CConstaterende datTytsjerksteradiel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Bopa Hurdegaryp - It Súd Fase 3 - Deel 1 (geanonimiseerd)

RAAD IEPEN POADIUM (RAADZAAL) 12 september 2024, gemeente TytsjerksteradielBij agendapunt: Advies Bopa Hurdegaryp It Súd Fase 3 (ynhâldlik, presintaasje)24.888 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Toetsing en conclusie In het plangebied wordt een rustig woongebied ontwikkeld. Nabij het plangebied liggen uitsluitend woningen. De dichtstbijzijnde bedrijfsfuncties komen voor in het meer gemengde lint aan de Rijksstraatweg. Het gaat hier om bedrijven en voorzieningen uit milieucategorie 1 en 2, waarbij een richtafstand van 30 meter tot woningen geldt. Deze activiteiten liggen allemaal op ruim 200 meter vanaf het plangebied, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. In het plangebied is daarmee een goed woon- en leefklimaat te garanderen en er is geen sprake van mogelijke beperkingen voor bedrijven. Daarmee is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5. 12

Toetsing Besluit m. e. r. /m. e. r. -beoordeling Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16. 4. 2 van de Omgevingswet en afdeling 11. 2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is wordt afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11. 6 en 11. 8 van het Omgevingsbesluit. De lijst bestaat uit vier kolommen, waarbij in kolom 1 de betreffende projecten zijn benoemd, in kolom 2 de mer-plichtige activiteiten zijn opgenomen in kolom 3 de mer-beoordelingsplichtige activiteiten. Kolom 4 geeft aan bij welke besluiten de project-mer-(beoordelings)plicht geldt. Waar een omgevingsplan wordt genoemd, geldt dat ook een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt bedoeld.

5. 12. 1

Toetsing en conclusie De activiteit die dit prjoject mogelijk maakt wordt gezien als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m. e. r. Het college van burgemeester en wethouders neemt voor de ter inzagelegging van de ontwerpbeschikking een m. e. r. -beoordelingsbesluit. Dit besluit kan op basis van de aanmeldnotitie m. e. r. -beoordeling worden genomen. Hieruit blijkt namelijk dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een MER-procedure.

Hurdegaryp - It Súd Fase 3 23-856-1 | Rev 3. 1

27

6

Beperkingsgebieden

6. 1

Cultuurhistorische waarden

6. 1. 1

Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1. 1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

6. 1. 2

Archeologie In de wet zijn archeologische resten beschermd. Het basisbeginsel van de archeologie is sinds 2007; behoud ‘in situ’ ofwel in de bodem op de plek zelf. Slechts bij hoge uitzondering worden nog archeologische opgravingen uitgevoerd. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische in bepaalde gebieden zijn op basis van landschappelijk, historisch en archeologisch onderzoek archeologische gemeentelijke verwachtingskaarten opgesteld. De gemeente sluit aan bij de provinciale Fryske Monumentenkaart Extra (FAMKE). Uit de archeologische beleidskaarten van de provincie blijkt dat in het plangebied een kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten uit zowel de periode steentijd – bronstijd als de periode ijzertijd – middeleeuwen. Er is geen sprake van gebieden met een bijzondere archeologische aanduiding, zoals terpen of dobben. De provincie beveelt aan om onderzoek uit te voeren bij ingrepen groter dan 2. 500 m.2 De oppervlakte van het plangebied is 23. 000 m.2 Het plan maakt daarmee ingrepen groter dan 2. 500 m 2 mogelijk. In het kader van het geldende bestemmingsplan is een inventariserend en karterend archeologisch onderzoek uitgevoerd door RAAP (rapport 1023, 21-04-2004 en rapport 1072, 13-08-2004). Vanwege het ontbreken van archeologische indicatoren in het plangebied, is het vrijgegeven voor wat betreft archeologie.

Echter, op basis van nieuwe inzichten en de uitbreiding van het projectgebied, is besloten een actueel archeologisch uit te voeren. De rapportage is opgenomen in bijlage 4. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied mogelijk archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen bodemingrepen. Het gaat dan om het (zuid)oostelijk deel van het projectgebied. Hier wordt geadviseerd om de plannen zodanig op te stellen dat verstoring wordt voorkomen. Dat kan door de bodemingrepen te beperken tot een diepte van maximaal 0,2 m ten opzichte van het huidige maaiveld, door bijvoorbeeld het maaiveld op te hogen. Als dat niet mogelijk is, wordt aanvullend karterend onderzoek aanbevolen.

28

Hurdegaryp - It Súd Fase 3 23-856-1 | Rev 3. 1

Het beperken van de verstoring is in dit geval niet mogelijk, gelet op de geringe ophoging om het terrein op de juiste hoogte te krijgen. Daarom is een aanvullend archeologisch onderzoek (karterende fase) uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 5. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat omdat er geen relevante archeologische indicatoren zijn aangetroffen. Vastgesteld is dat de oorspronkelijke diepte van de depressie aan het criterium voldoet van een pingoruīne. Ter hoogte van het plangebied is de depressie voornamelijk opgevuld met pleistocene afzettingen waarschijnlijk afkomstig van door bodemijs omhoog gedrukte afzettingen en van elders ingestroomde afzettingen zoals verspoelde dekzanden. Om die reden is de dikte en paleo-ecologische waarde van de organische vulling van deze depressie binnen het plangebied gering. Een eventueel paleo-ecologisch onderzoek van de (waarschijnlijk) aanwezige organische vulling kan zich beter concentreren op het deel van de depressie ten noorden van het plangebied. Omdat archeologische vindplaatsen heel waarschijnlijk ontbreken en de geringe dikte van de organische vulling en daarmee geringe waarde voor paleo-ecologisch onderzoek wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven.

Steunpunt Monumenten adviseert de gemeente om dit selectieadvies over te nemen. De voorgenomen ingreep kan worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Een archeologisch vooronderzoek voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden is derhalve niet noodzakelijk. Vanuit het aspect archeologie bestaan daarmee geen belemmeringen voor het project. De volgende tekst wordt in de vergunning opgenomen: Melding toevalsvondst (Adviesdocument archeologie Steunpunt Monumentenzorg Fryslân) Mochten tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, dan dient dit op grond van artikel 5. 10 van de Erfgoedwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister (in de praktijk de gemeente als bevoegd gezag). Eventuele vondsten dienen gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld voor wetenschappelijk onderzoek. 6. 1. 3

Andere cultuurhistorische waarden Om na te gaan of sprake is van cultuurhistorische waarden in de omgeving, is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Volgens de Cultuur Historische kaart van de provincie ligt het plangebied in een omgeving met diverse cultuurhistorische waarden. Een fragment van deze kaart is weergegeven in figuur 4. 1. Het gaat om verschillende karakteristieke en monumentale panden en boerderijplaatsen langs de Rijksstraatweg. Het gebied ten oosten van het plangebied is aangemerkt als aardkundig waardevol. Binnen het plangebied zelf komen geen cultuurhistorische waarden voor.

Hurdegaryp - It Súd Fase 3 23-856-1 | Rev 3. 1

29

Figuur 4. 1

Fragment CHK

6. 2

Natuur

6. 2. 1

Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

6. 2. 2

Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied ligt in stedelijke omgeving en maakt geen deel uit van Natura-2000 gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn De Groote Wielen en de Alde Feanen. Deze liggen op ruim 2,8 en 7 kilometer van het plangebied. Gezien de afstand, aard en de schaal van de ontwikkeling, kan gesteld worden dat er geen directe effecten op Natura 2000-gebieden zal plaatsvinden. Stikstofdepositie In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie. Dit geldt niet voor het Natura 2000-gebied De Groote Wielen, maar wel voor De Alde Feanen. Uit het stikstofonderzoek, dat is opgenomen in bijlage 6, blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. Vanuit de gebiedsbescherming bestaan er geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan.

30

Hurdegaryp - It Súd Fase 3 23-856-1 | Rev 3. 1

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een plan mag geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van de NNN. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. Omdat geen ingrepen in de NNN worden voorgesteld en van toename van depositie van stikstof geen sprake is, is van aantasting geen sprake en zijn er vanuit de NNN geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 6. 2. 3

Soortenbescherming In het kader van dit project is een ecologische quickscan uitgevoerd. Hiervoor heeft een ter zake gespecialiseerd ecoloog ter plaatse de ecologische potentie in beeld gebracht. De rapportage is opgenomen in bijlage 7. Hieruit blijkt dat op basis van de ter plaatse aanwezige omstandigheden en verspreidingsgegevens, niet wordt verwacht dat het planvoornemen tot een overtreding van een verbodsbepaling zal leiden omtrent beschermde ongewervelden, vissen, amfibieën, reptielen en flora. Verstoring van vleermuizen door licht dient te worden voorkomen. Gebouwen (potentiële vleermuis- verblijfplaatsen), lijnvormige elementen aan de oost- en noordzijde in de vorm van smalle bomen en de omliggende slootgangen dienen niet te worden beschenen om verstoring van verblijfplaatsen, vliegroute(s) en foerargeergebieden te voorkomen zowel tijdens de realisatie fase als in de beoogde situatie. Het is mogelijk dat kleine marterachtigen (hermelijn, wezel en bunzing) gebruik maken van het gebied. Het plangebied (mogelijk foerageergebied) en gebied binnen de invloedsfeer van het planvoornemen (mogelijke vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen) kan onderdeel zijn van het leefgebied van deze soorten.

Wanneer niet kan worden uitgesloten dat er kleine marterachtigen binnen een plangebied voorkomen biedt provincie Fryslân initiatiefnemers de keuze voor het uitvoeren van een nader onderzoek of het direct aanvragen van een vergunning op basis van een mitigatieplan. Voor deze soort wordt op basis van een activiteitenplan een omgevingsvergunning aangevraagd bij de provincie. Tijdens het broedseizoen (grofweg 15 mrt. t/m 15 juli) kunnen broedvogels in het plangebied broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Voor deze soorten dient men rekening te houden met het feit dat ieder nest, mits op dat moment in gebruik, beschermd is. Dit houdt in dat er geen wezenlijke verstoring mag plaatsvinden, waardoor de vogel het nest verlaat. Indien men binnen het vogelbroed- seizoen start met de werkzaamheden, dan wordt aangeraden het plangebied vooraf te checken op (potentiële) broedgevallen door een deskundig ecoloog. Verder dient men tijdens de uitvoer van de werkzaamheden rekening te houden met de Zorgplicht. De Zorgplicht geldt voor elke soort/individu in Nederland. Dit houdt in dat men tracht schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan door een werkwijze te hanteren waarbij dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop.

Hurdegaryp - It Súd Fase 3 23-856-1 | Rev 3. 1

31

6. 3

Kabels en leidingen Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing In het plangebied is een leiding aanwezig, die een planologische bescherming geniet. Het gaat om een waterleiding, waarvan de belemmeringenstrook van 5 meter aan weerzijden van de leiding heeft. Het beperkingengebied hiervoor is overgenomen op de situatietekening en in de regels van deze Bopa. Er zijn geen andere planologisch relevante zones aanwezig.

32

Hurdegaryp - It Súd Fase 3 23-856-1 | Rev 3. 1

7

Uitvoerbaarheid

7. 1

Economische uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplan activiteit voor rekening komen van de initiatiefnemer.

7. 1. 1

Financieel economische haalbaarheid Het project wordt op initiatief van de gemeente ten uitvoering gebracht. De ontwikkelkosten worden verhaald uit de exploitatie van het nieuwe woongebied. Hiervoor heeft de gemeente en begroting opgesteld, waaruit blijkt dat de kosten zijn gedekt. Het is niet nodig om hiervoor een budget te reserveren. Het project is in die zin financieel haalbaar.

7. 1. 2

Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13. 18 Ow het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking. Omdat de locatie in eigendom van de gemeente is en het project ook op initiatief van de gemeente wordt ontwikkeld, is er geen sprake van een kostenverhaal.

7. 1. 3

Nadeelcompensatie Voor iedere buitenplanse omgevingsplan activiteit wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten op basis van art. 4. 5 Awb. Omdat het project op initiatief van de gemeente wordt ontwikkeld, komt eventueel planologisch nadeel voor rekening van de gemeente.

7. 2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7. 2. 1

Participatie Het dorp is betrokken bij de totstandkoming van de uitwerking van dit plan. Omwonenden worden actief op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen. De resultaten van het participatietraject zijn opgenomen in bijlage 8.

7. 2. 2

Advies en instemming Gemeenteraad heeft een lijst opgesteld waarin de gevallen zijn aangegeven waarvoor (bindend) advies/instemming moet worden gevraagd; met daarbij aandacht voor de wijze waarop deze advisering kan worden ingepast in het besluitvormingsproces bij Bopa’s. Voor het realiseren van meer dan 5 woningen binnen de bebouwde kom geldt een bindend adviesrecht. Dit project heeft betrekking op de realisatie van 55 woningen, waarvoor de gemeenteraad om advies wordt gevraagd.

Hurdegaryp - It Súd Fase 3 23-856-1 | Rev 3. 1

33

7. 2. 3

Vaststellingsprocedure De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend omgevingsplan. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16. 62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4. 1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. In sommige gevallen kan het college echter wel bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3. 4 van de Awb van toepassing verklaren. In deze paragraaf wordt de procedure rondom de omgevingsvergunning toegelicht.

7. 2. 4

Bezwaar/Beroep De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de reguliere procedure voor. Het bezwaar dient ingediend te worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. In de uitgebreide procedure is bezwaar niet nodig. Daar bestaat namelijk de mogelijkheid om zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In bijlage 2 artikel 2 van de Algemene wet bestuursrecht staan besluiten opgenomen waarbij er geen beroepsmogelijkheid is. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsvergunning.

34

Hurdegaryp - It Súd Fase 3 23-856-1 | Rev 3. 1

8

Belangenafweging

8. 1

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze onderbouwing beschrijft de afweging die is gemaakt om tot deze conclusie te kunnen komen.

en

conclusie

De aanvraag heeft betrekking op de realisatie van een woongebied met 55 woningen. De afwijking van het omgevingsplan is dat er 5 woningen meer worden gebouwd dan de 50 die via de uitwerkingsregels mogelijk zijn. Bovendien wordt alleen voorzien in vrijstaande woningen W(a) en tweekappers W(b) en bouwstroken W(d), maar niet in rijwoningen W(c). Deze worden nu wel aangevraagd. Dit project vindt plaats als onderdeel van een grotere woningbouwlocatie en grotendeels op gronden die al zijn bestemd voor de realisatie van woningbouw. Het realiseren van woningen sluit aan bij de behoefte en bij de beleidskaders van de gemeente. Het project is ook in overeenstemming met de instructieregels van het rijk en de provincie. Het project is verder met positief resultaat getoetst aan de aspecten voor een fysieke leefomgeving en milieu 8. 2

Voorstel voor het opnemen in het omgevingsplan De aanvraag Bopa bevat een voorstel voor de vertaling naar het omgevingsplan. Dit bestaat uit een situatietekening met daarop de verschillende werkingsgebieden, voor zover deze relevant zijn voor de inrichting van het woongebied, en een set instructieregels. Op dat laatste wordt in hoofdstuk 9 nader ingegaan.

8. 3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat, gezien de nut/noodzaak gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving, er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hurdegaryp - It Súd Fase 3 23-856-1 | Rev 3. 1

35

9

Ruimtelijk kader

9. 1

Algemeen De aanvraag maakt gebruik van de mogelijkheid van een opvolgende Bopa, waarbij de verleende omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan het toetsingskader vormt voor de omgevingsvergunningen voor de technische en ruimtelijke bouwactiviteit en de melding voor de milieubelastende activiteit in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die aanvragen geldt dan een beperkte toetsing.

9. 2

Werkingsgebied Het werkingsgebied van de Bopa betreft het kadastrale perceel gemeente Hardegarijp, sectie H, nummer 2299 (deels), zoals aangemerkt als ‘projectgebied’ de situatietekening bij de aanvraag.

9. 3

Regels Deze Bopa stelt regels aan de gebruiksfuncties en bouwactiviteiten, waaraan opvolgende omgevingsvergunningen. Bij de aanvraag is een dergelijke set regels ingediend, die in combinatie met de situatietekeningen, waarop de verschillende werkingsgebieden zijn aangegeven, als voorschriften worden opgenomen bij de omgevingsvergunning. Er wordt hiervoor aangesloten bij werkwijze zoals de gemeente Tytsjerksteradiel hanteert voor het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Waar in de regels is aangegeven dat er vergunningplicht geldt, is een omgevingsvergunning gekoppeld aan de beoordelingsregels nodig. Waar ‘toegestaan’ staat, betekent dat er geen vergunningplicht geldt, maar kunnen wel beoordelingsregels gelden. De regels zijn als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 gaat over de gebruiksactiviteiten. Er worden drie activiteiten onderscheiden: 1. Woonactiviteiten, toegestaan op de uit te geven kavels (1. 1) 2. Gebruiksactiviteiten openbare ruimte, onderverdeeld in groen en verkeer (1. 2) 3. Bijbehorende gebruik (1. 3), waar het gaat om • beroepen aan huis bij woonactiviteiten (1. 3. 1 en bijlage 1) • ondergeschikt gebruik, zoals groen, water, parkeren etc. in het hele projectgebied (1. 3. 2) Hoofdstuk 2 gaat over bouwactiviteiten. Hier wordt geregeld: 1. Voldoende parkeergelegenheid conform de daarvoor geldende normen (2. 1. 1) 2. Het bouwen van gebouwen (2.

2), waarin worden onderscheiden: Vergunningplicht gebouwen en welstandsregels (2. 2. 1 en bijlage 2) • • Beoordelingsregels hoofdgebouwen (2. 3. 1) • Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken (2. 4. 1) 3. Het bouwen van andere bouwwerken, zoals speeltoestellen en terreinafscheidingen. Hoofdstuk 3 gaat over aanlegactiviteiten. Hier geldt een omgevingsvergunningplicht en werkzaamheden in het beperkingengebied van de waterleiding.

36

voor

werken

Hurdegaryp - It Súd Fase 3 23-856-1 | Rev 3. 1

Bijlage 1

7 MAN MILIEU ADVIES

NOORD-NEDERLAND

Verkennend Easter Omwei

Opdrachtgever:

Bureau

Projectnummer:

2023112

Rapportversie: Rapportnummer:

INFO@MANN.FRL

te

bodemonderzoek

Hurdegaryp

Schmidt

1.0

_2023.112_rapport-vbo.01

Datum:

5 maart

2024

Auteur:

(geanonimiseerd)

WWW.

MANN.FRL

INHOUD 1

INLEIDING

.. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ...

Aanleiding en doel. Kwaliteitseisen

. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . .

3

. . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . .

3

Aansprakelijkheid

. . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . .

Opbouw rapportage 2

.. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . .

4

. . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . .

5

Conclusie vooronderzoek

. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . .

7

UITVOERING ONDERZOEK . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Onderzoeksstrategie

. . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . .

8

Veldwerkzaamheden

. . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . .

8

. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . .

9

Bodemopbouw

en zintuiglijke

Analyses grond

. . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . .

Analyses grondwater

waarnemingen

. . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . .

. . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . .

9

11 12

RESULTATEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 Toelichting toetsingskader

. . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . .

13

Toetsing analyseresultaten.

. . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . .

13

Toetsing analyseresultaten grondwater 5

3

Historisch vooronderzoek.

Maaiveld-inspectie

4

. . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . .

3

VOORONDERZOEK . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Onderzoekslocatie

3

3

. . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . .

15

CONCLUSIE . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16 Evaluatie onderzoeksresultaten Aanbevelingen

. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . .

16

. . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . .. . . . . .

17

Bijlagen 1 Overzichtstekening onderzoekslocatie 2 Kadastrale kaart en gegevens 3 Detailtekening onderzoekslocatie Boorprofielen 4 Analysecertificaten 5 Toetsingsresultaten 6

Pagina 2 van 17 INFO @MANN.FRL

WWW. MANN. FRL

1

INLEIDING

In

opdracht van Bureau Schmidt heeft Milieu Advies Noord-Nederland een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de percelen met de kadastrale nummers 2299 en 2383 zoals gelegen ten oosten van de Easter Omwei te Hurdegaryp.

Aanleiding

en

doel

De aanleiding

voor het bodemonderzoek is het voornemen de betreffende percelen te ontwikkelen tot woningbouw, voorafgaand hieraan dient een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Het doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater voorafgaand aan de realisatie van de toekomstige woningbouw.

Kwaliteitseisen De veldwerkzaamheden

en bemonstering zijn door Milieu Advies Noord-Nederland uitbesteed aan Poelsema Veldwerkbureau te Vollenhove en zijn verricht onder de erkenning conform de richtlijnen uit de BRL SIKB 2000, protocol 2001 en 2002. Poelsema Veldwerkbureau is erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de BRL SIKB 2000 en staat geregistreerd onder het certificaatnummer EC-SIKB-02239. De monsters zijn door Poelsema Veldwerkbureau aangeleverd bij het door de Raad van Accreditatie (RvA) geaccrediteerde laboratorium van Eurofins Omegam B. V. te Amsterdam-Duivendrecht waarna de monstervoorbehandeling en de analyses, waar mogelijk, zijn uitgevoerd conform het Accreditatieschema AS3000.

Milieu Advies Noord-Nederland en Poelsema Veldwerkbureau zijn beide onafhankelijk als adviesbureau c. q. veldwerkbureau en hebben geen andere relatie met de opdrachtgever dan opdrachtgeveropdrachtnemer.

Aansprakelijkheid Hoewel Milieu Advies Noord-Nederland en Poelsema Veldwerkbureau een grote mate van zorgvuldigheid hebben aangehouden bij het uitvoeren van dit bodemonderzoek kan het geen volledige zekerheid bieden omtrent de aan- of afwezigheid van een bodemverontreiniging voor het gehele onderzoeksgebied. Tevens wordt erop gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname betreft. Beïnvloeding van de bodemkwaliteit kan alsnog plaatsvinden na uitvoering van dit onderzoek. Naarmate de periode tussen de uitvoering van dit onderzoek en het gebruik van de resultaten langer wordt, kan dit van invloed zijn op de representativiteit van dit document. Milieu Advies Noord-Nederland en Poelsema Veldwerkbureau aanvaarden derhalve op geen enkele wijze aansprakelijkheid voor gevolgen welke voortvloeien uit beslissingen welke genomen zijn op basis van de onderzoeksresultaten van het onderhavig bodemonderzoek.

Opbouw rapportage In deze rapportage zijn het vooronderzoek en de beschikbare gegevens beschreven in hoofdstuk 2, waarna een hypothese wordt opgesteld ten aanzien van de onderzoekslocatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het uitgevoerde onderzoek en in hoofdstuk 4 worden de resultaten beschreven en geïnterpreteerd. In hoofdstuk 5 worden tenslotte de conclusie en eventuele aanbevelingen beschreven.

Pagina 3 van 17 INFO @MANN.FRL

WWW. MANN. FRL

2

VOORONDERZOEK

Onderzoekslocatie Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd

op de percelen zoals gelegen ten oosten van de Easter Omwei, kadastraal bekend onder Hardegarijp, sectie H, nummers 2299 en 2383. De globale coördinaten van de locatie zijn X: 192. 622 en Y: 581. 080. Er zijn geen beperkingen bekend in de Basisregistratie Kadaster.

De totale grootte weergegeven

het onderzoeksgebied is circa 40. 000 binnen het rode kader. van

m,2

in de onderstaande figuur is de ligging

Figuur 1: Ligging onderzoekslocatie (rode kader)

De ligging van de onderzoekslocatie is opgenomen in de overzichtstekening in bijlage 1, de kadastrale gegevens zijn weergegeven in bijlage 2.

Pagina 4 van 17 INFO @MANN.FRL

WWW. MANN. FRL

Historisch vooronderzoek Het

historisch vooronderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse norm NEN 5725 “BodemLandbodem- Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (versie oktober 2023)”. Het doel van het historisch vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek. Dit conform aanleiding A, paragraaf 6. 3. 2, uit de NEN 5725. De verplichte te onderzoeken aspecten binnen het vooronderzoek zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Tabel 1: Onderzoeksaspecten vooronderzoek Bodemopbouw

en

geohydrologie:

Verwachting t. a. v. de bodemkwaliteit: Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval:

Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem Geohydrologie Geval van ernstige bodemverontreiniging? Kwaliteit op basis van bodemkwaliteitskaart Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken Voormalig gebruik onderzoekslocatie Huidig gebruik onderzoekslocatie Asbestverdachtheid

Bodemopbouw en geohydrologie Regionale bodemopbouw Om de regionale bodemopbouw vast te stellen van het betreffende onderzoeksgebied is het DINOloket geraadpleegd, de regionale bodemopbouw is weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 2: Regionale bodemopbouw onderzoeksgebied Globale diepte Lithostratigrafie beneden maaiveld (m) 0 tot 1

Formatie van Boxtel

1 tot 2

Formatie van Drente

2 tot 7

Formatie van Drachten

7 tot 40

Formatie van Peelo

Lithologie Zand: zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus Leem: lokaal zandig, lokaal humeus Klei: siltig tot zandig; Veen: kleiig Zand: zeer fijn tot uiterst grof, kleiig tot grindig, lokaal kleiig tot grindig Klei: lokaal siltig tot zandig Leem: kleiig tot grindig Zand: matig fijn tot matig grof, kalkloos Leem: lokaal zandig Zand: uiterst fijn tot uiterst grof Klei: lokaal siltig tot zandig

Antropogene lagen Om de antropogene bodemlagen, de lagen in de bodem die zijn beïnvloed door menselijke activiteiten,

in kaart brengen zijn de kadastrale kaarten op www. topotijdreis. nl geraadpleegd. Uit de beschikbare informatie blijkt dat het onderzoeksgebied sinds tenminste 1850 als agrarische percelen/grasland aanwezig is op kaartmateriaal. Onduidelijk is of het onderzoeksgebied in deze periode is opgehoogd met bijvoorbeeld grond. Geohydrologie Op basis van de bekende gegevens kan geen eenduidige grondwaterstroming worden opgemaakt. De stromingsrichting van het freatisch grondwater wordt voornamelijk bepaald door de aanwezige infrastructuur. Lokale omstandigheden zoals waterlopen, drainagesystemen, (lekke) rioleringen kunnen de regionale stromingsrichting van het freatisch grondwater beïnvloeden. De onderzoekslocatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

Pagina 5 van 17 INFO @MANN.FRL

WWW. MANN. FRL

7 MAN MILIEU ADVIES

Verwachting Om

NOORD-NEDERLAND

ten aanzien

van

de bodemkwaliteit

de beschikbare gegevens omtrent de bodemkwaliteit in beeld te

brengen zijn de volgende

bronnen

geraadpleegd: .

bodemkwaliteitskaart

.

historie onderzoekslocatie

gemeente Tytsjerksteradiel;

.

Nazca

.

een

(www.topotijdreis.nl); BodemiInformatieSysteem provincie Fryslân; inspectie van de onderzoekslocatie tijdens de veldwerkzaamheden

7 februari 2024

zoals

uitgevoerd

op 6 en

geconcludeerd

dat de

ondergrond

klasse

B

door (geanonimiseerd) van Poelsema Veldwerkbureau.

Bodemkwaliteitskaart gemeente Tytsjerksteradiel Op basis van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente

Tytsjerksteradiel

wordt

onderzoekslocatie: .

de bodemfunctieklasse ‘wonen’

.

de

ontgravingsklasse ‘achtergrondwaarde' betreft.

Eerder Om

toebedeeld

verwachte

uitgevoerde

bodemonderzoeken of

informatie

of

heeft

gekregen;

zowel

de

bodembedreigende

boven-

activiteiten

voorhanden

is

als

de

activiteiten

uitgevoerde bodemonderzoeken of is het Nazca bodembedreigende plaatse onderzoeksgebied BodeminformatieSysteem van de provincie Fryslân geraadpleegd. Na het raadplegen blijkt van de onderzoekslocatie en de directe omgeving informatie aanwezig te zijn. Hieronder worden de uitkomsten te

achterhalen

voor

ter

van

van

eerder het

beschreven. 2003 Verkennend (water)bodemonderzoek percelen It Sud te Hurdegaryp De onderzoekslocatie uit voorliggend bodemonderzoek is in 2003 door middel -

(water)bodemonderzoek

onderzocht

door

Verhoeve

Milieu

Noord

bv.

Uit

de

van

een

verkennend

resultaten

van

het

onderzoek, zoals gerapporteerd onder projectnummer 370104, d.d. oktober 2003, blijkt dat de bodem destijds is onderzocht door middel van veertien mengmonsters, waarvan zeven mengmonsters zijn

samengesteld van de bovengrond en zeven van de ondergrond. In de bovengrond zijn destijds hooguit licht verhoogde gehalten aangetroffen van de parameters EOX, koper en lood, in de mengmonsters van de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen van de geanalyseerde parameters. In het grondwater zijn destijds licht verhoogde gehalten aangetroffen van de parameters xylenen, cadmium en koper. Binnen het onderzoek is aanvullend een korte gedempte sloot onderzocht en zijn boringen verricht ter plaatse van een aantal dammen. Uit de resultaten blijkt dat binnen de gedempte watergang geen verhoogde gehalten zijn aangetroffen van de geanalyseerde parameters. Binnen de dammen zijn destijds zintuigelijk geen asbesthoudende materialen aangetroffen, enkel een lichte bijmenging met puin.

Navraag bij de gemeente Tytsjerksteradiel leert dat voor het onderzoeksgebied geen aanvullende bijzonderheden of verdachte activiteiten van toepassing zijn. Van de onderzoekslocatie zijn tevens geen gegevens opgenomen met betrekking tot saneringscontouren en zorgmaatregelen. Voormalig bodemgebruik Aanwezigheid van tanks Binnen het Nazca BodeminformatieSysteem van over de aanwezigheid van olie- of brandstoftanks Aanwezigheid

van

de

provincie Fryslân is geen informatie binnen de onderzoekslocatie.

opgenomen

asbest

geldt vooralsnog dat er geen verdenking is op de aanwezigheid van bodemverontreiniging met asbest. Tijdens de veldwerkzaamheden wordt echter wel gelet op voorkomen van asbestverdachte materialen, met name bij het aantreffen van puin. Voor

de onderzoekslocatie

Pagina INFO@MANN.F

6

van

een

het

17

WWW.MANN.F

Bodemgebruik Om de historie van de onderzoekslocatie te achterhalen zijn de kadastrale kaarten op www. topotijdreis. nl geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de onderzoekslocatie sinds tenminste 1850 bestaat uit agrarische percelen c. q. grasland. Binnen de onderzoekslocatie zijn vermoedelijk omstreeks 1978, 1987 en 2010 een drietal watergangen gedempt. Vooralsnog wordt aangenomen dat de dempingen hebben plaatsgevonden met ‘schone’ gebiedseigen grond. Om de ligging van de voormalige watergangen te herleiden is gebruik gemaakt van oude kadastrale kaarten. Tevens zijn binnen het onderzoeksgebied 4 dammen aanwezig welke vooralsnog als verdacht zijn beschouwd op het voorkomen van een bodemverontreiniging. Figuur 2: ligging gedempte watergangen (blauwe lijnen) en aanwezige dammen (gele kaders)

Dam 2

Dam 1

Dam 3

Dam 4

Huidig bodemgebruik De onderzoekslocatie bestaat in de huidige situatie uit agrarische percelen c. q. grasland.

Conclusie vooronderzoek Uit de bevindingen van het vooronderzoek blijkt dat bij de uitvoering van het in 2003 uitgevoerde bodemonderzoek ter plaatse van het onderzoeksgebied enkel in de bovengrond en het grondwater hooguit licht verhoogde gehalten zijn aangetroffen van de parameters uit het standaard analysepakket. De verwachting is derhalve

dat geen sprake is van bijzonderheden en de onderzoekslocatie uit voorliggend bodemonderzoek onverdacht is op het voorkomen van verontreinigingen en dat in zowel de bovengrond als het grondwater tot hooguit licht verhoogde concentraties worden aangetroffen van de te analyseren parameters uit het standaard analysepakket.

Pagina 7 van 17 INFO @MANN.FRL

WWW. MANN. FRL

7 MAN MILIEU ADVIES

3

NOORD-NEDERLAND

UITVOERING

3.1

Onderzoeksstrategie

Voor

de onderzoekslocatie

bevindingen uit het vooronderzoek, gekozen voor de strategie ‘grootschalig onverdachte niet lijnvormige locatie (ONV-GR-NL). De gekozen Landbodem onderzoeksstrategie is conform de Nederlandse norm NEN 5740 “Bodem Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” (versie oktober 2023) opgesteld. voor

is, op basis

ONDERZOEK

de

van

een

—

—

—

Ter

plaatse van de voormalige watergangen zijn een aantal aanvullende boringen verricht door middel raaien gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor een ‘diffuus belaste lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VED-HE-L)'. Voor de dammen is de onderzoeksstrategie voor een ‘verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting een met duidelijke verontreinigingskern (VEP) aangehouden. In de onderstaande tabel is een samenvatting weergegeven van het onderzoeksprogramma.

van

Tabel 3: Overzicht

onderzoeksprogramma

Oppervlakte

Onderzoekslocatie

(m?)

Lengte (m!)

Werkzaamheden 21

Easter Omwei

Dammen m-mv

plaatse bodemprofiel ter

*

er

is per

3.2 De

metpellbuis

_ 3

x

AS3000

3

x

AS3000

standaardpakket grond standaardpakket grond

+

PFAS

+

PFAS

___ShcAS3000'standaardpakketigrondwater

430

27

boringen

tot

2,0

*

m-mv

enn

<100

beneden van

de

van

de

8

-

boringen tot 1,5 m-mv

4

x

AS3000

standaardpakket grond

**

maaiveld

gedempte watergangen zijn alleen bij boringen waar een verdachte bijmenging of sterk afwijkend is aangetroffen monsters ingezet voor analyse dam één mengmonster samengesteld van de meest verdachte bodemlagen of de bovengrond voor analyse

ligging bijlage 3. De

boringen tot 0,5 m-mv boringen tot 2,0 m-mv

7

(4 stuks)

meter

=

4

-

__Sboringen

Gedempie MATOTGANGEN

wan

*

40.000

Analyses

uitgevoerde boringen

is weergegeven

op de

detailtekening

welke

is opgenomen

als

Veldwerkzaamheden veldwerkzaamheden,

uitgevoerd op 6, veldwerkzaamheden

7

en

het 16

nemen

februari

van

2024,

de

grondmonsters en het plaatsen van de peilbuizen, zijn grondwater is bemonsterd op 15 februari 2024. De

het

Poelseme Veldwerkbureau. De zijn verricht door de vn (geanonimiseerd) bemonstering is uitgevoerd conform BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek, versie 6.0, d.d. 1 februari 2018) protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en maken van nemen van peilbuizen, boorbeschrijvingen, grondmonsters en waterpassen, versie 6.0, d.d. 1 februari 2018) en protocol 2002 (Het nemen van grondwatermonsters, versie 6.0, d.d. 1 februari 2018). Poelsema Veldwerkbureau is gecertificeerd volgens BRL SIKB 2000, protocol 2001 en 2002 onder -

certificaatnummer EC-SIKB-02239. Voor

de

bemonstering van bodem waarin de parameters PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) dienen te zijn nog geen SIKB-protocollen vastgesteld. De veldwerkzaamheden zijn echter waar mogelijk uitgevoerd conform de methodiek uit de ‘Handreiking PFAS bemonsteren, Expertisecentrum

worden onderzocht

PFAS, versie 1.0, d.d.

25-6-2020’.

Pagina INFO@MANN.FRL

8

van

17

WWW.MANN.FRL

Bij de veldwerkzaamheden zijn de volgende aandachtspunten gehanteerd: • welke (regen-) kleding, schoenen, stiften, verpakkingsmaterialen etc. worden gebruikt; • wat is de herkomst van het spoelwater; • extra aandacht om contaminatie door voorgaande projecten/ boringen te voorkomen; • strenge decontaminatie-procedure van spoelen met drinkwater; • bij bemonstering van de ondergrond, contaminatie met de bovengrond voorkomen; • juiste verpakkingsmateriaal monsterpotten/emmers.

Maaiveld-inspectie Voorafgaand aan de monstername is het maaiveld visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte fragmenten of bijzonderheden die duiden op het voorkomen van een bodemverontreiniging. Bij deze visuele inspectie zijn binnen het onderzoeksgebied geen asbestverdachte fragmenten of bijzonderheden aangetroffen.

Bodemopbouw

en

zintuiglijke waarnemingen

Tijdens het verrichten van de boringen, zoals uitgevoerd met een edelmanboor en waar nodig middels zuigerboor, is de grond voortdurend zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van bodemvreemde materialen en verontreinigende stoffen. Er is met name gelet op indicaties voor verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten en bijmenging met puinresten. In tabel 4 zijn de zintuiglijke waarnemingen en de bodemopbouw per boring weergegeven. Tabel 4: Zintuigelijke waarnemingen Traject Boorpunt Grondsoort (m-mv) Perceel 1 tot 4 0-0,5 Veen 0-0,3 Veen 5 Zand 0,3-0,5 0-0,3 Veen 6 0,3-0,5 Zand 7 0-0,5 Veen 8 0-0,5 Veen 0-0,3 Veen 9 Zand 0,3-0,5 0-0,3 Veen 10 Zand 0,3-0,5 0-0,3 Veen 11 0,3-0,5 Zand 0-0,3 Veen 12 0,3-0,5 Zand 0-0,3 Veen 13 0,3-0,5 Zand 14 0-0,5 Veen 15 0-0,5 Veen 16 0-0,5 Veen 0-0,3 Veen 17 0,3-0,5 Zand 0-0,3 Veen 18 0,3-0,8 Zand 0-0,3 Veen 19 0,3-0,8 Zand 0-0,3 Veen 20 Zand 0,3-0,8 0-0,3 Veen 21 0,3-0,5 Zand

Bijzonderheden en/of eigenschappen Zwak zandig, laagjes zand Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Sterk kleiig Sterk kleiig Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Sterk kleiig Sterk kleiig Sterk kleiig Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Sterk kleiig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus

Pagina 9 van 17 INFO @MANN.FRL

WWW. MANN. FRL

Traject (m-mv) 0-0,3 0,3-0,8 22 0,8-1,2 1,2-1,8 1,8-2,0 0-0,3 23 0,3-0,8 0,8-2,0 0-0,3 0,3-0,8 24 0,8-1,8 1,8-2,0 0-0,3 25 0,3-0,7 0,7-2,0 0-0,6 PB1 0,6-1,1 1,1-3,0 0-0,3 PB2 0,3-0,8 0,8-3,0 0-0,3 0,3-0,8 PB3 0,8-2,0 2,0-3,0 0-0,3 0,3-0,8 PB4 0,8-2,0 2,0-3,0 0-0,3 PB5 0,3-0,8 0,8-3,0 Gedempte watergangen S1 tot S27 Dammen 0-0,5 D1. 1 0,5-0,9 0,9-1,5 0-0,2 0,2-0,7 D1. 2 0,7-1,0 1,0-1,5 0-0,5 D2. 1 0,5-1,0 1,0-1,5 0-0,5 D2. 2 0,5-0,8 0,8-1,5 0-0,7 D3. 1 0,7-1,0 1,0-1,5 0-1,1 D3. 2 1,1-1,5 0-0,7 D4. 1 0,7-1,5 0-0,7 D4. 2 0,7-1,5 Boorpunt

Grondsoort

Bijzonderheden en/of eigenschappen

Veen Zand Zand Leem Zand Veen Zand Leem Veen Zand Leem Zand Veen Zand Leem Zand Veen Zand Veen Zand Leem Veen Zand Leem Zand Veen Zand Leem Zand Veen Zand Leem

Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Matig fijn, matig siltig Matig stevig, sterk zandig, laagjes zand, weinig stenen Zeer fijn, matig siltig Sterk kleiig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Matig stevig, sterk zandig, laagjes zand, weinig stenen Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Matig stevig, sterk zandig, laagjes zand, weinig stenen Zeer fijn, matig siltig Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Matig stevig, sterk zandig, laagjes zand, weinig stenen Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Zwak zandig Matig fijn, matig siltig Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Matig stevig, sterk zandig, laagjes zand, weinig stenen Sterk kleiig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Matig stevig, sterk zandig, laagjes zand, weinig stenen Zeer fijn, matig siltig Sterk kleiig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Matig stevig, sterk zandig, laagjes zand, weinig stenen Zeer fijn, matig siltig Zwak zandig Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Matig stevig, sterk zandig, laagjes zand, weinig stenen

Geen afwijkende opbouw of tekenen van dempingen met niet gebiedseigen grond Zand Zand Leem Zand Leem Zand Leem Zand Zand Leem Zand Zand Leem Zand Zand Leem Zand Leem Zand Leem Zand Leem

Matig fijn, matig siltig, matig humeus, zwak plantenrestenhoudend Zeer fijn, matig siltig, zwak oerhoudend Matig stevig, sterk zandig Matig fijn, matig siltig, matig humeus, zwak plantenrestenhoudend Sterk zandig Zeer fijn, matig siltig, zwak oerhoudend Matig stevig, sterk zandig Matig fijn, matig siltig, matig humeus, zwak plantenrestenhoudend Zeer fijn, matig siltig, zwak humeus Matig stevig, sterk zandig Matig fijn, matig siltig, matig humeus, zwak plantenrestenhoudend Zeer fijn, matig siltig, zwak oerhoudend Matig stevig, sterk zandig Matig fijn, matig siltig, matig humeus, resten hout, spikkels baksteen Matig fijn, matig siltig, zwak humeus Sterk zandig Matig fijn, matig siltig, matig humeus, resten hout Matig stevig, sterk zand Matig fijn, matig siltig, matig humeus, resten hout Matig stevig, sterk zandig Matig fijn, matig siltig, matig humeus, resten hout Matig stevig, sterk zandig

Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in het opgeboorde bodemmateriaal, behoudens incidenteel spikkels (schilfers) baksteen ter plaatse van Dam 3, geen bijzonderheden als verdachte bijmengingen, oliewaterreacties of verdachte geuren aangetroffen. Pagina 10 van 17 INFO @MANN.FRL

WWW. MANN. FRL

De minimale bijmenging met spikkels baksteen is door de veldmedewerker, welke tevens erkend is conform BRL 2000-protocol 2018 (maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem), mede

het ontbreken van overige asbestverdachte puinfracties of bijzonderheden eenduidig als nietasbestverdacht aangemerkt. vanwege

In

bijlage 4 zijn de boorbeschrijvingen

en

zintuiglijke waarnemingen

per

afzonderlijke boring

weergegeven.

Analyses grond De

deelmonsters zijn door Poelsema Veldwerkbureau ter analyse aangeboden bij het RvAgeaccrediteerde laboratorium van Eurofins Omegam B. V. te Amsterdam-Duivendrecht waarna in totaal zes mengmonsters zijn samengesteld. plaatse van de gedempte watergangen is geen verdachte bijmenging of sterk afwijkend bodemprofiel aangetroffen waardoor geen monsters zijn ingezet voor analyse. Van de bodem ter plaatse van de dammen is één mengmonster per dam samengesteld. In de onderstaande tabel zijn de eigenschappen van de mengmonsters weergegeven. Ter

Tabel 5: Eigenschappen mengmonsters MonsterSamengesteld uit de deelmonsters referentie van de boringen MM-1 1. 1/3. 1/5. 1/6. 1/9. 1/11. 1/12. 1/17. 1/19. 1/20. 1 MM-2 5. 2/9. 2/10. 2/11. 2/12. 2/13. 2/18. 2/19. 2/20. 2/21. 2 MM-3 7. 1/8. 1/14. 1/15. 1/16. 1/21. 1 MM-4 22. 2/23. 2/24. 2/25. 2 MM-5 22. 3/S14. 3/S19. 2 MM-6 22. 4/23. 3/23. 4/23. 5/24. 3/24. 4/25. 3/25. 4/25. 5 Dammen MM-D1 D1-1. 1/D1-2. 1 MM-D2 D2-1. 1/D2-2. 1 MM-D3 D3. 1. 1/D3. 1. 2/D3. 2. 1/D3. 2. 2 MM-D4 D4. 1. 1/D4. 1. 2/D4. 2. 1/D4. 2. 2

Bemonsteringstraject (m-mv) 0-0,5 0,3-0,8 0-0,5 0,3-0,8 0,5-1,2 0,7-2,0

GrondSoort Veen Zand Veen Zand Zand Leem

0-0,5 0-0,5 0-1,0 0-0,7

Zand Zand Zand Zand

Bijzonderheden -

-

Spikkels baksteen Resten hout

De mengmonsters zijn geanalyseerd op de parameters uit het AS3000 standaardpakket grond. Het AS3000 standaardpakket grond omvat de volgende parameters: • • • • •

droge stof, lutum en organische stof; zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK + som PAK (10)); polychloorbifenyl (PCB + som PCBs (7)); minerale olie.

Vanwege de agrarische functie van het onderzoeksgebied en de directe omgeving zijn binnen de mengmonsters MM-1 tot MM-6 tevens de organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s) geanalyseerd.

Bij de graafwerkzaamheden ten behoeve van het ontwikkelen tot woningbouw komt mogelijk grond vrij wat afgevoerd dient worden naar een erkende verwerker. In het kader daarvan zijn binnen de mengmonsters MM-1 tot MM-6 tevens de parameters PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) onderzocht. Het analysecertificaat van de analyses is opgenomen in bijlage 5.

Pagina 11 van 17 INFO @MANN.FRL

WWW. MANN. FRL

Analyses grondwater Van

de bemonsterde peilbuizen zijn de navolgende waarden aan geleidingsvermogen (E. G. V. ) en troebelheid (NTU) in het veld gemeten. Tabel 6: Eigenschappen grondwatermonsters Filtertraject Grondwaterpeil Peilbuis (m-mv) (m-mv) PB1 2,00-3,00 0,57 PB2 2,00-3,00 0,23 PB3 2,00-3,00 0,51 PB4 2,00-3,00 0,45 PB5 2,00-3,00 0,14

In het grondwater duiden de zuurgraad (pH)

pH 5. 74 5. 71 5,47 5,70 5,40

E. G. V. (μS/cm) 730 550 850 1. 100 640

zuurgraad

Troebelheid (NTU) 17 Troebel 20 23 70

(pH),

elektrisch

Slechtlopend (ja/nee) Nee Nee Nee Nee Nee

het elektrisch geleidingsvermogen (E. G. V. ) niet op een afwijkende samenstelling van het grondwater en geven geen aanleiding de onderzoeksstrategie aan te passen. Wel is een verhoogde troebelheid (NTU) aangetroffen (10). Deze NTU-waarden hebben een > signalerende functie, in troebel water kunnen mogelijk onterecht hoge concentraties in het grondwater worden gemeten. De monstername van het grondwater is conform NEN 5744 en bij een constante EC uitgevoerd, daarnaast bleek de oppompsnelheid geen noemenswaardige invloed te hebben op de gemeten NTU-waarde, deze bleef tijdens de bemonstering van het grondwater constant. en

De

grondwatermonsters zijn geanalyseerd op de parameters uit het AS3000 standaardpakket grondwater. Het AS3000 standaardpakket grondwater omvat de volgende parameters: zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; • • minerale olie; • organische parameters-aromatisch: vluchtige aromaten; • organische parameters-gehalogeneerd: vluchtige chlooralifaten. Het analysecertificaat van de grondwateranalyses is opgenomen in bijlage 5.

Pagina 12 van 17 INFO @MANN.FRL

WWW. MANN. FRL

4

RESULTATEN

Toelichting toetsingskader De analyseresultaten zijn

na correctie naar standaardbodem getoetst aan de eisen uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) en het Besluit en Regeling bodemkwaliteit. De kwaliteitseisen staan in tabel 1 van bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit 2022, deze kwaliteitseisen bepalen in welke kwaliteitsklasse de onderzochte landbodem valt. Op basis van de gemeten gehalten volgt er een indeling in de onderstaande kwaliteitsklassen.

Artikel 5. 25 - lid 7 In de Regeling bodemkwaliteit is opgenomen dat bij de toetsing aan de achtergrondwaarden rekening dient te worden gehouden met artikel 5. 25 – lid 7. Dit artikel geeft een lichte verruiming van de achtergrondwaarden. De kwaliteit van de onderzochte bodem overschrijdt de achtergrondwaarden niet indien het rekenkundig gemiddelde gehalte bij meting van ten minste 7 stoffen, waarvoor een waarde is opgenomen in tabel 1 van bijlage B uit de Regeling, het rekenkundig gemiddelde gehalte van maximaal 2 stoffen verhoogd is.

Toetsing analyseresultaten Perceel In tabel 7 zijn de overschrijdingen van de interventiewaarden in de grond weergegeven. De toetsingsresultaten zijn tevens in bijlage 6 opgenomen.

en

de kwaliteitsklassen

Tabel 7: Toetsingsresultaten grond MonsterBemonsteringsParameters met gehalte Bodemkwaliteitsklasse referentie traject (m-mv) boven interventiewaarde MM-1 0-0,50 Landbouw/natuur Landbouw/natuur MM-2 0,30-0,80 MM-3 0-0,50 Wonen (kwik, lood)* Landbouw/natuur MM-4 0,30-0,80 Landbouw/natuur MM-5 0,50-1,20 Landbouw/natuur MM-6 0,70-2,00 * Klasse ‘Landbouw/natuur’ indien gebruik wordt gemaakt van de correctie conform artikel 5. 25 - lid 7 uit de Regeling bodemkwaliteit

Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat binnen de geanalyseerde mengmonsters interventiewaarde-overschrijdingen zijn aangetroffen.

geen

De onderzochte bodem binnen de overige mengmonsters is, bij mengmonster MM-3 vanwege zeer licht verhoogde gehalten van de parameters kwik en lood gebruikmakend van artikel 5. 25-lid 7 uit de

Regeling bodemkwaliteit, geclassificeerd als bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Pagina 13 van 17 INFO @MANN.FRL

WWW. MANN. FRL

Dammen In tabel 8 zijn de overschrijdingen van de interventiewaarden in de grond weergegeven. De toetsingsresultaten zijn tevens in bijlage 6 opgenomen.

en

de kwaliteitsklassen

Tabel 8: Toetsingsresultaten grond MonsterBemonsteringsParameters met gehalte Bodemkwaliteitsklasse referentie traject (m-mv) boven interventiewaarde MM-D1 0-0,50 Industrie (min. olie) Wonen (kwik, lood)* MM-D2 0-0,50 Landbouw/natuur MM-D3 0-1,00 0-0,70 Landbouw/natuur MM-D4 * Klasse ‘Landbouw/natuur’ indien gebruik wordt gemaakt van de correctie conform artikel 5. 25 - lid 7 uit de Regeling bodemkwaliteit

Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat binnen de geanalyseerde mengmonsters interventiewaarde-overschrijdingen zijn aangetroffen.

geen

De bodemkwaliteitsklasse van de onderzochte bodem binnen het mengmonster wat is samengesteld ter plaatse van Dam 1 is vanwege een verhoogd gehalte van de parameter minerale olie geclassificeerd

als ‘Industrie’. Uit het oliechromatogram blijkt dat het verhoogde gehalte aan minerale olie mogelijk wordt veroorzaakt door humuszuren die van nature voorkomen, deze patronen worden met name gevonden in monsters afkomstig van veengebieden of andere monsters met een hoog organisch stof De betrof gehalte. onderzochte bodem in het mengmonster matig humeus, zwak plantenrestenhoudende bodem met een hoog organische stofgehalte. De onderzochte bodem binnen de mengmonsters die zijn samengesteld ter plaatse van de overige dammen, bij mengmonster MM-D2 zoals samengesteld ter plaatse van Dam 2 vanwege zeer licht verhoogde gehalten van de parameters kwik en lood gebruikmakend van artikel 5. 25-lid 7 uit de

Regeling bodemkwaliteit, is geclassificeerd als bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. PFAS In december 2023 is het ‘Tijdelijk handelingskader

hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie' geactualiseerd waarbij de toetsingswaarden zijn herzien. De toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau zijn in de onderstaande tabel weergegeven. voor

Tabel 9: Toepassingswaarden voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau Functieklasse in de zin van het PFOS PFOA Overige PFAS Besluit Bodemkwaliteit (µg/kg d. s. ) (µg/kg d. s. ) (µg/kg d. s. ) Landbouw/natuur 1,4 1,9 1,4 Wonen 3,0 7,0 3,0 Industrie 3,0 7,0 3,0

Bij de beoordeling van de kwaliteit van eventueel vrijkomende bodem, worden de in de tabellen opgenomen normwaarden (achtergrondwaarden en maximale waarden voor een standaardbodem) omgerekend naar de normwaarden voor de toe te passen bodem. Hierbij wordt voor organische contaminanten gebruik gemaakt van de gemeten gehalten aan organische stof. Conform het tijdelijk handelingskader hoeft bij het toetsen van het gehalte van de parameters PFAS tot een organische stofgehalte van 10% geen bodemtypecorrectie toegepast te worden. Als het organische stofgehalte tussen 10% en 30% ligt wordt wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd. Dit is overeenkomstig de systematiek zoals die voor het toetsen van de parameter PAK geldt (zie bijlage G, onderdeel III van de Regeling bodemkwaliteit). Pagina 14 van 17 INFO @MANN.FRL

WWW. MANN. FRL

De omrekening van gemeten gehalten in grond naar een standaardbodem verloopt via de onderstaande

formule: Gehalte (omgerekend

naar

standaardbodem) = Gemeten gehalte parameter x { 10 / % gemeten gehalte org. stof}

organische stofgehalte van de samengestelde mengmonsters uit voorliggend onderzoek is in de onderstaande tabel. Hierbij zijn tevens de naar standaardbodem gecorrigeerde gehalten van de analyses op de parameters PFAS weergegeven. Het

weergegeven

Tabel 10: Analyseresultaten PFAS (na bodemtypecorrectie) MonsterBemonsteringsGehanteerde organische referentie traject (m-mv) Stofgehalte % (m/m d. s. ) MM-1 0-0,50 11,4 MM-2 0,30-0,80 3,5 MM-3 0-0,50 21,8 MM-4 0,30-0,80 2,7 MM-5 0,50-1,20 0,2 MM-6 0,70-2,00 < 0,2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Tytsjerksteradiel&id=b6c4c552-710f-40f5-b302-b1761e8c4841