Bijlage 1 - Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023
Tekst van het document
Verordening maatschappelijke ondersteuning Gemeente Tytsjerksteradiel 2023 Hoofdstuk 1. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN ____________________________2 artikel 1.
Begripsbepalingen _____________________________________________________2
Hoofdstuk 2. MELDING EN ONDERZOEK ______________________________3 artikel 2. artikel 3. artikel 4. artikel 5. artikel 6. artikel 7.
Melding ________________________________________________________________3 Cliëntondersteuning____________________________________________________3 Persoonlijk plan ________________________________________________________3 Informatie en identificatie______________________________________________3 Onderzoek en gespreksverslag _________________________________________3 Advisering _____________________________________________________________3
Hoodfstuk 3. MAATWERKVOORZIENING______________________________5 artikel 8. artikel 9. artikel 10. artikel 11. artikel 14. artikel 16.
Aanvraag ______________________________________________________________5 Criteria voor maatwerkvoorziening _____________________________________5 Weigeringsgronden ____________________________________________________6 Persoonsgebonden budget (pgb) _______________________________________7 Inhoud beschikking ___________________________________________________10 Beëindiging ___________________________________________________________11
Hoofdstuk 4. BIJDRAGE IN DE KOSTEN______________________________13 artikel 18.
Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen ____________________13
Hoofdstuk 5. KWALITEIT _____________________________________________14 artikel 19. artikel 20. artikel 21.
Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning ______________________14 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden _______14 Meldingsregeling calamiteiten en geweld ______________________________15
Hoofdstuk 6. MANTELZORGERS, KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK artikel 22. artikel 23. artikel 24. artikel 25.
Jaarlijkse waardering mantelzorgers __________________________________16 Klachtregeling ________________________________________________________16 Medezeggenschap ____________________________________________________16 Betrekken van ingezetenen bij het beleid _____________________________16
Hoofdstuk 7. OVERGANGSRECHT EN SLOTBEPALINGEN____________17 artikel 26. Evaluatie______________________________________________________________17 artikel 28. Indexering ____________________________________________________________17 artikel 29. Intrekking Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2020 en overgangsrecht __________________________________________17 artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel ________________________________________17
TOELICHTING OP DE VERORDENING ________________________________18
HOOFDSTUK 1. artikel 1.
BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Begripsbepalingen
1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit maatschappelijke ondersteuning en de Algemene wet bestuursrecht. 2. In deze verordening wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de inwoner daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken; b. algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoners, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; c. collectieve voorziening: een voorziening die individueel wordt verstrekt maar die door meerdere personen – tegelijk - kan worden gebruikt; d. college: college van burgemeester en wethouders; e. eigen bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; f. financiële tegemoetkoming: Een op artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 gebaseerde financiële tegemoetkoming die een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. g. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; h.
hoofdverblijf: de plaats waar een persoon daadwerkelijk de meeste nachten per jaar doorbrengt; i. immateriële maatwerkvoorziening: een voorziening waarbij een duurzame (hulpverlening) relatie ontstaat met een cliënt; j. ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Achtkarspelen; k. maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie en beschermd wonen en opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; l. materiële maatwerkvoorziening: een voorziening die concreet en/of tastbaar is; m. melding: de mededeling van een belanghebbende aan het college dat hij behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning op grond waarvan hij verzoekt een afspraak te maken voor een gesprek; n. persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest aangewezen is; o. persoonsgebonden budget (pgb): bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; p.
toezichthoudend ambtenaar: persoon die door het college wordt aangewezen en belast is met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet; q. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (landelijk besluit); r. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
2
HOOFDSTUK 2. MELDING EN ONDERZOEK artikel 2. 1. 2.
artikel 3. 1. 2.
2.
2.
2. 3. 4.
5. 6. 7.
Onderzoek en gespreksverslag
Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie. De omstandigheden, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet (persoonlijk plan) maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek en de vervolgprocedure waaronder de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen. Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt of zijn vertegenwoordiger in begrijpelijke taal uitgelegd dat bij toekenning van een maatwerkvoorziening er mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een persoonsgebonden budget en wat de rechten en plichten zijn van een persoonsgebonden budget. Na afsluiting van het onderzoek, verstrekt het college een gespreksverslag aan de cliënt of zijn vertegenwoordiger. Wil de cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening, dan wordt dit opgenomen in het gespreksverslag. De cliënt ondertekent het gespreksverslag voor gezien of akkoord en stuurt binnen 2 weken na toezending van het verslag een ondertekend exemplaar naar het college. Wanneer er sprake is van een verkorte procedure als bedoeld in artikel 8a van deze verordening wordt er geen gespreksverslag gemaakt en zijn lid 5 en 6 van dit artikel niet van toepassing
artikel 7. 1.
Informatie en identificatie
De cliënt of zijn vertegenwoordiger verstrekt het college de gegevens en stukken die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
artikel 6. 1.
Persoonlijk plan
Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. De cliënt heeft na de melding zeven dagen de tijd om dit plan in te leveren. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek.
artikel 5. 1.
Cliëntondersteuning
Het college zorgt ervoor dat er kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar is. Voordat het onderzoek plaatsvindt, wijst het college de cliënt en/of zijn mantelzorger op de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning.
artikel 4. 1.
Melding
Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college worden gemeld. Het college registreert het tijdstip van de melding, bevestigt de ontvangst van de melding en maakt zo snel mogelijk een afspraak voor een gesprek.
Advisering
Voor zover dit nodig is voor het onderzoek kan het college degene door of namens wie een melding of aanvraag is gedaan of in het geval van gebruikelijke hulp de van belang zijnde huisgenoten:
3
a. b. 2.
oproepen voor een gesprek; oproepen voor een gesprek en/of onderzoek door een of meer aangewezen deskundigen. Wanneer nodig kan het college bij de aanvraag, in aanvulling op het onderzoek, een door hem aangewezen adviesinstantie om advies vragen in het geval van: a. een melding/aanvraag van een persoon die niet eerder een maatwerkvoorziening heeft gehad; b. gewijzigde (medische) omstandigheden, of; c. wanneer het college dit wenselijk vindt.
4
HOOFDSTUK 3. MAATWERKVOORZIENING artikel 8. 1. 2. 3.
Aanvraag
Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een cliënt schriftelijk bij het college worden ingediend. Een gespreksverslag dat binnen 2 weken na toezending wordt ondertekend en verstuurd naar het college, wordt beschouwd als aanvraagformulier.
Artikel 8a Verkorte procedure 1. Indien er een eerste ondertekende aanvraag aanwezig is, kan het college bij de volgende aanvragen van dezelfde persoon voor Wmo-maatwerkvoorzieningen in afwijking van artikel 8 van deze verordening de verkorte procedure volgen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. Aanvrager stemt in met een mondelinge of schriftelijke aanvraag zonder ondertekening; b. Criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een maatwerkvoorziening zijn in voldoende mate onderzocht en besproken met de aanvrager; c. De situatie van aanvrager is bij het college goed bekend; d. Aanvrager heeft ingestemd met de soort maatwerkvoorziening die wordt aangevraagd; e. Het standpunt van het college en de aanvrager zijn hetzelfde met betrekking tot de aanvraag en soort maatwerkvoorziening 2. Het college kan voor de uitvoering van de verkorte procedure nadere regels stellen.
artikel 9. 1.
Criteria voor maatwerkvoorziening
Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, waardoor cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie. Dit voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: I. op eigen kracht; II. met gebruikelijke hulp; III. met mantelzorg; IV. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; V. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of VI. met gebruikmaking van algemene voorzieningen. Rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek, levert de maatwerkvoorziening een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; en/of b.
ter compensatie van psychische of psychosociale problemen, waardoor cliënt niet voldoende in staat is zich te handhaven in de samenleving en de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Dit voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: I. op eigen kracht;
5
2.
3. 4.
II. met gebruikelijke hulp; III. met mantelzorg; IV. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of V. met gebruikmaking van algemene voorzieningen. Rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek, levert de maatwerkvoorziening een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. Een cliënt kan voor een voorziening voor vervoer in natura of in de vorm van een pgb in aanmerking komen wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken of een collectief systeem niet aanwezig is. Recht op een maatwerkvoorziening bestaat alleen voor zover deze als de goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt. Voor ondersteuning bij beschermd wonen en opvang volgt het college de vigerende verordening van de gemeente Leeuwarden.
artikel 10. Weigeringsgronden 1.
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover met betrekking tot de problematiek een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. voor zover cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen dan wel zijn zelfredzaamheid of participatie kan handhaven of verbeteren; c. voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; d. wanneer de voorziening voor cliënt algemeen gebruikelijk is; e. wanneer het om een voorziening gaat die cliënt na de melding en vóór de datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; f. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken. Deze bepaling geldt niet wanneer de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan buiten de schuld van cliënt om, of wanneer cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; g. voor zover deze niet in overwegende mate op een individuele cliënt is gericht. h. wanneer deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding.
2.
Geen maatwerkvoorziening, met uitzondering van een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en opvang, wordt verstrekt: a. wanneer cliënt geen ingezetene is van de gemeente Achtkarspelen; b. in afwijking van lid 2 a kan een woonvoorziening worden getroffen voor het bezoekbaar maken van de woning wanneer de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een verzorgingsinstelling (Wet langdurige zorg). Het gaat hier in beginsel om de woning van de ouder(s) of partner. Voor het bezoekbaar maken gelden de volgende regels: o de aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat; o de bezoekbaar te maken woning staat in de gemeente Achtkarspelen;
6
er wordt maximaal één woning bezoekbaar gemaakt. In het geval er sprake is van ouders die niet samenwonen kunnen er maximaal twee woningen bezoekbaar worden gemaakt; o onder bezoekbaar maken van de woning wordt uitsluitend verstaan dat de belanghebbende de woning en de woonkamer kan bereiken en het toilet kan bereiken en gebruiken; c. voor het adres waar het kind niet staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBP) wanneer de ouders niet samenwonen. Wanneer de ouders niet samenwonen kan de woning voor het adres in de gemeente Achtkarspelen waar het kind niet staat ingeschreven in de GBP wel bezoekbaar worden gemaakt. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. ten behoeve van niet voor permanente bewoning geschikte woonruimte zoals hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen, ADL‐clusterwoningen en gehuurde kamers. Dit geldt niet voor een voorziening voor verhuizing en inrichting wanneer de cliënt verhuist van een niet voor permanente bewoning geschikte woonruimte naar een voor permanente bewoning geschikte woonruimte; c.
voor specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, of voorzieningen die zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen bij (nieuw)bouw, verbouw, of renovatie. d. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; e. wanneer de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; f. wanneer de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. Voor zover de cliënt in zijn vervoersbehoefte kan voorzien door middel van collectief vervoer, wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt. o
3.
4.
artikel 11. Persoonsgebonden budget (pgb) 1. 2.
Het college verstrekt geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die voorafgaand aan de indiening van de aanvraag gemaakt zijn en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. De hoogte van het pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van het gespreksverslag of een (indien aanwezig) door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura, en d. er wordt - indien nodig - jaarlijks een apart pgb verstrekt ter vergoeding van de jaarlijkse onderhouds- en verzekeringskosten van de verstrekte materiële maatwerkvoorziening.
7
3.
De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: a. een hulpmiddel: op basis van de kostprijs van het hulpmiddel dat de cliënt zou hebben ontvangen als het hulpmiddel, door de gemeente, in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving; b. huishoudelijke hulp: 1. een daartoe opgeleid persoon in dienst van een zorgaanbieder of zelfstandig werkend: op basis van 80 % van het (laagste) tarief per resultaat of uur dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; 2. een persoon uit het sociaal netwerk: op basis van 60 % van het (laagste) toepasselijke tarief per resultaat of uur dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; c. individuele begeleiding: 1. basis individuele begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon in dienst bij een zorgaanbieder of zelfstandig werkend: op basis van 80 % het (laagste) toepasselijke tarief per resultaat of uur dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; 2.
specialistische individuele begeleiding uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon in het bezit van bijzondere deskundigheid in dienst bij een zorgaanbieder of zelfstandig werkend: op basis van 80 % van het (laagste) tarief per resultaat of uur dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder; 3. individuele begeleiding uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk: op basis van 60% van het (laagste) toepasselijke tarief per resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. d. groepsbegeleiding en dagbesteding: 1. uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon in dienst van een zorgaanbieder of zelfstandig werkend: op basis van 80 % van het (laagste) toepasselijke tarief per resultaat of per dagdeel dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; 2. andere vormen van dagbesteding, die niet onder 1 vallen: op basis van 60 % van het (laagste) toepasselijke tarief per resultaat of per dagdeel dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder e. kortdurend verblijf en respijtzorg: 1.
uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon in dienst van een zorgaanbieder of zelfstandig werkend: op basis van 80 % van het (laagste) toepasselijke tarief per resultaat of per etmaal dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; 2. uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk: op basis van 60 % van het (laagste) toepasselijke tarief per resultaat of etmaal dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; f. vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van een bij de inkoop vastgesteld bedrag; g. taxi- en rolstoelvervoer: op basis van een het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van maximaal 1500 kilometer per jaar; h. een autoaanpassing: op basis van minimaal twee offertes, waarbij de offerte met de laagste kosten als uitgangspunt dient; i. verhuishulp: op basis van minimaal twee offertes, waarbij de offerte met de laagste kosten als uitgangspunt dient;
8
j.
4.
5.
6. 7. 8.
aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel: op basis van de laagste prijs en het laagste tarief die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; De korting die de gemeente bij haar leveranciers heeft bedongen, wordt doorberekend naar het pgb. Voorwaarde daarbij is dat belanghebbende tegen dezelfde kortingsvoorwaarden bij deze leverancier kan inkopen. Het staat belanghebbende vervolgens vrij om bij een andere leverancier in te kopen. De extra kosten komen dan voor eigen rekening van belanghebbende. Is er geen sprake is van een vaste leverancier van de gemeente, dan levert belanghebbende voor de vaststelling van de tegenwaarde minimaal twee offertes in. De goedkoopst compenserende voorziening is het uitgangspunt voor de vaststelling van de hoogte van het pgb. Naast de ingeleverde offertes, kan het college eigen onderzoek doen naar de goedkoopst compenserende voorziening. Het college kan ten aanzien van een woonvoorziening nadere regels stellen voor wat betreft de hoogte van het pgb. Het college legt in beleidsregels vast wanneer een pgb wordt verstrekt in het geval de cliënt niet in zijn vervoersbehoefte kan voorzien door middel van collectief vervoer. Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het pgb worden betaald.
artikel 12. Voorwaarden pgb Een pgb wordt verstrekt wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. De cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is om de aan een pgb verbonden taken op verantwoordelijke wijze uit te voeren. Is de cliënt zelf niet voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen, dan kan iemand uit zijn sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger hem daarin bijstaan. b. de cliënt geeft gemotiveerd aan dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wil ontvangen; c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
artikel 13. Verplichtingen pgb Bij de verlening van een pgb gelden de volgende verplichtingen: 1. De cliënt sluit een schriftelijk overeenkomst af met de door hem ingeschakelde zorgverlener of leverancier van andere diensten en geeft, wanneer van toepassing, wijzigingen en beëindigingen door aan de Sociale Verzekeringsbank. 2. De budgethouder besteedt het pgb binnen zes maanden na toekenning aan het doel waarvoor het is verstrekt, tenzij het college schriftelijk heeft ingestemd met een langere periode. 3. De budgethouder zorgt voor een goede en controleerbare administratie en bewaart deze 3 jaar vanaf de ingangsdatum van de toekenning van het pgb. 4. De budgethouder verantwoordt op verzoek de besteding van het pgb. In de beschikking wordt vermeld wat de budgethouder, voor zover van toepassing, aan het college verstrekt, zoals: a. de offerte voor de aangeschafte voorziening; b. een opdrachtbevestiging; c. de factuur van de aangeschafte voorziening; d. de factu(u)r(en) van de jaarlijkse onderhouds- en verzekeringskosten; e. een urenverantwoording; f. een kopie van de arbeidsovereenkomst; g. overige bescheiden die het college noodzakelijk vindt voor de verantwoording.
9
5. Het volledige pgb moet worden verantwoord; er is geen sprake van een verantwoordingsvrij bestedingsbedrag.
artikel 14. Inhoud beschikking 1.
2.
3.
4.
In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura,als persoonsgebonden budget of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt. Daarnaast wordt aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum en duur van de verstrekking; c. hoe de voorziening in natura wordt verstrekt; d. of er sprake is van een overeenkomst waarin deze verstrekking is geregeld; e. of een bijdrage in de kosten is verschuldigd. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: a. dat de cliënt schriftelijk een overeenkomst afsluit met de door hem ingeschakelde zorgverlener of leverancier van andere diensten en, wanneer van toepassing, wijzigingen en beëindigingen doorgeeft aan de Sociale Verzekeringsbank; b. aan welk resultaat het pgb kan worden besteed; c. dat cliënt binnen zes maanden na toekenning het budget moet gebruiken ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt; d. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; e. wat de hoogte van het pgb is en hoe dit tot stand is gekomen; f. wat de duur is van de verstrekking waarop het pgb ziet; g.
wijze van verantwoording van de besteding van het pgb zoals bepaald in artikel 13 lid 3 en 4 van de verordening; h. dat een bijdrage in de kosten is verschuldigd en welke uitgangspunten het college hierbij hanteert, zoals de kostprijs van de voorziening. Bij toepassing van de verkorte procedure als bedoeld in artikel 8a van deze verordening wordt aanvullend het volgende in de beschikking opgenomen: f. Of de aanvraag schriftelijk of mondeling is gedaan; g. De datum van de aanvraag; h. Er in overleg geen gespreksverslag is opgesteld; i. Aanvrager contact kan opnemen met de contactpersoon wanneer alsnog een gespreksverslag of rapportage is gewenst.
Artikel 14a.
Financiële tegemoetkoming
1. Een cliënt komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming als dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie en het om één van de volgende voorzieningen gaat a. De kosten voor verhuizing en inrichting. De hoogte is gebaseerd op marktonderzoek naar de kosten voor verhuizing.Het college legt de hoogte vast in het besluit; b. De kosten voor vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is en cliënt geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. De hoogte is gebaseerd op de kilometerprijs van het Nibud en het uitgangspunt dat de cliënt 1500 km per jaar binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen reizen. Het college legt de hoogte vast in het besluit.
10
Artikel 15. Controle 1. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. 2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding.
artikel 16. Beëindiging Het college beëindigt een maatwerkvoorziening wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van de wet en/of deze verordening.
artikel 17. Voorkoming en bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik 1.
2.
3.
4. 5.
6.
Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke taal over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. De cliënt doet aan het college op verzoek of onverwijld, maar in ieder geval binnen 10 werkdagen uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van de beslissing tot toekenning van de maatwerkvoorziening in natura of het pgb. Het college kan toekenning van de maatwerkvoorziening in natura of het pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is; d. de cliënt langer dan 4 weken verblijft in een instelling zoals bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; e. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of f. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.
Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Trekt het college een beslissing in op grond van het derde lid, onder a, en heeft de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, dan kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening of het ten onrechte ontvangen pgb. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
artikel 17a. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 17 derde lid onder d van deze verordening.
11
artikel 17b. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en de recht- en doelmatigheid daarvan.
12
HOOFDSTUK 4. BIJDRAGE IN DE KOSTEN artikel 18. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. 2.
3.
4.
5.
6.
7.
8. 9. 10.
11. 12.
Een meerderjarige cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget. De bijdrage is gelijk aan het landelijk vastgestelde maximumbedrag. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. een rolstoel; b. de noodzakelijke toevoegingen op een materiële maatwerkvoorziening; c. de onderhouds-, beheers- en verzekeringskosten van een materiële maatwerkvoorziening; d. een woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige cliënt; e. de inzet van het zogenaamde Flitsteam. De eigen bijdrage voor het collectief vervoer is uitgezonderd van het landelijk vastgestelde maximumbedrag. Voor collectief vervoer geldt een opstaptarief per rit en een tarief per afgelegde kilometer gebaseerd op het vigerende openbaarvervoertarief. De eigen bijdrage voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en opvang is uitgezonderd van het landelijk vastgestelde maximumbedrag. De eigen bijdrage in de kosten worden bij beschermd wonen en opvang vastgesteld conform het uitvoeringsbesluit. Tot de immateriële maatwerkvoorzieningen behoren de volgende voorzieningen: a. hulp bij het huishouden; b. persoonlijke verzorging; c. individuele begeleiding; d. dagbesteding; e. kortdurend verblijf; f. beschermd wonen; g. opvang.
Tot de materiële maatwerkvoorzieningen behoren de volgende voorzieningen: a. rolstoel; b. scootmobiel; c. woningaanpassing; d. verhuiskostenvoorziening; f. aanpassing aan auto; g. hulpmiddelen. Een meerderjarige cliënt is voor een maatwerkvoorziening in natura een eigen bijdrage verschuldigd: a. zolang er gebruikt wordt gemaakt van de immateriële maatwerkvoorziening; b. totdat de kostprijs van de materiële voorziening is betaald. De kostprijs van een pgb is gelijk aan het verstrekte bedrag. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt. De startdatum van de eigen bijdrage is: a. voor een materiële maatwerkvoorziening: de factuurdatum; b. voor een immateriële maatwerkvoorziening: de toekenningsdatum welke in de beschikking vermeld staat. De bijdragen in de kosten worden door het Centraal Administratiekantoor (CAK) vastgesteld en geïnd. Het college kan nadere regels stellen voor het tijdelijk onderbreken van de in lid 1 van dit artikel genoemde bijdrage.
13
HOOFDSTUK 5. KWALITEIT artikel 19. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.
2.
3. 4.
5.
Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van informele en professionele ondersteuning; d. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. Het college houdt bij het verlenen van een opdracht voor het leveren van maatwerkvoorzieningen in het bijzonder rekening met kwaliteit van de voorzieningen, daaronder begrepen eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. Aanbieders die de cliënt op basis van een pgb ondersteunen, voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen als de aanbieders die door de gemeente gecontracteerd zijn voor zorg in natura. Wanneer de cliënt met een pgb mensen uit hun eigen sociale netwerk of een ongekwalificeerde ondersteuner (waaronder werkstudenten, ZZP’ers zonder gespecialiseerde opleiding) inschakelt voor de benodigde ondersteuning, voldoet deze ondersteuning aan de volgende kwaliteitseisen: a.
budgethouder en dienstverlener stellen jaarlijks een persoonlijk ondersteuningsplan op waaruit afstemming als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met c blijkt; en b. de ondersteuning naar het oordeel van het college veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en, zo nodig in overleg met de cliënt, het ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.
Om een goede verhouding te waarborgen tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college: a. een vaste prijs vast; of b. een reële prijs vast, die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, en b. rekening houdend met de continuïteit van de hulpverlening. 3. Het college baseert de vaste of reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. In afwijking van het eerste lid, kan het college de eis aan inschrijvende partijen stellen om een prijs voor de dienst te hanteren. Deze prijs is gebaseerd op het
14
tweede en derde lid. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Ten aanzien van het eerste lid en vierde lid beschrijft het inkoopbeleid welke kaders gelden voor de prijs van de te leveren dienst. Bij het inkopen en/of aanbesteden van de te leveren dienst wordt bij het bepalen van de inkoopstrategie per inkoopactie een keuze gemaakt voor de te hanteren prijs overeenkomstig het gestelde in dit artikel.
artikel 21. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. 2. 3.
Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. Aanbieders melden zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen drie werkdagen, iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening aan de toezichthoudend ambtenaar. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
15
HOOFDSTUK 6. MANTELZORGERS, KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK artikel 22. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college stelt beleidsregels over de wijze waarop zorg wordt gedragen voor de jaarlijks blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.
artikel 23. Klachtregeling 1. 2.
Aanbieders moeten beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
artikel 24. Medezeggenschap 1. 2.
Aanbieders moeten beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
artikel 25. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.
2.
3.
4.
Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid over maatschappelijke ondersteuning. Dit op de wijze zoals is vastgelegd in artikel 150 van de Gemeentewet. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid over maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen over maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden en dat zij hierbij worden voorzien van de benodigde informatie en ondersteuning. Het college stelt nadere regels ter uitvoering van het tweede en derde lid.
16
HOOFDSTUK 7. OVERGANGSRECHT EN SLOTBEPALINGEN artikel 26. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.
artikel 27. Hardheidsclausule 1. 2.
In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Het college kan in bijzonder gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening wanneer toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
artikel 28. Indexering Het college past per 1 januari de kostprijzen, de tarieven en de eigen bijdragen aan. Aanpassing gebeurt op basis van de consumentenprijsindex van het Centraal Bureau voor Statistiek of op basis van de vastgestelde referentiebedragen en contractbepalingen. Om praktische redenen wordt het jaargemiddelde genomen van de periode september tot en met augustus voorafgaand aan de datum van aanpassing. De tarieven worden vastgesteld door het college in een Besluit en gepubliceerd in het Gemeenteblad. Tevens worden de tarieven gepubliceerd op de gemeentelijke website.
artikel 29. Intrekking Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2020 en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2020 2. 3.
4.
5. 6.
7.
wordt ingetrokken. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2020 of een oudere regeling, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. Wanneer het nieuwe besluit als bedoeld in lid 2 negatieve rechtsgevolgen heeft, behoudt de cliënt de aanspraak op grond van een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2020 of een oudere regeling gedurende 6 maanden na verzending van het nieuwe besluit. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2020 Van het in lid 4 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2020 , vindt plaats op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2020. Van het in lid 6 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.
artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel 1. 2.
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2020 Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tytsjerksteradiel 2023.
17
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Tytsjerksteradiel van 15 december 2022.
De griffier,
De voorzitter,
Mevr. mr. A. Dam
Dhr. drs. L.J. Gebben
18
TOELICHTING OP DE VERORDENING Artikelsgewijs Artikel 1. Begripsbepalingen Ad. a algemeen gebruikelijke voorziening Het is niet de bedoeling dat de gemeente maatwerkvoorzieningen verstrekt aan personen, waarbij aannemelijk is dat zij ook zonder beperkingen, over deze voorziening zouden (hebben kunnen) beschikken 1. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de inwoner 2. Hierbij zijn de volgende vragen van belang: - is de voorziening daadwerkelijk beschikbaar? - is de voorziening niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking? - kan de voorziening een passende bijdrage leveren aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie? - kan de voorziening worden gedragen door een inkomen op minimumniveau? Ad. b algemene voorziening Kenmerkend voor een algemene voorziening is dat het gaat om in beginsel vrij toegankelijke zorg. De diensten, activiteiten of zaken kunnen toegankelijk zijn voor specifieke groepen of soms ook voor de gehele bevolking. Dit betekent dat deze zorg beschikbaar is zonder dat eerst een diepgaand onderzoek moet worden gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers. In de praktijk kan het gebeuren dat iemand een melding doet voor een maatwerkvoorziening maar na het onderzoek naar een algemene voorziening wordt verwezen. Ad.
c collectieve voorziening Dit zijn Wmo-voorzieningen die individueel worden verstrekt maar die toch door meerdere personen - tegelijk - worden gebruikt. Een voorbeeld hiervan is collectief vervoer. Ad. d college Deze definitie spreekt voor zich. Ad. e eigen bijdrage Deze definitie spreekt voor zich. Ad. f financiële tegemoetkoming De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) biedt gemeenten de mogelijkheid om een financiële tegemoetkoming toe te kennen. De definitie van maatwerkvoorziening in de wet is daar ruim genoeg voor. De wet stelt wel als voorwaarde dat de financiële tegemoetkoming een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. Dit oordeelt de Centrale Raad van Beroep3
zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564) 2 zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO 1
3
Crvb 12-02-2018,nr 16/5355
19
Ad. g gebruikelijke hulp Uitgangspunt is dat voor gebruikelijke hulp geen maatschappelijke ondersteuning mogelijk is. Het gaat dan om hulp van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Van de echtgenoot of partner en van inwonende kinderen mag in het algemeen een bijdrage in de huishouding worden verwacht. Het gaat dan om de normale werkzaamheden die gedaan worden in een huishouden, die ook gedaan worden als er geen persoon met beperkingen onderdeel uitmaakt van het huishouden. De definitie van gebruikelijke hulp heeft geen betrekking op niet-inwonende kinderen.
Ad. h hoofdverblijf Uit de jurisprudentie 4 blijkt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. Inschrijving in de Basisregistratie Personen belangrijk is maar niet doorslaggevend. Ad. i immateriële maatwerkvoorziening Deze definitie spreekt voor zich. Ad. j ingezetene De cliënt kan als hij ingezetene is van de gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie. Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de gemeente. Een ingezetene moet zich voor een maatwerkvoorziening melden bij het college van de gemeente waar hij woont. Uit de jurisprudentie 5 blijkt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. Inschrijving in de Basisregistratie Persoonsgegevens is belangrijk maar niet doorslaggevend. Ad. k maatwerkvoorziening Kan iemand niet op eigen kracht of met hulp van zijn sociale netwerk zelfredzaam zijn of maatschappelijk participeren en lost gebruikmaken van een algemene voorziening dit probleem ook niet of onvoldoende op? Dan moet de gemeente zorgvuldig bekijken welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of ander maatregelen nodig zijn om de zelfredzaamheid te bevorderen, betrokkene maatschappelijk te laten participeren of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen en opvang.
Hierbij moet de gemeente rekening houden met de persoonskenmerken, behoeften en mogelijkheden van de persoon. Ad. l materiële maatwerkvoorziening Deze definitie spreekt voor zich. Ad. m melding Iedereen kan zich melden bij zijn/haar gemeente met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Hiermee maakt de cliënt de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning bekend. Na deze melding wordt zo snel mogelijk een afspraak gemaakt met de cliënt voor een onderzoek. Informeert een cliënt alleen naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of wil de cliënt alleen gebruik maken van een algemene voorziening, dan is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Ad. n persoonlijk plan In het plan kan de cliënt – al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk – de omstandigheden zoals genoemd in de wet en de maatschappelijke ondersteuning die hij 4 5
CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO
20
graag wil, beschrijven. Doordat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek een persoonlijk plan inlevert, is direct bekend op welke manier de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te kunnen participeren. Ad. o persoonsgebonden budget Dit is een budget (bedrag) waarmee cliënt bepaalde diensten/zaken kan inkopen. Het gaat om hulpverleners die de cliënt diensten leveren ter maatschappelijke ondersteuning of die hem zaken leveren of zijn woningaanpassing realiseren met het oog op zijn zelfredzaamheid- of participatiebehoefte. De Sociale verzekeringsbank (SVB) verzorgt voor alle gemeenten de uitvoering van de pgb’s voor de immateriële maatwerkvoorzieningen. Ad. p toezichthoudend ambtenaar Deze definitie spreekt voor zicht. Ad. q uitvoeringsbesluit Deze definitie spreekt voor zich. Ad. r wet Deze definitie spreekt voor zich. HOOFDSTUK 1: Melding en onderzoek Artikel 2. Melding De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. De melding is niet gebonden aan een vorm of locatie. Dit betekent dat de melding elektronisch, schriftelijk of telefonisch kan worden gedaan, zowel op het gemeentehuis als bijvoorbeeld op locatie bij het gebiedsteam. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan. Dit houdt in dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden.
In het tweede lid is bepaald dat het college de ontvangst van de melding bevestigt en het tijdstip van de melding registreert. Uit wet en de toelichting op de wet blijkt niet dat de ontvangstbevestiging van de melding schriftelijk moet. Sociaal werkers en medewerkers van het KCC bevestigen de melding mondeling. De melding wordt schriftelijk bevestigd wanneer de cliënt dit wenst of wanneer de sociaal werker dit nodig vindt. Artikel 3. Onafhankelijke cliëntondersteuning Vóór het onderzoek moeten de cliënt en/of zijn mantelzorger erop worden gewezen dat zij gebruik kunnen maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. Gemeenten hebben de opdracht een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering en kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Het gaat om ondersteuning van de verminderd zelfredzame cliënt met informatie en advies om de cliënt zo nodig in staat te stellen tot het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning (preventieve zorg, zorg, jeugd, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen).
Cliëntondersteuning op zichzelf kan al een belangrijke bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van mensen. Het kan voorkomen dat de inzet van een cliëntondersteuner (in de vorm van kortdurende ondersteuning) al toereikend blijkt te
21
zijn om iemand regie te laten verkrijgen over zijn eigen situatie, waarmee maatwerkvoorzieningen niet meer nodig zijn. Artikel 4. Persoonlijk plan Voorafgaand aan het gesprek bestaat de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te leveren. Met dit plan kan de cliënt zelf zijn situatie beschrijven. In de wet staat dat volgende zaken in het plan aan bod moeten komen: ▪ welke problematiek wordt ervaren in het dagelijks leven; ▪ wat zijn de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren; ▪ welke mogelijkheden zijn er binnen het sociaal netwerk en welke mogelijkheden en/of algemene voorzieningen zijn al ingezet om het probleem op te lossen of te verminderen; ▪ de behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger. Een persoonlijk plan betekent niet dat wat de cliënt aanvraagt ook wordt toegekend. Er kunnen geen rechten aan worden ontleend. Het persoonlijk plan is een omschrijving van de situatie en de mogelijkheden en onmogelijkheden die de cliënt ervaart bij het oplossen van zijn probleem en wordt meegenomen bij het opstellen van het ondersteuningsplan. Het persoonlijk plan moet uiterlijk binnen 7 dagen na de melding worden ingediend, maar voordat een aanvraag tot stand is gekomen. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek. Artikel 5. Informatie en identificatie De gemeente beoordeelt of alle informatie die nodig is voor een onderzoek, beschikbaar is.
De cliënt heeft hierbij een actieve rol en kan eventueel aanvullende informatie aandragen die van belang is voor een goede beoordeling van de beperkingen, mogelijkheden en eventueel noodzakelijke ondersteuning. De gemeente moet de cliënt informeren over de persoonsgegevens die zij voor het onderzoek nodig heeft en wanneer nodig toestemming vragen om relevante informatie waarover zij op een andere manier beschikt, te mogen gebruiken of deze van derden te mogen betrekken. Zo kan het bijvoorbeeld nodig zijn om het advies in te winnen van een deskundige die vertrouwd is met de problematiek van de cliënt met een psychiatrische geschiedenis of een specifieke beperking die nadere toelichting vraagt. Wanneer dat aan de orde is, moet de gemeente een dergelijk advies afwachten. Dat is noodzakelijk in het kader van een zorgvuldig onderzoek en voor het totale beeld dat de gemeente zich moet vormen van de cliënt en zijn ondersteuningsvraag. Op grond van de wet moet de cliënt of zijn vertegenwoordiger het college alle gegevens en bescheiden verstrekken die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Bij het onderzoek moet de identiteit van de cliënt worden vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Dit onderwerp is nader uitgewerkt in beleidsregels. Artikel 6.
Onderzoek Na de melding vindt er zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen zes weken een onderzoek plaats. In lid 1 is opgenomen dat een gesprek onderdeel uitmaakt van het onderzoek. Het past in het stelsel van de Wmo dat daar de omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente/gebiedsteam en cliënt plaatsvindt. Het gesprek vindt zo mogelijk plaats bij de cliënt thuis. Wanneer woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden. Gaat het om een melding van
22
een bij de gemeente 'bekend' persoon die eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek, dan kan het gesprek ook telefonisch plaatsvinden. In het tweede lid is bepaald welke onderwerpen in het onderzoek aan de orde moeten komen. Dit zijn dezelfde onderwerpen als genoemd onder de toelichting op artikel 4 (persoonlijk plan). In lid 3 is vastgelegd dat het college de cliënt moet informeren over de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen. Doet de cliënt een aanvraag voordat het onderzoek heeft plaatsgevonden? Dan wordt de aanvraag als melding beschouwd (zie ook toelichting artikel 8). Ongeacht de uitkomst van het onderzoek, kan de cliënt na het onderzoek een aanvraag doen. Dit met het oog op rechtsbescherming van de cliënt (mogelijkheden van bezwaar en beroep). In lid 4 is vastgelegd dat er aan cliënt of zijn vertegenwoordiger in begrijpelijke taal wordt uitgelegd dat bij toekenning van een maatwerkvoorziening er mogelijkheden zijn om te kiezen voor een persoonsgebonden budget en wat de rechten ep plichten van het persoonsgebonden budget zijn. In lid 5 en 6 is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een verslag van het gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergave zijn van wat is besproken.
Geeft de cliënt aan geen prijs te stellen op het ontvangen van de weergave van het onderzoeksresultaat en/of het gespreksverslag, dan hoeft dit niet naar de cliënt te worden verstuurd. In het kader van de zorgvuldigheid moet hiervan niet te snel worden uitgegaan en is het van belang de gang van zaken goed vast te leggen in de rapportage. Stuurt de cliënt het gespreksverslag niet binnen 2 weken na toezending ondertekent terug dan is er geen sprake van een aanvraag (zie artikel 8 lid 3). In lid 7 is vastgelegd dat bij het toepassen van artikel 8a ( de verkorte procedure) van deze verordening lid 5 en 6 niet van toepassing zijn. Artikel 7. Advisering Dit artikel bepaalt dat het college bevoegd is de persoon die of namens wie een melding of aanvraag is gedaan op te roepen voor een gesprek en/of (medisch) onderzoek. Wanneer nodig worden zijn huisgenoten opgeroepen om bij dit gesprek en/of (medisch) onderzoek aanwezig te zijn. Dit onder de voorwaarde dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal met het oog op de uitvoering van de wet natuurlijk wel nodig zijn. De gemeente moet één of meer adviseurs aanwijzen om advies uit te brengen. In de verordening is niet opgenomen wie de adviseur(s) is/zijn.
Er kunnen immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties nodig zijn. HOOFDSTUK 2: Maatwerkvoorziening Artikel 8. Aanvraag De aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken van de zes wekentermijn. Andere oplossingen die tot tevredenheid bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie kunnen zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet. Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een ondertekend gespreksverslag hoeft niet in behandeling genomen te worden. In het derde lid is bepaald dat een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag kan worden beschouwd.
23
Een schriftelijke aanvraag is niet nodig als: ▪ De voorziening gewijzigd moet worden zonder dat daarvoor nieuwe aspecten aan de voorziening worden toegevoegd. Voorbeeld: het verstellen van een rolstoel of vertraging van een scootmobiel. ▪ Op de voorziening een nieuw onderdeel nodig is dat geen onderdeel uitmaakt van de hoofdvoorziening. Voorbeeld: een anti-decubitus kussen voor een rolstoel of een stokhouder. ▪ Cliënt training nodig heeft om de toegekende voorziening te kunnen gebruiken, bijvoorbeeld rijlessen op de scootmobiel. Dit wordt rechtstreeks door de leverancier of betrokken ergotherapeut met de sociaal werker overlegd. Artikel 8a Verkorte procedure In de Verordening is in artikel 8 opgenomen dat een gespreksverslag dat ondertekend is als aanvraag(formulier) wordt beschouwd. In de praktijk betekent dit dat bij een eerste aanvraag een gespreksverslag wordt gemaakt en wordt ondertekend door de inwoner. Hiermee wordt voldaan aan de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarin staat dat een aanvraag schriftelijk moet worden ingediend en moet worden ondertekend door de aanvrager. Indien er een eerste ondertekende aanvraag aanwezig is, kan het college bij de volgende aanvragen van dezelfde persoon voor Wmomaatwerkvoorzieningen de verkorte procedure volgen.
Volgens artikel 4:1 Awb wordt een aanvraag schriftelijk ingediend, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dit betekent dat de gemeenteraad via de verordening hiervan kan afwijken, zoals bij de verkorte procedure. Op grond van artikel 4:2 lid 1 Awb moet een aanvraag ondertekend zijn. Als de handtekening ontbreekt, zoals het geval is bij de aanvraag in een verkorte procedure, dan is feitelijk gezien de aanvraag onvolledig. Uit jurisprudentie blijkt echter dat een handtekening geen constitutief vereiste is voor een rechtsgeldige aanvraag. De verkorte procedure betekent dat er voor volgende aanvragen Wmo maatwerkvoorzieningen geen ondertekende aanvraag nodig is. In de praktijk betekent dit dat er geen gespreksverslag als bedoeld in artikel 8 lid 3 van deze verordening nodig is, maar dat er wel een toekenningsbesluit wordt genomen. Artikel 8a is toegevoegd aan de verordening om die verkorte aanvraagprocedure voor een Wmo voorziening mogelijk te maken. De verkorte procedure heeft de volgende doelen: - Aansluiten bij de behoefte van de inwoner - Een efficiënt en zo weinig mogelijk belastend aanvraagproces. - Optimaliseren van de bedrijfsvoering en snel kunnen handelen met zo weinig mogelijk administratieve belasting. De verkorte procedure kan worden toegepast wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden van dit artikel. Er moet voldaan worden aan alle voorwaarden.