Bijlage 8 Tussenrapportage archeologisch sleuvenonderzoek
Tekst van het document
RAAP-RAPPORT 5827
Plangebied Zeeheldenwijk (fase 1) Gemeente Urk Tussenrapportage proefsleuvenonderzoek, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Colofon Titel: Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; tussenrapportage, proefsleuvenonderzoek, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen Versie: 13-05-2022 Auteur: H.B.G. Scholte Lubberink met een bijdrage van A. Muller (ADC ArcheoProjecten) Projectcode: URAD7 Bestandsnaam: RAAPrap_5827_URAD7_20220513 Autorisatie RAAP: A. Haarhuis
Autorisatie opdrachtgever
Autorisatie bevoegd gezag
ISSN: 0925-6229
RAAP Leeuwenveldseweg 5b
Telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
E-mail: raap@raap.nl
Postbus 5069
Website: www.raap.nl
1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2022 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen. Er is geen verklaring ontvangen van het bevoegd gezag omtrent goed - of afkeuring van het rapport.
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Samenvatting In opdracht van de gemeente Urk heeft RAAP een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de eerste ontwikkelingsfase van het project Urk-Zeeheldenwijk in de gemeente Urk (figuur 1). Dit onderzoek is noodzakelijk in verband met de voorgenomen werkzaamheden die een bedreiging kunnen vormen voor eventueel in de ondergrond aanwezige archeologische resten. Het onderzoek is gefaseerd uitgevoerd en bestond uit een archeologische begeleiding variant proefsleuven van het uitgraven van weg- en leidingcunetten (22 december 2022 tot 1 februari 2022 en 4 mei 2022), 1 een aanvullend booronderzoek (avegaarboringen; 13 tot 24 januari 2022) 2 en het graven van proefsleuven (10 maart tot 29 april 2022). 3 Tijdens onderzoek (begeleiding, aanvullende avegaarboringen en proefsleuvenonderzoek) in fase 1 van de ontwikkeling van de Zeeheldenwijk te Urk zijn in twee gebieden behoudenswaardige archeologische resten uit het mesolithicum en eventueel ook het vroeg-neolithicum vastgesteld. Het gaat om een gebied met verspreide grondsporen en vondsten ter hoogte van deelgebied 2 en om een gebied met clusters van grondsporen (haardkuilen en paalsporen) en verspreide vondsten ter hoogte van deelgebied 3-noord en deelgebied 4-zuid. In dit gebied zijn mogelijk tevens resten (paalsporen) van hutplattegronden uit het mesolithicum of vroeg-neolithicum blootgelegd.
Aan de noordzijde van de zone met grondsporen is door middel van aanvullende avegaarboringen een gebied met vuursteenvondsten in kaart gebracht. Niet uitgesloten is dat zich daar op een diepte van circa -7/-8 m NAP behoudenswaardige resten uit het mesolithicum bevinden. De overige delen van Zeeheldenwijk fase 1 bleken sterk aangetast door aftopping (egalisatie en afgraving) als gevolg van langdurig agrarisch gebruik, maar ook door natuurlijke erosie/verspoeling. Hier zijn uitsluitend nog sporadische archeologische resten te verwach ten op de steile duinflanken die gespaard zijn gebleven en waar nog natuurlijke bodemhorizonten resteren. De door aftopping en erosie aangetaste gebiedsdelen zijn als niet behoudenswaardig gewaardeerd. Op basis van het onderzoek en de waardestelling wordt het volgende selectieadvies gegeven:
Vrijgeven van de als niet behoudenswaardig gewaardeerde delen van het plangebied.
Opgraven van de als behoudenswaardig gewaardeerde gebiedsdelen: deelgebied 2 en deelgebieden 3-noord en 4-zuid indien langdurig behoud niet mogelijk is.
Aanvullend onderzoek (opgraven) als het gebied met vuurste envondsten dieper dan -6 m NAP ten noorden van de behoudenswaardige deelgebieden 3 -noord en 4-zuid door bodemingrepen aangetast wordt. In verband met de aanleg van een watergang waarvan de smalle bodem vermoedelijk net tot in de top van het vondstniveau re ikt, wordt in eerste instantie een archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden aanbevolen . Het is hierbij van belang dat de sloot droog wordt ontgraven (bronbemaling) om goede archeologische waarnemingen te kunnen verrichten.
1 2 3
RAAP-projectcode URAD9. RAAP-projectcode URAD11. RAAP-projectcode URAD7.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[3]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 4 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 7 1.1 Administratieve gegevens ..................................................................................................................... 9 1.2 Voorafgaand onderzoek ....................................................................................................................... 9 1.3 Doelstellingen en onderzoeksvragen ....................................................................................................13
2 Aanvullende avegaarboringen ......................................................................................................... 19 2.1 Inleiding .............................................................................................................................................19 2.2 Methoden ...........................................................................................................................................20 2.3 Resultaten ..........................................................................................................................................21
3 Archeologische begeleiding ............................................................................................................ 23 3.1 Inleiding .............................................................................................................................................23 3.2 Resultaten ..........................................................................................................................................23
4 Methoden proefsleuvenonderzoek ................................................................................................... 25 4.1 Algemeen ...........................................................................................................................................25 4.2 Werkputten .........................................................................................................................................25 4.3 Documentatie en registratie .................................................................................................................28 4.4 Behandeling van sporen ......................................................................................................................28 4.5 Behandeling van vondsten ...................................................................................................................29 4.6 Behandeling van profielen ...................................................................................................................29 4.7 Bemonstering .....................................................................................................................................30 4.8 Uitwerking ..........................................................................................................................................30 4.9 Afwijking en aanpassing van de
onderzoeksstrategie ............................................................................31
5 Resultaten proefsleuvenonderzoek ................................................................................................. 32 5.1 Geologie, geomorfologie en bodemgesteldheid .....................................................................................32 5.2 Deelgebied 1 ......................................................................................................................................34 5.3 Deelgebied 2 ......................................................................................................................................36 5.4 Deelgebied 3 en het zuidelijke deel van gebied 4 .................................................................................38 5.5 Deelgebied B/deelgebied 5 ..................................................................................................................43 5.6 AMK-terrein 1693 ................................................................................................................................44 5.7 Vondstspreiding ..................................................................................................................................45
6 Gebiedsspecifieke waardering ........................................................................................................ 47 6.1 Inleiding .............................................................................................................................................47 6.2 Samenvatting gebiedsspecifiek verwachtingsmodel ..............................................................................47 6.3 Selecteren voor behoud ex situ op basis van maximalisering van kenniswinst. Waarderingsschema maatwerk Urk–Zeeheldenwijk en Port of Urk .........................................................................................50 6.4 Waardering deelgebied 1 .....................................................................................................................58 6.5 Waardering deelgebied 2 .....................................................................................................................59 6.6 Waardering deelgebied 3-zuid .............................................................................................................60 6.7 Waardering deelgebied 3-noord/deelgebied 4-zuid ...............................................................................61 6.8 Waardering deelgebied B/gebied 5-zuid ...............................................................................................62
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[4]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
6.9 Waardering AMK-terrein 1693 ..............................................................................................................63
7 Conclusie ....................................................................................................................................... 64 8 Selectieadvies ................................................................................................................................ 65 Literatuur .......................................................................................................................................... 66 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ..................................................................... 69
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[5]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Figuur 1. De ligging van het plangebied (stippellijn) met daarbinnen fase 1 (raster) waarop deze rapportage betrekking heeft. Inzet: ligging in Nederland (ster).
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[6]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
1 Inleiding In opdracht van de gemeente Urk heeft RAAP een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de eerste ontwikkelingsfase van het project Urk-Zeeheldenwijk in de gemeente Urk (figuur 1). Dit onderzoek is noodzakelijk in verband met de voorgenomen werkzaamheden die een bedreiging kunnen vormen voor eventueel in de ondergrond aanwezige archeologis che resten. Het onderzoek is gefaseerd uitgevoerd en bestond uit een archeologische begeleiding variant proefsleuven van het uitgraven van weg- en leidingcunetten (22 december 2022 tot 1 februari 2022 en 4 mei 2022), 4 een aanvullend booronderzoek (avegaarboringen; 13 tot 24 januari 2022) 5 en het graven van proefsleuven (10 maart tot 29 april 2022). 6 Plangebied Zeeheldenwijk wordt gefaseerd ontwikkeld. Inmiddels is al begonnen met de voorbereidende civieltechnische werkzaamheden ten behoeve van de eerste fase, waarvoor het stedenbouwkundige plan vastgesteld is (figuur 2). Aan de westzijde wordt het plangebied van het bedrijventerrein 'Zwolschehoek' gescheiden door een watergang, de Zuidermeertocht. A an de oost- en zuidzijde grenst het plangebied aan het landelijk gebied, waarvan het zuidelijk deel getransformeerd zal worden naar een nieuw Binnendijks bedrijventerrein.
Aan de noordzijde van de Urkerweg/Urkervaart behoren de gronden van de kinderboerderij De Stekplek (Urkerweg 62) waar een busstation met ontsluitingsweg gerealiseerd zal worden eveneens tot het plangebied. De aanleg van de Zeeheldenwijk leidt tot verstoring van de bodem, waarbij archeologische resten verloren kunnen gaan. In het betreffende bestemmingsplan (Zeeheldenwijk, vastgesteld 2021-09-07) heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1 (ingrepen toegestaan tot 30 cm) Waarde-Archeologie 2 (ingrepen toegestaan tot 50 m 2 en 30 cm diep) en Waarde-Archeologie 3 (ingrepen toegestaan tot 50 m 2 en 50 cm diep). Omdat bij de geplande ontwikkeling de vrijstellingsgrenzen overschreden worden, is archeologisch onderzoek verplicht gesteld. Voor het onderhavige archeologische onderzoek treedt de provincie Flevoland op als bevoegd gezag. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de erfgoedwet. Onderzoeksdocumentatie en vondstmateriaal zullen worden overgedragen aan het depot voor bodemvondsten van de provincie Flevoland. Voorafgaand aan het onderzoek is, conform de KNA een Programma van Eisen (PvE) opgesteld. 7 Dit PvE diende als uitgangspunt voor het onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep.
De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als norm. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems). Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.
4
RAAP-projectcode URAD9. RAAP-projectcode URAD11. RAAP-projectcode URAD7. 7 Ten Anscher 2021e. 5 6
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[7]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Figuur 2. Stedenbouwkundigplan Urk-Zeeheldenwijk (fase 1). Het geplande busstation is aangegeven met een pijl.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[8]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
1.1 Administratieve gegevens Plangebied
Zeeheldenwijk fase 1
Opdrachtgever
gemeente Urk
Contactpersoon opdrachtgever
K. van Wieringen (gemeente Urk)
Directievoering
B. Goudswaard/S. van Gurp (The Missing Link)
Bevoegde overheid
Provincie Flevoland
Contactpersoon bevoegde overheid
M.-C. Houkes (provincie Flevoland)
Plaats
Urk
Gemeente
Urk
Provincie
Flevoland
Coördinaten
172.200/520.000
Toponiem
Zeeheldenwijk
Perioden veldwerk
archeologische begeleiding: 22-12-2021 tot 01-02-2022 aanvullend booronderzoek: 13-01-2022 tot 24-01-2022 proefsleuvenonderzoek: 10-03-2022 tot 29-04-2022
Projectleiding
H.B.G. Scholte Lubberink & M. Hendriksen
Projectmedewerkers
archeologische begeleiding: H. Vastenhoud, T. van Rooij & F. van der Wal aanvullend booronderzoek: H. Vastenhoud & F. van der Wal. Een deel van het booronderzoek is uitgevoerd door een team van ADC ArcheoProjecten onder leiding van B. Jansen proefsleuvenonderzoek: A. Brinkman, B. Gabriëls, J. Groen, J. Jetses, E. Mol, H. Molthof, O. Nuij, W. van Veen, F. van der Wal & Y. de Vries
Onderzoeksmeldingsnummer
5159477100
Bewaarplaats documentatie en eventuele vondsten
RAAP Oost en op termijn ARCHIS, E-Depot en het provinciaal depot voor bodemvondsten van de provincie Flevoland (in geval van vondsten)
Tabel 1. Administratieve gegevens.
1.2 Voorafgaand onderzoek 8 Voor het plangebied is een uitgebreide archeologische verwachting voorhanden die aangescherpt 9 is op basis van voortschrijdend inzicht 10 en op basis van het aanvullende inventariserende booronderzoek. 11 Door de booronderzoeken die in het plangebied uitgevoerd zijn, i s gedetailleerd inzicht verkregen in de morfologie van het plangebied. Er bevinden zich rivierduinen in/op een dekzandlaagte. De hoogste delen van de rivierduinen kunnen tot circa -3,5 m NAP gereikt hebben, maar zijn in recente tijd door agrarisch gebruik getopt: het huidige maaiveld bevindt zich op circa -4,2 tot -4,5 m NAP. Tussen twee rivierduincomplexen ligt centraal in de noordelijke helft van het plangebied een diepe zuid -noord gerichte depressie, met een aftakking in het noordwesten. Deze laagte duik t richting het rivierdal van
8
Overgenomen uit Ten Anscher 2022. Ten Anscher 2021a. Ten Anscher 2021b. 11 Ten Anscher 2022. 9
10
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[9]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
de Vecht, waarvan de stroomdraad zo’n 150 m ten noorden van het plangebied ligt, verder naar beneden. De dekzandlaagte veranderde in de loop van het mesolithicum gaandeweg in een laagveenmoeras (herkenbaar aan rietveen: Basisveen). De snelheid waarmee dit gebeurde, kan vrij betrouwbaar gereconstrueerd worden aan de hand van de regionale grondwatercurve ( zie figuur 3).
Figuur 3. Grondwatercurve (Ten Anscher 2012 fig. 14.1: naar Roeleveld & Gotjé 1993, fig.4.5, met aanvullingen).
Op zijn vroegst tegen het einde van het zesde millennium (gedurende het laat -mesolithicum) werd de veensedimentatie onderbroken: onder invloed van getijdewerking (de open kust lag destijds circa 20 km westelijk van Urk) is in het plangebied een tot enkele meters dik pakket Unio I -klei afgezet. De Unio Iklei is op basis van aanwijzingen in oostelijke Flevoland en Noord -Holland tussen 5100-4100 voor Chr. (6200-5300 BP) 12 afgezet. Dit geeft de maximale sedimentatieduur aan; in het plangebied kan die duur veel korter geweest zijn en kan bijvoorbeeld de kleisedimentatie eerder zijn opgehouden (zie hieronder). Na de periode van Unio I-kleisedimentatie veranderde het plangebied gaandeweg in een broekbos (Hollandveen) dat uiteindelijk de rivierduinen geheel overdekte. Het veenmoeras maakte in de loop van de bronstijd eerst plaats voor een meer, en later voor zee, wat in het plangebied herkenbaar is aan een opeenvolging van detritusgyttja’s (Flevomeer-afzettingen), gelaagde zand- en kleipakketten (Almereafzettingen) en zandige kleiafzettingen (Zuiderzee-afzettingen).
12
Zie o.a. Gotjé 1993, 109.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[10]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Op basis van het lokale zanddieptemodel, de (oorspronkelijke) hoogten van de aanwezige rivierduinen en de regionale grondwatercurve is een inschatting te geven van de maximale gebruiksperiode van het plangebied: vanaf het laat-paleolithicum (circa 12.500 voor Chr.) tot op zijn laatst nog tegen het einde van de midden-neolithische Trechterbekercultuur (uiterlijk 2800 voor Chr.; zie ook tabel 2). datering BP / cal BC
droog/nat grens (-NAP)
periode/cultuur
7000/6000
>10,0 m
laat-mesolithicum
6000/4900
7,5 m
vroeg-neolithicum/Swifterbantcultuur (SW 1)
5600/5500/4400
6,3 m
vroeg-neolithicum/Swifterbantcultuur (SW 2)
5100/3900
5,4 m
midden-neolithicum/Pre-Drouwen Trechterbekercultuur (TRB)
4650/3400
4,2 m
midden-neolithicum/klassieke Trechterbekercultuur (TRB)
4100/2800
3,5 m
laat-neolithicum/Enkelgrafcultuur (EGK)
Tabel 2. Een indicatie van de gemiddelde nat -droog grens voor de relevante archeologische perioden/fasen, afgeleid van de regionale grondwatercurve.
Het is echter waarschijnlijk dat het gebied al veel eerder werd opgegeven, bijvoorbeeld tijdens de PreDrouwener fase van de Trechterbekercultuur (TRB), of tegen het einde van de vroeg-neolithische Swifterbantcultuur (SW), of wellicht nog enkele eeuwen eerder. De aantrekkelijkheid van de rivierduinen als bewoningslocaties speelde hierbij een belangrijke rol. Een rivierduin dat aan alle kanten omgeven was door een brede zone moerasbos was niet of nauwelijks bereikbaar en daarmee onaantrekkelijk voor bewoning/gebruik. 13 Een verbinding met open water was essentieel. Maar vanaf wanneer en tot hoelang waren de rivierduinen via water ontsloten? Dat is vaak niet te achterhalen: eventuele waterlopen in het omringende veenmoeras (veenstroompjes) zijn archeologisch niet of nauwelijks herkenbaar, maar kunnen wel bepalend geweest zijn voor aan - of afwezigheid van toenmalige bewoning/gebruik. Door de in het plangebied aanwezige Unio I -klei te karteren, kon althans voor de periode 5100-4100 voor Chr. een indruk worden verkregen van de ligging van open water en oeverzones. Totdat het open water verlandde/verveende, kunnen de rivierduinen destijds redelijk toegankelijk geweest zijn. De Unio-klei hoeft echter niet wijzen op structurele aanwezigheid van open water, en dat gedurende een periode van wel duizend jaar of meer.
In de periode waarin de Unio I -klei tot afzetting kwam, was rond de rivierduinen misschien wel sprake van slechts een periodiek met water overdekte, moerassige overstromingsvlakte, met daarbinnen, daar waar de kleipakketten het dikst zijn, één of meer vanuit de loop van de Vecht doorgebroken crevasses. Die hoeven niet gelijktijdig ontstaan te zijn. Over het algemeen zijn crevasses betrekkelijk kort watervoerend. Dan zouden de rivierduinen tegen het eind van het mesolithicum en gedurende het vroege neolithicum, voor zover toen via een crevasse ontsloten, ook maar betrekkelijk kort aantrekkelijke vestigingslocaties geweest kunnen zijn. Het betreft dan niet alle rivierduinen in het plangebied, en voor zover deze toen wel ontsloten waren via water, hoeft dat dus niet per se gelijktijdig het geval geweest te zijn. Welk scenario juist is, is zonder zeer tijdrovend micromorfologisch onderzoek (slijpplaten) niet te achterhalen. Overigens betekent een goede ontsluiting via water niet per definitie dat een rivierduin ook (tijdelijk) bewoond of gebruikt moet zijn geweest. Aan de in het plangebied aanwezige rivierduinen is voor de hierboven aangegeven periode een hoge verwachting toegekend voor vondsten en nederzettingssporen (waaronder haardkuilen en paalsporen van hutplattegronden; indien na circa 4300 voor Chr. nog sprake zou zijn van bewoning, zijn ook 13
Ten Anscher 2012, 534-535.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[11]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
sporen van huizen en akkers mogelijk). Als ondergrens van de rivierduinen is de -8,0 m NAP-isolijn van het zanddieptemodel aangehouden. Bij het gebied met een hoge verwachting hoort tevens een zone van maximaal 15 m rond de rivierduinen, die in drogere seizoenen nog belopen kan zijn en waarin afval terecht gekomen kan zijn. Langs de randen van water, de oeverzones, zijn de aanlegplaatsen te verwachten, met resten van kano’s en andere afgedankte (houten) objecten. Mogelijk waren dieper in open water visweren en visfuiken geplaatst. Aan deze zone met watergebonden archeologische fenomenen, die gekarteerd is op basis van de verspreiding van dikkere Unio I-pakketten, is een middelhoge verwachting toegekend. Aan het resterende gebied, de dekzandvlakte, is een lage verwachting toegekend. Het onlangs uitgevoerde karterende booronderzoek in gebieden met een hoge verwachting (rivierduinen) heeft onmiskenbare aanwijzingen voor laat -mesolithische en vroeg-neolithische (Swifterbant-)vindplaatsen opgeleverd. 14 Het onderhavige onderzoek richt zich op gebieden waar naast houtskool, verbrande klei, bot, natuur- en vuursteen aangetroffen kunnen zijn. Het gaat om: -
het zuidwestelijke rivierduin (deelgebied 1);
-
het grote westelijke rivierduin (deelgebied A, 2, 3 en het zuidwesten van deelgebied 4);
-
de zuidelijke helft van het meest zuidelijke van de twee noordoostelijke rivierduinen (deelgebied B en het zuidoosten van deelgebied 5).
Daarnaast is een AMK-terrein (monumentnummer 1693) aan de noordzijde van de Urkervaart, waar een nieuw busstation gerealiseerd gaat worden, onderdeel van het onderzoek in fase 1 van de Zeeheldenwijk. Voor de ligging van de deelgebieden wordt verwezen naar figuur 4.
Soort onderzoek
Uitvoerder
Rapportage
bureau- en verkennend booronderzoek
Buro de Brug
Sueur, Brijker & Overmars, 2017
verkennend en karterend booronderzoek
ADC
Bouter, 2020
proefsleuvenonderzoek
Econsultancy
Bringmans 2019
bureau- en verkennend booronderzoek
Econsultancy
Holl, 2020a
verkennend en karterend booronderzoek
Econsultancy
Holl, 2020b t/m g
bureauonderzoek
RAAP
ten Anscher 2021a, c en d
aanvullend verkennend booronderzoek
RAAP
Ten Anscher 2021b
proefsleuvenonderzoek- variant archeologische begeleiding
RAAP
Te Kiefte 2021
karterend booronderzoek
RAAP
Ten Anscher 2022
Tabel 3. Overzicht van voorgaande voor het plangebied relevante onderzoeken .
14
Ten Anscher 2022.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[12]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Figuur 4. Deelgebieden Zeeheldenwijk fase 1.
1.3 Doelstellingen en onderzoeksvragen 1.3.1 Doelstellingen Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd om vast te stellen of zich binnen fase 1 van plangebied Zeeheldenwijk (figuur 1) behoudenswaardige archeologische resten bevinden. Het doel is inzicht te verkrijgen in de precieze aard, omvang, diepteligging en datering van de archeologische resten, en te bepalen of het gaat om behoudenswaardige vindplaatsen. In het Programma van Eisen (PvE) zijn
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[13]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
hiervoor onderzoeksvragen geformuleerd (zie § 1.3.3). 15 Bovendien dient duidelijk gemaakt te worden wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied.
Figuur 5. Aanleg van een proefsleuf in de Zeeheldenwijk fase 1. Op de voorgrond de venige flank van het grote westelijke rivierduin met een bemonsterd vierkantemetervak op de achtergrond het dagzomende duinzand.
1.3.2 Onderzoeksthema’s Het voorliggende onderzoek was zowel karterend als waarderend van aard. De vraagstelling is dan ook vooral gericht op de omvang, diepteligging, aard en ouderdom van eventueel in het plangebied aanwezige vindplaatsen, en op het bepalen van de behoudenswaardigheid daarvan. Het onderzoek was tevens nadrukkelijk thema-gericht. Uitgangspunt voor de keuze van de onderzoeksthema’s is de kans op kenniswinst, wat leidt tot een keuze voor de volgende thema ’s: Neolithisering: de overgang van jager-visser-verzamelaar-gemeenschappen met een mobiele levenswijze naar een bestaan waarin het accent op jagen, vissen en verzamelen verschuift naar een sedentair bestaan waarin veehouderij en graanverbouw gaandeweg een steeds grote rol gaan spelen; periode: laat-mesolithicum/vroeg-neolithicum (Swifterbantcultuur). Vooral op het gebied van grondsporen (huisplattegronden, graven/grafvelden en akkers) is veel kenniswinst te behalen, en de
15
Ten Anscher 2021e.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[14]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
onderzoeksgebieden bieden juist gelegenheid om vrij omvangrijk onderzoek naar grondsporen verantwoord te kunnen doen, vanwege de (ogenschijnlijke) relatieve schaarste aan vondsten . Het huidige beeld van de neolithisering is dat in de noordelijke helft van ons land grofweg rond 4900 voor Chr. het oudste aardewerk verscheen, en dat rond 4500 voor Chr. vee, en rond 4300/4200 voor Chr. graan geïntroduceerd worden. In de bestaanseconomie gaat het gedomesticeerde aandeel gaandeweg domineren, maar jagen, vissen en verzamelen blijven belangrijke mi ddelen van bestaan. Huizen lijken niet voor 4300 voor Chr. te verschijnen. Huizen, graanverbouw en de overgang naar meer sedentair systeem met behalve seizoenskampementen ook permanente nederzettingen die beide, samenhangend met de desbetreffende sitefunctie, andere facetten van de bestaanseconomie laten zien. De sitefunctie, tijdelijke kampementen of satellieten en permanent bewoonde hoofnederzettingen, is te herleiden uit grondsporen: aanwijzingen voor de aanwezigheid van onderkomens (hutten of huizen), en/of uit kenmerken van de materiële cultuur: de aanwijzingen voor (seizoens)gebruik op basis van vooral (de samenstelling van) het archeozoölogisch materiaal, het (vuur)steenmateriaal (aanwijzingen voor jacht(voorbereiding) of juist vooral “verwerking”), en de samenstelling van het aardewerk (het aandeel dunwandig materiaal).
Uitgaande van het bovenstaande beeld zijn stadia te herleiden uit aanwijzingen voor de bestaanseconomie (het archeozoölogische en archeobotanische spectrum): de aanwezigheid van een gedomesticeerde component, dat wil zeggen, aanwijzingen voor huisdieren (rund, schaap/geit en met name huisvarken, en vermoedelijk ook de verhouding rundvee/varkens) en geteelde gewassen (granen). De graan-component kan ook uit blijken de aanwezigheid van ak kergronden: in grondsporen eventueel te herkennen aan haksporen , en verder herkenbaar op basis van chemische en micromorfologische indicatoren. Voorts biedt met name het aardewerk een ingang voor een fasering op technologische en typologische gronden. 14 C-dateringen zijn van belang om de geldigheid van het hierboven geschetste algemene beeld van de neolithisering (bijvoorbeeld “graanverbouw en huizen dateren rond 4300 v oor Chr. of later”) te kunnen falsifiëren. Eénfasige/kortstondig gebruikte mesolithische vindplaatsen en mesolithische vindplaatsen met een onverbrande dierlijke en plantaardige component : De eerstgenoemde categorie is uiterst zeldzaam of onbekend, niet omdat éénfasige vindplaatsen niet bestaan zullen hebben, maar vanwege methodische problemen: het is meer een herkenningsprobleem dan een ontdekkingsprobleem.
In het mesolithicum is naar het zich laat aanzien alleen sprake geweest van tijdelijke nederzettingen, die echter in tijdsduur aanmerkelijk gevarieerd zullen hebben: van een oponthoud van minder dan een dag of enkele dagen tot een seizoen. De aard van een kampement heeft een relatie met gebruiksduur en tijdsmoment in het jaar. Een en ander wordt gepostuleerd (echt bewijzen is lastig/onmogelijk) op basis van de vindplaatsomvang, vondstdichtheid, en de variatie in uitgevoerde activiteiten, zoals uit kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van vooral het vuursteenassemblage blijkt, en uit de aard en het aantal van de overige indicatoren. Ecologisch materiaal kan inzicht verschaffen over het mom ent in het jaar, en over het specifieke doel van het kampement. De eventuele aanwezigheid van een hutplattegrond verschaft een argument voor een wat langere gebruiksduur. Haardkuilen zijn minder informatief, maar leveren vanwege de aanwezigheid van houtsko ol wel vaak goede 14C-monsters en daarmee een clou voor de nadere periodisering.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[15]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Figuur 6. Aanleg van een proefsleuf op het grote westelijke rivierduin.
Met (laat-)mesolithische vindplaatsen met onverbrand ecologisch materiaal (tot op heden op de vingers van één hand te tellen) is beter inzicht in de bestaansmiddelen te verkrijgen. Daarnaast is er ook
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[16]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
kenniswinst te boeken op het gebied van grondsporen and ers dan haardkuilen: onderkomens (hutten) en graven, die eveneens uiterst zeldzaam zijn. Rituele aspecten: Rituele aspecten vormen een kenmerkend onderdeel van het mesolithicum en het vroege neolithicum. Zij zijn archeologisch herkenbaar in bijzondere gron dsporen: (deel)begravingen, over het algemeen in de vorm van kleine grafveldjes. Het dodenritueel is in beide perioden min of meer identiek, met dien verstande dat dierbegravingen (met name hondbegravingen) specifiek (laat)mesolithisch lijken te zijn. Een aandachtspunt is dat 14 C-dateringen van skeletmateriaal (indien het al lukt om een datering uit onverbrand bot, dentine of tandemail te verkrijgen) vaak eeuwen te oud kunnen zijn (reservoir -effect) omdat men in beide perioden waarschijnlijk veel vis at. Verder is sprake van rituele deposities van objecten; een gebruik dat zeer kenmerkend is voor de Swifterbant-cultuur maar vooralsnog niet geassocieerd is met het mesolithicum. Het betreft met name potten, edelhertgeweien en oeros- en runderstierenschedels of horens, al dan niet geïsoleerd, in kuilen geplaatst of in een “natte” laagte of in water. Artefacten en onbewerkt uitgangsmateriaal van vuursteen, in een kuil in een ”natte” context, zijn ook als rituele deposities te duiden.
De deposities vormen niet of nauwelijks op te sporen puntlocaties, tenzij zij met nederzettingen samenvallen. Diachroon landgebruik/locatiekeuze: De aanwezigheid van een groot, goed geconserveerd en langdurig bewoond/gebruikt landschap biedt uitstekende mogelijkheden om dit thema te onderzoeken voor zowel de periode van het laat-mesolithicum als het vroeg-neolithicum. Er is een direct relatie tussen de eerdergenoemde subthema’s en het landschap(gebruik)/ locatiekeuze. Het gaat hierbij niet alleen om de koppeling van vondsten/vondstconcentraties en grondsporen aan een specifieke rivierduinzone (zoals “laag op de flank”, met als complicatie dat die zonering niet “absoluut” is maar door de tijd verschuift als gevolg van de vernatting van het landschap), maar ook om de diachrone ruimtelijke relatie met het omringende landschap: bijvoorbeeld een ligging al dan niet nabij open water.
1.3.3 Onderzoeksvragen Algemeen 1.
Hoe ziet de bodemopbouw eruit in het onderzoeksgebied?
2.
Zijn in het onderzoeksgebied archeologische vondsten, sporen en/of structuren aanwezig? Zo ja: wat is de aard, omvang, datering, gaafheid en conserveringstoestand (per vondstcategorie), en de kwaliteit van de aangetroffen archeologische vondsten en grondsp oren?
3.
Is er sprake van concentraties aardewerk en/of (vuur)stenen artefacten? Zo ja, wat is per aangetroffen vindplaats de horizontale en verticale spreiding van de vondsten en wat is de (mogelijke) relatie met grondsporen?
4.
Kunnen (clusters van) sporen worden toegewezen aan één of meerdere structuren? Zo ja, om welke typen structuren gaat het en wat zijn hun oriëntaties, afmetingen en dateringen?
5.
Is sprake van een (of meer) behoudenswaardige vindplaats(en)?
6.
Indien sprake is van één of meer behoudenswaardige vindplaatsen: wat dient het vervolgtraject te zijn (vrijgave, behoud in situ of behoud ex situ)? Wat zijn hiervoor per vindplaats de
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[17]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
archeologisch-inhoudelijke argumenten? Indien sprake is van een advies tot behoud ex situ (opgraven): wat is de probleem- en doelstelling van het geadviseerde onderzoek? Thematisch 7.
Zijn er aanwijzingen voor archeologische niveaus in het omringende veen/in oeverzones? Waar bestaan deze uit, wat zijn de dimensies en waar bevinden deze zich? Wat is de datering?
8.
Zijn er aanwijzingen voor mesolithische sporen en vondstconcentraties (inclusief dieper gelegen vondstconcentraties)?
9.
In geval van Swifterbant-vindplaats(en): welke (aanwijzingen voor) stadia van neolithisering zijn aanwezig?
10. Is een uitspraak over sitefunctie(s) mogelijk? Is sprake van (potentiële) éénfasige (mesolithische) sites? Wat zijn de argumenten hiervoor? 11. Zijn er aanwijzingen voor rituele handelingen en zo ja, waar bestaan deze uit? 12. Wat is de landschappelijke situering van de aangetroffen archeologische vindplaats (-en), en wat is op basis hiervan te zeggen over het diachrone landgebruik/locatiekeuze? 13. Waar bevinden zich locaties die geschikt zijn voor botanisch onderzoek naar de vegetatiegeschiedenis en de bestaanseconomie?
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[18]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
2 Aanvullende avegaarboringen 2.1 Inleiding In plangebied Zeeheldenwijk fase 1 en deels ook fase 2 zijn vier gebieden gewaardeerd door middel van aanvullend avegaaronderzoek: één in deelgebied 1, twee in deelgebied 3 en een op de overgang van deelgebied 3 en deelgebied 4. In deze gebieden zijn uit het v ooronderzoek enkele concrete aanwijzingen voor mesolithische vindplaatsen bekend.
Figuur 7. Locaties aanvullende avegaarboringen
Het gaat om “harde” indicatoren die dieper dan -7,5 m NAP aangetroffen zijn, en die daarom wel mesolithisch zullen zijn. Het betreft drie locaties met een bewerkt stukje vuursteen, en vier locaties met
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[19]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
meestal één brokje bewerkt natuursteen, en in één geval met twee natuursteenbrokjes vlak bij elkaar. Eén van de natuursteenlocaties ligt dicht bij het net genoemde vuursteenafslagje.
Figuur 8. Verspreiding van vuursteen en steen uit de avegaaronderzoeken (URAD4 en 11).
2.2 Methoden Rond de desbetreffende harde indicator(en) is, afhankelijk van de lokale morfologie, in een vierkant of rechthoekig gebied van 2500 of 1250 m 2 avegaarboringen met een boordiameter van 20 cm gezet in een grid van 6,5 x 7,5 m. Dit grid is een verdichting van het eerder uitgevoerde karterende grid van 13 x 15 m. Van elke boring wordt de onderste 15 cm van het veen/top van het zand, en 35 cm van het onderliggende zand bemonsterd en gezeefd over een maaswijdte 2 mm. Het doel is te komen tot een betere inschatting van omvang (gebaseerd op harde archeologisc he indicatoren: bewerkt vuur- en
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[20]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
natuursteen, aardewerk, verkoolde hazelnootdoppen, verbrand en onverbrand bot; houtskool en verbrande klei worden niet als harde indicatoren beschouwd), datering en kwaliteit. Er zijn 157 aanvullende avegaar boringen verricht.
Figuur 9. Verspreiding van vuursteen en steen uit de avegaaronderzoeken (URAD4 en 11) op de overgang van deelgebied 3 naar deelgebied 4.
2.3 Resultaten Een deel van de aanvullende avegaarboringen he eft in aanvulling op eerdere boringen houtskool, vuursteen, natuursteen en onverbrand bot opgeleverd. In deze tussenrapportage wordt kort stil gestaan bij de verspreiding van de vondsten van vuurstenen en stenen artefacten. Vuursteen en steen zijn in de drie meest zuidelijke gebied met aanvullende avegaarboringen slechts incidenteel aangetroffen. In het noordelijke gebied, op de overgang van deelgebied 3 naar deelgebied 4 zijn in vele aanvullende
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[21]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
boringen (en in eerdere boringen) stenen en vuurstenen artefacten aangetroffen. Er is hier s prake van een vrijwel continue vondstspreiding op de lage noordflank van het grote w estelijke rivierduin rond -7 m NAP, die duidt op de aanwezigheid van archeologische resten uit het mesolithicum. Hierbij moet naast een spreiding van vondstmateriaal ook rekening gehouden worden met archeologische sporen als haardkuilen, kuilen en paalsporen. Het is niet uitgesloten dat er sprake is van een doorlopende spreiding richting het grote noordoostelijke duin in deelgebied 4, waar bij onlangs uitgevoerd proefsleuvenonderzoek grondsporen en archeologische artefacten zijn aangetroffen tot op circa -7,5 m NAP.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[22]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
3 Archeologische begeleiding 3.1 Inleiding In verband de uitvoering van infrastructurele werken zijn voorafgaand aan en tijdens het proefsleuvenonderzoek archeologische begeleidingen uitgevoerd van leidingcunetten en watergangen (figuur 10 en figuur 11). 16 Het gaat hierbij (vrijwel) uitsluitend op begeleidingen in gebieden met een hoge archeologische verwachting en daar waar het archeologische niveau (de top van het duin) naar verwachting aangetast zou worden. Een uitzondering op die regel vormt de aanleg van een afvoergoot voor een gronddepot in deelgebied 1, waar van te voren duidelijk was dat het duin niet zou worden aangesneden. De begeleiding is uitgevoerd tussen 24 december 2021 en 1 februari 2022, en 4 mei 2022. Gedurende deze periode is toezicht gehouden op de graafwerkzaamheden en zijn vla kken en profielen gecontroleerd op eventuele archeologische resten en gedocumenteerd.
Figuur 10. Droneopname van de aanleg van het leidingcunet op de overgang van deelgebied 3 en deelgebied 4.
3.2 Resultaten Tijdens het onderzoek zijn op de verwachte locaties en binnen ontgravingsdiepte van de cunetten (circa -5 tot -6 m NAP) inderdaad hooggelegen delen van het grote westelijke rivierduin aangesneden (kaartbijlage 3). Delen van het duin die dieper liggen dan circa -5 tot -5,3 m NAP zijn niet bereikt. In de betreffende cunetten is het vlak aangelegd in het Hollandveen of in de Almere -afzettingen. De hoogste delen van het duin, de duintoppen, zijn door erosie door de Zuiderzee of door latere agrarische werkzaamheden afgetopt tot in de C-horizont. Deze bevinden zich al op circa 20/30 cm onder de moderne bouwvoor (ca. 50 cm -mv). Op de flanken resteert of resteren horizonten van een 16
Scholte Lubberink 2022.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[23]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
podzol of complete podzolen. Daar rusten Zuiderzee- en Almere-afzettingen rechtstreeks op het duinzand en zijn deze afzettingen hellingafwaarts daarvan gescheiden door een laag veen. Op het vlakniveau zijn veel fragmenten los hout waargenomen, maar nergens archeologische artefacten, houtskoolconcentraties of grondsporen aangetroffen. Nadere controle van de profi elen leverde eveneens geen sporen of vondsten op. Ook de Almere -afzettingen en het Hollandveen naast het duin zijn vondstloos gebleven. Op de meest noordelijke duintop is met behulp van de aannemer het vlak nogmaals verdiept, maar zonder archeologisch resultaat.
Figuur 11. De ligging van de tijdens de begeleiding onderzochte cunetten.
In aanvulling op de eerdere begeleiding is op 4 mei de aanleg van een ondiepe afvoergoot in deelgebied 1 begeleid. Deze goot reikte niet tot in een relevant archeologisch niveau. Er zijn geen vondsten gedaan.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[24]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
4 Methoden proefsleuvenonderzoek 4.1 Algemeen Zoals uit het vooronderzoek is gebleken, is de kans groot dat binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Omdat met behulp van booronderzoek geen inzicht kan worden verkregen in de precieze aard en herkomst van de vondsten is verder booronderzoek weinig zinvol. Om inzicht te krijgen in de aard van de vindplaats en om vast te stellen of er daadwerkelijk archeologische sporen binnen het plangebied aanwezig zijn, is proefsleuvenonderzoek een meer geschikte methode.
4.2 Werkputten Puttenplan Op basis van de resultaten van het voorafgaande booronderzoek en van de daaruit afgeleide duinmorfologie is in het PvE per onderzoeksgebied een puttenplan ontworpen. 17 Dit plan is op instigatie van de gemeente Urk voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek enigszins aangepast. In afwijking van het gestelde in het PvE zijn reeds gegraven en met schoon zand opgevulde leiding - en wegcunetten niet doorgraven. Er is in de omgeving daarvan bovendien een buffer van 3 m aangehouden tussen de werkputten en de betreffende cunetten, die zich ten tijde van het onderzoek onder een dik pakket voorbelasting bevonden. Op enkele plaatsen zijn putten verplaatst of ingekort ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp vanwege de aanwezigheid van obstakels (hekken, pompen, stort). Elders zijn werkputten in hun geheel komen te vervallen vanwege reeds in aangrenzende zones vastgestelde verstoringen of vanwege het samenvallen met reeds aanlegde weg- of leidingcunetten. Andere putten daarentegen zijn juist uitgebreid, omdat bijvoorbeeld de -6 m NAP isolijn nog niet was bereikt, om een beter inzicht te krijgen in de morfologie van het duin en/of om een beter beeld te krijgen van de aard en omvang van de aangesneden sporenclusters.
Het laatste was met name het geval op het noordelijke deel van het grote westelijke rivierduin, ongeveer op de grens van deelgebied 3 en deelgebied 4. De hier tijdens het proefsleuvenonderzoek aangesn eden sporenclusters zijn door middel van een aanvullende waardering geheel in kaart gebracht. De proefsleuven waren ter hoogte van het vondsten - en sporenvlak 4 m breed, de lengte van de proefsleuven wisselt en is afhankelijk van de morfologie van het duin . In het ontwerp is er vanuit gegaan dat de proefsleuven over het algemeen tot de -6,0 m NAP-isolijn van de rivierduinen reiken, met uitzondering van relatief afgevlakte flanken (een lager plateau) waar de -6,5 m NAP-isolijn bereikt zou worden. In de praktijk is op vlak 1 niet overal de -6,0 m NAP-isolijn bereikt. Dit is grotendeels te wijten aan de afwijkingsmarges binnen het hoogtemodel op grond waarvan het ontwerpputtenplan is vervaardigd. Verder is, met name in het noorden van het grote duin (overgang gebied3/gebied 4), lokaal een veel grotere diepte bereikt, dat wil zeggen een diepte van circa -7 m NAP. Dit kwam overeen met een diepte van circa 2,5 m -mv. Een overzicht van de ligging van de werkputten is afgebeeld in figuur 12 en kaartbijlage 4. Het gaat om 57 werkputten, waarvan werkputten 52, 53 en 54 in ontwikkelingsfase 2 van de Zeeheldenwijk liggen. Deze putten blijven in deze tussenrapportage buiten beschouwing.
17
Ten Anscher 2022.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[25]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Opgravingsvlakken Conform het PvE is gewerkt in drie opgravingsvlakken waar sprake was van een (vrijwel) intact natuurlijk bodemprofiel, in de regel een veldpodzol. Waar dit het geval was is in de top van de podzol of direct daarboven in de basis van het veen een monstervlak aangelegd, van waaruit met de graafmachine vierkantemetervakken zijn bemonsterd voor zeefonderzoek (bigbags; zie hieronder). Vervolgens is in de BC- of de top van de C-horizont een eerste sporenvlak aangelegd (vlak 1). Nadat vlak 1 was afgewerkt en gedocumenteerd is enkele decimeters dieper een tweede sporen - of controlevlak aangelegd (vlak 2). Daar waar bemonsterbare bodemhorizonten (A- en E-horizont) ontbraken, is afgezien van een monstervlak en zijn uitsluitend de twee sporenvlakken gerealiseerd. Waar het oppervlak van het duin door natuurlijke erosie is verlaagd of sterk is afgetopt door afgraving, is (plaatselijk) afgezien van een controlevlak.
Figuur 12. Werkputten begeleiding en proefsleuvenonderzoek Zeeheldenwijk fase 1 (zie ook kaartbijlage 4).
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[26]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Werkput
eerste sporenvlak (m 2 )
tweede sporenvlak (m 2 )
zeefvakken
1
241
161
7
2
201
95
7
4
175
23
1
5
140
140
1
6
138
115
3
7
157
135
3
8
190
168
2
9
614
509
11
10
133
133
3
11
69
68
1
12
220
216
4
13
299
63
2
15
126
126
2
17
393
389
8
18
177
177
5
19
287
146
4
20
78
50
2
22
155
155
5
23
107
104
2
24
156
154
5
25
51
46
26
181
171
1
27
30
30
1
28
67
67
3
30
33
19
1
31
259
245
4
32
41
27
2
33
139
25
1
35
195
41
2
36
227
25
1
38
212
63
1
39
276
276
11
40
101
97
2
41
139
123
1
42
129
127
3
43
77
76
44
71
26
45
77
77
2
46
70
54
1
47
210
209
1
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
opmerking
3 e vak (67 m 2 )
[27]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Werkput
eerste sporenvlak (m 2 )
tweede sporenvlak (m 2 )
48
48
22
49
38
38
50
35
51
32
23
52
151
53
zeefvakken
opmerking
151
12
fase 2
172
69
4
fase 2
54
324
294
8
fase 2
55
233
142
56
46
57
62
totaal
7782
5613
140
Tabel 4. Overzicht van werkputten en vlakken proefsleuvenonderzoek Zeeheldenwijk fase 1 en fase 2 (stand van zaken 29-04-2022).
4.3 Documentatie en registratie Conform het PvE zijn in werkputten met een intacte bodemopbouw minimaal twee vlakken aangelegd. Een sporenvlak in de B- of BC-horizont en een controlevlak in de C-horizont. Op relatief steile hellingen is lokaal een sporenvlak in de (daar veelal dikke) E-horizont aangelegd. De sporen zijn digitaal ingemeten met een RTK-GPS met een conform KNA-eis OS02 maximale afwijking van 3 cm in zowel het horizontale als verticale vlak. Ook de hoogte van de aangelegde vlakken ten opzichte van NAP is bepaald met een GPS. De ruwe GPS -bestanden zijn dagelijks uitgelezen, gecontroleerd en gecorrigeerd. De sporen zijn in een doorlopende reeks over de hele opgraving genummerd en worden aangeduid met een S (bijv. S12). Spoor- en vondstgegevens zijn in het veld ingevoerd in de Odile database. In het algemeen geldt dat sporen en vondsten zijn gedocumenteerd conform specificaties OS04 en OS05 van de BRL4000.
4.4 Behandeling van sporen Om sporen te traceren en sporenclusters zo goed mogelijk te kunnen begrenzen, is het vlak waar nodig tijdens de aanleg handmatig opgeschaafd. Conform het PvE zijn alle sporen gecoupeerd. Indien mogelijk viel de coupelijn hierbij samen met de profielwand, zodat de stratigrafische positie van het spoor kon worden vastgelegd. Tijdens het verdiepen is zoveel mogelijk geprobeerd om het stratigrafische ingravingsniveau van de sporen vast te leggen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de laagbeschrijvingen in de verschillende werkputten. Van sporen met een diepte van meer dan 9 cm is een coupetekening (schaal 1:20) en veelal tevens een foto gemaakt; van minder diepe sporen is alleen de diepte en vorm in doorsnede vastgelegd in de database. De sporen zijn in een doorlopende reeks genummerd en worden in dit rapport aangeduid met een één- tot viercijferig nummer, voorafgegaan door een S (bijv. S2).
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[28]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
4.5 Behandeling van vondsten Bij de vlakaanleg en bij het couperen van sporen zijn vonds ten per spoorvulling verzameld. Spoorvullingen zijn bemonsterd om gezeefd te worden over een zeef met een maaswijdte van 5 mm om vondstmateriaal te verzamelend. Door een misverstand binnen het veldteam met betrekking tot de in het PvE opgenomen richtlijn hieromtrent, zijn hiertoe in eerste instantie 5 l monsters genomen. Nadat het misverstand was opgehelderd, zijn spoorvullingen in hun geheel (in bigbags) bemonsterd en gezeefd. Vondsten die niet aan antropogene sporen konden worden gekoppeld, zijn individueel (als puntvondst) ingemeten. De vondsten zijn in een doorlopende reeks genummerd ; ze worden in dit rapport aangeduid met een V (bijv. V14).
Figuur 13. Het bemonsteren van een vierkantemetervak in een bigbag.
4.6 Behandeling van profielen De natuurlijke gelaagdheid en de verschillende archeologische niveaus zijn in kaart gebracht door middel van profielkolommen (verspreid over het onderzoeksgebied) en een aantal lange, doorlopende hoofdprofielen, die zijn opgeschaafd, gefotografeerd, geteke nd en beschreven vanaf het maaiveld. Verscheidene lange, doorlopende profielen zijn fotogrammetrisch in kaart gebracht. Om de landschappelijke ontwikkeling en de bodemopbouw goed te begrijpen, is er naar gestreefd om tijdens het veldwerk de stratigrafische eenheden (lagen) in de verschillende putten direct aan elkaar te koppelen. De lagen zijn hierbij in een stratigrafische reeks per werkput genummerd, waarbij het eerste deel van het vijf- of zescijferige nummer verwijst naar de werkput en het tweede deel e en laagnummer
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[29]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
is (bijv. S110070 = laag 70 in WP11). Om lagen aan te duiden, zal in de tekst alleen naar dit laagnummer verwezen worden.
Figuur 14. Westprofiel van werkput 42 op het AMK-terrein met meetpunten voor fotogrammetrie. Let op het afgetopte profiel aan de linkerzijde.
4.7 Bemonstering In gebiedsdelen met een intact bodemprofiel zijn om de zes strekkende meters vierkantemetervakken machinaal bemonsterd door sediment (A- en E-horizont) in bigbags te scheppen. Elk vak is ingemeten en van de boven- en onderzijde is een NAP-hoogte genomen. Elke bigbag is voorzien van een uniek vondstnummer. Het sediment is vervolgens gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 5 mm. Kansrijke sporen (sporen met zichtbaar verkoold materiaal of spor en met een humeuze vulling) zijn tijdens het onderzoek bemonsterd ten behoeve van ¹⁴C-analyse en paleobotanisch onderzoek. Monsternummers worden in dit rapport aangeduid met een cijfer voorafgegaan door een M (bijv. M4).
4.8 Uitwerking Documentatie van het onderzoek is wekelijks gecontroleerd. Na afloop van het veldwerk is een laatste controle uitgevoerd en zijn de analoge profiel - en coupetekeningen gedigitaliseerd en de vondsten gewassen en gesplitst per materiaalcategorie. Aan de hand van deze gegevens en het PvE zal een evaluatie- en selectierapport opgesteld worden dat voorgelegd wordt aan de bevoegde overheid, de depothouder en de opdrachtgever. Hierin zal tevens een voorstel worden gedaan voor de conservering van kwetsbare vondsten.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[30]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
De uitwerking gaat pas van start nadat de bevoegde overheid dit evaluatierapport heeft vastgesteld. Gedetailleerde spoor- en vondstinformatie zal zijn te raadplegen in het e -depot.
Figuur 15. Het bemonsteren van coupes van haardkuilen in werkput 31.
4.9 Afwijking en aanpassing van de onderzoeksstrategie De belangrijkste afwijkingen en aanpassingen van de onderzoeksstrategie zijn:
Het afvallen van (delen van) werkputten ter plaatse van reeds aangelegde leidingcunetten waarbij een buffer van 3 m is aangehouden;
De aanvullende waardering van sporenclusters in het noorden van gebied 3;
Verder zijn minder zeefvakken bemonsterd dan gepland. Dit houdt verband met de aanwezigheid van grote gebieden met een afgetopt bodemprofiel, waar de te bemonsteren lagen (A- en E-horizont) niet meer aanwezig zijn.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[31]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
5 Resultaten proefsleuvenonderzoek 5.1 Geologie, geomorfologie en bodemgesteldheid De geologie, geomorfologie en bodemgesteldheid van Zeeheldenwijk fase 1 zal in de eindrapportage uitgebreid behandeld worden. Hier wordt kort ingegaan op een aantal aspecten met betrekking tot de conservering die van belang zijn voor de waardering van de onderzochte gebieden.
Figuur 16. Luchtfoto van het gebied van het grote westelijke rivierduin uit novembe r/december 2019. De contouren van de afgetopte hoge duintoppen tekenen zich af door een iets bruinere kleur dan hun omgeving.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[32]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Tijdens het proefsleuvenonderzoek is de zandhoogte vastgesteld, profielen en profielkolommen gedocumenteerd en zijn in het opgravingsvlak bodemkundige overgangen aangegeven (zie kaartbijlage 1). Daardoor is een beter inzicht ontstaan in de morfologie van de onderzochte duinen. Opvallend zijn vooral de steile hellingen die de randen van de duinen kenmerken. Deze zijn veelal steiler dan het hoogtemodel op basis van tijdens het booronderzoek gedocumenteerde zandhoogtes suggereert. Het hoogtemodel is met behulp van de zandhoogtes uit het proefsleuvenonderzoek gecorrigeerd . Op lager gelegen duindelen, duinhellingen en in lokale depressies zijn intacte tot grotendeels intacte natuurlijke bodems (veldpodzolen) aangetroffen (figuur 14). In een deel van deze gebieden zijn goed geconserveerde archeologische sporen aanwezig. Andere gebiedsdelen zijn echter afgetopt of verspoeld, waardoor eventuele sporen zijn aangetast of geheel verdwenen.
Figuur 17. Afgetopte en recent en natuurlijk verstoorde delen op een duintop in het noorden van het grote westelijke rivierduin. De langgerekte verstoring is veroorzaakt door een eerder door Econsultancy (Bringmans 2019) gegraven proefsleuf die duidelijk op de onderliggende luchtfoto zichtbaar is.
RAAP-rapport 5827 / versie 13-05-2022
[33]
Plangebied Zeeheldenwijk Fase 1 te Urk, gemeente Urk; a anvullend booronderzoek, proefsleuven, een archeologische begeleiding variant proefsleuven en aanvullende avegaarboringen
Zo is geconstateerd dat de hoge duintoppen in het gebied in recente tijd door agrarisch gebruik en egalisatie/afgraving zijn afgetopt. Dit is vooral het geval in deelgebied 3 en ter plaatse van het AMK terrein ten noorden van de Urkervaart. De afgevlakte duintoppen manifestere n zich duidelijk op bepaalde luchtfoto’s (figuur 16 en figuur 17). Hoeveel van de toppen is verdwenen, is niet goed meer vast te stellen. Duidelijk is wel dat de hoogste toppen meer dan een meter boven het huidige maaiveld gereikt zullen hebben. In de afgetopte gebieden zijn vrijwel geen archeologische sporen meer te verwachten. Echter langs de randen daarvan kunnen nog wel (restanten van afgetopte) sporen worden aangetroffen, evenals in lokale depressies binnen deze gebieden. Het laatste is bijvoorbeeld het geval in deelgebied 2 en op de overgang van deelgebied 3 en deelgebied 4, waar goed geconserveerde archeologische sporen direct onder de moderne bouwvoor zijn aangetroffen in en onder de B -horizont van een veldpodzol.