'Geluidszone - Weg -
Ensgat
58 dB
Hogere Waarde Geluid
Urkerweg
58 dB
58dB'
Michiel de Ruyterallee
58 dB
b.
Bij de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'geluidszone - weg - hogere waarde geluid 58dB' gelden de regels zoals opgenomen in de beleidsregels 'Aanvaardbaar woon- en leefklimaat'.
26.3 geluidzone - weg - geluidsgevoelige zone a.
Binnen de zone 'geluidzone - weg - geluidsgevoelige zone' mogen geen geluidsgevoelige functies worden opgericht, tenzij voldaan is aan de eisen zoals gesteld in de beleidsregels 'Hogere Waarde geluid' en 'Goed Woon en leefklimaat'.
75
Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotregels Artikel 27 Overgangsrecht 27.1 Overgangsrecht bouwwerken 1.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a.
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b.
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
2.
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
27.2 Overgangsrecht gebruik 1.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
2.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
3.
Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 28 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Herziening Zeeheldenwijk'.
76