Bijlage 1 - Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023
Tekst van het document
De reden waarom de aanvraag in aanmerking komt voor de verkorte procedure wordt door de behandelaar geregistreerd in het registratiesysteem. De motivering om een maatwerkvoorziening te verstrekken worden eveneens geregistreerd. In het tweede lid wordt de bevoegdheid van het college om nadere regels te stellen benoemd. Artikel 9. Criteria voor maatwerkvoorziening
24
In de wet is bepaald dat de raad bij verordening criteria moet vastleggen om vast te stellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening uitputtend wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In lid 1 is deze verplichting uitgewerkt. In lid 2 heeft de voorziening collectief vervoer een grondslag gekregen. In het derde artikellid is bepaald dat er alleen recht bestaat op een maatwerkvoorziening als deze als de goedkoopst compenserende voorziening kan worden beschouwd. De voorzieningen die worden verstrekt moeten naar objectieve maatstaven worden gemeten (zowel compenserend als de meest goedkope). De begrippen “goedkoopst” en “compenserend” moeten in onderlinge samenhangt worden bekeken. Met het begrip compenserend wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven toereikend.
Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat de voorziening hierdoor passender wordt, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau mag het duidelijk zijn dat bij een verantwoord niveau moet worden aangesloten, maar ook niet meer dan dat. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, wanneer de cliënt bereid is het prijsverschil zelf te betalen. Uit de voorbeelden hierboven blijkt dat het begrip goedkoopst compenserend de mogelijkheid geeft om te sturen binnen het beleid. De gemeente Leeuwarden is centrumgemeente voor de ondersteuning bij beschermd wonen en maatschappelijke opvang. In lid 4 is daarom bepaald dat het college voor de ondersteuning bij beschermd wonen en opvang de vigerende verordening van de gemeente Leeuwarden volgt. Artikel 10. Weigeringsgronden Eerste lid Ad. a Bestaat er een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling waarop de cliënt aanspraak kan maken, dan wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend. Dat wil niet zeggen dat de cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft.
Er is geen sprake van een voorliggende voorziening wanneer deze voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen of vaststaat dat de cliënt hiervoor niet in aanmerking komt Wordt de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk vergoed? Ook dan is er sprake van een voorliggende voorziening. De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo. Ad. b Deze afwijzingsgrond herhaalt het algemene toetsingskader zoals dat in de wet centraal staat. Ad. c Een algemene voorziening gaat voor op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet.
25
Ad. d Het is niet de bedoeling dat de gemeente maatwerkvoorzieningen verstrekt aan personen, waarbij aannemelijk is dat zij ook zonder beperkingen, over deze voorziening zouden (hebben kunnen) beschikken 6. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt 7. Hierbij zijn de volgende vragen van belang: - Is de voorziening gewoon te koop? - Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? - Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Ad. e Hiermee wordt de situatie bedoeld dat de cliënt een melding heeft gedaan en nog voordat een besluit is genomen de voorziening zelf al realiseert of heeft aangekocht. Omdat er dan geen mogelijkheden meer zijn om de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken en er geen invloed meer bestaat op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze bepaling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met wat het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. Wanneer achteraf wel is vast te stellen dat de voorziening onontkoombaar/noodzakelijk is, geldt deze weigeringsgrond niet. De toets ‘goedkoopst compenserend’ moet dan nog wel plaatsvinden.
Mocht hieraan niet worden voldaan, dan komen de meerkosten voor rekening van de cliënt. Onder deze bepaling valt niet de situatie waarin een cliënt de voorziening heeft aangeschaft of gerealiseerd voordat een melding is gedaan. In dat geval is immers ten tijde van de melding geen te compenseren situatie aanwezig. Ad. f In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die eerder heeft plaatsgevonden, terwijl het de cliënt te verwijten is dat het middel verloren is gegaan. Dit geldt dus niet wanneer het middel verloren is gegaan buiten de schuld van de cliënt om. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Wanneer bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Wanneer vervolgens bij brand of een andere calamiteit blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Ad. g De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past niet om voorzieningen voor een bepaalde categorie personen of groep personen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Ad. h zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr.
00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). 7 zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO 6
26
Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt wanneer deze niet langdurig noodzakelijk is. In beginsel vallen voorzieningen voor een beperkte of onzekere duur niet onder de compensatieplicht op grond van de Wmo. Waar de grens tussen tijdelijk en langdurig gelegd moet worden is niet duidelijk aan te geven. Dit volgt niet expliciet uit de wet. Een afbakening die gemaakt kan worden, is door te kijken naar andere regelgeving die voor beperkte duur voorzieningen verstrekken, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw). Vanuit de Zvw kunnen hulpmiddelen ten hoogste 26 weken ( een halfjaar) verstrekt worden. Is de voorziening minimaal 26 weken noodzakelijk dan is er sprake van langdurig noodzakelijk. Vanuit de Wmo verordening sluiten wij hierbij aan; onder langdurig noodzakelijk wordt verstaan tenminste 26 weken noodzakelijk. Wanneer de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp of begeleiding betreft geldt deze bepaling niet en kan een maatwerkvoorziening tijdelijk ( korter dan 26 weken) worden ingezet. Tweede lid Ad. a Alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Achtkarspelen en daar dus hoofdverblijf hebben, komen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Ad.
b Deze bepaling is opgenomen om aan te geven dat een woning van de ouder(s) of partner bezoekbaar kan worden gemaakt wanneer de aanvrager verblijft in een instelling in het kader van de Wet langdurige zorg. Ad. c In het geval van ouders die niet samenwonen (bijv. co-ouderschap/omgangsregeling) wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor het adres waar het kind niet staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens. Dit geldt niet voor het bezoekbaar maken van de woning. Op grond van het Burgerlijk Wetboek volgt een minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over het kind uitoefent. Dit heet ook wel ‘afgeleide woonplaats’. Bij coouderschap ligt het ouderlijk gezag in de praktijk vaak bij beide ouders. Het juridische hoofdverblijf wordt meestal door de rechter bepaald en vastgelegd in het ouderschapsplan. Als het hoofdverblijf niet is vastgesteld, dan kan gekeken worden naar het feitelijk verblijf. In de praktijk kan het voorkomen dat het feitelijk verblijf evenredig is verdeeld. De CRvB heeft geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten (en dus meerdere adressen) tegelijkertijd woonplaats kan hebben. De interpretatie van deze jurisprudentie is dat de inschrijving van het kind in Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBP) doorslaggevend is. Derde lid Ad.
a Er hoeft geen voorziening te worden verstrekt als de belemmeringen het gevolg zijn van de aard van de gebruikte materialen. Ook als de beperkingen voortkomen uit achterstallig onderhoud van de woning hoeft er geen woonvoorziening te worden verstrekt. Dit geldt niet als is voldaan aan de volgende twee eisen 8: • cliënt heeft goede pogingen ondernomen om de gebreken door de verhuurder te laten wegnemen; en • met het oog op de gezondheidstoestand van cliënt is er binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van de gebreken. Ad. b 8 zie CRvB 03-07-2013, nr. 11/4346 WMO, zie ook Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-06-2010, nr. AWB 09/2976
WMO
27
Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt voor woonruimten die als zelfstandige woonruimte worden beschouwd in het kader van de Wet op de huurtoeslag. Het gaat dan om voor permanente bewoning geschikte woonruimte. Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt ten behoeve van niet voor permanente bewoning geschikte woonruimte zoals hotels en vakantie- en recreatiewoningen. Uit jurisprudentie blijkt dat het niet is toegestaan om woonvoorzieningen voor bepaalde woonruimten categoriaal uit te sluiten 9. Het uitsluiten van woonvoorzieningen voor niet voor permanente bewoning geschikte woonruimte is wel aanvaardbaar, maar dan moet het college een andere compenserende voorziening verstrekken zoals een verhuiskostenvergoeding. In deze bepaling is dit geregeld door een voorziening voor verhuizing en inrichting te verstrekken wanneer de cliënt verhuist van een niet voor permanente bewoning geschikte woonruimte naar een voor permanente bewoning geschikte woonruimte. Ad. c Een woonvoorziening wordt geweigerd wanneer een voorziening in een gebouw voor een specifieke doelgroep algemeen gebruikelijk is. Het college moet aantonen dat de voorziening algemeen gebruikelijk is.
Een voorziening in een gebouw speciaal bedoeld voor gehandicapten of ouderen is in principe algemeen gebruikelijk als 10: ▪ op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat een sociale huurwoning die bestemd is voor een specifieke groep bewoners duidelijk niet voldoet aan de geldende eisen voor een dergelijke woning: o op grond van wettelijke voorschriften; o algemeen aanvaarde regels; of o contractuele bepalingen ▪ wordt aangetoond dat de aangevraagde voorziening bij wel voldoen aan die eisen niet nodig zou zijn. Bovenstaande geldt ook voor gebouwen die niet speciaal bestemd zijn voor een bepaalde groep bewoners, maar die in de praktijk wel grotendeels door ouderen of gehandicapten wordt bewoond. Ad. d Voorzieningen die niet in dit artikellid worden genoemd, worden niet verstrekt in gemeenschappelijke ruimten. Wordt een aanvraag op grond van deze bepaling afgewezen, dan bestaat er nog wel een compensatieplicht, bijv. in plaats van een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt een verhuiskostenvergoeding verstrekt. Ad. e Als er in de te verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men verhuisd naar een ongeschikte woning.
Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft. Uitzondering op deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden.
9
zie Rechtbank Arnhem 19-12-2008, nr. AWB 08/1131 CRvB 03-06-2009, nr. 07/4237 WVG en CRvB 09-03-2010, nr. 08/1537 WVG)
10
28
Ad. f Als een cliënt verhuist, dan moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente haar burgers goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van cliënt meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast wanneer cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf bij de gemeente meldt om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning voor cliënt beschikbaar was.
Vierde lid In lid 4 is bepaald dat geen pgb voor collectief vervoer wordt verstrekt, omdat dit het voortbestaan van het systeem van collectief vervoer in gevaar brengt 11. Zie in dit verband ook artikel 11 lid 5. Artikel 11. Pgb Het college kan op grond van de wet een pgb (pgb) verstrekken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt wanneer de cliёnt dit gemotiveerd vraagt. Daarnaast is de toets of de cliënt met het pgb de vastgestelde ondersteuning ook daadwerkelijk kan inkopen van belang. In lid 2 en 3 is opgenomen hoe de hoogte van de pgb’s bepaald wordt. Hierbij wordt het ingediende (pgb)plan meegenomen (voor zover aanwezig) anders wordt het gespreksverslag daarvoor gebruikt, de kostprijs en de tarieven die de gemeente betaald voor maatwerkvoorzieningen in natura. Hierin is de differentiatie van de pgb’s opgenomen. Er is een onderverdeling gemaakt naar twee groepen: 1. een opgeleid persoon in dienst van een zorgaanbieder of een zzp-er en 2. een persoon uit het sociaal netwerk. Onder de 2de groep worden ook de niet gekwalificeerde personen verstaan die een vertrouwensrelatie met een klant hebben. En op basis daarvan gekwalificeerd geacht worden om de ondersteuning te kunnen bieden. Uitgangspunt in alle gevallen is het pgb-plan waarin de te behalen resultaten zijn beschreven.
Tot het sociale netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo 2015).
11 Zie CRvB 14-07-2010, nr. 08/5298 WMO en CRvB 19-10-2011, nrs. 09/4322 WMO
29
• •
Huiselijke kring Hiertoe worden gerekend familieleden, huisgenoten, echtgenoot of voormalige echtgenoot of mantelzorgers. Andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt Dit zijn personen met wie de cliënt regelmatig contacten onderhoudt, zoals bijvoorbeeld buren en medeleden van een vereniging.
In lid 4 is opgenomen dat de gemeente de korting die zij bij haar aanbieders heeft bedongen, mag doorrekenen in de hoogte van het pgb. Met andere woorden, de hoogte van het pgb kan worden afgestemd op de kosten die de gemeente kwijt is aan de voorziening in natura met de bedongen korting. Het pgb hoeft namelijk niet een zodanige hoogte te hebben dat het de keuze uit meerdere aanbieders of leveranciers mogelijk maakt 12. Voorwaarde is wel dat de cliënt met het pgb bij aanbieders terecht kan voor de benodigde maatschappelijke ondersteuning. Wanneer de cliënt met het pgb de benodigde zorg bij in ieder geval één aanbieder kan inkopen, dan is dit afdoende. Wil de cliënt duurdere zorg inkopen bij een niet gecontracteerde aanbieder dan is dat mogelijk. De extra kosten zijn dan voor de cliënt. Artikel 12. Voorwaarden pgb Volgens artikel 2.3.6 lid 2 Wmo 2015 moet het college een pgb verstrekken als: • de cliënt in staat is om de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen zelf in te kopen; Het is voldoende dat de cliënt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen kan inkopen met behulp van zijn sociale netwerk. Dit kunnen bijvoorbeeld de ouders van een minderjarige zijn, een buurman, een voogd etc.
Ook de vertegenwoordiger van de cliënt (curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde) die misschien niet tot het sociale netwerk van de cliënt behoort, kan de cliënt ondersteunen bij het verantwoord inkopen van de diensten hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere voorzieningen. De cliënt hoeft hier dus niet alleen toe in staat te zijn. • de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij een pgb wenst; Met deze eis wordt duidelijk dat het de beslissing is van de cliënt om een pgb aan te vragen. • de dienst, hulpmiddel, woningaanpassing en/of andere maatregel veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Het college moet bij het verzoek van de cliënt om een pgb beoordelen of degene die de ondersteuning biedt, dat veilig, doeltreffend en cliëntgericht doet. Artikel 13. Verplichtingen pgb In het eerste lid is bepaald dat de cliënt een schriftelijk overeenkomst afsluit met de zorgverlener of leverancier van andere diensten. In het tweede lid is vastgelegd welke termijn geldt voor de besteding van het pgb. Dit met het oog op rechtszekerheid en het voorkomen van een situatie waarin het recht oneindig open staat. Het derde tot en met het vijfde lid bevat bepalingen over de budgetverantwoording. Artikel 14.
Inhoud Beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de onderdelen genoemd die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.
12 Zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO
30
Artikel 14a Financiële tegemoetkoming Naast het persoonsgebonden budget en de zorg in natura kan ook een financiële tegemoetkoming worden toegekend. Het aantal mogelijkheden voor een financiële tegemoetkoming is beperkt: het zal gaan om de kosten voor verhuizing en inrichting en de kosten van vervoer per eigen auto. Ook bij een financiële tegemoetkoming zal de beschikking waarin dit bedrag wordt toegekend voorwaarden kunnen bevatten over de besteding van de financiële tegemoetkoming. En ook bij een financiële tegemoetkoming moet verantwoording afgelegd worden over de besteding van de tegemoetkoming. Artikel 15. Controle Op grond van deze bepaling moet het college, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt en besteed voor het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en uit gesprekken met de aanbieder. Artikel 16.
Beëindiging Een maatwerkvoorziening wordt beëindigd als niet meer aan de voorwaarden van de wet en/of deze verordening wordt voldaan. Een maatwerkvoorziening kan ook op verzoek van de cliënt zelf worden beëindigd. In beide gevallen ontvangt de cliënt een beschikking. Artikel 17. Voorkoming en bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik Deze bepaling is een uitwerking van de wet 13, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het tweede, derde en vijfde lid bevatten een herhaling van wat al in de wet is opgenomen 14. Het overnemen van deze wettekst in de verordening heeft als doel een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het vierde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat hiermee een voorziening wordt getroffen. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, dan heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder e.
Zie in dit verband ook artikel 14, derde lid, onder b van deze verordening. In de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. In het vijfde en zesde lid zijn bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen. Artikel 17a. Opschorting betaling uit het pgb
13 14
Artikel 2.1.3, vierde lid Wmo 2015 Artikelen 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1 Wmo 2015
31
Opschorten is in sommige gevallen een betere oplossing dan herzien of intrekken. Opschorten geeft ruimte om herstelmaatregelen in te zetten of een nader onderzoek te doen. Artikel 17b. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgbhouders als op de ondersteuning geboden door een aanbieder. Het onderzoek kan bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek cliënt, bezoek locatie waar de cliënt de ondersteuning geboden krijgt en gesprekken met aanbieders. HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten Artikel 18. Bijdrage in de kosten ▪ De gemeente mag van meerderjarige cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen in natura, in de vorm van een pgb en algemene voorzieningen, dit is vastgelegd in het eerste en vijfde lid; ▪ Het tweede lid noemt de maatwerkvoorzieningen waarvoor geen eigen bijdrage is verschuldigd ▪ In het derde lid staat beschreven dat het collectief vervoer niet valt onder het abonnementstarief en welke tarieven gelden voor het collectief vervoer. ▪ In het vierde lid staat beschreven dat beschermd wonen en opvang niet vallen onder landelijk vastgestelde maximumbedrag. Voor de bijdragen in de kosten wordt verwezen naar het uitvoeringsbesluit.
▪ In het vijfde en zesde lid staat omschreven wat tot de immateriële en materiële maatwerkvoorzieningen behoort. ▪ In het zevende lid staat omschreven tot wanneer een eigen bijdrage moet worden betaald. ▪ In het achtste lid is bepaald dat de kostprijs van een pgb gelijk is aan het verstrekte bedrag. ▪ In het negende lid is vastgelegd dat de eigen bijdrage de kostprijs van de maatwerkvoorziening niet mag overstijgen, de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen ▪ In het tiende lid is de startdatum van de eigen bijdrage geregeld. ▪ In het elfde lid is bepaald dat het Centraal Administratiekantoor (CAK) de bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb vaststelt en int. ▪ In twaalfde lid wordt bepaald dat het college nadere regels kan stellen om de eigen bijdrage tijdelijk te onderbreken. Wanneer een client door omstandigheden ( bijvoorbeeld tijdelijke opname in verpleeg- of ziekenhuis) geen gebruik kan maken van de maatwerkvoorziening is het tijdelijk stopzetten van de eigen bijdrage een mogelijkheid. HOOFDSTUK 5: Kwaliteit Artikel 19. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning In dit artikel is vastgelegd welke eisen gelden voor de kwaliteit van voorzieningen. De wet schrijft voor dat deze eisen in de verordening moeten worden vastgelegd. Hieronder vallen ook eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.
De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
32
Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden In het nieuwe 15 artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is nadere invulling gegeven aan de verplichting om in de verordening regels op te nemen met als doel een goede verhouding te waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Het artikel bepaalt aan welke eisen tenminste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Dit artikel is van toepassing op alle vormen van Wmo dienstverlening. Uitgezonderd zijn de verstrekking van hulpmiddelen, individuele vervoersvoorzieningen en woningaanpassingen. Eerste lid In dit artikellid is geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde: ▪ een vaste prijs vaststelt; of ▪ een reële prijs vaststelt die als ondergrens geldt voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Stelt het college een vaste prijs vast, dan is het tarief voor de inschrijvers gelijk aan de vaste prijs.
Tweede lid Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van de dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, en met de continuïteit in de hulpverlening 16. De invulling van de continuïteit 17 van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt, moet overleggen over het overnemen van personeel met de aanbieder die de opdracht tot dan toe uitvoerde. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt wanneer de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Derde lid Het college moet de vaste of reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. Vierde lid Dit artikellid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Vijfde lid Het college bepaalt met welke derde een overeenkomst wordt aangegaan en legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Artikel 21. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In dit artikel is vastgelegd dat het college een regeling treft voor het melden van calamiteiten en geweld bij de levering van een voorziening door een aanbieder.
Het college wijst hiervoor een toezichthoudend ambtenaar aan. De toezichthoudend ambtenaar onderzoekt de meldingen en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
M.i.v. 1 juni 2017 inwerking getreden. Zie art. 2.1.3, tweede lid, onderdeel c Wmo 2015 17 Zie art. 2.6.5, tweede lid Wmo 2015 15 16
33
HOOFDSTUK 6: Mantelzorgers, klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 22. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college legt in beleidsregels vast hoe de jaarlijks blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten is geregeld. Artikel 23. Klachtregeling In het eerste lid is een bepaling opgenomen met betrekking tot klachten over aanbieders. De aanbieder is verplicht om een klachtregeling op te stellen met betrekking tot de in de verordening genoemde voorzieningen. In het tweede lid is aangegeven dat het college toezicht houdt op de afhandeling van klachten door te overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 24. Medezeggenschap Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet. Hierin is bepaald dat in ieder geval moet worden vastgelegd voor welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten nodig is over voorgenomen besluiten van aanbieders die voor de gebruikers van belang zijn. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder ingevuld via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.
In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap moeten vaststellen. De aanbieder is voor de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen 18. In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 25. Betrekken van ingezetenen bij beleid Er geldt een inspraakprocedure voor alle ingezetenen op grond van artikel 150 van de Gemeentewet. Het is aan het college overgelaten om de invulling van de medezeggenschap vorm te geven. In onze gemeente is hiervoor de Wmo Adviesraad in het leven geroepen. HOOFDSTUK 7: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 26. Evaluatie De wet vereist evaluatie. We sluiten aan bij de evaluatietermijn van het algemene Wmo beleidsplan dat vierjaarlijks wordt geëvalueerd. Artikel 27. Hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat, moet het college - ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt - beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Wanneer, ondanks de zeer persoonlijke afweging, er toch sprake is van een niet billijke situatie, dan is de hardheidsclausule een vangnet. Een aanvrager kan dan ook een beroep doen op deze clausule. Artikel 28. Indexering
18
Artikel 3.2 eerste lid, onder b Wmo 2015
34
Dit artikel regelt dat het college jaarlijks per 1 januari de kostprijzen, tarieven en de eigen bedragen voor maatwerkvoorzieningen indexeert. Om praktische redenen wordt hierbij het jaargemiddelde (voortschrijdend 12-maandsgemiddelde) genomen van de periode september tot en met augustus voorafgaand aan de datum van aanpassing. De tarieven worden vastgesteld door het college in een Besluit. Aan het begin van het kalenderjaar worden de vigerende kostprijzen, tarieven en eigen bijdragen gepubliceerd op de gemeentelijke website. Artikel 29. Intrekking oude verordening en overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het vierde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening worden beoordeeld. Omdat dit voor de cliënt nadelige gevolgen kan hebben, is in het vijfde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt moet worden, als dit voordeliger is voor de cliënt. Dezelfde regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in het zevende lid. Artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening moet worden aangehaald.
35